Van Vader Op Zoon

BNNVARA

Hij móést zingen. Niet van zichzelf. Van zijn vader. Die zag het talent. Een nieuwe André Hazes. Pas later werd zingen leuk voor Mart Hoogkamer, zegt hij. De jonge levensliedzanger uit Leiden heeft net een platencontract ondertekend. De droom van zijn vader. En van zijn eveneens zingende jongere broer Luciano.

Marts vader was vroeger een kindersterretje. Ook hij had toen een platendeal. Bij het label van George Baker, Nico Haak én André Hazes. Trots laat Martin de singletjes zien aan zijn zoon. En krantenknipsels uit lang vervlogen tijden: ‘Martin Hoogkamer jr. (13) kweelt het hoogste lied in de randstad.’

En toen kwam er iets in zijn keel: de baard. ‘En dan zijn ze je ook zo vergeten’, zegt Martin met spijt in zijn stem. ‘Dat is gewoon zo.’ Zijn talent heeft hij echter doorgegeven aan een nieuwe generatie Hoogkamers, Van Vader Op Zoon (37 min.). En zoon Mart geniet met volle teugen van het optreden, de fans en de studio-opnames.

Pa Martin ziet het geëmotioneerd aan. Hij kan er niet altijd zijn voor z’n jongens. Soms is hij zomaar even weg. ‘Een pakkie sigaretten halen’, volgens Mart. Al komt de politie hem daarvoor speciaal ophalen. ’Daar leer je als klein kind mee leven’, vertelt de jonge zanger aan zijn producer Bram Koning. ‘Je bent ermee opgegroeid.’

De relatie tussen vader en zoon Hoogkamer vormt het hart van deze sfeervolle korte documentaire van Arjen Sinninghe Damsté, die de psychologie van de levensliedzanger en zijn vader probeert te doorgronden. Die zit ‘m niet altijd in de woorden. Al die zijn er ook: spaarzaam, maar recht op hun doel af. Wat onbesproken blijft, wordt treffend zichtbaar gemaakt. Voelbaar.

Zoals elke ouder wil Mart Sr. simpelweg het beste voor zijn kinderen. En dat ze niet de fouten maken die hem de das hebben omgedaan. En Mart Jr. wil zich losmaken van die druk. Al weet hij zelf ook wel dat dit nooit helemaal lukt. ‘Vergeet nooit waar je vandaan komt’, zingt hij tot besluit, met een onvermijdelijke snik in zijn stem. ‘Waar je wiegje heeft gestaan, heeft je gemaakt tot wie je bent.’

De Rijksbouwmeester: De Kracht Van De Verbeelding

VPRO

Architecten moeten ontwerpen voor de problemen die de samenleving op dit moment kent, vindt Rijksbouwmeester Floris Alkemade. Als ‘architect des konings’ wil hij de Nederlandse steden bijvoorbeeld ‘intelligenter’ maken. Zodat sociale inwoners zich niet, of in elk geval minder, sociaal geïsoleerd voelen of minder afhankelijk worden van verschralende zorg. En: hoe kunnen we positiever gaan denken over het platteland?

Tegelijkertijd houdt Alkemade zich bezig met grote projecten, die in het oog van pers en publiek – met bijzondere aandacht voor eventuele kostenoverschrijding – moeten worden uitgevoerd. Regisseur André de Laat volgt hem in De Rijksbouwmeester: De Kracht Van De Verbeelding (60 min.) bijvoorbeeld tijdens de totstandkoming van de renovatie van het Binnenhof, verbouwing van paleis Het Loo en realisatie van het Holocaust Namenmonument in Amsterdam. Elk project kent zijn eigen uitdagingen en zorgt onvermijdelijk ook voor frictie met stakeholders.

Die worden in deze degelijke documentaire door de hoofdpersoon wel benoemd, maar slechts zelden echt zichtbaar gemaakt (zoals bijvoorbeeld wel gebeurt in het portret van Winy Maas, zijn voormalige collega bij meesterarchitect Rem Koolhaas). De hoofdpersoon wordt ook vooral geportretteerd binnen zijn vak en functie. De persoon daarachter, kind van twee huisartsen uit het Brabantse dorp Sint-Oedenrode, komt slechts zijdelings aan de orde. Of het moet zijn via de ‘Wunderkammer’, waarin zijn vader, een halve kunstenaar, bezielde voorwerpen verzamelde en zo het fundament legde voor de missie van zijn zoon.

De Rijksbouwmeester is uiteindelijk vooral een interessante inkijk in het werk van ‘s lands toonaangevende architect (die deze zomer afscheid neemt en ter gelegenheid daarvan ook Zomergast was) en zijn voornaamste uitgangspunt: ‘de belofte dat het anders kan’.

Night Will Fall

Zelfs de cameralens, die doorgaans van het gruwelijkste tafereel simpelweg een shot met personages, kleurstelling en een kader maakt, kon ditmaal geen bescherming bieden. De cameramannen die de geallieerde troepen vergezelden toen deze in 1945 de Duitse concentratiekampen ontdekten, zouden hun eigen beelden nooit meer kwijt kunnen spelen. Die stonden voor altijd op hun netvlies gebrand.

Dat had ook te maken met de specifieke opdracht die ze van hun meerderen hadden gekregen: verzamel concreet bewijsmateriaal. Leg de ellende van dichtbij en zo plastisch mogelijk vast, zodat niemand ooit kan ontkennen dat dit ooit is gebeurd (en wie ervan op de hoogte waren). Waar de dodelijkste details in oorlogsverslagen vaak on(der)belicht blijven, werd er nu juist op ingezoomd. Met alle gevolgen van dien. Het resultaat is 75 jaar later, zelfs met oorlogsmoeie ogen, nog altijd niet om aan te zien.

De Britse filmmaker Sidney Bernstein probeerde het schokkende beeldmateriaal direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog te verwerken in de documentaire German Concentration Camps, waaraan ook topregisseur Alfred Hitchcock zijn medewerking verleende. De film, nooit helemaal afgerond, zou echter achter slot en grendel verdwijnen. Als huiveringwekkend bewijsstuk van waartoe de mens in staat is, dat alleen even niet te pas kwam in een wereld die zich alweer opmaakte voor een volgende oorlog, een koude ditmaal.

In de bijzonder indringende reconstructie Night Will Fall (73 min.) uit 2014 ontleedt regisseur André Singer met direct betrokkenen de totstandkoming van deze documentaire die in eerste instantie, tot de geruchtmakende Neurenberg-processen, vrijwel niemand te zien zou krijgen. Hij laat de ontluisterende beelden daarnaast voor zichzelf spreken en komt zo akelig dicht bij de ervaring van de gewone soldaten die destijds nietsvermoedend, en met draaiende camera, de hel van Bergen-Belsen of Auschwitz betraden en daar werden geconfronteerd met het werk van een duivelse machine die in een mum van tijd menselijk afval had gemaakt van gewone stervelingen.

Wat zij toen tot in de goorste details vastlegden, heeft vele oorlogen later nog niets aan kracht ingeboet en laat zich ook op een 21e eeuws beeldscherm slechts met afgewend hoofd, dichtgeknepen neus en het nodige doorzettingsvermogen aanschouwen. Al is het zonder enige twijfel belangrijk om dat bij tijd en wijle tóch te doen.

Freek

Doxy

Zouden Freek (achternaam, De Jonge, eigenlijk overbodig) en zijn onafscheidelijke vrouw Hella in het echt – ik bedoel: als Dennis Alinks camera níet draait – ook over kunst en kitsch bomen tijdens de afwas en vervolgens een grapje met elkaar maken over het vleesmes dat hij achteloos onder zijn oksel heeft gestoken en waar zij bijna tegenaan is gelopen? Met andere woorden: hoe spontaan – echt, zo je wilt – zijn de fly on the wall-scènes die de filmmaker toont van de cabaretier en zijn echtgenote? Hoe zij zijn haren knipt, hoe de televisie aanblijft tijdens het eten en hoe ze in de voorbereiding op een voorstelling kibbelen over een klein detail in het decor.

Zien we daar de waarachtige Freek of krijgen we die juist te zien in de gestileerde, speciaal voor deze film uitgevoerde scènes en liedjes in stemmig zwart-wit of zijn gearrangeerde ontmoetingen met z’n zus, de partner van Bram Vermeulen (met wie hij ooit Neerlands Hoop vormde) en vakgenoten als André van Duin, Herman Finkers en Jack Klöters. Heeft hij, kortom, een podium nodig om zichzelf te kunnen zijn? ‘Ben jij dan een man die op het toneel, in de voorstelling, wél kan nadenken en praten en dingen aan de orde kan brengen’ wil Klöters weten, ‘maar privé, thuis en met vrienden veel minder?’ ‘Ja’, beaamt Freek. Over Hella: ’Vorige week stonden we nog samen op het toneel. Dan interview ik haar en zeg ik: ik ben zo blij dat we eens even kunnen praten, want thuis lukt dat niet.’

Die paradox zit op alle mogelijke manieren ook in dit grillige portret van de inmiddels bijna 75-jarige podiumtijger verweven, waarbij Alink als interviewer zijn hoofdpersoon zo nu en dan even probeert te ontregelen. Uit zijn spel te halen, als het ware. ‘Hoe lang ken jij Jacques nu?’, vraagt hij bijvoorbeeld halverwege Freek (80 min.) tijdens het regelmatig in de film terugkerende tweegesprek van De Jonge en Klöters. ‘Wij moeten elkaar kennen vanaf ’65, ’66’, antwoordt Freek welwillend. Waarna de interviewer, alsof hij een onthulling van formaat op het spoor is, zijn kans schoon ziet: ‘En hoe heten Jacques’ kinderen?’ De komiek begint te lachen. ‘Dat weet ik niet.’ Klöters kopt de voorzet vervolgens hoogstpersoonlijk binnen: ‘Heb jij een vriendenkring?’ ‘Nee’, geeft Freek grif toe. ‘Zoals jij vrienden definieert, dat heb ik niet.’

Het is geen treurige conclusie. Uiteindelijk telt alleen de bühne, zoveel is duidelijk. Daar voelt die benige streber zich volledig vrij. Maar wanneer bereikt Freek (nee, niet: Vonk) zijn uiterste houdbaarheidsdatum? Of ligt die, zonder dat hij het zelf doorhad, al enige tijd achter hem? Het zijn urgente vragen waarmee hij zichzelf in de herfst van zijn leven en carrière gedurig lastigvalt. Intussen doet Alink een ferme greep in de grabbelton van driekwart eeuw Freek de Jonge. Dat zorgt zo nu en dan voor frictie, waarbij de filmmaker de grenzen opzoekt die zijn subject juist probeert te bewaken. Die confrontaties geven dit intrigerende portret, waarin de hoofdpersoon zijn masker niet (altijd) afdoet maar ook niet wordt afgeschminkt, een gezonde spanning. Freek is daardoor net als zijn hoofdpersoon: ambitieus, ongemakkelijk en (meestal) onverminderd boeiend.

Love Means Zero

Showtime

Zijn bekendste protégé, Andre Agassi, wilde niet meewerken aan deze film over de omstreden tenniscoach Nick Bollettieri. De manier waarop hij publiekelijk aan de kant werd gezet door zijn pseudovader, waarbij hij als tennisser opgroeide, ligt blijkbaar nog altijd erg gevoelig. Agassi’s grote rivaal in Bollettieri’s tennisacademie, Jim Courier, neemt in Love Means Zero (91 min.) wél plaats voor de camera van filmmaker Jason Kohn.

Nadat Bollettieri in 1989 tijdens het Roland Garros-toernooi in Parijs openlijk partij koos voor zijn lievelingetje Andre Agassi, vertrok Courier bij de succescoach. Hij weigerde nog langer tweede viool te spelen. Van tevoren sloeg hij nog wel even Agassi uit het toernooi. Het tekent de genadeloze survival of the fittest tussen Bollettieri’s spelers, die hij zelf maar al te graag aanmoedigde. De kampioen van nu kon morgen afgedankt worden voor een nieuwe kroonprins.

Waarom hij toch met zoveel mensen in conflict is gekomen, wil Kohn weten van de voormalige topcoach. ‘Nick kijkt nooit terug’, zegt de man zelf, inmiddels dik in de tachtig. Alsof hij het over compleet iemand anders heeft, een zelfverzonnen personage. Die ‘Nick’ meldt zich ook regelmatig in de interviews; een sterke verhalen en anekdotes opdissende patser, die weigert om aan echte introspectie te doen. Een man ook, die nog altijd zoveel ontzag inboezemt dat bepaalde oud-medewerkers en -tennissers elk woord wegen voordat ze het uitspreken.

Hoewel Bollettieri eigenlijk niet al te veel wil zeggen, vertelt de mental coach toch veel over zichzelf in dit psychologische portret, dat is opgebouwd rond zijn getroebleerde relatie met Agassi. Nadat ze tot hun eigen verdriet afscheid hebben genomen, blijven de twee elkaar tegenkomen op de tenniscourts. Inmiddels heeft de coach het ultieme verraad gepleegd en zich aan de zijde geschaard van Agassi’s nieuwe opponent Boris Becker, die wel opdraaft in deze overtuigende film. En uiteindelijk doet ook Andre Agassi toch nog van zich spreken…

André Hazes: Zij Gelooft In Mij

Bijna vijftien jaar na zijn dood kunnen we de balans opmaken van wat André Hazes heeft nagelaten. Zijn kinderen Dré en Roxanne (in deze documentaire te zien als de kinderversie van zichzelf) zijn op eigen kracht beroemdheden geworden, laatste vrouw Rachel werd een vaste gast in ‘de bladen’ en hij geldt nog altijd, onbetwist, als Neerlands grootste levensliedzanger.

De documentaire André Hazes: Zij Gelooft In Mij (91 min.) van John Appel heeft daarin een niet te onderschatten rol gespeeld. Tot die tijd hadden we Hazes nog kunnen verslijten voor een René Froger of een Lee Towers, inwisselbare Nederlandse varianten op internationale sterren als Frank Sinatra en Engelbert Humperdinck. Misschien is het zo simpel als André het zelf altijd formuleerde: hij had écht de blues (al klinkt die in zijn geval dan als een smartlap).

Die muziek kegelt alles en iedereen omver in deze film uit 1999, de eerste Nederlandse documentaire in lange tijd die het echt goed deed in de bioscoop. Omdat het soms lijkt alsof Hazes echt alleen voor jou zingt, terwijl je weet dat hij het in werkelijkheid tegen Rachel, of zijn overleden moeder, heeft. ‘Dan zeggen ze: alles wat ie zingt komt recht uit zijn hart’, zei Theo Maassen daarover gekscherend in zijn voorstelling Bepaalde Dingen. ‘Dan zeg ik: er snel uithalen, dat ding!’

Zij Gelooft In Mij legt overtuigend het verband tussen de muziek en het leven van Hazes, een man die misschien groots en meeslepend wilde leven, maar in het dagelijks bestaan vooral met zijn ziel onder zijn arm rondliep (of beter: zat, met altijd een sigaret en blik bier bij de hand). Die Hazes, die gewoon domweg gelukkig wil zijn, maar al twee huwelijken naar de Filistijnen heeft geholpen en druk doende is met nummer drie, domineert deze film die de tand des tijds moeiteloos heeft doorstaan.

Met de jaren is bovendien de knipoog verdwenen waarmee Ons Soort Mensen het fenomeen Hazes, en zijn glorieus bebrilde schoonmoeder, altijd bezag en resteert slechts een aangrijpend portret van een man die op het podium boven zichzelf uitstijgt. Als het doek is gevallen, blijkt hij echter gewoon weer dat jongetje uit een slecht huwelijk (waarvan vader zich gedurig een stuk in de kraag zoop), dat even op het slechte pad belandde (zoals is vervat in het boek De Jongens Van De Corridor) en vervolgens Zijn Stem vond (zoals bijvoorbeeld is te horen in het titelnummer van deze film, dat naderhand een echte evergreen werd).

In de documentaire Magie Van De Montage onderzoekt John Appel het werk van Nederlandse editors als Menno Boerema, Ot Louw en Gys Zevenbergen. Samen met hen praat hij over de do’s en don’t van montage en bekijken ze scènes uit succesvolle Nederlandse documentaires als Het Nieuwe Rijksmuseum, Ne Me Quitte Pas en Janine.

Ook enkele omstreden scènes uit de Hazes-docu komen daarbij aan bod, zoals de camera die blijft lopen nadat de geëmotioneerde zanger expliciet heeft gevraagd om daarmee te stoppen en de nagespeelde aankoop van een nieuwe auto voor Rachel, waarmee een echtelijke ruzie lijkt te worden bijgelegd.