Life After

Together Films

Het heeft nogal wat voeten in de aarde als Elizabeth Bouvia in 1983 in haar rolstoel de rechtszaal in het Californische Riverside wordt binnengereden. De 25-jarige vrouw, die in haar dagelijks leven volledig afhankelijk is van de zorg van anderen, eist het recht op om te mogen sterven – om zichzelf, onder begeleiding, te mogen uithongeren. Deze aangekondigde dood zal haar door de rechter echter niet worden gegund.

In 1997 wordt Bouvia, liggend in bed, nog eens voor het televisieprogramma 60 Minutes geïnterviewd door Mike Wallace. Daarna verdwijnt ze van het toneel. Filmmaker Reid Davenport vraagt zich bij de start van Life After (99 min.) af of het boegbeeld van de right-to-die beweging nog leeft, hoe het haar sindsdien is vergaan en wat haar erfenis is. Hij heeft zelf een ernstige lichamelijke beperking en buigt zich in deze scherpe film over het zelfbeschikkingsrecht dat zij zo nadrukkelijk heeft opgeëist.

Davenport gaat de ongemakkelijke issues niet uit de weg. Want is de keuze voor de dood, die Bouvia wilde maken en die andere mensen met een lichamelijke beperking sindsdien hebben willen maken, werkelijk ingegeven door pijn of een gebrekkige kwaliteit van leven? In hoeverre spelen praktische overwegingen daarbij ook een rol? De Canadese euthanasiewet Medical Assistance In Dying (M.A.I.D.) is bijvoorbeeld inmiddels speciaal voor mensen met een lichamelijke beperking opengesteld.

Zorgt dat niet voor (extra) druk op hen? Michal Kaliszan, een man uit Ontario, ziet in euthanasie bijvoorbeeld ‘een uitweg’. Na de dood van zijn moeder lijkt zijn enige alternatief een in zijn ogen uitzichtloos leven in een instelling. Dan verkiest hij toch de dood, zegt hij stellig, de minste van twee kwaden. Voor Michael Hickson, een man die aan een periode in coma ernstige schade overhield, maken zijn artsen die keuze. Zijn vrouw Melissa is het daar helemaal niet mee eens. Ze hoort ’t echter pas een dag later.

De ontwikkelingen rond Dying With Dignity gaan tegenwoordig snel in Canada, vertellen direct betrokkenen, véél sneller dan in traditionele gidslanden zoals Nederland en België. Daarbij wordt er volgens hen ook gecommuniceerd dat zo’n zachte dood tot lagere zorgkosten kan leiden. Over perverse prikkels gesproken. ‘Je kunt geen menselijk lijden verhelpen door mensen te doden’, vindt professor Catherine Frazee van de universiteit van Toronto, die zelf in een rolstoel zit en zuurstof krijgt toegediend. 

Reid Davenport kamt het hele gebied rond euthanasie voor mensen met een lichamelijke beperking uit, waarbij onvermijdelijk ook de eugenetica en de Amerikaanse voorvechter Jack Kevorkian van het honoreren van doodswensen, de revue passeren. Het resultaat is een emancipatoire film, die opnieuw aanzet tot nadenken over ieders (?) recht om te sterven en die eindigt waar ie begon: bij de vrouw met het, volgens sommige Amerikaanse media, ‘useless body’: Elizabeth Bouvia. Waarom wilde zij nu écht dood?

IVF In België

VRT

Louise Brown, het allereerste IVF-kind ter wereld, was nog geen vijf jaar oud toen in de zomer van 1983 ‘de eerste Belgische proefbuisbaby’ Ellen werd geboren bij de Katholieke Universiteit Leuven. De Belgische kerk zag deze ontwikkeling destijds met lede ogen aan.

In-vitrofertilisatie was in die jaren een kwestie van pionieren. Zowel voor de ongewenst kinderloze stellen, lesbische koppels en alleenstaande vrouwen met een kinderwens als voor de betrokken artsen en zorgverleners. In de historische documentaire IVF In België (50 min.) blikken zij terug op deze bewogen periode, waarin de vernieuwende behandeling permanent onder een vergrootglas lag.

Begin jaren negentig werd in Brussel ook de ICSI-techniek ontwikkeld, een vruchtbaarheidsbehandeling die later in de hele wereld school zou maken. Tegenwoordig vindt zo’n zeventig procent van de kunstmatige inseminaties op deze manier plaats. En de aanvankelijke toename van het aantal meerlingen daarbij werd met het zogeheten ‘Belgian Model’ ook een heel eind getackeld.

De nadruk ligt in deze tv-film op zulke grote ontwikkelingen, waarbij de gespannen relatie tussen de katholieke universiteiten en het Vaticaan steeds opnieuw aandacht vraagt. Die worden toegelicht door de betrokken artsen en wetenschappers. De verhalen van enkele wensouders – hun kinderen komen niet aan bod – dienen daarbij vooral als menselijk illustratiemateriaal bij het grotere verhaal.

Intussen schrijdt de techniek nog altijd verder en is het de vraag of de betrokken mensen en organisaties dat nog wel kunnen bijbenen, het thema van het slot van deze interessante IVF-terugblik. In 2019 heeft bijvoorbeeld een 74-jarige Indiase vrouw twee kinderen gekregen. Zij geldt als de oudste moeder ter wereld. Of dat een goede ontwikkeling is? Daarover lopen de meningen natuurlijk uiteen.

Want deze wetenschap begeeft zich nu eenmaal altijd op de grens tussen de autonomie van de patiënt en de ethiek van diens arts. Voor professor Reproductieve Geneeskunde Gianpiero Palermo is ’t in wezen simpel: zolang het geen risico inhoudt voor de patiënt of diens embryo, doet hij wat die wil. Ethiek is volgens hem iets voor oudere collega’s die wetenschappelijk niets meer bij te dragen hebben.

Niet elke arts of wetenschapper stelt ‘t zo scherp. ‘Men moet altijd open blijven voor nieuwe ideeën’, vindt klinisch bioloog André van Steirteghem, die samen met gynaecoloog Paul Devroey baanbrekend werk verrichtte. ‘Als je met iets nieuws begint, dan moet je durven grenzen te verleggen’, zegt hun collega Stephan Gordts. ‘Dat is de enige manier, denk ik, waarop de geneeskunde vooruit kan gaan.’

‘De wetenschap heeft stappen vooruit gezet en maakt iets mogelijk’, concludeert Mieke Felix, één van de gelukkige moeders, als ze terugkijkt. ‘En wij hebben daar mogen gebruik van maken. Er is ons een cadeau gegeven.’

Trailer IVF In België

A Fox Under A Pink Moon

Oskouei Films

‘Oom Mehrdad’, schrijft Soraya Akhlaghi aan filmmaker Mehrdad Oskouei na haar zoveelste mislukte ‘game’. ‘We hebben ‘t weer niet gehaald.’ De tiener zit vast in Iran. Ze wil naar Oostenrijk, waar haar moeder wacht. Die heeft ze al meer dan acht jaar niet gezien. Via Turkije doet Soraya talloze pogingen om in Europa te komen. Zoals bij veel lotgenoten lijkt haar reis echter vervloekt.

Soraya stamt eigenlijk uit Afghanistan, een land waar ze nooit heeft gewoond. Daar moet ze eigenlijk naartoe om een identiteitsbewijs te halen, maar om in dat land te kunnen komen heeft ze een paspoort nodig. En dat heeft ze dus niet. Haar leven is een Gordiaanse knoop geworden die nauwelijks is te ontwarren. In de gelauwerde film A Fox Under A Pink Moon (77 min.) doet ze nochtans een dappere poging.

Vijf jaar lang legt Soraya haar leven vast met haar mobiele telefoon. De filmpjes stuurt ze door naar Oskouei, haar partner in crime op afstand. In die periode moet zij aanzien hoe de Taliban de macht overnemen in haar moederland en krijgt ze zelf steeds meer te verduren van haar hardvochtige echtgenoot Ali, die eigenlijk niet wil worden gefilmd en uiteindelijk alleen onherkenbaar in beeld is gebracht.

Met een andere, minder kleurrijke protagonist had deze tragische situatie wellicht geresulteerd in een even schrijnende als inwisselbare film over een vrouw, die nu eenmaal in de hoek zit waar de klappen vallen. Soraya is echter ook een buitengewoon begaafde kunstenares, die sprekende sculpturen fabriceert, surrealistische schilderijen maakt en zingt en gitaar speelt. Een jonge vrouw die blijft verbazen.

Via de figuur van een clown drukt ze haar pijn uit, vertelt Soraya. Zij spreekt met een roze maan over haar verlangens. Een schrandere vos geeft haar advies. En haar angsten drukt ze uit in een demon, die zo voor één van de mannen met baard uit haar moederland zou kunnen doorgaan. Al deze figuren huizen in haar. ‘Voor mijn gevoel zijn we een complete familie’, zegt Soraya in de voice-over waarmee ze film aanstuurt.

De manier waarmee ze haar bleke bestaan vormgeeft, inkleurt en uitdrijft, tevens uitgewerkt in expressieve animaties die samenvloeien met haar telefoonbeelden, sublimeert deze film en resulteert in onvergetelijke beelden, bijvoorbeeld van een man met baard die ze eerst boetseert, daarna een clown – de vermoorde Afghaanse komiek Khasha Zhuwan – de keel laat dichtknijpen en tot slot het hoofd inslaat.

Als Soraya, tegen het einde van de film, bont en blauw, voor een spiegel staat, klaar voor weer een ‘game’, misschien wel de allerlaatste, besluit ze om een kleurrijk kunstwerk, misschien ook wel haar allerlaatste, te verrijken met haar eigen bloed, een traan om het leven dat ze heeft geleden, dat nu snel achter haar ligt. Op zoek naar een thuis, aan de andere zijde van Europa’s ondoordringbare grens.

32 Meters

Road Pictures

Normaal wordt er bij wedstrijden vanaf 45 meter afstand geschoten. Door mannen. De vrouwen gaan nu, hebben diezelfde mannen besloten, vanaf 32 Meters (84 min.) schieten. Als dat echt zo nodig moet.

Want eerlijk gezegd zitten de meeste mannen in de Turkse dorpsgemeenschap er niet op te wachten. Vrouwen horen, kortgezegd, in de keuken. Dan kennen ze Halime echter nog niet. Beter: die kennen ze wel. Deze plaatselijke vrijbuitster heeft al eens aan schietwedstrijden meegedaan en daarbij menige schutterende kerel in het stof laten bijten. Als gevreesde scherpschutter noopt ze nu ook haar vriendinnenclub om eens te gaan schieten.

Daarvoor hebben die dan wel toestemming nodig van de man des huizes. Zeker als ze niet alleen voor de kat z’n… willen gaan schieten, maar echt voor de prijzen willen gaan bij een lokale wedstrijd. Deze vrouwen zijn echter niet voor een kleintje vervaard. Als ‘t niet mag van onze mannen, zeggen ze tegen elkaar in deze kostelijke film van Morteza Atabaki, maken we die gewoon tot doelwit. En dan noemen ze zichzelf De Mannen Vernietigingsbende.

Alle gekheid op een stokje: 32 Meters snijdt wel degelijk een relevant maatschappelijk thema aan: de achtergestelde positie van vrouwen in een patriarchale samenleving. Stukje bij beetje weet de rebbel(en)club in deze real life-comedy beweging te krijgen in hun vastgeroeste wereld – al is dat schieten nog best lastig. ‘Proficiat, je hebt een berg geraakt!’, zegt Halime sarcastisch als één van de aspirant-schutters de trekker voor het eerst heeft overgehaald.

Van de meeste kerels hebben ze overigens weinig te vrezen. Op een enkele Joris Goedbloed die alles doet voor zijn ‘prinses’ na, zijn dat niet meer dan sukkels die lamlendig op de bank voor de tv hangen, zonnebloempitten zitten weg te knagen of in het gemeenschapshuis oeverloos met elkaar lullen. Althans, zo zet Atabaki ze in de wereld. Dat wordt soms bijna te leuk om waar te kunnen zijn. En dit zou je ook op deze lekker gestileerde docu tegen kunnen hebben.

Logischer is het echter om de personages en premisse zonder voorbehoud te omarmen en eens lekker te schuddebuiken om dit onvervalste stukje vrouwemancipatie, dat al die oenige mannen met wie zij leven en werken, zonder dat ze ’t doorhebben, toch maar overkomt. Tot besluit gooien de prijsschutsters voor de zekerheid zelfs nog letterlijk een steen in de vijver.

Love-22-Love

Periscoop

Toen hij enkele jaren geleden aan deze zeer persoonlijke film begon, had videokunstenaar Jeroen Kooijmans lange, zware jaren achter de rug. Met Love-22-Love (84 min.) wilde hij zich weer concentreren op het licht dat al die tijd op hem was blijven schijnen: zijn geliefde Elspeth Diederix. Kooijmans besloot haar een liefdesbrief te sturen. Die is uiteindelijk heel anders uitgepakt dan ie oorspronkelijk had bedacht.

Zijn film gaat terug naar 1992 als ze allebei op de Rietveld Academie zitten. Hoewel hij zich had voorgenomen om dat nooit te laten gebeuren, begint Kooijmans een relatie met zijn medestudent. Samen zullen ze in de navolgende jaren de halve wereld zien en grote successen boeken. Hij krijgt in 1998 bijvoorbeeld de NPS Cultuur Prijs uitgereikt door Oboema, zij wint enkele jaren later met haar fotografie de prestigieuze Prix de Rome.

In zijn hoofd rommelt ’t dan al enige tijd. Dat is overigens al vanaf het begin duidelijk. Deze egodocu start met een indringende video waarin Jeroen Kooijmans zichzelf filmt als hij in 2002 is opgenomen in het ‘gekkenhuis’. Zulke selfies avant la lettre, waarin hij soms ook tegen de camera spreekt, keren steeds terug in Love-22-Love. Kooijmans laat ermee in zijn hoofd kijken en ordent het bijbehorende leven vervolgens met een persoonlijke voice-over.

Hij maakt z’n gevoelsleven tevens zichtbaar met brieven die zijn pessimistische zelf in die jaren, in het Engels, aan zijn optimistische zelf heeft geschreven. Deze dagboekteksten werken tevens als structurerend element. Als hij spreekt over ‘overthinking’, ‘losing my mind’ of ‘nothing in life makes sense’, reageert zijn alter ego bijvoorbeeld met het advies om het denken over te laten aan de denkers. Tegen zichzelf: ‘I’m actually doing really well.’ 

‘s Mans onbehagen sijpelt natuurlijk ook door in zijn videokunst en homevideo’s, het hart van deze associatieve film. Die beeldenstroom laveert voortdurend tussen artistieke uitspattingen – als jager met geweer achtervolgt hij zijn geliefde, in een Roodkapje-rood jurkje, bijvoorbeeld in het bos – en voor de camera beleefde inzinkingen. Zoals een onvergetelijke naakte dans voor het open raam, terwijl hij de schaar in zijn haren zet.

Dat werk lijkt alomtegenwoordig in zijn leven. Het zorgt voor inspiratie, levert druk op en staat soms ook al het andere in de weg – inclusief de relatie met Elspeth. ‘Ik moet stoppen met kunst’, constateert Jeroen Kooijmans onderweg, in een grillig persoonlijk relaas dat ruim dertig jaar leven samenbalt in nog geen anderhalf uur. ‘Dat is de enige oplossing.’ Een leven als echtgenoot en vader van drie dochters wacht. Maar het bloed kruipt toch…

Zou hij zijn demonen, de depressies en psychoses, misschien kunnen verfilmen? En is dat dan verstandig? Wat zou Zij ervan vinden? Moet ze er überhaupt van weten? De vragen stellen…

Flana

Karada Films

Waar is mijn vriendin? Ruim twintig jaar na dato vraagt de Iraakse actrice en filmmaakster Zahraa Ghandour zich dit nog altijd af. Haar tienjarige buurmeisje Nour werd in 2001 huilend meegenomen. Zahraa zag ’t door een raam van de huiskamer gebeuren. Ze heeft haar sindsdien nooit meer gezien. Nour is een Flana (87 min.) geworden. Een vergeten, naamloze vrouw.

Samen met haar ongetrouwde tante Hayat, een vroedvrouw die zowel Nour als haar ter wereld heeft gebracht, buigt de Iraakse filmmaakster zich in deze persoonlijke film over waarom meisjes en vrouwen zo weinig waarde lijken te hebben in Irak. Aanstaande ouders hopen met heel hun hart op een jongetje. Een meisje wordt doorgaans met stilzwijgen begroet. Een gevoel van verwrongen rouw.

Nour werd geboren bij Hayat thuis. ‘Toen haar moeder aan het bevallen was, vertelde ze dat haar echtgenoot tegen haar had gezegd: als je een meisje krijgt, kom dan niet bij me terug’, herinnert tante zich. ‘Dan scheid ik van je.’ En dus liet ze het kind achter bij Hayat, met de belofte dat zij snel zou worden opgehaald. Niet dus. Toen een kinderloos stel later het geschrei van Nour hoorde, wilde dat de baby adopteren.

Daarmee was het leed echter nog niet geleden. Uiteindelijk verdween van Nour dus elk spoor. In de zoektocht naar haar vriendin stuit Ghandour op een andere beschadigde vrouw. Laïla. Net als andere ‘flana’ heeft zij de koude schouder van het huidige Irak leren kennen. Ooit konden vrouwen er frank en vrij leven, weet tante Hayat zich nog te herinneren. Maar ergens onderweg is hun land veranderd.

Ghandour begeleidt haar tocht door die vijandige wereld met een persoonlijke voice-over, gericht aan Nour. ‘Ik blijf zoeken’, zegt ze bijvoorbeeld, bij beelden van meisjes die voor contant geld lijken te dansen. ‘Ik vind anderen. Slachtoffers. Die zichzelf elke nacht verliezen in deze geschifte stad.’ Ze noemt ze bij naam: ‘Dalia. Raghad. Duha. Mariam. Aya. Mery. Lina. Zainab. Hiba. Te veel om op te noemen.’

Met haar geladen film vraagt Ghandour aandacht voor alle naamloze vrouwen, die tussen de kieren van deze patriarchale samenleving verdwijnen. Elke week wordt er ook wel één meisje vermoord. En als de dader een mannelijk familielid blijkt te zijn, kan die zowaar z’n straf ontlopen. Ongedocumenteerde meisjes zoals Nour kunnen dus ook ineens verdwijnen. Zonder dat er ook maar een haan naar kraait.

Kabul, Between Prayers

Clin d’oeil films

‘Waarom sluit je je niet bij ons aan?’ zegt Samim tegen een jongen die hij tijdens zijn surveillance op een brug in de Afghaanse hoofdstad Kaboel heeft aangesproken op z’n gedrag. Die ziet daar weinig in. ‘Kijk nou naar jezelf, met die waardeloze M16.’ Dat laat Samim zich echter niet zeggen. ‘Dit is geen goed geweer?’, reageert hij uitdagend, terwijl ie het wapen doorlaadt en richt op de voet van de jongen. ‘Goed of niet goed?’ De jongen, duidelijk geschrokken, kiest eieren voor zijn geld. ‘Een zeer goed geweer.’

Samim wordt in deze observerende film van de Afghaans-Nederlandse documentairemaker Aboozar Amini, de opvolger van zijn debuutfilm Kabul, City In The Wind (2018) in wat uiteindelijk een trilogie moet worden, geïntroduceerd terwijl hij datzelfde wapen nog eens omzichtig controleert en vervolgens op het kleedje legt, dat hij aan de rand van de stad heeft uitgespreid. Samim begint aan een omstandig gebed. ‘Oh Allah, breng de sharia-wetten naar de rest van de wereld’, prevelt hij. ‘Zorg voor de families van onze martelaren en vernietig iedereen die u verraadt.’

Als Samim zich helemaal voorover buigt en met zijn hoofd het gebedskleed aanraakt, is ‘t alsof hij ook eer bewijst aan zijn wapen. En dat is niet eens zover bezijden de waarheid. De 23-jarige Afghaan, die zich zomaar kan verliezen in stoerdoenerij met z’n geweer, is tevens een voetsoldaat van de Taliban. Zijn veertienjarige broer Rafi kijkt echt tegen hem op en is zelf ook al vertrouwd geraakt met de bijbehorende retoriek. ‘Voor moslims is dit leven de hel en is het hiernamaals het paradijs’, dreunt hij op. ‘Voor ongelovigen is dit leven het paradijs, het hiernamaals wordt voor hen echter de hel.’

Tegelijk toont Amini, die de film vanuit Nederland regisseerde en op afstand zijn cinematograaf Ali Agha Oktay Khan moest aansturen, Rafi als een doodgewone jongen, die samen met de rest van het gezin op hun akker werkt, rond het huis speelt met z’n jongere broertje Ilyas en direct begint te blozen als hem wordt gevraagd of ie wel eens verliefd is geweest. Zoals zijn oudere broer ook gewoon maar een jonge vent is, die graag met zijn broeders op de motor de blits maakt in de stad. Een man ook, die ongelukkig is in zijn vooralsnog kinderloos gebleven huwelijk en een nieuwe liefde overweegt.

Kabul, Between Prayers (102 min.) vervat het leven van de broers in langgerekte scènes. Te midden van hun dagelijkse beslommeringen is er, heel vanzelfsprekend, die in westerse ogen fundamentalistische ideologie, waarbinnen ongelovigen moeten branden, een zelfmoordaanslag het na te streven doel is en zoiets als eer alleen toegankelijk is voor mannen. Niet voor vrouwen, in elk geval. Op de spaarzame momenten dat Khan zijn camera op hen fixeert in de openbare ruimte, ogen zij als konijnen die in de kolossale koplampen van een onverbiddelijke mannenmaatschappij moeten kijken.

Terwijl hij van binnenuit het Taliban-wereldbeeld schetst, toont Aboozar Amini ook de humaniteit van de mensen die dat aanhangen. In de scène waarin Samim zijn broertjes liefdevol inwijdt in de geheimen van een machinegeweer, zodat zij weten wat ze moeten doen als er zich ooit vreemdelingen melden, komen de twee elementen samen. Jongens, hun speelgoed en die levensgevaarlijke ideologie. Het lijkt een recept voor nog heel veel ellende.

Justice For Sale

IF Productions

Volgens de Congolese vrouw Sifa Mbala is ze op 13 mei 2008 verkracht. Het politierapport spreekt echter van een dag eerder, 12 mei. En het slachtoffer van dit seksuele geweld blijkt zich nóg een dag eerder, op 11 mei 2008, al bij het ziekenhuis te hebben gemeld. Pro deo-advocaat Claudine Tsongo kan ‘t nauwelijks geloven: ondanks deze overduidelijke ongerijmdheden is haar cliënt, de militair Masamba Masamba, bij een verkrachtingstribunaal tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld. ‘Wat was het bewijs?’, vraagt ze zich af. ‘Ik zie ‘t niet.’

Tsongo is bij de zaak betrokken geraakt via de Nederlandse documentairemakers Ilse en Femke van Velzen. Zij maakten al twee films over seksueel geweld in Congo: Fighting The Silence (2007) en Weapon Of War (2009). Zij registreerden in dat kader ook de berechting van Masamba en vonden de gang van zaken daarbij toch wel héél opmerkelijk. ‘Ik ken haar lichaam niet’, hield de verdachte militair toen staande. ‘Ik zou niet weten hoe wij seks hadden kunnen hebben. Als zij beweert dat ik haar heb verkracht, laat haar dan met bewijs komen. Ik heb haar helemaal niet verkracht.’

In de observerende documentaire Justice For Sale (82 min.) uit 2011, het derde deel van hun Congo-trilogie, alterneren de tweelingzussen Van Velzen voortdurend tussen de oorspronkelijke rechtszaak tegen Masamba, die soms Kafkaëske vormen aanneemt, en de pogingen van de kordate mensenrechtenadvocate Claudine om de waarheid boven tafel te krijgen. Zij spreekt niet alleen met haar cliënt, diens echtgenote en zijn advocaat, maar reist ook naar het slachtoffer, haar advocaat en de man die verantwoordelijk lijkt te zijn voor de aangifte tegen Masamba, Sifa’s echtgenoot.

Gaandeweg ontstaat bij Tsongo de overtuiging dat Masamba méér is dan de zoveelste man die ontkent dat hij de grenzen van een vrouw heeft overschreden en die zich erop beroept dat er geen bewijs is. Hij zou inderdaad wel eens onschuldig kunnen zijn. Wellicht zit de reden voor deze beschuldiging in een meningsverschil met kapitein Mbala over een verdwenen telefoon. En omdat Congo, na een verpletterende burgeroorlog waarin seks stelselmatig als wapen is ingezet, schoon schip wil maken, lijkt een man die wordt beschuldigd van verkrachting bij voorbaat al veroordeeld.

Daarmee heeft Justice For Sale een wezenlijk andere insteek dan de twee eerste Congo-films van Ilse en Femke van Velzen. In Fighting The Silence en Weapon Of War tonen ze de enorme schade die seksueel geweld kan aanrichten in een samenleving, terwijl deze derde documentaire juist laat zien hoe de reactie daarop ook weer kan doorslaan. Als slachtoffers en hun advocaten op alle mogelijke manieren worden bijgestaan door lokale en internationale hulporganisaties, die ook de rechters op hun hand hebben, komt de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het geding.

Deze film heeft er in elk geval voor gezorgd dat de zaak tegen Masamba nog een vervolg heeft gekregen.

Remake

remakemovie.com

Ze hebben een andere betekenis gekregen, de beelden die Ross McElwee al zijn hele leven lang maakt van zijn zoon. Sinds Adrian zeven jaar eerder is overleden, zijn ze van kleur verschoten. De hoofdpersoon behoort niet meer tot dit leven, maar bevindt zich ergens in een soort halfbestaan. Adrian is weer dat ontwapenende jongetje, een weerspannige tiener en de jongvolwassene die met zichzelf in de knoop ligt – en vervolgens een uitweg zoekt in drank en drugs.

Zijn vader bekijkt de beelden die hij door de jaren heeft gemaakt van zijn opgroeiende zoon, diens moeder Marilyn en zijn geadopteerde zus Maryah met een nieuw paar ogen. Ooit claimden deze snapshots van zijn eigen leven al hun rechtmatige plek in documentaires zoals Sherman’s March, In Paraguay en Photographic Memory, nu kiezen ze opnieuw positie in het bestaan dat Ross McElwee sinds Adrians dood grondig moet herbezien. Met een nieuwe film documenteert ie – hij kan blijkbaar niet anders – dat pijnlijke proces: Remake (116 min.).

Tussendoor houdt hij zich onledig met het voorstel van een andere regisseur om een fictiefilm te maken, die is gebaseerd op McElwees pièce de résistance Sherman’s March. En hij wil daar zelf – het bloed kruipt nu eenmaal… – weer een making of-documentaire bij maken. Over het Droste-effect gesproken: leven -> documentaire -> fictieproductie -> documentaire -> leven. Adrian heeft alvast het moment vastgelegd waarop zijn vader z’n handtekening zet op de overeenkomst. Want ook zoonlief wilde filmen. Alsof/omdat zijn leven ervan afhing.

Alles krijgt zo opnieuw betekenis: de echtscheiding waarbij zowel Ross McElwee als zijn ex-echtgenote Marilyn zich zorgen maakten over wat die betekende voor de kinderen. ‘Maar niet bezorgd genoeg om er niet mee door te gaan.’ De nieuwe relatie die hij kreeg met de Zuid-Koreaanse filmmaakster Hyun Kyung Kim, die alleen niet met haar gezicht in beeld wil bij zijn films. En McElwees beste vriendin Charleen Swansea, één van de ‘sterren’ van Sherman’s March, die inmiddels haar herinneringen kwijt is. Zij vormen stukjes voor een nieuwe puzzel.

Die probeert hij in deze sensitieve documentaire, die tevens het karakter krijgt van een retrospectief, hardop denkend te leggen. Met zijn ingetogen voice-over doorzoekt Ross McElwee scènes uit de verschillende uithoeken van zijn leven en laat die een nieuwe verbinding met elkaar aangaan. Zo probeert hij, de obsessieve beeldenverzamelaar, zijn herinneringen aan Adrian en het leven dat ze samen hebben geleid vast te houden en een ander verhaal te laten ontstaan, dat op de één of andere manier zin kan geven aan de grootste tragedie van zijn leven.

Cutting Through Rocks

Autlook

Ze gaan op haar stemmen, zeggen ze tegen Sara. Hand op het hart. Niet alleen vrouwen spreken hun steun uit, ook mannen beloven haar hun stem. En dat is bepaald niet vanzelfsprekend als een vrouw zich in Iran verkiesbaar stelt voor een plek in de lokale volksvertegenwoordiging, blijkt al snel in Cutting Through Rocks (93 min.).

Nu is Sara Shagverdi ook geen gewone vrouw. Ze werd door haar vader, die eigenlijk op een zoon had gehoopt, behandeld als een jongen. Hij leerde haar bijvoorbeeld motorrijden, als eerste meisje in de wijde regio. Zo kwam ze op plekken, waar normaal gesproken alleen mannen komen. ‘Ik voelde me vrij’, herinnert Sara zich die tijd.

Toen haar vader overleed, waren al haar zussen al getrouwd en het huis uit en Sara’s broers nog te jong om het gezin te runnen. Daarom werd zij als zestienjarig meisje kostwinner. Ze werkte ook jarenlang als verloskundige en zou sowieso altijd een buitenbeentje blijven, een vrouw die zich nu eens niet liet afschrikken door mannen.

Inmiddels is Sara, na een scheiding, alweer tien jaar alleen en heeft ze zich kandidaat gesteld als raadslid. In een regio waar nog nooit een vrouw is gekozen. Sommige mannen vinden ’t dan ook maar niks dat zij kandidaat is. Ook haar eigen broer, die zelf ook één van de vijf zetels wil winnen, heeft er geen fiducie in, laat ie haar weten.

Sara heeft echter meer dan genoeg haar op d’r tanden om al die mannen met huid en haar op te vreten en dan ook nog daadwerkelijk iets voor elkaar te krijgen. Zoals bijvoorbeeld het regelen van een gasvoorziening voor haar dorp, die ze dan weer inzet om de mannen te dwingen om het bezit van hun huis en land te delen met hun vrouw.

Het Iraanse echtpaar Sara Khaki en Mohammadreza Eyni, dat met deze observerende film debuteert, laat tegelijkertijd ook zien hoe een vrouw als Sara werkelijk alles moet bevechten en vrijwel permanent – direct of juist zeer slinks – wordt tegengewerkt. Ze krijgt niets voor niets en kan elk ogenblik alles kwijtraken, zelfs haar eigen identiteit.

De gedreven voorvechtster van vrouwenrechten, die op een meisjesschool een hartstochtelijk betoog heeft gehouden om vooral hoge doelen te stellen, wordt geconfronteerd met de realiteit: op elke stap vooruit kan zomaar een pas achterwaarts volgen – of twee. Zelfs een rolmodel zoals zijzelf is daarvan niet gevrijwaard.

En het is ook de vraag of ze in staat is om volgende generaties te behoeden voor de knoet van het patriarchaat. Ze kan Fereshteh, een twaalfjarig meisje dat net is gescheiden van een twintig jaar oudere man, bijvoorbeeld leren motorrijden en inwijden in de geheimen van een vroedvrouw, maar kan ze ook voorkomen dat zij opnieuw wordt uitgehuwelijkt?

Wanhoop en moedeloosheid nemen ‘t in deze indringende film dan over van strijdlust en optimisme. Over een gevecht dat weliswaar kan – en ook moet – worden aangegaan, maar dat tegelijkertijd nooit is te winnen. Want emancipatie mag dan beginnen bij jezelf, in het eigen hoofd en hart, maar blijft toch ook afhankelijk van de wereld eromheen.

En dan pakken vrouwen zoals Sara Shagverdi de handschoen toch weer op…

John Candy: I Like Me

Prime Video

‘Had ik maar meer slechte dingen over hem te zeggen’, begint zijn vriend en collega Bill Murray bij de start van de documentaire John Candy: I Like Me (112 min.) van Colin Hanks. ‘Maar dat is het lastige als je het over John hebt. Mensen hebben weinig slechte dingen over hem te zeggen.’

Dat is een wat ontmoedigende start voor een bijna twee uur durend portret van een comedian, die al ruim dertig jaar dood is. Zeker als daarna de gloedvolle speech van Dan Aykroyd, een andere vriend en collega, bij Candy’s uitvaart op 18 maart 1994 is te horen, begeleid door een wervelende collage van zijn rollen in Hollywood-hits als StripesSplash en Uncle Buck. Prachtvent, vermoedelijk. Maar is nu in wezen niet alles al verteld? 

Vooruit, John Candy (1950-1994) groeide op in de omgeving van Toronto, verloor zijn vader toen hij vijf was en zou altijd het gevoel houden dat hij in geleende tijd leefde. Terwijl de Canadees naam maakte als komiek bij de Amerikaanse sketchshow SCTV, met de bijnaam Johnny Toronto, en vervolgens doorbrak in Hollywood bleef Candy bang dat hij net als zijn vader niet ouder zou worden dan 35. Ook zijn ongezonde levensstijl speelde hem daarbij natuurlijk parten.

Vanwege zijn overgewicht zou hij ook vaak getypecast worden als gezellige en grappige dikkerd. Het succes dat hij zo kreeg kon de pijn die hij daarvan had nooit volledig wegnemen. Vanwege aanhoudende twijfel en onzekerheid besloot de onvervalste ‘people pleaser’ uiteindelijk om in therapie te gaan en een diëtist in te huren. En toen, op de set van de film Wagons East, kreeg John Candy op slechts 43-jarige leeftijd een hartaanval.

Een combinatie van verwanten, waaronder zijn vrouw Rose, zoon Christopher en dochter Jennifer, en collega’s zoals Dan Aykroyd, Martin Short, Steve Martin, Conan O’Brien, Mel Brooks, Macauley Culkin en Tom Hanks plaatsen zijn veel te korte leven nog eens in perspectief. Een sympathieke, getalenteerde en gulle man, als we hen mogen geloven in deze vermakelijke film, die alleen wel een kartelrandje had kunnen gebruiken.

Want naar wat de man nu werkelijk dreef, hoe hij echt was als partner en vader en of hij niet liever in wat zwaardere films had gespeeld, blijft ‘t, ook na bijna twee uur, nog altijd gissen.

Game Of Truth

Domino Production

De bom is nog niet afgegaan op 4 december 1971 of een nauwelijks te geloven verklaring doet de ronde, die een dag later ook in de Britse kranten zal staan: de explosie, die vijftien bezoekers van de katholieke pub McGurk’s in de Noord-Ierse hoofdstad het leven kost en nog eens zeventien cafégangers verwondt, is niet het gevolg van een aanslag door loyalistische extremisten. Nee, het gaat in werkelijkheid om een ‘eigen goal’ van hun tegenstanders, de Irish Republican Army (IRA). De bom zou per ongeluk zijn afgegaan toen een IRA-lid even de kroeg inging.

In de indringende documentaire Game Of Truth (83 min.) concentreert Fabienne Lips Dumas zich op zulke psychologische oorlogsvoering tijdens ‘The Troubles’, de volledig ontspoorde strijd om het lot van Noord-Ierland: aansluiten bij Ierland, zoals de katholieke IRA wil, of ‘gewoon’ in het Verenigd Koninkrijk blijven, zoals protestante loyalisten en de Britten voorstaan? Van eind jaren zestig tot aan de Goede Vrijdag-vredesakoorden in 1998 is Noord-Ierland niet alleen het toneel voor een serie bloedige acties, aanvallen en aanslagen, Ulster wordt automatisch ook een podium voor propaganda, desinformatie en dubbelagenten.

Zo zou de Britse generaal Frank Kitson, een specialist in psychologische oorlogsvoering, de hand hebben gehad in het nepnieuws dat na de loyalistische aanslag op McGurk’s werd verspreid. De grootmoeder van Ciarán Mac Airt werd daarbij vermoord. Namens andere nabestaanden wil hij dat de onderste steen boven komt. Ook de vrouw en zoons van Pat Finucane verlangen antwoorden. De advocaat, die de befaamde hongerstakers van de IRA had bijgestaan, werd op zondag 12 februari 1989 vermoord. Gewapende mannen drongen binnen in zijn huis en schoten hem tijdens het avondeten voor het oog van zijn gezin dood. Veertien kogels bleven achter in zijn lichaam.

Lips Dumas zoomt verder in op de afrekening met de (vermeende) informant Joseph Mulhern bij de Irish Republican Army, de IRA-aanslag op de protestante viswinkel Frizzell aan Shankill Road in Belfast (waarvan de Britse politie vooraf al op de hoogte zou zijn geweest) en de moord op Raymond McCord, die nooit fatsoenlijk werd onderzocht omdat er een clandestiene medewerker van Britse paramilitairen bij betrokken zou zijn geweest. Ze reconstrueert deze dramatische gebeurtenissen met game-achtige animaties, laat ze inkaderen door direct betrokkenen en deskundigen en spreekt met de nabestaanden over hun frustrerende zoektocht naar de waarheid.

Van de ruim 3500 moorden tijdens The Troubles is een groot deel nog altijd onopgelost – hoewel menigeen, inclusief Britse overheidsfunctionarissen, wel degelijk weet wie ervoor verantwoordelijk is. Zo duurt de smerige oorlog, ruim 25 jaar na het tekenen van de vrede, nog steeds voort. Game Of Truth agendeert deze kwestie overtuigend, met oog voor de menselijke gevolgen van deze tragedies.

Ozzy: No Escape from Now

SkyShowtime

Hij maakt enkele albums, wint daarmee zowaar twee Grammy Awards en wordt ook nog eens opgenomen in de Rock And Roll Hall Of Fame. Toch staan de laatste jaren van de onlangs overleden metalheld Ozzy Osbourne (1948-2025) vooral in het teken van zijn broze gezondheid, het cancelen van concerten en de twijfels, spijt en somberheid die daarmee gepaard gaan. Zijn vrouw en manager Sharon en hun kinderen Aimée, Kelly en Jack proberen hem daar, soms met de moed der wanhoop, doorheen te loodsen.

Voor Osbournes introductie in de Hall Of Fame wordt bijvoorbeeld een soort superband samengesteld met de vocalisten Billy Idol, Jelly Roll en Maynard James Keenan (Tool), gitarist Zakk Wylde (Black Label Society), bassist Robert Trujillo (Metallica) en drummer Chad Smith (Red Hot Chili Peppers). Ozzy kan het echter nauwelijks verkroppen dat hij zelf niet het podium op kan om te rocken. En aan gewoon speechen moet ie al helemaal niet denken. Als hij überhaupt in staat is, vanwege alweer nieuwe medische complicaties, om naar de officiële ceremonie af te reizen.

Uiteindelijk rest hem nog één enkel concert, op 5 juli 2025 in Villa Park in zijn geboortestad Birmingham, waar hij samen met zijn oude strijdmakkers van Black Sabbath afscheid wil nemen van een even succesvolle als tumultueuze carrière en de fans die hem ruim een halve eeuw trouw zijn gebleven. Dat is ook het vanzelfsprekende richtpunt van de documentaire Ozzy: No Escape from Now (123 min.) van Tania Alexander. De weg daarnaartoe is alleen behoorlijk soapy. Alsof de realityserie The Osbournes (2002-2005) een tamelijk zwaarmoedige reprise heeft gekregen.

Zelf twijfelt Osbourne namelijk of hij die afscheidsshow wel gaat halen – en ook zijn doorgaans onverzettelijke echtgenote Sharon zit soms in zak en as. Want onderweg dienen zich steeds weer nieuwe ongemakken aan. ‘Het is compleet ontmoedigend’, verzucht Ozzy, enkele maanden voor ‘Back To The Beginning’. ‘Maar ik moet daarheen. Ik moet er echt zijn!’ En hij zal er uiteindelijk toch komen eruit gaan met een grote knal. Te midden van metal-grootheden zoals Metallica, Slayer en Guns N’ Roses kan ‘The Prince Of Darkness’ nog eenmaal opdraven als de ongekroonde koning van de heavy metal.

En daarna wachten de eeuwige jachtvelden van de rock & roll.

Lilith Fair: Building A Mystery

Disney+

‘Never play two women back to back.’ Op de Amerikaanse radio is het tot ver in de jaren negentig goed gebruik om nooit twee liedjes van vrouwelijke artiesten achter elkaar te draaien. Dat kan het publiek helemaal niet aan. Of twee opeenvolgende vrouwelijke acts op een festival. Ook niet doen. Daar komt alleen maar ellende van.

En dat is dan weer tegen het zere been van de Canadese singer-songwriter Sarah McLachlan, die zich sowieso verbaast over het alomtegenwoordige seksisme binnen de Amerikaanse muziekindustrie. Vrouwelijke artiesten worden nog altijd keihard worden afgerekend op hun uiterlijk en moeten zich, bijvoorbeeld op festivals zoals Lollapalooza, staande houden in een vrijwel volledig mannelijke omgeving. McLachlan en haar – overigens ook volledig mannelijke – team zinnen op een alternatief: een rondreizend festival met louter vrouwelijke acts, die nu eens niet hoeven te wedijveren met macho mannen.

Ze dubben dit Lilith Fair – vernoemd naar de eerste vrouw van Adam, voordat die aan de zijde van Eva belandde – en strikken toonaangevende artiesten zoals Patti Smith, Tracy Chapman, Sinead O’Connor, Dixie Chicks en Missy Elliott. Ook de festivalcrew en het publiek bestaan voor een belangrijk deel uit vrouwen. Dat zorgt voor een enorme saamhorigheid en aandacht voor thema’s die de Lilith-gemeenschap aangaan, zoals het recht op abortus en de emancipatie van LHBTIQ+’ers (via rolmodellen zoals Indigo Girls en Brandi Carlile). Van elk festivalkaartje wordt bovendien een dollar gedoneerd aan een goed doel.

In de onvervalste trip nostalgia Lilith Fair: Building A Mystery (99 min.) blikt Ally Pankiw met Sarah McLachlan en haar team en participanten zoals Sheryl Crow, Suzanne Vega, Jewel, Liz Phair, Paula Cole, Shawn Colvin, Erykah Badu en Joan Osborne terug op de jaren 1997-1999, waarin Lilith Fair een divers en inclusief alternatief biedt voor de veelal door mannen en mannetjes gedomineerde popfestivals. Zoals bijvoorbeeld de volledig uit de hand gelopen reprise van Woodstock in 1999, waarbij lompe macho acts als Limp Bizkit en Kid Rock de toon zetten en een zeer agressieve, vrouwonvriendelijke omgeving creëren.

Tegelijkertijd is kritiek op ‘Vulvapalooza’ ook onvermijdelijk en krijgt het reizende circus zeker in het Amerikaanse hartland te maken met aanvallen uit conservatieve hoek. Die kunnen het zusterschap, waarvan uiteindelijk ook aanvankelijke kritische vrouwen zoals comedian Sarah Bernhard en Chrissie Hynde (The Pretenders) deel zijn gaan uitmaken, echter niet verstoren, blijkt uit deze liefdevolle reconstructie, die tevens tegemoet komt aan iedereen met ‘nineties nostalgia’.

Het Muziekmedicijn

Memphis Features / Max

Van muziek bloeit niet alleen het hart open, ook de hersenen gaan er beter van werken. Klassiek zangeres Maartje de Lint, artistiek leider van Zingen In De Zorg, maakt zich daarom sterk voor het doelbewust inzetten van zingen en dansen bij mensen met dementie. En dan niet alleen door goedbedoelende vrijwilligers, maar door professionals zoals zijzelf, die zijn getraind om de neuroplasticiteit en cognitie van ouderen met dementie in stand te houden of zelfs weer te verbeteren.

‘Dat klankgeheugen, wat diep in dat brein zit, dat is mijn materiaal’ vertelt de Lint in de documentaire Het Muziekmedicijn (58 min.) van Frénk van der Linden. ‘En dan is het mijn taak om die deur open te doen, zodat de mensen zelf ontdekken dat ze nog heel veel kunnen.’ Tijdens zogeheten Zing-Cirkels gaat ze zowel met mensen met dementie als met hun mantelzorgers aan het werk. De muziek brengt hen niet alleen troost en vreugde, maar ook zichtbaar dichter bij elkaar. Want samen zingen zorgt voor verbinding.

Eli Tuhuteru, die als zevenjarig jongetje met de boot van de Molukken naar Nederland is gekomen, is in 2016 gediagnosticeerd met dementie. Hij kan intens genieten van de muziek van zijn jeugd en het land waar hij nog altijd thuis is. Zijn dochter Shirley volgt nu de opleiding tot Zorg-Zangeres bij Maartje de Lint, waarbij ze leert om haar vader en mensen zoals hij te raken en stimuleren met muziek. Via zingen kunnen zij vasthouden wie ze zijn en welllicht zelfs weer iets terugkrijgen wat eerder verloren leek.

Theo van der Eng en zijn vrouw Nelly nemen ook deel aan zulke bijeenkomsten. Ze zijn al vijftig jaar getrouwd, maar sinds Theo frontotemporale dementie heeft is hun relatie grondig veranderd. Nelly voelt zich volgens eigen zeggen soms net een weduwvrouw. Haar man trekt vaak helemaal zijn eigen plan en zit hele dagen boven op z’n kamer Palingpop, liefst van zijn favoriete groep The Cats, te luisteren. En Theo heeft ook altijd een zakdoekje bij de hand, om de tranen van ontroering weg te vegen.

Theo van der Eng participeert tevens in een onderzoek van het Alzheimercentrum van het Amsterdam UMC, waarbij wordt nagegaan wat muziek te weeg brengt in de hersenen van mensen met verschillende dementievarianten en hoe muziek misschien kan worden ingezet om de aandoening tot stilstand te brengen of zelfs terug te dringen. Zo kunnen zij wellicht een wetenschappelijk fundament leggen onder wat zingende zorgers zoals Maartje de Lint voor het oog van de camera al heel aannemelijk maken: zingen is gezond.

En Frénk van der Linden huldigt in deze warme docu vooral het ‘show, don’t tell’-principe. Beter: sing, don’t tell. Zo zet Het Muziekmedicijn helder op de kaart dat er nauwelijks iets te bedenken is dat dieper in de mens, ook als die in de herfst of winter van zijn leven is aanbeland, reikt dan muziek.

Always Looking – Titus Brooks Heagins

PBS

Het is niet moeilijk om de overeenkomst te zien tussen de mensen die de tegendraadse Afro-Amerikaanse fotograaf Titus Brooks Heagins in zijn werk portretteert. Ze staan er, net als hijzelf, allemaal een beetje buiten. Ze hebben bijvoorbeeld tatoeages, dragen een hoodie of zijn trans – en ze zijn doorgaans ook niet wit. Met zijn portretfotografie probeert Titus gemarginaliseerde groepen de erkenning te geven die hen toekomt.

Ze is zwart, somt Nikki, een model dat hij al jaren fotografeert, bijvoorbeeld op in de documentaire Always Looking: Titus Brooks Heagins (55 min.). Vrouw. Albino. Blind. En Queer. Op zijn foto’s vervagen al die predicaten echter snel. Nikki is en wordt simpelweg een mens. Gewoon en bijzonder tegelijk. Mensen zoals zij zijn ook niet anders dan hij zelf is, legt Titus uit in deze verzorgde film van Olympia Stone.

Hij werd als kleine jongen regelmatig uitgescholden voor homo. Zo ontwikkelde ie affiniteit met ‘communities of otherness’. Hij wil nu bijdragen aan hun emancipatie. Zolang zij niet vrij zijn, kan hij zelf ook niet vrij zijn. ‘Dat is het doel van mijn fotografie.’ Maar is hij, als cisgender, wel de aangewezen persoon om bijvoorbeeld het verhaal van transpersonen te vertellen? vraagt een enkeling zich af. Wanneer wordt dat exploitatie?

Intussen wil Stone van Brooks weten wat hij ervan vindt dat zij, als witte vrouw, nu een portret maakt van hem, de zwarte kunstenaar. Hij vindt ’t een beladen vraag. Zit zij zwarte filmmakers in de weg? ‘Voordat jij me belde, was ik nog door niemand benaderd’ herstelt hij zich al snel. ‘En daarna heeft ook niemand op mijn deur geklopt met de boodschap dat ik die witte griet aan de kant moet zetten, zodat ie ’t kan overnemen.’

Zo sijpelt een hedendaags maatschappelijk debat door in het gesprek over een fotograaf, die tegelijkertijd ook nogal eens is gekwalificeerd als een boze zwarte man en die zelf ook vaak het gevoel heeft gehad dat hij niet werd begrepen of zelfs tegengewerkt. Deze film toont hem via zijn werk en z’n nalatenschap – in de vorm van de beelden van een aantal jonge zwarte fotografen die Titus onder z’n hoede heeft genomen.

Zijn eigen werk spreekt intussen nog voor zichzelf. Soms letterlijk. ‘I didn’t choose to be black’, vertelt het T-shirt van een vrouw met een afrokapsel, op een typische Titus Brooks Heagins-portretfoto bijvoorbeeld. ‘I just got lucky.’

Andrea Bocelli: Because I Believe

Piece Of Magic

‘Realiseer je je’, zegt de Italiaanse zanger Andrea Bocelli tegen zijn collega Massimo Cavalletti, ‘dat morgenavond, als ik hier sta te zingen, mijn team in de finale van de Champions League staat? Dat gebeurt maar eens in de zoveel tijd. Ik overweeg om de wedstrijd te volgen via een oortje terwijl ik sta te zingen.’

Zover zal het natuurlijk niet komen, maar de Toscaanse tenor neemt in de navolgende uren wel elke gelegenheid te baat om achter de schermen de voetbalwedstrijd van zijn favoriete club Inter Milan te kunnen volgen. Het wordt een deceptie. Zijn publiek zal echter nooit merken dat Bocelli absoluut niet tegen z’n verlies kan. Op het podium blijft hij, zoals mag worden verwacht van een gereputeerde vocalist, uiterst professioneel.

Het is één van de aardigste scènes van de documentaire Andrea Bocelli: Because I Believe (107 min.) van Cosima Spender, die werd geproduceerd door de zanger zelf en zijn vrouw en manager Veronica. Bocelli, die zich zowel in de pop- als de operawereld heeft bewezen, geeft in dit klassieke (zelf)portret een kijkje in zijn bestaan als gearriveerde artiest en blikt ondertussen terug op zijn leven en loopbaan.

Een cruciale gebeurtenis in die 67 jaar speelt zich eveneens af op een voetbalveld. Het gaat om de allerlaatste wedstrijd die Bocelli ooit zal keepen. Op z’n twaalfde krijgt hij een bal tegen zijn hoofd. Daarna gaat het licht definitief uit. De Toscaanse plattelandsjongen, die is geboren met een oogziekte en op z’n zevende naar een speciale kostschool voor blinden en slechtzienden werd gestuurd, zal nooit meer zien.

Dan is al wel duidelijk dat hij een uitgesproken talent heeft. Op de kostschool, waar ie zich zonder familie en vrienden moet zien te redden, treedt Andrea Bocelli net als thuis regelmatig op. Hij zingt er volgens de overlevering, hoe treffend, O Sole Mio. En de rest is geschiedenis, zeggen ze dan – al moet Bocelli tot z’n dertigste wachten op z’n grote doorbraak. En daarna dient hij zich nog te bewijzen in zijn grote liefde, opera.

Het relaas van zijn carrière wordt in deze film verteld met behulp van mensen die daarin een sleutelrol speelden: zanger Zucchero Fornaciare, platenbazin Caterina Caselli en producer David Foster. In die tijd moet hij afrekenen met podiumvrees, stemproblemen en ‘de eenzaamheid van succes’. Bocelli spreekt er ogenschijnlijk open over. Afgemeten. Zonder al te veel drama. Dat is hem als jongen met een beperking wel geleerd.

Hij laat zich verder seconderen door zijn vrouw Veronica, broer Alberto en enkele persoonlijke vrienden. Zij kenschetsen hem als een man die dicht bij zichzelf probeert te blijven. Zowel persoonlijk als letterlijk: in de omgeving waar hij is opgegroeid. Hij ontvangt er vrienden, treedt op in het door hemzelf gestarte openluchttheater Teatro del Silenzio en rijdt er rond op z’n paard – tot verbazing van anderen: zonder begeleiding.

‘Nul angst’, zegt Andrea Bocelli zonder omhaal van woorden, niet alleen over dat paardrijden, in deze verzorgde film, die verder fraaie jeugdbeelden bevat en natuurlijk is doorspekt met talloze zangscènes, waarin hij die imposante stem, in een operasetting of juist samen met hedendaagse pophelden zoals Ed Sheeran en Dua Lipa, z’n ontzagwekkende werk kan laten doen.

The Last Expedition

Vinca Film

De dood of de gladiolen – of tóch een zeer vakkundig uitgevoerde ontsnapping? Als Wanda Rutkiewicz, de eerste Poolse alpinist die de Mount Everest heeft bedwongen, in mei 1992 niet terugkeert van haar beklimming van de Kangchenjunga-berg in Nepal, lijkt het evident dat ze ergens onderweg is omgekomen. Toch is er nog een ander scenario: Rutkiewicz zou zich, zoals ze eerder al bij haar moeder opperde, hebben teruggetrokken in een nonnenklooster te Tibet en daar nog altijd in stilte leven.

Ruim dertig jaar later reist klimmer Eliza Kubarska in The Last Expedition (85 min.) zelf af naar de Himalaya-top, op zoek naar het antwoord op de vraag wat er is gebeurd met de vermaarde bergbeklimster, die zich na de dood van haar derde echtgenoot Kurt Lyncekrüger had vastgebeten in een nieuw idee: met de ‘Caravan To Dreams’ wilde ze binnen één jaar nog acht van de hoogste bergtoppen ter wereld beklimmen. Dan zou ze als eerste alpinist ter wereld alle veertien ‘achtduizenders’ op haar naam hebben staan.

‘Dan ben ik voor de verandering eens niet nummer drie op het podium, achter Messner en Kukuczka’, stelt Wanda Rutkiewicz in één van de bewaard gebleven geluidsopnames die Kubarska gebruikt als geraamte voor haar film. ‘Ik zal de eerste zijn die iets nieuws heeft geprobeerd.’ Uit deze ferme ambitie spreekt meteen Rutkiewiczs verlangen om nu eindelijk eens op haar eigen merites beoordeeld te worden. Als één van ‘s werelds beste bergbeklimmers, waarbij ’t er niet toe doet dat ze tot het vrouwelijke geslacht behoort.

Altijd weer moet ze zich echter bewijzen ten opzichte van mannelijke collega’s, blijkt uit het overvloedige archiefmateriaal in The Last Expedition. Impliciet – en soms ook zeer expliciet – wordt ze geconfronteerd met vooroordelen over vrouwen. Na haar beklimming van de Annapurna-berg, in het jaar voor haar verdwijning, klinkt er zelfs openlijke twijfel of ze de top van die Himalaya-berg wel heeft bereikt. Kubarska legt zulke en andere zaken uit het leven van haar heldin ook voor aan familieleden, vrienden en collega’s.

In retrospectief wordt Wanda Rutkiewicz, één van de belangrijkste bergbeklimmers van haar tijd, toch een wat tragische figuur. Niet door wie ze was – juist niet – maar om hoe ze werd bekeken. Zo bezien is het ook heel goed voor te stellen dat ze destijds de vlucht naar voren heeft gekozen en in de kantlijn van het bestaan, losgemaakt van de dagelijkse dingen en haar eigen bewijsdrang, is gaan leven op een plek waar al dat aardse er niet toe doet – al blijft dat idee waarschijnlijk toch een kwestie van ‘wishful thinking’.

Een construct om haar leven van een passend einde te voorzien en dit boeiende postume portret extra richting te geven.

Être Noir À L’Opéra

Arte

Met het Manifeste De La Question Raciale A L’Opéra National De Paris gooien vierhonderd medewerkers van de Opéra van Parijs in het najaar van 2020 de knuppel in het hoenderhok: het prestigieuze gezelschap moet nu eindelijk eens inclusiever worden. De ondertekenaars bepleiten het afschaffen van praktijken die voortkomen uit kolonialisme en/of slavernij. Geen ‘blackface’ of ‘yellowface’ dus meer. En een divers repertoire en materiaal, zoals make-up en maillots, dat is aangepast aan de huidskleur van de artiesten. Het moet, kortom, afgelopen zijn met ballet als een typisch witte kunstvorm.

Ook de 23-jarige danser Guillaume Diop zet zijn handtekening. Drie jaar later wordt hij gekozen tot étoile, de eerste zwarte sterdanser van L’Opéra. ‘Als je zwart en Aziatisch bent, heb je te maken met positieve discriminatie’, vertelt hij in Être Noir À L’Opéra (52 min.), de film die Virginie Plaut en Youcef Khemane maakten over het delicate proces dat in de afgelopen jaren binnen het door en door witte instituut is ingezet. ‘Elke keer als je iets bereikt, vraag je je af of het daardoor komt. Daarom heb ik me kapot gewerkt, want ik wilde niet dat mensen zeggen: je hebt dat alleen bereikt omdat je zwart bent.’

Sulivan Loiseau, die later in de documentaire wordt geïntroduceerd als hoofdpersoon, herkent dat gevoel. De contrabassiste uit Martinique is vooralsnog veroordeeld tot een volledig witte orkestbak, waarin ze samen met haar collega’s de voorstelling De Notenkraker instudeert. Ook op het conservatorium was ze al de eerste zwarte vrouw. Ze doet er laconiek over. Klassieke muziek is nu eenmaal de muziek van witte Europeanen, legt Sulivan uit aan een toetseniste van kleur, met wie ze thuis muziek opneemt. ‘Dus is het raar dat er meer witten zijn? Niet per se.’ Soms wil je echter onder mensen zijn die je niets hoeft uit te leggen over racisme of discriminatie.

Binnen de ‘adviescommissie diversiteit’ wordt intussen besproken wat er en wel niet kan binnen die inclusieve realiteit, waarin oude zekerheden ruimte moeten maken voor nieuwe uitgangspunten en niet alleen de dansers op hun tenen lopen. Deze film, die evenveel onwennige gesprekken en discussies als zorgvuldig gearrangeerde balletscènes bevat, doet in dat verband enigszins denken aan White Balls On Walls, de documentaire van Sarah Vos over de herijking van het Stedelijk Museum Amsterdam. Verandering komt nu eenmaal nooit zonder strijd. Tegelijkertijd blijft ook gewoon gelden: geen geluk zonder schoonheid.