Johnny Par Johnny

Netflix

Johnny Hallyday? Een nep-Elvis, de Franse evenknie van Rob de Nijs, een halfbakken Jean-Paul Belmondo. Zoiets. Niet geïnteresseerd. En dan start de vijfdelige docuserie Johnny Par Johnny (172 min.), een portret van de Franse zanger/acteur. ‘Was er ooit een dag dat je trots op jezelf was?’ wil een interviewer, te midden van een flashy montage van hoogtepunten uit ‘s mans lange loopbaan, weten in de openingsscène. ‘Weet ik niet. Nooit over nagedacht.’

De interviewer vraagt door: ‘Een dag waarop je van jezelf walgde?’ Johnny Hallyday (1943-2017) denkt even na terwijl zijn gesprekspartner hem een ontboezeming probeert te ontlokken. ‘Ja’, zegt hij te langen leste, ogenschijnlijk schuldbewust. ‘Daar baal je vast van’, houdt de interviewer aan. ‘Nee’, antwoordt Hallyday ferm. Hij laat vervolgens zijn tanden zien. Een glimlach. Soort van. En dan is het zover: ook de niet Hallyday-fan is helemaal verkocht.

Nog bijna drie uur te gaan. Van dat ongenaakbare gelaat. De onmiskenbare oerkracht daarachter. En, niet te vergeten, als spiegel van een getormenteerde ziel: die ogen. Helblauw. Hard. Dodelijk, als het moet. In deze serie snijden de makers Alexandre Danchin en Jonathan Gallaud interviewfragmenten uit allerlei tijdsgewrichten dwars door elkaar heen. Zoveel verschillende incarnaties van Johnny. Elke keer nét anders. En toch precies hetzelfde. Onweerstaanbaar.

James Dean, Herman Brood, Elvis in Vegas, Mad Max en Johnny Cash ineen. Een onverbeterlijke meidengek, drinkebroer, cokesnuiver, brokkenpiloot, tabloidster, potsenmaker, has-been, rijpe man, pseudo-Hells Angel en megalomane rockster. In een groter dan grootst leven kreeg hij, tussen alle optredens, affaires en drinkgelagen door, ook nog te maken met belastingontduiking, een zelfmoordpoging, Russische roulette, een auto-ongeluk en een mislukte Amerikaanse droom.

Alle hoogte- en dieptepunten hebben hun plek gevonden binnen een hallucinante, bombastische en opwindende vertelling, ingekaderd met off screen-quotes van mensen die de man achter de ster hebben leren kennen. Het turbulente leven van Jean-Philippe Smet, alias Johnny Hallyday, dat doortrokken lijkt te zijn geweest van pure doodsverachting of -drift – tis maar hoe je ernaar kijkt – en dat hier met ontzettend veel bravoure wordt opgediend.

Duty Of Care

Hij vond een uitweg uit de machteloosheid die veel klimaatactivisten al tijden helemaal lamsloeg. Nadat Roger Cox Al Gore’s alarmistische documentaire An Inconvenient Truth (2006) had gezien, realiseerde de Limburgse jurist zich dat de klimaatcrisis de voornaamste uitdaging van onze tijd is en dat het recht een belangrijk instrument zou kunnen zijn om die te bezweren. Namens Urgenda daagde hij de Nederlandse staat voor het gerecht, om zo het verminderen van de uitstoot van schadelijke broeikasgassen af te dwingen, en boekte daarmee een juridische overwinning die in de hele wereld met gejuich werd begroet.

Sindsdien doet in alle windstreken het idee opgeld dat een overheid ook een zogenaamde Duty Of Care (78 min.), een zorgplicht, heeft als het gaat om de staat van de aarde. En dat idee wil de Vlaamse filmmaker Nic Balthazar, die zich al jaren zorgen maakt over het klimaat, samen met 58.000 eisers verder exploreren. Met de Nederlandse advocaat aan hun zijde brengen zij de zaak ook in België voor de rechter. Intussen heeft Roger Cox zich alweer in een nieuwe kwestie vastgebeten: namens Milieudefensie daagt hij multinational Royal Dutch Shell voor het gerecht. Saillant detail: zijn vrouw Saskia, tevens jurist, komt uit een echte Shell-familie.

Balthazar volgt de Nederlandse klimaatadvocaat in deze vlotte activistische film tijdens zijn baanbrekende werk en laat dit inkaderen en becommentariëren door internationale medestanders zoals de activiste Luisa Neubauer, klimaatjurist Farhana Yamin en eurocommissaris Frans Timmermans. Cox is inmiddels een internationale bekendheid geworden. Het invloedrijke Amerikaanse tijdschrift Time riep hem eind 2021 zelfs uit tot één van de honderd invloedrijkste mensen van de wereld. En de motivatie daarbij werd, om de cirkel rond te maken, geschreven door niemand minder dan de voormalige Amerikaanse vicepresident en klimaatactivist Al Gore.

Op een terrasje zinspeelt Roger Cox tegenover Nic Balthazar ondertussen alweer op nieuwe grensverleggende juridische stappen: kunnen de CEO’s van multinationals ook persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de milieuschade die zij veroorzaken?

Arsène Wenger: Invincible

Discovery+

Het beangstigt hem dat zijn hele leven vooral heeft gedraaid om voetbal. Die ontboezeming, direct aan het begin van het (zelf)portret Arsène Wenger: Invincible (95 min.) tekent de frêle Fransman. De filosofisch aangelegde Wenger stond 22 jaar aan het roer bij de Londense voetbalclub Arsenal, maar hij zou zich nog altijd het liefst enigszins distantiëren van de wereld waarvan hij jarenlang een smaakmaker is geweest.

De komst van een ‘buitenlander’ als manager van Arsenal valt in eerste instantie overigens helemaal niet zo goed. Wie is híj, een coach die vanwege z’n klunzigheid direct ‘Clouseau’ wordt gedubt door spits Ian Wright, om zich te bemoeien met de Engelse voetbalcultuur? Pas als ‘s mans ‘onorthodoxe’ methoden – gezond eten en stoppen met zuipen, mannen! – resultaat beginnen op te leveren, keert het tij. Slechts anderhalf jaar na zijn aanstelling in 1996 heeft ‘Boring Arsenal’ de landstitel en FA Cup al in de wacht gesleept.

Wenger noemt zichzelf in deze stevige sportfilm van Gabriel Clarke en Christian Jeanpierre een ‘pragmatische romanticus’. Winnen alleen is niet genoeg – al blijft dat, geen twijfel daarover, natuurlijk wel het uitgangspunt. Samen met sleutelspelers uit zijn Londense tijd (Henry, Bergkamp, Vieira, Keown, Dixon en Pires) belicht hij hoe dat er ruim twee decennia in de praktijk uitzag. En in een filmzaaltje kijkt hij in zijn eentje hoogte- en dieptepunten terug, waaronder een befaamd incident met Manchester United-spits Ruud van Nistelrooij.

De enorme rivaliteit met Man United, de Schotse manager Alex Ferguson (onlangs zelf hoofdpersoon van Never Give In: Sir Alex Ferguson) in het bijzonder, loopt sowieso als een rode draad door Wengers regime als Arsenal-manager en door deze film. Daarin geeft zowaar ook Ferguson acte de présence. Hij is gul naar die andere ‘dinosaurus’ Arsène, een man die toch jarenlang dienst heeft gedaan als zijn gezworen vijand. Bezien door de achteruitkijkspiegel heeft hun jarenlange tweestrijd echter alleen maar aan heroïek gewonnen.

In 2004 wordt Arsenal, met een team dat ‘The Invincibles’ wordt genoemd, ongeslagen kampioen. Dat is nog altijd een Brits record en de kroon op Wengers werk. Daarna worden ‘The Gunners’ voorbijgestreefd door kapitaalkrachtigere concurrenten. Arsène Wenger blijft de club echter trouw en gaat daarmee ook ten onder. ‘Dat is een belangrijke karakterzwakte’, zegt hij glimlachend. ‘Ik hou te veel van waar ik ben.’ Totdat zijn eigen fans ‘Wenger out!’ beginnen te scanderen. In deze film is hij dan ook stellig: hij had moeten vertrekken. Bij Arsenal komt hij tegenwoordig nooit meer.

Op zulke momenten klinkt Arsène Wenger heel even wat bitter. Verder voert zelfreflectie echter de boventoon. Ook over wat de drang om, ten koste van zowat alles, nooit te verliezen hem heeft gekost. Wenger constateert dat hij zijn gezin door dat voetbal jarenlang heeft verwaarloosd. ‘Dat probeer ik nu te repareren’, lacht hij verontschuldigend in een film die hem als een sieraad van zijn sport nog eens netjes probeert op te poetsen.

Legale Wiet

&Bromet

Het duurt niet lang, nooit eigenlijk, voordat Frans Bromet heeft gevonden waar het schuurt in de plannen van de overheid om een experiment met legale wietteelt op te zetten. John en Ines Weijers zijn bijvoorbeeld al jarenlang actief als wietkweker. Volgens eigen zeggen is de politie daarvan altijd op de hoogte gesteld en hebben ze ook netjes belasting betaald. Toch is het tot een veroordeling gekomen. Eerst louter symbolisch, zonder daadwerkelijk straf. Later heeft het stel van de Hoge Raad echter één maand voorwaardelijke gevangenisstraf aan zijn broek gekregen.

John en Ines moeten ook een aanzienlijke boete betalen, waardoor ze zelfs, wederom volgens eigen zeggen, hun huis hebben moeten verkopen. Vanzelfsprekend staan ze nu te trappelen om onderdeel te worden van het aangekondigde wietexperiment, zodat ze financieel weer een beetje Boven Jan kunnen komen. Één probleem: dat experiment is alleen toegankelijk voor telers zónder strafblad. Het is het Nederlandse gedoogbeleid in een notendop: gebruik en verkoop zijn al enige tijd legaal, maar de aanlevering bij coffeeshops, via de zogenaamde achterdeur, is officieel altijd illegaal gebleven. Met nu mogelijk heel vervelende gevolgen voor traditionele toeleveranciers zoals het echtpaar Weijers.

In Legale Wiet (55 min.) melden zich ook nieuwe spelers op de cannabismarkt, zoals Project C. Dit samenwerkingsverband van een kassenbouwer, voormalig statenlid van de SP, huisarts en advocaat (Peter Schouten, die de laatste tijd regelmatig in het nieuws is als advocaat van kroongetuige Nabil B. en vriend van Peter R. De Vries) wil het groot aanpakken en overweegt zelfs om aandelen uit te geven. Veel bewoners van de gemeente die ze op het oog hebben, het Brabantse Etten-Leur, zitten echter helemaal niet te wachten op zo’n ‘wietfabriek’ in de omgeving. Ze beginnen zich daartegen te verzetten.

Geïnteresseerd en toch kritisch gaat Frans Bromet het gesprek aan met al deze actoren, waarbij ook één van de initiatiefnemers van het experiment, huidig Tweede Kamer-voorzitter Vera Bergkamp (D66), de burgemeesters van de beoogde experimentgemeenten Tilburg en Etten-Leur en enkele coffeeshophouders een duit in het zakje mogen doen. Intussen dreigt het experiment, dat zich nu al jaren voortsleept en in die tijd ook Bromet licht moedeloos lijkt te maken, vast te lopen in een bureaucratisch moeras. In dat opzicht is deze gespreksfilm tevens een treffend portret van het Nederlandse softdrugsbeleid. Jarenlang liepen we voor de muziek uit, tegenwoordig vooral achter de feiten aan.

Alsof Ík Palestina Heb Gestolen

Laat Frans ter plekke maar schuiven. Zolang wij als nijvere redactie urgente onderwerpen bedenken en daarbij de juiste mensen binnen harken, haalt hij op locatie, ergens in Nederland, het verhaal wel boven. En van het materiaal waarmee hij vervolgens thuiskomt, boetseren wij dan weer een lopende vertelling.

Zo ongeveer stel ik me voor dat er wordt gewerkt bij &Bromet, het bedrijf waarmee Frans Bromet, dik in de zeventig inmiddels, al jaren de ene na de andere tv docu de wereld instuurt. Geen onderwerp of taboe blijft daarbij onbesproken; van de Amsterdamse taxioorlog tot oorlogstrauma’s, van dementie tot Rechts Nederland en van orgaandonatie tot mannen in de knoop. Frans is bereid om met alles en iedereen in gesprek te gaan.

En nu komt antisemitisme aan de beurt in de degelijke interviewfilm Alsof Ík Palestina Heb Gestolen (57 min.). Of: kritiek op de staat Israël. Ik bedoel: opkomen voor de rechten van Palestijnen. Die dingen mag je niet door elkaar halen of verbinden – al gebeurt dat natuurlijk wel vaak. En het blijkt, steeds weer, verdomd lastig om het één van het ander te onderscheiden – en onderweg niet te worden uitgemaakt voor Israël-propagandist of antisemiet.

De kwestie Palestina-Israël is sinds jaar en dag een gigantisch mijnenveld, waar vrijwel niemand ongeschonden uit tevoorschijn komt. Frans Bromet stapt er nochtans dapper in. Eerst gaat hij op bezoek bij Joodse Nederlanders die te maken hebben gekregen met intimidatie en geweld. Daarna begeeft hij zich op de Amsterdamse Dam tussen demonstranten voor een vrij Palestina en de zelfverklaarde Vrienden van Israël. Beide partijen krijgen een podium.

Hij gaat verder in gesprek met de directeur van het CIDI en laat ook criticasters daarvan, van de organisaties Een Ander Joods Geluid en The Rights Forum, aan het woord. Waarna influencer Youness Ouaali, die ooit de woede van Joods Nederland over zich afriep met een anti-Israël statement, zijn beklag mag doen over hoe elke discussie wordt gekaapt door antisemitisme-roepers en oud-premier Dries van Agt geëmotioneerd tegen het beleid van de staat Israël pleit.

In deze serieuze, soms wat lang uitgevallen gesprekken – waarbij er (natuurlijk) ook verschil van mening is of Jodenhaat in Nederland nu toeneemt of niet en wie dat dan kan/mag bepalen – gaat Bromet op zoek naar de scheidslijn tussen kritiek op Israël en antisemitisme. Waarbij het de vraag blijft of die echt is te trekken. De vraag stellen lijkt ook in dit geval hem… juist.

En daarna, als alles is benoemd en de kwestie toch nog lang niet is uitgepraat, staat vast alweer volgende draaiklus in de agenda van Frans…

The Velvet Queen

Periscoop Film

De pijn verbijten, de tijd vergeten en nooit twijfelen of je krijgt wat je verlangt. Dat is kortweg, in de woorden van de Franse romanschrijver en rasavonturier Sylvain Tesson, de attitude van zijn reisgenoot in The Velvet Queen (originele titel Les Panthère Des Neiges, 92 min.). Natuurfotograaf Vincent Munier heeft Tesson meegenomen naar het Tibetaanse hoogland. In dat adembenemende decor, op duizenden meters hoogte en in ijzige kou, hopen ze samen een sneeuwluipaard te betrappen.

Tijdens hun wekenlange voettocht praat de fotograaf zijn metgezel fluisterend bij over de dieren die ze ontwaren: antilopen, blauwschapen, yaks, Tibetaanse vossen of blauwe beren. Samen verbazen ze zich over deze majestueuze wereld, waarin de mens niet meer is dan een voetboot. De heilige graal, zo’n ongrijpbaar luipaard, blijft vooralsnog echter buiten (camera)bereik. ‘Waar is mijn kameraad naar op zoek?’ vraagt Tesson, die als verteller fungeert, zich ondertussen af. ‘Rondsnuffelend tussen de rotsen met zijn verrekijker.’ Munier zegt dat hij vooral de schoonheid van de natuur wil vieren. Hij is er niet op uit om de onvolkomenheden daarvan bloot te leggen.

Die houding, vervat in een ontzag voor al wat leeft of geleefd heeft, geeft hun queeste – en daarmee ook deze film – een groots en filosofisch karakter. Waarbij de twee mannen steeds die ene zin in hun achterhoofd houden: Big Brother is watching you. Misschien zien wij het dier dat we zoeken niet, maar dat ziet ons wel degelijk. Illustratief daarvoor is de intrigerende foto van een valk die de Franse fotograaf tijdens een eerdere reis naar Tibet heeft gemaakt. Is dat werkelijk een sneeuwluipaard dat hem vanachter die rotspartij gadeslaat? Of is het toch een zinsbegoocheling?

Munier en Tesson gebruiken alles wat ze hebben om het mythische dier alsnog te vangen. Ze plaatsen bijvoorbeeld op strategische plekken kleine, gecamoufleerde cameraatjes, in de hoop zo een glimp van een sneeuwluipaard te kunnen opvangen. Dat streven naar een ogenschijnlijk vrijwel onbereikbaar doel drijft deze magnifieke documentaire van Marie Amiguet, waarin de vergezichten van Tesson en Munier, het weldadige decor en de prachtige soundtrack van Warren Ellis, gemaakt in samenwerking met Nick Cave, op een glorieuze manier versmelten. Via deze ontzagwekkende wereld laat The Velvet Queen de mens zien zoals hij werkelijk is: een nietig wezen, dat ongegeneerd begeesterd en ontroerd kan, mag én moet raken door al wat hem omgeeft.

That Day: Afscheid Van Golden Earring

NTR

Een carrière van bijna zestig jaar eindigde op 16 november 2019 in Rotterdam Ahoy. Met Radar Love als slotakkoord, natuurlijk. Alleen wist niemand dat dit het allerlaatste optreden van Golden Earring was geweest. Ook de Haagse band zelf niet. Bijna vijftien maanden later moest de succesvolste Nederlandse rockgroep noodgedwongen de handdoek in de ring gooien. Gitarist George Kooymans bleek de ongeneeslijke spierziekte ALS te hebben. En zonder hem kon en mocht er geen Earring meer zijn. 

Dat tragische vaarwel komt natuurlijk wel aan de orde in That Day: Afscheid Van Golden Earring (108 min.), maar is uiteindelijk niet meer dan een aanleiding om chronologisch de imposante carrière van de band te doorlopen. Het tweeluik van regisseur Marcel de Vré heeft daarbij een uitgesproken handicap: de bandleden zelf schitteren door afwezigheid. Hun perspectief op de ontwikkeling van de groep en het gedwongen einde daarvan ontbreekt dus.

De Vré moet het doen met archiefmateriaal van de Earring en beelden van dat laatste concert in Ahoy. Voor de bijbehorende verhalen zoekt hij zijn toevlucht tot oud-bandleden zoals Frans Krassenburg, Fred van der Hilst en Jaap Eggermont, vaste gastmuzikanten Bertus Borgers en Robert Jan Stips, platenbaas Willem van Kooten en allerlei bekende en minder bekende medewerkers van de band. Hun bijdragen zijn veelal anekdotisch en bevatten natuurlijk ook de verplichte gemeenplaatsen over het belang van de band.

Er is tenslotte, zo wordt telkenmale benadrukt, maar één Golden Earring. Zo’n essentiële band verdient dan eerlijk gezegd wel een grondiger portret, waarin ook de interne machinerie en beleving volledig tot hun recht komen. Tot die tijd is er deze echte (ouwe) jongensfilm – waarin letterlijk niet één vrouw aan het woord komt – die als doekje voor het bloeden kan dienen voor de rouwende liefhebber die na maar liefst zestig jaar (!) afscheid heeft moeten nemen van ‘zijn‘ band.

FC Utrecht: No Guts No Glory

Videoland

Een voetbalclub die zijn jubileum wil opluisteren met een documentaire maakt zich kwetsbaar. Daar kan Ajax over meepraten. In het kader van hun honderdjarige bestaan lieten de Amsterdammers in het seizoen 1999-2000 regisseur Roel van Dalen binnen voor de documentaire Ajax: Daar Hoorden Ze Engelen Zingen, een ontluisterende film die uiteindelijk als sluitstuk zou fungeren voor een ronduit dramatisch seizoen.

Dit heeft Frans van Seumeren, grootaandeelhouder van FC Utrecht, er niet van weerhouden om camera’s toe te laten in het vijftigste levensjaar van de club waarin hij al jarenlang hart, ziel en een aanzienlijk geldbedrag steekt. En Van Seumeren zal er ook wel voor hebben gezorgd dat hij bij de samenstelling van FC Utrecht: No Guts No Glory (193 min.), waarin hij zelf de hoofdrol krijgt toebedeeld en ook aandacht is voor goodwill-acties naar de supporters en ‘de maatschappelijke poot’ van de club, een dikke vinger in de pap heeft.

Een treurmars is de zesdelige serie dan ook niet geworden. Al gaat het er soms best stevig aan toe. Als de omstreden Spaanse aanvaller Adrian Dalmau in de wedstrijd tegen ADO Den Haag een rode kaart krijgt en zijn team vervolgens blijft steken op een teleurstellend gelijkspel, wordt hij flink aangepakt. Eerst is het collega-spits Eljero Elia, zelf ook bepaald nog geen succesverhaal, die zijn ‘amigo’ in de kleedkamer ter verantwoording roept. Dreigend: ‘Je hebt geluk dat die camera hier is.’

Daarna krijgt de treurende Spanjaard ten overstaan van al zijn ploeggenoten (en de camera’s in de kleedkamer) ook nog eens van onder uit de zak van trainer René Hake. ‘Hee, Dalmau’, schreeuwt die met overslaande stem. ‘Heb je niks te zeggen tegen de jongens? In plaats van met je hoofd naar beneden te zitten. Je hebt de wedstrijd verkloot met je twee stomme gele kaarten!’ De gifbeker is dan overigens nog lang niet leeg voor de onfortuinlijke spits, die gedurig met zijn vorm blijft worstelen.

Zo levert FC Utrecht: No Guts No Glory uiteindelijk precies wat van dit soort voetbalseries (men neme bijvoorbeeld Tottenham HotspurSunderland en binnenkort Feyenoord) wordt verwacht: een combinatie van flitsend gemonteerde wedstrijdbeelden, begeleid door bombastische muziek (en – aardige toevoeging – het chauvinistische radiocommentaar van RTV Utrecht-verslaggever René van den Berg en oud-speler en -trainer Gert Kruys). En materiaal vanuit het hart van de club: het trainingscomplex, de kleedkamer en de tribune (waar Van Seumeren de camera permanent op zich gericht weet).

Utrechts tocht over hoge toppen en door diepe dalen, die nochtans gewoon is afgesloten met een vertrouwd plekje in de subtop, wordt begeleid door interviews met de trainer, manager, directeur, materiaalman en enkele spelers (de ernstig geblesseerde aanvoerder Willem Janssen en zijn vrouw in het bijzonder). En ook de achterban krijgt natuurlijk spreektijd – van de bloemenverkoper tot de buschauffeur – om het gevoel in de stad te verwoorden. Alle denkbare voetbalclichés worden daarbij nog eens netjes afgestoft. Een gruwel wellicht voor de kritische kijker, maar ‘gefundenes Fressen’ voor iedereen die leeft voor de bal.

Aznavour, Le Regard De Charles

Piece Of Magic

Via wat hij zag, krijgen we hem te zien. Charles Aznavour (1924-2018), chansonnier, acteur én amateurfilmer. Een paar maanden voor zijn dood leidde hij regisseur Marc di Domenico binnen in zijn heilige der heiligen: een geheime kamer, bezaaid met filmrollen. Aznavour had die hoogstpersoonlijk volgeschoten met de 16mm-camera, die hij in 1948 kreeg van zangeres Edith Piaf. De zanger zou er tot 1982 zijn leven mee filmen, met een bijzonder oog voor de wereld om hem heen én voor vrouwelijk schoon.

Het (zelf)portret Aznavour, Le Regard De Charles (75 min.) is vrijwel volledig opgebouwd uit deze privébeelden: Charles op de filmset van de anti-oorlogsfilm Un Taxi Pur Toubrouk, Charles en zijn toenmalige geliefde op een zeilboot en Charles omringd door handtekeningenjagers in een Chinese trein. Maar vooral zien we wat hij zag: vanaf het moment dat de ruim twintig jaar jongere Zweedse schone Ulla in zijn leven komt, domineert zij bijvoorbeeld een tijd lang elk frame. En verder: de plekken die hij aandeed en de mensen die hij daarbij ontmoette

Intussen vertelt hij zelf, in voice-overteksten die zijn gebaseerd op interviews en notities van Aznavour en ingesproken door acteur Romain Duris, zijn levensverhaal: telg van een familie die de Armeense genocide ontvluchtte, als zanger onder de hoede genomen door Edith Piaf, doorgebroken in het verre Amerika, comfortabel levend in de internationale jetset en toch altijd verlangend naar dat ene land dat Zij, Armeniërs van de diaspora, moesten verlaten. Want je kan een man wel van zijn geboortegrond halen, maar daarmee haal je die grond nog niet uit de man.

Gekende evergreens als La Bohème, Formidable en She begeleiden Aznavours videodagboek, dat de kijker een intieme blik gunt in zijn gedachtewereld en zielenleven. Aan het eind van de film richt hij zich rechtstreeks tot z’n publiek: ‘Ik heb deze beelden nooit teruggezien. Maar ik wist dat u ze ooit zou zien. Vandaag bent u erbij, meekijkend over mijn schouders. Er is geen scheiding meer, geen lijn meer tussen ons. Onze blikken smelten samen.’

Colette

The Guardian

Voor het eerst in haar leven gaat de negentigjarige Colette Marin-Catherine naar Duitsland, naar het concentratiekamp Mittelbau-Dora in Nordhausen, waar haar broer Jean-Pierre ter dood werd gebracht. De Franse verzetsstrijdster wordt vergezeld door de jonge studente geschiedenis Lucie Fouble, die nog nooit in een kamp is geweest en nu het levensverhaal van Jean-Pierre Catherine gaat optekenen.

Slechts één procent van de Fransen zou tijdens de Tweede Wereldoorlog in verzet komen tegen de Duitse bezetter. Voor broer en zus Catherine leek dat echter vanzelfsprekend. Wat was Jean-Pierre voor een man?, wil Lucie in de trein naar het kamp weten. ‘Gemaakt van staal’, antwoordt Colette (25 min.). ‘Als hij door een muur wilde, kon de muur het wel vergeten.’

Eenmaal ter plaatse in Duitsland wil de burgemeester Colette tijdens een etentje officieel verwelkomen. Al snel laat de hoogbejaarde Franse vrouw echter weten dat ze daarvan niet gediend is. Als Colette samen met haar metgezel op het kamp arriveert, nemen de emoties het definitief over. En ook Lucie houdt het niet meer droog. Samen staan ze echter sterk.

In de chemie tussen de twee vrouwen – de één oud en getraumatiseerd, de ander jong en idealistisch – zit de voornaamste meerwaarde van deze korte documentaire van Anthony Giacchino, die verder het welbekende tragische verhaal van de Tweede Wereldoorlog vertelt. Op een manier die ook voor nieuwe generaties aantrekkelijk is.

De Oscar-jury bleek er in elk geval gevoelig voor en beloonde de film met de Academy Award voor beste korte documentaire. Dat is eerlijk gezegd wat veel van het goede.

In De Ban Van De Bom

&Bromet

Als hij bij de huidige bewoners van het pand van z’n voormalige werkgever zijn verhaal probeert te doen, zou je Frits Veerman gemakkelijk voor een complotdenker kunnen houden. Hij strooit met allerlei onbekende termen en namen en rept bovendien over spionage: zijn Pakistaanse collega Abdul Khan zou in de jaren zeventig geheime informatie over de verrijking van uranium hebben gestolen. En daarmee zou het Aziatische land, in een soort permanente oorlog verwikkeld met buurland India, een atoombom hebben kunnen testen. De informatie is daarna ook nog terechtgekomen bij schurkenstaten als Noord-Korea.

Jaaaah, Frits, ben je geneigd om te antwoorden, maar hoe gaat het thuis, met je vrouw en kinderen? Zulke reacties heeft de man vast ook vaak gekregen, te beginnen vanuit zijn werkgever FDO waar hij werkte aan zogenaamde ultracentrifuges. Daar hadden ze niets met zijn verhalen. Slecht voor de reputatie van het bedrijf. Frits moest zijn mond houden en werd langzaam maar zeker richting de uitgang gedirigeerd. Er was één klein probleem: hij had gelijk. De notoire complotdenker was in werkelijkheid een klokkenluider.

‘Heb je ooit wel eens de behoefte gevoeld om het voor Frits op te nemen?’ vraagt Frans Bromet in de tv-docu In De Ban Van De Bom (82 min.) aan Veermans voormalige collega Gerrit Kleyn. ‘Nu dus’, reageert die. ‘Nu is een beetje laat, hè’, vindt Bromet. Kleyn: ‘Ja, maar wat kan ik eraan doen?’ En dus stond Frits Veerman er tijdens die jaren grotendeels alleen voor. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) had weliswaar al snel in de smiezen dat het klopte wat hij beweerde, maar probeerde toch – onder invloed van de CIA? – om hem monddood te maken.

Frans Bromet onderzoekt die pijnlijke kwestie met Veerman zelf, zijn vrouw Marie en diverse deskundigen en bekijkt tevens of zijn poging om ruim veertig jaar na dato, via het Huis voor Klokkenluiders, alsnog te worden gerehabiliteerd kans van slagen heeft. Als blijkt dat de AIVD, de opvolger van de BVD, tevens participeert in dat Huis, wordt ook die hoop de bodem ingeslagen. Frits blijft echter, tegen beter weten in, geloven in een goede afloop. Intussen wordt Abdul Khan in Pakistan op het schild gehesen als een soort redder des vaderlands.

Het is een typische David & Goliath-vertelling over een man die, jawel, een complot op het spoor komt en vervolgens jarenlang dwars wordt gezeten, ook door de Nederlandse staat, bij het naar buiten brengen daarvan. Totdat er van de gedreven idealist alleen nog een roepende in de woestijn over is. Bromet neemt alleen wel heel veel tijd om die eenzame strijd uit de doeken te doen. Een iets strengere selectie van de interviews en dus een hoger verteltempo zouden dit schrijnende verhaal, dat inmiddels een erg tragisch staartje heeft gekregen, goed hebben gedaan.

De Boerenrepubliek

Bert ter Beek / ICU Documentaires

Het is een aangrijpend tafereel. Boer Bert ter Beek uit Oene, een man die je direct in je hart sluit, bidt het Onze Vader en heft vervolgens, te midden van de loeiende koeien in zijn stal, Psalm 121 aan. Als Bert klaar is, gaat hij aan het werk met de mannen die zijn gekomen om zijn vee te ruimen. Hij pakt een touw en leidt de eerste de beste koe de vrachtwagen in. Zijn hoogbejaarde vader kan het niet aanzien. Bert slaat zijn arm om hem heen en zegt troostend: ‘Stil maar, jongen. We redden het wel.’

‘De burger begrijpt de boer niet meer’, constateert verteller Felix Meurders aan het begin van de vierdelige serie De Boerenrepubliek (200 min.) van Hans Hermans en Martin Maat. ‘En de boer snapt de overheid al helemaal niet meer.’ De Brabantse varkensboer Frans Meulenmeesters verwoordt dat gevoel perfect. ‘Het is nooit, maar dan ook nooit, maar dan ook nooit genoeg.’ ‘s Mans bittere constatering vormt de opmaat naar een breed opgezette, empathische en genuanceerde rondgang langs de permanente botsing van belangen tussen boer, natuur en overheid, aan de hand van de MKZ-crisis in het voorjaar van 2001. Die ijlt twintig jaar na dato nog altijd na in agrarisch Nederland.

Het eerste geval van mond- en klauwzeer werd aangetroffen in Oene, een dorp in het Noordoosten van Gelderland dat direct in lockdown moest – een term die toen overigens nog helemaal niet werd gebruikt. De plaatselijke melkveehouder Albert Hassink haalde destijds het NOS Journaal met een videodagboek vanuit zijn eigen bedrijf. De beelden maken nog altijd indruk. ‘Die worden allemaal afgemaakt’, zegt Hassink met een snik in zijn stem, bij de aanblik van zijn ogenschijnlijk kerngezonde koeien. ‘Daar heb je je hele leven hard voor gewerkt. Je ouders, je voorouders, om dit op te bouwen. Het wordt in één dag allemaal afgemaakt. Allemaal.’ Hij sluit zijn video af met een oproep aan de toenmalige minister van landbouw, Laurens Jan Brinkhorst: ‘Minister, dit gaat fout. Dat ziet u toch ook wel?’

‘De reactie van deze boer begrijp ik heel goed’, reageert Brinkhorst twintig jaar later. ‘De individuele boer valt niks te verwijten.’ Het is volgens de oud-minister wel tragisch: omdat Nederland zelf – met steun van belangenorganisaties van de boeren – een toonaangevende exporteur van landbouwproducten wilde worden, moest het Europese non-vaccinatiebeleid worden ingevoerd. ‘De gevolgen zijn natuurlijk dat je je export kwijt bent als je gaat vaccineren.’ En dus werd er niet geënt, zoals de betrokken boeren wilden, maar ‘geruimd’, een eufemistische term voor het doden van de dieren. ‘Koeienmoord’, volgens sommige agrariërs. Van in totaal zo’n kwart miljoen, voor het grootste deel gezonde dieren. Dat zou uiteindelijk leiden tot rellen in Kootwijkerbroek. En die waren dan weer een logisch vervolg op de boerenprotesten van de jaren negentig en een voorbode van de grootschalige acties die organisaties als Farmers Defence Force tegenwoordig opzetten.

In deze ambitieuze reeks worden al die elementen, zo nu en dan met ingrijpen van voice-over Meurders, op een logische manier met elkaar verbonden: van de uitbraak van varkenspest tot het huidige stikstofbeleid en de Coronacrisis (die in 2001 al min of meer werd voorspeld door viroloog Ab Osterhaus). Met oog voor zowel de gevoelens en belangen van de Nederlandse boer als van zijn natuurlijke opponenten, de natuur- en dierenbeschermers. Die spreken over dierenbevrijding, een klimaatcrisis en gebrek aan biodiversiteit (en als gevolg daarvan zoiets als ‘landschapspijn’). Beide partijen lijken elkaar gevangen te houden in een kansloze strijd, waarin ook hun gezamenlijke vijand, ‘de politiek’, vooralsnog het verschil niet weet te maken.

Sinds de MKZ-crisis is het aantal boeren gehalveerd en het aantal dieren gelijk gebleven. Dat lijkt vragen om problemen. Alleen een fundamentele herbezinning zou de Gordiaanse knoop die de Nederlandse landbouw gaandeweg is geworden kunnen ontwarren. De Boerenrepubliek besteedt in dat kader ook aandacht aan veelal kleinschalige initiatieven om het boeren te vernieuwen. Uiteindelijk bepaalt de consument natuurlijk welke daarvan succesvol kunnen zijn. ‘Drie keer per dag hebben wij als mensen een stem in wat voor voedselsysteem wij willen’, stelt varkenshouder Jeffrey Korsmit uit Sint Willebrord. Hij houdt zijn Magalitza varkens gewoon buiten, waar ze lekker in de modder kunnen rollen. Voor hem en het welslagen van zijn bedrijf is het vanzelfsprekend essentieel dat de kwaliteit van het product (weer) voorop komt te staan.

Op een respectvolle manier belicht deze verzorgde serie zo, aan de hand van een crisis die diepe sporen heeft getrokken door de boerengemeenschap, alle verschillende posities en perspectieven rond de Nederlandse landbouw en hoe de toekomst daarvan eruit zou kunnen zien.

De Boerenrepubliek is hier te bekijken.

Rechts In Beeld

Bromet

Je kunt zeggen: zie je wel, de zelfverklaarde ‘linkse kiezer’ Frans Bromet krijgt van de Publieke Omroep weer eens ouderwets de kans om rechtse partijen af te branden. Je kunt ook, zoals Bromets eigen dochter Laura (Tweede Kamerlid voor GroenLinks), op cynische toon tegen hem zeggen: ‘Rechts krijgt zó weinig aandacht in de media dat jij daar nog wat extra aandacht aan moet toevoegen.’

Zie daar de voorspelbare kritiek die de tweedelige interviewfilm Rechts In Beeld (90 min.) ongetwijfeld ten deel zal vallen. Hoe transparant Neerlands oer-camerajournalist ook te werk gaat en hoe open en toch kritisch hij zijn gesprekspartners daarbij tegemoet treedt. Het is spitsroeden lopen – óók voor de ‘linkse kiezer’ die dit stukje over deel 1 tikt – waarbij je het eigenlijk nooit goed kunt doen. Soit. Het zij zo.

Je moet Frans Bromet op zijn minst nageven dat hij, als gewone ‘linkse kiezer’ en relatieve buitenstaander, ‘t over de inhoud probeert te hebben. En het vliegen afvangen, de mannetjesmakerij en het politieke steekspel (zoveel mogelijk) aan zich voorbij laat gaan. Dat is op zichzelf al een verademing. Zoals ook de toonzetting prettig is: geen stemverheffing en/of (gespeelde) verontwaardiging. Gewoon een gesprek tussen twee mensen, met verschillende ideeën over hoe het verder moet.

Het is voor Bromet en zijn redactie overigens nog een hele toer om überhaupt iemand te spreken te krijgen. Ze worden constant aan het lijntje gehouden en moeten uiteindelijk genoegen nemen met mindere goden, zoals ex-leden en trouwe stemmers van de VVD, PVV en Forum voor Democratie. Van de tachtig kandidaten op de kieslijst van regeringspartij VVD is bijvoorbeeld helemaal niemand beschikbaar voor een interview met de man die natuurlijk als geen ander aanvoelt waar het wringt en dat dan genadeloos kan blootleggen.

Noodgedwongen gaat Bromet te rade bij deskundigen als Bas Paternotte (adjunct-hoofdredacteur van de rechtse website The Post Online), Chris Aalberts (die een kritisch boek over Forum voor Democratie schreef) en zijn eigen oud-medewerker Rutger Castricum. Die laatste verbaast zich erover dat politici alleen nog maar met de waan van de dag bezig zijn en nooit meer een serieuze stip op de horizon plaatsen, maar vraagt zich blijkbaar niet af welke rol hij als verslaggever van PowNed daarin zelf heeft gespeeld. Hij wordt er door zijn voormalige leermeester ook niet op bevraagd.

Hoewel de belangrijkste vertegenwoordigers uiteindelijk niet thuisgeven, doet Frans Bromet in Rechts In Beeld een oprechte poging om de standpunten van Rechts Nederland over belangrijke verkiezingsthema’s, zoals het klimaat- en asielbeleid, duidelijk te krijgen en kritisch te bevragen. Dat levert vooralsnog vooral een enigszins pijnlijk beeld op van politici en partijen die weinig te winnen denken te hebben met zo’n gesprek.

Het tweede deel van deze tv-documentaire voegt eigenlijk weinig meer toe. Bromet gaat daarin het gesprek aan met Telegraaf-columnist Rob Hoogland, voormalig PVV’er Richard de Mos en zijn advocaat Peter Plasman (die tegenwoordig de politieke partij Code Oranje vertegenwoordigen), enkele lokale (aspirant)politici en een gefrustreerde linkse kiezer die zich tot de PVV heeft bekeerd. Tot nieuwe inzichten leidt dit echter niet meer en het verteltempo komt soms ook wel erg laag te liggen.

Nog heel even lijkt Frans Bromet zijn tanden te kunnen gaan zetten in niemand minder dan Thierry Baudet, met wie hij begint te bespreken of Nederland vol is. De FvD-voorman neemt echter al snel weer de benen en laat zijn gesprekspartner met vrijwel lege handen achter. Zodat die nog maar eens te rade gaat bij zijn eigen dochter Laura.

Cannabis

KRO-NCRV

Hij is een wat tragische ‘poster boy’ geworden voor het Nederlandse softdrugsbeleid: Johan van Laarhoven, de grote man van de coffeeshopketen The Grass Company. In 2014 werd de Brabander gearresteerd in Thailand. Hij zou voor jaren achter de tralies verdwijnen en moest zien te overleven in ronduit erbarmelijke omstandigheden. Het initiatief voor zijn aanhouding zou volgens zijn broer en compagnon Frans en z’n advocaten Gerard Spong en Sidney Smeets zijn gekomen vanuit het drugsgidsland Nederland. Iets wat door het Openbaar Ministerie dan weer wordt genuanceerd.

De zaak Van Laarhoven loopt als een rode draad door de zesdelige serie Cannabis (304 min.) waarin Arjen Sinninghe Damsté stijlvol door de geschiedenis van het Nederlandse softdrugsbeleid zwiert. Van het hippiefestival Kralingen en de allereerste Amsterdamse coffeeshops tot de hedendaagse wietzolders, internationale cannabisindustrie en medicinale wiet. In de tussenliggende jaren is er altijd reuring geweest rond het vaderlandse gedoogbeleid. Was het niet de aanhoudende kritiek vanuit Amerika, waar al decennia een ‘war on drugs’ wordt uitgevochten, dan ontstond er wel een enorm schandaal rond het feit dat politie en justitie enorme hoeveelheden drugs bleken te hebben doorgelaten, de zogenaamde IRT-affaire.

Cannabis geeft crimefighters het woord, maar focust zich vooral op de vrije jongens die ooit besloten om een boterham te gaan verdienen met hashhandel. Zij zouden stelselmatig worden gemangeld tussen de steeds steviger optredende overheid en de altijd weer brutaler denkende georganiseerde misdaad. Zo kreeg Henk de Vries, eigenaar van de befaamde coffeeshop The Bulldog, tussen de invallen van de politie en belastingdienst door bijvoorbeeld ineens bezoek van ene Klaas Bruinsma. Het criminele kopstuk kondigde doodleuk een vijandige overname van de coffeeshop aan. Niet veel later werd Bruinsma geliquideerd. De Vries had er niets mee van doen, zegt hij. ‘Ik moet er enkel bij zeggen: ik was op dat moment wel bereid om het te doen. Iemand anders heeft mijn probleem opgelost.’

Met zulke verhalen uit alle uithoeken van de softdrugswereld dringt Cannabis, lekker sjiek gefilmd en verlevendigd met bijzonder fijn archiefmateriaal, door tot het hart van een business die zich noodgedwongen op het snijvlak tussen legaal en illegaal afspeelt. Een sleutelrol is daarbij weggelegd voor de joyeuze verteller Tom Vermeir. Met losse, informele voice-overs, die qua toonzetting doen denken aan de series Schuldig en Stuk, en het nodige kunst- en vliegwerk houdt hij de verschillende verhaallijnen en personages bij elkaar. Vermeir moet ook steeds de verbinding leggen met de zaak Van Laarhoven, waarin Nederlands dubbelhartige houding tegenover softdrugs, vervat in die ene multi-interpretabele term ‘gedogen’, nog eens goed onder het vergrootglas komt te liggen.

De kwestie rond de Brabantse coffeeshophouder claimt gaandeweg steeds meer ruimte. Als in de slotafleveringen de vraag op tafel komt of Van Laarhoven naar Nederland kan worden gehaald (en of hij hier dan nog de rest van zijn straf moet uitzitten), schaart Sinninghe Damsté zich bovendien heel nadrukkelijk aan zijn kant en krijgt het Openbaar Ministerie ondubbelzinnig de schurkenrol toebedeeld. Het is een laatste akte die deze ambitieuze serie enigszins uit het lood trekt.

Verstopt

KRO-NCRV

Een vrijstaande villa. Aan de muur hangt kunst. En op planken staat kunst. Overal eigenlijk. En rommel. Ook overal. Een nette vrouw, Vera Funke, baant zich voor de camera van Frans Bromet door de ontzettende rommel. ‘Alles wat hier staat zijn dingen waarvan hij houdt, is verzameld met liefde.’

‘Hier heeft hij gewoond’, vraagt Bromet. ‘Tot wanneer?’

‘Tot ongeveer anderhalve maand geleden. Toen is hij ziek geworden en uiteindelijk ook gevallen. En daarna is hij het huis uitgewandeld en eigenlijk niet meer teruggekomen.’ Funke wijst naar een door allerlei spullen overwoekerde zitbank. ‘Hij sliep hier op de bank.’

‘Daar past toch geen mens op?’

‘Nee, daar past ook geen mens op. Daarom is het ook vrij apart dat-ie dat zo lang heeft volgehouden.’

Eduard van Dijk, de eigenaar van het typische hoardershuis, herstelt inmiddels in een verzorgingstehuis. Zo nu en dan keert hij terug naar huis om samen met Funke orde op zaken te stellen. ‘Ieder klein of groot voorwerp, belangrijk of onbelangrijk, heeft voor mij een soort geheugenstimulans’, zegt hij. ‘Levende geschiedenis, die je om je heen hebt. Dan ga je dat toch niet wegdoen?’

De man heeft een niet te stillen honger naar de Tweede Wereldoorlog. ‘Dat is het voordeel als je heel veel rommel hebt’, zegt Van Dijk geëmotioneerd als hij in een boek op een Jodenster stuit. ‘Dan kom je heel veel dingen tegen, die geen rommel zijn.’ Terwijl hij die spullen, en daarmee ook zijn eigen leven, begint op te ruimen, wordt steeds duidelijker wat achter die enorme verzameling boeken en artefacten Verstopt (54 min.) zit: een heel persoonlijk familieverhaal.

Over zijn vader, de verzetsman Jacob van Dijk, die betrokken raakte bij het zogenaamde Englandspiel en die de oorlog niet zou overleven. Bromet vervat diens ervaringen in voorgelezen passages uit het boek Nacht Und Nebel van Floris Bakels, die worden vergezeld door beelden van het concentratiekamp Natzweiler. Daar zorgden ze ervoor dat ‘NN-Häftlinge’ zoals Van Dijks vader Jacob spoorloos verdwenen.

Sinds zijn val kan Eduard van Dijk zijn emoties daarover niet altijd meer beteugelen. Alsof zijn schild is verdwenen. Frans Bromet en Max Ploeg, de samensteller van deze interessante tv-docu, laten zien hoe hij zijn eigen gevoelens steeds meer toelaat en zo ook dichter bij zichzelf komt. Een proces dat, mede door ‘s mans verzameling antieke wapens, niet geheel zonder gevaar is.

Vader In De Tuin

KRO-NCRV

Opa Koos woont driehoog, in een mooie ruime flat met een fijn ‘groen’ uitzicht. Binnenkort gaat hij echter even verderop wonen. Niet in een aanleunwoning of bejaardentehuis. Maar in de tuin. Bij zijn zoon Marco en diens gezin.

‘Is hij er slecht aan toe?’ wil interviewer Frans Bromet weten. ‘Nog niet’, antwoordt Marco lachend. Schoondochter Anita vult aan: ‘Hij is achtentachtig en hij is eigenlijk hartstikke goed.’ Bromet: ‘Gaat dat jullie niet heel veel tijd kosten?’ ‘Zwaaien?’ antwoordt Anita gevat. ‘Nee, dat valt wel mee, denken wij.’

Voorlopig lijkt zwaaien genoeg, maar de familie Korevaar realiseert zich terdege dat ze in werkelijkheid kiest voor een mantelzorg-constructie. In een ontspannen sfeer gaan ze een woning voor Vader In De Tuin (53 min.) aanschaffen. Die stelt zich ogenschijnlijk uiterst schappelijk op. Koos beseft tegelijkertijd: ‘Ik ben afhankelijk van iedereen.’

‘Dit is de laatste reis die ik maak’, zegt hij tijdens de daadwerkelijke verhuizing. ‘En de volgende reis, daar hoef ik me niet mee te bemoeien.’ Terwijl de nieuwe woning zijn beslag krijgt en opa Koos zich daar probeert te settelen, stelt Bromet hem zijn inmiddels welbekende impertinente vragen over verleden, heden én toekomst.

Intussen volgt hij gedurende enkele jaren hoe de man aardt in zijn steeds kleiner wordende wereld en langzaam maar zeker afscheid moet nemen van het leven dat hij ooit had. ‘Afvoeren’, noemt hij dat zelf. Hij zit gewoon te wachten. ‘Waarop zit u dan te wachten?’ vraagt Bromet naar de bekende weg. ‘Op die man met die zeis.’

Toch wordt deze tv-film geen moment topzwaar en verdient die ook weer moeiteloos het Bromet-vignet: dicht op de mens, ongepolijst en nooit sentimenteel. En Frans, zelf inmiddels ook 75 jaar oud, heeft blijkbaar nog altijd een onstilbare honger naar nieuwe verhalen en blijft dus gewoon stug doorgaan met veelfilmen. Híj gaat zelf in elk geval níet zitten wachten op die man en z’n zeis.

Vieren Wat Kapot Is

AVROTROS

‘Van wie is dit werk hier?’ vraagt kunstenaar Bas van Wieringen aan een suppoost van het Stedelijk Museum in Amsterdam. ‘Nee, dat is gewoon stuk eigenlijk’, antwoordt de man. Toch staan er mensen te kijken bij de plek waar het parket is opengebroken en die officieel lijkt te zijn afgezet. ‘Ik vind het eigenlijk wel mooi’, zegt Van Wieringen. ‘Sommige mensen denken dat het een kunstwerk is’, reageert de suppoost met een brede glimlach.

De kunstenaar besluit bezoekers ermee te confronteren: is dit nu kunst of niet? De meesten denken dat het een gat in de grond is, maar helemaal zeker weten ze het ook niet. Waarmee het thema van de documentaire Vieren Wat Kapot Is (50 min.) meteen goed in de verf is gezet. Want Van Wieringens eigen kunst wordt ook niet altijd als zodanig herkend. In 2017 is een klein minimalistisch schilderij per ongeluk door een medewerker van het Frans Hals Museum overgeschilderd met latex. Dat veroorzaakte nogal wat commotie.

Het voorval was voor Denise Janzée aanleiding om een film te maken over ‘beschadigde kunst’, waarin ze de conceptuele kunstenaar aan het werk laat zien. Met een lamp die kapot wordt geslagen tegen de muur, een klok die op een vaste tijd wordt vastgespijkerd en een brandblusser die vuur en vlam vat, bijvoorbeeld. Intussen speelt op de achtergrond nog altijd de vraag wat er moet gebeuren met het overgeschilderde schilderijtje? Is dat een beschadigd kunstwerk of juist een nieuw werk geworden? Heeft het zijn waarde behouden? En kan er wellicht zelfs nog waarde aan worden toegevoegd?

Zo wordt deze documentaire behalve een aaneenschakeling van vermakelijke experimenten en projecten tevens een interessante gedachte-exercitie over wat nu eigenlijk kunst is of wordt. Én, als aardige uitsmijter, hoe je dat dan exposeert.

Het Vermoorde Theater

EO

Kunst dient sociaal-realistisch te zijn, verklaart de Russische Bond van Schrijvers in 1935. En het Joodse Staatstheater Goset uit Moskou, dat zich in de eerste twintig jaar van haar bestaan onledig heeft gehouden met kolderieke, uitbundige en absurde voorstellingen, heeft zich maar aan te passen.

In Het Vermoorde Theater (57 min.) schildert regisseur Frans Weisz met veel zwier, affectie en grote gebaren de opkomst en ondergang van het Jiddische theatergezelschap in de communistische heilstaat Rusland, waarin uiteindelijk elke vorm van frivoliteit, en vrijheid, rigoureus de nek om wordt gedraaid door de almachtige leider Jozef Stalin.

Die naargeestige geschiedenis wordt door Weisz verpakt in een uiterst theatrale vorm. Met de acteur Vincent van der Valk als het fictieve personage Nathan, assistent van de kunstenaar Marc Chagall, die tot zijn vertrek uit Rusland decors ontwierp voor Goset. Vanuit de coulissen schetst, duidt en becommentarieert deze Nathan de verwikkelingen in het theater en participeert er soms zelf ook in.

De gekozen vorm is erg dominant en werkt soms op de zenuwen, maar sluit tegelijkertijd ook prima aan bij de inhoud; het dramatische relaas van theater dat systematisch van zijn ziel wordt ontdaan. Waarna het daadwerkelijk om zeep wordt geholpen. ‘Wat moet je met hoop als er geen theater meer is?’ vraagt Nathan zich, als het doek is gevallen, vertwijfeld af. ‘Wat komt er na dit verhaal?’

Het Vermoorde Theater is hier te bekijken.

Uit Elkaar

Janie (l) en Henk (r) / &Bromet

‘Maar ze is niet lastig, hoor!’ zegt Henk over zijn vrouw Janie, die even verderop een hapje zit te eten. ‘Is ze niet lastig?’ stelt Frans Bromet één van zijn kenmerkende herhaalvragen. ‘Nee hoor.’ Janie heeft intussen de camera ontdekt. Ze kijkt recht in Bromets lens. ‘Ze is gewoon lief nog’, zegt Henk na een ogenblik stilte. ‘Is ze nog lief, ja?’ Henk: ‘Ja, ze geeft me nog een schouderklopje als we gaan wandelen…’ Bromet: ‘Dus jullie huwelijk is nog steeds wel een echt huwelijk?’ ‘Ja hoor, in mijn ogen wel. Ik zou haar niet graag willen missen.’

In het tweeluik Uit Elkaar (100 min.) gaat de nestor onder de Nederlandse camerajournalisten/documentairemakers in gesprek met zes oudere echtparen en hun kinderen, die een weg proberen te vinden door het doolhof dat de ziekte Alzheimer rond hen heeft aangelegd. Het is een typische Bromet-film, gemaakt door Frans en zijn dochter Silvia, waarin de interviews leidend zijn en de cameravoering dienend. Zo vangen ze kleine gesprekjes en scènetjes die samen een veel groter verhaal vertellen. De aankleding is eenvoudig: wat foto’s en enkele riedeltjes stemmige muziek.

Dat is genoeg. Als geen ander weet Bromet toch weer de vinger op de zere plek te leggen. En ondanks dat hij zelf inmiddels ook een gevorderde leeftijd heeft bereikt, is hij zijn gevoel voor waar het op maatschappelijk vlak wringt nooit kwijtgeraakt. In dit geval: kunnen de dementerende en zijn/haar partner, die tegenwoordig als mantelzorger door het leven gaat, ook in de toekomst samen blijven wonen? Vroeger konden echtgenoten meeverhuizen naar het verzorgings- of verpleegtehuis. Tegenwoordig is dat niet meer mogelijk.

Het centrale dilemma, koste wat het kost samen thuis blijven of toch apart gaan wonen, wordt hier door de Bromets pregnant uitgeserveerd. Uit Elkaar is natuurlijk slechts een momentopname. De televisiefilm ontbeert bijvoorbeeld de longitudinale aanpak van de klassieke dementiefilm Vergeten van Ireen van Ditshuyzen, die echt over een langere periode (1991-1994) de onmogelijke dilemma’s van mensen in de herfst en winter van hun leven blootlegde. Deze Bromet-productie voegt daaraan echter wel een actueel element toe, dat iets wezenlijks zegt over de wereld waarin we met z’n allen leven.

Leve De Organen

Esmee Feenstra / filmfestival.nl

Het is relatief eenvoudig om te formuleren wat hersendood inhoudt, stelt professor Van Dijk van het Leids Universitair Medisch Centrum: de hersenen doen niets meer en zullen ook nooit meer iets gaan doen.

Tot zover de theorie, de praktijk is een stuk minder eenduidig. In de interviewdocumentaire Leve De Organen (55 min.) introduceert Frans Bromet meteen de jonge vrouw Esmee Feenstra, die na een zwaar ongeval in coma raakte, hersendood werd verklaard en de situatie tóch overleefde. Ze staat hem nu ogenschijnlijk kerngezond te woord. Het had weinig gescheeld of Feenstra’s organen waren verwijderd om te worden gedoneerd. De artsen stonden op het punt om het zogenaamde hersendoodprotocol op te starten toen haar zus constateerde dat ze nog reageerde op prikkels.

Het verhaal van Esmee Feenstra vormt het startpunt voor een serie gesprekken die Bromet, naar aanleiding van de komst van de nieuwe Wet op de Orgaandonatie in 2020, voert met direct betrokkenen: neurologen, oud-cardioloog/schrijver Pim van Lommel, een wetenschapsfilosoof, nabestaanden, een verpleegkundige, mensen met een bijna-dood ervaring en de ontvanger van een gedoneerd orgaan. Want wat betekent het als we straks allemaal automatisch donor zijn? Lopen we het risico dat de dood vooral een medische aangelegenheid wordt, waarbij de te overlijden persoon dreigt te verworden tot een soort leverancier van organen?

Bromet monteert zijn gesprekken puur op inhoud (met de nodige jump cuts), doorsnijdt die met ogenschijnlijk tamelijk willekeurige klassieke kunstwerken met medische taferelen en voegt zo nu en dan wat stemmige pianomuziek toe. Het is een sobere aanpak, die ervoor zorgt dat er, behalve allerlei pratende hoofden, weinig valt te zien en die kijkers dwingt om vooral aandachtig te luisteren naar de filosofische, praktische en ethische dilemma’s en overwegingen van de verschillende sprekers.