Seaspiracy

Netflix

Als dolfijnen en walvissen sterven, sterft de oceaan. En als de oceaan sterft, sterft de aarde. En als de aarde… juist.

En waardoor sterven die dolfijnen en walvissen nu eigenlijk? Documentairemaker Ali Tabrizi gaat op onderzoek uit. Seaspiracy (89 min.) is de weerslag van een queeste, die hem al snel op het spoor zet van de internationale visserij. Die dunt zowel bewust, via overbevissing, als onbewust, via bijvangst en schadelijke plastic netten, ‘s werelds onderwaterpopulatie uit. Allerlei diersoorten dreigen daardoor uit te sterven. En dat is nog maar het begin van de misstanden en hypocrisie die Tabrizi, al dan niet met verborgen camera, op het spoor komt.

In alle uithoeken van de wereld tekent hij de ellende met gevoel voor drama op. De filmmaker ondersteunt zijn betoog met een indrukwekkende hoeveelheid cijfers, data en statistieken, steekt zijn licht op bij allerlei verwante denkers en organisaties en zoekt de confrontatie met vertegenwoordigers van de visindustrie en belangenverenigingen die deze proberen te reguleren. Want het predicaat ‘duurzame vis’, zeg nou zelf, dat stelt toch geen ene mallemoer voor? De verantwoordelijke club weigert niet voor niets om voor voor Tabrizi’s camera te verschijnen.

Seaspiracy is een bevlogen pamflet om minder – of gewoon: géén – vis te eten. Een film, die dat ideaal ook naar een groot publiek probeert te brengen. Zulke uitgangspunten laten doorgaans niet al te veel subtiliteit en nuance toe. Een complexe mondiale kwestie wordt in deze gelikte film dan ook teruggebracht tot een epische strijd tussen helden en schurken(bedrijven) over het lot van de aarde. Die is vervat in dramatische beelden, wordt begeleid door aanzwellende muziek en werkt toe naar een stevige apotheose. En tot besluit volgt natuurlijk een onvervalste call to action. Aan iedereen die ‘t goed voorheeft met de zeeën en oceanen.

Maddy The Model

Als achttienjarige maakte ze in 2015 haar debuut op de New York Fashion Week. Madeline Stuart was het allereerste model met het Syndroom van Down op de catwalk. Twee jaar later overheerst bij moeder en manager Rosanne nochtans teleurstelling: haar dochter wordt nog altijd niet behandeld én betaald als een topmodel.

Die carrière was enkele jaren daarvoor zonder al te veel illusies begonnen. Nadat Maddy The Model (92 min.) voor het eerst een modeshow had gezien, kreeg ze van haar moeder een professionele fotoshoot cadeau. Het resultaat daarvan was zo verbazingwekkend dat Rosanne Stuart, inmiddels ook Madelines belangenbehartiger, de foto’s online plaatste. Ze verzon er meteen een prikkelende slogan bij: Getting Down To Modelling. Niet veel later hing New York aan de lijn.

Maar is de Australische tiener sindsdien meer geworden dan een curiosum op de catwalk, een voorbeeld van de inclusiviteit die de internationale modellenwereld nastreeft of zegt na te streven? Rosanne legt zich er in elk geval niet zomaar bij neer dat haar dochter, die door haar verstandelijke beperking van jongs af aan een zorgenkindje is geweest, te midden van al die mooie mensen automatisch aan het kortste eind trekt.

Daarbij speelt onvermijdelijk de vraag op wie van de twee nu eigenlijk droomt van een modellencarrière – en in hoeverre een rol speelt of/dat Rosanne moeite heeft om Madelines beperking te accepteren. ‘Ik doe dit niet voor mezelf, oké’, zegt ze snibbig tegen haar dochter als die geen zin heeft in weer een show. Even daarvoor heeft ze Maddy al proberen te verleiden om nog één laatste interviewer te woord te staan: ‘Een interview en dan een ijsje.’

Thuis, bij haar lieve vriendje Robbie in Brisbane, lijkt Madeline meestal net zo gelukkig als in pak ‘m beet Parijs, Dubai, Londen, Kampala of Palm Beach, waar de schone schijn regeert en zij een plek moet zien te verwerven. Moeder blijft in deze observerende film van Jane Magnusson intussen onverminderd pushen en mopperen. Het is bewonderenswaardig dat ze zo onvoorwaardelijk in haar kind gelooft – of onuitstaanbaar dat ze die haar eigen dromen blijft opdringen.

Afhankelijk van de bril waarmee je deze documentaire bekijkt, is Maddy The Model dus een fraai portret van twee diversiteitsstrijders die door het glazen plafond proberen te breken. Of een onvervalste kromme tenen-film over een behoorlijk ongezonde moeder-dochter verhouding. Óf – dat kan ook nog – een lekker schurende combinatie van die twee.

Guy Weizman – Voorheen/Nadien

Tangerine Tree

‘Probeer het niet te begrijpen’, instrueert Guy Weizman zijn performers. Ze zijn uit de hele wereld overkomen naar Groningen om zijn artistieke visie te verwerkelijken. Energie componeren, noemt hij dat. De Israëlisch-Marokkaanse artistiek leider van het Nederlandse theatergezelschap wil geen voorstellingen maken, zegt hij in deze film van Willem Baptist, maar die tijdens het maakproces zelf ontdekken. 

Guy Weizman – Voorheen/Nadien (55 min.) is dan ook geen typische making of-docu van de nieuwste productie van het Noord Nederlands Toneel. Het wordt ‘een poëtische film’ legt één van de medewerkers in een Droste-achtige scène uit aan een participant. En dat is geen woord te veel gezegd: Baptist vangt Weizmans visuele bombardement in bloemrijke, straf gekadreerde beelden, waaronder fraaie shots vanuit vogelperspectief.

Zo visualiseert hij de gedachtewereld van de man die zichzelf een soort ‘Godfather uit een Marokkaanse maffiafamilie’ noemt, zomaar kan gaan delibreren over het ‘butterfly effect’ en ontregelende telefoongesprekken met zijn moeder in Marokko voert. Het wordt een zinnenprikkelende ontdekkingstocht door een brein dat altijd in overdrive lijkt te staan en dat bij een splitsing al gauw het minst begaanbare pad kiest.

Baptist begeleidt de beeldenpracht met enigmatische oneliners van Weizman, die als hij zijn troepen dirigeert ook wel iets wegheeft van een goeroe.

‘Een blinde man wacht niet totdat het licht is om te beginnen met lopen.’ Frons.

‘Het stijgt op of het blijft dood op de grond.’ Punt.

‘Het lichaam liegt niet.’ Pauze. ‘Nooit.’

‘Het gaat om de schoonheid van onze onmacht.’ Uitroepteken.

En dan zorgen de Coronamaatregelen ervoor dat alle plannen in het honderd lopen. ‘Fúúúck!’ schreeuwt Weizman gefrustreerd. Geen première. Alleen een weerslag op video, van een generale repetitie/voorstelling zonder publiek. Inmiddels begint het te dagen: deze film zou wel eens die voorstelling kunnen zijn. Niets meer, niets minder. Die dus niet zomaar is gemaakt, maar ergens onderweg is ontdekt.

Soupçons: Les Dessous De L’Affaire Wesphael

Netflix

Heeft ze de hand aan zichzelf geslagen? Of is Véronique Pirotton toch vermoord door haar echtgenoot? Op die fatale 31e oktober van 2013 verbleven ze samen op kamer 602 van Hotel Mondo te Oostende. Daar hadden ze eerst uitbundig de liefde bedreven – eerst tot vermaak en later tot ergernis van andere hotelgasten – en vervolgens gigantisch ruzie gemaakt. De consternatie eindigde met een enorme dreun.

Die echtgenoot was een bekende Belg, de Waalse politicus Bernard Wesphael. Hij had de schijn tegen: zijn vrouw had een affaire. Al houdt Wesphael in Soupçons: Les Dessous De L’Affaire Wesphael (179 min.) bij hoog en bij laag vol dat hij daarvan geen idee had. Hij meende dat ze last had van een stalker. Onzin! stellen familieleden van het slachtoffer. Wesphael liegt dat hij zwart ziet. En hij is zo schuldig als wat.

Véronique en Bernard hielden er in elk geval een tumultueuze relatie op na, zo moet de hoofdverdachte toegeven. Met veel hartstocht, drank en conflicten. Volgens hem was ze al langer instabiel, gebruikte ze veel medicatie en had ze bovendien al diverse zelfmoordpogingen ondernomen. Nu was het haar, in een letterlijk bezopen bui, eindelijk gelukt. Of was er toch, hypothese 3, sprake van een spontane dood?

Bernard Wesphael blijft in deze vijfdelige true crime-serie in elk geval onverminderd pleiten voor zijn onschuld. In tamelijk bizarre scènes gaat hij daarnaast terug naar locaties die een rol speelden in de noodlottige gebeurtenissen en acteert daarbij onbekommerd zichzelf, bijvoorbeeld als hij in de gevangenis van Brugge verliefd wordt op een ander. Het lijkt bijna alsof hij ervan geniet om de hele kwestie weer eens lekker op te rakelen.

Regisseur Alain Brunard illustreert ‘s mans beweringen en de (conflicterende) verklaringen van getuigen, deskundigen en familieleden met beveiligingscamerabeelden uit het hotel, de verhoren van Wesphael en een politiereconstructie van wat er ter plaatse gebeurd kan zijn. De politieke loopbaan van de hoofdverdachte in deze zaak die de Belgische media jarenlang beheerste blijft opmerkelijk genoeg volledig onbelicht.

Door alle tegenstrijdige lezingen over wat er die laatste avond is gebeurd en hoe de driehoeksverhouding tussen de politicus, diens getroebleerde vrouw en haar geheime minnaar in elkaar stak, is het vrijwel onmogelijk vast te te stellen hoe de vork precies in de steel zit. Feit is dat Véronique Pirottons dood, die doet denken aan het noodlottige ongeluk/de slinkse moord in de true crime-klassieker The Staircase, meer dan stof genoeg biedt voor drie uur vermakelijk giswerk.

Clubliefde Op Z’n Spartaans

Dutch Angle TV

Samen zijn we de verhalen

We vertellen ze allemaal

Van toen het kolkte, toen het spookte

Van euforisch en fenomenaal

Over zij die niet meer leven

Tot zij die mogen blijven dromen

Zes letters en twee kleuren

Vreemde vogels

Stadsiconen

Nee, hier is niet wijlen Jules Deelder aan het woord. Toch is de tongval van de spreker onmiskenbaar Rotterdams, worden met die twee kleuren wel degelijk rood en wit bedoeld en vormen de zes letters ook nog eens het woord S.P.A.R.T.A. Voormalig stadsdichter Derek Otte verhaalt over zijn onmetelijke liefde voor de keurige voetbalclub die al sinds jaar en dag op Het Kasteel acteert. In de schaduw van stadgenoot Feyenoord, dat wel. Al zal geen rechtgeaarde Spartaan dat toegeven.

Bij een andere hoofdpersoon van Clubliefde Op Z’n Spartaans (28 min.), één van de voortrekkers van een erg actieve supportersgroep, komt Jules Deelder alsnog prominent in beeld, vereeuwigd op een spandoek met zijn eigen quote: ‘Als Spartaan zijn wij geboren. Als Spartanen sterven wij.’ Nu hij zelf de daad bij het woord heeft gevoegd, heeft Deelder hoogstpersoonlijk kunnen vaststellen of de hemelpoort inderdaad, zoals hij zelf altijd stellig beweerde, ‘verdacht veel weg heeft van Het Kasteel.’

Het is duidelijk: regisseur Bernard Krikke richt zich in deze vermakelijke tv-docu niet zozeer op het spel met de bal zelf als wel op de clubcultuur die daaromheen is ontstaan. Hij spreekt in dat kader ook met schrijver Anton Slotboom, de clubarchivaris, een superfan met zijn eigen museumpje en de saxofonist van, jawel, Jules Deelder, die alle verschillende elementen lekker aan elkaar toetert met bekende jazzklassiekers. Want met een club als Sparta kun je nog altijd op z’n Deelders de blits maken.

In de woorden van diens bijna-erfgenaam Otte:

Mijn trouw heb je voor eeuwig

Mijn trots ook wel eens niet

Soms breng je grote vreugde

Soms niets meer dan verdriet

Valse hoop of goede moed

Mij raak je nooit meer kwijt

Sparta voor en Sparta na

Totdat mijn dood ons scheidt

The Walrus And The Whistleblower

Op Twitter noemt hij zichzelf de @walruswhisperer. Phil Demers is in de afgelopen jaren het gezicht geworden van het verzet tegen MarineLand, een groot opgezet zeezoogdierenpark nabij Niagara Falls. Demers werkte er zelf jarenlang als trainer van de orka’s, dolfijnen en zeeleeuwen. Totdat hij de manier waarop de dieren werden behandeld niet langer kon aanzien en demonstratief ontslag nam. 

Sindsdien is Demers uitgegroeid tot de aartsvijand van MarineLands eigenaar John Holer. Geen grotere fanatiekeling immers dan de bekeerling. De hipster dierenactivist weet ook hoe hij pers en publiek moet bespelen. Zo heeft hij zijn strijd bijvoorbeeld, heel gewiekst, een gezicht gegeven: het aandoenlijke smoelwerk van Smooshi, een walrus waaraan Demers volgens eigen zeggen zijn hart heeft verpand. Hij zou het dier het liefst direct als een soort stiefkind in huis nemen.

In The Walrus And The Whistleblower (89 min.) zet filmmaker Nathalie Bibeau Phil Demers’ campagne tegen zijn voormalige werkgever, die hem voor de rechter brengt en zelfs de aandacht van het Canadese parlement oplevert, nog eens goed in de verf. Hij lijkt er ook wel van te genieten. Al zijn hele leven is hij altijd wel bij het één of andere gevecht betrokken geweest, bekent hij onderweg. Die hebben stuk voor stuk bijgedragen aan zijn heroïsche stellingname tegen MarineLand. Dit is zíjn moment.

Dat is in alle opzichten voelbaar. Behalve een principieel gevecht lijkt zijn strijd tegen MarineLand voor Demers ook een uitgelezen mogelijkheid om zichzelf te manifesteren. Barbeau plaatst daarbij geen vraag- of uitroeptekens, maar maakt van The Walrus And The Whistleblower een wat gladde en pamflettistische film die het spraakmakende Blackfish (2013), waarin misstanden bij SeaWorld in Florida werden aangekaart, naar de kroon probeert te steken.

Daarvoor blijft het dierenleed – oneerbiedig gezegd – echter te beperkt, zit er te weinig ontwikkeling in de vertelling en voelt ook de constructie rond de bevrijding van Smooshi, die met #FreeSmooshi natuurlijk z’n eigen hashtag heeft gekregen, wat al te simplistisch en geforceerd. Intussen zit het aaibare dier, dat natuurlijk geen weet heeft van de epische oorlog die rond hem wordt uitgevochten, overigens nog altijd te verpieteren in MarineLand.

Finding Vivian Maier

In haar opslagruimte vindt hij Vivian Maiers complete leven: jurken, rekeningen, folders, treinkaartjes, schoenen, ongecashte belastingcheques, hoeden en een kunstgebit. Én zo’n honderdduizend fotonegatieven en enkele duizenden filmrolletjes.

Daarvoor had John Maloof in 2007 bij een veiling al een doos met negatieven van de onbekende fotografe op de kop getikt. Hij moest er 380 dollar voor neertellen, herinnert hij zich. Eenmaal thuis kon de jonge historicus en handelaar zijn ogen niet geloven: deze foto’s waren zó goed. Wie was deze vrouw? En waarom had hij nog nooit van haar gehoord?

Een zoektocht op Google leverde niets op. Maloof begon de foto’s zelf maar af te drukken en plaatste ze vervolgens op een fotoblog. Al snel stroomden de enthousiaste reacties binnen. Hij besloot ook andere dozen met haar werk op te sporen en aan te kopen. En toen zocht hij nog maar eens op internet en vond een overlijdensbericht: Vivian Maier (1926-2009).

De mensen die haar bij leven en welzijn hadden gekend, hebben bij de start van Finding Vivian Maier (79 min.), de film die John Maloof over zijn zoektocht maakte met Charlie Siskel, weinig woorden nodig om haar te typeren: paradoxaal. Gedurfd. Geheimzinnig. Excentriek. Gesloten. Hoewel ze soms jaren met haar te maken hadden, bijvoorbeeld als kinderoppas, bleef ze altijd een mysterie voor hen.

Stukje bij beetje komt deze slim opgebouwde film toch dichter bij de vrouw, die zich echter nooit helemaal laat vangen. Ook niet in de zelfportretten die ze maakte. Ze was en bleef een eenzaat, met hele vreemde trekjes. Via haar imposante oeuvre, dat ze altijd voor zichzelf heeft gehouden, openbaart zich echter ook een vrouw die via haar Rolleiflex-camera met mededogen naar de wereld keek.

Deze documentaire, die in 2013 overuren maakte in de Nederlandse filmhuizen en ook hier in kunstkringen een bescheiden Vivian Maier-hype veroorzaakte, kijkt op een vergelijkbare manier naar haar: het is niet moeilijk om een heel klein beetje te gaan houden van deze vrouw die nooit ergens thuis was en daarom maar in haar foto’s ging wonen. Het is alleen de vraag wat ze er zelf van zou hebben gevonden dat daar tegenwoordig, na haar overlijden, zoveel bezoek komt.

Een goed verhaal, zoals Finding Vivian Maier, moet je misschien niet doodchecken. Toch is dat wel degelijk gedaan. Door Pamela Bannos bijvoorbeeld, in de biografie Vivian Maier: A Photographer’s Life And Afterlife. Zij nuanceert het moderne sprookje dat James Maloof heeft gemaakt van Vivian Maiers levensverhaal en de manier waarop hij en zijn concurrenten zich haar hebben toegeëigend.

Finding Vivian Maier is hier te bekijken.

Operation Varsity Blues: The College Admissions Scandal

Netflix

Prima deal. In ruil voor een aardige donatie krijgt je nageslacht toegang tot een droomschool. Wat is nu een miljoen dollar – of een ietsiepietsie meer – als de toekomst van je kind ervan afhangt? Via een kleine omweg koop je bijvoorbeeld een sportbeurs. Ook al heeft je ‘allesie’ nog nooit een football vastgehouden, een waterpolocap gedragen of op een zeilboot gevaren. En dan staan de deuren van Yale, Harvard of Princeton plotsklaps wagenwijd open en is het kostje van Junior gekocht.

Schoolkeuzecoach Rick Singer was daarvoor jarenlang een perfecte postiljon d’amour. Als geen ander wist hij welk (sport)onderwijsprogramma van een Ivy League-school nog wel wat financiële ondersteuning kon gebruiken. Via hem konden gefortuneerde ouders zo ‘prestige’ inkopen voor hun kroost. Volgens John Reider, voormalig lid van de toelatingscommissie van Stanford University, betekent dat woord in het Frans niet voor niets bedrog. ‘Dat is wat prestige is op de universiteit: het is denkbeeldig, een illusie. En toch geloven mensen erin.’

Regisseur Chris Smith, die in Fyre: The Greatest Party That Never Happened al de gebakken lucht van een gigantisch festivalfiasco blootlegde, ontleedt in Operation Varsity Blues: The College Admissions Scandal (100 min.) hoe Singer zijn schoolzwendel opzette. Dat wordt nooit zo buitenissig of grappig als in Fyre, maar zeker zo pijnlijk. Smith heeft de beschikking over opnamen die de FBI maakte van Singers (telefoon)gesprekken met bereidwillige ouders en schoolmedewerkers. Die heeft hij letterlijk, soms in gecondenseerde vorm, laten naspelen door acteurs, met Matthew Modine in de rol van aalgladde schooladviseur.

Hij, de slinkse ‘coach’, wordt in dit gesmeerde docudrama gepresenteerd als het oliemannetje van een volledig geperverteerd systeem, waarbinnen gefortuneerde ouders, zoals bijvoorbeeld de actrices Felicity Huffman en Lori Loughlin, er geen been in zien om hun kind op onoorbare wijze vooruit te helpen en universiteiten rustig dubieuze donaties incasseren en vervolgens een oogje dichtknijpen als leerlingen onder valse voorwendselen de school worden binnengesmokkeld. Het is al met al een treurige bedoening, de totale verwording van een door en door competitieve maatschappij. 

Die kent natuurlijk ook zijn slachtoffers: behalve alle kinderen die onder de prestatiedruk dreigen te bezwijken gaat het dan ook om bollebozen die door de fraude níet worden toegelaten. ‘Het is gewoon klote om je zo te voelen’, zegt een meisje, dat net heeft gehoord dat ze niet welkom is op de school van haar voorkeur. ‘Maar ik weet zeker dat de iedereen die wel is aangenomen het verdient.’ Daarop introduceert Chris Smith met bijna sardonisch genoegen Olivia Jade, een YouTube-sterretje met miljoenen volgers dat zomaar een plek kreeg toegespeeld in het roeiteam van de prestigieuze University of Southern California. Ze zou nooit aan een training of wedstrijd deelnemen.

In een wereld waarin alleen winnen, of de schijn daarvan, lijkt te tellen kan dat zomaar gebeuren. Uiteindelijk is het wel de vraag of het werkelijk in het belang is van de betrokken kinderen, die vaak overigens niet of nauwelijks op de hoogte waren van de schimmige praktijken van hun ouders, dat ze terechtkomen op een school waar ze eigenlijk niet op hun plek zijn. En wanneer het omkoopschandaal in 2019 plotseling in de openbaarheid komt, nadat de centrale figuur daarvan rücksichtslos dubbelspel is gaan spelen, worden zij bovendien publiekelijk gebrandmerkt als jongeren die het niet op eigen kracht kunnen. Over een slechte deal gesproken.

Soul Boys Of The Western World

Natuurlijk, dit is zo’n typische banddocu. Die chronologisch uiteenzet hoe de som uiteindelijk – pas na een slordige 24 minuten – meer werd dan de delen. Waarin de grote successen van de helden (True, Gold en natuurlijk Through The Barricades) vanzelfsprekend uitbundig worden gevierd. En die niet geheel toevallig werd uitgebracht toen hun groep, Spandau Ballet, na ruim twintig jaar een onverwachte comeback had gemaakt.

Soul Boys Of The Western World (110 min.) is niettemin een joyeuze viering van hoe de ‘working-class lads’ uit Noord-Londen, na diverse valse starts, ergens in de jaren tachtig de synthesizer ontdekten, zich precies het juiste imago aanmaten en een eigentijdse en poppy draai gaven aan hun voorliefde voor soul. Ze werden er even héél succesvol mee: echte popsterren, de vervulling van al hun jongensdromen. En toen begonnen de steeds verder opgeblazen ego’s, gepersonifieerd door zanger Tony Hadley en songschrijver Gary Kemp, ongenadig te botsen. Vanwege een ordinaire centenkwestie kwamen de bandleden zelfs tegenover elkaar te staan bij de rechter.

Regisseur George Hencken serveert dat al duizenden malen vertelde verhaal over de opkomst, ondergang en wederopstanding van een popgroep aanstekelijk uit, laat het off screen becommentariëren door de individuele bandleden en heeft daarnaast genoeg oog voor de maatschappelijke context in het toenmalige Verenigd Koninkrijk, straf geleid door ‘iron lady’ Margaret Thatcher, om er nét iets meer van te maken dan alleen een routineuze vertelling over een dertien-in-een-dozijn bandje. Ook als je weinig hebt met hun muziek – understatement – en zelfs wel een beetje moet grinniken om hun uitbundige kapsels, zorgvuldige gestylede kostuums en nét iets te kleine speedo’s – bekentenis – houdt deze film je bijna twee uur bij de les.

Slechts enkele jaren na het uitbrengen van deze popdocu uit 2014 was er overigens tóch weer herrie in de tent bij Spandau Ballet. Sindsdien moeten de overjarige glamourboys het doen zonder frontman Tony Hadley. Totdat ook die in zijn portemonnee weer de dringende noodzaak begint te voelen om zich en plein publique te verzoenen met zijn jeugdvrienden. En de camera’s wellicht kunnen gaan draaien voor Soul Boys Of The Western World – The Sequel.

De Boerenrepubliek

Bert ter Beek / ICU Documentaires

Het is een aangrijpend tafereel. Boer Bert ter Beek uit Oene, een man die je direct in je hart sluit, bidt het Onze Vader en heft vervolgens, te midden van de loeiende koeien in zijn stal, Psalm 121 aan. Als Bert klaar is, gaat hij aan het werk met de mannen die zijn gekomen om zijn vee te ruimen. Hij pakt een touw en leidt de eerste de beste koe de vrachtwagen in. Zijn hoogbejaarde vader kan het niet aanzien. Bert slaat zijn arm om hem heen en zegt troostend: ‘Stil maar, jongen. We redden het wel.’

‘De burger begrijpt de boer niet meer’, constateert verteller Felix Meurders aan het begin van de vierdelige serie De Boerenrepubliek (200 min.) van Hans Hermans en Martin Maat. ‘En de boer snapt de overheid al helemaal niet meer.’ De Brabantse varkensboer Frans Meulenmeesters verwoordt dat gevoel perfect. ‘Het is nooit, maar dan ook nooit, maar dan ook nooit genoeg.’ ‘s Mans bittere constatering vormt de opmaat naar een breed opgezette, empathische en genuanceerde rondgang langs de permanente botsing van belangen tussen boer, natuur en overheid, aan de hand van de MKZ-crisis in het voorjaar van 2001. Die ijlt twintig jaar na dato nog altijd na in agrarisch Nederland.

Het eerste geval van mond- en klauwzeer werd aangetroffen in Oene, een dorp in het Noordoosten van Gelderland dat direct in lockdown moest – een term die toen overigens nog helemaal niet werd gebruikt. De plaatselijke melkveehouder Albert Hassink haalde destijds het NOS Journaal met een videodagboek vanuit zijn eigen bedrijf. De beelden maken nog altijd indruk. ‘Die worden allemaal afgemaakt’, zegt Hassink met een snik in zijn stem, bij de aanblik van zijn ogenschijnlijk kerngezonde koeien. ‘Daar heb je je hele leven hard voor gewerkt. Je ouders, je voorouders, om dit op te bouwen. Het wordt in één dag allemaal afgemaakt. Allemaal.’ Hij sluit zijn video af met een oproep aan de toenmalige minister van landbouw, Laurens Jan Brinkhorst: ‘Minister, dit gaat fout. Dat ziet u toch ook wel?’

‘De reactie van deze boer begrijp ik heel goed’, reageert Brinkhorst twintig jaar later. ‘De individuele boer valt niks te verwijten.’ Het is volgens de oud-minister wel tragisch: omdat Nederland zelf – met steun van belangenorganisaties van de boeren – een toonaangevende exporteur van landbouwproducten wilde worden, moest het Europese non-vaccinatiebeleid worden ingevoerd. ‘De gevolgen zijn natuurlijk dat je je export kwijt bent als je gaat vaccineren.’ En dus werd er niet geënt, zoals de betrokken boeren wilden, maar ‘geruimd’, een eufemistische term voor het doden van de dieren. ‘Koeienmoord’, volgens sommige agrariërs. Van in totaal zo’n kwart miljoen, voor het grootste deel gezonde dieren. Dat zou uiteindelijk leiden tot rellen in Kootwijkerbroek. En die waren dan weer een logisch vervolg op de boerenprotesten van de jaren negentig en een voorbode van de grootschalige acties die organisaties als Farmers Defence Force tegenwoordig opzetten.

In deze ambitieuze reeks worden al die elementen, zo nu en dan met ingrijpen van voice-over Meurders, op een logische manier met elkaar verbonden: van de uitbraak van varkenspest tot het huidige stikstofbeleid en de Coronacrisis (die in 2001 al min of meer werd voorspeld door viroloog Ab Osterhaus). Met oog voor zowel de gevoelens en belangen van de Nederlandse boer als van zijn natuurlijke opponenten, de natuur- en dierenbeschermers. Die spreken over dierenbevrijding, een klimaatcrisis en gebrek aan biodiversiteit (en als gevolg daarvan zoiets als ‘landschapspijn’). Beide partijen lijken elkaar gevangen te houden in een kansloze strijd, waarin ook hun gezamenlijke vijand, ‘de politiek’, vooralsnog het verschil niet weet te maken.

Sinds de MKZ-crisis is het aantal boeren gehalveerd en het aantal dieren gelijk gebleven. Dat lijkt vragen om problemen. Alleen een fundamentele herbezinning zou de Gordiaanse knoop die de Nederlandse landbouw gaandeweg is geworden kunnen ontwarren. De Boerenrepubliek besteedt in dat kader ook aandacht aan veelal kleinschalige initiatieven om het boeren te vernieuwen. Uiteindelijk bepaalt de consument natuurlijk welke daarvan succesvol kunnen zijn. ‘Drie keer per dag hebben wij als mensen een stem in wat voor voedselsysteem wij willen’, stelt varkenshouder Jeffrey Korsmit uit Sint Willebrord. Hij houdt zijn Magalitza varkens gewoon buiten, waar ze lekker in de modder kunnen rollen. Voor hem en het welslagen van zijn bedrijf is het vanzelfsprekend essentieel dat de kwaliteit van het product (weer) voorop komt te staan.

Op een respectvolle manier belicht deze verzorgde serie zo, aan de hand van een crisis die diepe sporen heeft getrokken door de boerengemeenschap, alle verschillende posities en perspectieven rond de Nederlandse landbouw en hoe de toekomst daarvan eruit zou kunnen zien.

De Boerenrepubliek is hier te bekijken.

Shadow Game

Prospektor

Je kunt het, zoals zij zelf proberen te doen, beschouwen als een game. Een spel dat overigens best jaaaren kan duren. Vóór je leven, mét de omstandigheden en tégen de (grens)politie. Het speelveld omvat bovendien zowat het complete Europese continent. En de spelers komen vanuit alle windstreken. Zolang het leven er maar (veel) slechter is dan hier, in het vrije westen. Afghanistan bijvoorbeeld. Syrië, natuurlijk. Of, ook altijd spannend, Soedan of Iran.

Shadow Game (90 min.) dus. De deelnemers, veelal jonger dan achttien, opereren het liefst in teams, maar als puntje bij paaltje komt staan ze er natuurlijk helemaal alleen voor. Dan is het ieder voor zich. Het kan alleen wel prettig zijn om samen het treinspel te spelen. Het containerspel. Of het loopspel. Vooral dat. Van het ene naar het andere land. Of, ook dat, verplicht enkele stappen achteruit of terug naar start. Ze proberen er desondanks de moed in te houden. Ze moeten wel.

‘Als je een berg opklimt en valt, verlies je en ga je dood’, zegt een vijftienjarige Afghaanse jongen, die dan al zeven maanden deelneemt, met de nodige zelfspot. ‘Als je eroverheen komt, win je.’ Aan dit spel met grenzen, verlevendigd met een bezwerende soundtrack, nemen ook de twee Syrische broers deel, die al in Jano & Shiro, A Brother’s Journey, eveneens van Els van Driel en Eefje Blankevoort, op weg waren naar de prijs: een verblijfsvergunning in een veilig Europees land.

Stuk voor stuk fantaseren de jongens – geen meisje te bekennen – over een zorgeloos bestaan in het vrije en welvarende Westen, als er geen spelletje meer met hen wordt gespeeld. Die droom moet worden verwezenlijkt via een tocht door het Europese mijnenveld, soms letterlijk, dat door de makers van Shadow Game is gevisualiseerd als een soort speelbord (dat je als buitenstaander het liefst, met een flukse beweging, ondersteboven zou gooien). God zegen de greep. Of: inshallah.

Als plaatselijke autoriteiten de spelers bijvoorbeeld weer eens confronteren met hun eigen variant op die dodelijke Neerlands Hoop-riedel (‘dit is het spel, dat zijn de regels en zo moet het gespeeld worden’) en een beurt laten overslaan in een godvergeten oord in Servië, Griekenland of Hongarije. Waar alle hoop op een hoger level lijkt te vervliegen. Dan heeft het spel even al zijn glans verloren. Even later ploegen ze toch weer verder. Wat rest hen anders?

Het is geen spel dat iemand voor z’n plezier speelt. Al blijven de deelnemers stug zichzelf filmen en hebben ze soms ook gewoon lol onderweg, bijvoorbeeld als ze luidkeels de Clash-hit Should I Stay Or Should I Go? zingen. Shadow Game omvat hun totaalervaring. Van ontheemd zijn in niemandsland. Waar niemand op je zit te wachten. Behalve de opponent dan. Een enkeling bereikt desondanks de finish, anderen dolen eindeloos rond in de uithoeken van het speelveld. Totdat ook hun game over is.

Nelson Carrilho: Ik Ben Een Zwarte Beeldhouwer

Talent United

Hij legt de nadruk op elk afzonderlijk woord in de zin: Ik. Ben. Een. Zwarte. Beeldhouwer. Alsof hij ook zichzelf daarvan soms nog moet overtuigen. Dat is niet zo vreemd. Nelson Carrilho werd grootgebracht op Curaçao. Daar mocht hij als zwarte jongen geen Papiamento spreken. De connectie met zijn oorsprong in Afrika moest hij echt zelf gaan zoeken. En dat had vanzelfsprekend z’n weerslag op zijn kunst. Daarin is hij op zoek naar nieuwe beelden om te gedenken. Voorbij de gebruikelijke beelden van geketende slaven of een geheven zwarte vuist.

Monumenten die de zwarte gemeenschap van het slachtofferschap kunnen bevrijden, zoals hij het zelf formuleert. Toen Nelson Carrilho werd gevraagd om een monument te maken voor Kerwin Duinmeijer, die in 1983 vanwege zijn donkere huidskleur werd doodgestoken, fabriceerde hij bijvoorbeeld niet het gevraagde portret van het slachtoffer. In plaats daarvan maakte Carrilho Ma Baranka, een moederbeeld dat nog altijd de kracht van zwarte vrouwen representeert in het Amsterdamse Vondelpark.

In de documentaire die buurman en vriend Robin van Erven Dorens over de kunstenaar maakte speelt ook Carrilho’s familiegeschiedenis een belangrijke rol. Hij verhaalt bijvoorbeeld over zijn overgrootmoeder, die als koelie van India naar Suriname is gehaald en vervolgens werd geronseld voor de wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam, waar ze als onderdeel van een ‘human zoo’ geacht werd om haar eigen leven na te spelen. Het is een beeld dat ook in de 21e eeuw nog pijn doet: van exoten die als een soort kermisattractie worden tentoongesteld.

Nelson Carrilho: Ik Ben Een Zwarte Beeldhouwer (51 min.) portretteert de kunstenaar in zijn atelier in de Jordaan, volgt hem naar de olieraffinaderij van Shell nabij zijn geboortegrond en gaat met hem naar een Italiaans kustplaatsje, waar in 1972 de zogenaamde Bronzen van Riace, beelden van Griekse strijders die dateren van 450 jaar voor Christus, werden aangetroffen in zee. Carillho wil daar nu een monument maken voor vluchtelingen die er vanuit Afrika, het continent waar ook zijn eigen wortels liggen, aanmeren voor een verblijf in het veilige Europa.

Van Erven Dorens raakt intussen allerlei interessante kwesties aan, maar pakt eigenlijk nergens door en brengt ook niet altijd samenhang aan. Hoewel Nelson Carrilho een interessant personage is, dit portret enkele hele fraaie scènes bevat en ook de sprankelende Afrikaanse soundtrack tot de verbeelding spreekt, heeft deze film daardoor soms toch moeite om de aandacht vast te houden.

Song Of Lahore

Hun muziek en de bijbehorende cultuur dreigden verloren te gaan. Nadat Pakistan in de jaren zeventig een streng islamitische staat was geworden, kwam de traditionele Song Of Lahore (82 min.) in het verdomhoekje terecht. Het was muziek die van generatie op generatie was doorgegeven en die na een glorieperiode, waarin de orkesten voor regeringsleiders optraden en soundtracks maakten voor films, ineens gedoemd leek om een kwijnend bestaan te leiden.

Tótdat Izzat Majid besloot om te starten met Sachal Studios, een plek waar de traditie van de voormalige culturele hoofdstad van Pakistan levend wordt gehouden en doorgegeven aan een nieuwe generatie. ‘Het is niet míjn werk wat ik doe in Sachal’, zegt muzikaal leider Nijat Ali, die heeft moeten aanzien hoe zijn vader, de vermaarde dirigent/arrangeur Riaz Hoessain, bij zijn dood zonder al te veel ceremonieel uitgeleide is gedaan. ‘Ik vervul de plicht aan mijn vader. Dat is een enorme verantwoordelijkheid. En soms vraag ik me af of ik die kan dragen.’

Tegelijkertijd staan de muzikanten van het Sachal Jazz Ensemble ook open voor ontwikkelingen van buitenaf. Zo ontstaat in deze ontwapenende documentaire van Andy Schocken en Sharmeen Obaid-Chinoy uit 2015 bijvoorbeeld een geheel eigen interpretatie van de jazz-evergreen Take Five van het Dave Brubeck Quartet. Die wordt wereldwijd opgepikt en leidt tot een uitnodiging voor Jazz at Lincoln Center in New York. Nijat Ali: ‘Als God het wil, kunnen we daar laten zien dat Pakistanen artiesten zijn en niet alleen terroristen.’

Aan de andere kant van de wereld blijkt het alleen bepaald geen sinecure om traditionele instrumenten als sitar, fluit en tabla te laten samensmelten met een Amerikaanse jazzband. In de aanloop naar het concert lopen de spanningen behoorlijk op bij de Pakistaanse muzikanten, die buiten hun vertrouwde omgeving regelmatig ogen als vissen op het droge. Tegelijkertijd kunnen ze in de Verenigde Staten, als alles toch nog goed uitpakt, wellicht de waardering oogsten die in eigen land uitblijft.

En dan blijkt dat muziek daadwerkelijk barrières kan slechten.

Michelin Stars: Tales From The Kitchen

KRO-NCRV

‘Als we een ster zouden kwijtraken, zou ik me niet door m’n kop schieten’, zegt Rasmus Kofoed, chef-kok van het sterrenrestaurant Geranium in Kopenhagen, ontspannen lachend. ‘Ik zou even bedroefd zijn en uiteraard proberen uit te zoeken waarom.’ Want laten we wel wezen: een Michelinster erbij of eraf kan een wereld van verschil maken. En je hebt er zo weinig vat op als gerenommeerde chef. Behalve: presteren, élke dag. Want je weet nooit of er een inspecteur voor de deur staat.

Ze eten anoniem en betalen altijd de rekening, stelt Michael Ellis, de algemeen directeur van De Michelingids, over zijn ‘geheimagenten’ in Michelin Stars: Tales From The Kitchen (56 min.). De gevreesde gids ontstond ruim honderd jaar geleden als een marketinginstrument van de Franse autobandenfabrikant. Goede restaurants zorgden ervoor dat mensen in de auto stappen, zo was de redenering. En hoe meer kilometers ze dan maken, hoe sneller ze nieuwe banden nodig hebben.

De Spaanse culinair journalist José Carlos Capel is ervan overtuigd dat er nog steeds een correlatie is tussen het aantal sterren en de bandenverkoop in een land, zegt hij in deze smaakvolle documentaire van Rasmus Dinesen uit 2017. Die neemt verder een kijkje in de, ja, keuken bij gelauwerde restaurants als Guy Savoy in Parijs, Narisawa in Tokio en Noma in Kopenhagen. Waar koken tot kunst is verheven en eten echt wordt beschouwd als een stukje cultuur.

Michelin Stars dient dit met gevoel voor sfeer en oog voor detail op en belicht daarnaast, enigszins hapsnap, ook de schaduwzijden van de competitieve gastronomie, waarbij je ineens uit de smaak kunt vallen. Del Posto in het Amerikaanse Austin raakte bijvoorbeeld één van zijn twee sterren kwijt, waarna chef-kok Mark Ladner direct 25 tafels liet verwijderen. En toen Michelin besloot om te stoppen met een speciale gids voor Oostenrijk, viel restaurant Taubenkobel zelfs helemaal van de kaart.

‘Michelin is als een ex-vriendje dat je nooit meer wil zien’, zegt eigenaresse Barbara Eselböck daarover enigszins verbitterd. Van het ene op het andere moment kwamen er nauwelijks meer internationale gasten. De druk in de keuken kan door dat soort zaken behoorlijk oplopen, zo toont ook het tragische verhaal van l’Hôtel de Ville in Crissier aan. Het Zwitserse driesterrenrestaurant moest – en ging – plotseling door met een nieuwe chef.

Dinesen staat er niet al te lang bij stil. Zwierig laveert de documentairemaker langs verschillende deelonderwerpen, restaurants en eetculturen en brengt zo de wereld van ‘fine dining’ aantrekkelijk in beeld.

Last Chance U: Basketball

Netflix

‘Van basketbal krijg je karakter?’ vraagt John Mosley, de theatraal aangelegde hoofdcoach van East Los Angeles College, demonstratief bij de start van dit nieuwe seizoen van de befaamde Last Chance U-serie. ‘Niet persé. Basketbal onthult. Hoe zie je eruit in het heetst van de strijd?’ Intussen is Joe Hampton, een boomlange forward die voor zijn allerlaatste kans vecht, nadrukkelijk in beeld. Hij is net helemaal over de rooie gegaan tijdens een wedstrijd en heeft dat daarna nog eens lekker overgedaan in de kleedkamer.

Welkom in de wereld van Last Chance U, de Amerikaanse docuserie van showrunner Greg Whiteley over talentvolle sporters die via een junior collegeteam de stap naar een topsportcarrière proberen te zetten. Na vijf seizoenen bij American footballteams is het veelgeprezen concept nu neergestreken in die andere typisch Amerikaanse sport: basketbal. Hoewel het decor is veranderd, is de thematiek gelijk gebleven: binnen een zeer competitieve atmosfeer krijgen jonge mensen lessen voor het leven bijgebracht. Dat gaat, natuurlijk, gepaard met vallen en opstaan. En heel veel theater en psychologie van de koude grond. Waarbij de impliciete boodschap steeds weer is: hard work beats talent. Alleen heeft het talent dat nog niet altijd door.

Voor enfant terrible Joe Hampton is dit bijvoorbeeld een terugkerend thema. Hij maakt in Last Chance U: Basketball (453 min.) structureel overtredingen, implodeert met de regelmaat van de klok of komt gewoon helemaal niet opdagen. Hoe lang duurt het voordat hij zijn talent definitief heeft verkwanseld? Bij aanvoerder Deshaun Highler is discipline dan weer helemaal geen punt. Wat hij mist aan lengte, maakt hij meer dan goed met inzet. Sinds het overlijden van zijn moeder staat hij er wel alleen voor. Hij worstelt bovendien soms met zijn vorm. En de noeste werker KJ Allen, die excelleert tijdens wedstrijden van de ‘Huskies’, moet echt alle zeilen bijzetten om zijn schoolwerk tot een goed einde te brengen.

Hun verhalen zijn bijna vooraf uit te tekenen. Zoals ook de manier waarop de bloedfanatieke, religieuze en zeer betrokken Mosley hen probeert te raken, gebruikmakend van alle denkbare sportclichés, erg vertrouwd oogt. En toch blijft dat op de één of andere manier werken. Illustratief is een prachtige scène waarin Joe Hampton woedend naar de kleedkamer beent en daar demonstratief zijn tenue uittrekt en spullen begint in te pakken. Hij wordt gevolgd door assistent-coach Kenneth Hunter. Die had zelf ook ooit aspiraties als basketballer, maar belandde na een ongeluk in een rolstoel. Kalm weet hij de jonge wildebras tot rede te brengen. Joe Hampton zal daarna alsnog uitgroeien tot één van de steunpilaren van het team.

Misschien is het de verwachting die uit dit type verhalen spreekt: welke klappen het leven ook heeft uitgedeeld, een glorieuze toekomst behoort nog altijd tot de mogelijkheden. Hoe klein de kans daarop in werkelijkheid ook is. En die hoop zorgt er tevens voor dat Last Chance U: Basketball, een serie die overigens wat ruim bemeten is met ‘do or die’-wedstrijden van de Huskies tegen volstrekt onbekende tegenstanders, tot het einde toe gemakkelijk de aandacht vasthoudt en uiteindelijk ook ontroert: als een wonderlijk succesvol seizoen met een enorme sof dreigt te eindigen.

De Droevige Kampioen

BIND / Ton Verkuijlen

In het boek dat schrijver Jan Brokken in 1997 over hem schreef, heet hij Riki Marchena. In werkelijk is zijn naam Robert ‘Joy’ Hosé. Hij loopt nog altijd rond op Curaçao, trekkend met één been. Dakloos en verslaafd. Ooit was hij een ster op het eiland. Iemand met ‘een Muhammad Ali-achtige status’, de beste tafeltennisser van de Nederlandse Antillen.

In de driedelige serie De Droevige Kampioen (150 min.), gebaseerd op het gelijknamige boek van Brokken, probeert regisseur Sander Burger het tragische relaas van de Curaçaose sportlegende te vangen met een combinatie van docu en drama: interviews met jongere broer Sherman en klasgenoten en jeugdvrienden van Hosé en authentiek archiefmateriaal, vermengd met sfeervol verfilmde kerngebeurtenissen uit het leven van ‘Joy’, die wordt vertolkt door acteur Anton de Bies (waarvan de casting, of een re-enactment daarvan, ook is te zien in de serie).

Jan Brokken en zijn boek fungeren daarbij als verbindende factor. Brokken wordt zelf geïnterviewd, maar de auteur leest ook voor uit zijn boek. Daarvoor is hij in de huid gekropen van Robert Hosé. Brokken noemt hem alleen Riki Marchena en schrijft bovendien regelmatig – maar ook niet altijd – in de ik-vorm. Ook de andere sprekers lezen zo nu en dan voor uit dat boek. Via Riki hebben ze, bekent één van hen, beter zicht gekregen op Robert. De hoofdpersoon komt zelf dan weer niet aan het woord. Hij trekkebeent zo nu en dan even door het beeld en wast dan, op verzoek, een auto.

Het is allemaal wat overdadig en voelt soms ook nodeloos gecompliceerd. ‘Hoe slecht was Riki.., of Robert, er toen aan toe?’ moet Sander Burger zelf ook even zoeken tijdens een vraag aan één van diens vrienden, over de jaren dat zijn hoofdpersoon helemaal verslingerd raakte aan drugs. Of is dat een bewuste ‘slip of the tongue’? Om te benadrukken dat Robert/Riki uiteindelijk vooral ook een personage is, waarmee de moderne historie van Curaçao en het laatste hoofdstuk van Nederlands koloniale avonturen uit de doeken kan worden gedaan. En een symbool van hoe de eilanders gaandeweg een soort zelfrespect verwierven.

Dat stukje vergeten geschiedenis wordt in deze wat onevenwichtige serie overigens fraai over het voetlicht gebracht. En ook het tragische levensverhaal van De Droevige Kampioen komt uiteindelijk netjes rond als de protagonist alsnog een plek inneemt in z’n eigen vertelling. Als een kampioen die helemaal niet droevig wil zijn.

De Droevige Kampioen is hier te bekijken.

Gates Of Heaven

Het was toch schandalig! Ze werden gewoon weggegooid in de vuilnisbak of zomaar op een willekeurige plek in de grond gestopt. Dat kon zo niet langer, vond Floyd ‘Mac’ McClure. Toen had de Amerikaanse dierenvriend een eureka-moment: het werd tijd voor een speciale begraafplaats. Op de Foothill Pet Sematary in Los Altos zou er alle gelegenheid zijn om op een waardige manier afscheid te nemen van je geliefde huisdier.

Mac kan er tot in detail over vertellen. En dat doet hij dan ook in Gates Of Heaven (82 min.), de debuutfilm van Errol Morris uit 1978. Net als zijn medewerkers, klanten en concurrent. Over de dieren die worden binnengebracht. Over de onmetelijke liefde van hun baasjes en de manier waarop die tot uiting komt tijdens de uitvaart. En over de problemen van de begraafplaats zelf, dat ook, die gaandeweg in financiële problemen raakt. Dit gaat Mac natuurlijk aan het hart. Zeker als alle graven dreigen te worden ontruimd.

Morris las daarover een bericht in de krant en besloot om deze tragikomische film te gaan maken over dierenliefde en hoe je daaromheen (g)een business kunt opbouwen. Collega Werner Herzog had volgens de overlevering weinig fiducie in het project; als Morris erin zou slagen om de film af te ronden, beloofde hij om zijn schoen op te eten. Zover zou het inderdaad komen. Nadat die goed gekruid en gekookt was, dat wel. En zonder zool. Het (on)smakelijke tafereel zou zijn weg vinden naar de korte documentaire Werner Herzog Eats His Shoe.

De stoffelijke overschotten van Foothill’s dieren zouden uiteindelijk worden verplaatst naar het concurrerende Bubbling Well Pet Memorial Park in Napa Valley, waar de tweede helft van deze interviewfilm zich afspeelt. Daar hebben ze zelfs een kerk die de liefde voor dieren predikt. Want, zoals vrouw des huizes Scottie Harberts het uitdrukt: aan de hemelpoort gaat God echt geen onderscheid maken tussen tweevoeters en viervoeters. En dat is een passend parool voor dit aandoenlijke portret van een geheel eigen subcultuur, die bovendien is gesitueerd in een twintigste eeuws Amerika dat inmiddels al lang en breed is verdwenen.

De Jongens Van De Broederweg

EO

Er wordt luidkeels gezongen. En gedronken natuurlijk. ‘t Is en blijft tenslotte een studentenvereniging. Gewoon nette jongens en meisjes die nog even de bloemetjes buiten zetten, zou je denken. Totdat de plicht roept en het volwassen bestaan een aanvang neemt. Als buitenstaander zie je er in elk geval niet aan af dat een belangrijk deel van de aanwezigen zich geroepen voelt tot God. Ze studeren theologie en zijn voorbestemd om predikant te worden.

In de verzorgde korte documentaire De Jongens Van De Broederweg (30 min.) worden drie jongens geportretteerd, die samen in een studentenhuis te Kampen wonen en zich voorbereiden op een leven als dominee. Natuurlijk kampen ze soms met twijfels over hun lotsbestemming. ‘Soms heb je wel zoiets van: ja, het had me ook wel leuk geleken om wat anders te doen’, zegt Ben van Steenis, die op een stoel naast een kratje Jupiler-bier zit. In de weekends thuis in Bleskensgraaf werkt hij gewoon bij een tanktransportbedrijf en hangt hij rond met zijn oude vrienden. Toch blijft het geloof roepen. ‘Gewoon voor God leven. En als ik daarmee bezig kan zijn, vind ik dat gewoon mooi.’

Via de drie dominees in spe brengt filmmaker Michiel van de Kamp de toekomst van gelovig Nederland in beeld. Tweedejaars student Simon Haverkamp loopt bijvoorbeeld stage en mag zijn eerste preek verzorgen in de voor hem onbekende gemeente Steenwijk. Onderweg naar dat grote moment raakt hij alleen verdwaald. ‘Ik heb ’t er wel voor over’, constateert hij over zijn roeping. ‘Maar ik weet niet of ik het aankan.’ Martin Kamp is intussen bijna afgestudeerd. Hij gaat een beetje gebukt onder de verwachtingen die het ambt oproept. Een predikant moet in zijn ogen zonder zonden zijn. ‘Ik voel me daar toch een beetje los van staan.’ Misschien is jeugdwerk toch meer iets voor hem?

Zo zijn de twintigers, net als hun leeftijdsgenoten, op zoek naar hoe ze hun volwassen leven willen invullen. Welke rol zal God daarin spelen? En kunnen ze de eenzaamheid van het predikantschap wel aan? Van de Kamp maakt een sfeervolle momentopname, met drie jonge mensen die aan de vooravond staan van wat een betekenisvol leven moet worden. Hij gaat daarbij de plekken waar het schuurt, knarst of wringt niet uit de weg, maar zoekt die ook niet doelbewust op. Dat resulteert in een empathisch portret van een nieuwe kerkgeneratie.

De Onfatsoenlijken

VPRO

Boos zijn is niet moeilijk. Omdat je het hoofd nauwelijks boven water kunt houden, voortdurend stoot of blijft breken over wat er zoal gebeurt.

Vanwege die kutbaan. Een hennepkwekerij. Dat onterechte ontslag. Het beroerde pensioen. Die eindeloze pesterijen. Onze vertrapte tradities. Abortus. Homohaat. Het verstikkende maatschappelijke debat. De oneindige stroom vluchtelingen. Grootschalig seksueel misbruik. Die beschuldiging van verkrachting. Moord zelfs. Wezensvreemde normen en waarden. Het volk dat je ‘camion’ dreigt te overmeesteren. Die brug waarvan iedereen wist dat ie ooit zou instorten. De toren die wel in brand móest vliegen. De grootschalige corruptie. Moord. Ja, moord!

De algehele onvrede in Europa vertaalt zich overal op het continent in boze burgers en steun voor populistische partijen. De Belgische auteur Jan Antonissen schreef in 2018 een boek over gewone Europeanen die zich hebben afgekeerd van de traditionele politiek, De Onfatsoenlijken (307 min.). Dat vormt nu de basis voor een gelijknamige docuserie van Luc Lemaitre. In zeven thematisch gegroepeerde afleveringen – met titels als Migratie, Restjesmensen en Politieke Correctheid – worden steeds drie kwesties uitgediept met een direct betrokkene: een slachtoffer, (vermeende) dader of klokkenluider.

Zo ontstaat een lappendeken van groot, groter en grootst onrecht in Europa, waarbij de geportretteerde gewone mannen en vrouwen zich in elk geval niet gehoord voelen door de (linkse) elite die de dienst uitmaakt. Niet alle verhalen lijken overigens even goed in dat frame te passen. Zoals het predicaat ‘onfatsoenlijk’ ook zeker niet op alle hoofdpersonen van toepassing is. Lemaitre laat zijn hoofdpersonen in elk geval ongefilterd hun verhaal doen of mening verkondigen. ‘We kunnen niet generaliseren dat ‘homoseksueel’ en ‘pedofiel’ hetzelfde betekenen’, zegt de Poolse anti-abortusactivist Dawid Wachowiak bijvoorbeeld. ‘Desondanks komen de meeste pedofielen uit de homogemeenschap.’

Zo’n bewering wordt door Lemaitre verder niet gestaafd of kritisch bevraagd. Dat lijkt ook niet de bedoeling van De Onfatsoenlijken, dat vooral de beleving wil optekenen van gewone burgers die het gevoel hebben dat er over hen wordt beslist. Door lieden bovendien, die hen kennen noch begrijpen. Hoe verschillend al deze Europeanen ook lijken, ze zijn daardoor verenigd in onvrede. En dus nemen ze deel aan een boerenprotest, rijden met een bloederig ‘abortus is moord’-busje rond, trekken een geel hesje aan, gaan de straat op voor Alternative für Deutschland of zitten gewoon thuis op de bank te fulmineren. Boos.

Alex Roeka – Engel & Beest

NTR

Je moet tegen zijn broze stem kunnen. Tegen zijn boterzachte G. En tegen zijn bloeddoorlopen songteksten. Dan behoort zanger en songschrijver Alex Roeka zonder enige twijfel tot de groten van de Nederlands(talig)e popmuziek. Hij leverde onvervalste klassiekers af, zoals Noem ‘t Geen Liefde, Kermis In Ravenstein en Dit Kleine Hart Van Mij, die nochtans slechts bij een select publiek bekend zijn. Dat zo’n man nog steeds aanbevelingen nodig heeft van vakbroeders als Huub van der Lubbe en Youp van ‘t Hek is eigenlijk een gotspe.

Of de tv-docu Alex Roeka – Engel & Beest (57 min.) van Arno Kranenborg het tij alsnog kan keren? Daarvoor is de voormalige misdienaar, kostschooljongen en schuinsmarcheerder uit het Brabantse vestingstadje Ravenstein vermoedelijk al te zeer uitgehard als artiest. Hij kan niet zomaar door een handige marketingafdeling tot een geslaagde eenheidsworst voor het grote publiek worden gekneed. Niet dat hij daar zelf ook maar een seconde serieus over na zou denken als het hem zou worden voorgesteld. Of dat zou kunnen. De laatbloeier Roeka, die pas op zijn vijftigste debuteerde, is daarvoor veel te eigenzinnig, authentiek en – vermoedelijk ook – lastig.

‘Ik heb soms het verlangen – en dat klinkt misschien gek – om mezelf dood te zingen’, bekent hij tijdens een bezoek aan de kapel van één van de kostscholen waar hij als jongen verbleef. ‘Je gaat op het podium staan en je geeft alles zodat je dood neervalt. Als een soort bestraffing, zo lijkt het wel.’ Zo wordt deze trip nostalgia door leven en werk van Alex Roeka, het zwarte schaap van de notarisfamilie Van Mourik, nooit al te gemoedelijk. Daarvoor is de man toch te hoekig en draagt hij ook nog te veel deuken uit het verleden met zich mee. Om met zijn zwaarmoedige collega Hans Dorrestijn te spreken: de tijd heelt alle wonden, maar slaat er nog veel meer.

Alex Roeka’s liedjes zijn daarvan de gloedvolle weerslag en slaan juist daarom zo ongenadig toe: hier is een man aan het woord die het klappen van de zweep kent, op allerlei plekken butsen en striemen heeft achtergelaten en zelf ook enkele harde slagen heeft moeten opvangen. En het was veelal nog zijn eigen schuld ook. Dit portret weet dat gevoel van romantiek, wrevel en weemoed heel aardig te vangen en geeft bovendien volop ruimte aan Roeka’s gedachtespinsels en hoe die worden vervat in tekst en muziek. Waar zijn hoofd niet over uit kan, loopt zijn hart van over. En het onze. Althans, van de tere zielen die gevoelig zijn voor deze dwarse bard.

Alex Roeka – Engel & Beest is hier te bekijken.