Blood & Myth

Hulu

Ik ga je het verhaal vertellen van Teddy Kyle Smith, belooft James Dommek Jr. bij de start van Blood & Myth (74 min.). Dat wordt tevens het verhaal van zijn volk, de Inuit uit Alaska. Of zoals ze zelf zeggen: de Inupiaq. En Teddy, uit het piepkleine dorp Kiana in het noorden van ‘The Last Frontier’ Alaska, was ooit hun trots. Totdat hij betrokken raakte bij ogenschijnlijk redeloos geweld.

De voormalige marinier speelde een belangrijke rol in de speelfilm On The Ice (2011), waarin de Inupiaq nu eens niet als karikaturale eskimo’s werden geportretteerd. Zo werd hij een icoon van zijn gemeenschap. Na het maken van de film leek Teddy Smith alleen wel ‘onga’. Hij waande zich blijkbaar onaantastbaar. Misschien kwam dat ook door de drank, de nagel aan de doodskist van menige ‘native American’.

Nadat zijn 74-jarige moeder Dolly in september 2012 onder mysterieuze omstandigheden dood was aangetroffen in haar eigen slaapkamer, sloeg Teddy op de vlucht. Tien dagen lang liep hij in z’n eentje door de ijzige kou. In een verlaten jagershut, de Staheli Cabin, stuitte hij vervolgens op de broers Buckel, die daar op berenjacht waren. Niet veel later had hij hen allebei met een kogel geveld.

Toen Alaska State Troopers Teddy Smith inrekenden, had hij daarvoor een bizarre verklaring: de Inukuns hadden hem dat opgedragen. Aan deze mythische kleine en wilde mensen uit het noorden, die zich hadden teruggetrokken op een stuk wildernis waar verder geen andere mensen kwamen, werden sjamanistische krachten toegedicht. En ze hadden zich nu dus toegang verschaft tot Smiths hoofd.

Onzin! zou de gemiddelde Amerikaan zeggen. De gevallen Inupiaq-held probeerde zich gewoon onder zijn welverdiende straf uit te wurmen. Of, als die Amerikaan toevallig in een vergevingsgezinde bui was: die Teddy is niet goed. James Dommek Jr. verwijst zijn verhaal echter niet direct naar de prullenbak. Zijn eigen overgrootvader Taata Pulungun verhaalde in het boek The Eskimo Storyteller ook al over de Inukuns.

Er is nu eenmaal meer tussen Hemel en Alaska. In deze stemmige film van Kahlil Hudson (Navajo Police: Class 57) gaat Dommek op onderzoek uit in zijn eigen gemeenschap, die volgens hem nog tot ver in de twintigste eeuw in het Stenen Tijdperk leefde. Wat de meeste andere westerlingen beschouwen als bijgeloof, kan volgens hen een diepere waarheid bevatten – of op z’n minst een kern ervan.

Zijn zoektocht naar waarom Smith precies wat gedaan heeft leidt niet tot sluitende, algemeen geaccepteerde antwoorden, maar confronteert de Inupiaq met zijn eigen identiteit en de overtuigingen van zijn volk. Dat voelt soms wat geconstrueerd – alsof de reis van een held hem ook altijd wijzer moet maken over zichzelf – maar zorgt er in elk geval voor dat het true crime-deel van deze docu een fundament krijgt.

En daarbij hoort natuurlijk ook een moment van de waarheid, waarbij James Dommek Jr. de kans krijgt om de man, waarmee dit mythische verhaal over de Inupiaq-gemeenschap en de illustere Inukuns begon, diep in de ogen te kijken.

The Shepherd And The Bear

Willa

In 2004 stierf de laatste bruine beer die was geboren in de Ariège, een streek in de Franse Pyreneeën. Sinds enige tijd zet de OFB, het Franse Bureau voor Biodiversiteit, echter weer beren uit in het idyllische berggebied. En net als de wolf, elders in Europa, zorgt dit voor onrust bij de mensen en dieren die in het gebied wonen en werken.

Als de oudere herder Yves Raspaud, de hoofdpersoon van The Shepherd And The Bear (101 min.), één van de schapen uit zijn kudde dood aantreft en daarbij ook berenharen vindt, is dat vooral een bevestiging: het herintroduceren van de beer is een heilloze weg, die ten koste zal gaan van mensen zoals hij en hun manier van leven. Tijdens een felle discussie met natuurbeschermers over de ‘probleembeer’ Goiat, die zich naar verluidt heel listig aan de andere kant van de grens met Spanje heeft verschanst, is hij dan ook glashelder: schiet gericht en met scherp. ‘We moeten hem laten zien dat de mens de baas is.’

Yves wordt langzamerhand ook te oud voor het vak van schaapsherder. Zijn opvolging blijft evenwel lastig, nieuwe aanwas van herders is er nauwelijks. Yves prijst zich gelukkig met Lisa Laguerre, een jonge vrouw die bij hem in de leer is en zich hopelijk niet laat verjagen door die vervloekte beer. Tegelijkertijd introduceert regisseur Max Keegan de al even jonge boerenzoon Cyril Balthasar, die juist helemaal geobsedeerd is door het wilde dier. Hij wil hem koste wat het koste in levende lijve zien en ambieert een plek bij de natuurpolitie, de organisatie die de kwetsbare berenpopulatie beschermt tegen herders en jagers en hun geweren. 

Met oog voor zowel de mensen als hun oogstrelende biotoop observeert Keegan het leven op en rond de bergen, dat onderdeel is geworden van een venijnige ideologische strijd. Yves Raspaud ziet met lede ogen aan hoe het herdersbestaan waarmee hij is opgegroeid naar z’n einde loopt. ‘Jouw school is daar’, zei zijn vader vijftig jaar geleden tegen de jonge Yves en wees vervolgens naar de berg. Inmiddels is hij bijna een heel leven verder. De nurkse herder kent de eenzaamheid en de vrijheid, de verbondenheid die hij voelt met zijn dieren en hoe zij nu allebei gevaar lopen door een nieuwe oude gast die ook z’n territorium wil afbakenen.

Terwijl zijn honden de schapen naar boven drijven, over een weg waarop ‘zeg nee tegen beren’ staat, lijken confrontaties onvermijdelijk. Heel veel meer dan een zaklamp heeft Yves, een man die is wat hij doet, dan niet om zichzelf te verdedigen. En als de beren zich daardoor al laten verjagen, dan wacht nog altijd het verglijden van de tijd. Zijn dagen zijn geteld, de precieze uitslag is alleen nog niet bekend. Keegan begeleidt Raspauds herderswerk met prachtige beelden en weemoedige muziek en vangt enkele magische scènes, waarmee de relatie tussen mens en dier en hun verhouding tot de wereld om hen heen nog eens wordt benadrukt.

In wezen willen de herders, boeren en jagers geen andere wereld dan hun opponenten, de natuurbeheerders die de afnemende biodiversiteit proberen te keren. The Shepherd And The Bear laat tegelijkertijd zien hoe de spanningen oplopen in het rustieke landschap, dat voor de eeuwigheid bedoeld lijkt te zijn.

Andrea Bocelli: Because I Believe

Piece Of Magic

‘Realiseer je je’, zegt de Italiaanse zanger Andrea Bocelli tegen zijn collega Massimo Cavalletti, ‘dat morgenavond, als ik hier sta te zingen, mijn team in de finale van de Champions League staat? Dat gebeurt maar eens in de zoveel tijd. Ik overweeg om de wedstrijd te volgen via een oortje terwijl ik sta te zingen.’

Zover zal het natuurlijk niet komen, maar de Toscaanse tenor neemt in de navolgende uren wel elke gelegenheid te baat om achter de schermen de voetbalwedstrijd van zijn favoriete club Inter Milan te kunnen volgen. Het wordt een deceptie. Zijn publiek zal echter nooit merken dat Bocelli absoluut niet tegen z’n verlies kan. Op het podium blijft hij, zoals mag worden verwacht van een gereputeerde vocalist, uiterst professioneel.

Het is één van de aardigste scènes van de documentaire Andrea Bocelli: Because I Believe (107 min.) van Cosima Spender, die werd geproduceerd door de zanger zelf en zijn vrouw en manager Veronica. Bocelli, die zich zowel in de pop- als de operawereld heeft bewezen, geeft in dit klassieke (zelf)portret een kijkje in zijn bestaan als gearriveerde artiest en blikt ondertussen terug op zijn leven en loopbaan.

Een cruciale gebeurtenis in die 67 jaar speelt zich eveneens af op een voetbalveld. Het gaat om de allerlaatste wedstrijd die Bocelli ooit zal keepen. Op z’n twaalfde krijgt hij een bal tegen zijn hoofd. Daarna gaat het licht definitief uit. De Toscaanse plattelandsjongen, die is geboren met een oogziekte en op z’n zevende naar een speciale kostschool voor blinden en slechtzienden werd gestuurd, zal nooit meer zien.

Dan is al wel duidelijk dat hij een uitgesproken talent heeft. Op de kostschool, waar ie zich zonder familie en vrienden moet zien te redden, treedt Andrea Bocelli net als thuis regelmatig op. Hij zingt er volgens de overlevering, hoe treffend, O Sole Mio. En de rest is geschiedenis, zeggen ze dan – al moet Bocelli tot z’n dertigste wachten op z’n grote doorbraak. En daarna dient hij zich nog te bewijzen in zijn grote liefde, opera.

Het relaas van zijn carrière wordt in deze film verteld met behulp van mensen die daarin een sleutelrol speelden: zanger Zucchero Fornaciare, platenbazin Caterina Caselli en producer David Foster. In die tijd moet hij afrekenen met podiumvrees, stemproblemen en ‘de eenzaamheid van succes’. Bocelli spreekt er ogenschijnlijk open over. Afgemeten. Zonder al te veel drama. Dat is hem als jongen met een beperking wel geleerd.

Hij laat zich verder seconderen door zijn vrouw Veronica, broer Alberto en enkele persoonlijke vrienden. Zij kenschetsen hem als een man die dicht bij zichzelf probeert te blijven. Zowel persoonlijk als letterlijk: in de omgeving waar hij is opgegroeid. Hij ontvangt er vrienden, treedt op in het door hemzelf gestarte openluchttheater Teatro del Silenzio en rijdt er rond op z’n paard – tot verbazing van anderen: zonder begeleiding.

‘Nul angst’, zegt Andrea Bocelli zonder omhaal van woorden, niet alleen over dat paardrijden, in deze verzorgde film, die verder fraaie jeugdbeelden bevat en natuurlijk is doorspekt met talloze zangscènes, waarin hij die imposante stem, in een operasetting of juist samen met hedendaagse pophelden zoals Ed Sheeran en Dua Lipa, z’n ontzagwekkende werk kan laten doen.

Ellis Park

Pink Moon

Als je ziet hoe hij zijn instrument nog altijd te lijf gaat, uitwringt als een vaatdoek of juist laat wenen als een troosteloze weduwe, is het niet vreemd dat Warren Ellis ooit ‘de Jimi Hendrix van de viool’ werd genoemd. De Australische multi-instrumentalist heeft met zijn favoriete instrument nooit de klassieke concertzalen opgezocht, maar is in de rock & roll beland, in rokerige zalen en op bruisende festivals.

Daar is ie in Ellis Park (105 min.), de documentaire die zijn landgenoot Justin Kurzel over hem maakte, dan overigens weer nauwelijks te zien. De Australische filmmaker heeft geen regulier popportret van Warren Ellis gemaakt, waarbij eerst diens opkomst als boegbeeld van de invloedrijke instrumentale rockband The Dirty Three uitgebreid wordt behandeld en daarna zijn entree bij Nick Cave & The Bad Seeds, waarin hij zich van één van de bandleden heeft ontwikkeld tot volwaardige partner in crime van de begenadigde frontman, nog eens goed aan de orde komt.

In de kantlijn passeren die twee groepen wel even de revue. Zoals onderweg tevens wordt vernoemd dat Warren Ellis, al dan niet met Cave, naam heeft gemaakt als maker van soundtracks. Daar blijft ’t dan ook bij. Geen obligate quotes van zijn muzikale bloedsbroeder of concullega-muzikanten dus en ook slechts een te verwaarlozen hoeveelheid concertfragmenten. Alleen een man en zijn viool (of synthesizer), op plekken waar hij zich kan overgeven aan zijn muziek. In een Parijse studio, alleen op het podium van een theaterzaal of in een lege kerk.

Musiceren als een vorm van meditatie. ‘De wereld stopt’, zegt de hoofdpersoon. ‘En je bent gewoon op die ene plek. Dat zou ik in het echte leven nooit kunnen doen.’ Kurzel volgt hem tevens naar zijn ouderlijk huis in de Australische stad, waar zijn inmiddels hoogbejaarde vader ‘Screaming Johnny’ Ellis nog altijd graag zijn liefde voor muziek met hem deelt en zijn fragiele moeder Diane inmiddels in niets meer lijkt op de labiele en onberekenbare vrouw die Warren ooit zo’n lastige jeugd bezorgde. Stukje bij beetje kleuren zulke scènes de hoofdpersoon verder in.

Het hart van deze film wordt echter gevormd door zijn verbondenheid met het Sumatra Wildlife Center, waar Femke den Haas en haar medewerkers illegaal verhandelde en mishandelde dieren oplappen. In Warren Ellis heeft de Nederlandse dierenredster een bondgenoot gevonden. Hij is alleen nog nooit op bezoek geweest bij de opvang. Als Ellis zich daar meldt, nederig en in een fleurige nieuwe blouse, sluit Justin Kurzel aan om hun eerste ontmoeting te vereeuwigen. De muzikant heeft een geschenk meegebracht: zijn persoonlijke talisman. De kauwgom van Nina Simone.

Ellis Park wordt ondertussen niet het definitieve portret van de begenadigde muzikant Warren Ellis – op dat vlak blijft er best nog het nodige te wensen over – maar een sfeervolle reis door het huidige leven van een gevoelsmens, dat zich steeds weer laat raken en ook nog steeds anderen weet te raken.

First Kill

Lemming Film

Als oorlog niet meer dan de hel zou zijn, dan zouden we snel stoppen met al die oorlogen, stelt voormalig oorlogscorrespondent Michael Herr, die over zijn ervaringen als journalist in Vietnam het boek Dispatches schreef en later meewerkte aan de klassieke oorlogsfilms Apocalypse Now en Full Metal Jacket. Hoewel hij zelf zeker geen ‘John Wayne Jr.’ was, bleek Herr erg gevoelig voor de verleidingen van oorlog. ‘Het was niet saai. Je kreeg nooit de kans om verveeld te raken.’

En daarop, op hoe je volledig verslingerd kunt raken aan oorlog en er vervolgens door wordt opgevreten, richt Coco Schrijber zich in haar indringende film First Kill (73 min.) uit 2001. Voor de Amerikaanse soldaat Billy Heflin doet bijvoorbeeld maar één ding ertoe tijdens zijn tour in Vietnam: ‘the kill’. Het kost hem geen enkele moeite om de trekker over te halen – ook al is het een kind. Het is hij of ik. En hij wil zijn ‘body count’ op peil brengen. Met elke dode gaat Billy zich beter voelen. Hij vergelijkt ’t zelfs met seks.

Behalve met veteranen zoals Heflin, die steeds verder afdaalt in zijn weerzinwekkende jacht op ‘gooks’, spreekt Schrijber ook met de Amerikaanse fotograaf Eddie Addams. Hij maakte in 1968 een inmiddels klassiek geworden foto, waarin de horror van oorlog héél tastbaar wordt. Een Vietnamese man zet zijn pistool tegen het hoofd van een landgenoot en haalt rücksichtslos de trekker over. Addams voelde er echter helemaal niets bij toen hij die foto maakte. Hij leverde het rolletje in, vertelt hij droog, en ging daarna lunchen.

Een (foto)journalist kan zich natuurlijk verschuilen achter zijn werk en heeft daarmee een plausibele reden om de frontlinie op te zoeken. Michael Herr koestert daarover echter geen illusies: ook mensen zoals hij zijn veel meer dan een observator, zij participeren net zo goed in de strijd en kunnen daarvan eveneens ‘genieten’. En dat oorlogsjournalistiek een heilzame werking heeft, wil er bij hem ook niet in. De eeuw waarin massamedia hun entree hebben gemaakt was tevens de bloedigste. Moordlust wordt er bijna sexy van.

Deze zinnenprikkelende trip naar de donkerste hoeken van de menselijke ziel krijgt daarmee een bijzonder ongemakkelijke boodschap: oorlog beschikt over een zekere schoonheid als je ‘m van z’n morele dimensie ontdoet. Als individuele mensen zijn we, in de juiste verkeerde omstandigheden, tot zo’n beetje alles in staat. En dat kan ook nog lekker voelen. Billy Heflin, inmiddels een breekbare man in een rolstoel, is daarvan het sprekende voorbeeld. Hij zou best terug willen naar Vietnam, zegt ie. Hij mist het doden.

Paid In Full: The Battle For Black Music

BBC

Tekenen bij het kruisje. Daar kwam het in de afgelopen honderd jaar vaak op neer voor Amerikaanse artiesten. Pas later bleek dan wat zo’n platencontract inhield – en dat het doorgaans niet de mensen die de muziek maakten waren die er rijk van werden. Dat gold dubbel zo hard voor zwarte performers, die soms op een wel heel geniepige manier werden uitgeknepen. Hun strijd om artistieke vrijheid en financiële onafhankelijkheid duurt, getuige Paid In Full: The Battle For Black Music (180 min.), nog altijd voort.

Toonaangevende artiesten zoals Bessie SmithBillie Holiday en Nina Simone kregen in de beginjaren van de muziekbusiness vaak nog een vast bedrag per opnamedag betaald. Als daar vervolgens een hit uitrolde, werd iedereen daar rijk van – de witte mannen voorop –behalve zij. En anders was er wel een louche manager, zoals bij Louis Armstrong, die z’n cliënt op slinkse wijze helemaal leeg trok. ‘What a wonderful world’, croont de jazzgigant met een kamerbrede glimlach tijdens een optreden, als de kwestie wordt aangesneden in deze boeiende driedelige serie van Guy Evans.

Exploitatie van zwarte artiesten is van alle tijden. We zijn zo blut als maar kan, meldt de succesvolle meidengroep TLC bijvoorbeeld na de uitreiking van de Grammy Awards in 1996. De manoeuvres om geld weg te sluizen blijken eindeloos. In de jaren vijftig worden bij de composities van rock & roll-held Chuck Berry bijvoorbeeld doodleuk ook andere rechthebbenden opgevoerd, die niets te maken hebben met het ontstaan van zijn songs. Voor de man zelf blijft er nog maar een klein deel van de opbrengsten over, waarvan de gemaakte, vaak flink opgevoerde kosten dan nog worden afgetrokken.

Andere truc: maak een beschaafde witte versie van een zwarte hit, zoals Pat Boones brave versie van de Little Richard-hit Tutti Frutti, en zet die vervolgens wél goed in de markt. Dan stroomt het geld – het is in feite steeds hetzelfde liedje – weer op de juiste plek binnen. Er zijn uitzonderingen: soulzanger Sam Cooke probeert in de sixties met een eigen platenlabel financiële autonomie te verwerven. Hij krijgt navolging via de zwarte labels MotownStax en Def Jam, die echter stuk voor stuk zullen worden uitgebuit, weggeconcurreerd of overgenomen door witte mannen met diepere zakken.

Artiesten zoals Smokey RobinsonGloria GaynorNile RodgersChaka KhanIce-T en een keur aan kenners van de muziekindustrie vertellen in deze serie ‘graag’ over de misstanden waarmee ook zij zijn geconfronteerd. Paid In Full is overigens meer dan één grote klaagzang. Ook de initiatieven van eigengereide en ondernemende artiesten zoals PrinceJay-ZKendrick LamarrStormzy en Jessie Reyez, die een nieuw zelfbewustzijn hebben laten zien, komen aan de orde. Master P vat die attitude heel aardig samen. ‘Als een witte man me een miljoen dollars biedt, hoeveel zou ik dan werkelijk waard zijn?’

De meeste verhalen in deze fijne miniserie, bijeengehouden door verteller Zawe Ashton, zijn al wel eens verteld, maar hier worden ze vanuit een heldere invalshoek – wie wordt er rijk van? – verteld en in een bredere historische context geplaatst, zowel van de ontwikkeling van de muziekbusiness als de emancipatie van zwarte Amerikanen. En de vertelling is natuurlijk gelardeerd met fijne performances van baanbrekende artiesten zoals Ruth Brown, The Supremes, Sam & Dave, Public Enemy en Lil Nas X.

In de afgelopen jaren heeft zich met het streamen van muziek, laat de slotaflevering zien, overigens alweer een nieuwe manier aangediend om (zwarte) artiesten te exploiteren. Naar hoe de grote platenlabels Warner, Universal en Sony daarmee omgaan en terugkijken op het beladen verleden, blijft het overigens gissen. Want die wilden documentairemaker Evans niet te woord staan en houden ’t bij een schriftelijke verklaring.

Wisdom Of Happiness

Das Kollektiv / The Searchers / vanaf donderdag 25 september in de bioscoop

Als je van iemand een wijze les verwacht over hoe te (over)leven in de hedendaagse wereld, dan is het van de Dalai Lama. ‘Hoe je innerlijke rust ontwikkelt’, omschrijft de inmiddels negentigjarige geestelijk leider van Tibet, het Aziatische land dat al ruim zestig jaar onder de knoet zit van China, die bij de start van het nogal zijige zelfportret Wisdom Of Happiness (90 min.).

Hij is er eens goed voor gaan zitten, Tenzin Gyatso, in zijn kenmerkende roodgele gewaad. Midden in beeld, recht in de camera kijkend. En dan steekt de boeddhistische leidsman van wal over zijn eigen leven, de lessen die hij daaruit heeft getrokken en de boodschap die wij, de argeloze stervelingen die nog met een blinddoek door het bestaan strompelen, op basis daarvan nodig in onze oren moeten knopen – al zou hij dit zelf natuurlijk nooit op zo’n confronterende toon aan de orde stellen.

‘Woede is destructief’, zegt hij. ‘Mededogen constructief.’ Knoop. Oren. En daarvoor is ook de volgende les onontbeerlijk: hou van jezelf. Uitroepteken. Niet op een egoïstische manier overigens, haast de geestelijk leider zich daaraan toe te voegen. Want altruïsme zorgt voor innerlijke rust. Check. En daarmee is de cirkel van dit betoog in wezen al rond, terwijl de Dalai Lama nog zeker een uur aan wijsheden heeft te delen over de aard van de moderne mens, diens wereld en de toekomst.

Excuses trouwens voor het badinerende toontje van deze bespreking. Duizend keer liever de diepe, zalvend uitgesproken levenslessen van de Dalai Lama, natuurlijk, dan de onverdraagzaamheid, hebzucht en stupiditeit die sommige andere wereldleiders prediken. Terwijl zijn land zucht onder het Chinese juk, blijft de Tibetaanse leider consequent respect voor al wat leeft, zorg voor de aarde en pure medemenselijkheid uitdragen. Kom er nog maar eens om in die vermaledijde 21e eeuw!

De makers van deze film, Philip Delaquis en Barbara Miller, illustreren zijn betoog met een soepel stromende collage van beelden uit ‘s mans lange leven, kernmomenten uit de moderne geschiedenis, aardbewoners die innerlijke rust zoeken (of al hebben gevonden) en idyllische beelden van het leven in al z’n verschijningsvormen. Ze hebben die ook voorzien van een meditatieve soundtrack. Zo vormt zich een verzorgde videobrief aan eenieder die het goed voor heeft met de wereld. 

Wisdom Of Happiness kan te zijner tijd bovendien dienst doen als testament van een geestelijk leider, die in zijn lange leven is uitgegroeid tot een wereldwijd symbool en in die hoedanigheid nog veel en vaak als voorbeeld zal worden aangehaald.

Dogtown And Z-Boys

Alliance Atlantis

In 1975 verschijnt in het tijdschrift Skateboarder het artikel Aspects Of The Downhill Slide, het eerste van wat de Dogtown-serie van de 26-jarige kunstenaar en fotojournalist Craig Stecyk zal worden. Hij verhaalt daarin over de skatecultuur van Los Angeles, die ruim 25 jaar later nog eens, met beelden die Stecyk in deze gloriejaren heeft gemaakt, zal herleven in de klassieke documentaire Dogtown And Z-Boys (90 min.).

Skateboarder/filmmaker Stacy Peralta blikt terug op de scene waarvan hij zelf een product is. Bij de Pacific Ocean Park-pier, op de grens van Venice en Santa Monica, bevindt zich begin jaren zeventig het centrum van Dogtown, een niemandsland bij het strand dat een thuis is geworden voor buitenbeentjes. Daar, bij die met graffiti afgebakende betonnen wereld, surft de alternatieve jeugd over verraderlijke golven.

In de scene rond de surfwinkel Zephyr begint een groepje durfals bovendien, in de dode uurtjes waarin er geen golven zijn om te bedwingen, op het asfalt in de directe omgeving de wildste trucs uit te halen op hun skateboards. Vooral veronachtzaamde zwembaden zijn in trek en blijken ideale skateramps. Als echte haantjes proberen de Zephyr-skaters elkaar daar voortdurend af te troeven. Samen stijgen ze naar aanzienlijke hoogte.

Deze ‘Z-Boys’ ontwikkelen ook een geheel eigen stijl, gedragen zich als punkrockers avant la lettre en spreken dus tot de verbeelding van alternatieve muzikanten, zoals Henry Rollins (Black Flag), Ian Mackaye (Fugazi) en Jeff Ament (Pearl Jam). En Tony Hawk en Steve Caballero, skateboardcracks van een volgende generatie, kunnen zich eveneens laven aan de prestaties van de Zephyr-iconen Jay Adams en Tony Alva.

Deze energieke film, die op het Sundance-festival van 2001 twee Awards in de wacht sleepte, laat de oorspronkelijke opwinding, kameraadschap en onderlinge rivaliteit van de Z-Boys herleven met een levendige mixture van skatebeelden en terugblikinterviews, die op smaak en tempo wordt gehouden met een hele zwik onweerstaanbare rocklicks en -riffs van onder anderen Jimi Hendrix, The Stooges en Ted Nugent.

En verteller Sean Penn fungeert als verbindende factor in een zwierig gemonteerde, tussen kleur- en zwart-wit jumpende film, waarin vorm en inhoud soepel samenvloeien en de onstuimige beginjaren van de skatecultuur, -esthetiek en -sport uitstekend zijn gedocumenteerd.

In 2005 zou Stacy Peralta met regisseur Catherine Hardwicke overigens ook nog een speelfilm over ‘zijn’ skatescene maken: Lords Of Dogtown, met hoofdrollen voor de acteurs Emile Hirsch (Jay Adams), Victor Rasuk (Tony Alva) en John Robinson (Peralta zelf). En Heath Ledger speelt Zephyr-mede-eigenaar Skip Engblom.

The Last Expedition

Vinca Film

De dood of de gladiolen – of tóch een zeer vakkundig uitgevoerde ontsnapping? Als Wanda Rutkiewicz, de eerste Poolse alpinist die de Mount Everest heeft bedwongen, in mei 1992 niet terugkeert van haar beklimming van de Kangchenjunga-berg in Nepal, lijkt het evident dat ze ergens onderweg is omgekomen. Toch is er nog een ander scenario: Rutkiewicz zou zich, zoals ze eerder al bij haar moeder opperde, hebben teruggetrokken in een nonnenklooster te Tibet en daar nog altijd in stilte leven.

Ruim dertig jaar later reist klimmer Eliza Kubarska in The Last Expedition (85 min.) zelf af naar de Himalaya-top, op zoek naar het antwoord op de vraag wat er is gebeurd met de vermaarde bergbeklimster, die zich na de dood van haar derde echtgenoot Kurt Lyncekrüger had vastgebeten in een nieuw idee: met de ‘Caravan To Dreams’ wilde ze binnen één jaar nog acht van de hoogste bergtoppen ter wereld beklimmen. Dan zou ze als eerste alpinist ter wereld alle veertien ‘achtduizenders’ op haar naam hebben staan.

‘Dan ben ik voor de verandering eens niet nummer drie op het podium, achter Messner en Kukuczka’, stelt Wanda Rutkiewicz in één van de bewaard gebleven geluidsopnames die Kubarska gebruikt als geraamte voor haar film. ‘Ik zal de eerste zijn die iets nieuws heeft geprobeerd.’ Uit deze ferme ambitie spreekt meteen Rutkiewiczs verlangen om nu eindelijk eens op haar eigen merites beoordeeld te worden. Als één van ‘s werelds beste bergbeklimmers, waarbij ’t er niet toe doet dat ze tot het vrouwelijke geslacht behoort.

Altijd weer moet ze zich echter bewijzen ten opzichte van mannelijke collega’s, blijkt uit het overvloedige archiefmateriaal in The Last Expedition. Impliciet – en soms ook zeer expliciet – wordt ze geconfronteerd met vooroordelen over vrouwen. Na haar beklimming van de Annapurna-berg, in het jaar voor haar verdwijning, klinkt er zelfs openlijke twijfel of ze de top van die Himalaya-berg wel heeft bereikt. Kubarska legt zulke en andere zaken uit het leven van haar heldin ook voor aan familieleden, vrienden en collega’s.

In retrospectief wordt Wanda Rutkiewicz, één van de belangrijkste bergbeklimmers van haar tijd, toch een wat tragische figuur. Niet door wie ze was – juist niet – maar om hoe ze werd bekeken. Zo bezien is het ook heel goed voor te stellen dat ze destijds de vlucht naar voren heeft gekozen en in de kantlijn van het bestaan, losgemaakt van de dagelijkse dingen en haar eigen bewijsdrang, is gaan leven op een plek waar al dat aardse er niet toe doet – al blijft dat idee waarschijnlijk toch een kwestie van ‘wishful thinking’.

Een construct om haar leven van een passend einde te voorzien en dit boeiende postume portret extra richting te geven.

Goldband: Tot We Breken

Pathé

Alles staat stil – en daardoor begint het voor hen te lopen. Op de golven van het Coronavirus komt Goldband bovendrijven. Met De Langste Nacht schrijft het Haagse drietal het lijflied voor een generatie jongeren die de lockdown achter zich wil laten.

Daar lijkt het in eerste instantie overigens helemaal niet op. Als de halve wereld in het voorjaar van 2020 op slot gaat, staat Goldband net op het punt om helemaal los te gaan en moet de nederpopband noodgedwongen een pas op de plaats maken. Filmmaker Olivier S. Garcia is dan al enige tijd aan het filmen, voor wat uiteindelijk de documentaire Goldband: Tot We Breken (109 min.) is geworden, een productie die werd gemaakt in samenwerking met de band zelf en hun management Unisex.

Met beeldmateriaal uit de periode 2018-2024 brengt ‘Ollie’ de opmars van zijn vrienden Karel, Boaz en Milo, stuk voor stuk jongens uit een gebroken gezin, naar de vaderlandse top van binnenuit in kaart. Zijn film begint met een absoluut hoogtepunt in de bandhistorie, het extatische optreden tijdens het Lowlands-festival van 2022. Daarna gaat de docu terug naar het begin: als ze in de thuisstudio van producer en vierde groepslid (?) Wieger werken aan liedjes die instant-klassiekers zullen worden. 

Als de film halverwege weer bij diezelfde Lowlands-show aanbelandt – voor een emotioneel hoogtepunt als Milo, samen met zijn broer Pim in het publiek, een lied voor zijn overleden moeder zingt en daarna backstage uithuilt bij zijn vader Bruno – is dat zowel de voorbode van nóg meer succes als een heleboel ellende. En Garcia houdt toegang als de druk en drugs toenemen, er onderlinge frictie ontstaat en de eerste Goldband-baby zich aandient. Ofwel: ieder voor zich en, jawel, samen tegen elkaar.

En dat is niet toevallig ook de titel van het tweede Goldband-album dat, zoals ‘t nu eenmaal hoort bij tweede albums, een ontzettend zware bevalling wordt. Tot We Breken blijkt, ondanks de betrokkenheid van de groep en z’n belangenbehartigers, echter veel meer dan een veredeld promoproduct, waarin de nieuw verworven status van de helden (Karels relatie met zangeres Maan), hun openlijke misstappen (Milo’s spontane snuif) en persoonlijke beslommeringen (Boaz’s aanstaande vaderschap) optimaal wordt uitgenut.

Garcia’s enerverende film toont de kronkelige weg naar de top, met al z’n zijwegen, wegversperringen en dwaalsporen, als de gezamenlijke droom van een groep eeuwige jochies dreigt te verwateren of zelfs te verpulveren, ogenschijnlijk zonder terughoudendheid of opsmuk en ontwikkelt zich zo tot één van de betere Nederlandse bandjesdocu’s van de afgelopen jaren.

Norwegian Democrazy

Journeyman Pictures

Doelbewust zoekt Lars Thorsen steeds het schemergebied op tussen de vrijheid van meningsuiting en haatzaaien. De leider van de Noorse splintergroep SIAN – vrij vertaald: stop de islamisering van Noorwegen – heeft er een sport van gemaakt om te provoceren. Met anti-islam leuzen, beledigingen aan het adres van de profeet Mohammed en – vast onderdeel van het repertoire van Thorsen en z’n zielsverwanten in andere Europese landen – het verbranden van Korans. En alles wordt gefilmd, zodat van elke scheet een donderslag kan worden gemaakt.

Via de voormalige accountant, die zich regelmatig in een ‘Mohammed was een terrorist’ T-shirt hult, onderzoeken Bård Kjøge Rønning en Fabien Greenberg in Norwegian Democrazy (86 min.) de grenzen van de vrijheid van meningsuiting, die in westerse landen zoals Noorwegen bij wet wordt beschermd. En dus dient de politie ook figuren zoals Lars Thorsen en zijn helblonde vriendin Anna ‘Fanny’ Bråten, die en plein public ook flink van leer kan trekken, te beschermen. Tenminste, zolang hun veiligheid of die van anderen is gewaarborgd en de openbare orde niet wordt verstoord. Ditzelfde terrein werd onlangs ook al afgetast in de Zweedse documentaire Dialogpolisen.

‘Het zijn mensen zoals jullie die de nieuwe Breiviks creëren’, roept een tegendemonstrant fel als het kleine SIAN-clubje weer eens in het openbaar de confrontatie zoekt. Het blijft dan niet altijd bij woorden. Zowel op straat als op de snelweg kan de vlam zomaar in de pan slaan. Het is soms een wonder dat er dan geen doden of ernstig gewonden vallen. En altijd is er een telefoon of camera die het gedoe vastlegt of streamt – en dat is dan weer drie jaar lang vereeuwigd door Rønning en Greenbergs observerende camera, zodat het nu over de hele wereld kan worden bekeken. Wat je zuurstof geeft, blijft zo leven – of we dat nu willen of niet.

Zonder (social) media-aandacht zou Thorsen vast nooit meer zijn geworden dan een marginale figuur, aan de uiterwaarden van het maatschappelijke debat. Hij beheerst dat spel ook tot in de finesses. ‘We gaan hem terugsturen naar Shitholestan!’ zegt hij bijvoorbeeld na een verhitte woordenwisseling met een moslim. De zin is zonder twijfel ingestudeerd en wordt geroutineerd uitgeserveerd. Thuis leggen de filmmakers hem nog wel even op de grill en vragen flink door naar de feiten en cijfers bij al zijn boude beweringen over de uitwassen van de Islam – al is het de vraag of dit beklijft bij zijn potentiële publiek. Dat lijkt toch echt bevattelijker voor een brandende Koran.

Als personage wordt Lars Thorsen intussen nooit meer dan een bordkartonnen anti-islam activist. Rønning en Greenberg proberen hem verder niet te doorgronden en lichten ook zijn doopceel niet. Ze volgen hem voornamelijk tijdens zijn publieke optredens. Tegenover de SIAN-leider plaatsen ze verder de antiracistische tiener Axel, die na diverse tegendemonstraties besluit om bij Thorsen thuis de dialoog aan te gaan met hem en zijn partner. Even lijkt er dan zowaar iets redelijks in de twee scherpslijpers te varen. Al snel staat het SIAN-duo echter alweer op hun eigen barricaden provocerende slogans te roepen en politieke tegenstanders en de politie uit te dagen.

En Lars heeft natuurlijk ook weer heilige boeken bij zich. Intussen vraagt een buitenstaander zich af: wie of wat zou hij zonder zijn?

Être Noir À L’Opéra

Arte

Met het Manifeste De La Question Raciale A L’Opéra National De Paris gooien vierhonderd medewerkers van de Opéra van Parijs in het najaar van 2020 de knuppel in het hoenderhok: het prestigieuze gezelschap moet nu eindelijk eens inclusiever worden. De ondertekenaars bepleiten het afschaffen van praktijken die voortkomen uit kolonialisme en/of slavernij. Geen ‘blackface’ of ‘yellowface’ dus meer. En een divers repertoire en materiaal, zoals make-up en maillots, dat is aangepast aan de huidskleur van de artiesten. Het moet, kortom, afgelopen zijn met ballet als een typisch witte kunstvorm.

Ook de 23-jarige danser Guillaume Diop zet zijn handtekening. Drie jaar later wordt hij gekozen tot étoile, de eerste zwarte sterdanser van L’Opéra. ‘Als je zwart en Aziatisch bent, heb je te maken met positieve discriminatie’, vertelt hij in Être Noir À L’Opéra (52 min.), de film die Virginie Plaut en Youcef Khemane maakten over het delicate proces dat in de afgelopen jaren binnen het door en door witte instituut is ingezet. ‘Elke keer als je iets bereikt, vraag je je af of het daardoor komt. Daarom heb ik me kapot gewerkt, want ik wilde niet dat mensen zeggen: je hebt dat alleen bereikt omdat je zwart bent.’

Sulivan Loiseau, die later in de documentaire wordt geïntroduceerd als hoofdpersoon, herkent dat gevoel. De contrabassiste uit Martinique is vooralsnog veroordeeld tot een volledig witte orkestbak, waarin ze samen met haar collega’s de voorstelling De Notenkraker instudeert. Ook op het conservatorium was ze al de eerste zwarte vrouw. Ze doet er laconiek over. Klassieke muziek is nu eenmaal de muziek van witte Europeanen, legt Sulivan uit aan een toetseniste van kleur, met wie ze thuis muziek opneemt. ‘Dus is het raar dat er meer witten zijn? Niet per se.’ Soms wil je echter onder mensen zijn die je niets hoeft uit te leggen over racisme of discriminatie.

Binnen de ‘adviescommissie diversiteit’ wordt intussen besproken wat er en wel niet kan binnen die inclusieve realiteit, waarin oude zekerheden ruimte moeten maken voor nieuwe uitgangspunten en niet alleen de dansers op hun tenen lopen. Deze film, die evenveel onwennige gesprekken en discussies als zorgvuldig gearrangeerde balletscènes bevat, doet in dat verband enigszins denken aan White Balls On Walls, de documentaire van Sarah Vos over de herijking van het Stedelijk Museum Amsterdam. Verandering komt nu eenmaal nooit zonder strijd. Tegelijkertijd blijft ook gewoon gelden: geen geluk zonder schoonheid.

The Golden Spurtle

Bantam Film

Elk jaar staat Carrbridge, een dorp in de Schotse hooglanden, geheel in het teken van Porridge Day. Op ‘Papdag’ krijgen dertig deelnemers een half uur de tijd om hun beste havermoutpap te maken. Die wordt daarna blind beoordeeld. De zes beste papmakers strijden vervolgens in de finale om de wereldtitel, The Golden Spurtle (75 min.).

In zijn eigen werkplaats maakt hoofdorganisator Charlie Miller ‘spurtles’, de traditionele ronde roerstaven waarmee de pap wordt klaargemaakt. Als ‘The Chieftan of The Golden Spurtle’ gaat hij in 2023 z’n laatste jaar in. De koddige, welbespraakte Schot, die van het wereldkampioenschap zijn levenstaak heeft gemaakt, moet een tandje terugschakelen.

Daarmee is de uitgangspositie helder voor Constantine Costi’s kostelijke portret van een Schotse dorpsgemeenschap, het evenement waarmee die toeristen hoopt te trekken en de deelnemers daaraan, die vanuit Australië, Canada, Cyprus, Zimbabwe én Nederland zijn overgekomen voor een folkloristisch wedstrijdje pap maken.

Costi beziet de voorbereidingen in Carrbridge met een licht ironische blik, begeleidt die met Heel Holland Bakt!-achtige muziek en geeft intussen alle betrokken dorpelingen even hun momentje in de zon. Met deze Schotten creëert hij een onweerstaanbare feel good-docu, waarin ruimte is voor ieders mening, eigenaardigheden en lolletjes.

Tombolakoningin Jane Weston neemt de lootjes waarmee ze elk jaar leurt ooit mee haar graf in, stelt ze bijvoorbeeld lachend. Volgens hoofd afwas Barbara Kuwall lukt ’t best om al die aangekoekte pannen schoon te krijgen. En oud-wereldkampioen Neil Robertson heeft zijn zege op z’n rechterarm laten tatoeëren: ‘world porridge champion 10.10.10.’

De deelnemers worden in Costi’s handen al even onweerstaanbaar. Voor de Engelse titelhouder Lisa Williams is meedoen door haar broze gezondheid belangrijker dan winnen. Terwijl de streberige Londenaar Nick Barnard na tien deelnames tot z’n eigen verbazing nog nooit heeft gewonnen. Daar moet nu maar eens verandering in komen.

Zij gaan het allebei afleggen tegen oud-wereldkampioen Ian Bishop, die na jaren afwezigheid zijn rentree maakt tijdens deze editie van Heel Schotland Papt! Hij is de gedoodverfde favoriet. Althans: volgens zichzelf. Samen maken zij, ondanks de verplichte Schotse regen, van The Golden Spurle in elk geval een ontzéttend leuke film. 

En daar lusten we wel… gaat ie ‘m maken? nee toch? jawel hoor!…. pap van. Porridge, om precies te zijn.

Millonario

Netflix

Het was geen geluk, vindt zijn gelovige vrouw Blanca, maar een zegening. Als Javier Zapata, een veertigjarige boer uit de Zuid-Chileense stad Los Ángeles, in maart 2018 ontdekt dat ie over het winnende lot van de Kino-loterij beschikt, kan hij zijn geluk in elk geval niet op. Ze kunnen allebei stoppen met werken. De jackpot van ruim drie miljoen euro wordt binnenkort immers op hun rekening bijgeschreven. De gezegende winnaar moet de prijs alleen nog even claimen. Maar waar heeft hij dat lot ook alweer gelaten?

Javier heeft zestig dagen om het bewijs van zijn prijs te overhandigen. Samen met zijn vrouw en hun dochter Mariela kamt hij het hele huis uit, op zoek naar het lot dat waarschijnlijk is weggegooid tijdens het schoonmaken. Het leidt in Millonario (102) tot een serie kluchtige scènes, waarin de drie met liefde en plezier de navolgende prijzenslag nog eens naspelen. Want als dat lot is opgediept, letterlijk uit het vuil, ontstaat er discussie over de authenticiteit ervan en wil Lotería Concepcion niet uitkeren. Ook omdat er zich nog een andere gezegende Chileen heeft gemeld…

De inmiddels zevenjarige (!) lijdensweg van de Zapata’s om hun recht te krijgen is dan pas net begonnen. De Chileense broers Felipe en José Isla fabriceren daarvan een tragikomisch tis-toch-niet-te-geloven! verhaal over rijkdom, hebzucht en oplichting, dat wordt ingebed in een grotere vertelling over de cultuur en historie van gokken in Chili, op paardenrennen in het bijzonder. Tussendoor laten gewone Chilenen op straat hun licht schijnen over de persoon Javier Zapata en zijn geloofwaardigheid, of geld een mens kan veranderen en wat zij zelf zouden doen met zoveel miljoen.

Het resultaat is een zeer vermakelijke, opvallend luchtig getoonzette zedenschets over een man die een kans ziet om aan zijn gewone bestaan te ontsnappen en dus het geluk – waarop hij recht meent/zegt te hebben – probeert af te dwingen. En de mensen om hem heen hopen daarvan mee te profiteren, fronsen hun wenkbrauwen of steunen hem van ganser harte. Het lot heeft beslist, concluderen de Hermanos Isla nét voor de aftiteling van Millonario. En zij die (niet) gezegend zijn, hebben dit maar te aanvaarden.

Stans

MTV

Bij een film over de achterban van een goudeerlijke rocker, zoals Springsteen & I (2013), verwacht je ook fans van het type toffe peer. Zoals je bij Eminem nu eenmaal Stans (101 min.) veronderstelt: een variant op de obsessieve fan die hij ooit opvoerde in zijn hit Stan (2000). In deze documentaire, geproduceerd door de Amerikaanse rapper zelf, geeft Steven Leckart een aantal Stans het podium. Onder hen is een rossige Brit die verdacht veel op de singer-songwriter Ed Sheeran lijkt.

Marshall Mathers, alias Eminem, weet wat het is om een voorbeeld, spreekbuis en uitlaatklep te hebben, vertelt hij in deze film, waarin hij via zijn fans wordt geportretteerd. Als ontheemd kind van een alleenstaande moeder in Detroit, een jeugd die werd vervat in een speelfilm waarin hij zelf de hoofdrol speelde (8 Mile, 2002), hing hij aan de lippen van de rapper LL Cool J. Toen hij later zelf een ster werd en stapels fanmail begon te ontvangen, was de vraag onvermijdelijk: ‘Ben ik nu de LL Cool J van iemand anders?’

Zijn Stans blonderen hun haar, dragen witte T-shirts en sturen vol verwachting persoonlijke brieven naar 2131 Woodward Avenue in Detroit, Michigan. Ze zweren in het bijzonder bij zijn vileine alter ego Slim Shady, een vuil gebekt personage dat zo lijkt te zijn weggelopen, ongetwijfeld met veel misbaar, uit The Jerry Springer Show en met sardonisch genoegen alles en iedereen afzeikt of tegen zich in het harnas jaagt. Zoals de vrouwelijke Stan Daniyela ’t uitdrukt: ‘een psychopaat, maar dan op een goede manier’.

Voor het min of meer reguliere deel van dit artiestenportret heeft Leckart verder LL Cool J, MTV-veejay Carson Daly, producer Dr. Dre, platenbaas Jimmy Iovine, Rolling Stone-journalist Anthony Bozza en acteur Adam Sandler gecharterd. Zij plaatsen zijn ontwikkeling als witte rapper – streep door en herstel: white trash-rapper – in z’n context. Ook dan ligt de nadruk echter op Eminems positie als artiest, zijn verhouding tot z’n fanschare en de druk, ongewilde aandacht en eenzaamheid die daarmee gepaard gaan.

Intussen zetten zijn Stans een koptelefoon op om nog eens naar zijn muziek te luisteren, lezen ze voor uit ‘s mans autobiografie en bekijken zijn handgeschreven songteksten. Daarin vinden zij iets van zichzelf, bijna alles soms, en dat drukken ze dan weer op hun eigen manier uit. Katie (sinds 1999) draagt het superheldenpak dat hij in de videoclip van Without Me aanhad. Nikki (sinds 2000) heeft 22 Eminem-portretten op haar lijf getatoeëerd. En Zolt ‘Shady’ (sinds 2001) probeert al een kwart eeuw op Slim te lijken.

Samen bieden ze zowel een boeiende inkijk bij superfans, zonder het sensatierandje waarmee die vaak worden opgeleverd, als bij het object van hun aanbidding, een man die van zijn hart nog altijd geen moordkuil maakt – en zo eraan heeft bijgedragen dat mentale problemen beter bespreekbaar zijn geworden. En waar de ‘echte’ Stan uiteindelijk afknapt op de held die hij een dwingende fanbrief stuurt en zo een iconisch voorbeeld wordt van de stalkende fan, blijven zijn erfgenamen Eminem gewoon trouw.

Psychedelisch Pionieren

BNNVARA

Ze hebben het einde van hun behandeltraject bereikt en zijn ook ten einde raad. Reguliere hulpverlening heeft Fimme en Alex vermoedelijk weinig meer te bieden. En dus kiezen zij los van elkaar voor een alternatieve behandeling met psychedelica, die in Nederland eigenlijk nog niet is toegestaan. Regisseur Kim Smeekes volgt de twee mannen in Psychedelisch Pionieren (51 min.), terwijl ze zich voorbereiden op deze geheel verzorgde trip naar hun onderbewuste.

Cabaretier Fimme Bakker, de zoon van de bekende psychiater Bram Bakker met wie hij ook in een voorstelling over verslaving speelt, heeft een eetstoornis. Hij is volgens zijn vader ‘een emotionele overeter’. Fimme herinnert zich dat hij als kind eten al als een vriendje of verdoving gebruikte wanneer hij zich eenzaam voelde. Later kwamen daarbij ook allerlei (geest)verdovende middelen. Die heeft ie inmiddels afgezworen, maar het eten en de gevoelens van schuld en schaamte zijn, ondanks talloze therapieën, gebleven.

NS-medewerker Alex is na zijn ‘36e aanrijding’ ten prooi gevallen aan PTSS. De aanblik van weer iemand die zich voor de trein had gestort raakte hij niet meer kwijt. Ook een EMDR-behandeling mocht niet baten. Inmiddels is hij uitbehandeld. Het leven van Alex, zijn vrouw en hun twee kinderen, waarvoor hij zo graag een goede papa wil zijn, gaat echter gewoon door. Als hij zijn kroost uitlegt dat ie nu op een alternatieve manier wil proberen om die PTSS eronder te krijgen, komt daarbij meteen een waarschuwing: drugs zijn nog steeds ‘niet oké’.

Met behulp van geestverruimende middelen zoals MDMA, LSD en truffels gaan Fimme en Alex, onder begeleiding van een professionele behandelaar, hun ‘zelfgenezend vermogen’ activeren. Dat klinkt als een zegen, maar het is voor hen en hun families geen sinecure om de controle over het bestaan zomaar uit handen te geven. Ze gaan een reis naar hun binnenste binnen maken. Met een fraaie term wordt dit ook wel ‘diepzielduiken’ genoemd. In de onnavolgbare oceanen van de menselijke ziel. En niemand die zeker weet wat ze daar aantreffen.

Dat is meteen ook de grote uitdaging die Smeekes als filmmaakster moet hebben gehad. Hoe kan ze zichtbaar maken wat er tijdens die triptherapie in haar hoofdpersonen omgaat? Ze liggen gewoon urenlang in een bed, onder een deken en met een slaapmasker voor hun ogen, en bekijken dan de wereld van binnen. Al te heftige visualisering kan wellicht ook een verkeerde voorstelling van zaken geven. En hoe kan een buitenstaander controleren wat al die ervaringen met hen doen – óf die op de lange termijn daadwerkelijk iets opleveren?

Het is in elk geval dapper van Fimme en Alex dat ze de camera, die ook zomaar een factor van betekenis kan worden, toelaten in een situatie waarin ze zo diep in zichzelf reiken. Tegelijkertijd staan er na afloop nog wel de nodige vragen open over de werking en eventuele valkuilen van psychedelische therapie. Het geestesoog heeft dan ook geen ingebouwde camera.

Een Vrouw Als Monique

Amstelfilm

Met haar documentaire over een Nederlandse topcameraman, Living The Light – Robby Müller, gooide Claire Pijman in 2019 niet alleen nationaal, een Gouden Kalf, maar ook internationaal hoge ogen. Voor haar portret van een ander icoon van de Nederlandse film, actrice Monique van de Ven, kiest ze voor een onconventionele aanpak.

Een Vrouw Als Monique (82 min.) is geen traditioneel acteursportret, waarin de hoofdpersoon, haar intimi en de talloze regisseurs en collega’s met wie zij werkte geanimeerd terugblikken op haar lange loopbaan, die met een sprekende collage van privébeelden, reportages en filmfragmenten nog eens grondig wordt doorgelopen.

Pijman heeft Monique van de Vens leven en loopbaan ondergebracht in een fictief verhaal over een oudere actrice die in haar vakantiehuis aan zee een gestrande jongeman met een kapotte fiets opvangt, een rol van Joes Brauers. Samen met hem laat ze, aan de hand van plakboeken en filmscènes, haar leven nog eens de revue passeren.

Zo ontvouwt zich een delicate balanceeract tussen spel en werkelijkheid, waarmee Van de Ven in zekere zin zichzelf kan portretteren. ‘Ze schommelt de hele tijd tussen echt en onecht’, legt de acterende/geacteerde versie van de actrice in een metascène uit aan de geacteerde acteur tegenover haar, die voor 24 uur haar bezoeker is. ‘Echt supervaag!’

Claire Pijman matcht de gebeurtenissen in die vakantiewoning met scènes uit/rond films als Turks Fruit, Keetje Tippel, Een Vrouw Als Eva, De Aanslag, Iris en Een Maand Later en lardeert dit geheel weer met korte gesprekken van haar hoofdpersoon met de filmmakers Paul Verhoeven en Nouchka van Brakel, die uiteindelijk wel een Fremdkörper blijven.

Binnen dat geheel, gebaseerd op een script dat Pijman schreef met Fabie Hulsebos, is er alle ruimte voor de oudere actrice Monique van de Ven om de kernervaringen en grote emoties uit haar leven, zoals bijvoorbeeld bij het overlijden van haar eenjarige zoontje Nino in 1993, op een open en veilige manier uit te spelen of bespreekbaar te maken.

En Joes Brauers speelt het spel in deze subtiele film tot aan het eind mee. Als duidelijk wordt wat zijn rol werkelijk is in dit verhaal van/over/met Monique van de Ven.

Katrina: Come Hell And High Water

Netflix

Twintig jaar zijn verstreken sinds de orkaan Katrina in augustus 2005 voor een dijkdoorbraak zorgt bij de Amerikaanse stad New Orleans. Door grootschalig overheidsfalen groeit de natuurramp al snel uit tot ‘a man made disaster’, die met name de zwarte inwoners van de stad ongenadig hard treft. Spike Lee maakt er een jaar later een verpletterende miniserie over: When The Levees Broke (2006). Lee is nu ook betrokken bij het drieluik Katrina: Come Hell And High Water (212 min.). Hij heeft het slotdeel geregisseerd. Bij de eerste twee afleveringen staan Geeta Gandbhir en Samantha Knowles aan het roer.

Met direct betrokken uit zwarte wijken zoals The Lower 9th Ward, Tremé en St. Bernard Parish en enkele vertegenwoordigers van het stadsbestuur, de lokale politie en de staat Louisiana lopen zij de aanloop naar de overstroming van New Orleans en de menselijke tragedie die zich daar vervolgens voltrekt nog eens nauwgezet door. Gaandeweg verwordt de stad tot een ondergelopen getto, in beeld gebracht met een combinatie van nieuwsbeelden en video’s van de bewoners zelf, waar het arme deel van de New Orlinians moet zien te overleven (terwijl ze in de media worden weggezet als gevaarlijke plunderaars). Veel bewoners kiezen ervoor om de ramp maar uit te zitten of zien zich gedwongen tot ‘verticale evacuatie’, het verkassen naar een hoger gebouw of een ogenschijnlijk veilig gelegen plek. Het leidt tot mensonterende toestanden.

Terwijl zij met hun poten in de modder staan, toont zeker de federale overheid zich van z’n meest onverschillige kant. ‘Ze lieten ons stikken’, verwoordt acteur Gralen Bryant Banks, bewoner van The 13th Ward, het algehele gevoel in de zwarte wijken. Van de regering van president George W. Bush en de landelijke rampenbestrijdingsorganisatie FEMA kunnen ze gewoon barsten. ‘Het vergt logistiek om het probleem op te lossen’, stelt de lekker uitgesproken luitenant-generaal Russel Honoré, die ter plaatse de Taskforce Katrina begint te leiden (en die onlangs ook al was te zien in de docuserie Hurricane Katrina: Race Against Time). ‘Die stomme politici zijn daar niet in getraind. Daar zijn klootzakken zoals ik voor.’ Hij zal uitgroeien tot één van de helden van een geschiedenis die verder vooral verliezers kent.

Nadat de ramp zelf, een bekend verhaal dat al veel vaker is verteld, nog eens grondig is nagelopen, buigt Spike Lee zich over de ramp na de ramp. In de twintig jaar na Katrina is met verve het ‘never waste a good crisis’-principe toegepast. Banken en verzekeringsmaatschappijen maken bijvoorbeeld bewust de keuze om bepaalde buurten niet te herbouwen, waardoor het voor geëvacueerde bewoners vrijwel onmogelijk wordt om terug te keren naar New Orleans. Zeker twintig procent van de Afro-Amerikaanse inwoners is zo definitief uit de stad vertrokken. En al snel volgen dan ook hun doctoren, advocaten en tandartsen. ‘Ik noem Houston New Orleans-West’, zegt schrijver, uitvinder en ondernemer Calvin Mackie schertsend. ‘En Atlanta New Orleans-Oost.’ Dit zorgt er onvermijdelijk voor dat het onderwijs, de cultuur en het economische klimaat in ‘New Orleans-Centrum’ verschraalt.

Met een aanzienlijke verzameling bronnen, waaronder Levees-veteranen zoals jazzsaxofonist Branford Marsalis, historicus Douglas Brinkley en acteur Wendell Pierce (die een rol speelde in Treme, een dramaserie over het New Orleans van na Katrina), licht Spike Lee de huidige situatie in ‘The Big Easy’, die in 2020 ook nog ernstig wordt getroffen door het Coronavirus, helemaal door. Componist Terence Blanchard, die eerder ook voor de soundtrack tekende van Lee’s speelfilm 25th Hour, heeft dit geheel aangekleed met bezwerende themamuziek. Die kan evenwel niet verhullen dat Lee’s aflevering wel erg praterig is – krasse uitspraken worden met typografie benadrukt – en bovendien zeer breed uitwaaiert. Katrina: Come Hell And High Water ontwikkelt zich dan tot een klassieke klaagzang over de verschillen tussen arm en rijk in een moderne grote stad, die door die ene orkaan alleen nog maar zijn versterkt.

The Dancing Boys Of Afghanistan

PBS

Dastager, een voormalige commandant van de Moedjahedien uit de Noord-Afghaanse stad Takhar, windt er geen doekjes om in de openingsscène van The Dancing Boys Of Afghanistan (52 min.): hij gaat een jongen ophalen die aantrekkelijk is en ‘goed kan dansen’. Ga je dan de nacht met hem doorbrengen? wil Najibullah Quraishi weten. ‘Natuurlijk’ antwoordt Dasager zonder enige vorm van schaamte. Even later verwelkomt hij de elfjarige Shafiq in zijn auto en kan deze unheimische documentaire uit 2010 definitief beginnen.

Quraishi onderzoekt daarin een oude Afghaanse traditie die weer in zwang is geraakt via rijke zakenlieden en legerleiders: ‘Bacha Bazi’. Vrij vertaald: kinderspel. Arme jongens worden ingezet als substituut voor vrouwen, die in Afghanistan veelal veroordeeld blijven tot een boerka en nauwelijks toegankelijk zijn voor het andere geslacht. Hun vervangers worden met glitterkleding, een sluier en belletjes overdadig uitgedost en moeten daarna op feesten optreden voor een publiek van verrukte mannen. En jongens die niet kunnen dansen, zegt een pooier bijgenaamd ‘De Duitser’ erbij, zijn vast geschikt voor andere dingen. ‘Voor sodomie en andere seksuele activiteiten’, bijvoorbeeld.

Najibullah Quraishi opereert onder een dekmantel. Hij heeft Dastager, een gelovig man met vrouw en kinderen, wijsgemaakt dat hij een film maakt over ‘Bacha Bazi’ in Europa en daarbij ook wil laten zien hoe de traditie in ere wordt gehouden in Afghanistan. Via Dastager ontmoet de journalist vervolgens een netwerk van mannen, voor wie het hebben van één of meerdere jongens een teken van macht en welvaart is. En als hun vrouw akkoord gaat – in het uitzonderlijk geval dat die überhaupt om haar mening wordt gevraagd – kunnen ze zulke ‘dansers’ zelfs gewoon in huis nemen. Tot hun achttiende, welteverstaan. Dan verliezen ze namelijk hun seksuele aantrekkingskracht.

Sommige jongens in deze alarmerende film, die door verteller Juliet Stevenson op straffe toon wordt ingekaderd, fantaseren er openlijk over dat zij dan zelf eigenaar van een aantal dansers willen worden. Van slachtoffer zouden zij zo dader worden. In een systeem dat weliswaar illegaal is in Afghanistan, maar in bepaalde regio’s helemaal geen taboe lijkt te zijn. Wat wij met westerse ogen beoordelen als weerzinwekkende kinderprostitutie en mensenhandel, wordt daar klaarblijkelijk beschouwd als een geaccepteerde vorm van (homo?)seksuele dienstverlening, waarbij de ouders van de minderjarige jongens onwetend worden gehouden of zelf een oogje dichtknijpen.

Dastager lijkt zich in elk geval van geen kwaad bewust. Glunderend pocht de autohandelaar, vliegerverkoper en pederast dat ie toch al zeker zo’n twee- tot drieduizend jongens heeft gehad. En van tevoren en naderhand mochten ze dan dansen. Als een vogel in een kooitje, zo vrij.

Unknown Number: The High School Catfish

Netflix

‘U are worthless n mean nothing u never have get a fucking life out of here owen will never look at u again or talk to u u fucked his life up so bad his family fucking hates u for it n he will never in life acknowledge u again get the fuck lost bitch he is fucking done with you’.

Vanaf oktober 2020 ontvangt Lauryn Licari, een dertienjarig meisje uit Beal, Michigan twee jaar lang intimiderende berichten van een onbekend nummer op haar telefoon. Ze heeft geen idee van wie de haatteksten afkomstig zijn. Het is duidelijk iemand die een wig wil drijven tussen Lauryn en haar vriendje Owen. En de persoon in kwestie bevindt zich in de buurt: op school, in de vriendenkring of bij haar basketbalteam. Want in de berichten staan details die alleen mensen uit hun directe omgeving kennen.

Unknown Number: The High School Catfish (95 min.) is de nieuwe productie van Skye Borgman, een documentairemaakster die aan de lopende band nieuwe, publieksvriendelijke films en miniseries aflevert voor Netflix. Van Girl In The PictureI Just Killed My Dad en Sins Of Our Mother tot The Truth About JimAmerican Murder: Laci Peterson en Fit For TV: The Reality Of The Biggest Loser. Stuk voor stuk bizarre ‘stranger than fiction’-verhalen, met veel drama en suspense uitgeserveerd.

Van het cyberpesten van Lauryn en Owen maakt Borgman een geheel bijdetijdse whodunnit. Wie in Beal zit er achter deze digitale stalking? In de eerste helft van Unknown Number introduceert ze, als een moderne variant op Agatha Christie, steeds een nieuwe verdachte, die verantwoordelijk zou kunnen zijn voor de aanhoudende intimidatie van de twee tieners. Totdat de Hercule Poirot van deze nare geschiedenis, sheriff Mike Main, voor de lens van zijn bodycam de dader ter verantwoording roept?

En dan krijgt en neemt die de gelegenheid om de hele affaire nog eens van begin tot eind door te akkeren – inclusief het naspelen van momenten waarop die berichten worden ingetypt – en het motief daarvoor toe te lichten. En dan is het aan de kijker zelf, die ook andere direct betrokkenen op zich in kan laten werken, om te bepalen hoe geloofwaardig dat is. Intussen heeft zich een onvervalst nee!nee!nee!-verhaal gevormd, dat wederom aantoont dat we als mensen echt weinig gekkers kunnen bedenken dan de waarheid.