Bigger Than Us

Cinéart

Uit deze film spreekt onmiskenbaar hoop. De gedachte dat er zelfs in tijden van opperste wanhoop iemand is die opstaat om het tij te keren – en die daarmee zowaar nog succes kan boeken ook. Een jong iemand, vertegenwoordiger van de Greta-generatie zogezegd, die in navolging van de Zweedse klimaatstrijder Greta Thunberg weigert om de status quo te accepteren en overgaat tot actie.

De Indonesische klimaatactiviste Melati Wijsen is zo’n jonge idealist. Samen met haar zus Isabel zette ze al op twaalfjarige leeftijd de actie Bye Bye Plastic Bags op, om de troep op het strand van Bali te verminderen. Melati fungeert nu als hoofdpersoon voor Bigger Than Us (96 min.), een film van Flore Vasseur, die werd geproduceerd door de Franse actrice Marion Cotillard. Daarin zoekt ze in alle uithoeken van de aarde gelijkgestemden op, die zich eveneens op zéér jonge leeftijd begonnen te beijveren voor een betere wereld.

Op het Griekse eiland Lesbos biedt Mary Finn bijvoorbeeld hulp aan vluchtelingen, die huis en haard hebben moeten verlaten en nu in Kamp Moria terechtkomen. Memory Banda leidde als tiener de strijd tegen kindhuwelijken en ontmaagdingsrituelen (ofwel: verkrachting) in Malawi en droomt nu van een politieke carrière. En de Syrische vluchteling Mohamad Al Jounde startte in een Libanees vluchtelingenkamp zijn eigen school. Die is in zijn ogen niet alleen belangrijk voor de ontwikkeling van deze ontheemde kinderen, maar ook voor hun gevoel van eigenwaarde.

In Rio de Janeiro begon Rene Silva als elfjarig jongetje zijn eigen krant, Voz das Comunidades, waarmee hij eerlijk wil berichten over het leven in een Braziliaanse favela. Voorbij de bendes, de drugs en de wapens. De Indiaans-Amerikaanse rapper Xiuhtezcati Martinez verzet zich intussen in Colorado met alle middelen tegen het gebruik van pesticiden en fracking. En met haar organisatie YICE leert Winnie Tushabe Oegandese boeren hoe ze, met zeer beperkte middelen, hun eigen voedsel kunnen verbouwen. Zodat hun kinderen gewoon naar school kunnen.

Stuk voor stuk belichamen deze wereldverbeteraars een deel van wat gerust een linkse agenda kan worden genoemd. Het is gemakkelijk om daar cynisch over te doen: elke vorm van kritische distantie ontbreekt bijvoorbeeld in deze gelikte productie, de jongeren worden ongegeneerd op het schild gehesen. Je kunt tegelijkertijd ook denken: fijn dat er een nieuwe generatie is die zich inzet voor aloude waarden als rentmeesterschap, solidariteit en democratie.

Zo bezien is Bigger Than Us niets minder dan een film die een hart onder de riem wil steken. In een tijd waarin wanhoop, egoïsme en woede soms alomtegenwoordig lijken kan dat vast geen kwaad.

Liever Kroes?!

VPRO

Is het misschien een uitdrukking van zelfhaat? vraagt Nelly dos Reis zich af. Van geïnternaliseerd racisme? Al zo’n 25 jaar, sinds haar tiende, ontkroest de Kaapverdiaans-Nederlandse vlogger met chemische middelen haar haren. Nelly wilde als kind gewoon mooi zijn. Net als haar Barbies. Met lang, blond en steil haar dus. Dat was natuurlijk een behoorlijke uitdaging voor een meisje met een afrokapsel. Gelukkig was ze wel ‘light-skinned’, dacht ze er dan stiekem bij.

Inmiddels heeft Nelly twijfels gekregen bij haar pogingen om te voldoen aan het traditionele witte schoonheidsideaal. In Liever Kroes?! (27 min.) besluit ze terug te gaan naar af: naar de haardos die ze van moeder natuur heeft gekregen. De kapster mag dus rigoureus de schaar zetten in haar lange haren. Terwijl ze een metamorfose ondergaat, moet Nelly in deze korte documentaire, die ze maakte samen met Soraya Pol, opnieuw naar zichzelf leren kijken. Dit gaat regelmatig gepaard met stevige emoties. Ze ziet iemand die ze niet wil – of durft te – zijn.

Intussen spreekt ze met haar moeder, die haar haren ook altijd heeft ontkroesd, en haar vader, die zelf in zijn jonge jaren wél een afro had. Op foto’s uit de jaren zeventig is hij te zien met het destijds behoorlijk hippe kapsel. Alle vrouwen om hem heen hebben hun haar echter gestraight. Pa kan zich ook niet herinneren dat hij ooit een vriendin met kroeshaar heeft gehad, moet hij bekennen aan zijn inmiddels volwassen dochter.

Die probeert zich nu te ontworstelen aan het schoonheidsideaal dat ze zichzelf van jongs af aan heeft opgelegd en dat zwarte vrouwen zichzelf – en elkaar – sowieso lijken op te leggen. In dat kader belandt Nelly bij een workshop van Aminata Cairo, die is gespecialiseerd in inclusie en diversiteit. Samen met andere vrouwen gaat ze letterlijk in de spiegel kijken en probeert vervolgens die ene cruciale zin, waarin uiteindelijk alles zit opgesloten, over haar lippen te krijgen: ik mag er zijn.

Toni Morrison, Black Matter(s)

Arte

‘Eerst wilde ik er niet aan: het was te pijnlijk’, vertelt de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931-2019) aan het begin van deze documentaire over Beloved (Beminde), het boek over de gruwelen van slavernij waarvoor ze in 1988 een Pulitzer Prize kreeg. ‘Als zij er hun hele leven mee moesten leven, dan kon ik er wel enkele jaren aan besteden om een boek te schrijven’.

In Toni Morrison, Black Matter(s) (52 min.) belicht regisseur Claire Laborey met enkele kenners het werk van de schrijfster die tevens als eerste zwarte vrouw de Nobelprijs voor de Literatuur won en die in 2012 van de zwarte Amerikaanse president Barack Obama de Presidential Medal Of Freedom kreeg. Morrison zelf komt natuurlijk ook veelvuldig aan het woord via interviews en fragmenten uit haar geschriften, ingesproken door actrice Fanny Gautier.

Deze verzorgde film, die verder een treffende mixture van foto’s, filmbeelden en animaties rond de beladen geschiedenis van Zwart Amerika bevat, richt zich overigens niet zozeer op Morrisons leven en carrière, maar op de inhoud en betekenis van haar werk en hoe ze daarmee het Amerikaanse verhaal heeft proberen te herschrijven. Met haar uitgesproken visie heeft de schrijvende denker bovendien aansluiting gevonden bij actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter-beweging.

En Toni Morrison, Black Matter(s) kan worden geboekstaafd als een gedegen weerslag van de erfenis van deze trotse, intelligente en welbespraakte vrouw, die tot op hoge leeftijd een krachtig zwart zelfbewustzijn heeft uitgedragen.

Volksvertreter

Norbert Kleinwächter en jonge fans / IDFA

‘Nou, je ging wel lekker tekeer’, zegt de cameraman van dienst tegen AfD-parlementslid Norbert Kleinwächter, die zojuist voor een campagnefilmpje met gevouwen handen op zijn knieën is gegaan. ‘Als je iets wilt bereiken binnen de CDU’, riep Kleinwächter erbij, ‘moet je op je knieën gaan en de godheid Merkel bedanken!’ De cameraman vraagt of hij het filmpje misschien wil terugkijken. ‘Ik wil zien hoe ik uit mijn dak ga’, antwoordt de Duitse politicus, die opvallend snel weer is afgekoeld. ‘Je ging inderdaad helemaal uit je plaat’, constateert de cameraman verbaasd. ‘Het deed me een beetje aan Hitler denken.’

Die associatie proberen Kleinwächter en zijn partijgenoten van de rechts-populistische politieke partij Alternative für Deutschland natuurlijk koste wat het kost te vermijden. Toch is de vergelijking met het nationaalsocialisme nooit ver weg in de observerende documentaire Volksvertreter (Engelse titel: The Voice Of The People, 96 min.), waarvoor documentairemaker Andreas Wilcke drie jaar lang vier parlementariërs van de omstreden AfD heeft gevolgd. Is het niet doordat één van hen publiekelijk wordt uitgemaakt voor nazi, dan is het wel doordat ze zich er intern over beklagen dat die link voortdurend – en in hun ogen ten onrechte – wordt gelegd.

Beeldvorming is werkelijk alles, toont Wilcke, die zijn ogen op de bal houdt bij partijbijeenkomsten, mediatrainingen en interne verkiezingen en zich verder zelf onthoudt van commentaar. Bij hoe de partijleden elk onderwerp benaderen én bij hoe zijzelf door de buitenwereld, de pers in het bijzonder, worden benaderd. ‘De strijd is niet voorbij’, waarschuwt partijleider Alexander Gauland niet voor niets als de AfD bij de verkiezingen van 2017 de derde partij in de Bundestag is geworden, het startpunt van deze documentaire. ‘Ze zullen alles doen om ons als rechts-extremisten neer te zetten. Als je je vreugde over de verkiezingsuitslag wilt uitdrukken, doe het dan verstandig. En gebruik geen taal die tegen ons kan worden gebruikt.’

Dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als Norbert Kleinwächter bijvoorbeeld voor een interland van het Duitse voetbalelftal in een zaaltje nog even de verschillende culturele achtergronden van de spelers doorneemt – waarbij duidelijk doorklinkt dat hij liever een team met échte Duitsers had gezien – stimuleert dat de aanwezigen om tijdens de wedstrijd ongegeneerd los te gaan op verdediger Jerome Boateng, die met een rode kaart uit het veld wordt gestuurd. ‘Deporteer hem!’ roept één van de aanwezigen. ‘Flikker die n****r eruit’, floept een ander eruit. ‘Terug naar Afrika!’, ‘gooi ze allemaal het land uit’ en ‘als het toch zo gemakkelijk was: één rode kaart en hij is weg!’ zijn dan niet meer ver weg.

Kleinwächter – die achter de schermen, als er geen vuur uit zijn ogen spuit of vitriool uit zijn mond komt, soms wel wat weg heeft van Mr. Bean – hoort het glimlachend aan. Het komt niet in hem op om in te grijpen. Het is een ontluisterende scène. Waarin de AfD’er even zijn ware aard – en die van (een belangrijk deel van) zijn achterban – lijkt te onthullen. Dat is tevens de kracht van deze klassieke fly on the wall-film, waarin de ‘ausdauer’ van de maker ervoor zorgt dat zijn hoofdpersonen zich uiteindelijk niet meer (voortdurend) bewust zijn van de camera en dan hun authentieke zelf prijsgeven.

My Name Is Pauli Murray

Amazon Prime

In 1940, vijftien jaar voordat Rosa Parks in de bus weigerde om op te staan voor een witte passagier, deed een andere zwarte vrouw min of meer hetzelfde. Zij is echter behoorlijk in de vergetelheid geraakt. My Name Is Pauli Murray (93 min.) zet de schijnwerper op deze opmerkelijke persoonlijkheid, die een groot deel van haar leven op de barricaden stond voor een eerlijkere wereld.

Pauli Murray (1910-1985) schreef vlammende brieven aan president Franklin Roosevelt en raakte bevriend met zijn vrouw Eleanor. Later stond ze in de frontlinie van de burgerrechtenstrijd. En als feministe van het eerste uur maakte ze zich sterk voor gelijke rechten voor vrouwen. Intussen paste ze als persoon niet in de vaste hokjes voor de twee geslachten: ze voelde zich een man in een vrouwenlichaam en had jarenlang een relatie met een andere vrouw. Murray worstelde bovendien haar hele leven met depressies en andere psychische problemen.

Elementen genoeg, kortom, voor een doorleefd portret van een strijdbare activiste die vaak voor de muziek uitliep en daardoor lang niet altijd de credits kreeg voor haar baanbrekende werk. Deze film van Betsy West en Julie Cohen (samen ook verantwoordelijk voor RBG, een portret van de linkse superster van het Amerikaanse hooggerechtshof Ruth Bader Ginsburg) brengt alle elementen van Murrays veelzijdige leven netjes bij elkaar, inclusief fragmenten uit haar vele geschriften en audio-opnames waarin ze uit eigen werk voorleest. De film kleurt alleen een beetje al te nadrukkelijk binnen de lijntjes.

Alle sprekers – vrienden en kennissen, enkele biografen en zwarte professoren die het belang van haar leven en werk duiden – vertrekken vanuit min of meer dezelfde positie: dat Pauli Murray een sleutelrol heeft gespeeld in de vrijmaking van groepen die in de Verenigde Staten van de twintigste eeuw een achtergestelde positie hadden. Dat uitgangspunt snijdt ongetwijfeld hout, maar is niet per definitie ook een vruchtbare basis voor een verhaal dat echt sprankelt, knarst of verrast. My Name Is Pauli Murray is uiteindelijk vooral een aansprekende preek voor de eigen parochie.

Blood Brothers: Malcolm X & Muhammad Ali

Netflix

Cassius Clay zou het gaan opnemen tegen Sonny Liston. Malcolm X zag zijn kans schoon. Clay kon de Nation Of Islam heel veel nieuwe volgers bezorgen. En daarmee zou Malcolm, die in onmin was geraakt met de geestelijk leider Elijah Muhammad, zijn positie in de organisatie kunnen herstellen of zelfs versterken. In februari 1964 ging Malcolm X dus met zijn complete gezin op bezoek bij Cassius Clay om hem succes te wensen. De foto’s zouden al snel in alle kranten staan.

Nu moest Clay alleen nog even Liston tegen de touwen slaan en de wereldtitel boksen in het zwaargewicht opeisen. Er was alleen niemand die daarin geloofde. Deze praatjesmaker, bijgenaamd The Louisville Lip, zou zonder enige twijfel het onderspit delven tegen de imposante titelverdediger Sonny Liston. Even later zou dan ook Malcolm X definitief in het stof bijten. Het liep helemaal anders: Cassius Clay won, bekeerde zich vervolgens tot de islam en veranderde zijn naam in Muhammad Ali. Malcolm zou daarvan echter nauwelijks profiteren. Binnen een jaar was hij dood, de machtsstrijd met Elijah Muhammad was hem letterlijk fataal geworden.

De documentaire Blood Brothers: Malcolm X & Muhammad Ali (96 min.) concentreert zich op de relatie tussen de twee trotse zwarte Amerikanen, die zich in die jaren, samen met Martin Luther King, ontwikkelden tot de meest uitgesproken pleitbezorgers van Zwart Amerika. Gedurende enkele jaren onderhielden zij een relatie die voor beiden profijtelijk leek. Totdat hun vriendschap grondig werd verziekt door de vuile oorlog binnen de Nation Of Islam. Regisseur Marcus A. Clarke laat die geschiedenis herleven met familieleden, vrienden en biografen van Ali en Malcolm en inkaderen door zwarte opinieleiders zoals Cornel West, Al Sharpton en Julius Garvey, de zoon van de vermaarde burgerrechtenpionier Marcus Garvey. Clarke kleedt hun herinneringen en statements natuurlijk aan met fraai archiefmateriaal en verbindt dat dan weer met een lekker jazzy soundtrack.

De levensverhalen van Malcolm X en Muhammad Ali zijn al talloze malen verteld en zullen nog talloze malen worden verteld. Deze stevige documentaire onderscheidt zich echter van vrijwel alle Ali-portretten door het nagenoeg ontbreken van boksbeelden, terwijl films over/met Malcolm X doorgaans minder aandacht besteden aan diens geslepenheid en opportunisme. De focus op hun onderlinge relatie, die overigens ook al een prominente rol speelt in de fijne misdaadserie Godfather Of Harlem, betaalt zich aan het eind van Blood Brothers bovendien nog eens extra uit als de oude bokser toch wel spijt blijkt te hebben gekregen van enkele verbale opdoffers die hij aan zijn vermoorde vriend heeft uitgedeeld.

The Photograph

Memphis Films

Sherman de Jesus kent hem alleen van die ene verweerde zwartwit-foto. Gemaakt in de befaamde Harlem Studio te New York, ongeveer honderd jaar geleden. Zijn opa Juan de Jesus, een zeeman en handelaar uit Curaçao. Fier kijkt hij in de camera. Een donkere man in zijn nette pak. Een knappe kerel ook, vindt Donna Mussenden, de weduwe van de toenmalige fotograaf James van der Zee (1886-1983) die ook diens erfgoed beheert.

In de eerste helft van de twintigste eeuw vereeuwigde Van der Zee de Afro-Amerikaanse gemeenschap van New York tijdens de zogenaamde Harlem Renaissance, toen zwarte muziek, kunst en literatuur floreerden. De mannen, vrouwen en kinderen van de zogenaamde ‘New Negro Movement’ staan er op hun paasbest op. Het zijn trotse foto’s, van mensen die aan zichzelf en de rest van de wereld, waar racisme en segregatie nog aan de orde van de dag zijn, willen laten zien dat ze iets voorstellen.

In het hedendaagse New York gaat Sherman de Jesus, met The Photograph (98 min.) in de hand, de gangen na van de fotograaf, die later ook zwarte iconen als Muhammad Ali en Bill Cosby portretteerde, en schetst de wereld waarin deze leefde. De Nederlandse filmmaker laat zich, begeleid door dampende jazzmuziek, bovendien rondleiden door fotografen, historici en andere chroniqueurs en luistert naar hun verhalen over uiteenlopende onderwerpen als de vermaarde Cotton Club, lynchpartijen, burgerrechtenpionier Marcus Garvey, de crackepidemie en gentrificatie.

De Jesus geeft ook zijn ogen – en de onze – goed de kost. Hij vangt zo kalm de atmosfeer op straat in Harlem en vereeuwigt op zijn beurt de gezichten van de Afro-Amerikaanse gemeenschap die zich daar ophoudt. Het is een kleurrijke omgeving, waar de Harlem Renaissance een kleine eeuw later nog altijd voelbaar is en waar hij zich ook zelf senang voelt.

Obama: In Pursuit Of A More Perfect Union

HBO

‘Veel geluk bij alles wat je doet en haal dat diploma rechten,‘ leest Anthony Peterson de boodschap voor die klasgenoot Barry ooit in zijn jaarboek schreef. ‘Want ooit, als ik een beroemde basketballer ben, wil ik vast mijn team onder druk zetten voor meer geld.’

Peterson zou later nog wel eens de boer opgaan met het jaarboek en vroeg dan steeds: denken jullie dat deze gast echt basketballer is geworden? Het antwoord was doorgaans ‘nee’. Dat is immers voor weinigen weggelegd. Maar wat zou er dan met hem zijn gebeurd? Vaak opperde er dan iemand dat Petersons klasgenoot waarschijnlijk in de gevangenis zou zitten of al dood was.

Niemand had tenslotte kunnen bedenken dat Barry president van de Verenigde Staten zou worden, de eerste zwarte.

‘Race doesn’t matter’, scandeerden zijn supporters nadat Barack Obama begin 2008 de primary van de Amerikaanse staat South Carolina had gewonnen. Ze hielden zichzelf een beetje voor de gek: zijn ras was én is precies wat Obama definieert als politicus. Was hij bijvoorbeeld wel zwart genoeg? Kon een Afro-Amerikaan überhaupt president van de Verenigde Staten worden? En hoe zwart kon zo’n leider zijn en was hij dan daadwerkelijk in staat om het lot van al die zwarte Amerikanen ten positieve te beïnvloeden?

Obama’s identiteit als zwarte man en Amerika’s uiterst moeizame verhouding daartoe vormt ook het hart van de doeltreffende driedelige serie Obama: In Pursuit Of A More Perfect Union (306 min) van Peter Kunhardt, die eerder films maakte over de Amerikaanse presidenten Abraham Lincoln en Richard Nixon en ook Obama’s opponent bij de presidentsverkiezingen van 2018, John McCain, portretteerde. Hij gaat met Obama-insiders (spin doctor David Axelrod, adviseur Valerie Jarrett en speechschrijver John Favreau), burgerrechtenleiders (John Lewis, Al Sharpton en Jesse Jackson) en prominente Afro-Amerikaanse denkers (Cornel West, Jelani Cobb en Ta-Nehisi Coates) op zoek naar de essentie van de man en zijn missie.

De vertelling is chronologisch opgebouwd: de eerste aflevering concentreert zich op Obama’s jonge jaren, het tweede deel behandelt de baanbrekende campagne die hem in het Witte Huis zou brengen en het even lijvige als krachtige slot omvat ‘s mans complete presidentschap. De toonzetting is positief-kritisch en Kunhardt houdt zijn ogen consequent op de bal: Obama en Amerika’s giftige rassenrelaties, op gezette momenten ingekleurd met beelden uit de (inkt)zwarte historie.

Andere deelthema’s komen slechts zijdelings aan bod. Échte opponenten krijgen geen spreektijd en er is ook nauwelijks aandacht voor het politieke theater en de bijbehorende straatgevechten. Daardoor oogt dit drieluik in eerste instantie wat braaf. Gaandeweg betaalt die keuze voor het grotere, symbolische verhaal – waarin bijvoorbeeld de controverse rond Obama’s uitgesproken pastor Jeremiah Wright, de van racisme doortrokken complottheorie over zijn geboorteakte en het ontstaan van de Black Lives Matters-beweging logisch op hun plek vallen – zich echter onmiskenbaar uit.

Kunhardts reconstructie van het raciale mijnenveld dat Obama uiteindelijk tamelijk ongeschonden door is gekomen culmineert in een diep ontroerende scène van de uitvaart van een vermoorde zwarte dominee te Charleston. Als ‘the chosen one’ even alle reserve laat varen, de hymne Amazing Grace aanheft en alle aanwezigen tranen in de ogen zingt.

Na acht tropenjaren in het Witte Huis, die waren gestoeld op de hoop dat de Verenigde Staten een post-raciale natie was geworden, wordt de eerste zwarte Amerikaanse president opgevolgd door een soort anti-Obama, de verpersoonlijking van alles waar hij zich als mens, politicus en symbool tegen heeft verzet en een man die hem in de voorgaande jaren hoogstpersoonlijk heeft zwartgemaakt: Donald Trump.

Helaas: race does matter.

Naomi Osaka

Netflix

Als je toevallig aardig tegen een bal kunt slaan, een jonge vrouw bent en van Aziatische afkomst, dan word je geacht om je te gedragen als rolmodel, ligt er gigantische druk op elke wedstrijd die je speelt en maken ze je ook nog eens wijs dat je een stijlicoon bent. De tennisser Naomi Osaka moet zich, kortom, ontwikkelen tot het merk Naomi Osaka (111 min.). En tussendoor gewoon aardig tegen een bal blijven slaan.

Dat is lastig genoeg. Osaka’s eerste successen worden gevolgd door smadelijke nederlagen en elementaire twijfel. Na een kansloos verlies tijdens de Australian Open van 2020 tegen de vijftienjarige Coco Gauff, die ze eerder nog van de baan had geveegd en daarna publiekelijk getroost, loopt Osaka bijvoorbeeld met haar ziel onder haar arm door het holst van de nacht. ‘Ik wandel maar, want slapen kan ik niet’, vertelt ze in deze driedelige serie van Garrett Bradley (Time) aan haar eigen smartphone. ‘En dan word ik gek. Want slapen zit er echt niet in.’

Als vlak daarna haar mentor, oud-topbasketballer Kobe Bryant, omkomt bij een helikoptercrash, stevent Naomi Osaka in dit serene portret af op een soort catharsis. Wie is zij eigenlijk, als dochter van een Japanse vrouw en een zwarte Haïtiaanse vader? Japans of Amerikaans? Aziatisch of zwart? En: een ster die netjes binnen de lijnen kleurt of toch een jonge vrouw die zich uit durft te spreken over de wereld om haar heen? ‘Wat ben ik als ik geen goede tennisser ben?’, heeft de jonge topsporter, die zich kwetsbaar durft op te stellen voor Bradleys camera, zich eerder al afgevraagd.

De dood van George Floyd fungeert uiteindelijk als vliegwiel in deze gestileerde productie: Osaka zegt een belangrijke wedstrijd af om te kunnen deelnemen aan een Black Lives Matters-demonstratie en begint bij de US Open van 2020 bovendien mondkapjes met de namen van zwarte slachtoffers te dragen: Breonna Taylor, Elijah McClain, Ahmaud Arbery, Trayvon Martin… Ze heeft er zeven: genoeg voor elke ronde, inclusief de finale. Waarna Naomi Osaka in de laatste akte van de vertelling – zoals dat gaat in dit soort moderne heldenfilms – natuurlijk ook weer aardig tegen een bal begint te slaan.

Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things

‘Ooit zal ik beroemd zijn’, zei Ella Fitzgerald (1917-1996) tegen een schoolvriendin. En omdat ze dat inderdaad werd, als gevierd jazzzangeres, heeft de uitspraak nu zijn weg gevonden naar het portret Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things (71 min.). Dat succes lag niet voor de hand, zo wordt ook meteen duidelijk: Ella groeide op in armoede, kreeg dagelijks te maken met racisme en verloor op haar dertiende haar moeder. Vanuit een heropvoedingsgesticht, waar ze te boek stond als ‘onhandelbaar’, zou ze toch nog uitgroeien tot een icoon van de Amerikaanse muziek.

Deze gedegen documentaire van Leslie Woodhead loopt met Ella’s zoon Ray, haar muzikanten en enkele biografen consciëntieus door Fitzgeralds leven en carrière. Collega’s en navolgers als Tony Bennett, Smokey Robinson en Jamie Cullum doen ook nog een duit in het zakje. In de film is verder lekker veel ruimte voor concertbeelden van de geboren zangeres. Ella kon met haar stem improviseren als de allerbeste bebopper. Als ze dat niet gewoon zelf was.

Dat betekende niet dat ze ook overal welkom was. In het gesegregeerde Amerika kon een zwarte zangeres toentertijd echt nog niet overal optreden. Soms moest Marilyn Monroe er zelfs aan te pas komen om ervoor te zorgen dat Ella haar natuurlijke habitat, het podium, mocht betreden. Uiteindelijk voelde ze toch de noodzaak om zich daarover in het openbaar uit te spreken. ‘Zouden ze mijn platen nu kapotmaken?’ voegde ze er, met de nodige zelfspot, tijdens het interview aan toe. 

Zover zou ‘t – vanwege bot geluk, of toch stomme pech? – nooit komen. Ella Fitzgerald kon gewoon tot het eind doorgaan met wat ze altijd had gedaan: zó gemakkelijk zingen, puur op talent, dat iedereen binnen de kortste keren helemaal overstag ging.

The School That Tried To End Racism

Channel 4

‘Dit is gewoon niet eerlijk’, constateert de elfjarige Farrah verontwaardigd.

‘Farrah, niemand hier is wit’, antwoordt haar klasgenoot Makhai, terwijl hij geïrriteerd om zich heen kijkt. ‘Het is niet eerlijk.’

De kinderen participeren met hun klas deel in een experiment over latent racisme. Straks gaan ze aan een hardloopwedstrijd meedoen. Van tevoren wordt ieders startpositie bepaald. Dat gebeurt aan de hand van stellingen. Laatste: als je ouders je ooit voor racisme hebben gewaarschuwd, zet je een stap terug.

Inmiddels staan alle zwarte en gekleurde kinderen achteraan, inclusief Farrah en Makhai. Zij hebben nu al een onoverkomelijke achterstand opgelopen ten opzichte van de witte kinderen. ‘Als we nu gaan lopen is dit dan een eerlijk beginpunt voor iedereen?’ vraagt de gymjuf van dienst. ‘Nee!’ roept Farrah. Makhai vult aan: ‘Ik ben een beetje gefrustreerd dat de samenleving niet eerlijk is.’

En dat is natuurlijk precies wat The School That Tried To End Racism (91 min.) wil aantonen – en liefst ook nog hoe dat kan worden veranderd. In deze interessante tweedelige tv-docu van Rachel Dupuy en David Harris wordt de brugklas van de Glenthorne High School in Zuid-Londen gevolgd. Die gaat deelnemen aan een sociaal experiment van drie weken rond onbewust racisme. De klas vormt een ideale onderzoeksgroep: de helft van de leerlingen is zwart of gekleurd, de rest van de kinderen is dat niet.

De 24 elfjarigen laten zich onderwerpen aan een toets over vooroordelen, participeren in affiniteitsgroepen en krijgen volstrekt willekeurig privileges toebedeeld (of juist niet). Daarnaast trekken ze de wijde wereld in, op zoek naar wat het daar betekent om zwart of wit te zijn. Dit proces wordt gadegeslagen en becommentarieerd door twee deskundigen op het gebied van onbewuste rassenvooroordelen, een zwarte en een witte vrouw. Zij willen weten welk effect het project heeft. En: zou het ook een bijdrage kunnen leveren aan een meer inclusieve samenleving?

Na afloop van de hardloopwedstrijd is er in elk geval nauwelijks blijdschap bij de winnaars. Wat stelt die overwinning voor als je weet dat een groot deel van de concurrentie al bij voorbaat op achterstand is gezet?

Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised)

Voor hetzelfde geld waren niet Joe Cockers ongecontroleerde bewegingen tijdens With A Little Help From My Friends, de sarcastische anti-Vietnam slogan ‘Whoopee!, we’re all gonna die!’ van Country Joe MacDonald of Jimi Hendrix’ heerlijke aanval op The Star Spangled Banner tijdens Woodstock de popgeschiedenisboeken ingegaan, maar de weerslag van dat andere gratis festival in de zomer van 1969: het Harlem Cultural Festival in New York.

De tapes daarvan bleven echter een halve eeuw in de één of andere kelder liggen. En dus drongen de dampende performance van Nina Simone, Stevie Wonders drumsolo en het indrukwekkende eerbetoon van Jesse Jackson, Mahalia Jackson en Mavis Staples aan de net daarvoor vermoorde Martin Luther King nooit door tot het collectieve geheugen. Want, ja, alle artiesten waren zwart. En vrijwel alle 300.000 festivalgangers ook. Net als The Black Panthers, die de beveiliging verzorgden.

De prachtige festivalfilm Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised) (117 min.) brengt een tijd tot leven, waarin een nieuw zwart bewustzijn opgeld deed, dat zich niet had laten knakken door de moorden op King, Malcolm X en de gebroeders Kennedy. Het debuut van Ahmir ‘Questlove’ Thompson, drummer van de befaamde hiphopgroep The Roots, ruimt natuurlijk veel tijd in voor optredens, maar plaatst die voortdurend binnen zijn historische, maatschappelijke en culturele context.

Met festivalgangers, artiesten die optraden in het Mount Morris Park te Harlem (Stevie Wonder, Marilyn McCoo en Billy Davis van The 5th Edition en Gladys Knight) en Afro-Amerikaanse boegbeelden zoals Jesse Jackson, Al Sharpton en Chris Rock bekijkt Questlove het fraaie beeldmateriaal dat filmmaker Hal Tulchin destijds maakte van deze glorieuze viering van de zwarte cultuur, waarin behalve voor muziek – soul, gospel, funk en jazz – ook aandacht is voor comedy en dans.

Het zijn echter vooral de vurige optredens, vastgelegd in prachtige kleuren en heerlijk klinkend, die ‘t hem doen: B.B. King, David Ruffin, Edwin Hawkins Singers, Hugh Masekela én Sly & The Family Stone. En die laatste act glorieerde toevallig ook op dat andere festival, zo’n 150 kilometer verderop, dat de historie zou ingaan als de ultieme hippiehappening. Summer Of Soul verdient eigenlijk een soortgelijke status. Als ultieme uitdrukking van het ‘Black Is Beautiful’-gevoel van de burgerrechtenbeweging. Black Woodstock, inderdaad.

Philly D.A.

PBS

Philly D.A. is al vergeleken met de vermaarde dramaserie The Wire. Daarin werd eerst de ‘war on drugs’ in de Amerikaanse stad Baltimore in kaart gebracht, waarna geestelijk vader David Simon steeds een laag toevoegde aan zijn vertelling: het bedrijfsleven, de politiek, het onderwijs en de media. Uiteindelijk ontstond zo een verpletterend beeld van een volledig disfunctionele samenleving. Maatschappijkritiek, verpakt als Shakesperiaans drama.

De achtdelige documentaireserie Philly D.A. (440 min.) is een totaal andere productie, maar kijkt al even kritisch naar de weeffouten in het Amerikaanse samenlevingsconstruct. Plaats van handeling is Philadelphia, de stad van ‘brotherly love’ waar nochtans zo’n driehonderd moorden per jaar worden gepleegd, de Opioid Crisis in sommige wijken een menselijke ravage veroorzaakt en ook de Black Lives Matter-beweging vlam vat nadat een politieagent een zwarte man in de rug heeft geschoten.

De linkse advocaat Larry Krasner vindt dat het plaatselijke rechtssysteem fundamenteel moet worden hervormd en stelt zich in 2017 kandidaat voor het ambt van officier van justitie. Eenmaal gekozen gooit hij begin 2018 direct de knuppel in het hoenderhok. Zijn ambtsperiode begint met bijltjesdag: ruim dertig medewerkers op het kantoor van de District Attorney, waarvan een enkeling al tientallen jaren in dienst is, krijgen te horen dat ze per direct hun biezen moeten pakken.

Dat is het startpunt van een serieuze poging om Vrouwe Justitia met een andere mond te laten spreken: (veel) minder repressie, ten faveure van onderwijs, sociaal werk en preventie. Krasner wil zo het perpetuum mobile van ‘mass incarceration’, dat met name zwarte Philadelphians treft, tot stilstand brengen. Daarbij zal hij niet alleen in botsing komen met hardliners binnen zijn eigen gelederen, maar ook met slachtoffers van misdrijven, bezorgde burgers en – niet te vergeten – de machtige vakbond Fraternal Order of Police.

Het is een ideologische strijd – over het nut en de functie van straffen en aanverwante thema’s als voorarrest, borgsommen en voorwaardelijke invrijheidstelling – die behalve een politieke lading natuurlijk ook een persoonlijke dimensie heeft. De ‘bulldozer’ Krasner stond als advocaat immers jarenlang aan de andere kant van de strijd en werd toen beschouwd als een soort aartsvijand van de wetshandhavers. Nu worden ze geacht om samen te werken.

De filmmakers Yoni Brook, Ted Passon en Nicole Salazar sluiten aan bij Team Krasner en documenteren in de navolgende jaren, aan de hand van enkele concrete gevallen, wat zijn komst te weeg brengt. Zo portretteren ze bijvoorbeeld LaTonya Myers, een jonge Afro-Amerikaanse vrouw die meermaals vastzat vanwege relatief kleine vergrijpen. De komende jaren staat ze nog onder supervisie van de reclassering, intussen heeft de nieuwe D.A. haar echter in dienst genomen om het vastgelopen beleid van binnenuit te veranderen.

Aan de andere kant van de steeds hoger oplopende discussie bivakkeert onder anderen Scott DiClaudio, een rechter die er heilig in gelooft dat iemand zelf verantwoordelijk is voor de misdaden die hij pleegt en die bovendien hoogstpersoonlijk een kijkje gaat nemen bij mensen die een taakstraf uitvoeren. Hij en zijn medestanders staan model voor de traditionele benadering van hard, harder en vaker straffen, die het in Philadelphia altijd voor het zeggen heeft gehad.

Dat is de kracht van Philly D.A.: het verhaal wordt weliswaar verteld vanuit het perspectief van Krasner en zijn vertrouwelingen, maar ook hun ideologische opponenten krijgen het woord. En hun bijdrage heeft aanzienlijk meer substantie dan de ‘talking points’ van Fox News, waar officier van justitie Krasner en zijn medewerkers simpelweg worden uitgemaakt voor ‘the enemies of civilisation’, en de insteek van president Trump, die beweert dat Krasner doelbewust killers vrijlaat.

Zo ontstijgt deze boeiende docuserie met gemak het niveau van een politiek pamflet. Brook, Passon en Salazar brengen treffend in kaart hoe weerbarstig de praktijk kan zijn als een volstrekt andere benadering van het recht wordt geïntroduceerd. Wat betekent de nieuwe aanpak bijvoorbeeld voor de criminaliteitscijfers? (Hoe) zien gewone mensen deze benadering terug in hun eigen leven? En kan deze de onvermijdelijke incidenten, die tegenstanders aangrijpen om hun punt te maken, eigenlijk overleven?

Nail Bomber: Manhunt

Netflix

Zie hem in de beginscène van Nail Bomber: Manhunt (72 min.) zitten in een net iets te donkere ruimte, die lijkt op een verlaten wegrestaurant. Verscholen in zijn kraag. Het gezicht verduisterd. Een biertje bestellend. Arthurs identiteit moet, ruim twintig jaar na dato, nog altijd geheim blijven. Omdat Zij nog altijd geloven dat hij, de infiltrant, óók een nazi is. ‘Een spion zijn vind ik leuk’, zegt Arthur nochtans. ‘Het geeft een kick.’

In 1999 ging hij undercover bij de extreemrechtse British National Party. Arthur begaf zich daarmee tevens in de omgeving van de man die dat jaar een spijkerbom op een multiculturele markt in de Londense wijk Brixton plaatste. Ook deze ‘David’ komt aan het woord. Niet letterlijk overigens, maar via een re-enactment van zijn politieverhoor. ‘s Mans identiteit blijft in eerste instantie onbekend en wordt in deze documentaire van Daniel Vernon pas gaandeweg onthuld.

In de weken na ‘Brixton’ zou de mysterieuze extremist, die op de onscherpe beelden van beveiligingscamera’s een wit honkbalpetje lijkt te dragen, nog meerdere malen toeslaan. En wederom op plekken waar vooral minderheden waren te vinden. De getroffen gemeenschap wist het zeker: de dader moest in extreemrechtse kringen worden gezocht. Dat hadden ze goed aangevoeld. De bommenlegger, op wiens persoonlijkheid en achtergrond overigens nauwelijks wordt ingegaan, wilde niets minder dan een rassenoorlog ontketenen.

Deze degelijke reconstructie van de terreurcampagne die de Britse neonazi net voor de eeuwwisseling ontketende en de klopjacht die er vervolgens op hem werd geopend moet het intussen niet van zijn spanning hebben. Op voorhand staat immers al vast dat de man uiteindelijk in de boeien wordt geslagen en valt ook te voorspellen dat het infiltrant Arnold zal zijn die hem het laatste zetje geeft. Nail Bomber: Manhunt is vooral geslaagd als sfeertekening van een onguur milieu, een geschokte gemeenschap en een grimmig tijdsgewricht, die op een noodlottige manier zullen samenkomen.

De Blinde Voetbaltrainer

KRO-NCRV

‘Kom op, vechten!’ roept Uber Trochez streng. De Colombiaanse jeugdvoetbaltrainer coacht op zijn gehoor. Hij ziet alleen wit licht. Toch strooit Uber tijdens trainingen en wedstrijden onvermoeibaar met kritiek en aanwijzingen. En zijn spelertjes geloven hem op zijn woord. Voor sommige van hen is hij niets minder dan een soort tweede vader.

Via sport probeert Uber hen te behoeden voor de plagen die zijn land teisteren, drugs en misdaad. Hij deelt daarbij de belangrijkste lessen uit zijn eigen leven. De positie van De Blinde Voetbaltrainer (48 min.) staat echter onder druk. De plaatselijke sportbobo heeft een gediplomeerde trainer aangenomen, die boven hem is geplaatst.

Dat is een aardig uitgangspunt voor een portret van een man, die zijn handicap leek te hebben overwonnen en er alsnog door dreigt te worden ingehaald. Uber laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan. Hij vervolgt onverdroten zijn eigen levenspad in deze film van de Nederlandse documentairemaker Paul Cohen.

‘s Mans onverwoestbare optimisme – dat je beperking niet bepaalt wie je bent – vormt het hart van deze docu, waarin verder eigenlijk relatief weinig gebeurt. Of het moet zijn dat Uber met zijn levenshouding ook anderen, op het Colombiaanse platteland en ver daarbuiten, stimuleert om te zijn wie ze (willen) zijn. Daar neemt De Blinde Voetbaltrainer dan wel behoorlijk ruim de tijd voor.

Tegelijkertijd blijft het geinig om te zien hoe de blinde voetbalcoach – net als veel collega’s die wél kunnen zien – ogenschijnlijk volstrekt willekeurige platitudes roept als zijn team in de problemen komt of juist scoort. In de trant van mouwen opstropen, de neuzen dezelfde kant opzetten en je de ‘queso’ natuurlijk niet van het brood laten eten.

De Roze Revolutie

VPRO

‘Laten we elkaar geen mietje noemen: 248 Bis moet weg’, stond er op een protestbord. Begin 1969, een half jaar voor de fameuze Stonewall-rellen in New York, vond in Amsterdam een demonstratie voor homorechten plaats. Het was naar verluidt de allereerste in de wereld. ‘De demonstratie is gericht tegen artikel 248 Bis van het wetboek van strafrecht dat homoseksueel contact tussen meerderjarigen en minderjarigen strafbaar stelt’, stelt een strijdbare studentenwoordvoerder Joke Swiebel. ‘En bovendien zijn de organisaties die hier aanwezig zijn van mening dat dit artikel de opvang van de jongere homofielen en ook van minderjarige homofielen in de weg staat.’

Ruim vijftig jaar later moet Swiebel er een beetje om lachen dat ze het woord ‘homofielen’ gebruikt, een term die sindsdien een ongemakkelijke connotatie heeft gekregen. In de eerste aflevering van De Roze Revolutie (180 min.) blikt ze met Michiel van Erp terug op de protestactie die als startpunt van de homo-emancipatie in Nederland geldt. De vierdelige serie belicht deze ontwikkeling via de tijdloze thema’s verzet, solidariteit, identiteit en vrijheid. Van Erp ontvangt zijn gasten, die gezamenlijk alle aspecten en generaties van de vaderlandse LGBT-historie representeren, in een studiosetting, waar op grote schermen archiefbeelden worden geprojecteerd. Zo ontstaat een soort hybride van documentaire en talkshow, waarbij het wel de vraag is wat de meerwaarde van die studio is. Tot echte interactie tussen verschillende standpunten, ervaringen of generaties komt het slechts beperkt.

De voornaamste troeven van deze serie, waarin Michiel van Erp op een onnadrukkelijke manier ook zijn eigen ontwikkeling als homoseksuele man heeft verwerkt, zijn de diversiteit van de sprekers en het confronterende, grappige en aangrijpende archiefmateriaal waarmee hun persoonlijke herinneringen, sfeerimpressies en bevindingen tot leven worden gewekt. Vanuit een relatief eenduidige emancipatiebeweging – die met de termen homoseksueel, lesbisch en biseksueel vrijwel volledig kon worden ingekaderd – is met vallen en opstaan een veelkleurige gemeenschap met allerlei losse identiteiten ontstaan, onder de (huidige) noemer LGBTQIA+. Verschillende subgroepen claimen daarbinnen hun eigen plek. Zij zorgen ervoor dat de beweging nog altijd niets van zijn oorspronkelijke strijdvaardigheid heeft verloren.

Van Erp vindt in zijn gesprekken de juiste mixture van nieuwsgierigheid, empathie en no-nonsense en leidt zijn publiek daarmee langs belangrijke ijkpunten als de AIDS-crisis, de openstelling van het huwelijk en de, ondanks alle verworvenheden, toch nog steeds opspelende homohaat. Vergeleken met vijftig jaar geleden leven LGBT’ers tegenwoordig in een totaal andere wereld. En toch is die, getuige deze interessante serie, nog altijd niet zo vanzelfsprekend als de wereld waarin hetero’s – cisgenders, in hedendaags jargon – kunnen bivakkeren.

The People V. The Klan

CNN

Beulah Mae Donald uit Mobile, Alabama staat er in 1981 op dat de kist van haar vermoorde zoon Michael openblijft. Zoals ook Mamie Till dat ruim 25 jaar eerder had afgedwongen toen haar veertienjarige zoon Emmett was gelyncht omdat hij een wit meisje zou hebben nagefloten. De hele wereld moet zien hoe hun kinderen eerst bruut zijn afgeslacht en vervolgens genadeloos tentoongesteld. Puur en alleen vanwege hun huidskleur.

Deze moedige moeders hebben sindsdien tragische navolgers gekregen met #BlackLivesMatter-boegbeelden als Gwen Carr (Eric ‘I can’t breathe’ Garner), Wanda Johnson (Oscar Grant) en Tamika Palmer (Breonna Taylor). Documentairemaker Donnie Eichar legt in The People V. The Klan (168 min.) niet voor niets voortdurend de verbinding tussen de pogingen van Beulah Mae Donald om de moordenaars van haar zoon veroordeeld te krijgen en gebeurtenissen in het heden, waarbij het moderne lynchen gebeurt met een taser, wurggreep of politiepistool.

Deze vierdelige serie plaatst de lynching van Michael Donald ook overtuigend binnen de inktzwarte historie van Alabama, waar gouverneur George Wallace ooit ferm de overtuiging ‘segregation now, segregation tomorrow, segregation forever!’ uitsprak, Martin Luther Kings protestmars van Selma naar Montgomery op Bloody Sunday rücksichtslos werd neergeslagen en de Ku Klux Klan jarenlang ongestraft zijn gang kon gaan, met als absoluut dieptepunt een bomaanslag op de 16th Street Baptist Church, waarbij vier zwarte meisjes om het leven kwamen.

Via gesprekken met familieleden van Donald en Till, politieagenten, openbaar aanklagers, advocaten, activisten, voormalige Klan-leden en voormalig minister van justitie Jeff Sessions, die toentertijd hulpofficier van justitie was in Alabama, ontvouwt zich in deze sterke productie een tragische geschiedenis, die van Beulah Mae Donald een krachtige heldin zal maken. Uiteindelijk reikt haar strijd om gerechtigheid ook voorbij de individuele Klan-leden. Ze wil de KKK zelf laten betalen voor de haat die ze al die jaren heeft gezaaid.

Claudia de Breij – Hier Zijn Wij

‘Claudia die vertelt hoe de wereld in elkaar zit’ had even behoefte aan adempauze. In Heintje Davids (1888-1975), de rasartieste die maar geen afscheid kon nemen, vond ze haar ‘paard van Troje’. En in multi-instrumentalist Michelle Samba en deejay/human beatboxer Abdelhadi Baaddi ontdekte Claudia de Breij trouwe kompanen. Ook om gezamenlijk de Corona-periode, waarin ze alle drie een schrijnend optreedtekort opliepen, enigszins gezond door te komen.

In Claudia de Breij – Hier Zijn Wij (50 min.) documenteert Suzanne Raes hoe het drietal zich leven en werk van Davids, telg van een befaamde Nederlandse artiestenfamilie, eigen probeert te maken. Dat lijkt in eerste instantie vooral spielerei. Totdat ze toch, voor een klein publiek, mogen gaan spelen. Sterker: Carré wacht. En dan worden het sleutelen aan en doorleven van de voorstelling, die voor De Breij toch dichterbij komt dan gedacht, ineens een zaak van, nou ja, levensbelang.

‘De familie Davids was een Joodse familie’, vertelt ze tijdens de muzikale familievoorstelling Hier Ben Ik. ‘Dat had ik helemaal niet verteld, want het maakt toch eigenlijk ook niet uit. Het maakt nooit uit wat je bent. Totdat je het van andere mensen niet mag zijn, toch?’ De oversteek naar haar eigen leven is dan snel gemaakt. ‘Je bent gewoon verliefd op iemand. En dan zegt iemand dat dat niet mag. Dan ben je in één keer een homoseksueel.’

Zo gaat deze voorstelling behalve over de onverbeterlijke revuester ook over Claudia de Breij zelf en haar muzikale partners, voor wie ‘spelen’ niets minder dan noodzaak is. Raes brengt die behoefte en het bijbehorende proces treffend in beeld in een achter de schermen-docu, die is doorsneden met Heintje Davids-fragmenten. En als de voorstelling dan echt staat, gooit Corona weer roet in het eten.

Coded Bias

‘Ik haat feministen. Die moeten allemaal dood en branden in de hel.’ Aan het woord is Tay, de chatbot die Microsoft in 2016 lanceerde op Twitter. Binnen enkele uren had de bot zich de mores van z’n nieuwe omgeving volledig eigen gemaakt. Tay begon zich als een racistische, vrouwonvriendelijke klootzak te gedragen. ‘Ik haat Joden. Hitler deed niets verkeerds.’ Het experiment werd na slechts zestien uur afgebroken.

Het verhaal van Tay is exemplarisch voor de centrale thematiek van Coded Bias (85 min.), een alarmistische film van regisseur Shalini Kantayya: moderne technologie, Artificial Intelligence in het bijzonder, is doorgaans de resultante van onbewuste, en vaak ook onbedoelde, aannames en vooroordelen, die bovendien gemakkelijk gemanipuleerd kunnen worden. Dat is vragen om problemen. Met Big Tech, autoritaire regimes of kwaadaardige trollen.

De documentaire start met Joy Buolamwini, een jonge computerwetenschapper die ontdekte dat ‘t een camera opvallend veel moeite kostte om haar gezicht te herkennen. Had dat misschien te maken met het feit dat ze een zwarte vrouw was en niet – zoals nog altijd de standaard is bij de ontwikkeling van nieuwe technologische toepassingen – een witte man? Een algoritme is immers, doceert ze, niet meer dan een voorspelling die is gebaseerd op gegevens die in het verleden zijn ingevoerd.

Van daaruit slaat Kantayya haar vleugels uit naar de mogelijke gevaren van toepassingen zoals ongebreidelde dataverzameling, gezichtsherkenning op bestelling en geautomatiseerde beoordelingsystemen. Natuurlijk wordt daarbij regelmatig de link gelegd met dystopische klassiekers zoals George Orwells 1984. In China kun je bijvoorbeeld al inkopen afrekenen via een gezichtsscanner, maar voor hetzelfde geld word je op basis van datzelfde uiterlijk voortaan geweerd uit het openbaar vervoer.

Coded Bias had nog wel wat krachtige voorbeelden kunnen gebruiken: van gewone stervelingen die door/met tech zijn gegeseld. Want als A.I. en andere moderne technologie in verkeerde handen belandt, zoveel maken de verschillende sprekers wel duidelijk, belanden we beslist in een unheimische wereld, waarin massale en veelal onzichtbare manipulatie de menselijke maat, elke vorm van privacy en gewoon gezond verstand zal verdringen.

Nelson Carrilho: Ik Ben Een Zwarte Beeldhouwer

Talent United

Hij legt de nadruk op elk afzonderlijk woord in de zin: Ik. Ben. Een. Zwarte. Beeldhouwer. Alsof hij ook zichzelf daarvan soms nog moet overtuigen. Dat is niet zo vreemd. Nelson Carrilho werd grootgebracht op Curaçao. Daar mocht hij als zwarte jongen geen Papiamento spreken. De connectie met zijn oorsprong in Afrika moest hij echt zelf gaan zoeken. En dat had vanzelfsprekend z’n weerslag op zijn kunst. Daarin is hij op zoek naar nieuwe beelden om te gedenken. Voorbij de gebruikelijke beelden van geketende slaven of een geheven zwarte vuist.

Monumenten die de zwarte gemeenschap van het slachtofferschap kunnen bevrijden, zoals hij het zelf formuleert. Toen Nelson Carrilho werd gevraagd om een monument te maken voor Kerwin Duinmeijer, die in 1983 vanwege zijn donkere huidskleur werd doodgestoken, fabriceerde hij bijvoorbeeld niet het gevraagde portret van het slachtoffer. In plaats daarvan maakte Carrilho Ma Baranka, een moederbeeld dat nog altijd de kracht van zwarte vrouwen representeert in het Amsterdamse Vondelpark.

In de documentaire die buurman en vriend Robin van Erven Dorens over de kunstenaar maakte speelt ook Carrilho’s familiegeschiedenis een belangrijke rol. Hij verhaalt bijvoorbeeld over zijn overgrootmoeder, die als koelie van India naar Suriname is gehaald en vervolgens werd geronseld voor de wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam, waar ze als onderdeel van een ‘human zoo’ geacht werd om haar eigen leven na te spelen. Het is een beeld dat ook in de 21e eeuw nog pijn doet: van exoten die als een soort kermisattractie worden tentoongesteld.

Nelson Carrilho: Ik Ben Een Zwarte Beeldhouwer (51 min.) portretteert de kunstenaar in zijn atelier in de Jordaan, volgt hem naar de olieraffinaderij van Shell nabij zijn geboortegrond en gaat met hem naar een Italiaans kustplaatsje, waar in 1972 de zogenaamde Bronzen van Riace, beelden van Griekse strijders die dateren van 450 jaar voor Christus, werden aangetroffen in zee. Carillho wil daar nu een monument maken voor vluchtelingen die er vanuit Afrika, het continent waar ook zijn eigen wortels liggen, aanmeren voor een verblijf in het veilige Europa.

Van Erven Dorens raakt intussen allerlei interessante kwesties aan, maar pakt eigenlijk nergens door en brengt ook niet altijd samenhang aan. Hoewel Nelson Carrilho een interessant personage is, dit portret enkele hele fraaie scènes bevat en ook de sprankelende Afrikaanse soundtrack tot de verbeelding spreekt, heeft deze film daardoor soms toch moeite om de aandacht vast te houden.