Nazaten

KRO-NCRV

Geluk is juist niet met de dommen. Dat kun je zelf afdwingen. Het zit in de blik waarmee je naar de wereld kijkt. Naar die nieuwe postbode. Het boekenkastje dat jij naast je brievenbus hebt gehangen en dat hij regelmatig leeghaalt. Het gesprek dat je daarover met hem aanknoopt. En dat je direct aanslaat als hij te midden van zijn verhaal over ‘gratis kennis’ verzamelen voor mensen in de Surinaamse jungle, hoort dat de naam Bromet daar, in die voormalige Nederlandse kolonie, verrassend vaak voorkomt.

Some guys have all the luck, maar Frans Bromet had ‘t daar natuurlijk bij kunnen laten. Het lampje in het hoofd van de geboren verhalenverteller had niet hoeven te gaan branden. Hij had het bijbehorende pling-geluidje kunnen negeren. Dan was er dus geen film gekomen. Althans, niet deze film. Vast wel weer een andere. Want Bromet, uit Ilpendam, filmt nog altijd per strekkende meter. De camera stopt pas met draaien als Frans de record-knop niet meer weet te vinden. Tot die tijd blijft hij op zoek naar verhalen om op te diepen, samen te stellen of eruit te persen. Ook in zijn eigen leven: bij zijn Joodse afkomstGroenLinkse dochter of gezondheidsproblemen.

Op naar Suriname dus, naar naamgenoten – en een shotje van de Brometstraat. Al snel wijst één van z’n nieuwe ‘familieleden’ hem op ene Hermanus Bromet (1725-1813), de man die hun gezamenlijke naam naar Suriname bracht. Eenmaal thuis duikt nazaat Frans direct in het levensverhaal van deze illustere voorouder: de ras-Amsterdammer streed voor gelijke rechten voor Joden in Nederland, werd het eerste Joodse Tweede Kamerlid én woonde ook een jaar of twintig in Suriname, waar hij volgens hoogleraar Joodse Studies Bart Wallet ‘handelde in Afrikaanse tot slaaf gemaakten’. Dat is even slikken voor Bromet, Frans welteverstaan. ‘Ik ben dus familie van een slavenhandelaar.’

En dan is de stap snel gezet – tenminste, volgens zijn postbode Brian Saaki, een afstammeling van de Marrons waarop Hermanus in de Surinaamse jungle zou hebben gejaagd – naar herstelbetalingen. Maar moet iemand die zelf niets heeft misdaan daarvoor dan betalen en vergeving vragen? werpt Bromet tegen, namens al die witte Nederlanders die ter verantwoording worden geroepen voor dat beladen verleden. Brian is echter onverbiddelijk over wat hij ‘de zwarte Holocaust’ noemt. ‘Ik heb ‘t niet meegemaakt, maar toch heb ik er moeite mee’, zegt hij, om vervolgens tegenover Bromet te concluderen: ‘Je kunt de verantwoordelijkheid niet uit de weg gaan.‘

Via zijn omstreden voorvader en diens Nazaten (51 min.), waarvan een belangrijk deel ook een donkere huidskleur heeft, is de Nederlandse filmmaker ondertussen dus aanbeland bij één van de meest gevoelige thema’s van onze tijd: Neerlands koloniale geschiedenis en hoe dat nog altijd opspeelt. En het begon dus met een eenvoudig boekenkastje en een nieuwe postbode – en het spiedende oog van Frans Bromet. Dat ‘geluk’ afdwingt – of een handje helpt.

Who Downed MH17?

Eliot Higgins, Bellingcat

Op 17 juli 2014 wordt niet alleen vlucht MH17 van Malaysian Airlines, op weg van Amsterdam naar Kuala Lumpur, uit de lucht geschoten boven Oost-Oekraïne. Bellingcat, het internationale onderzoekscollectief dat zojuist is opgericht door de Britse burgerjournalist/blogger Eliot Higgins, vindt op datzelfde moment z’n missie: het achterhalen van wie er verantwoordelijk is voor het neerhalen van dat passagiersvliegtuig en de dood van de 298 inzittenden, waaronder 196 Nederlanders.

Higgins en zijn multidisciplinaire team ontmoeten elkaar online, in de tijd dat Twitter nog een platform is om kennis en informatie uit te wisselen. Bellingcats uitgangspunt daarbij is: trust no one, test everything. Met behulp van Open Source Intelligence – ofwel: OSINT – krijgen de burgerjournalisten zo steeds meer zicht op wat er zich op die fatale donderdag heeft afgespeeld in Donetsk. Ze achterhalen essentieel bewijsmateriaal over het drama, dat zich heeft voltrokken in moeilijk toegankelijk oorlogsgebied. Het digitale spoor leidt naar een Russische BUK-raket.

In de driedelige docuserie Who Downed MH17? (132 min.) reconstrueert Jack Rampling met Higgins en getrouwen zoals Veli-Pekka Kivimäki, Iggy Ostanin en de Nederlander Robert van der Noordaa dat online-onderzoek waarmee Bellingcat doordringt tot het hart van het MH17-mysterie en meteen uitgroeit tot aartsvijand van Poetins Rusland. Dat heeft speciale trollenfabrieken ingericht om de schuld voor het neerhalen van het toestel bij Oekraïne neer te leggen. Heel lang ontbreekt echter het antwoord op twee cruciale vragen: wie vuurde die raket af en waarom?

Daarvoor meldt Christo Grozev, die later ook een sleutelrol zal spelen in het onderzoek naar de moordaanslag op de Russische oppositieleider Aleksej Navalny (zoals vervat in de Oscar-winnende documentaire Navalny), zich bij het onderzoekscollectief. Hij weet samen met de Russische journalist Roman Dobrokhotov audio-opnamen van de mogelijke daders te verbinden aan concrete personen. Zo voeden zij tevens het officiële MH17-onderzoek, waarin aanklager Digna van Boetzelaer, die eveneens participeert in deze miniserie, een centrale positie inneemt.

Who Downed MH17? laat zo treffend zien hoe ‘the wisdom of the crowd’ daadwerkelijk voor maatschappelijke doeleinden wordt ingezet. Om de impact van de aanslag duidelijk te maken en zijn vertelling extra emotionele lading te geven, introduceert Rampling bovendien, naast de toenmalige Nederlandse premier Mark Rutte en minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans, de nabestaanden van twee slachtoffers: de familie van de Britse passagier Richard Mayne en de moeder van de Nederlander Bryce Frederiksz die samen met z’n vriendin Daisy om het leven is gekomen.

Tijdens de rechtsgang moeten zij aanzien hoe de verantwoordelijken voor hun immense verdriet de dans proberen te ontspringen.

De Illusie Aan De Macht – 1412 Dagen Kabinet Den Uyl

Joop den Uyl (l), koningin Juliana en Dries van Agt (r) / Aanpak Film

Alles is veranderd – en tegelijk helemaal niets. Zo’n linkse regering als het kabinet Den Uyl (1973-1977) had Nederland nog nooit en (vooralsnog) ook nooit meer. En tegelijkertijd ging ‘t er in de jaren zeventig, getuige de tweedelige documentaire De Illusie Aan De Macht – 1412 Dagen Kabinet Den Uyl (110 min.), niet zoveel anders aan toe dan nu: premier Joop den Uyl en bewindslieden van de partijen PvdA, KVP, ARP, PPR en D66 werden met de ene na de andere crisis geconfronteerd, kregen te maken met aanzienlijke weerstand en vochten elkaar soms, tot diep in de nacht, de tent uit.

Hun gekrakeel speelde zich alleen af in een grotendeels zwart-witte wereld en werd gekenmerkt door vormelijkere omgangsvormen. De uitgangspunten van de grote vormgever, Joop den Uyl, waren echter glashelder: een eerlijkere verdeling van macht, kennis en inkomen. Het PvdA-kopstuk geloofde in een maakbare samenleving, zijn progressieve regering was ‘van en voor gewone mensen’. En dat betekende dan weer vrij schieten voor de oppositie. ‘Sinterklaas bestaat’, kreeg VVD-leider Hans Wiegel, wijzend naar Den Uyl, bijvoorbeeld de lachers op zijn hand. ‘Daar zit ie, achter de tafel.’

Toen André van der Hout en Chris Vos werkten aan deze historische reconstructie, in 1999 beloond met een Gouden Kalf, was die ‘goedheiligman’ al overleden. Andere bekende kabinetsleden zoals de ministers Dries van Agt, Ruud Lubbers, Jos van Kemenade, Henk Vredeling, Jan Pronk, Tjerk Westerterp en Max van der Stoel en de Kamerleden Willem Aantjes, Hans van Mierlo en Frans Andriessen schoven wel aan om terug te blikken op een tijd die in het teken stond van pak ‘m beet de oliecrisis, Surinaamse onafhankelijkheid, abortus, de Lockheed-affaire en Molukse treinkapingen.

En ergens in die aaneenschakeling van kleinere en grotere crises ontstond er een verwijdering tussen de PvdA, geleid door de zuinige calvinist Den Uyl, en de katholieke minister van justitie Van Agt, die in 1977 de lijst zou gaan aanvoeren van het CDA, een nieuwe politieke partij die uit drie christelijke partijen was ontstaan. En die zou er uiteindelijk voor zorgen dat er, ondanks een enorme verkiezingsoverwinning voor de PvdA, géén tweede kabinet Den Uyl kwam. Dries van Agt werd minister-president in een kabinet met de VVD. Met Wiegel had Van Agt duidelijk meer chemie dan met Den Uyl.

Van der Hout en Vos tekenen die geschiedenis zonder al te veel opsmuk op. Ze verlaten zich op de fraaie archiefbeelden, laten die inkaderen door de toenmalige hoofdrolspelers en zorgen zelf voor een hoofdstukindeling en dienende muziek. Het resultaat is een film die de tijdgeest moeiteloos te pakken krijgt en tevens een aansprekend portret wordt van het gezicht daarvan: Joop den Uyl, een zeer principiële, gedreven en polariserende man, die regelmatig gebukt leek te gaan onder de enorme opdracht die hij zichzelf had gesteld: een Nederland van en voor iedereen.

10 Jaar #JeSuisCharlie

Marec / VRT

Niemand werd gespaard. Hard en grof, niets en niemand ontziend. De redactie van het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo, een zelfverklaard ‘journal irrespondable’, kende geen heilige huisjes. ‘Als iemand zei: je mag dat niet doen, dan deden ze het wel’, vertelt de Vlaamse cartoonist Marec in de tv-docu 10 Jaar #JeSuisCharlie (51 min.). ‘Met het idee: we zorgen dat we met veel zijn, want je kan ons niet allemaal doden.’

Dat was buiten de broers Chérif en Saïd Kouachi gerekend. Op 7 januari 2015 drongen deze zwaarbewapende moslimextremisten binnen bij de redactie en maakten daar twaalf dodelijke slachtoffers. De terroristische aanslag schokte de wereld. ‘Wie vermoordt er nu een clown?’ Cartoonist Monsieur KAK kan er nog altijd niet over uit. ‘Dat doe je niet.’ Ruim drie miljoen mensen gingen de straat om te betogen. Ook ruim veertig regeringsleiders liepen mee in Parijs en riepen vrij en onverveerd: je suis Charlie.

Op de eerste rij was de Israëlische premier Benjamin Netanyahu te ontwaren, even verderop volgde de Hongaarse leider Viktor Orbán. Tien jaar later is duidelijk hoeveel waarde zij in werkelijkheid hechten aan de vrijheid van meningsuiting: nagenoeg niets. Zodra hun eigen imago of belangen in het geding komen, komen zulke heren – of hun politieke vrinden of trollenleger – direct in het geweer en laten ze zien dat ze geen haar beter zijn dan hun Turkse collega Recep Erdogan of andere autocratische regimes.

Sinds Charlie Hebdo lijkt het klimaat voor cartoonisten en politieke tekenaars zelfs alleen maar verslechterd. Als Marec in een Purple Lives Matter-cartoon bijvoorbeeld bestuurlijke perikelen bij de voetbalclub Anderlecht verbindt met de dood van George Floyd wekt dat de woede van de Belgische international Romelo Lukaku en zijn achterban. Zijn collega Lectrr krijgt na een Corona-cartoon zelfs de Chinese overheid achter zich aan. Die eist een publieke verontschuldiging van hem en z’n krant.

‘Het gaat niet over de tekening die je maakt’, concludeert de bekende Vlaamse absurdist Kamagurka, die dertig jaar werkte voor Charlie Hebdo en enkele maanden voor de aanslag in 2015 stopte. ‘Het gaat over degene die ernaar kijkt en de macht van de figuur die ernaar kijkt tegenover de cartoonist. Het is niet de cartoonist die zich iets permitteert, maar wel de macht.’ En dus heeft zijn beroepsgroep zich georganiseerd in belangenverenigingen zoals Cartooning For Peace en Reporters Zonder Grenzen.

Want ook in het vrije westen, waar de persvrijheid altijd min of meer gegarandeerd leek, krijgen individuele tekenaars en hun opdrachtgevers te maken met openlijke vijandigheid en censuur, toont deze boeiende documentaire via via voorbeelden uit alle uithoeken van de wereld. Simpel gesteld: je suis Charlie lijkt op sommige plekken stilaan te zijn vervangen door tu es Charlie.

Dahomey

Cinéart

Na 130 jaar zit hun gevangenschap erop. Samen met duizenden anderen werden zij in 1892 geroofd uit het Afrikaanse koninkrijk Dahomey (68 min.). Sindsdien zaten de kunstwerken vast in een museum te Parijs. Koloniale buit. Voor eenieder te bewonderen. En nu, in november 2021 om precies te zijn, worden zesentwintig van hen in vrijheid gesteld. Een zoenoffer. Zesentwintig van in totaal zevenduizend artefacten. Uitroepteken. En die worden teruggebracht naar hun geboorteland dat tegenwoordig Benin heet.

Terwijl de Frans-Senegalese cineaste Mati Diop in deze hybride van docu en fictie, winnaar van een Gouden Beer op het Filmfestival van Berlijn, observeert hoe zij zich gereedmaken voor vertrek, met alle égards worden ontvangen in Benin en daarna maar moeilijk kunnen wennen aan hun nieuwe omgeving, doet één van hen, niet geheel toevallig nummer 26, hun verhaal. ‘Ik zit in een spagaat tussen de angst dat niemand me zal herkennen’, zegt dit kunstwerk met de vervormde stem van Malkenzy Orcel, ‘en de angst dat ik niets meer herken.’ En dan weerklinkt ook de kritiek van thuis: zijn die zesentwintig nog wel wie ze waren? En in hoeverre voldoet Benin zelf eigenlijk aan het ideaalbeeld van een beloofd land? Sterker: was Dahomey ook niet gewoon een slavenstaat?

Veel inwoners van Benin wisten in elk geval helemaal niet van het bestaan van de 26. ‘Op school leer je over de winnaars en de verliezers’, stelt een jongen tijdens een verhitte bijeenkomst op de universiteit van Abomey-Calavi. ‘Meer niet. Maar toen ik hoorde dat ze dit spul terug zouden geven… Ik noem het spul, want tot nu toe voel ik helemaal geen band met de beeldjes.’ Nee, geen eensgezind warm welkom. Anderen vinden dat ze zich niet moeten richten op dat materiële erfgoed in het buitenland. In eigen land is er immaterieel erfgoed te over: dansen, traditie en kennis. En ook die constatering, merken de 26, leidt weer tot gekrakeel. ‘Toen ik afgelopen zondag naar het paleis ging om die stukken te bezichtigen, heb ik een kwartier gehuild’, reageert een jonge vrouw. ‘Ik dacht echt: wauw!’

Zij is dan weer verbaasd over de genialiteit van hun voorouders. En wat kunnen hun afstammelingen discussiëren! constateren de teruggekeerden tegelijkertijd en waarschijnlijk ook enigszins mismoedig. En wat wordt er veel bijgehaald door die studenten! Aristoteles, Nelson Mandela en Voodoo. En de ziel van hun land, natuurlijk. Die zou zijn gestolen. De verschillende sprekers nemen bovendien erg veel ruimte in – en krijgen die ook van Diop. In een verder fraaie film die elementaire vragen over hun bestaan stelt, van de bevrijde artefacten en hun nieuwe/oude landgenoten, ingebed in een boeiende verkenning van erfgoed, identiteit en zelfbeschikking.

The Imposter

A&E Indie Films

Drie jaar en vier maanden na de plotselinge verdwijning van Nicholas Barclay op 13 juni 1994, krijgt de familie van de dertienjarige Texaanse jongen bericht uit Spanje: hun zoon is gevonden.

Het is een daverende verrassing, voor alle betrokkenen. Het bericht zorgt ook direct voor wantrouwen. De inmiddels zestienjarige tiener blijkt helemaal geen blond haar en blauwe ogen te hebben. En de jongen spreekt met een vreemd buitenlands accent. Iedereen die ’t wíl zien, constateert direct: geen Nick, maar een oplichter. ‘Hij leek helemaal niet op mij’, bekent de man, die zich voordeed als het verdwenen kind, ‘eerlijk’ in The Imposter (98 min.). Hij kijkt recht in de camera. ‘Het enige dat we met elkaar gemeen hebben, is dat we allebei vijf vingers aan elke hand hebben.’

En toch stapt Nicks zus Carey direct in het vliegtuig naar Spanje, om hem als een verloren zoon binnen te gaan halen. Deception comes home, zoals in 2012 de smeuïge tagline luidde van deze onheilszwangere mix van docu en drama. Want enige tijd later – de Britse regisseur Bart Layton gebruikt de reis huiswaarts van ‘broer’ en zus als een vehikel om de spanning danig op te voeren – wordt de jongen omhelsd door zijn moeder Beverly Dollarhide en de rest van de familie. Hij is weer thuis – of zoals ie dat zelf ziet: eindelijk thuis. Ergens. Ook al is het dan in de Barclay-familie.

Nick is – vertelt hij aan de andere leden van het gezin, die zijn verhaal grif overnemen in deze film – ontvoerd door buitenlandse militairen. Samen met andere kinderen. Meegenomen naar een ander land. Bedwelmd met chloroform. En elke avond misbruikt door officieren. Z’n handen zijn gebroken met een honkbalknuppel. Hij moest insecten eten. Kreeg naalden in z’n ogen. Een koptelefoon op, met keihard geschreeuw in vreemde talen. En een stem bleef zeggen: jij bent niet jij. Engels spreken werd bestraft. En zijn identiteit gemanipuleerd door het veranderen van z’n haarkleur en oogkleur.

En toen kon Nicholas, als door een wonder, ontsnappen door een deur die niet bleek te zijn afgesloten en ontdekte hij volgens eigen zeggen pas dat ie in Spanje was beland. Hij zocht er een opvang op en kreeg van daaruit contact met thuis. Tot zover het verhaal dat de bedrieger zijn familie en een kritische FBI-agente op de mouw speldt. Maar waarom heeft hij zich eigenlijk een vreemd gezin binnen gewurmd en – een al even prikkelende vraag – waarom heeft dat gezin hem, de drieëntwintigjarige man die duidelijk hun verdwenen tienerzoon niet is, in vredesnaam omarmd?

Aan de hand van deze vragen bouwt Layton zijn film op als een slinkse thriller, waarbij niets is wat het lijkt en niets lijkt wat het is. Vanaf het begin is desondanks duidelijk dat we met een oplichter van doen hebben. Sterker: gaandeweg blijkt ’t om de Franse beroepsoplichter Frédéric Bourdin, bijgenaamd De Kameleon, te gaan. Hij lijkt ook graag te participeren in deze vertelling. Alsof die niet meer dan een viering van zijn bedriegerscapaciteiten is. Een gelegenheid om nog eens te zwelgen in zijn eigen meestertruc, waarvoor hij als een gewetenloze method actor elke rol naar z’n hand zet.

Tegelijk blijft natuurlijk de vraag opspelen wat er dan wél met Nicholas is gebeurd.

Rainbow Warrior

Expanded Media

In de afgelopen halve eeuw heeft Greenpeace zich een meester getoond in het planten van ’mind bombs’: een onvergetelijke beeld dat volgens Rex Weyler, één Greenpeace’s oprichters, direct explodeert in ons brein en daarna de hele wereld overgaat. Een essentieel onderdeel van die strategie is de Rainbow Warrior (96 min.), een boot die, voor het oog van de camera, op heroïsche wijze de strijd aanbindt met milieuvervuilers, dierenbeulen en landen die nucleaire tests uitvoeren.

Daar begon ‘t in 1971 ook voor de milieuactivisten, toen de Amerikanen bij het eiland Amchitka een kernbom wilden testen. En daar gaat ‘t veertien jaar later ook verder, als Greenpeace bij Nieuw-Zeeland zelf wordt aangevallen, het onderwerp van deze documentaire van Edward McGurn. De Rainbow Warrior is op 10 juli 1985 het slachtoffer van ‘Opération Satanique’, een clandestiene actie van de Franse geheime dienst DGSE die twee bommen laat afgaan op de iconische Greenpeace-boot.

Met bemanningsleden van de Rainbow Warrior, Nieuw-Zeelandse politiemensen en één van de leden van het Franse eliteteam, Jean-Luc Kister, reconstrueert McGurn de roekeloze operatie, waarbij Greenpeace’s Portugees-Nederlandse fotograaf Fernando Pereira de dood vindt. Hoewel alle sporen al snel richting Parijs leiden, probeert de Franse president François Mitterand te doen alsof zijn neus bloedt. Dat is echter buiten enkele vasthoudende onderzoeksjournalisten gerekend.

Zij herinneren zich in deze boeiende film hoe er daarna een vuil politiek spel op gang komt: wiens kop moet er rollen? En kan Mitterand zijn eigen hoofd uit de strop houden? Intussen komt in Auckland de rechtszaak op gang tegen de Franse aanvallers, die zich volgens Greenpeace-voorman David McTaggart schuldig hebben gemaakt aan staatsterrorisme op vreemde bodem. Al snel blijkt echter dat sommige verdachten toch nét iets meer gelijk zijn dan anderen.

Uiteindelijk heeft die fatale explosie, wrang genoeg, ook Greenpeace geen windeieren gelegd. ‘Het opblazen van de Rainbow Warrior heeft ons niet kunnen stoppen’, stelt Rex Weyler. ‘Sterker: daardoor heeft de populariteit van Greenpeace een enorme vlucht genomen.’ Zo bezien was het drama op de Rainbow Warrior niets minder dan een ‘mind bomb’. Door een andere organisatie geplaatst, dat wel.

Fouad Elkoury Par Fouad

Fouad Elkoury

Als oudere man heeft hij zich tegenwoordig verschanst in de bergen van Libanon. Fouad Elkoury, in de zeventig inmiddels, fotografeert volgens eigen zeggen helemaal geen mensen meer. Hij oogt ook enigszins moegestreden, beroofd van z’n idealen. Elkoury wordt beschouwd als een toonaangevende Arabische fotograaf. In zijn werk zit zogezegd een ‘diepe wanhoop over het Midden-Oosten’ verscholen.

Fouad Elkoury legde de burgeroorlog in Libanon van begin jaren tachtig vast, deed dienst als chroniqueur van het Palestijnse lijden in de bezette gebieden en trad samen met zijn toenmalige geliefde Nada in de voetsporen van Gustave Flaubert en vereeuwigde het dagelijks leven in Egypte. ‘Ik ben geen oorlogsfotograaf’, zegt hij dan ook stellig, ‘maar probeer emoties te vangen.’

In zekere zin is zijn werk mislukt, constateert de Libanese fotograaf mismoedig als hij bij een overzichtstentoonstelling nog eens naar zijn belangrijkste foto’s kijkt. Die hebben uiteindelijk toch niet de overtuigingskracht gehad die hij er ooit in dacht te vinden. Je kunt er de wereld niet mee veranderen, realiseert Fouad Elkoury zich tegenwoordig. Hoe hard je ‘t ook probeert…

In Parijs, de stad waar hij in 1952 werd geboren, ontmoet hij voor het (zelf)portret Fouad Elkoury Par Fouad (55 min.) verder documentairemaker Kamy Pakdel en oude vrienden zoals filmproducer Emmanuel Barrault, journalist Pierre Haski en Francine Deroudille, de dochter van de befaamde Franse straatfotograaf Francois Doisneau – aan wie hij ooit de film Lettres À Francine richtte.

Met hen bespreekt hij het leven en werk waarover hij zich zelf zeker niet in juichtermen uitlaat. Deze stemmige film weerspiegelt de ‘tone of voice’ van de man zelf, die bedachtzaam de ruim zeventig jaar die nu achter hem liggen beschouwt. Aan de hand van de beelden die hij daarvan heeft gemaakt en de herinneringen die deze onvermijdelijk oproepen.

Geluif In ’t Goeje

Docmakers

Het Draaksteken in het Limburgse dorp Beesel. Typisch een onderwerp voor documentairemaker Hans Heijnen, zou je zeggen. Geluif In ’t Goeje (93 min.), de film over ‘het grootste openlucht-theaterspektakel van Nederland’ dat elke zeven jaar wordt opgevoerd in het plaatselijke kasteel Nieuwenbroek, is evenwel een productie van Suzanne Raes (Dicht Bij VermeerDe Dijk – Hou Me Vast en Where Dragons Live). Heijnen heeft twee jaar geleden overigens een vergelijkbare docu gemaakt over een Limburgse openluchtvoorstelling, De Passiespelen: Het Kruis Van Tegelen.

Raes start haar film twee jaar voor de uitvoering van het Draaksteken in 2023. Frans Pollux heeft een script geschreven, waarin ’t ditmaal de koning zelf is die de draak heeft gecreëerd – als een metafoor voor de verleidingskracht van de macht. Diverse dorpelingen hopen kans te maken op een hoofdrol en studeren thuis hun tekst in. Tijdens audities bepaalt het driemanschap Theo Geraets, Huub Geerlings en Frank Rous, dat gezamenlijk de regie voert over de groots opgezette voorstelling, vervolgens wie voor welke rol in aanmerking komt in deze epische strijd tussen goed en kwaad.

Dit is een delicate taak, met de nodige gevoeligheden. Kan prinses Aja bijvoorbeeld ook eens gespeeld worden door een wat oudere actrice? vraagt Victorine Mégard zich af. Of kiezen ze toch weer gewoon voor het mooiste meisje van het stel? Verder heeft René Beurskens eigenlijk een stoere rol voor zichzelf in gedachten. De regisseurs vinden alleen niet dat hij die in zich heeft. Beurskens is volgens hen meer geschikt voor een ‘komische noot’. Met alle respect voor René, constateert Geerlings over zijn dorpsgenoot. Hij heeft nu eenmaal de trekjes van hoe hij geaard is.

Elders in het dorp wordt er gebouwd aan een draak. In totaal zijn zo’n achthonderd vrijwilligers betrokken bij de theatervoorstelling, op een gemeenschap van in totaal 2500 zielen die verder al een tijdje te kampen heeft met krimp. Ontmoetingsplekken zoals de buurtwinkel, pinautomaat en trouwzaal zijn inmiddels verdwenen en de plaatselijke bakker is nog maar drie dagen per week open. Een activiteit zoals het Draaksteken zorgt voor sociale cohesie. Iedereen waakt er dan wel voor dat de verhoudingen goed blijven. Want, zoals één van de acteurs opmerkt, ze moeten straks samen verder.

Terwijl het gewone leven in Beesel ook gewoon doorgaat – een huwelijk, sterfgeval en zwangerschap bijvoorbeeld – krijgt die voorstelling steeds meer vorm en schildert Raes en passant het dorp dat daarmee elke zeven jaar boven zichzelf uitstijgt. Via een uitgelezen verzameling personages, die een inkijkje geven in hun dagelijks leven en in dialect hun verhaal doen, toont ze een gemeenschap, waarin mensen nog echt samen proberen te leven – al gaat dat ook in Beesel niet altijd van harte of vanzelf. De draak geeft hen nochtans de kans om, zelf en met anderen, eens goed in de spiegel te kijken.

Geluif In ’t Goeje ziet er ondertussen fraai uit, wordt zeer vaardig verteld en is vermoedelijk ook nét iets scherper dan Hans Heijnen ‘t zou hebben aangepakt. Nét iets minder van binnenuit verteld, nét iets meer met de blik van een buitenstaander. Nét iets minder chauvinisme en nostalgie ook en nét iets meer oog voor de bekrompenheid en het ongemak. Zónder overigens dat dit, op de hobbelige weg naar een slechte generale en hopelijk een ‘goeje’ finale, op een ongemakkelijke manier de overhand krijgt of het Draaksteken zelf in de weg gaat zitten.

Killer Lies: Chasing A True Crime Con Man

National Geographic

In de loop van veertig jaar sprak hij volgens eigen zeggen met maar liefst 77 seriemoordenaars. En zeker in Frankrijk geldt Stéphane Bourgoin al enkele decennia als een absolute autoriteit op het gebied van deze ‘sexy’ moordenaars. Totdat er in het true crime-wereldje serieuze twijfel ontstaat over al zijn beweringen. Het online-burgercollectief The 4th Eye Corporation gaat op onderzoek uit en vindt al snel aanwijzingen dat de killerexpert, die ooit werd getraind door de legendarische FBI-profiler John Douglas (Mindhunter), uitgebreid sprak met Charles Manson en tientallen boeken schreef over seriemoordenaars, in werkelijkheid een doorgewinterde fantast is. Een ‘Serial Mytho’.

Misschien was zijn levensverhaal ook wel te ‘mooi’ om waar te kunnen zijn: in 1976 werd Stéphanes vriendin Eileen om het leven gebracht door een brute killer. Die tragische gebeurtenis zou hem op het spoor van seriemoordenaars hebben gezet. En dat bracht hem begin jaren negentig in de Verenigde Staten, waar hij voor een documentaire mocht spreken met tot de verbeelding sprekende killers zoals Gerard Schaefer, Ottis Toole en Ed Kemper. Volgens zijn toenmalige collega’s gedroeg Bourgoin zich daarbij als een kind in een snoepwinkel, een ‘fanboy’ die z’n lotsbestemming had ontdekt – en de kortste weg naar wereldwijde roem. Waarbij een beetje fabuleren geen bezwaar bleek.

Nu wordt Stéphane Bourgoin zelf kritisch doorgelicht in Killer Lies: Chasing A True Crime Con Man (129 min.), een driedelige serie die is gebaseerd op een artikel in The New Yorker van de Amerikaanse journalist Lauren Collins. Zij treedt ook op als getuige-deskundige in deze productie, die tevens een metablik wil werpen op het true crime-genre – in het verlengde van true crime²-producties zoals I’ll Be Gone In The Dark, Citizen Sleuth en Cybersleuths: The Idaho Murders – en de werking van de media in het algemeen. In een tijd waarin gewone burgers steeds vaker zelf het voortouw nemen, zoals bijvoorbeeld het Nederlandse ‘wisdom of the crowd’-initiatief Bureau Dupin.

Voor Bourgoin lijkt de werkelijkheid een homp klei die je naar eigen believen kan kneden en vervolgens mag verkopen, soms letterlijk, binnen je eigen verhaal. Dat klinkt onschuldiger dan het is. Zo spreekt hij bijvoorbeeld met Dahina Sy-Le Guennan, een getraumatiseerde jonge vrouw die een aanval van de beruchte Franse seriemoordenaar Michel Fourniret heeft overleefd. Daarna meldt Bourgoin doodleuk in een televisieprogramma: ‘Het interview is onderdeel van een drie uur durende DVD die ik deze week uitbreng.’ Enige tijd later figureert zij, zonder overleg, ook nog in een graphic novel over de Fourniret-zaak. Het is helder: volgens Bourgoin mag misdaad wel degelijk lonen.

Dan rest nog de vraag waarom Stéphane Bourgoin zich decennialang zo gigantisch heeft vergaloppeerd. ‘Veel schrijvers liegen nu eenmaal over hun eigen biografie’, probeert de man zelf de kwestie met een boutade af te doen, als hij in de slotaflevering van deze miniserie van Ben Selkow zowaar voor de camera verschijnt. Daarmee neemt de filmmaker geen genoegen. Samen met Lauren Collins gaat hij de confrontatie aan. Zo hopen ze Bourgoin eindelijk te kunnen ontsluiten, diens signatuurverhaal over ‘Eileen’ in het bijzonder, en te begrijpen waarom de man zo achteloos met de waarheid omgaat.

Mijn Nieuwe Vrienden Van Afdeling Drie

KRO-NCRV

Daar loopt hij dan, door zo’n typische ziekenhuisgang. Frans Bromet, de inmiddels tachtigjarige nestor van de Nederlandse camerajournalistiek. Voor de verandering nu eens niet achter zijn camera, maar ervoor. Als onderwerp van zijn eigen film. Dat is ie natuurlijk wel eens vaker geweest, maar nu is ’t per ongeluk gebeurd: hij kreeg een hersenbloeding en belandde in de Amsterdamse revalidatiekliniek Reade.

Daar begint het bloed toch al gauw weer te kruipen waar het eigenlijk niet gaan kan. Als het na enige tijd wat beter met hem gaat, pakt Bromet zijn camera erbij, de lens waardoor hij al zeker een halve eeuw naar de wereld kijkt. Die helpt hem om het leven te begrijpen en accepteren. En dat is nu niet anders. Via die onafscheidelijke kameraad op zijn rechterschouder ontmoet hij nu Mijn Nieuwe Vrienden Van Afdeling Drie (55 min.) en het nieuwe leven en de parallelle wereld waarin zijn medepatiënten (en hijzelf) terecht zijn gekomen.

Bromets persoonlijke betrokkenheid vormt echt een meerwaarde tijdens de intieme gesprekken die hij voert met mannen die te maken hebben gekregen met pak ‘m beet een hersentumor, auto-immuunziekte, psychose, gebroken heup of amputatie. Ieder voor zich heeft zijn eigen malheur een plek moeten geven. En daarbij speelden die anderen, in datzelfde schuitje, een essentiële rol. Frans Bromet heeft ‘t zelf aan den lijve ondervonden, die betrokkenheid en kameraadschap. Ze hebben ook hem erdoorheen getrokken.

Daarmee is dit een wat zachtere film geworden dan de producties die Bromet doorgaans, ondanks zijn hoge leeftijd, nog altijd per strekkende meter aflevert. Natuurlijk, zodra blijkt dat revalidatiecentra zoals Reade moeten bezuinigen en ‘t daardoor nog maar de vraag is of ze de zorg, die hij zelf gedurende zo’n drie weken tot volle tevredenheid heeft ontvangen, wel overeind kunnen houden, schiet de oude rot direct in z’n sceptische stand en bevraagt hij enkele leidinggevenden over wat dit zou en heeft te betekenen.

Moeten ze niet veel meer de barricaden op? vraagt hij als alle bespiegelingen over ‘afschalen’, ‘FTE’s’ en ‘slimmer werken’ hem even zwaar te moede worden. Dan klinkt hij gewoon weer als de onverslijtbare Frans Bromet die zich al tientallen jaren vanachter de camera manifesteert. In Mijn Nieuwe Vrienden Van Afdeling Drie blijft de nadruk echter altijd liggen op zijn lotgenoten, mensen die van een ingrijpende levensgebeurtenis ‘een positieve belevenis’ proberen te maken. Zoals hij ook zelf doet met deze intieme interviewfilm.

Vroeg Verloren

VPRO

‘Ik vind ‘t voor haar heel erg’, zegt Liesbeth Rasker, terwijl ze volschiet bij de gedachte aan haar moeder. Die overleed ruim 25 jaar geleden, toen zij een kind van tien was. ‘Ze heeft ons in bed gestopt en geweten: ik ga vanavond d’ruit. Dat kun je je toch niet voorstellen, dat je je kind in bed legt en weet: ik ga haar nooit meer zien.’

Rasker heeft volgens eigen zeggen heel lang ‘de act van: het heeft mij niks gedaan, het heeft mij niet aangetast’ uitgevoerd. Die tijd ligt achter haar. Toen schrijfster Renate Dorrestein – de beste vriendin van haar moeder, die lang als een soort surrogaatmoeder voor Liesbeth en haar zus heeft gefungeerd – in 2018 overleed, ging haar steun en toeverlaat nóg een keer dood.

Net als haar moeder Liesbeth Hendrikse (1954-1998), die van 1989 tot 1994 de eerste hoofdredactrice was van de Nederlandse Elle, is Rasker in de journalistiek beland. Zij werkt als reisjournalist, schrijfster en podcastmaakster en gebruikt de vaardigheden die ze zo heeft verworven nu om haar moeder beter te leren kennen en haar eigen verdriet te exploreren.

Ze gaat bijvoorbeeld in gesprek met enkele lotgenoten, die eveneens op jonge leeftijd een ouder verloren, en bezoekt haar vader, zus en hun vroegere oppas. Ze kan tevens putten uit audio-opnamen van gesprekken die Renate Dorrestein met haar moeder voerde in de allerlaatste levensfase van haar leven. Liesbeth kan dus de stem horen van de vrouw naar wie ze is vernoemd.

Dorrestein maakte een boek van die gesprekken: De Stem Van Je Hart. Want dat was de grootste les van Liesbeths moeder: bij moeilijke dingen in het leven win je advies in bij de mensen om je heen en dan ga je luisteren naar wat je hart je ingeeft. ‘Ik denk dat ik die stem moet bloot leggen en ernaar gaan luisteren’, constateert haar dochter nu. ‘Vaker dan dat ik nu doe.’

De documentaire Vroeg Verloren (58 min.) van Tessa Louise Pope is de sensitieve weerslag van dat persoonlijke proces, waarin Liesbeth Rasker naar zichzelf en haar omgeving moet erkennen dat het overlijden van haar moeder toch ook haar heeft getekend. Als volwassen vrouw ziet ze dit voor het eerst onder ogen en raakt weer meer vertrouwd met haar moeder via familievideo’s.

‘Inmiddels merk ik dus door dit allemaal dat ik ‘t ook best wel erg vind voor mezelf’, bekent ze uiteindelijk tegen haar jongere zus Barbara, die vijf jaar was toen hun moeder overleed en deze kerngebeurtenis uit hun beider leven dus heel anders heeft beleefd. Samen met hun vader herontdekken ze de vrouw die zij voor hen was en de relatie die ze met haar hadden én hebben.

Dit is een intiem en tegelijk universeel proces, over gedeeld verdriet dat niet vanzelfsprekend wordt gedeeld, dat in deze film integer in beeld wordt gebracht.

Trailer Vroeg Verloren

Scootmobiel

NTR

Frans maakt er wel wat van. Stuur de senior onder de Nederlandse camerajournalisten maar ergens op af en hij vindt de verhalen wel en haalt ze er dan op z’n geheel eigen manier uit.

Frans Bromet wordt binnenkort tachtig en blijft nog altijd per strekkende meter tv-docu’s afleveren. Ditmaal is hij door zijn team op Nederlanders met een Scootmobiel (50 min.) afgestuurd. En niet iedereen heeft meteen helder wat hij komt doen. ‘U vraagt me het hemd van het lijf’, zegt een oudere mevrouw, die waarschijnlijk nog nooit een Frans Bromet-film heeft gezien. ‘En daar had ik helemaal niet op gerekend. U komt voor die scootmobiel. En nou moet ik… ja.’ Ze denkt even na en stelt dan een Bromet-achtige vraag: ‘Doe je dat bij iedereen?’

Het antwoord is kort en kernachtig: ja. En ‘s mans wedervraag al even direct: kan je je herinneren dat je je voor het eerst oud voelde? Het is Frans Bromet ten voeten uit. Hij vraagt maar/steeds raak. Of het leven nog wel de moeite waard is? Wat iemand nou zo de hele dag doet? Of ie misschien ongelukkig is? En als hij zijn gesprekspartners op hun praatstoel heeft gekregen, houdt hij het gesprek op gang met een ‘oh’, een ‘ja’ of – als hij zelf in een toegeeflijke bui is – een ‘oh ja?’. Of hij herhaalt gewoon hun laatste woorden, sinds jaar en dag zijn handelsmerk.

En dat werkt, altijd weer – ook al oogt ’t soms ook een béétje gemakzuchtig. Bromet krijgt uiteindelijk iedereen aan het praten en herkent dan feilloos waar het schuurt. Bij de eigenaars van een scootmobiel, die hij thuis of tijdens een toertocht (opgeleukt met Klaus Wunderlich-achtige muziek) ontmoet, gaat de onverschrokken interviewer op zoek naar de mens achter de beperking, die hij vervolgens, inderdaad, het hemd van het lijf vraagt en tóch in z’n waarde laat. Zonder overigens dat dit tot héél diepgravende inzichten of bijzondere doorkijkjes leidt.

Duidelijk is: Frans heeft er weer iets van gemaakt.

Viva Varda!

AVROTROS

Aan het eind van een lang en vruchtbaar leven kwam dan eindelijk de algehele erkenning. De Franse filmmaakster Agnès Varda (1928-2019), die zichzelf zonder (valse) bescheidenheid ‘de grootmoeder van de nouvelle vague’ was gaan noemen, werd bedolven onder oeuvreprijzen: een Palme d’Honneur in 2015 en een ere-Oscar in 2017. Ze oogde toen inmiddels als een uitvergrote versie van zichzelf: een excentrieke oma, met twee kleuren klaar en de goesting om zich eens ongegeneerd te laten fêteren.

Viva Varda! (tv-versie: 53 min.) is een viering van de vrouw en de kunstenaar. ‘Een radicale pionier in het maken van beelden in deze tijd’, aldus collega Atom Egoyan. En een onafhankelijk, origineel, veeleisend, rebels en geestig mens, volgens de andere sprekers in deze vlotte docu van Pierre-Henri Gibert, zoals haar dochter Rosalie, zoon Mathieu, assistenten Didier Rouget en Jacques Royer, actrice Sandrine Bonnaire en de regisseurs Audrey Diwan, Marjolaine Grandjean en Patricia Mazuy.

Ze werd geboren in een welgesteld gezin als Arlette Varda, het kind van de directeur van een staalfabriek, De Antwerpse Titaan. Ze had weinig op met haar vader, maar hield uiteindelijk wel een flinke erfenis aan hem over. Daarmee financierde zij, nadat ze haar naam had veranderd in Agnès, haar eerste film La Pointe Courte (1955). Die wordt beschouwd als een voorloper van de nouvelle vague, de Franse filmstroming die cineasten als Claude Chabrol, Jean-Luc Godard en Francois Truffaut voortbracht.

Varda zou uiteindelijk te eigenzinnig blijken voor willekeurig welke kwalificatie. Steeds vond ze zichzelf opnieuw uit in films waarmee ze handig tussen fictie en non-fictie door slalomde – of de beide genres verbond in een hybride-form. ‘In mijn films verzet ik me een beetje tegen het systeem’, zei ze daar zelf over. ‘Ik zit niet in een bus of limousine. Ik ben te voet in de cinema. Misschien omdat het mijn eigen keus is en ik niet meedoe met het sterrensysteem en het spel niet wil meespelen.’

Agnès Varda brak door met een film over een zangeres die wacht op de uitslag van een kankeronderzoek (Cléo de 5 à 7), maakte in de Verenigde Staten films over hippies en Black Panthers, filmde de winkeliers in haar eigen Parijse straat in Daguerréotypes (1975), vroeg het uiterste van actrice Jane Birkin in Jane B. Par Agnès V. (1988) en ontdekte de intimiteit van een kleine digitale camera in het veel gelauwerde Les Glaneurs Et La Glaneuse (2000).

Intussen onderhield ze een moeizame relatie met de filmwereld (‘een familie waarin iedereen elkaar haat’). Agnès Varda hield er daarnaast ook een kleurrijk leven op na, getuige dit vermakelijke, voor haar doen alleen wel tamelijk conventionele portret. Met een grote liefde, regisseur Jacques Demy, die in alles een tegenpool bleek. Het leidde tot een zoon, echtscheiding en verzoening. Jacques was toen al ernstig ziek. Zijn vrouw probeerde hem te vereeuwigen door een film over hem te maken: Jacquot De Nantes (1991).

‘Zolang we filmen, leeft Jacques nog’, zou ze daarover hebben gezegd. En datzelfde uitgangspunt leek ze later ook op zichzelf toe te passen. Tot het allerlaatst bleef de lekker dwarse Française actief. Met het kostelijke Visages Villages ((2017), gemaakt met haar ruim een halve eeuw jongere zielsverwant JR, sleepte ze zelfs nog een Oscar-nominatie in de wacht. En toen het einde zich daadwerkelijk aandiende, hield Agnès Varda – hoe kan het ook anders? – zelf de regie.

Raël: La Prophète Des Extraterrestres

Netflix

Met het starten van een sekte verzeker je jezelf ook min of meer van een hoofdrol in documentaire(serie)s. De gemiddelde sekteleider oogt doorgaans ook als een personage: de persoon – nee: man – die een eigen geloofsgemeenschap bestiert doet dat meestal niet vanuit een rijtjeshuis, van waaruit hij dan ‘s ochtends in pak en stropdas naar kantoor afreist en aan het einde van de werkdag netjes bij vrouw en kinderen aanschuift voor een voedzame maaltijd, gevolgd door een gezapig avondje voor de televisie.

Nee, zo’n ver boven gewone stervelingen verheven figuur meldt zich met een goddelijke glimlach, bizar kapsel, opvallend gewaad, luxe privéverblijven, een heuse harem en – in het geval van de Franse profeet Raël – tevens een directe lijn met buitenaardse wezens, de zogenaamde Elohim. En die, beste mensen, hebben ons dus allemaal geschapen. Om hen daarvoor te bedanken wil Raël, de artiestennaam van voormalig autocoureur, journalist en zanger Claude Vorilhon, zelfs een ‘ambassade’ bouwen, waar zij dan in hun vliegende schotels kunnen worden ontvangen. Nadine Gary, Raëliaan sinds 1981, wil dan zelfs ook wel geslachtsgemeenschap hebben met zo’n Eloha. ‘Ik kan me niets krachtigers voorstellen’, zegt ze met een stralende glimlach.

Binnen de beweging wordt sowieso de vrije liefde gepredikt. Vooral door en voor Raël zelf. In een idyllisch landgoed dat niet voor niets Eden wordt genoemd lopen zijn volgelingen veelal bloot rond en verpozen zich dan met elkaar. Via een spiegel laat hij hen ook naar zichzelf kijken. Naar hun naakte lichaam, hun eigen anus in het bijzonder. De Franse Messias – niet Jezus zelf, maar zijn broer – wil er ondertussen ook voor zorgen dat al zijn volgelingen straks het eeuwige leven krijgen. Althans, dat doet zijn eigen wetenschapster Brigitte Boisselier, die in deze vlot gesneden miniserie, overtuigd en ook kwetsbaar, tevens acte de présence geeft. Want zij kan dus klonen en zou met hun bedrijf Clonaid in een laboratorium daadwerkelijk – hoax alert! – een baby hebben gecreëerd: Eva.

En wie stapt daar, ruim twintig jaar later, in de laatste aflevering van Raël: La Prophète Des Extraterrestres (Engelse titel: Raël: The Alien Prophet, 180 min.) het beeld in? Juist: (niet) de jonge vrouw, die als bij Goddelijke beschikking, van Raël dus, is vernoemd naar het allereerste exemplaar van haar soort. Verder laten de documentairemakers Antoine Baldassari en Manuel Guillon nu eens niet een hele stoet gefrustreerde oud-sekteleden aan het woord. Ze geven in eerste instantie alle ruimte aan Raëls blijmoedige volgelingen, die het weldadige archiefmateriaal voorzien van een veelal positivistische boodschap. Gaandeweg sluipt er, via de bijdragen van wetshandhavers, journalisten en critici, alleen toch argwaan binnen in het paradijs: is hun almachtige leider dan toch een charlatan?

Een slinkse fraudeur, machtswellusteling, aandachtzoeker en seksmaniak, met een voorliefde voor veel te jonge meisjes? Dat beeld begint zich uiteindelijk toch af te tekenen – en blijkt Raël toch weer gewoon een variant op het archetypische personage van de sekteleider. De man zelf, inmiddels een goeiig ogende grijsaard met een strohoed, heeft enkele jaren geleden al eens uitgebreid zijn verhaal gedaan in de documentaire The Prophet And The Space Aliens (2020) en komt in deze smakelijke vierdelige serie pas tegen het slot daadwerkelijk aan bod. En dan blijkt hij – inderdaad géén man voor pak ‘m beet een veertigurige werkweek, enkele kleinkinderen en een favoriete voetbalclub – nog altijd zéér rolvast. Al zet hij zijn eigen verhaal tegelijkertijd nog eens goed op zijn kop.

Tehachapi

IDFA

Rechtvaardigt de magie van JR’s kunst nóg een documentaire? Ná de weldadige roadmovie Visages Villages (2017), waarin de fotograaf met nouvelle vague-pionier Agnès Varda door het Franse platteland reisde, gewone mensen tot iconische proporties opblies en vervolgens in en aan hun directe omgeving liet zien. En ná het joyeuze portret Paper & Glue (2022) waarin de opkomst van die biculturele jongen uit een Parijse achterstandswijk als alom gevierd straatkunstenaar werd gedocumenteerd en enkele signatuurprojecten, bijvoorbeeld in een Braziliaanse favela en op de Amerikaans-Mexicaanse grens, nog eens goed werden uitgelicht.

In die film was ook al te zien hoe JR met veertig langgestraften van de Californische gevangenis Tehachapi  (93 min.) in de weer ging om de binnenplaats te bedekken met een enorm groepsportret. Deze vervolgfilm concentreert zich volledig op dit hartveroverende project, dat natuurlijk nog verder wordt uitgebouwd en uitgediept. JR zoomt tevens in op enkele gedetineerden – bendeleden, ‘white supremacists’ en huurmoordenaars – die hun persoonlijke relaas delen en de beschadigde relatie met hun achterban proberen te herstellen. Zijn initiatief doet hen allen duidelijk goed.

En daar zit hem ook meteen de kneep bij deze film, die wel heel nadrukkelijk de zegeningen van JR’s (inderdaad onweerstaanbare) kunst telt. Tehachapi dreigt in de tweede helft soms nét iets te vaak een ongebreidelde goed nieuwsshow of verlengstuk van JR’s promocampagne te worden, die alleen nog even flink dwars wordt gezeten door het Coronavirus. Iets meer duiding, distantie en wellicht ook gewoon tijd – om te zien hoe ‘t zijn protagonisten op de wat langere termijn vergaat – hadden deze derde JR-docu beslist goed gedaan.

Dit laat onverlet dat ook Tehachapi weer ‘gewoon’ een onweerstaanbaar pleidooi voor (mede)menselijkheid is geworden, waar droefsnoeten, zwartkijkers en treurwilgen even moed uit kunnen putten. Zo bezien: graag elk jaar een nieuw JR-project met film – al mag ie die dan ook door een ander laten regisseren.

L’Affaire Bettencourt: Scandal Chez La Femme La Plus Riche Du Monde

Netflix

Tussen 1997 en 2007 schenkt ‘de rijkste vrouw van de wereld’ Liliane Bettencourt, erfgename en hoofdaandeelhouder van de cosmeticagigant L’Oréal, 917 miljoen euro aan François-Marie Banier, met wie ze innig bevriend is geraakt. Geheel indachtig L’Oréals slogan ‘because you’re worth it.’ Als vervolgens Bettencourts echtgenoot André overlijdt, een bekende politicus met wie ze een tamelijk liefdeloos huwelijk lijkt te hebben gehad, wil de Franse fotograaf dat ze hem ook nog officieel tot erfgenaam maakt. Dat is tegen het zere been van het enige kind van het echtpaar, Françoise Bettencourt-Meyers. Zij komt lijnrecht tegenover haar moeder te staan.

L’Affaire Bettencourt: Scandal Chez La Femme La Plus Riche Du Monde (Engelse titel: The Billionaire, The Butler And The Boyfriend, 149 min.)  is geboren en opent – zoals de driedelige docuserie zelf ronkt – ‘de geheime wereld van de superrijken’. Dat gebeurt alleen op een totaal andere manier dan dochter Françoise, die 21 uur geheime opnamen van haar moeder laat uitlekken, had gedacht. Dit geluidsmateriaal, door een butler gemaakt met een verborgen dictafoon, brengt vooral de pogingen tot belastingontduiking van de Bettencourts, hun verwevenheid met de politieke elite (waaronder de Franse president Nicolas Sarkozy) en het geld dat ze daarnaartoe schuiven onder de aandacht.

De opnamen van dat gebedel om geld en invloed – verrijkt met abstracte, van bovenaf gefilmde scènes met acteurs – vormen het hart van deze miniserie van Baptiste Etchegaray en Maxime Bonnet, waarin ook enkele direct betrokkenen bij de geruchtmakende affaire en volgers van de kwestie tekst en uitleg geven. Gaandeweg komt ook de vraag op tafel of de inmiddels hoogbejaarde Liliane Bettencourt eigenlijk nog wel in staat is om haar eigen geld te beheren en bij de mensen om haar heen het kaf van het koren kan scheiden. Want wie stelt zich daadwerkelijk dienstbaar op voor de rijke dame, goed voor zo’n dertig miljard euro? En wie is alleen uit op een deel van haar fortuin?

L’Affaire Bettencourt brengt dat proces treffend in beeld: hoe de roofdieren zich verzamelen rond een prooi als ze bloed hebben geroken. Because they’re worth it. Aan het rest nog slechts één vraag: komt François-Marie Banier, die de zaak onbedoeld aan het rollen heeft gebracht, werkelijk met de schrik vrij?

Kitten Of Vluchteling?

Prospektor

Hoe werkt empathie? vraagt Tina Farifteh zich af in de prikkelende korte documentaire Kitten Of Vluchteling? (27 min.). Waarom trekken we ons het lot van de één aan en laat dat van een ander ons koud? Hoe kan het bijvoorbeeld dat een willekeurige baby, of zelfs een schattig poesje, ons meer raakt dan iemand op de vlucht? ‘Empathie is heel bevooroordeeld’, zegt bioloog Frans de Waal. ‘Het is geëvolueerd om je naaste verwanten en degenen waarmee je normaal samenwerkt te bevoordelen en daarop te letten – en niet zozeer daarbuiten.’

Bestaat er zoiets als een empathieladder? wil Farifteh, die zelf op haar dertiende van Iran naar Nederland kwam, dan weten. Ze tuigt een klein experiment op, waarbij ze enkele proefpersonen in een studiosetting steeds twee verschillende mensen voorschotelt: een blonde jonge vrouw en een oudere moslima, diezelfde blondine en een donkere jongen, een schattig joch met een afrokapsel en een jongetje met blond haar bijvoorbeeld. Met steeds dezelfde vraag erbij: wie van de twee zou je redden? Mediawetenschapper Marloes Geboers heeft er zo haar twijfels bij. ‘Nee, dat kun je echt niet gebruiken, Tina’, constateert ze naderhand, als de test al is uitgevoerd.

Voor hondentrimmer Bape Nentjes, die thuis een Oekraïens gezin met vijf kinderen en vijfentwintig honden opving, zijn alle mensen gelijk. De praktijk wijst regelmatig anders uit. Zwarte Oekraïners lijken bijvoorbeeld minder welkom te zijn in Europa dan hun witte landgenoten. ‘Het laat zien dat racisme nooit pauze neemt’, meent activist Jerry Afriyie. ‘Zelfs in tijden van oorlog, tijd van nood, hebben mensen nog steeds tijd om racistisch te zijn.’ Hij ziet soms ook een totaal gebrek aan empathie als hij zelf participeert in demonstraties: ‘Mensen zeiden letterlijk tegen mij: ik heb geen zwart kind. Dus ik weet niet hoe je kinderen zich voelen als ze gepest worden.’

Tegelijkertijd onderzoekt Tina Farifteh in deze film, kek vormgegeven en voorzien van een lekker vette soundtrack, ook de andere kant van empathie: hulporganisaties die kwetsbare kinderen met grote ogen gebruiken als een soort ’empathieporno’. Is dat niet (bijna) net zo kwalijk? ‘Ik ben er nogal voorstander van om arbitrariteit te vermijden en dus rechtvaardige systemen op te zetten, zodanig dat iedereen minstens op een gelijkwaardige manier behandeld wordt’, stelt de Vlaamse filosoof Ignaas Devisch. ‘En dat het niet afhangt van die ene donateur of die ene persoon die je toevallig tegen het lijf loopt die mij helpt en een ander dan weer niet.’

Zo onderzoekt deze film alle aspecten van empathie: de willekeur ervan, het soms volledig ontbreken en ook de angst die elk medemenselijk gevoel kan onderdrukken of zelfs doen verstommen. Hulpverlener Roos Ykema (MiGreat) waakt voor gelatenheid. ‘Het enige wat sowieso niet helpt is niks te doen of niks te proberen’, zegt ze. Intussen bestookt Tina Farifteh zowel haar bronnen als haar publiek gedurig met beelden, uit een geënsceneerde werkelijkheid en de actualiteit. Het begint met kijken, zegt ze daarbij. ‘Zijn we bereid om elkaar te zien? Niet als anders, maar als ons?’

Waar Zijn We Mee Bezig?

&Bromet / KRO-NCRV

‘Hee man, mafketel, laat me los, man! Ik kom je helpen’, schreeuwt brandweerman Michel tegen de kerel die hem van een balkon op acht hoog dreigt af te duwen. Michel, die op een melding van brand in de flat is afgekomen, merkt dat zijn gezicht bloedt en zijn hand openligt. Pure overlevingsdrang neemt bezit van hem. Hij probeert de man te ‘overrulen’ en weet zichzelf uiteindelijk te bevrijden.

Het is zomaar één van de incidenten die aan de orde komt in Frans Bromets interviewfilm Waar Zijn We Mee Bezig? (54 min.). De nestor onder de Nederlandse camerajournalisten spreekt verder met een verpleegkundige van de spoedeisende hulp, apotheker, ambulancemedewerker en twee politieagenten over het geweld waarmee zij in hun werk worden geconfronteerd.

Verbale agressie behoort tot de dagelijkse routine, blijkt uit hun verhalen. Vaak zijn de daders onder invloed van drank en drugs. Ook fysiek geweld wordt niet geschuwd: spugen, slaan en – bepaald niet prettig als onduidelijk is of iemand iets onder de leden heeft – bijten. En op oudjaarsnacht wordt er traditiegetrouw gegooid met vuurwerk, dat allang niet meer lijkt op de onschuldige rotjes van vroeger.

Geweld tegen hulpverleners neemt nog altijd toe. In 2022 is 92 procent van hen in aanraking gekomen met geweld of agressie. Corona heeft daarbij waarschijnlijk als katalysator gewerkt. Er wordt alom schande van gesproken, maar wat er daadwerkelijk aan gebeurt? Volgens direct betrokkenen lopen dit soort zaken bij de rechter vaak met een sisser af, terwijl zij met de gevolgen ervan blijven rondlopen.

Zo hebben de politieagenten Xue-Ann, die in haar vrije tijd assisteerde bij een aanhouding en daarbij en plein public onzedelijk werd betast, en Daniël, waarbij een mes op de keel werd gezet toen hij ingreep bij een relationele ruzie, tijdelijk een stapje terug moeten doen. Fysieke en mentale klachten belemmeren hen om het vak uit te oefenen, waaraan ze mettertijd verknocht zijn geraakt.

Want ook dat valt op aan de hulpverleners in deze Typische Bromet: ze hebben het hart nog altijd op de juiste plaats, ook al is het dan al eens (bijna) vertrapt, en willen niets liever dan ‘gewoon’ hun werk doen.

Teaser Waar Zijn We Mee bezig?

Wanted: The Escape Of Carlos Ghosn

Apple TV+

Hij – of beter: zijn verhaal – is ideaal documentaire-materiaal. Want zonder zijn smadelijke, tot de verbeelding sprekende aftocht uit Japan in het najaar van 2019 zou Carlos Gosn, de Libanees-Franse topman van de autofabrikanten Renault en Nissan, waarschijnlijk nooit de hoofdpersoon van op z’n minst twee producties zijn geworden. Een klein jaar geleden bracht Netflix de documentaire Fugitive: The Curious Case Of Carlos Ghosn uit, nu volgt op Apple Tv+ de vierdelige serie Wanted: The Escape Of Carlos Ghosn (182 min.)

Nadat die een prikkelende startvraag (‘victim or villain?’, van de hand van CNN-presentator Richard Quest) heeft gedropt, start Wanted op hetzelfde punt als de tegenhanger die ‘m de loef heeft afgestoken: bij de instrumentenkist waarmee ‘Le Cost Killer’ clandestien Japan uit wordt gesmokkeld. De navolgende vertelling is min of meer hetzelfde – al liggen sommige accenten anders. Carlos Ghosn zelf ontbreekt bijvoorbeeld bij Netflix, terwijl hij voor deze Apple-serie comfortabel voor de camera plaatsneemt en zich uitgebreid laat bevragen over de affaire die zijn leven en carrière heeft gedefinieerd. Erg moeilijk maakt regisseur James Jones ’t hem zo op het eerste gezicht alleen niet. Sommige onderwerpen, zoals het schimmige leven van Ghosns vader, worden wel aangestipt maar slechts beperkt uitgediept.

Fugitive introduceert dan weer een fictief personage, dat de getuigenissen van collega’s, medewerkers en journalisten verbindt, inkadert en verduidelijkt met informatie die ze aan anonieme assistenten en PR-adviseurs heeft ontleend. Een andere selectie van hetzelfde type deskundigen krijgt in Wanted de gelegenheid om de typische alfaman, ‘een Aziatische dictator’ volgens één van de sprekers, kritisch door te lichten. Tegelijkertijd krijgt Team Ghosn, waarin zijn tweede echtgenote Carole een prominente rol claimt, aanzienlijk meer speelruimte. Zodat al snel het beeld ontstaat dat de almachtige Franse CEO ten prooi is gevallen aan een slinks complot vanuit het hart van zijn eigen onderneming. Of is hij, zoals zijn opponenten vermoeden, simpelweg een witteboordencrimineel die het recht wil ontlopen?

Of de lotgevallen van Carlos Ghosn – los van het boek waarop deze serie is gebaseerd, enkele podcasts en talloze artikelen – werkelijk twee keer in documentaire-vorm moet worden verteld is natuurlijk ook de vraag. Één van de twee producties bekijken volstaat ook. De voorkeur gaat daarbij duidelijk uit naar deze serie. Wanted graaft een stuk dieper, maar gebruikt daarvoor natuurlijk wel dubbel zoveel tijd. Een hele aflevering bijvoorbeeld over die toch wel gedurfde vlucht uit Japan, waarvoor Ghosn de hulp inroept van de omstreden CIA-agent Michael Taylor, diens zoon Peter en zijn eigen HR-manager Greg Kelly. Zijn helpers zullen door dat huzarenstukje flink in de problemen komen, blijkt in de slotaflevering. Maar of ze dan ook op de steun van Ghosn, die zich inmiddels in Libanon heeft verschanst, mogen rekenen?

En is de man werkelijk zo onschuldig als hij doet voorkomen? Uiteindelijk diept Jones, die in tegenstelling tot zijn Fugitive-collega verder gaat nádat Carlos Ghosn is ontsnapt uit Japan, met zijn bronnen de nodige onwelgevallige informatie op. Zodat het eindoordeel toch echt in Ghosns nadeel uitvalt. Met deze krachtige miniserie lijkt zijn relaas nu echt helemaal afgekluifd – al is dat dus geen garantie dat een andere maker nog ergens een restje vlees of stukje vet denkt te hebben gevonden. Het heeft overigens ook zo zijn voordelen wanneer elke streamer zijn eigen versie van hetzelfde verhaal aanbiedt. Als Netflix, Apple, Prime, SkyShowtime en HBO Max zo daadwerkelijk elke aansprekende affaire gaan oppakken, hoeft de documentaire-veelvraat straks niet meer allerlei verschillende streamabonnementen af te sluiten.