‘Van binnen voel ik me heel anders dan ik er van buiten uitzie’, zegt Dinja Pannebakker. De jonge vrouw is zo Nederlands als maar kan. Ze komt alleen wel uit Sri Lanka. Als baby werd Dinja geadopteerd door een Nederlands stel. En volgens lotgenoten zou ze nu echt eens op zoek moeten gaan naar haar roots. Zelf heeft ze daar echter geen enkele behoefte aan.
Vandaar de hartekreet: Ik Kóm Niet Uit Sri Lanka (42 min.). De hoofdpersoon vertelt zelf haar verhaal in deze aardige webdocu in vier delen van Lisa Grooters en Reinout Lanting, die nu als één geheel op televisie wordt uitgezonden. Dinja gaat daarin onderzoeken waarom ze helemaal niets voelt als ze een foto van haar biologische moeder ziet. Bij een bezoek aan haar geboorteland wilde ze zelfs maar één ding: weg.
Dinja gaat in gesprek met haar ouders, vriendinnen en collega’s bij de radiozender FunX en spreekt, soms met de nodige tegenzin, af met lotgenoten. De documentaire wordt daardoor wel wat praterig. Gaandeweg wordt haar bovendien iets helder wat de oplettende kijker allang duidelijk is: hoezeer je ook je best doet, je wortels verloochen je echt niet zomaar.
’Ik eet geen vlees en tomatensoep meer’, zegt een grafdelver in de Iraakse hoofdstad Bagdad. ‘Die doen me denken aan de gruwelijkheden. Al die ellende. Onze kleren zaten altijd onder het bloed.’ De man leeft volgens eigen zeggen van brood en thee. En als hij aan al die verminkte lichamen denkt, krijgt-ie helemaal geen hap meer door zijn keel. Hij is helemaal kapot. ‘Ik drink elke dag om te kunnen slapen.’
In de vijfdelige documentaireserie De puinhopen van Irak (125 min.) neemt Sakir Khader de menselijke schade op van de oorlog in het verscheurde land, dat generaties lang met ijzeren vuist werd geregeerd door Saddam Hoessein. De voormalige dictator, in 2003 afgezet door de Amerikanen, is in bepaalde contreien nog altijd populair, constateert de Palestijns Nederlandse filmmaker in één van zijn bespiegelende voice-overs.
En de Amerikanen kunnen bij veel Irakezen nog altijd weinig goed doen. Effenden zij niet gewoon het pad voor Islamitische Staat? ‘We gaan je zo eerst te eten geven’, grapt een man bijvoorbeeld, die door een Amerikaanse scherpschutter een broer verloor, als hij van Khader hoort dat Nederland participeerde in de invasie van Irak door de Verenigde Staten. ‘Daarna maken we je af.’
Hoe dichter hij naar zijn Arabische roots reist, constateert Sakir Khader, hoe groter de conflicten worden. In elke aflevering probeert hij, soms enigszins geforceerd, zijn eigen geschiedenis te verbinden met z’n riskante trips door Irak. Met zijn persoonlijke betrokkenheid, lef en doorzettingsvermogen slaagt hij erin om de tegenstellingen in het land, en het brute geweld dat daaruit voortvloeit, in kaart te brengen via gewone Irakezen.
Net als Sinan Can maakt Khader zo een wereld toegankelijk die we vooral kennen van mistroostige berichten in de media. De boodschap is overigens niet per definitie optimistischer. ‘Misschien ben ik dood wel beter af dan in leven’, stelt de mijnenruimer Hassan bijvoorbeeld mismoedig. Net als veel landgenoten is hij het leven, in elk geval dít leven, moe. Maar hoe kan deze cyclus van geweld worden doorbroken?
One week left until the premiere of my debut documentary series about Iraq. Here is the first teaser after 300 days of work, 200 hours of footage and 150 days in Iraq. Stay tuned for more. pic.twitter.com/Aup2aBQlfl
Die wilde ik altijd al eens zien: een documentaire over Clustered Regularly Interspaced Short Palindromic Repeats. Ofwel: CRISPR. Ik vertaal het even naar gewoon Nederlands: geclusterde korte palindromische herhalingen met regelmatige intervallen. Huh-huh.
Nu alleen nog proberen te begrijpen waar die sciencefiction-achtige film in hemelsnaam over zou kunnen gaan. Het heeft in elk geval te maken met zoiets als manipulatie van het menselijke genoom, het aanbrengen van mutaties daarin om erfelijke fouten te verbeteren. Ah, ja.
Vergelijk het met de cursor van een tekstverwerker, die je op de juiste plaats in het menselijke genoom zet, zegt één van de vele wetenschappers in Human Nature (87 min.). Op die plek kun je dan een verbetering in het DNA proberen te typen. Ooo-ké.
Al die pratende hoofden – van vooraanstaande genetici, biologen en biochemici – gidsen de kijker door een prachtig gevisualiseerd labyrint van ideeën en ontdekkingen naar een eenvoudige conclusie: we kunnen als mensheid tegenwoordig genetische eigenschappen verbeteren. Check.
Iets met klok en klepel inmiddels. Naar de menselijke maat dan maar: de Amerikaanse tiener David, om precies te zijn. Hij lijdt aan de aandoening sikkelcelanemie. Als de zwakke plekken in zijn DNA worden verbeterd, kan zijn leven aanmerkelijk beter worden – of gewoon een stuk langer. Juist.
Maar wat zijn de ethische implicaties van al dat gesleutel aan ons erfelijke materiaal? vraagt filmmaker Adam Bolt zich af. Loodst genetische manipulatie de mensheid misschien naar Aldous Huxleys Brave New World? Naar Jurassic Park? Of gewoon naar Hitler-Duitsland. Slik.
In hoeverre tasten designerbaby’s, soldaten zonder pijn of de Nobel-spermabank de menselijke natuur aan? Het fascinerende Human Nature werpt onontkoombare morele, filosofische en praktische vragen op. Voor de antwoorden is een fundamentele discussie nodig over wie we (willen) zijn. Denk-denk.
‘Ik raakte betrokken bij het vervaardigen van executie-apparatuur omdat ik me zorgen maakte over de beroerde staat van de hardware die in veel gevangenissen werd gebruikt.’, vertelt Fred A. Leuchter. Uit louter humanitaire overwegingen, zodat de doodstraf op een gepaste manier kon worden vertrokken, knutselde hij daarom in zijn vrije tijd een elektrische stoel in elkaar, die daarna in half Amerika in gebruik werd genomen. Gortdroog: ‘De apparatuur is volledig gestandaardiseerd en voldoet aan de hedendaagse eisen voor elektrocutie.’
Van het één kwam vervolgens het ander: na de stoel volgde de vraag om een machine te ontwerpen, waarmee dodelijke injecties konden worden gegeven. En later het verzoek om een deugdelijke galg te fabriceren. Zo lukte het Leuchter uiteindelijk, oneerbiedig gezegd, om van z’n hobby zijn beroep te maken. ‘Het moge duidelijk zijn dat ik vóór de doodstraf ben’, zegt de vakman in Mr. Death: The Rise And Fall Of Fred A. Leuchter, Jr. (91 min.). Hij is echter mordicus tegen marteling. De ter dood veroordeelde moet op een humane manier naar zijn einde worden begeleid.
Leuchter zit duidelijk op zijn praatstoel in deze bizarre documentaire van Errol Morris uit 1999. Hij krijgt alle ruimte om uit te wijden over de technische details van de door hem ontworpen werktuigen van de Duivel (al zal hij ze zelf eerder aan God toeschrijven), zijn voorliefde voor koffie én de vernietigingskampen van de nazi’s. Die natuurlijk nooit die functie hebben gehad. Dat spreekt voor zich. De Amerikaanse ingenieur, als getuige-deskundige bij een proces ingezet door de notoire Holocaust-ontkenner Ernst Zündel, kan er tijdens een werkbezoek aan Auschwitz-Birkenau in elk geval geen enkel wetenschappelijk bewijs voor vinden.
‘Het is een ongelofelijk moeilijke klus om honderden mensen tegelijkertijd te executeren’, stelt Leuchter over zijn bezoek aan de gaskamers. ‘Wij hebben al moeite genoeg om één man naar de andere wereld te helpen.’ Bovendien: ‘kogels waren veel gemakkelijker geweest dan dit.’ Morris omwikkelt Leuchters twijfelachtige conclusies in dit psychologische portret met zinnenprikkelende beelden en weelderige muziek en zet er getuigenissen van deskundigen tegenover, die zijn beweringen stuk voor stuk grondig ontmantelen. Is de man een overtuigde antisemiet en/of revisionist? Of gewoon een naïeveling, die zich voor het verkeerde karretje heeft laten spannen?
Het vlees is zwak, maar wij ook. Neem programmamaker Marijn Frank (Keuringsdienst van Waarde). Ze groeide op in een ‘macrobiotisch vegetarisch gezin’, was een tijdlang ‘knipperlicht-vegetariër’ en is eigenlijk al jáááren klaar met vlees eten. Haar dochtertje Sally wordt bijvoorbeeld geheel vleesvrij opgevoed.
Één probleem: uit hersenonderzoek bij de start van Vleesverlangen (74 min.) blijkt dat Marijn nog meer zin heeft in vlees dan in seks. Dat vraagt om therapie (echt?) én het aangaan van de confrontatie met haar vleselijke verlangens: in het slachthuis. Voor een soort ultieme shootout. Met een koe.
Tussendoor spreekt ze met boeren, een vertegenwoordiger van de vleessector, slachters, een historicus, vegetariërs en een chefkok die vlees eten juist weer sexy wil maken. Het resultaat is een gewiekste, emotionele, grappige, gestileerde en – juist! – vleselijke film.
Na deze bijzonder (on)smakelijke egodocu was Marijn Frank overigens nog steeds niet klaar met vleesch. In 2017 maakte ze Slagershart, een portret van een dertienjarige jongen die net als zijn vader en opa slager wil worden.
Als de originele documentaireserie Surviving R. Kelly, die begin 2019 werd uitgebracht, hem al niet de das om heeft gedaan, dan zou dit al even lijvige vervolg, met net zoveel nieuwe beschuldigingen als bekende verhaallijnen die gewoon opnieuw worden uitgemolken, wel eens definitief een einde kunnen maken aan de carrière van R&B-zanger Robert K.
R. Kelly’s muziek is afgelopen jaar in de ban gedaan (neem de actie #MuteRKelly), zijn platencontract werd verscheurd en ’s mans concerten zijn gecanceld, maar het is nog altijd de vraag of alle beschuldigingen ook zullen leiden tot een veroordeling. Surviving R. Kelly Part II: The Reckoning (288 min.) kijkt naar de gevolgen van de eerste afleveringen, zet de conclusies daarvan nog eens extra in de verf en brengt schokkende nieuwe getuigenissen. Van ‘patient zero’ bijvoorbeeld: de destijds vijftienjarige Tiffany Hawkins, volgens eigen zeggen Kelly’s allereerste slachtoffer in 1991. Of van Dominique Gardner, het beschadigde meisje dat in de eerste reeks uit de klauwen van Kelly werd bevrijd. In het zicht van een verborgen camera, natuurlijk.
‘We zijn volwassen vrouwen, maar we huilen als kleine meisjes’, vat achtergrondzangeres Jovante Cunningham, één van zijn vele, sowieso al kwetsbare slachtoffers, de hele affaire nog maar eens samen. Kelly en zijn harem zijn intussen steeds meer op een volledig doorgedraaide sekte, rond een zieke machtswellusteling, gaan lijken. Toch probeert deze bijzonder gelikte serie, bij monde van zijn broers Bruce en Carey, het beeld van Kelly ook enigszins te nuanceren en te vatten hoe hij tot zijn manipulatieve en oversekste gedrag is gekomen. Waarbij de omstreden zanger, die nog altijd volhoudt dat hij onschuldig is en die zelf natuurlijk ook niet meewerkt aan de aanklacht die hier en plein publique tegen hem wordt geformuleerd, méér wordt dan alleen dader.
Het blijft alleen wel lastig om die kant van het verhaal voor ogen te houden als de man zelf tegelijkertijd, onder de noemer Surviving Lies, nog steeds een campagne lijkt aan te sturen om de meisjes en vrouwen die zich tegen hem hebben uitgesproken online onder druk te zetten en te belasteren. Kelly heeft bovendien twee voormalige medewerkers, de twee zussen Jen Emrich en Lindsey Perryman-Dunn, bereid gevonden om die strategie te komen rechtvaardigen. Maar of die zijn zaak nu echt goed doen? ‘De vrouwen die ik in de documentaireserie zag behoren inderdaad tot het type dat Robert zou kunnen uitkiezen’ stelt de laatste bijvoorbeeld. ‘En weet je waar ze nu overstuur over zijn? Dat ze uiteindelijk nooit een ster zijn geworden. Tenminste, totdat ze in deze serie belandden.’
Deze tweede reeks van Surviving R. Kelly zorgt zo voor een zekere verdieping, met name via de journalist Jim DeRogatis die zich jarenlang heeft vastgebeten in de scandaleuze zaak, en brengt verder de machinerie rond het misbruik, zoals het stelselmatige gebruik van Non-Disclosure Agreements om de vrouwen met behulp van hun eigen advocaat het zwijgen op te leggen, verder in kaart. Dat laat onverlet dat ook dit vervolg echt véél te lang is uitgesponnen en de onthullingen bovendien met onsmakelijk veel suspense en melodrama worden uitgeserveerd. Toch zal deze herhaling van zetten Robert Kelly ongetwijfeld nog verder in het nauw brengen.
In Surviving R. Kelly: The Last Part, het derde en zwaar aangezette laatste seizoen van de serie, komt de rechtszaak tegen de Amerikaanse R&B-zanger aan bod.
‘Hou je ervan om te zeggen: ik héb je?’, wil collega Larry King weten. ‘Jij bent echt de meester van iemand te pakken nemen met die allerlaatste vraag’, constateert talkshow-host Stephen Colbert even later. ‘Je bent een echte klootzak’, stelt geïnterviewde Barbra Streisand zelfs, tijdens een tweegesprek met de gevreesde televisiejournalist. Mike Wallace Is Here (91 min.) is dan nog maar enkele minuten onderweg. ‘Dit is echt een Wallace-vraag’, vat Mikes voormalige collega Morley Safer het intro nog eens bondig samen. ‘Waarom gedraag je je soms als zo’n enorme lul?‘
Mike Wallace (1918-2012) behoorde ruim een halve eeuw tot de groten van de Amerikaanse televisiejournalistiek. Hij was één van de laatste representanten van de Mad Men-achtige periode. Van gedistingeerde mannen in pak en stropdas, die met vorsende blik en een eeuwig brandende sigaret het nieuws duidden en de blikvangers daarvan het vuur ongenadig aan de schenen legden. Hij vestigde zijn naam definitief als de bikkelharde interviewer (en onderzoeksjournalist, met verborgen camera) van het iconische CBS-programma 60 Minutes, dat hij vanaf 1968 37 jaar lang presenteerde.
Deze fascinerende film van Avi Belkin bestaat volledig uit archiefmateriaal. Met een collage van tweegesprekken wordt de carrière van de hoofdpersoon in kaart gebracht: interviews van Wallace met kopstukken uit de tweede helft van de twintigste eeuw, zoals Salvador Dali, Martin Luther King, ayatollah Khomeini, Oprah Winfrey en Vladimir Poetin. En gesprekken van gerenommeerde televisie-interviewers als Barbara Walters, Lesley Stahl en (zoon) Chris Wallace met de mediapersoonlijkheid zelf, die het vuur aan zijn eigen schenen meestal snel probeerde uit te trappen.
Het in de CBS-archieven opgediepte archiefmateriaal wordt door Belkin, met veel gebruik van split screen en close-ups, optimaal benut. Waarbij ook de beelden die vóór en ná de officiële interviews werden gemaakt, een belangrijke rol spelen. Zij tonen de journalist Wallace, gezegend met een aanzienlijk ego, aan het werk; hoe hij zijn collega’s of gesprekspartners aftast, op hun gemak stelt of venijnig afblaft. Daarbij had B-roll materiaal van hoe hij zijn hand op het achterwerk van medewerksters legde of op een onbewaakt ogenblik hun beha’s losmaakte overigens niet misstaan.
In de Mad Men-jaren werd er echter nog niet al te veel werk gemaakt van zulke #metoo-achtige beschuldigingen. ‘Ik heb dat gedaan’, zou Wallace in 1991 tijdens een interview met Rolling Stone hebben gezegd. En daarmee was de kous af. In deze ferme docu wordt de kwestie zelfs helemaal niet ter sprake gebracht. Zoals ook ’s mans vier huwelijken nauwelijks aan bod komen. Mike Wallace Is Here is desondanks een zéér geslaagde poging om de journalist en zijn ‘Umfeld’, zowel de toenmalige media als het maatschappelijke klimaat waarbinnen die zich moesten handhaven, te portretteren.
De meeste van de acht miljoen kinderen ter wereld die in een weeshuis verblijven, zijn helemaal geen wees, stellen Jon Alpert en Matthew O’Neill bij aanvang van de documentaire Finding The Way Home (64 min.). Ze zijn gewoon van hun ouders gescheiden door armoede, rampspoed of discriminatie. In deze film worden zes kinderen gevolgd die toch een (nieuw) thuis hebben gevonden.
Ze komen uit landen als Roemenië, Nepal en Brazilië en hun persoonlijke geschiedenis is zonder uitzondering schrijnend: kind van verslaafde ouders, ten prooi gevallen aan mensenhandelaars of gedumpt in een troosteloos opvanghuis voor gehandicapten. Zonder liefhebbende ouders moeten ze op eigen kracht zien uit te groeien tot evenwichtige volwassenen.
De filmmakers portretteren de kinderen binnen hun nieuwe omgeving en bezoeken tevens de plekken waar ze ooit noodgedwongen hun dagen sleten. Hun herinneringen daaraan zijn bovendien vervat in fraaie animaties. Het ontroerendst zijn de portretjes van het spastische Roemeense meisje Maria en de meervoudig gehandicapte tiener Isus uit Bulgarije. Ze waren allebei weggestopt in zo’n typisch somber Oostblok-instituut met bedompte slaapzalen vol ernstig verwaarloosde kinderen.
Liefdevolle pleegmoeders hebben nu de deur voor hen geopend naar een volwaardig bestaan. Op de nieuwe kansen die het leven soms ook biedt ligt de nadruk in deze gedegen, enigszins brave film, waaruit de hoop spreekt dat ook deze jeugdige wereldburgers, en al die andere verweesde kinderen, zich thuis kunnen gaan voelen op deze soms zo liefdeloze aardkloot.
Enkele homo-onvriendelijke tweets van jaren terug kostten hem begin 2019 zijn plek als presentator van de Oscar-uitreiking. Daarover wil stand-upcomedian Kevin Hart het echter later pas over hebben. Eerst wil hij in deze zesdelige documentaireserie zíjn verhaal kwijt. Over een zwarte jongen uit een gebroken gezin, die zich opwerkte tot één van de succesvolste komieken van de wereld. Hart, een man met zoveel geldingsdrang dat het zelfs voor willekeurige kijkers vermoeiend wordt, is echter nog lang niet de ‘mogul’ en ‘miljardair’ die hij wil worden.
Hoewel Kevin Hart: Don’t Fuck This Up (197 min.) ook de pijnlijke onderwerpen uit het leven van de hoofdpersoon niet uit de weg gaat, krijgen die steevast een Amerikaans sausje. Het zijn eerst en vooral levenslessen voor de hyperambitieuze entertainment-entrepeneur. Zelfs een uitgelekte sekstape, waarin is te zien hoe hij een slippertje maakt, dient uiteindelijk vooral als een reality check voor Kevin Hart en een bestendiging van zijn vriendschap met enkele collega’s, die hem uit de shit hebben getrokken.
Deze serie, een productie waarbij Hart een flinke vinger in de pap had, wordt daardoor uiteindelijk een afspiegeling van Teflon Kevin zelf: een overdaad aan zogenaamde eerlijkheid, diepgang en kwetsbaarheid, maar in werkelijkheid zo glad dat je er met geen mogelijkheid écht vat op krijgt. Intussen geeft Kevin Hart – niet door wat hij zegt of doet, maar gewoon door te zijn wie hij wil zijn – meer prijs over zichzelf dan hij zelf waarschijnlijk doorheeft.
Dan ben je eindelijk nummer één op de wereldranglijst. Nadat ze altijd zeiden dat je geen Grand Slam kon winnen. Dat Wimbledon ook voor jou niet was weggelegd. En toen, na talloze verloren finales, won je tóch. Eerst op de US Open. Daarna, als eerste Brit in 77 jaar, op het center court van Wimbledon. En goud op de Olympische Spelen in Londen. Tweemaal zelfs.
En dan, ineens, ben je niet meer de onbetwiste nummer één. Maar de speler met die heup. Die trekkebenend achter onbereikbare ballen aan moet. Een man die de pijn probeert te verbijten. Die geopereerd moet worden. Terug vechten. Tegen beter weten in. Een man ook die zichzelf kwijtraakt. Die en plein publique zijn tranen niet kan bedwingen. En die te langen leste de handdoek in de ring wil gooien. Nee: móét gooien.
En toch mag Olivia Capuccini je blijven filmen. Voor de documentaire Andy Murray: Resurfacing (108 min.). Als je zwaar gefrustreerd bent. Op de één of andere manier toch weer hoopvol. Of het – gewoon – echt niet meer weet. Ze mag tevens praten met je begeleidingsteam. Je prominente echtgenote en moeder. En de broer die ook graag tennisser had willen worden. En jij spreekt een soort cameradagboek in. Om de lijdensweg te documenteren.
Ze begeleidt het onvermijdelijke verdwijnen van elke vorm van geloof met dramatisch getoonzette muziek. Jouw glorieus bedoelde terugkeer, die een trieste aftocht dreigt te worden. Van een man die ooit tennisser was. En nu waarschijnlijk iemand anders moet gaan worden. Een Racketloze. Want dit breakpunt valt met geen mogelijkheid weg te werken. Zelfs niet door een man die consequent weigert om naar zijn lijf te luisteren. Of geloof jij er, stiekem, nog wél in, Andy?
Het klinkt als de premisse voor een doldwaze aflevering van Ik Vertrek: stadskoppel uit Los Angeles zoekt vanwege hun dwangmatig blaffende hond een nieuwe woonplek en begint op een afgelegen stuk dode grond in Californië een ouderwetse boerderij, volledig in harmonie met de natuur. Filmmaker John Chester en zijn vrouw Molly, kok en culinair blogger, laten zich daarbij adviseren door een deskundige op het gebied van biodiversiteit, ene Alan York, die het koppel zo authentiek mogelijk wil laten boeren
Deze goeroe houdt het echtpaar voor om zich vooral niet te laten ontmoedigen. Zodra je de natuur zijn gang laat gaan, heeft die de ene na de andere uitdaging in petto. Van een ziek varken en vogels die al het fruit kapot vreten tot hevige regenval en kippen verslindende coyotes. Die ‘plagen’ worden door Chester, die zelf de voice-over verzorgt voor The Biggest Little Farm (93 min.), echter héél slim uitgeserveerd, zodat er levenslessen uit zijn trekken en het verhaal helemaal klopt. Of het dat in werkelijkheid nu deed of niet.
Op Apricot Lane Farms, een boerderij zoals we die kennen van vergeelde plaatjes, wordt gedurende acht intensieve jaren de natuurlijke orde der dingen hersteld. Met nieuw leven. En de dood, die ook. Prachtig vastgelegd. Als in de beste natuurfilms. Het dorre land komt tot leven in deze idyllische ode aan de voedselketen, die enkele vragen onbeantwoord laat (waar betalen de Chesters bijvoorbeeld al die dieren, planten en mensen van?), soms té zoetsappig dreigt te worden en tóch over de hele linie blijft boeien.
Eind 2019 overleed documentairemaker Hans Keller (1937). Hij was, volgens een In Memoriam van Willem Pekelder ‘niet alleen filmer, maar vooral chroniqueur van een tijdperk. Geboren en opgegroeid in het, in zijn ogen, benauwende Haarlem van de jaren vijftig werd hij journalist om de wereld te verkennen. Maar ook Nederland, dat hij onder de loep nam op een wijze zoals niet eerder op tv vertoond. Hij liet ons het niet al te fraaie gezicht zien achter de schone façade.’
In 2001 maakte Keller, samen met Hein Aalders, een film over een andere chroniqueur, Letizia Battaglia. Van La Cosa Nostra ditmaal. Als geen ander legde Battaglia aan het eind van de twintigste eeuw de gruwelen van de Siciliaanse maffia vast, die behalve aan gezworen ‘mannen van eer’ en de onderzoeksrechters Falcone en Borsellino ook aan talloze onschuldige burgers het leven kostte. Zwart-wit foto’s, waar het bloed vanaf druipt. Keller spreekt uitgebreid met Battaglia, haar dochter Shobha en de burgemeester van Palermo, Leoluca Orlando, over het niet al te fraaie gezicht achter de schone façade van Sicilië.
Dit jaar verscheen er na De Vrouw Met De Camera: Letizia Battaglia (59 min.) overigens nóg een documentaire over Battaglia: het aangrijpende Shooting The Mafia van Kim Longinotto. Die film moet het echter doen zónder Kellers bedachtzame voice-over, die de achtergronden van de maffia schetst, daarbij uitbundig citeert uit de roman De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa en bovendien nadrukkelijk de link legt tussen de georganiseerde misdaad en de Italiaanse politiek, gepersonifieerd door een man die decennialang een abonnement op het premierschap leek te hebben, Giulio Andreotti.
De Vrouw Met De Camera: Letizia Battagla is hier te bekijken.
In het hart van Afrika krijgen kinderen een Chinese naam. Ze leren Mandarijn, eten (vegetarisch) met stokjes en krijgen onderricht in kung fu. Het weeshuis ACC in Malawi wordt gerund door de Boeddhistische oprichter Hui Li en een groep Chinese leerkrachten, die de Afrikaanse kinderen met tucht en discipline opvoeden.
De ultieme beloning is de mogelijkheid om door te studeren in China. Het vijftienjarige kung fu-talent Enock Bello (Chinese naam: Alu) krijgt die kans, maar erg veel zin heeft hij er eigenlijk niet in. Net als veel andere kinderen zou ‘Alu’ zich het liefst bevrijden van het Chinese juk. Maar wat is zijn alternatief? De jongen redt zich inmiddels beter in het Mandarijn dan in zijn eigen taal.
Met Buddha In Africa (93 min.) laat regisseur Nicole Schafer zien hoe de geschiedenis in Afrika zich blijft herhalen; waar zomaar een christelijke missieschooltje had kunnen staan, heeft zich nu een Chinees internaat op Boeddhistische grondslag gevestigd. De activiteiten van de verantwoordelijke liefdadigheidsinstelling zijn tevens een treffend voorbeeld van hoe China, dat jarenlang met zijn rug naar de rest van de wereld stond, zich nu actief bemoeit met het dagelijks leven op een ander continent.
De bevoogding van Afrikaanse jongeren zoals Enock begint gaandeweg steeds nadrukkelijker te schuren in deze observerende film. Ze raken vervreemd van hun directe omgeving, ten faveure van een cultuur waarvan ze ook nooit volwaardig deel kunnen uitmaken. Zo blijkt dat de weg naar de hel, zelfs als je persoonlijke verlichting nastreeft, toch geplaveid kan zijn met goede bedoelingen.
‘Dat kon toen die tijd nooit ver genoeg gaan voor me. Liefst met geweld.
’‘Toen was het alleen maar begeren, hebben en vernietigen.’
Was getekend: Willem van Eijk, alias Het Beest Van Harkstede (123 min.). Deze driedelige true crime-serie is gebaseerd op het boek Anatomie Van Een Seriemoordenaar van Sytze van der Zee, die tevens als verteller fungeert, en put regelmatig uit audio-interviews die misdaadverslaggever Peter R. de Vries deed met de beruchte Nederlandse seriemoordenaar.
Regisseur Marc de Leeuw doet de donkere dagen herleven toen Groningen volledig in de ban was van een serie moorden op vrouwen, die op een tippelzone werkten als prostituee. In 2001 kwam Willem van E. in beeld, een man die destijds al jaren TBS achter de rug had vanwege twee lustmoorden in de jaren zeventig en daarna zonder enige vorm van begeleiding weer de nietsvermoedende wereld in was gestuurd.
Met bronnen als zijn ex-vrouw Adrie, familieleden van zijn slachtoffers, een nicht, dorpsgenoten, een maatschappelijk werkster en gedragswetenschappers schetst De Leeuw het beeld van een angstaanjagende man, volgens een psychologisch rapport ‘een antisociale persoonlijkheid met een psychotische kern’. Een toonbeeld van externe attributie bovendien, dat consequent weigert om zich te laten behandelen.
De filmmaker vergezelt de getuigenissen over ‘het beest’ met video-opnames van een politieverhoor, suggestieve archief- en reconstructiebeelden en talloze onheilspellende muziekjes. Een slordige twintig jaar na dato is het nauwelijks te geloven dat hij zo lang ongestoord zijn gang heeft kunnen gaan. Niet in een of andere achterlijke uithoek van de Verenigde Staten. Gewoon hier, in Nederland.
Dat simpele feit geeft deze aardige serie écht extra lading.
Elke seriemoordenaar begint met het mishandelen van dieren. Los daarvan: je blijft met je poten van katten af, vindt Deanna Thompson (alias Baudi Moovan, op Facebook). En dus slaat de data-analiste uit Las Vegas direct aan als ze het filmpje ‘1 boy, 2 kittens’ spot. Een jongen stopt daarin twee poezen in een luchtdichte zak, die hij daarna vacuüm zuigt.
Als een soort dierenbeschermingsdependance van het online-onderzoekscollectief Bellingcat gaat ze met enkele andere computernerds uit haar speciale Facebook-groep, onder wie een geek met de schuilnaam John Green, op zoek naar de geheimzinnige dierenbeul, die steeds sadistische filmpjes en aanwijzingen over zijn eigen identiteit achterlaat.
Voor hun online-speurtocht – die zich laat bekijken als een handleiding voor bijdetijdse amateurdetectives of -journalisten – stuiten ze al snel op een clip uit Catch Me If You Can, een speelfilm met Leonardo DiCaprio over een meesteroplichter die zijn achtervolgers steeds te slim af probeert te zijn. Als dat geen uitdaging is…
Hun queeste zal hen in de driedelige serie Don’t F**k With Cats: Hunting An Internet Killer (186 min.) van Mark Lewis naar de engste uithoeken van het internet en de menselijke geest leiden, in het spoor van bizarre personages als Jamsey Cramsalot Inhisass en Luka Magnotta. En dan moeten ze het lugubere filmpje ‘1 lunatic, 1 ice pick’ nog ontdekken…
Zo ontvouwt zich een superieur verteld true crime-verhaal, waarin verontruste burgers vanachter hun computer een hypermoderne klopjacht naar een gewelddadige narcist opzetten. Een soort Catfish 3.0, de spannendste docuserie van het jaar én een ongemakkelijk exposé over het huidige tijdsgewricht, waarin privacy eigenlijk niet meer lijkt te bestaan.
Wie vermoordde in 1974 de moeder van Maria Nielsen Iranzo? In haar appartement te Oslo werd de zwangere Deense vrouw op schokkende wijze van het leven beroofd. Terwijl haar vierjarige dochtertje toekeek. Het is een ervaring die Maria vanzelfsprekend nooit achter zich heeft kunnen laten. 45 Jaar na dato start ze haar eigen cold case-onderzoek.
De typische true crime-serie The Oslo Killing (250 min.) belicht alle hoeken en gaten van de geruchtmakende zaak, zet daarbij natuurlijk de nodige dwaalsporen uit en plaatst nét voor het einde van elke aflevering ook steeds een lekkere cliffhanger. Vakwerk, zou je kunnen zeggen. Waarbij Maria, ondersteund door haar oom en neef, bovendien een geloofwaardige protagonist is, voor wie de moordzaak een kwestie van levensbelang is.
Het helpt ook dat deze zesdelige serie van Ingrid Wevang en Pia Lykke niet alleen oude feiten en onderzoekspistes lijkt op te warmen, maar echt probeert om met de hedendaagse technieken nieuw bewijsmateriaal te vinden en daarmee verbanden te leggen. Het blijft alleen wel verdomd lastig om licht te brengen in een zaak die al bijna een halve eeuw onopgelost is. Ook al was er de hele tijd wel degelijk een voor de hand liggende verdachte, die nog eens goed onder handen moest worden genomen.
Behalve op nieuw onderzoek en nieuwe getuigenissen richt deze stevige serie zich tevens op de gevolgen van de moord voor het leven van Maria, die opgroeide bij haar Spaanse vader Enrique (de echtgenoot, sowieso altijd een potentiële verdachte in moordmysteries). In haar pogingen om eindelijk klaarheid te brengen in de zaak van haar moeder stuit ze op onbekende feiten, al dan niet gewillige getuigen én de Noorse bureaucratie, die een bevredigende uitkomst ernstig bemoeilijkt.
Uiteindelijk vergeet je dat je vergeet. Tot die tijd is het aftakelingsproces ook voor jou onontkoombaar. Je kunt niet meer wat je kon. Je weet niet meer wat je wist. Je bent niet meer wie je was. En daar word je soms pislink van. Dementie, de term kan met geen mogelijkheid vatten wat die verderfelijke ziekte met een mens doet. Totdat de totale ontluistering een feit is.
Met draaiende camera documenteert Ruud Lenssen ruim twee jaar lang hoe zijn ‘pap’ Jac steeds minder op z’n vader gaat lijken. En hoe zijn moeder Ria, die zich kranig weert binnen penibele omstandigheden, daar volgens eigen zeggen ‘vitterig’ van wordt. Het echtpaar beheert een hectare natuurgrond met kippen, een moestuin en pony’s, maar hoe lang kunnen ze dat nog volhouden? In Wei (71 min.) komt het afscheid zienderogen dichterbij.
‘Weet je waar we heen gaan, pap?’ vraagt zoon Ruud als ze onderweg zijn naar nieuwe dagbesteding voor zijn vader. ‘Niet precies’, antwoordt deze. ‘Ik denk daar waar er veel zitten, zoals ik.’ Het is een trieste constatering. Van een man die, ergens, beseft waarnaar hij op weg is. En het begon ooit zo vrolijk en levenslustig, getuige de fraaie beelden van vroeger waarmee zijn zoon deze observerende film doorsnijdt. En Jacs muziek die de documentaire kleur geeft.
Ruud spaart zijn vader niet. Ook als boosheid de overhand neemt en Jac steeds moeilijker te hanteren wordt, blijft hij filmen. Dit resulteert in een buitengewoon intiem portret van een leven in verval. Over een man en zijn verwanten die steeds verder in de hoek worden gedreven. Totdat pijnlijke keuzes onvermijdelijk zijn geworden. Waarna Wei afstevent op een bijzonder ontroerende slotscène, waarin vader en zoon nog eenmaal helemaal samen komen.
Een oproep op Facebook was nodig om een representatieve collectie samen te kunnen stellen voor hun overzichtstentoonstelling in het Amsterdam Museum. Zelf hadden Puck & Hans namelijk nauwelijks iets bewaard van hun werk. Zoals het rechtgeaarde modeontwerpers betaamt waren ze altijd gericht geweest op de toekomst, met nauwelijks oog voor het verleden.
Gelukkig waren er nog heel wat Nederlanders die ‘een echte Puck & Hans’ in de kast hadden hangen. Daphne Deckers bijvoorbeeld. Of de zussen Monique en Suzanne Klemann, blikvangers van de popgroep Loïs Lane. Zangeres Getty Kasper van Teach-Inn moet in Puck & Hans: Made in Holland (52 min.) dan weer bekennen dat ze echt niet weet waar de jurk is gebleven, waarmee ze in 1975 het Songfestival won.
Ruim dertig jaar hadden Hans Kemmink en Puck Kroon, volgens eigen zeggen ‘met een naald in haar handen geboren’, een eigen zaak aan het Rokin in Amsterdam. Samen met regisseur Peter Wingerder, die een radio-interview van het modeduo met Frénk van der Linden als structurerend element gebruikt, lopen ze in deze tv-docu op aanstekelijke wijze nog eens door hun kleurrijke loopbaan.
Upcyclen, het geven van nieuw leven aan oude spullen, is het centrale thema van de nieuwe vijfdelige serie De Kracht Van De kringloopwinkel van Frank Wiering, het vervolg op Het Succes Van De Kringloopwinkel uit 2017. En de kringloopwinkels doen natuurlijk ook aan het upcyclen van mensen. Binnen de veilige context van de Kringloop hervinden ze zichzelf en elkaar.
Het is daarom zeker geen toeval dat ook de nieuwe serie rond Kerstmis wordt uitgezonden. De kracht van de kringloopwinkel appelleert aan een idee van naastenliefde, dat in de donkere dagen van het jaar menigeen in zijn greep krijgt. Met terloopse gesprekjes met medewerkers en bezoekers probeert Wiering dat idee te pakken te krijgen.
Zo ontmoet hij in Kringloopcentrum Amersfoort bijvoorbeeld de Amerikaanse Sally, die met haar eigen team De Eksters textiel omwerkt tot designtassen. En die mogen ze op Koningsdag aanbieden aan de Koninklijke Familie. Tenminste, als die besluit om halt te houden bij hun kraam. En de leden van het Koninklijk huis toeroepen, dat mag natuurlijk niet…
Via de mensen die voor zijn camera verschijnen brengt Frank Wiering, die het geheel met voice-overs aan elkaar praat en verluchtigt met golden oldies die zo uit de platenbakken van de Kringloop zijn geplukt, de achterkant van de participatiesamenleving in beeld: Nederlanders die ooit over de rand vielen of dreigden te vallen en in een beschutte omgeving aan een nieuw leven zijn begonnen.
Een Palestijnse moslima als deejay. Waarom niet eigenlijk? De 25-jarige Sama reist inmiddels continu van het ene technofeest naar de andere danceparty. Ze komt oorspronkelijk uit Ramallah en woonde jarenlang in het hectische Caïro, maar opereert tegenwoordig vanuit Parijs, waar ze vlakbij het vliegveld woont. Geen plek om echt te relaxen, maar wel zo handig als je uit een koffer leeft.
In Sama (13 min.) doorkruist de jonge Palestijnse vrouw in een onmogelijk tempo de wereld. Als een onversaagde boodschapper voor haar eigen muziek, waarin een kosmopolitische aard doorklinkt. ‘Ik breek techno’, zegt ze daarover in dit lekker snelle en straf gemonteerde portret van regisseur Jan Beddegenoodts. ‘Of techno breekt mij.’
De Palestijnse wereldburger bereikt intussen de halve aardkloot. Alleen naar Israël gaan ligt tegenwoordig moeilijk. Het is daarom maar de vraag of een show in Haifa kan doorgaan. Sama wil echter zeker geen politieke boodschap uitdragen, zegt ze beslist. Of het moet zijn dat ook zij, Palestijnse jongeren, ‘gewoon’ willen feesten. Net als de rest van de wereld. Als dat niet verbroedert…