Cheer Season 2

Cheer Season 2. Maddy Brum (center) in Cheer. Cr. Netflix © 2022

Seizoen 1 van de docuserie Cheer maakte begin 2020 halve beroemdheden van hoofdcoach Monica Aldama en het cheerleadingteam van Navarro College uit Corsicana, Texas. Dit vervolg start twee weken na de première van de serie, als Aldama en haar meest in het oog sprekende atleten mogen opdraven in zowat elk zichzelf respecterend Amerikaans televisieprogramma. Totdat de hype hen inhaalt en ook de schaduwzijde van de roem zich begint te manifesteren.

Intussen heeft showrunner Greg Whitely voor Cheer Season 2 (459 min.) ook zijn kamp opgeslagen bij Navarro’s grote concurrent bij de nationale studentenkampioenschappen in Daytona: het cheerleadingteam van Trinity Valley Community College (TVCC) uit Athens, ook in Texas. En daarmee krijgt Monica Aldama, de strenge blik(vanger) van het eerste seizoen, meteen een serieuze tegenstrever: TVCC-hoofdcoach Vontae Johnson, ook al zo’n ongelofelijke streber. En die deelt meteen de eerste klap uit: hij strikt Navarro’s voormalige choreograaf Brad Vaughan. Trinity oogt sowieso hongerig en gefocust, terwijl de ‘sterren’ van de grote concurrent zich ook onledig houden met influencerklusjes, commerciële activiteiten én Dancing With The Stars.

Die nieuwe elementen zijn nodig. Anders zouden de negen afleveringen van seizoen 2 echt een carbonkopie van hun voorgangers worden: eerst de moordende concurrentie binnen het team over welke van de veertig atleten een plek ‘op de mat’ bemachtigen tijdens de wedstrijd en daarna de ijzeren discipline van de geselecteerde turngroep om op het moment suprême de concurrentie met een perfecte ‘routine’ af te troeven. En dan gooit het Coronavirus, spelbreker/scherpsteller in menige documentaire, ook in de cheerwereld roet in het eten, wordt het seizoen plotseling afgebroken en moeten Navarro en Trinity in een nieuw jaargang, en zonder enkele sterkhouders, weer helemaal van voren af aan beginnen.

Als dat nog niet voldoende basis was voor een nieuw seizoen, dan zijn er ook de beschuldigingen vanwege seksueel misbruik tegen Navarro’s flamboyante stunter Jerry Harris. Er wordt halverwege de serie zelfs een complete aflevering vrijgemaakt voor belastende verklaringen van de minderjarige tweeling Sam en Charlie en hun advocaat Sarah Klein, zelf oud-topatleet en in die hoedanigheid slachtoffer van de beruchte sportarts Larry Nassar. Ook de geschokte teamgenoten van Harris komen aan het woord. Alleen de beschuldigde zelf, één van de ‘sterren’ van het eerste Cheer-seizoen, laat verstek gaan. Van Jerry Harris rest alleen beeldmateriaal uit betere tijden, dat alleen wel erg schuurt met de verhalen die er ondertussen over hem worden verteld.

Deze episode blijft een fremdkörper binnen de serie. In de volgende afleveringen gaan de twee teams gewoon verder waar ze waren gebleven. Cheer besteedt dan zelfs aandacht aan de kapsels bij Navarro en een ruzie over wie de eigenaar is van een bepaalde hond. In het licht van de gebeurtenissen rond Harris voelt dat wel heel futiel. En de aanloop naar de apotheose van dit tweede seizoen, als de turnploegen van Monica Aldama en Vontae Johnson in Daytona met elkaar gaan strijden om het nationale kampioenschap van 2021, oogt zelfs als een herhalingsoefening. In de trant van: been there, done that, won the trophy.

De vraag in deze erg Amerikaanse sportserie, die zich vooral richt op de spectaculair in beeld gebrachte verwikkelingen op en rond de turnmat en zo nu en dan uitstapjes maakt naar het persoonlijk leven van de atleten, is vooral: wie gaat er dit jaar vandoor met die felbegeerde trofee? De gedoodverfde favoriet of toch de supergemotiveerde uitdager? Als dat is bepaald, rest er alleen nog een lange, emotioneel geladen epiloog waarin de ongenaakbare Monica Aldama zich ineens van haar kwetsbare kant laat zien.

The School That Tried To End Racism

Channel 4

‘Dit is gewoon niet eerlijk’, constateert de elfjarige Farrah verontwaardigd.

‘Farrah, niemand hier is wit’, antwoordt haar klasgenoot Makhai, terwijl hij geïrriteerd om zich heen kijkt. ‘Het is niet eerlijk.’

De kinderen participeren met hun klas deel in een experiment over latent racisme. Straks gaan ze aan een hardloopwedstrijd meedoen. Van tevoren wordt ieders startpositie bepaald. Dat gebeurt aan de hand van stellingen. Laatste: als je ouders je ooit voor racisme hebben gewaarschuwd, zet je een stap terug.

Inmiddels staan alle zwarte en gekleurde kinderen achteraan, inclusief Farrah en Makhai. Zij hebben nu al een onoverkomelijke achterstand opgelopen ten opzichte van de witte kinderen. ‘Als we nu gaan lopen is dit dan een eerlijk beginpunt voor iedereen?’ vraagt de gymjuf van dienst. ‘Nee!’ roept Farrah. Makhai vult aan: ‘Ik ben een beetje gefrustreerd dat de samenleving niet eerlijk is.’

En dat is natuurlijk precies wat The School That Tried To End Racism (91 min.) wil aantonen – en liefst ook nog hoe dat kan worden veranderd. In deze interessante tweedelige tv-docu van Rachel Dupuy en David Harris wordt de brugklas van de Glenthorne High School in Zuid-Londen gevolgd. Die gaat deelnemen aan een sociaal experiment van drie weken rond onbewust racisme. De klas vormt een ideale onderzoeksgroep: de helft van de leerlingen is zwart of gekleurd, de rest van de kinderen is dat niet.

De 24 elfjarigen laten zich onderwerpen aan een toets over vooroordelen, participeren in affiniteitsgroepen en krijgen volstrekt willekeurig privileges toebedeeld (of juist niet). Daarnaast trekken ze de wijde wereld in, op zoek naar wat het daar betekent om zwart of wit te zijn. Dit proces wordt gadegeslagen en becommentarieerd door twee deskundigen op het gebied van onbewuste rassenvooroordelen, een zwarte en een witte vrouw. Zij willen weten welk effect het project heeft. En: zou het ook een bijdrage kunnen leveren aan een meer inclusieve samenleving?

Na afloop van de hardloopwedstrijd is er in elk geval nauwelijks blijdschap bij de winnaars. Wat stelt die overwinning voor als je weet dat een groot deel van de concurrentie al bij voorbaat op achterstand is gezet?

Foster

HBO

Op de avond voordat haar dochter werd geboren, gebruikte Raeanne cocaïne. Dat komt haar duur te staan: baby Kris’Lyn wordt uit huis geplaatst. Samen met vader Chris moet moeder voor de rechter verschijnen. Het kind, waarvan het de vraag is of het iets heeft opgelopen door Raeannes drugsgebruik, mag bij Chris verblijven. Hij komt alleen wel onder curatele te staan. En zijn vriendin moet afkicken en krijgt een beperkte bezoekregeling.

Terwijl de prille ouders proberen op te krabbelen, ondersteund en gecontroleerd door jeugdzorg, vertellen ze in deze documentaire hun eigen levensverhaal. Dat blijkt uiteindelijk een logische aanloop naar het punt in hun leven waarop ze nu in aanvaring zijn gekomen met de wet of een beroep moeten doen op hulpverlening. En dat geldt eigenlijk voor alle hoofdpersonen van Foster (113 min.), een poignante film van Deborah Oppenheimer en Mark Jonathan Harris over het reilen en zeilen bij de jeugdzorg van Los Angeles.

Één op de acht kinderen in de Verenigde Staten komt in contact met jeugdzorg vanwege verwaarlozing of mishandeling. 400.000 Amerikaanse kinderen en jongeren verblijven in de opvang. Deze documentaire zoekt enkele van hen op in die vermaledijde hoek waar steeds weer de klappen vallen. De achttienjarige tiener Mary bijvoorbeeld, een mooi meisje waarvan je in eerste instantie zou kunnen denken dat ze alles goed voor elkaar heeft. Mary werd echter geboren als drugsbaby en verbleef al op talloze opvangplekken. ‘Waarom gaven al die families me op?’ vraagt ze zich nu af.

Of de zestienjarige Dasani, die regelmatig voor de jeugdrechter moet verschijnen vanwege problemen die hij veroorzaakt in het opvanghuis waar hij op dit moment verblijft. Terwijl de Afro-Amerikaanse jongen wordt gestimuleerd en gedwongen om zijn leven te beteren, is er nog altijd dat ene onverwerkte familietrauma. Zou erover rappen helpen? En lukt het hem uiteindelijk om zichzelf op de rit te krijgen en tegelijkertijd dat achterstallige onderhoud weg te werken?

Oppenheimer en Harris spreken en portretteren niet alleen de kids zelf, maar ook de advocaten, hulpverleners, belangenbehartigers, deskundigen en reclasseringsmedewerkers om hen heen. Mensen met het hart veelal op de goede plek, zoals de voormalige Mom USA Earcylene Beavers, die al tientallen jaren zogenaamde probleemkinderen opvangt, en de betrokken jeugdzorgmedewerker Jessica Chandler. Zij werkt tegenwoordig bij de instantie waarop ze ooit zelf als verwezen tiener was aangewezen.

Foster is een optimistische film en wil dat ook duidelijk zijn. Dat laat onverlet dat het (net als in ons eigen land overigens, getuige bijvoorbeeld de veelbesproken documentaire Alicia) gaat om bijzonder weerbarstige problematiek, die bovendien een duidelijke relatie heeft met al even hardnekkige maatschappelijke kwesties als armoede, gebroken gezinnen en onleefbare wijken. Gezamenlijk staan de jongeren en hun entourage daarom voor een enorme opdracht: hoe houd je in zo’n leefomgeving, soms tegen beter weten in, zoiets elementair menselijks als hoop levend?

The Radical Story Of Patty Hearst

Haar naam is bijna een synoniem voor het Stockholm-syndroom geworden. Patricia Hearst, de steenrijke erfgename van de befaamde Amerikaanse Hearst-familie, werd op 4 februari 1974 ontvoerd door het Symbionese Liberation Army (SLA). Dik twee maanden later pleegde ze, als de gedreven strijder ‘Tania’, samen met haar ontvoerders een overval op de Hibernia Bank in San Francisco. De kleindochter van mediamagnaat William Randolph Hearst, die ooit model stond voor de Orson Welles-film Citizen Kane, had zich volledig vereenzelvigd met de idealen en methoden van een radicale representant van de Amerikaanse tegencultuur, die ook terreurgroepen als The Black Liberation Army en The Weather Underground zou voortbrengen. Was ze gehersenspoeld of gewoon een ‘natuurtalent’?

In de zesdelige serie The Radical Story Of Patty Hearst (240 min.) belicht regisseur Pat Kondelis de opzienbarende wildemansrit van Hearst met de extreem-linkse splintergroep, die in een orgie van geweld zou uitmonden. De SLA-leden stond niets minder dan de revolutie voor ogen. Al bleef volgens auteur Jeffrey Toobin, die de ongeautoriseerde biografie American Heiress schreef waarop deze serie is gebaseerd, onduidelijk wat ze nu precies wilden en hoe ze dat dachten te bereiken. De organisatie schuwde geweldsmiddelen in elk geval niet. Vóór de ontvoering van hun toekomstige strijdmakker, die toen nog een rijkeluisleventje met haar aanstaande echtgenoot leidde, was de organisatie met de zevenkoppige cobra als logo al verantwoordelijk voor de moord op een in hun ogen repressief schoolhoofd, Marcus Foster.

‘Dood aan het fascistische insect dat het volk misbruikt’, stond er pontificaal in de eerste verklaring die de Symbionese Liberation Army na de ontvoering naar de Hearst-familie stuurde. Patty’s vader Randy moest die voorlezen tijdens een persconferentie. Er zouden nog veel boodschappen volgen, waarvan een groot deel ingesproken door ‘Tania’ zelf. Het waren ‘crazy ass communiques’ volgens voormalig SLA-kaderlid Bill Harris, één van de belangrijkste bronnen van Toobins boek en deze serie. Hij praat erover alsof die hele ontvoering niet meer dan een onschuldige jeugdzonde was. En het Symbionese Liberation Army een soort hippiebende van Robin Hood. Soms klinkt er zelfs trots in zijn woorden door, bijvoorbeeld als de afgedwongen voedseldonaties aan arme Amerikanen ter sprake komen. Serieuze zelfreflectie lijkt in elk geval te ontbreken bij de voormalige extremist.

Hearsts voormalige verloofde Steven Weed noemt de SLA-leden daarentegen zonder omhaal van woorden ‘compleet gestoord’. Patty zelf, die binnenkort 65 wordt en al enige tijd oma is, ontbreekt helaas in de serie. Zij had volgens een officiële verklaring ‘geen interesse om deze gewelddadige en pijnlijke periode uit haar leven opnieuw te beleven’ en stelt zelfs dat Toobins boek haar verkrachting en marteling heeft geromantiseerd. Ze is in de serie alleen aanwezig via oude audio-interviews en archiefmateriaal. Als psychologisch portret van een jonge vrouw in zeer uitzonderlijke omstandigheden komt The Radical Story Of Patty Hearst daardoor niet uit de verf. De hoofdpersoon, die zich binnen luttele maanden ontwikkelt van rijkeluisdochter tot de gestaalde guerrillastrijder ‘Tania’, blijft een enigma.

Als historische reconstructie heeft de documentaireserie, die wordt bevolkt door diverse direct betrokkenen, de gehele affaire minutieus doorneemt en is aangekleed met gedramatiseerde scènes en een overdaad aan fraai archiefmateriaal, zeker zijn waarde. Tegelijkertijd voelt de serie minder urgent dan vergelijkbare historische producties als The Clinton Affair en Enemies: The President, Justice & The FBI, waarin duidelijke parallellen met het heden worden getrokken.

Love & Hate Crime

‘Ik moet leren leven met het feit dat ik Mercedes heb vermoord’, zegt Josh Vallum bij de start van Double Lives, deel 1 van de zesdelige BBC-serie Love & Hate Crime (312 min.)Hij zit levenslang in een cel in de Amerikaanse staat Mississippi en heeft spijt als haren op zijn hoofd. Want Josh heeft vrede gesloten met God. ‘En zij zit nu in de hel.’

Na die intrigerende openingsscène ontwikkelt zich geen traditionele whoduunit, maar een televisiedocu die je een whydunnit zou kunnen noemen. Waarom is de schuldbewuste twintiger in godsnaam overgegaan tot zijn gruwelijke daad? Stapsgewijs wordt het diep tragische verhaal van zowel dader als slachtoffer onthuld, waarbij uiteindelijk niets is wat het lijkt.

Het tweede deel van deze broeierige true crime-miniserie van Ben Steele, Murder In Mississippi, behelst een wat traditionelere haatmisdaad in een typische redneck county bijgenaamd Jafrica, waar een groep blanke tieners de hoogtijdagen van de Ku Klux Klan doet herleven. Een willekeurige donkere man wordt als een hond overreden. Of ligt het toch nét iets genuanceerder?

Zo probeert deze serie steeds beide kanten van de medaille te laten zien. Is Onésimo Marcelino Lopez-Ramos, de Guatemalaanse jongen uit Trouble In Paradise, bijvoorbeeld werkelijk het slachtoffer van een racistische moord, van ‘Guat-jacht’? En was het inderdaad zelfverdediging toen de homoseksuele leerling Abel Cedeno uit Killing In The Classroom zijn klasgenoot Matthew McCree, naar verluidt een gevreesd bendelid, neerstak?

De Texaanse rechercheur moordzaken Fil Waters beweert in de aflevering Honour Killings dat hij ervoor heeft gezorgd dat negen mensen in de dodencel zijn beland. Vier van hen zijn ‘gerehabiliteerd’. Ofwel: geëxecuteerd. ‘Ze zijn nu kunstmest’, volgens Waters. En zo zou Ali Irsan ook nog van nut kunnen zijn. De Amerikaanse moslim, ’een afgezant van Satan’, wordt beschuldigd van dubbele moord. Eerwraak, om precies te zijn. Niet voor het eerst, trouwens.

Een andere aflevering van Love & Hate Crime, Killer With A Camera, duikt in de strafzaak tegen Adrian Loya. Hij heeft een vrouwelijke collega gedood en twee anderen ernstig verwond. De schietpartij is vastgelegd met een GoPro-cameraatje dat Loya speciaal voor die gelegenheid had meegebracht. De kogelregen vormde de zwartomrande apotheose van een ongenadige duik in zijn eigen duisternis.

Terwijl hij de aanval plande, legde de schutter twee jaar lang zijn gedachten vast in een geheim dagboek genaamd Loya Wars. In deze teksten, die in de beklemmende docu worden voorgelezen door een acteur, was een centrale plek weggelegd voor Loya’s obsessie voor één van zijn latere slachtoffers. Lisa bleek echter lesbisch en getrouwd – en tekende daarmee haar eigen doodvonnis.

‘Evil or… just kind of nuts?’, vraagt zijn eigen advocaat Drew Segadelli zich hardop af. En dat is tevens de centrale kwestie tijdens de rechtszaak tegen zijn cliënt, die een hoogtepunt vormt van deze sfeervolle en indringende misdaadserie.

Bowling For Columbine


Als de gratuite oproepen om stringentere wetgeving, betere beveiliging of devote ‘gedachten en gebeden’ na een Amerikaanse school shooting alweer zijn verstomd, blijft mijn hoofd steevast beelden produceren uit Bowling For Columbine (119 min), de ultieme documentaire over schietpartijen op Amerikaanse scholen. In de nasleep van Parkland in Florida, waarbij een eenzame schutter afgelopen week zeventien dodelijke slachtoffers maakte, is deze klassieker, die zowel een Oscar als een prijs op het filmfestival van Cannes won, helaas weer bijzonder actueel.

In de film uit 2002 buigt ’s werelds bekendste documentairemaker Michael Moore, een man die als geen ander een groot publiek weet te vinden met zijn werk (al lijkt de échte scherpte er sinds Fahrenheit 9/11, zijn schotschrift tegen de Amerikaanse aanval op Irak in 2003, ook wel een beetje vanaf), zich over de school shooting die een blauwdruk lijkt te zijn geworden voor zowat alle navolgende schietpartijen: het bloedbad dat Eric Harris en Dylan Klebold, gefrustreerde tieners die sindsdien een naargeestige cultstatus hebben gekregen, in 1999 aanrichtten op de middelbare school Columbine High in Colorado.

Moore, die zelf lang lid was van de National Rifle Association (NRA), legt een direct verband tussen de wandaden van het duo Harris en Klebold, het Amerikaanse wapenbezit en de angstcultuur die in de Verenigde Staten, door zowel politiek als media, voortdurend wordt aangewakkerd. Daarbij gaat hij bepaald niet subtiel te werk. Typisch Amerikaans, zou je kunnen zeggen. Hij hamert zijn boodschap erin, met de nodige korte bochten, voor de camera uitgelokte conflicten, dik aangezet sentiment en veel, heel veel humor. Een smakelijk opgediende, sterk vereenvoudigde versie van de werkelijkheid, die er ook bij niet-documentaireliefhebbers ingaat als koek.

Want, even voor de zekerheid: je krijgt echt niet direct een geweer mee naar huis als je een rekening opent bij de North Country Bank. En nee, de beelden van NRA-voorman Charlton Heston, die beweert dat hij zijn recht op een wapen nooit zal opgeven (‘from my cold dead hands’), werden niet in de eerste dagen na ‘Columbine’ gemaakt. En ja, als je goed kijkt, zie je dat de daverende slotscène waarin de gewezen Hollywood-ster Heston met de staart tussen de benen afdruipt na een interview met Moore wel erg slinks is gemonteerd, zodat de impact ervan wordt gemaximaliseerd.

Het zijn nuanceringen die vrijwel altijd opduiken na de pamfletistische films van Michael Moore, die zijn punt koste wat het kost wil maken, desnoods ten koste van (een deel van) de waarheid. Toch staat de centrale boodschap van Bowling For Columbine, een echte publieksfilm met veel tempo en schwung, ruim vijftien na release nog steeds fier overeind: Amerika’s verwrongen relatie met wapenbezit en zelfverdediging zorgt voor een eindeloze stroom geweldsuitbarstingen die een westerse democratie volstrekt onwaardig zijn.

En terwijl de nabestaanden wanhopig roepen om concrete stappen waarmee toekomstige slachtoffers kunnen worden voorkomen, proberen politici, die door de NRA in het zadel zijn geholpen (je zou ook kunnen zeggen: zijn om- of afgekocht), net zolang tijd te winnen, totdat de (media)aandacht weer is verslapt. Voor de echte hardliners geldt echter ook in dit geval dat de aanval de beste verdediging is. Zij pleiten gewoon voor nóg meer wapens. ‘The only thing that stops a bad guy with a gun’, beweert de huidige NRA-president Wayne LaPierre bijvoorbeeld met droge ogen, ‘is a a good guy with a gun.’

American Anarchist


Voor u, beste kijker, zit William Powell, een vriendelijke, intelligente en welbespraakte zestiger waar u zo op de koffie zou gaan. Eind jaren zestig schreef hij als boze 19-jarige The Anarchist Cookbook, hét instructieboek voor elke zichzelf respecterende Amerikaanse terrorist en schoolschutter.


Van Timothy McVeigh, de man achter de bomaanslag in Oklahoma City tot Eric Harris en Dylan Klebold, de twee tieners die twaalf medeleerlingen en een leerkracht neer maaiden op hun middelbare school Columbine High. Stuk voor stuk maakten ze gebruik van het zelfhulpboek voor lieden met snode plannen. Zelfs IS schijnt er vrolijk uit te hebben geput.

Voor Powell is het boek een jeugdzonde die hem al bijna een halve eeuw blijft achtervolgen. In American Anarchist (80 min.) zet regisseur Charlie Siskel hem soms ongenadig de duimschroeven aan. De film is beslist aan de lange kant, maar blijft door de actuele thematiek, en het daaruit voortgevloeide persoonlijke drama, toch boeien.