The Loving Story

Mildred Jeter Loving en Richard Perry Loving worden in 1958 gearresteerd omdat ze het in hun hoofd hebben gehaald om te trouwen. Want dat is een misdaad in de zuidelijke Amerikaanse staat Virginia. Tenminste, als de één zwart en de ander wit is. Het stel is ruim een maand eerder elders in het huwelijk getreden en wordt nu voor straf hun thuisstaat uitgezet. De puurheid van de rassen moet, zo luidt de lokale redenering, koste wat het kost worden beschermd.

Dat de Lovings zijn opgegroeid in een kleine, geïntegreerde gemeenschap, waar nauwelijks iemand opkijkt van hun liefde, doet voor de beslissers ter plaatse niet ter zake. Zij zetten daarmee The Loving Story (77 min.) in gang en zorgen ervoor dat het koppel onderdeel wordt van de (juridische) strijd van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Want hoewel president Lincoln de slavernij bijna honderd jaar eerder afschafte, is de positie van Amerikaanse ‘negroes’, zeker in het oerconservatieve zuiden, nog altijd zeer penibel.

Regisseur Nancy Buirski heeft voor deze documentaire uit 2011 de beschikking gekregen over privéfoto’s en filmmateriaal van de Loving-familie en oude interviews en nieuwsreportages met bouwvakker Richard, een man van weinig woorden, en zijn fijnbesnaarde vrouw Mildred. En ze laat hun familie, vrienden, streekgenoten en advocaten een halve eeuw na dato terugblikken op de tijd dat de Lovings het gesprek van de dag vormen in (Zwart) Amerika.

Toch zoomt deze film nauwelijks in op het persoonlijke relaas van dit bijzondere echtpaar, dat gaat staan voor z’n principes. The Loving Story is eerst en vooral het verhaal van een huwelijk dat wordt ingezet als breekijzer, om via het Amerikaanse hooggerechtshof interraciale relaties legaal te maken – en gelijke rechten voor Afro-Amerikanen af te dwingen. Door die focus op het maatschappelijke verhaal is echte identificatie met de Lovings alleen lastig.

Wat de kwestie voor de echtelieden zelf moet hebben betekend komt beter uit de verf in de gelauwerde speelfilm Loving (2016). Gezamenlijk schetsen de twee producties het complete verhaal van twee doodgewone mensen die, simpelweg door in het huwelijk te treden en vast te houden aan hun positie van man en vrouw, het Amerikaanse ‘project’ een heel klein beetje wisten bij te sturen.

Civil: Ben Crump

Netflix

Zijn hele carrière lijkt een voorbereiding op deze ene missie. Daarin stond Ben Crump al aan de zijde van de families van prominente Black Lives Matter-slachtoffers zoals Trayvon Martin, Michael Brown en Tamir Rice. Als de nabestaanden van George Floyd de Afro-Amerikaanse advocaat benaderen om hen bij te staan, realiseert hij zich dan ook direct: ik ben geknipt voor deze zaak. Terwijl er na Floyds dood, die op 25 mei 2020 als gevolg van politiegeweld is gestorven, in de hele wereld demonstraties ontstaan, probeert Crump namens zijn verwanten de geleden schade te verhalen bij het stadsbestuur van Minneapolis.

‘De politie vermoordt al honderden jaren zwarte mensen en dat heeft nooit financiële gevolgen voor ze gehad’, zegt de advocaat in Civil: Ben Crump (101 min.), waarvoor regisseur Nadia Hallgren hem in 2020-2021 een jaar heeft gevolgd. ‘Ik wil het financieel onhoudbaar voor ze maken om zwarte mensen onterecht te blijven doden.’ Crump, die regelmatig wordt verketterd op Fox News, is daarmee een moderne variant geworden op zijn eigen held, de legendarische burgerrechtenadvocaat Thurgood Marshall die in 1967 als eerste zwarte Amerikaan werd benoemd in het hooggerechtshof.

Behalve de familie van George Floyd staat Crump ten tijde van de opnames voor deze film ook de nabestaanden van andere politieslachtoffers zoals Andre Hill en Breonna Taylor bij. En hij springt overal bij waar Afro-Amerikanen onrecht wordt aangedaan. Ten koste van zijn eigen welzijn, getuige deze film. Zijn familieleden vinden dat hij ‘t rustiger aan moet doen. En van zijn collega’s hoeft Ben Crump niet meer zo nodig burgerrechtenzaken te doen. Met ander juridisch werk is gemakkelijker geld te verdienen. Dan hebben ze echter buiten ’s mans rechtvaardigheidsgevoel gerekend.

Voor deze gedegen film, waarin ook Crumps achtergrond en gezinsleven zijdelings aan de orde komen, is Hallgren precies op het juiste moment aangehaakt bij deze gedreven strijder voor de rechten van Afro-Amerikanen. Vanuit de coulissen kan ze meekijken hoe hij in enkele beeldbepalende zaken de belangen dient van zijn cliënten en de gewonde zwarte gemeenschap waarvan die deel uitmaken. Zijn pogingen om George Floyd recht te doen fungeren daarbij als rode draad. Voor zulke zaken zijn sociaal geëngageerde juristen zoals Benjamin Crump nu eenmaal op aarde gezet.

The Slow Hustle

HBO Max

‘Oh, Sean, nee!’ schreeuwt politieagent David Bomenka met overslaande stem. Samen met zijn collega Sean Suiter van de Baltimore Police Department is hij op 15 november 2017 op een melding afgegaan in de ongure omgeving van Harlem Park, in het westen van de beruchte Amerikaanse stad Baltimore. Daarbij is het in een steeg, in een onoverzichtelijke situatie, gekomen tot een schietpartij. Met dramatische gevolgen: Suiter ligt levenloos op de grond. ‘Officer down!’ roept zijn collega.

Sean Suiters tragische dood leidde onlangs al tot één van de aangrijpendste scènes van We Own This City, de sterke miniserie waarmee showrunner David Simon een vervolg gaf aan zijn klassieke serie The Wire. Het dramatische tafereel vormt tevens het startschot van deze krachtige documentaire van Sonja Sohn. Als actrice was zij vijf seizoenen lang te zien in The Wire, Simons verpletterende ontleding van de Amerikaanse ‘war on drugs’, als de gedreven politieagent Kima Greggs.

Al snel worden er in The Slow Hustle (85 min.) vragen opgeworpen over Suiters dood: was het wel doodslag? Of kon het ook moord zijn? Of zelfs zelfdoding? Sean Suiter was betrokken geraakt bij duistere zaakjes van een speciaal politieteam en zou een dag na zijn dood tegen collega’s getuigen in een corruptiezaak. Het leek te veel op zelfmoord om zelfmoord te kunnen zijn, stelt Justin Fenton, misdaadverslaggever van The Baltimore Sun en schrijver van het boek We Own This City, cryptisch.

Met Suiters vrouw en kinderen, collega’s en plaatselijke journalisten loopt Sohn, die in haar debuut Baltimore Rising al de gespannen situatie in haar thuisstad en de Black Lives Matters-rellen na de dood van Freddie Gray in beeld bracht, de hele affaire door. Ze komt daarbij automatisch terecht bij de hoofdrolspelers van We Own This City: het wapenopsporingsteam van Wayne Jenkins, de verpersoonlijking van de ‘bad cop’. Dat heeft Baltimore jarenlang als een roversbende geplunderd.

Sonja Sohn plaatst intussen serieuze vraagtekens bij de officiële lezing van wat er op 15 november in die desolate steeg in West-Baltimore is gebeurd. Hoewel hij zelf politieagent was, zou Sean Suiter zomaar één van de vele zwarte Amerikanen kunnen zijn die een gewelddadige confrontatie met de politie moet bekopen met de dood. ‘Give us the shooter’, roepen boze Black Lives Matter-demonstranten niet voor niets boos als het officiële onderzoek naar de ware toedracht is afgerond. ‘Give us the shooter of Sean Suiter.’

In de documentaire I Got A Monster wordt het losgeslagen Gun Trace Task Force van Wayne Jenkins nog eens doorgelicht, met journalisten, agenten en inwoners van Baltimore die er door hem in werden geluisd.

Larry Kramer In Love & Anger

HBO Max

Staand bij het katheder lijkt hij even in gedachten verzonken. En dan ineens begint Larry Kramer (1935-2020) aan zo’n kenmerkende tirade over het HIV-virus, dat in de voorgaande jaren een ravage heeft veroorzaakt in zijn gemeenschap. ‘De pest’, roept hij. ‘De pest is hier uitgebroken.’ Het is september 1991. Kramer kijkt woest de zaal in en herhaalt nog maar eens. ‘De pest. Veertig miljoen besmette mensen. Het is een plaag en niemand durft het toe te geven.’ De Amerikaanse schrijver en AIDS-activist sluit zijn speech uiteindelijk in stilte af. En met een hele diepe zucht.

In Larry Kramer In Love & Anger (81 min.) gaat regisseur Jean Carlomusto terug naar de oorsprong van de woede van haar hoofdpersoon. Ze belandt bij diens onverdraagzame vader en komt via een ongelukkige studietijd en korte, heftige periode als scenarioschrijver in Hollywood uit bij Kramers controversiële debuutroman Faggots (1978). Daarin stelt hij de preoccupatie met seks in de gaywereld aan de kaak. ‘Ik ben boos op mezelf en m’n vrienden, maar uiteindelijk mag je doen wat je wilt’, zegt hij daarover tijdens een televisie-interview met homoactivist Vito Russo. ‘Ga daarna alleen niet klagen dat alles tegenvalt.’ Hij specificeert: ‘Het leven is geen makkie en een relatie ook niet, maar er wacht je een mooie beloning als je iets verder kijkt dan het orgasme.’

En dan wordt de wereld, die hij van binnenuit keihard heeft aangepakt, begin jaren tachtig ineens overvallen door een ziekte die ‘homokanker’ wordt genoemd. In eerste instantie is er in de Verenigde Staten weinig aandacht voor het HIV-virus en de verpletterende gevolgen daarvan. Niet gek volgens Larry Kramer, die zoals gebruikelijk van zijn hart nooit een moordkuil maakt. ‘De patiënten zijn flikkers, nikkers, latino’s, junkies en hoeren. Daarom!’ Toch geeft AIDS hem ook de gelegenheid om ‘hate to say I told you so’ te zeggen. Kramer houdt staande dat iemands geaardheid méér is dan zijn of haar geslachtsdeel. Die boodschap wordt alleen zeer wisselend ontvangen binnen de homowereld: als een broodnodige wake-up call of juist als een pijnlijke expressie van zelfhaat.

Die tweespalt is exemplarisch voor Larry Kramers positie in zijn eigen gemeenschap, zo laat dit portret uit 2015 treffend zien. Met zijn eloquentie en drift wint hij harten, maar veroorzaakt hij ook deining en ongemak. Befaamd zijn z’n aanvallen op Ed Koch, de burgemeester van New York waarover wordt gefluisterd dat hij zelf homoseksueel was, en zijn aanvaringen met immunoloog Anthony Fauci, de overheidsfunctionaris die later ook het gezicht zou worden van Amerika’s respons op het Coronavirus. De gayactivist spoorde hem op alle mogelijke manieren aan om in actie te komen. Ruim dertig later kijkt Fauci niettemin met waardering terug op Kramers rol. En die is op zijn beurt ook mild over de man die uiteindelijk een succesvol AIDS-beleid ontwikkelde.

Toen deze documentaire werd gefilmd, was Larry Kramer inmiddels een broze, oude man geworden. Hij lag in het ziekenhuis om te herstellen van een levertransplantatie en was nauwelijks nog te herkennen als de militante activist die zowel mede- als tegenstanders de stuipen op het lijf kon jagen. Larry Kramer In Love & Anger is desondanks een passend eerbetoon aan een man die zijn eigen strijd werd en zo, met het nodige kunst- en vliegwerk, de wereld een heel klein beetje beter maakte.

His Big White Self

‘Als Mandela oorlog wil, dan kan hij die krijgen!’, houdt Eugène Terre’Blanche zijn aanhang met gebalde vuist voor. De leider van de extreemrechtse Afrikaner Weerstandsbeweging (AWB) is in 1991 een niet te onderschatten machtsfactor in Zuid-Afrika, waar het Apartheidsregime piept en kraakt in z’n voegen. Al is het simpelweg door de dreiging van bruut geweld.

Met zijn gestaalde troepen, die zo zouden kunnen doorgaan voor een nazi-keurkorps en die bovendien een vlag eren waarop in eerste instantie een Swastika lijkt te prijken, kan de Afrikaner-leider elk moment een nieuwe geweldsgolf ontketenen in het land, waar een witte minderheid al tientallen jaren de grotendeels zwarte bevolking onderdrukt. Terre’Blanche staat totale segregatie voor, waarbij alle zwarte Zuid-Afrikanen tot hun eigen thuisland zijn veroordeeld.

De voormalige boer en politiechef, die graag te paard opereert, waant zich onaantastbaar als Nick Broomfield hem, samen met zijn chauffeur/dommekracht J.P. Meyer en diens echtgenote Anita, portretteert in The Leader, His Driver, And The Driver’s Wife. Veertien jaar later gaat de Britse filmmaker opnieuw op bezoek bij His Big White Self (93 min.), die dan net uit de gevangenis is. Ook ‘s mans voormalige chauffeur en zijn (inmiddels ex-)vrouw participeren weer in deze tweede film.

In de tijd die is verstreken sinds de eerste documentaire heeft er een aardverschuiving plaatsgevonden in Zuid-Afrika. ANC-leider Nelson Mandela, die in 1990 na 27 jaar gevangenschap eindelijk is vrijgekomen, wordt in 1994 tot president gekozen en zal het land vervolgens vijf jaar lang leiden. En het ANC is anno 2006 nog altijd de toonaangevende politieke partij. Het is een wereld waarin Zwart Zuid-Afrika de dienst uitmaakt en ‘The Leader’ en de zijnen nauwelijks meer op hun plek lijken.

Hoewel zij veelal blijven vasthouden aan hun archaïsche mengeling van traditioneel christelijke en racistische denkbeelden, zijn Terre’Blanche en de andere AWB’ers hun sleutelpositie in het land allang kwijtgeraakt. De herinneringen aan het Apartheidsregime, dat Nick Broomfield met archiefmateriaal nog eens in al zijn lelijkheid oproept, zijn echter nog lang niet vervaagd. En het barbaarse geweld waarmee dit tot het bittere einde toe is verdedigd kan elk ogenblik weer oplaaien.

De gevaarlijke bullebak Terre’Blanche, zichtbaar in beelden die de documentairemaker vijftien jaar eerder maakte, oogt inmiddels als een teruggetrokken oudere man, die zich gedeisd houdt en vooral bezig is met preken in de kerk en het schrijven van gedichten. Al verliest een oude vos zoals hij nooit helemaal zijn streken, zo blijkt als de theatraal aangelegde Broomfield – incognito, vanwege zijn lastige relatie met ‘The Leader’ – hem uiteindelijk in zijn thuisbasis Ventersdorp tóch voor de camera weet te krijgen.

Enkele jaren na het filmen van His Big White Self zal Eugène Terre’Blanche overigens alsnog worden ingehaald door de haat, die hij en andere landgenoten hebben gezaaid. Hij wordt in 2010 op zijn eigen boerderij op brute wijze vermoord.

De Blauwe Familie

KRO-NCRV

Terwijl een kamer van het Corendon Hotel bij Schiphol in gereedheid wordt gebracht voor de gesprekken, weerklinken de stemmen van politiemedewerkers die hebben besloten om níet te komen. Zij willen uiteindelijk toch niet meewerken aan deze interviewfilm van Maria Mok en Meral Uslu over misstanden bij de Nederlandse politie. Zes anderen, veelal van niet-Nederlandse afkomst, zijn wél bereid om zich uit te spreken.

‘Ik heb dan liever PTSS van iets wat er echt toe doet, iets ergs wat buiten is gebeurd’, stelt Dwight van van de Vijver, die bijvoorbeeld te maken had met een, in zijn ogen, racistische chef. ‘Niet van iemand die mij het leven zuur wil maken omdat ik in zijn ogen anders ben of minderwaardig ben.’ Van van de Vijver was wijkagent, hulpofficier van justitie en communicatieadviseur bij de korpsleiding en heeft de handdoek inmiddels in de ring gegooid. Hij zoekt zijn heil elders.

‘Ik werk dus bij een organisatie die absoluut geen pestprotocol of bejegeningsprotocol heeft’, stelt Yvel Blokland over gedrag dat hij in zijn werkomgeving heeft waargenomen, waaronder het versturen van racistische appjes. ‘Wat zijn nou de omgangsregels met elkaar?’ vraagt hij zich samen met zijn collega Péris Conrad af. ‘Wat is gewenst gedrag en wat is ongewenst gedrag?’ Conrad heeft z’n conclusie inmiddels getrokken: die pet past hem niet meer. Ook hij trekt de deur achter zich dicht.

Voor klokkenluiders geldt doorgaans: ‘Wie praat, die gaat.’ Süleyman Ortaç, informantenrunner bij het Team Criminele Inlichtingen is nog niet zover – al staat ook hij inmiddels echt op de drempel. Sinds hij kritiek uitte op het werk van zijn eenheid, waardoor enkele informanten zouden zijn geliquideerd, wordt Ortaç volgens eigen zeggen naar buiten geduwd. ‘Het gevoel van onveiligheid binnen De Blauwe Familie (50 min.) wat ik nu heb is onbeschrijfelijk’, zegt hij geëmotioneerd. ‘Ik heb er eigenlijk geen woorden voor. Dat giert gewoon door je hele lichaam.’

Behalve enkele, veelal tot op het bot beschadigde, dienders komen ook advocaat Richard Korver en voorzitter Jan Struijs van de Nederlandse Politiebond aan het woord in deze schurende film, die een vervolg lijkt op Verdacht (2018), een documentaire over etnisch profilering door de politie waarvoor Controle Alt Delete, ‘een onafhankelijke organisatie die zich inzet voor eerlijke en effectieve rechtshandhaving’, eveneens een faciliterende rol speelde.

Met indringende persoonlijke getuigenissen vanuit het hart van de politie agenderen Mok en Uslu nu nadrukkelijk de thema’s racisme en discriminatie binnen de organisatie zelf. Ze bieden de korpsleiding verder geen gelegenheid om te reageren. Daardoor is voor een buitenstaander moeilijk vast te stellen of het om afzonderlijke voorvallen óf toch – en daarvoor zijn serieuze aanwijzingen – om ernstige systeemproblemen bij (een deel van) de Nederlandse politie gaat.

Een inhoudelijke reactie van ‘De Blauwe Familie’ kan en mag dus niet uitblijven.

Omari – Geen Gezeik

Nielsz Weekhorst / BNNVARA

‘Ik ga heel slecht op me oneerlijk bejegend voelen’, stelt Selma Omari over de kritiek die ze na de breuk met rapper Boef te verduren kreeg. Als uitgesproken jonge Nederlandse vrouw met zowel Marokkaanse als Iraakse roots ligt ze sowieso permanent onder het vergrootglas en in de vuurlinie. De vlogger, influencer en zangeres uit de Rotterdamse volkswijk Crooswijk maakt van haar hart echter geen moordkuil. In Omari – Geen Gezeik (50 min.) trekt ze flink van leer tegen alles en iedereen die haar de voet dwars probeert te zetten.

‘Ik begrijp niet hoe je als vrouw op een andere vrouw kan haten’, zegt ze bijvoorbeeld. ‘Op de manier waarop er bij mij wordt gehaat. Dus het maakt niet uit wat ik doe. Mensen blijven toch wel op mijn naam spugen. Dus dan kan ik toch gewoon doen wat ik leuk vind?’ Daarbij heeft ze in elk geval geen last van valse bescheidenheid of een gebrek aan zelfvertrouwen. Selma Omari steekt haar ambities niet onder stoelen of banken: ze wil de nieuwe Kim Kardashian worden. Over enkele jaren hoopt ze haar eigen imperium te hebben, met enkele honderden personeelsleden.

Regisseur Wouter Vogel portretteert deze vurige representant van het nieuwe Nederland binnen haar natuurlijke omgeving, in Rotterdam en Casablanca, te midden ook van de mensen die haar dierbaar zijn. Omari krijgt zo ogenschijnlijk veel ruimte en laat daarbinnen, bedoeld en onbedoeld, ook echt zien wie ze is. Daarmee komt dit persoonlijke, soms lekker schurende portret heel dicht bij de biculturele vrouw Selma Omari, haar getroebleerde achtergrond en de uitdagingen waarvoor zij nog altijd staat.

Strijd lijkt daarbij sleutelwoord. Als voornaamste kenmerk van de weg die ze tot nu toe heeft afgelegd én als basishouding richting de toekomst, die in haar hoofd alleen in termen van groot, groter, grootst kan worden uitgedrukt.

Everything – The Real Thing Story

Een platform was er niet voor bands zoals zij. Groot-Brittannië kende in de jaren zeventig helemaal geen succesvolle zwarte muziekgroepen. En hoewel een voorloper van The Real Thing, genaamd The Chants, een flink duwtje in de rug had gekregen van stadgenoot The Beatles en de vocal harmony-groep zelf ook veel aandacht had getrokken tijdens tournees met de toentertijd populaire zanger en acteur David Essex, was er een wit songschrijversduo nodig om de ban te breken. Ken Gold en Michael Denne leverden You To Me Are Everything, de hitsingle die in 1976 van het kwartet uit Liverpool de eerste zwarte Britse band met een nummer 1-hit maakte.

Het zoetsappige schuifelnummer zou uitgroeien tot een evergreen op bruiloften en partijen en zorgde er meteen voor dat die vier zwarte binken een enorme schare tienerfans kregen. Witte meisjes, ook dat nog. Die het risico liepen om uitgemaakt te worden voor ‘niggerlover’. Met de bandleden, medewerkers, mensen uit hun directe omgeving en bekende fans als Kim Wilde, Gwen Dickey (Rose Royce) en Billy Ocean tekent Simon Sheridan in Everything – The Real Thing Story (94 min.) zonder fratsen de geschiedenis op van de Britse popgroep en het tijdsgewricht waarin die opkwam en ook weer afging, een periode waarin tevens punk de wereld veroverde en extreemrechtse skinheads zich deden gelden in het Verenigd Koninkrijk.

Met het album 4 From 8 en de signatuursong Children Of The Ghetto wist The Real Thing ook nog iets te vertellen over die wereld, over het leven van zwarte jongeren in Britse achterstandswijken in het bijzonder. Zo snel en onstuimig als het succes kwam ebde het getuige deze degelijke popdocu, waarin verteller Jacob Anderson chronologisch de bandgeschiedenis afwerkt, vervolgens ook weer weg. De kern van The Real Thing staat echter nog steeds op het podium, al meer dan 45 jaar. En de meisjes – van middelbare leeftijd inmiddels – zwijmelen nog altijd ongegeneerd weg bij het suikerzoete You To Me Are Everything.

No Place For You In Our Town

Movies That Matter

‘De Gelen zijn Goden’, scandeert een jongetje, met uitdagende blik en de armen agressief gespreid. Zijn oproep wordt beantwoord door de groep voetbalsupporters tegenover hem. ‘Voor Minyor moet je op je knieën’, schreeuwt hij vervolgens. De fans herhalen trouw zijn woorden. ‘Pernik slaat je helemaal in elkaar.’ Ook dat beamen zij maar al te graag. De jongen heeft nog een uitsmijter: ‘Want God vergeeft, maar Pernik niet!’

Ze zweren bij geel en zwart, deze Oostblok-rouwdouwers. Het zijn de kleuren van hun club Minyor, een onbeduidende voetbalvereniging uit de Bulgaarse mijnstad Pernik. Daarvoor gaan ze door het vuur – of op de vuist met supporters van een andere club. ‘Van vader op zoon’, zingen ze over zichzelf in een clubhymne. ‘Geven we de liefde door. Dat we geboren zijn als mijnwerker. En zullen sterven als mijnwerker.’

De mannen – en een enkele verdwaalde vrouw – vinden elkaar op het kruispunt van hooliganisme, white trash en extreemrechts. In een ronduit toxische mannencultuur. Binnen de groep beweegt zich ook Tsetso, een skinhead van rond de vijftig met een hakenkruis-tatoeage op zijn linkerborst. ‘Bloed, familie, gezin. En de voetbalclub’, zegt hij met de trots die daarbij hoort. ‘Als het daarover gaat, bestaat er geen genade.’

Thuis laat Tsetso, die ook nog een zoon probeert op te voeden, trots zijn slang en vogelspin zien aan documentairemaker Nikolay Stefanov die voor No Place For You In Our Town (82 min.) twee jaar filmde in Pernik, de stad waar hij zelf opgroeide. Stefanov doorsnijdt de macho-borstklopperij van de gestaalde Minyor-aanhang met oude nieuwsreportages over de Bulgaarse stad. Toen de mijnen nog voor welvaart zorgden.

Van de comfortabele plek die Pernik ooit moet zijn geweest, is weinig over. De stad oogt grauw en somber en vormt ogenschijnlijk een ideale voedingsbodem voor onvrede en woede. En die kan dan weer gekanaliseerd worden in clubliefde (en de keerzijde daarvan, haat naar alles wat anders is of er niet bij hoort). De breed uitgedragen trots op de eigen cultuur doet daarbij vooral dienst als vijgenblad.

Stefanov kan dit ogenschijnlijk ongefilterd vastleggen en tekent zo, zonder verder te oordelen, een grimmige ‘way of life’ op. Uiteindelijk slaagt hij er ook in om bij Tsetso, die door gezondheidsklachten wordt gedwongen om op zichzelf te reflecteren, voorbij de grootspraak en rituelen te komen en de mens achter de kaalkop bloot te leggen. En die wekt dan, ondanks al zijn afzichtelijke machismo, zowaar iets van begrip en sympathie op.

Ook al begroet hij zijn maten in de supportersbus even later weer doodgemoedereerd met ‘Sieg Heil’. Het is grappig bedoeld.

The Meaning Of Hitler

Uwaga Film LLC / VPRO

Over de man, het kwaad dat hij belichaamde en de grenzeloze ellende die hij veroorzaakte is nagenoeg alles bekend. En toch dreigen de lessen die we hadden moeten leren van Adolf Hitler opnieuw verloren te gaan. In deze essayistische documentaire buigen Petra Epperlein en Michael Tucker zich aan de hand van Sebastian Haffners boek The Meaning Of Hitler (88 min.) over de betekenis en het erfgoed van de man die het afschrikwekkendste regime uit de moderne historie aanvoerde.

Ze akkeren daarvoor Hitlers levensloop door, brengen een bezoek aan de plekken die hem vormden en proberen vat te krijgen op de angstaanjagende leider met vooraanstaande schrijvers en historici. Het wordt een fascinerende trip, waarbij ze bijvoorbeeld ook het belang schetsen van een nieuwe microfoon (de zogenaamde Neumann-fles) voor Hitlers overtuigingskracht als redenaar, een kunstkenner ‘s mans schilderijen laten beoordelen en parallellen trekken tussen zijn populariteit en die van The Beatles.

‘Het probleem is dat de nazi’s niet onmenselijk waren, maar menselijk’, stelt de eminente Holocaust-onderzoeker historicus Yehuda Bauer niet voor niets. ‘Dat is in wezen het probleem. Met onszelf, niet met de nazi’s.’ De bekende nazi-jagers Serge en Beate Klarsfeld, die ooit de beruchte Duitse oorlogsmisdadiger Klaus Barbie opspoorden, denken dan ook dat ‘het’ zo weer kan gebeuren. ‘Je hebt Polen, Hongarije, Nederland… Gevaarlijk. De opkomst van rechtse partijen. Kort geleden nog ondenkbaar.’

De Methode Hitler duikt op allerlei plekken op en is meestal relatief eenvoudig te herkennen. Al wagen de meeste deskundigen zich niet aan soms toch behoorlijk voor de hand liggende vergelijkingen met hedendaagse politici. Alleen de voormalige Amerikaanse president Trump, die eerder op een soortgelijke wijze is doorgelicht in Unfit: The Psychology Of Donald Trump, wordt niet gespaard. De Britse romanschrijver Martin Amis ziet bijvoorbeeld duidelijke parallellen met Hitler: ‘Smetvrees is er een van. En liegen natuurlijk.’

De beruchte Holocaust-ontkenner David Irving, die in Polen ‘ware geschiedenis’-excursies langs belangrijke Hitler-locaties verzorgt, bevindt zich intussen maar wat graag in het gezelschap van ‘Der Führer’. Ooit zong hij voor het dochtertje van een prominente journalist: ‘Ik ben Ariër, geen Jood of sektariër. Ik wil niet trouwen met een aap of rastafari.’ Irving moet er nog altijd om gniffelen. ‘Het was een heel goed versje. Ik noteerde het in mijn dagboek’, zegt hij doodgemoedereerd. ‘Ze brachten het naar voren als bewijs dat ik een racist zou zijn.’

Was alle Hitler-verering maar zo stupide! De meeste erfgenamen opereren alleen veel subtieler. ’s Mans ideeën worden ‘onderzocht’. Of er worden ‘gewoon’ kritische vragen gesteld. De spreker kan dan niet zomaar worden betrapt. En de goede verstaander weet toch genoeg. Deze denkfilm, die na een luchtig begin steeds serieuzer van toon wordt, toont hoe Hitlers gedachtegoed zich zo kan verspreiden: in een wereld waarin ieder zijn eigen platform kan krijgen en bij een generatie die zelf nooit oorlog heeft gekend. 

De voorbeelden zijn schokkend: Amerikaanse jongeren met toortsen die tijdens een demonstratie in Charlottesville luidkeels ‘Jews Will Not Replace Us’ scanderen. De jonge gamestreamer die zonder gêne laat zien hoe ze naar een remix van een welbekende hit en een speech van Hitler luistert. En de rechts-extremist die vol trots zijn aanslag op een synagoge in het Duitse Halle gaat filmen. Het is duidelijk: The Meaning Of Hitler mag dan met één been in het bruine verleden staan, de docu is zeker géén louter historische exercitie.

In deze film helpt het verleden vooral om vat te krijgen op het heden en – God verhoede ‘t – de toekomst.

Kampen Om Grønland

Het is een universeel dilemma dat in diverse uithoeken van de wereld opspeelt: een volk, provincie of land wil niet langer onderdeel uitmaken van het grotere geheel waartoe het behoort. Beter: een déél van dit volk, die provincie of dat land wil niet langer deel uitmaken van het geheel. De rest juist wel. Uitroepteken. Zo is een patstelling ontstaan die bij het minste of geringste kan uitmonden in een echt conflict.

Sinds 1721 maakt Groenland, samen met de Faeroër-eilanden, als zelfstandig gebied deel uit van het koninkrijk Denemarken. Meer dan de helft van de 56.000 inwoners van het in Noord-Amerika gelegen eiland wil echter onafhankelijk worden. Maar kan Groenland financieel wel echt op eigen benen staan en is Denemarken bovendien bereid en/of in staat om afstand te doen van het uitgestrekte arctische gebied?

In Kampen Om Grønland (Engelse titel: The Fight For Greenland, 96 min.) toont Kenneth Sorrento hoe een nieuwe generatie Groenlanders zich verhoudt tot deze vragen. De aspirant-politicus Kaaleeraq M Andersen bepleit bijvoorbeeld vrijmaking van Denemarken. Zijn missie heeft een wrange persoonlijke dimensie. Andersen tobt met zijn gezondheid. Voor een optimale behandeling kan hij alleen in een Deens ziekenhuis terecht.

Tillie Martinussen, een concurrent bij de aanstaande parlementsverkiezingen van de net opgerichte Cooperation Party, is er dan weer van overtuigd dat Groenland nooit zelfstandig kan overleven en in z’n eentje wel eens een speelbal zou kunnen worden van internationale grootmachten met snode plannen, zoals China of de Verenigde Staten. Met die mening maakt ze zich bepaald niet bij elke Groenlander geliefd.

In plaats van al die aandacht voor onafhankelijkheid van Denemarken zou er in de ogen van Martinussen veel meer aandacht moeten zijn voor de ernstige problemen van Groenlandse jongeren. Vrijwel permanent maken drank- en drugsmisbruik, seksueel geweld en zelfdoding nieuwe slachtoffers. Dat is een thema waarop ook de strijdbare rapper Josef Tarrak-Petrussen en zijn verloofde Paninnguaq Heilmann aanslaan.

De deplorabele situatie van nieuwe generaties Groenlanders, een fenomeen dat zich bij vrijwel alle onmachtige volkeren voordoet, is hen een doorn in het oog. Zij zoeken naar redenen om weer trots te kunnen zijn op hun oorsprong. Om dat idee zichtbaar uit te dragen hebben ze allebei traditionele Inuit-gezichtstatoeages laten zetten. En dat gevoel van trots op de eigen cultuur willen ze ook meegeven aan hun pasgeboren kind. 

Stuk voor stuk zijn de jongelingen in deze boeiende film, die zich afspeelt tegen een indrukwekkend decor aan het noordelijke uiteinde van de aarde, bezig met het definiëren en uitdragen van hun eigen identiteit als Groenlanders. Daarbij blijken ze best veel gemeen te hebben, maar zijn er ook nog zoveel verschillen dat het verdomd lastig is om het eens te worden én te blijven.

George Wallace: Settin’ The Woods On Fire

PBS

‘Segregation now, segregation tomorrow, segregation forever!’ Met die controversiële slogan, uitgesproken tijdens zijn inauguratiespeech in 1963, nestelde gouverneur George Wallace (1919-1998) zich in Amerikaanse geschiedenisboeken. Op een zwartgerande bladzijde, dat wel. Als de verpersoonlijking van giftige ‘southern pride’.

Die malicieuze woorden waren echter niet zozeer de uiting van een diepgewortelde overtuiging als wel van een politieke keuze van de gouverneur van Alabama, één van de frontlinies in de strijd om burgerrechten voor zwarte Amerikanen. Wallace, die zijn publieke carrière was begonnen als een progressieve politicus, had een pact met de Duivel gesloten. Nadat hij ten onder was gegaan tijdens zijn eerste campagne om het gouverneurschap van de oerconservatieve zuidelijke staat, wist de rasopportunist één ding zeker: hij zou nooit meer ‘outniggered’ worden.

Alleen als spreekbuis van ‘Apartheid’ had Wallace politieke toekomst in Alabama. En daarmee zou hij in de jaren zestig zelfs een landelijke bekende politicus worden, een geduchte outsider bij presidentsverkiezingen. Totdat de loner Arthur Bremer tijdens een campagnebijeenkomst in 1972, voor het oog van de camera, vijf kogels in zijn lijf joeg. George Wallace raakte verlamd en was de rest van zijn leven veroordeeld tot een rolstoel. Hij zou er uiteindelijk een ander mens door worden. Een man die publiekelijk boete wilde doen voor zijn zonden.

Die persoonlijke ontwikkeling – van een positie als spreekbuis van de gewone werkeman via een langgerekte periode als Amerika’s opper-redneck tot een onverwachte remonte als bekeerling – wordt uitputtend, goed gedocumenteerd en afgewogen geboekstaafd in de biografie George Wallace: Settin’ The Woods On Fire (160 min.). Acteur Randy Quaid fungeert als de nuchtere verteller van Wallace’s tumultueuze levensverhaal. Zijn tweede vrouw, zoon George Jr., medewerkers en politieke mede- en tegenstanders zorgen voor de bijbehorende herinneringen. En Hank Williams levert het treffende titelnummer.

George Wallace oogt in deze gelauwerde postume biografie van Daniel McCabe en Paul Stekler uit 2000 toch eerst en vooral als een tragische figuur: een ontzettend begaafde politicus die ten prooi valt aan ongebreidelde machtshonger en daardoor zijn eigen idealen verkwanselt. Hij neemt zijn toevlucht tot de volksmennerspraktijken, die ook moeiteloos zijn te herkennen bij hedendaagse populisten. In wezen heeft elk volk, elk land, elk tijdsgewricht zijn eigen George Wallaces, mannen die feilloos herkennen waar het wringt en dat vervolgens, soms zelfs ondanks henzelf, zonder scrupules exploiteren.

Race: Bubba Wallace

Netflix

Hij was dan misschien de enige zwarte man in de NASCAR-autoraces, maar had zich altijd afzijdig gehouden van politiek. Totdat de zwarte Amerikaan George Floyd, tevergeefs ‘I can’t breathe’ kreunend, in 2020 stierf door bruut politieoptreden.

Toen Darrell ‘Bubba’ Wallace Jr. vervolgens bij een race een Black Lives Matter-shirt aantrok, werd hem dat bepaald niet door iedereen in dank afgenomen. En toen hij daarna ook nog eens pleitte voor een verbod op de omstreden confederatievlag, een populair symbool bij de zeker in zuidelijke staten geliefde stockcarraces, werd hij een ideaal haatobject voor Onverdraagzaam Amerika en waren zelfs doodsbedreigingen niet van de lucht. Met als dieptepunt een strop, hét symbool voor lynching van Afro-Amerikanen, die werd aangetroffen in zijn garage. Waarna ook president Trump zich met de zaak meende te moeten bemoeien.

Deze actuele maatschappelijke kwestie loopt als een rode draad door de zesdelige docuserie Race: Bubba Wallace (283 min.), die ook de historische context van Wallace’s situatie – de benarde positie van zwarte coureurs binnen NASCAR en zwarte sporters in de Verenigden Staten in het algemeen – aan de orde stelt. Die boeiende insteek vormt soms alleen lastig een logische eenheid met de rest van de serie, waarin met allerlei insiders tamelijk stereotiep Wallace’s carrière en huidige verrichtingen voor het 23XI-raceteam van basketballegende Michael Jordan, inclusief uitgebreide wedstrijdimpressies, worden doorgenomen.

Op zulke momenten is de serie van Erik Parker toch vooral interessant voor liefhebbers van deze specifieke vorm van autosport en dreigt het grotere verhaal, dat vanzelfsprekend een zware wissel heeft getrokken op deze held tegen wil en dank, te verzuipen in een typisch Amerikaanse verzameling clichés over enórme uitdagingen, tegenslagen én overwinningen. Want in de apotheose van Race: Bubba Wallace moet de protagonist, zoals het in een echte sportdocu betaamt, natuurlijk nog een belangrijke overwinning proberen te boeken.

Lincoln’s Dilemma

Apple TV+

Deze documentaireserie over de zestiende president van de Verenigde Staten begint niet voor niets bij de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021. Nu is het land bijna net zo verdeeld als in 1861 toen Abraham Lincoln president werd en de Amerikaanse burgeroorlog slechts een kwestie van tijd was. En daar, in de strijd tussen zuidelijke en noordelijke staten, tussen conservatieve en progressieve krachten, tussen ‘segregationists’ en ‘abolitionists’, tussen slavenhouders en tegenstanders van slavernij, is wellicht ook de huidige tweestelling in de VS geworteld.

Getuige Lincoln’s Dilemma (226 min.), een productie van Jacqueline Olive en Barak Goodman, probeert de toenmalige Amerikaanse president, die tegenwoordig te boek staat als ‘The Great Emancipator’, vooral al die verschillende staten bij elkaar te houden. De eenheid van het land is voor hem belangrijker dan het lot van de slaven en de afschaffing van de slavernij, waarvan hij natuurlijk wel degelijk een verklaard tegenstander is. Lincoln opereert dus eerder als pragmaticus en diplomaat – kortweg als politicus – dan als een gestaalde idealist.

Met een waaier aan vooraanstaande Amerikaanse historici schetsen Olive en Goodman een genuanceerd portret van de gevierde leider, die in oorlogstijd onmogelijke keuzes moet maken. Acteur Jeffrey Wright fungeert als verteller bij de met zwart-wit foto’s, fraaie animaties en een weelderig sounddesign aangeklede vertelling, terwijl collega’s als Bill Camp (‘Honest Abe’ Lincoln) en Leslie Odom, Jr. (de zwarte opinieleider Frederick Douglass, met wie Lincoln na een moeizame start een bijzondere verstandhouding zou opbouwen) de bijbehorende stemmen verzorgen.

Deze historische docuserie slaagt er zo in om zowel de hel van de slavenplantages als de tragiek van het slagveld, waar zwarte soldaten een essentiële rol zouden spelen, op te roepen. Na afloop overheerst het gevoel dat alleen een meestertacticus zoals Abraham Lincoln, die de hoogste prijs zou moeten betalen voor zijn rol in de oorlog, de boel bij elkaar heeft kunnen houden. Zo’n verbindende figuur kan het hedendaagse Amerika ook wel gebruiken. Anders lijkt het opnieuw een kwestie van tijd voordat de strijd rond Het Capitool overslaat naar de verschillende uithoeken van de Unie.

Lincoln’s Dilemma eindigt dus ook weer in 2021, bij de inauguratie van Joe Biden tot president. ‘Een weinig moed kan volstaan’, declameert Amanda Gorman, de 22-jarige zwarte nationale jeugddichter van de VS, bij die gelegenheid. ‘Want veel meer dan erfelijke trots kent de Amerikaan: hij zet stappen in het verleden om de geschiedenis daarna te helen.’

Drijfvermogen: Over Flotatie, Ras En Andere Drijfveren

NTR

‘Ik ga stoppen.’

‘Waarom? Met acteren?’

‘Ja.’

‘Waar heb je dit in één keer vandaan gehaald? Ik bel je eigenlijk omdat ik een nieuwe klus voor je binnen heb. En het is een heel lekkere ook.’

‘Ja maar, ik heb…’

‘Een voice-over klus voor een nieuwe commercial van een tropisch drankje. En zij zochten iemand die sportief en exotisch overkomt. Ook met een Antilliaans accent. Dus ik dacht eigenlijk direct aan jou. En het is 8000 euro. Één dagje werk.’

Acteur Tarikh Janssen wordt overvallen door het telefoontje van zijn agent Barbara Rasker. Hij had net besloten om te stoppen met acteren – moe van de discriminatie en typecasting binnen de Nederlandse filmwereld – en was vastbesloten om zijn ooit zo veelbelovende zwemcarrière weer op te pakken. Dat Antilliaanse accent kunnen ze krijgen, hoor. ‘In mijn focking reet!’

‘Haat jij witte mensen?’ wil Ivan Barbosa, de maker van de korte documentaire Drijfvermogen: Over Flotatie, Ras En Andere Drijfveren (30 min.), vervolgens weten van zijn hoofdpersoon. ‘Wat zeg je?’ reageert Tarikh verrast. Voordat hij daadwerkelijk antwoord kan geven, heeft Barbosa alweer doorgesneden naar beelden van Carnaval. In kleur. Waarna maker en subject – in zwart-wit, zoals vrijwel de gehele film – in een twistgesprek verzeild raken over de docu zelf. ‘Heeft de NTR jou dit gegeven omdat die Black Lives Matter ineens opkwam?’ bijt Janssen zijn gesprekspartner toe.

Bekvechtend en soms ook gewoon ruziënd gaan de filmer en acteur samen op zoek naar waar het wringt, knarst en woelt tussen zwart en wit, tussen vrienden en tussen geliefden. En binnen in jezelf, natuurlijk. Waarbij de grens tussen fictie, non-fictie en ook satire nergens écht scherp wordt getrokken. Is Tarikh Janssen werkelijk een stereotiepe ‘angry black man’ of speelt hij hem gewoon heel overtuigend? Hij noemt Barbosa in elk rustig een ‘excuusneger’, kibbelt ongegeneerd met zijn blonde vriendin Lonneke Bakker en zoekt zijn heil ook nog bij psychiater Glenn Helberg.

Heeft hij een echte identiteitscrisis of, zoals zijn beste maat Yannick Jozefzoon vermoedt, gewoon de acteurscrisis die er nu eenmaal bij hoort rond je dertigste? Behalve een doelbewuste poging om zowel wit als zwart te ontregelen en provoceren – een intentie die overigens al in de openingssequentie wordt uitgesproken – is Drijfvermogen duidelijk ook een film die aanzet tot (zelf)reflectie.

Een trailer van Drijfvermogen is hier te bekijken.

Attica

Showtime

Op 9 september 1971 komt het tot een massale opstand in de Attica State Prison, in de Amerikaanse staat New York. In de gevangenis zijn de maatschappelijke spanningen die er sowieso al bestaan tussen zwart en wit in de Verenigde Staten en grove misstanden in de gevangenis zelf versmolten tot een mengsel dat wel tot explosie móet komen. De gedetineerden, voor driekwart zwart of latino, komen daarbij oog in oog te staan met een volledig witte bewaardersgroep, afkomstig uit de plaatselijke gemeenschap. En de hele wereld kijkt mee, via enkele reporters die vanuit de gevangenis verslag doen.

Regisseur Stanley Nelson heeft zich met documentaires als Marcus Garvey: Look For Me In The Whirlwind, Freedom Riders, The Black Panthers: Vanguard Of The Revolution en Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy in de afgelopen jaren opgeworpen als een betrouwbare chroniqueur van de historie van Zwart Amerika. In zijn nieuwe film Attica (117 min.) reconstrueert hij de roemruchte gevangenisopstand met voormalige gevangenen, familieleden van gegijzelde bewaarders, advocaten, onafhankelijke observeerders, leden van de National Guard en de verslaggevers die destijds ter plaatse waren.

De gedetineerden leggen een heel eisenpakket op tafel, met uiteindelijk één heel eenvoudige boodschap: ze willen voortaan als mens worden behandeld. Burgerrechten, juist. Daarmee lijken ze zowaar een heel eind te komen. Tótdat na enkele dagen een bewaarder aan zijn verwondingen bezwijkt en gouverneur Nelson Rockefeller van New York, onder invloed van het Law & Order-beleid van de Republikeinse president Nixon, zich genoodzaakt ziet om de onderhandelingen te staken. De afloop laat zich vervolgens zonder al te veel moeite voorspellen: deze situatie gaat vol-le-dig escaleren.

In de tragische ontknoping, opgeroepen met emotionele getuigenissen en dramatische archiefbeelden, worden de oproerlingen hardhandig tot de orde geroepen – ‘ontmenselijkt’ is ook geen slechte omschrijving. Zo ongeveer moeten die ‘niggers’ op slavenschepen ooit zijn behandeld. Een enkele bewaarder bestaat het zelfs om voor de camera ‘white power’ te roepen. Het is de treurige slotsom van een krachtige historische film, die zich weliswaar een halve eeuw geleden afspeelt maar toch bijzonder actueel voelt. In het protest van de gevangenen is zonder moeite de zwarte pijn te ontdekken die ook de hedendaagse Black Lives Matter-protesten voortdrijft.

137 Shots

Netflix

‘Als ik dit opnieuw zou moeten doen, zou ik niets veranderen’ zegt Cynthia Moore, de politieagente die de leiding had over de grootscheepse actie, zonder te verblikken of verblozen tijdens haar verhoor. ‘Het enige wat ik zou veranderen is dat zij hadden moeten stoppen.’

Met ‘zij’ bedoelt Moore het zwarte stel Timothy Russell en Malissa Williams dat in Cleveland, Ohio, is opgejaagd door maar liefst 62 politieauto’s. Ze zouden een paar andere agenten hebben beschoten. Bij die beschuldiging doet zich alleen één klein probleem voor: in hun auto worden uiteindelijk helemaal geen wapens aangetroffen. In de oude Chevrolet zitten, behalve twee overleden mensen, wel 137 kogelgaten. De auto heeft ook een rotte uitlaat. Die wil nog wel eens héél hard knallen.

Het is een wonder dat het op die tragische 29e november 2012 bij twee doden blijft. Ondanks die 137 Shots (105 min.). Voor hetzelfde geld hadden de agenten, die in het wilde weg op de auto schoten, ook elkaar gedood. Openbaar aanklager Tim McGinty kent geen twijfel: dit is FUBAR, Fucked Up Beyond All Recognition, en moet tot vervolging leiden. De politievakbond denkt daar alleen heel anders over. Gezien de omstandigheden is het politieoptreden prima te rechtvaardigen. 

De dodelijke schoten zouden zijn gelost door agent Michael Brelo, staand op de motorkap van de auto van Russell en Williams. Hij doet eveneens zijn verhaal in deze documentaire van Michael Milano. Brelo’s lezing van de gebeurtenissen verschilt alleen wezenlijk van wat er volgens de familieleden van de slachtoffers gebeurd moet zijn. Tot hun grote frustratie stuiten zij in de rechtszaal echter op de zogenaamde ‘Blue Wall’. Alle betrokken agenten dekken elkaar.

Intussen vindt er opnieuw een dodelijke schietpartij plaats in Cleveland. De twaalfjarige zwarte jongen Tamir Rice zou dreigend met een luchtdrukpistool hebben lopen zwaaien in een park. Het filmpje van wat er vervolgens gebeurt als de politie ter plaatse arriveert is ronduit onthutsend. Rice lijkt simpelweg te worden geliquideerd. Als de eerste de beste vuurgevaarlijke crimineel. Herstel: als de eerste de beste zwárte vuurgevaarlijke crimineel.

Het nieuwe incident zet de sowieso al gespannen verhoudingen tussen het politiekorps en de zwarte gemeenschap verder onder druk. Milano plaatst die binnen hun historische context, met bevlogen speeches van Bobby Kennedy en Martin Luther King in Cleveland, en verbindt ze natuurlijk ook met de hedendaagse Black Lives Matter-protesten. 137 Shots wordt daarmee een treffende film over het hedendaagse Amerika, waar zwart en wit nog altijd regelmatig lijnrecht tegenover staan.

Kijk hier de trailer van 137 Shots.

The First Wave

National Geographic

‘Elke keer als ik naar hem kijk zie ik die jonge kinderen’, zegt verpleegkundige Kellie Wunsch geëmotioneerd, terwijl ze wordt getroost door een collega. ‘Ik heb het gewoon nodig dat het goed met hem gaat.’ Ahmed Ellis, een Afro-Amerikaanse man van halverwege de dertig, had haar verteld over zijn gezin en daarna indringend gevraagd: ‘Laat me alstjeblieft niet sterven!’

Inmiddels is Ellis, in het dagelijks schoolbeveiliger, buiten bewustzijn en geïntubeerd. Als zijn vrouw Alexis en zoontje Austin videobellen naar het ziekenhuis, houdt Kellie de iPad recht voor Ahmeds gezicht en probeert ze hem bij het gesprek te betrekken. Het is echter nog maar de vraag of hij het Coronavirus te boven komt. De artsen en verpleegkundigen van het Long Island Jewish Medical Center moeten daarvoor alle zeilen bijzetten.

In het ziekenhuis in Queens moet ook regelmatig een minuut stilte worden ingelast. Intensieve zorg, beademing en reanimatie kunnen het overlijden van een patiënt lang niet altijd voorkomen. Soms weerklinkt ook ineens Here Comes The Sun van The Beatles op de afdeling. Dan mag iemand van de beademing af. Het zijn de spaarzame momenten waarop er even licht gloort aan het eind van een angstaanjagende tunnel.

Verder lijkt er sprake van permanente crisis in het ziekenhuis in New York, dat in het voorjaar van 2020 tot de grote brandhaarden van The First Wave (93 min.) van COVID-19 behoort. Regisseur Matthew Heineman tekent van binnenuit op hoe het huilen zelfs ervaren krachten soms nader dan het lachen staat. Een eindeloze stroom patiënten belandt uitgeteld in bed, ogenschijnlijk meer dood dan levend. Waarbij het de vraag is of ze dat ooit nog zullen verlaten.

Behalve op Ahmed Ellis richt Heineman zich daarbij op de jonge immigrante Brussels Jabon. Na een keizersnede is ze met haar pasgeboren zoon Lyon in het ziekenhuis terecht gekomen. Haar halve familie is besmet geraakt met het Coronavirus. Verder portretteert hij het team van de betrokken arts Nathalie Dougé, die na de dood van George Floyd betrokken raakt bij Black Lives Matters-demonstraties en op haar werk ziet dat ook COVID-19 minderheden extra hard treft.

Matthew Heineman schuwt het drama niet en heeft er ook gevoel voor: een oog dat langzaam dichtvalt of plotseling wordt opengesperd, de hand die krachteloos probeert te zwaaien of het hoofdschudden van hulpverleners die tevergeefs hebben geprobeerd om het leven van een patiënt te redden. Het zijn tragische beelden van een crisis die we inmiddels uit en te na kennen – ook uit documentaires – en het liefst even zouden vergeten.

The First Wave weet toch door die Coronamoeheid heen te breken. Als een soort shockbehandeling. Zo ernstig was – en is/wordt – het dus in de ziekenhuizen. Tegelijkertijd laat de film ook de medemenselijkheid zien, die juist op zulke momenten komt bovendrijven. Als een patiënt bijvoorbeeld het ziekenhuis mag verlaten om thuis verder aan zijn/haar herstel te werken, gebeurt dat onder luid applaus van het zorgpersoneel.

Zulke verbondenheid in tijden van nood is zeker niet (meer) overal vanzelfsprekend.

Muhammad Ali

PBS

Hij heeft één van de best gedocumenteerde levens van de afgelopen honderd jaar geleid. Het aantal documentaires over Muhammad Ali is nauwelijks te overzien. In Oscar-winnaar When We Were Kings (1996) wordt bijvoorbeeld zijn ‘rumble in the jungle’ met George Foreman belicht. Thrilla In Manila (2008) plaatst hem op de Filipijnen voor de allerlaatste keer tegenover aartsvijand Joe Frazier (die hij tot op het bot beledigde, gebruikmakend van racistische retoriek). The Trials Of Muhammad Ali (2013) concentreert zich op Ali’s problemen met justitie, nadat hij heeft geweigerd om een ‘tour of duty’ in Vietnam te doen. En Blood Brothers: Malcolm X & Muhammad Ali (2021) behandelt de relatie van de zwarte bokser met de vermoorde woordvoerder van de militante Nation Of Islam.

Het is maar een willekeurige selectie: zowat elk aspect van Ali’s roerige leven is inmiddels uit en te na in beeld gebracht. In films die een deel ervan uitdiepen of juist de grootsheid ervan proberen te omvatten (zoals Antoine Fuqua’s What’s My Name: Muhammad Ali uit 2019). En toch voelt Ken Burns, de grootmeester van de Amerikaanse historische documentaire, zich geroepen om nóg een portret te maken van ‘the greatest’, simpelweg Muhammad Ali (446 min.) getiteld. Net als in klassieke series zoals The Civil War, Baseball en Country Music is zijn aanpak tamelijk traditioneel: een verteller (Keith David in dit geval) leidt de kijker op gezaghebbende toon door Ali’s leven, ondersteund door weldadig archiefmateriaal en een uitgelezen selectie van sprekers (dochters Hana en Rasheda Ali, ex-vrouwen Belinda Boyd en Veronica Porche, broer Rahaman en zijn protégé en laatste opponent in een titelgevecht Larry Holmes bijvoorbeeld).

Van zijn opkomst als bokser onder de slavennaam Cassius Clay en eerste wereldtitelgevecht tegen Sonny Liston in 1964, via zijn bekering tot de islam en bijbehorende naamsverandering en politieke bewustwording naar zijn schorsing als bokser en onwaarschijnlijke comeback tot aan de aftakeling op latere leeftijd, een logisch gevolg van alle klappen die hij gedurende zijn leven moest incasseren. Samen met zijn coregisseurs, dochter Sarah en haar echtgenoot David McMahon, plaatst Burns die ontwikkeling, opgebouwd rond enkele heroïsche gevechten, voortdurend binnen z’n maatschappelijke context. De man, sporter en mediapersoonlijkheid Muhammad Ali kunnen immers niet los worden gezien van de tijd en wereld waarin hij leefde. In de bijna acht uur speeltijd van deze epische serie, op temperatuur gebracht met dampende zwarte muziek, blijft vrijwel geen aspect onbelicht van één van de beste boksers – en pochers en treiteraars – van de twintigste eeuw: zijn vechtlust, (media)geilheid, idealisme, wreedheid en veerkracht.

Tot nader order is dit zonder enige twijfel het definitieve portret van de man met de lijfspreuk ‘float like a butterfly, sting like a bee’. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat er ook echt geen documentaires meer over hem zullen worden gemaakt.

Alsof Ík Palestina Heb Gestolen

Laat Frans ter plekke maar schuiven. Zolang wij als nijvere redactie urgente onderwerpen bedenken en daarbij de juiste mensen binnen harken, haalt hij op locatie, ergens in Nederland, het verhaal wel boven. En van het materiaal waarmee hij vervolgens thuiskomt, boetseren wij dan weer een lopende vertelling.

Zo ongeveer stel ik me voor dat er wordt gewerkt bij &Bromet, het bedrijf waarmee Frans Bromet, dik in de zeventig inmiddels, al jaren de ene na de andere tv docu de wereld instuurt. Geen onderwerp of taboe blijft daarbij onbesproken; van de Amsterdamse taxioorlog tot oorlogstrauma’s, van dementie tot Rechts Nederland en van orgaandonatie tot mannen in de knoop. Frans is bereid om met alles en iedereen in gesprek te gaan.

En nu komt antisemitisme aan de beurt in de degelijke interviewfilm Alsof Ík Palestina Heb Gestolen (57 min.). Of: kritiek op de staat Israël. Ik bedoel: opkomen voor de rechten van Palestijnen. Die dingen mag je niet door elkaar halen of verbinden – al gebeurt dat natuurlijk wel vaak. En het blijkt, steeds weer, verdomd lastig om het één van het ander te onderscheiden – en onderweg niet te worden uitgemaakt voor Israël-propagandist of antisemiet.

De kwestie Palestina-Israël is sinds jaar en dag een gigantisch mijnenveld, waar vrijwel niemand ongeschonden uit tevoorschijn komt. Frans Bromet stapt er nochtans dapper in. Eerst gaat hij op bezoek bij Joodse Nederlanders die te maken hebben gekregen met intimidatie en geweld. Daarna begeeft hij zich op de Amsterdamse Dam tussen demonstranten voor een vrij Palestina en de zelfverklaarde Vrienden van Israël. Beide partijen krijgen een podium.

Hij gaat verder in gesprek met de directeur van het CIDI en laat ook criticasters daarvan, van de organisaties Een Ander Joods Geluid en The Rights Forum, aan het woord. Waarna influencer Youness Ouaali, die ooit de woede van Joods Nederland over zich afriep met een anti-Israël statement, zijn beklag mag doen over hoe elke discussie wordt gekaapt door antisemitisme-roepers en oud-premier Dries van Agt geëmotioneerd tegen het beleid van de staat Israël pleit.

In deze serieuze, soms wat lang uitgevallen gesprekken – waarbij er (natuurlijk) ook verschil van mening is of Jodenhaat in Nederland nu toeneemt of niet en wie dat dan kan/mag bepalen – gaat Bromet op zoek naar de scheidslijn tussen kritiek op Israël en antisemitisme. Waarbij het de vraag blijft of die echt is te trekken. De vraag stellen lijkt ook in dit geval hem… juist.

En daarna, als alles is benoemd en de kwestie toch nog lang niet is uitgepraat, staat vast alweer volgende draaiklus in de agenda van Frans…