The Night Of Your Life

EO

Kun je een gebeurtenis uit het verleden reframen en een geheel nieuwe betekenis geven? Samen met haar zussen Fleur (regie) en Sophie (decor) werkt Lotte Bax in een landelijk gelegen loods aan een decor en rekwisieten voor The Night Of Your Life (24 min.), die ze helemaal opnieuw wil vormgeven. Met een alternatief einde, waarin zij als jonge vrouw niet wordt aangevallen en in elkaar geslagen.

Tegelijkertijd geef sterrenkundige Annelotte Derkink van de Universiteit van Amsterdam een bevlogen speech over supernova’s. Die wordt door Fleur Bax verbeeld met fraaie ruimtebeelden van allerlei telescopen. Derkink: ‘We geven als het ware kleur aan gebeurtenissen in het universum.’ Het is een verhaallijn die ogenschijnlijk volledig los lijkt te staan van het zinloze geweld dat Lotte overviel. 

Direct daarna volgt een scène waarin met make-up een blauwe plek rond Lottes linkeroog wordt aangebracht. Die hield ze over aan de ongewilde ontmoeting met een ‘echte ras-Twent’. Zijn ogen waren ‘rood doorlopen van de alcohol’. Het hele voorval duurde nog geen kwartier, maar blijft haar achtervolgen. Terwijl ze die nacht nog eens aan haar geestesoog laat passeren denkt Fleurs zus na over alternatieven.

Wie zou ze hoe willen ontmoeten? En hoe verhoudt dit zich dan tot een supernova, zo’n ster die op een spectaculaire manier ontploft? Fleur Bax alterneert steeds tussen Lottes nacht(merrie) en de bespiegelingen van Derkink, vervat die in fraaie beeldsequenties en laat deze begeleiden door sprekende muziek. ‘I’m afraid of men at night ’zingt een vrouwenstem bijvoorbeeld. ‘But also of them in the bright sunlight.’

Zo werken Fleur en haar zussen Lotte en Sophie Bax toe naar een creatieve eindscène, waarin Lotte op haar eigen voorwaarden en in een zelfgemaakt decor de nacht van haar leven een nieuwe wending kan geven – en de twee verhaallijnen, met behulp van een soort deus ex machina, alsnog kunnen samenvloeien.

Kind Van De Tijd

Rinkel Film

Met de korte documentaire Echo bracht Huibert van Wijk in 2019 de gecompliceerde verhoudingen binnen zijn eigen familie in kaart. Door scheidingen, adoptie en tweede huwelijken had geen van de vier kinderen in hun samengestelde gezin dezelfde twee (biologische) ouders. In gesprek met de anderen probeerde hij de vraag te beantwoorden wat in hun ogen het begrip familie inhoudt en hoe ’t is om familie van elkaar te zijn.

In Kind Van De Tijd (55 min.) zoomt Van Wijk in op zijn adoptiebroer Tim. Die heeft tegenwoordig nauwelijks nog contact met hun vader Lex. Tim werd geadopteerd in 1975. Adoptie van buitenlandse kinderen die ’t moeilijk hadden leek toen louter een goede zaak.  ‘Als je plek hebt in je huis en in je hart, kan het kind toch beter overkomen en door jou opgevoed worden?’ verwoordt Lex zijn gedachtegang in die tijd. Adoptie was voor hem een daad van liefde.

Als Tim ’t voor het zeggen had gehad, zegt hij afgemeten tegen Huibert, was hij liever in Indonesië gebleven. Zijn gezichtsuitdrukking vertelt dat hij ’t ook echt meent. Tim vindt dat hij zich te veel moet aanpassen in Nederland en voelt zich vaak niet begrepen, in het bijzonder door zijn opvoeders. Ze hadden hem moeten behandelen als een kind uit een andere cultuur. Vergelijk ‘t met een ijsbeer in een dierentuin in Sevilla, legt hij uit. ‘Die heeft echt geen tof leven.’

In gesprek met zijn vader en broer ontrafelt Huibert van Wijk hun pijnlijke geschiedenis, die een spoor van verdriet door hun leven heeft getrokken en hen ook uit elkaar heeft gedreven. Het is een aangrijpend relaas, vol goede bedoelingen en wederzijds onbegrip, dat al die 40.000 kinderen, uit meer dan tachtig verschillende landen, representeert die door de jaren heen uit hun natuurlijke omgeving zijn gehaald voor een nieuw leven bij een nieuwe familie in Nederland.

Bij Tim heeft die gebeurtenis een gapende wond geslagen. En die laat zich, hoeveel goede wil z’n adoptievader ook toont, niet zomaar dichten. Het leidt in deze dappere film, waarin zowel Lex als zijn geadopteerde zoon zich echt in hun ziel laten kijken, tot aangrijpende taferelen. Als Tim in Indonesië bijvoorbeeld wordt geconfronteerd met de gevolgen van de keuze om hem als baby daar weg te halen, laat het immense verdriet achter zijn woede zich zien.

Huibert fungeert ondertussen niet als scherprechter, maar houdt oog en gevoel voor hen allebei. Tijdens het maken van een familieopstelling komt Kind Van De Tijd tenslotte tot een climax, waarbij begrip, verbinding en familiegevoel hun plaats naast afwijzing, woede en verdriet krijgen. Omdat die in hun levens, voorgoed veranderd door die adoptie, nu eenmaal bij elkaar horen. Zoals zij, tóch, op de één of andere manier, omdat het nu eenmaal zo is, bij elkaar horen.

Misslukt

c: Otto van den Toorn / KRO-NCRV

Het is weer eens wat anders dan Verbrande Herman, Rooie Jos of Jantje van Amsterdam, de voortdurend tussen de onder- en bovenwereld laverende vrije jongens die hij nu al enkele decennia volgt voor het documentaireproject Foute Vrienden. En dat geldt evenzeer voor Frank MasmeijerRob Scholte en Emile Ratelband, die hij doorlichtte in vlijmscherpe persoonlijke portretten. Want nu heeft Roy Dames een heuse Miss Nederland voor zijn camera. Misslukt (54 min.), dat wel.

Tenminste, zo kijkt fotomodel, onderneemster en presentatrice Stephanie Tency, inmiddels in de dertig, tegenwoordig naar zichzelf. Een nog altijd jonge vrouw, die zich in de afgelopen jaren volledig heeft verloren in plastische chirurgie: Botox-behandelingen, borstimplantaten, neuscorrecties, liposuctie, fillers, facings… ‘Ja, het is eigenlijk meer van: wat heb ik niet gedaan?’ zegt ze, enigszins ongemakkelijk lachend. ‘Ik heb eigenlijk alles gedaan wat je maar kan bedenken.

Stephanie heeft zelf een ‘timeline’ gemaakt van alle cosmetische ingrepen, inclusief onsmakelijke foto’s, filmpjes en vlogs. En die moeten allemaal in deze film, vindt ze. ‘Ik wil een sensationele documentaire, dat mensen met een teiltje naast hun bank moeten gaan zitten.’ Want Stephanie Tency schaamt zich er volgens eigen zeggen voor dat ze al die jaren naar ‘die achenebbisj-praktijken’ is gegaan om aan haar uiterlijk te laten sleutelen en wil jongere meiden daar nu voor waarschuwen.

Tegelijk is het de vraag of ze er zelf eigenlijk wel klaar voor is om zonder borstimplantaten door het leven te gaan. Ze boomt erover met Dames, bezoekt een psycholoog en gaat langs bij actrice Fajah Lourens, die haar siliconenborsten enige tijd geleden heeft laten weghalen. Tussendoor spreekt Stephanie ook met haar ouders. Moeder Carmen maakt zich regelmatig zorgen, terwijl vader Jack vindt dat ze haar lichaam heeft ‘mismaakt’. Hij moet niets hebben van die ‘plofkopklinieken’.

Natuurlijk vraagt zijn dochter zich in deze rechttoe rechtaan-film, een soort vervolg op Dionne Slagters Moordtieten (2021), ook af waarom juist zij zo gevoelig is gebleken voor de verlokkingen van schoonheid. Het antwoord was eigenlijk wel te bedenken – enter: zelfrespect en -acceptatie – en wordt slechts beperkt uitgediept in deze wat eendimensionale film, die gezien het toenemende aantal cosmetische ingrepen natuurlijk wel een bijzonder urgent thema aansnijdt.

‘Wie ben ik zonder mijn uiterlijk?’ vraagt Stephanie Tency zich onderweg naar de apotheose van deze docu, de keuze om wel of niet nieuwe borstimplantaten te nemen, nog maar eens hardop af. ‘Wie is Steph?’

Like Tears In Rain

NTR

‘Oh-oh’, zegt Paul Verhoeven in de openingsscène van Like Tears In Rain (78 min.) als Sanna Fabery de Jonge hem vraagt naar zijn eerste ontmoeting met Rutger Hauer (1944-2019). ‘Ik krijg kippenvel als ik eraan denk’, vult zijn collega-regisseur Robert Rodriguez (Sin City) aan. ‘O, mijn hemel’, lacht Jason Eisener, die Hobo With A Shotgun maakte met de Nederlandse acteur. Waarna Mickey Rourke spontaan ontroerd raakt als hij aan Hauer denkt, zijn voormalige tegenspeelster Miranda Richardson een aardige anekdote over hem opdist en de Nederlandse fotograaf en filmmaker Anton Corbijn constateert dat Rutger ‘iemand was die we allemaal willen zijn.’

Terwijl Rutger Hauer op archiefbeelden uit 1988 vervolgens een Golden Globe in ontvangst neemt voor zijn rol in de film Escape From Sobibor, krijgt zijn goede vriendin Whoopi Goldberg nog even de gelegenheid om te vertellen dat ze alles bij hem kwijt kon en steekt Vincent D’Onofrio de loftrompet over ‘s mans vakmanschap. En daarna is het weer aan Paul Verhoeven om het intro van dit persoonlijke portret af te sluiten. Hauer was niets minder dan ‘de belangrijkste acteur die we ooit in Nederland hebben gehad’, aldus de belangrijkste filmregisseur die we ooit in Nederland hebben gehad. Hij kon zichzelf verwerkelijken via Hauer en werkte in totaal vijf keer met hem samen.

En dan kan die documentaire daadwerkelijk beginnen. Waarin Rutger Hauers leven en carrière worden doorgenomen, geïllustreerd met filmfragmenten en aangezet met herinneringen en superlatieven van vrienden en collega’s. Routinewerk, zo lijkt ‘t. Een clichématige Hollywood-docu. Fabery de Jonge heeft alleen iets anders voor ogen. Natuurlijk, deze film over de Nederlandse acteur bevat alle eerdergenoemde elementen, maar vertrekt vanuit een veel persoonlijkere insteek. Rutger Hauer en diens vrouw Ineke ‘Sien’ Hauer – ten Cate, die ook een prominente rol krijgt in dit portret, waren dierbare vrienden van haar ouders en fungeerden als peetouders voor de kleine Sanna.

En dus introduceert Fabery de Jonge haar eigen familie en poogt ze met hen en Ineke – en fraaie privébeelden, veelal van de veelfilmer Hauer zelf – de man achter het imago van ‘de blonde God’ vandaan te halen. Een vrije man. Een avontuurlijke man. Een man ook die zonder angst probeerde te leven. Gehaast, omdat het leven altijd te kort is. Zoals hij van dichtbij ervoer toen zijn boezemvriend Marius, tevens de broer van zijn echtgenote, op 29-jarige leeftijd overleed. Hauer stond zelf net op een keerpunt in zijn carrière en besloot het Nederland van Turks Fruit, Keetje Tippel en Soldaat van Oranje de rug toe te keren en te verkassen naar de VS voor Blade Runner, Ladyhawke en The Hitcher.

Tijdens zijn allereerste dag op een filmset, voor Paul Verhoevens serie Floris (1969), had Hauer zich volgens eigen zeggen al gerealiseerd dat de camera zijn vriend was. ‘En ik besloot dat dit een dans was met het publiek, bijna een tapdans van angst’, vertelt hij daarover. ‘En in veel opzichten een spel. Een denkspel.’ En dat heeft hij tot het einde van zijn leven, dat zich afspeelde tussen Friesland en Hollywood, kunnen spelen. Als de aftiteling van dit ge(s)laagde portret loopt, realiseert menigeen zich ongetwijfeld dat ie (weer) een heel klein beetje van Rutger Hauer is gaan houden, zowel van de begenadigde acteur als van de mens van vlees en bloed daarachter.

Rutte

Videoland

‘Waarom doet u mee aan deze documentaire?’ vraagt Leonard Ornstein bij de start van deze tweedelige film aan de hoofdpersoon zelf. Zijn vriend Jort Kelder bestookte hem al langer met het idee om een fly on the wall-documentaire te maken, vertelt Mark Rutte. Zou zijn vertrek als premier niet een goede aanleiding zijn? Op z’n Ruttes: ‘Ik kijk natuurlijk graag naar die documentaires. En het is ook een beetje lullig om er wel naar te kijken en nooit mee te werken.’

Nu is ie er dus: Rutte (84 min.), een kijk achter de schermen bij de laatste negentig dagen van de langstzittende premier uit de Nederlandse geschiedenis. Op voorhand is het de vraag: waar zit het drama? Elke gedenkwaardige politieke documentaire kent ‘do or die’-momenten, zo weet het VVD-boegbeeld als geen ander, waarop de hoofdpersoon zijn ware aard prijsgeeft. De emotionele slotspeech van Bill Clintons campagneleider James Carville in The War Room bijvoorbeeld. Of hoe een Oegandese politicus zich in Bobi Wine: The People’s President staande houdt tijdens een volledig ontsporende verkiezingsstrijd.

Wat heeft dit portret zoal te bieden over Mark Rutte, een politicus waarover in de afgelopen veertien jaar zo’n beetje alles al is gezegd en die zich overal – ook als Ornstein hem de duimschroeven aandraait over het Toeslagenschandaal of het Groningse gasdossier – weer uit wurmt? Zijn jeugd, vaste rituelen, sobere leefstijl en onverwoestbare opgewektheid komen natuurlijk weer langs. En dat hij, achter de schermen, wel eens uit zijn vel kan springen. Alleen: achter díe schermen komt de docu dan weer niet. ’s Mans woede-uitbarstingen komen alleen ter sprake in gesprekken met mensen uit zijn omgeving.

Deze blik achter de schermen – met ‘exclusieve toestemming’ om bepaalde delen van gesprekken met staatshoofden en regeringsleiders te filmen – leidt niet tot scènes waarin Rutte even uit z’n rol valt, in verlegenheid wordt gebracht of een onverwachte kant van zichzelf laat zien. De vlieg op de muur bij Rutte toont hem vooral ontspannen. Privé: in z’n favoriete restaurant, bij z’n autogarage of op Jort Kelders bootje. En als politicus: in overleg met z’n team, bellend met de Oekraïense president Zelensky, op staatsbezoek, bijpratend met ‘jaar- en studiegenoot’ Willem-Alexander en, natuurlijk, lobbyend voor een baan.

Tussendoor passeren ook de hoogte- en dieptepunten uit zijn politieke loopbaan – het gevecht om het lijsttrekkerschap van de VVD, de aanslag op MH17 en het Functie Elders-debat bijvoorbeeld – nog even, tamelijk plichtmatig, de revue. De duiding daarbij komt van zijn directe entourage als minister-president, beeldbepalende politici zoals Rita Verdonk, Lodewijk Asscher en Alexander Pechtold en zijn (jeugd)vrienden Lodewijk Dekker, Koen Petersen en Jort Kelder. Die zijn behoorlijk openhartig en soms ook kritisch op de man die ze van haver tot gort – en toch ook weer helemaal niet – lijken te kennen.

Echt gevaarlijk wordt ’t nooit. De raspoliticus houdt controle over de boodschap. Ontspannen werken Mark Rutte en ‘zijn’ fly on the wall-film, opgefleurd met luchtige klassieke muziek die uitstekend aansluit bij het gemoed van de hoofdpersoon, niet alleen toe naar de sleuteloverdracht in het Torentje, maar ook naar zijn prestigieuze nieuwe functie elders. Als secretaris-generaal van de NAVO gaat hij de komende jaren ongetwijfeld een beroep doen op zijn aanzienlijke politieke gaven. Met z’n soepele tong en lenige geest weet hij in dit degelijke portret in elk geval al te indringende zelfreflectie of groot drama te vermijden.

Al vindt de liefhebber van fly on the wall-documentaires in Mark Rutte dat vast ook wel weer een heel klein beetje jammer.

Wise Guy: David Chase And The Sopranos

HBO Max

‘Remember when’ is the lowest form of communication, liet David Chase maffiabaas Tony Soprano ooit zeggen in The Sopranos (1999-2007). De showrunner van de serie die wordt beschouwd als het hoogtepunt van ‘the golden age of American television’, heeft zich desondanks door documentairemaker Alex Gibney laten verleiden om te reflecteren op zijn eigen meesterwerk. In een spreekkamer die verdacht veel lijkt op de werkruimte van dokter Melfi, de psychiater waar Chase’s alter ego Tony zijn hart luchtte tijdens intense therapiesessies, laat de Italiaans-Amerikaanse schrijver/regisseur zich bevragen.

De tweedelige documentaire Wise Guy: David Chase And The Sopranos (157 min.) is een traktatie voor iedereen die zich jarenlang heeft verlustigd aan de lotgevallen van de maffioso uit New Jersey, met allerlei gezworen vrienden (die zomaar uit de gratie kunnen raken), altijd wel ergens geld te verdienen en doorgaans meer dan één ‘comare’, een liefje buiten de deur, om te onderhouden. Een opvliegende man die tegelijkertijd ook een doodnormaal gezin heeft, depressies buiten de deur probeert te houden én dealt met zo’n godsonmogelijke Italiaanse moeder (gemodelleerd naar Chase’s eigen godsonmogelijke Italiaanse moeder, een levenslange bron van frustratie en inspiratie).

Behalve Chase komen in deze overdadig – met scenariocitaten, screentests, b-roll beelden, outtakes en, natuurlijk, scènes uit de serie – belegde terugblik ook vaste medewerkers aan de serie, hotshots van de betaalzender HBO en de acteurs Edie Falco (Tony’s vrouw Carmela), Steven Van Zandt (Silvio), Michael Imperioli (Christopher), Drea de Matteo (Adriana) en Lorraine Bracco (dokter Melfi) aan het woord. Zij halen herinneringen op aan de productie die zonder enige twijfel tot de hoogtepunten van hun creatieve carrière behoort. Van de gedurfde keuze om The Sopranos op te zadelen met een antiheld als hoofdpersoon en hoe die ‘likable’ moet worden gehouden tot de steeds terugkerende angst bij acteurs dat (ook) hun personage wordt gedood – en zij de serie dus moeten verlaten.

De halve Sopranos-cast blijkt te hebben ‘gelezen’ voor de rol van Tony. Steven Van Zandt lijkt ’t dan te gaan worden, maar heeft bij nader inzien toch te weinig ervaring. Als James Gandolfini, inmiddels overleden en via archiefinterviews toch aanwezig in deze docu, een screentest doet, is het pleit snel beslecht. Van Zandt krijgt de rol van Soprano’s consigliere Silvio Dante. En Gandolfini groeit als Tony Soprano uit tot één van de meest tot de verbeelding sprekende televisiepersonages aller tijden. Daarvoor moet hij wel héél diep in zichzelf reiken. Hij vindt daar bijvoorbeeld nauwelijks te beteugelen woede. Gibney illustreert dit met een onvergetelijke scène, waarin Soprano razend een koelkast te lijf gaat. In het scenario staat nochtans slechts één enkel zinnetje: Tony sluit boos de koelkast.

Intussen worstelt de even aimabele als getormenteerde Gandolfini ook gedurig met verslavingen. Daardoor laat hij nogal eens verstek gaan op draaidagen. Elke dag komt hem op een boete van 100.000 dollar te staan. Zes jaar na het einde van de serie bezwijkt de hoofdrolspeler tenslotte aan een hartaanval, waarna showrunner David Chase een hartroerende speech geeft tijdens de uitvaart, nog altijd een mokerslag. Wise Guy schuwt echter ook Chase’s donkere kant niet. Die zorgt bijvoorbeeld voor een toxische werksfeer in de ‘writers room’, waardoor weinig schrijvers van de serie ’t echt lang uithouden. Het zijn verhalen die vaak al hun weg hebben gevonden naar boeken als Difficult Men en Pandora’s Box, maar nu weldadig met beeld en geluid kunnen worden uitgeserveerd.

Zodat de kijkhonger om direct weer aan de eerste van in totaal 86 afleveringen van The Sopranos te gaan beginnen nauwelijks is te beteugelen – ook al wacht aan het einde van die enerverende, dolkomische en aangrijpende kijkervaring dan een onmogelijk open einde, waarover menigeen zeventien jaar na dato nog altijd niet is uitgespro

Made In Holland – De Grote Gift

Discours Film

In het Amerikaanse plaatsje Marblehead, vlakbij Boston, hangen ze gewoon aan de muur: ‘onbetaalbare‘ meesterwerken van zeventiende eeuwse Hollandse en Vlaamse meesters. Het oudere Nederlands-Vlaamse echtpaar Eijk en Rose-Marie de Mol van Otterloo, dat fortuin heeft gemaakt met een beleggingsfirma, beschikt over de grootste privéverzameling in de wereld. ‘Een’ Rembrandt van Rijn bijvoorbeeld, ‘een’ Jacob van Ruisdael en ‘een’ Jan Steen.

Ideale hoofdpersonen dus voor documentairemaker Oeke Hoogendijk, die met films als Mijn RembrandtMarten En Oopjen: Portret Van Een Huwelijk en De Vereniging Rembrandt, Een Uitzonderlijk Jaar van de liefde voor kunst van vermogende verzamelaars, en de daaromheen scharrelende handelaren, haar eigen niche heeft gemaakt. Behalve de Van Otterloos portretteert ze in Made In Holland – De Grote Gift (50 min.) nog een ander kunstminnend echtpaar: Susan en Matthew Weatherbie uit Boston. Ook dit stel heeft inmiddels een collectie van aanzienlijke waarde opgebouwd.

Via hen duikt ze in de psyche van de gefortuneerde kunstminnaar, voor wie een collectie nooit af is. Welke ‘kinderen’ wil je nog omarmen – en wie stoot je daarvoor dan af? Hoogendijk volgt Eijk en Rose-Marie van Otterloo bijvoorbeeld naar Londen waar ze bij het upper class-koppel Johnny en Sarah van Haeften ‘een’ Netscher en ‘een’ Bruegel op de kop hopen te tikken. Voor ettelijke miljoenen, dat wel. ‘Het zoet van grote kwaliteit blijft nog lang nadat het bitter van een hoge prijs is vergeten’, probeert de kunsthistoricus en adviseur Frits Duparc hen te verleiden tot aankoop.

De setting verraadt geld, oud en nieuw. En de sfeer tussen de gedistingeerde heren en dames blijft tijdens de onderhandelingen voorkomend en vriendschappelijk – al staat er veel geld en prestige op het spel. Heel aandachtig kijken ze naar de schilderijen – en wij, als kijkers, met hen – en bepalen de waarde die deze voor hen persoonlijk en volgens de markt hebben. Het blijft een intrigerend tafereel, want tegelijkertijd ligt er ook een andere prangende kwestie op tafel: waar moet de collectie heen als zij, de Van Otterloos en Weatherbies, er straks niet meer zijn?

Met die vraag brengt Hoogendijk deze boeiende, opnieuw tot in de puntjes verzorgde film naar zijn eindpunt. Het is, zoveel is duidelijk, weer onmiskenbaar ‘een’ Oeke geworden. En die zijn op hun eigen manier ook onbetaalbaar.

Mijn Nieuwe Vrienden Van Afdeling Drie

KRO-NCRV

Daar loopt hij dan, door zo’n typische ziekenhuisgang. Frans Bromet, de inmiddels tachtigjarige nestor van de Nederlandse camerajournalistiek. Voor de verandering nu eens niet achter zijn camera, maar ervoor. Als onderwerp van zijn eigen film. Dat is ie natuurlijk wel eens vaker geweest, maar nu is ’t per ongeluk gebeurd: hij kreeg een hersenbloeding en belandde in de Amsterdamse revalidatiekliniek Reade.

Daar begint het bloed toch al gauw weer te kruipen waar het eigenlijk niet gaan kan. Als het na enige tijd wat beter met hem gaat, pakt Bromet zijn camera erbij, de lens waardoor hij al zeker een halve eeuw naar de wereld kijkt. Die helpt hem om het leven te begrijpen en accepteren. En dat is nu niet anders. Via die onafscheidelijke kameraad op zijn rechterschouder ontmoet hij nu Mijn Nieuwe Vrienden Van Afdeling Drie (55 min.) en het nieuwe leven en de parallelle wereld waarin zijn medepatiënten (en hijzelf) terecht zijn gekomen.

Bromets persoonlijke betrokkenheid vormt echt een meerwaarde tijdens de intieme gesprekken die hij voert met mannen die te maken hebben gekregen met pak ‘m beet een hersentumor, auto-immuunziekte, psychose, gebroken heup of amputatie. Ieder voor zich heeft zijn eigen malheur een plek moeten geven. En daarbij speelden die anderen, in datzelfde schuitje, een essentiële rol. Frans Bromet heeft ‘t zelf aan den lijve ondervonden, die betrokkenheid en kameraadschap. Ze hebben ook hem erdoorheen getrokken.

Daarmee is dit een wat zachtere film geworden dan de producties die Bromet doorgaans, ondanks zijn hoge leeftijd, nog altijd per strekkende meter aflevert. Natuurlijk, zodra blijkt dat revalidatiecentra zoals Reade moeten bezuinigen en ‘t daardoor nog maar de vraag is of ze de zorg, die hij zelf gedurende zo’n drie weken tot volle tevredenheid heeft ontvangen, wel overeind kunnen houden, schiet de oude rot direct in z’n sceptische stand en bevraagt hij enkele leidinggevenden over wat dit zou en heeft te betekenen.

Moeten ze niet veel meer de barricaden op? vraagt hij als alle bespiegelingen over ‘afschalen’, ‘FTE’s’ en ‘slimmer werken’ hem even zwaar te moede worden. Dan klinkt hij gewoon weer als de onverslijtbare Frans Bromet die zich al tientallen jaren vanachter de camera manifesteert. In Mijn Nieuwe Vrienden Van Afdeling Drie blijft de nadruk echter altijd liggen op zijn lotgenoten, mensen die van een ingrijpende levensgebeurtenis ‘een positieve belevenis’ proberen te maken. Zoals hij ook zelf doet met deze intieme interviewfilm.

All Inclusive Love

BNNVARA

‘Lief dagboek, ik vond het hotel eerst vreselijk’, leest Manon van Eijk voor uit wat ze als meisje neerpende tijdens die vakantie op een all inclusive resort in het buitenland. ‘Nou, ik zat er he-le-maal naast. Ik heb het reuze naar mijn zin. En het animatieteam is geweldig. Ze zijn echt zooo knap.’

Één van die jongens, de leider van het team, zag ‘t ook wel in haar zitten. Ze hadden een kortstondige zomerliefde. Seks. Manon dacht er de eerste jaren met plezier aan terug. En toen begon ‘t toch te knagen. Hij was 25, zei hij – al waren haar ouders ervan overtuigd dat hij 28 was.

Als Manon nu naar foto’s uit die tijd kijkt, schat ze hem echter in op 35, een jaar of twintig ouder dan zij zelf was. Een vijftienjarig meisje. Een kind nog, als was in zijn handen. Ze wordt tegenwoordig overmand door een wirwar van schaamte, walging, schuldgevoel en woede als ze eraan terugdenkt.

Vijftien jaar na dato besluit Manon om terug te gaan naar dat bewuste hotel, om haar eigen gevoelens over die All Inclusive Love (46 min.) nader te onderzoeken. Ze wil de ervaring ook delen met haar ouders. Die waren er toentertijd bij, maar weten nog altijd helemaal van niets.

Hun dochter herinnert zich ‘het goeie leven’ dat zo’n resort biedt: het aquagymmen, liggen aan het zwembad en dansen in de disco. Er hangt alleen grauwsluier overheen. Van een jong en naïef meisje dat misbruik van zich heeft laten maken. Grooming, noemen ze dat tegenwoordig.

Regisseur Kim Smeekes sluit aan bij de jonge vrouw, die haar verdriet en boosheid nog even koelt op een boksbal, en volgt haar naar zo’n typisch all inclusive-hotel, waar hele volksstammen genieten van het luxueuze zwembad, grootschalige entertainment en overvloedige eten en drinken.

Zoals dat dan gaat in dit soort films maakt haar hoofdpersoon daar een ontwikkeling door: de gevoelens die ze al zo lang heeft over wat er toen, vijftien jaar geleden op een achterafplek, met haar is gebeurd – wat ze heeft láten gebeuren – maken ruimte voor nog andere realisaties en emoties.

Manon van Eijk was en is natuurlijk niet de enige. Smeekes laat kort ook nog enkele andere meisjes met soortgelijke ervaringen aan het woord. Ook zij hebben zichzelf naderhand verwijten gemaakt over wat ooit een gewone zomerliefde leek en die ervaring later een plek moeten geven.

En dan rest er in deze vlotte docu, op maat gesneden voor een jonge doelgroep, nog maar één vraag: lukt ’t Manon om haar toenmalige animator op te sporen? En oh ja, als dat toevallig lukt, nóg één: zou hij nog weten wie ze is?

Trailer All Inclusive Love

Schuld & Boete

KRO-NCRV

Ze moeten permanent dealen met incassobureaus, dwangbevelen en deurwaarders, leggen brieven ongeopend aan de kant en gaan bezuinigen op dingen waarop je eigenlijk niet bezuinigt. En dan wordt toch – vanwege aanhoudende of alsmaar oplopende schulden – het water, gas en licht afgesloten, moet er geld geleend worden bij familie en vrienden en dreigt huisuitzetting en soms zelfs een periode op straat.

Documentairemaker Nan Rosens, die in de afgelopen jaren al actuele thema’s behandelde in Verdacht (etnische profilering door de Nederlandse politie), Doelwit (bedreiging van en geweld tegen lokale bestuurders) en Belaagd (seksuele intimidatie), richt zich in Schuld & Boete (53 min.) op de schuldenindustrie. Één op de elf Nederlandse huishoudens heeft zogezegd problematische schulden. Met enorme maatschappelijke gevolgen én kosten.

In deze interviewfilm tekent Rosens de verhalen op van vijf Nederlanders die steeds verder verstrikt raakten in hun schulden. Wat vaak is begonnen met een vordering die nog best was te overzien – als gevolg van een echtscheiding, een spilzieke partner of het simpelweg vergeten om meterstanden door te geven – groeit door een stapeling van boetes verrassend snel uit tot een geldbedrag dat met geen mogelijkheid meer is op te hoesten.

Hun getuigenissen worden ingekaderd door een bewindvoerder en schuldhulpverleners van een buurtteam en vroegsignalering. Gezamenlijk schetsen zij een systeem, waarbinnen kwetsbare mensen al snel in de problemen kunnen raken. Vaak overigens niet eens door exorbitante uitgaven of overbodige luxe, maar door, heel menselijk, nét iets meer uitgeven dan er binnenkomt, even niet goed opletten of simpelweg domme pech.

Jaren op een houtje bijten, in de schuldhulpverlening of onder bewindvoering zijn echt slechts een ontslag, scheiding of fikse tegenvaller weg als je geen fatsoenlijke buffer hebt opgebouwd. En wie eenmaal in de greep is geraakt van schuldeisers, of mensen die de vordering hebben overgenomen, kan zich daarvan nauwelijks meer losmaken. Menigeen komt niet verder dan rente betalen, terwijl de initiële schuld gelijk blijft of ook nog oploopt.

Dat thema, eerlijk en zonder zelfmedelijden verteld, is eerder behandeld in Nederlandse documentaires (Vergeef Me Mijn SchuldenDe SchuldmachineLost Boys, 5 Jaar Later en – natuurlijk – Schuldig).  Deze film voegt daar in wezen weinig aan toe, maar laat nog eens zien hoe ontwrichtend en hardnekkig de schuldenproblematiek is en dat een periode in de schulden echt niet alleen is voorbehouden aan lieden die van de ene in de andere, niet of achteraf te betalen, impulsaankoop vallen.

De Taxioorlog

Powned

Als er op 1 januari 2000 een nieuwe taxiwet in werking treedt in Nederland, barst de bom in Amsterdam. Taxichauffeurs die bij de monopolist TCA (Taxicentrale Amsterdam) een verplichte, peperdure vergunning hebben aangeschaft, zijn woest dat concurrenten van de nieuwe centrale Taxi Direkt zonder zo’n vergunning aan de slag kunnen.

Broodroof, menen de verontwaardigde TCA-chauffeurs. Hun eigen taxivergunning, die te zijner tijd als oudedagsvoorziening had moeten dienen, is ineens geen dubbeltje meer waard. Dat gevoel van onrecht leidt tot ernstige ongeregeldheden op straat, de eerste schermutselingen van wat uitmondt in De Taxioorlog (125 min.). En die zal in de navolgende jaren nog danig escaleren.

Gaandeweg ontdekken de chauffeurs daarbij dat hun eigenlijke vijand zich misschien wel binnen de eigen gelederen bevindt: het driekoppige bestuur van de TCA, onder leiding van oud-politieman Dick Grijpink. Met een roestvrijstalen glimlach en snedige oneliners werpt die alle beschuldigingen steeds ver van zich en deelt intussen ferme sneren uit naar z’n concurrent en de politie, rechters en politiek.

Samen met zijn collega’s wordt Grijpink, een man met een hoofd en manier van doen die bepaald niet hadden misstaan in de misdaadserie Penoza, geassocieerd met allerlei dubieuze zaken: onrechtmatige verrijking, belastingontduiking, intimidatie, omkoping en witwassen. De Amerikaanse term ‘racketeering’ valt ook. Afpersing van z’n eigen mensen. Als de eerste de beste maffiabaas.

Wanneer de verhoudingen verharden en zijn chauffeurs niet meer zo gemakkelijk in het gareel zijn te krijgen, begint Grijpink, de onmiskenbare ‘schurk’ van deze straffe serie, zich zelfs te omringen met een eigen ‘controledienst’ van kooivechters. Misdaadjournalist Paul Vugts kwam ermee in aanraking. ‘Wat zal ik met hem doen?’ zou één van hen dreigend hebben gezegd. ‘Neusje of ruggetje?’

Joey Boink pelt deze gelaagde zaak in deze vierdelige serie, die is gebaseerd op het gelijknamige boek van onderzoeksjournalist Sander ’t Sas en zijn bekroonde podcast voor BNR, gestructureerd af. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de voormalige TCA-chauffeurs Cees Meester en Jan den Hartog. Zij hebben zich, met gevaar voor eigen leven, opgeworpen als klokkenluider.

Hun herinneringen aan de tijd waarin ze meer en meer onder vuur komen te liggen bij de TCA, worden verder ingekaderd door onder anderen ‘t Sas, voormalig minister Tineke Netelenbos, Taxi Direkt-directeur Peter Fonckert, politiecommissaris Ad Smit, TCA-advocaat Rob IJsendijk, misdaadjournalist John van den Heuvel en de zoon van Peter R. de Vries, advocaat Royce de Vries.

Zij schetsen een ontluisterend beeld van de hoofdstedelijke taxiwereld, die wordt gedomineerd door een uiterst dubieuze monopolist, met vermoedelijk directe banden met de penoze. Boink omkleedt de verklaringen van zijn bronnen – Grijpink en z’n medebestuurders wilden overigens niet meewerken – met treffend archiefmateriaal, spannende reconstructiebeelden en smakelijke (volks)muziek.

Zo ontstaat een even stemmige als enerverende vertelling over de verwevenheid van onder- en bovenwereld, die tijdens De Taxioorlog voor eenieder zichtbaar werd – niet voor het eerst en zeker ook niet voor het laatst.

Kiezen, Snijden, Zwijgen

VPRO

Een psycholoog vroeg aan Sharan Bala of ze een lotgenoot wilde ontmoeten. Bij een koffietentje maakte ze kennis met Marieke Schoutsen. ‘Vet ongemakkelijk’, vertelt Sharan. ‘Zaten we allebei zo te fluisteren naar elkaar. Dat was heel bizar, want ik sprak voor het eerst met iemand die precies hetzelfde had meegemaakt. Alle shit waar ik mee zat, daar zat zij ook mee.’ Marieke: ‘Het was eigenlijk een openbaring. Van hé: ik ben niet de enige alien op deze planeet.’

Zulke ‘buitenaardse wezens’ noemen we tegenwoordig intersekse. Ze hebben een lichaam dat zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken vertoont. De twee hoofdpersonen van Kiezen, Snijden, Zwijgen (60 min.) ogen nochtans duidelijk vrouwelijk. Samen met Chris van den Brink en Femke Klein Obbink leggen ze in deze moedige film een jaar lang hun ervaringen vast: als ze in hun eigen medische dossiers duiken, daarin nieuwe informatie over zichzelf ontdekken en hun geheim delen met hun directe omgeving.

Marieke en Sharan spreken tevens met intersekse onderzoeker Margriet van Heesch van de Universiteit van Amsterdam. Zij vertelt over de dominante theorie die de Nieuw-Zeelandse psycholoog John Money ontwikkelde rond mensen die toen nog ‘hermafrodiet’ werden genoemd. ‘Het idee was dat je elk kind tot een jongetje of meisje kon kneden. Dat was zijn idee om kinderen met een intersekse-variatie te genezen. In een cultuur die maar twee mensen toeliet: heteroseksuele mannen en heteroseksuele vrouwen.’

Vanuit deze gedachte moest die heteroseksualiteit dan ‘bewezen’ worden met seks: penis in vagina. ‘Dus als jouw penis niet groot genoeg was om te penetreren, dan moest je een meisje worden’, legt Van Heesch uit. ‘En als je geen vagina had, moest die voor jou gemaakt worden.’ En daarover werden alle betrokkenen dan geacht om hun mond te houden. Ofwel: kiezen, snijden, zwijgen. Juist dat laatste aspect zit zowel Marieke en Sharan als hun ouders, blijkt tijdens persoonlijke gesprekken, nog altijd dwars.

Mariekes moeder herinnert zich als de dag van gisteren hoe haar dochter op haar achtste vroeg: ‘Mam, schaam jij je voor mij?’. Ze ervoer dit als een ‘dolksteek’. Vreemd was die vraag overigens niet: op advies van artsen hadden ze hun dochter voorgehouden om er vooral niet over te vertellen aan anderen. En bij Sharan werd er zelfs wezenlijke informatie achtergehouden. Toen zij nog heel jong was, hebben artsen keuzes met heel verstrekkende gevolgen gemaakt. Ze is er boos over: ‘Dat kleine jongetje, dat nooit heeft mogen bestaan.’

Het is een pijnlijke constatering, diep persoonlijk ook, illustratief voor het taboe dat er nog altijd rust op het thema intersekse. Van de ongeveer tachtigduizend mensen in Nederland, die niet helemaal voldoen aan de oppositie man-vrouw, zijn er volgens schattingen van de Nederlandse Organisatie voor Seksediversiteit slechts veertig helemaal uit de kast. ‘Jullie maken 41 en 42’, zegt Margriet van Heesch tegen Marieke Schoutsen en Sharan Bala. ‘Dus het allerbelangrijkste is dat je je verhaal blijft vertellen.’

Met deze aangrijpende film maken ze de gecompliceerde problematiek rond intersekse, die onlangs ook al zijn weg vond naar de indringende documentaire Who I Am Not, inzichtelijk en tastbaar. Het moet tegelijkertijd ongelooflijk spannend zijn om die het levenslicht te laten zien.

Queerkamp

Human

Moeder is nog niet thuis of haar kind belt al op: ik wil naar huis. Het Queerkamp (57 min.) voelt toch niet zo goed als verwacht. Moeder houdt echter voet bij stuk. ‘Ik had zo gedacht dat dit het zou zijn’, zegt ze licht teleurgesteld. ‘En als het tegenvalt, oké, maar dan kom ik je zaterdag halen.’

Haar kind zal zich dus gewoon moeten mengen onder de andere deelnemers aan het Hojokamp, een kamp voor Nederlandse LHBT+-jongeren tussen 13 en 25 jaar. Ze gaan lol maken (zingen bij het kampvuur, een opblaasbare stormbaan nemen en – natuurlijk – badmintonnen), maar samen ook, onder begeleiding van empathische vrijwilligers, aandacht besteden aan de uitdagingen des levens.

In groepsgesprekken delen de jongeren hun persoonlijke verhaal. De één wilde bijvoorbeeld geen homo maar gewoon ‘normaal’ zijn en gooide uiteindelijk een papieren vliegtuigje voor z’n moeder de kamer in, met de boodschap ‘haha, ik ben homo’. Een ander heeft jarenlang ‘nep’ gedaan, maar is na het ontwikkelen van een eetstoornis toch maar uit de kast gekomen als transgender.

Hoe kom je überhaupt uit de kast? En moet dat altijd, naar alles en iedereen? vraagt een jongen zich af. Hij vertelt dat ie in een briefje aan zijn zus de zin ‘ik ben homo’ heeft doorgestreept en vervangen door ‘ik val op mannen’. Dat vond hij toch beter klinken en voelen. Hoe zie je dat nu? vraagt een begeleidster. Hij denkt even na. ‘Ik ben homo, dat weet ik. Alleen de term vind ik nog steeds…’

Met hun alerte camera, die oog heeft voor wat er écht toe doet, vangen Lucas van der Rhee en Chris Westendorp hoe de deelnemers erkenning en herkenning bij elkaar en zichzelf vinden – of nog even daarnaar op zoek zijn. Ze zitten de jongeren dicht op de huid en vereeuwigen zo zowel hun lastige momenten als de ogenblikken dat ze zich uitgedaagd, geaccepteerd of gewoon fijn voelen.

Een proef met een spiegel springt in het oog. Hoe is ’t om daarin te kijken? Lukt dat überhaupt? En kun je dan ook positieve dingen over die persoon zeggen? Deze observerende film maakt invoelbaar hoe ’t is om jezelf, op een kwetsbare leeftijd, als anders of als niet toereikend te ervaren en hoe heilzaam ’t dan is om te ervaren dat je niet de enige bent en steunt kunt geven/hebben aan elkaar. 

Tegelijkertijd laat Queerkamp zien dat alle aanwezigen, hoeveel slechte ervaringen ze ook hebben gehad en hoe gekweld ze in eerste instantie misschien ook lijken, in wezen heel gewoon zijn en precies hetzelfde willen: een oké-gevoel. Vanuit die ander én zichzelf.

Meer informatie over: Queerkamp

Stemmen Van Naoorlogse Generaties 

Documentary Collective / Mokum

Driekwart eeuw nadat Indonesië onafhankelijk werd, is er in diverse Nederlandse documentaires volop aandacht voor Nederlands Indië. Indië Verloren… belicht bijvoorbeeld de (geo)politieke machinaties rond de vrijmaking van de voormalige kolonie, Als Ik Mijn Ogen Sluit vertelt de verhalen van de vrouwen en kinderen in de Jappenkampen en Kleinkinderen Van De Oost laat het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger herleven.

Van dat niveau is deze film zeker niet. In Stemmen Van Naoorlogse Generaties (81 min.) richten schrijfster Simone Berger en fotograaf/filmmaker Armando Ello zich op de psychische en emotionele wonden die de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog heeft geslagen. Angst en stress zijn, veelal onbewust, doorgegeven aan volgende generaties, die getekend worden door een koloniaal verleden en een oorlog waarvan ze zelf nooit deel hebben uitgemaakt.

Kampbewakers maakten het leven van de vader van schrijfster Dido Michielsen bijvoorbeeld onmogelijk met het dagelijkse dreigement dat zij zijn rechterhand zouden afhakken. Volgens haar at hij daardoor zijn hele leven alsof de Duivel hem op z’n hielen zat. Het maakte hem ook ‘een beetje sadistisch’. Als de kleine Dido naar zijn smaak te langzaam at, deed vader alsof hij de politie belde. Zodat zij in de veronderstelling was dat ze elk ogenblik kon worden opgehaald.

Berger en Ello geven verder de auteurs Adriaan van Dis, Marion Bloem, Reggie Baay en Sylvia Pessireron, die stuk voor stuk over hun Indische verleden publiceerden, ruimte voor hun persoonlijke verhaal. Ze laten performances van dichter/muzikant Robin Block, zangeres Esmay Usmany en danseres Cheroney Pelupessy zien. En ze spreken met therapeuten van de Trauma Company en laten een soort explainers over ‘de invloed van angst en stress op lichaam en brein’ zien.

Stuk voor stuk interessante elementen, die echter maar moeilijk een eenheid vormen. En daarbinnen moet dan ook nog ruimte worden gevonden voor het familieverhaal van de makers zelf en een interview met de Arnhemse burgemeester Ahmed Marcouch over het belang van herdenken. Het resultaat is een onevenwichtige film, waarin alle aspecten van dat beladen verleden naar hun plek zoeken.

August 4th: An Olympic Odyssey

HBO Max

De Olympische gedachte zit wel heel nadrukkelijk in August 4th: An Olympic Odyssey (65 min.). Deze gestroomlijnde docu van Tom Boswell belicht de historie van de Olympische Spelen aan de hand van enkele heroïsche atleten en gedenkwaardige momenten op de Olympische dag der dagen: 4 augustus. Zo verhalen de kleinzoon van Jesse Owens en de kleindochter van diens Duitse rivaal bij de Spelen van 1936, Luz Long, bijvoorbeeld over de verbondenheid die de twee atleten voelden tijdens de besmette Spelen van 1936 in nazi-Duitsland, waar de Afro-Amerikaan Owens uiteindelijk vier gouden medailles won.

Verder vertelt Chris Stoddart over de komst van de paralympische spelen in 1976, blikt de Britse skateboardster Sky Brown terug op hoe ze in 2020 als dertienjarige de jongste medaillewinnaar ooit werd en belicht Jessica Ennis de superzaterdag in 2012 – drie keer raden welke datum – waarop de Britse atletiekploeg driemaal goud won in Londen. Ellen van Langen, zelf gouden medaillewinnares op de 800 meter hardlopen van 1992, zwaait bovendien de Nederlandse atlete Fanny Blankers-Koen alle lof toe. De vrouw die volgens sommigen gewoon thuis voor de kinderen had moeten zorgen won in 1948 als eerste en tot dusver enige vrouw vier gouden plakken.

De keuze om ook Carl Lewis in het zonnetje te zetten is minder onomstreden. De wonderboy van Los Angeles, waar hij zich in 1984 vier gouden medailles toe-eigende en in de voetsporen trad van Jesse Owens, lijkt een soort ideale Olympische atleet. Dat hij vier jaar later in Seoul nogmaals het koningsnummer, de honderd meter sprint, zou winnen doordat de oorspronkelijke winnaar werd gediskwalificeerd, blijft echter volledig onbenoemd. De Canadees Ben Johnson werd toen vanwege dopinggebruik met pek en veren overgoten – terwijl Lewis zelf, getuige bijvoorbeeld de documentaire 9.79, ook niet van onbesproken gedrag bleek te zijn.

Zo’n ongemakkelijk verhaal, over hoe topsport niet per definitie het beste uit de mens haalt, past alleen niet in een productie die vooral bedoeld lijkt te zijn als lekkermakertje voor de Olympische Spelen van 2024 in Parijs. Want daar moet het weer gaan over helden, records en medaillespiegels – en daar ook, ronkt voice-over Rhoda Ofori-Attah, kan de menselijke geest discriminatie overwinnen.

Teaser August 4th: An Olympic Odyssey

James Ensor. De Man Achter Het Masker

VRT

‘s Mans leven en werk roepen driekwart eeuw na zijn dood nog altijd meer vragen op dan er antwoorden voorhanden zijn. De verschillende sprekers in James Ensor. De Man Achter Het Masker (55 min.) krijgen er hun vinger maar niet achter. Hij is ‘the first Belgian modern artist’ (kunsthistorica Susan Canning), ‘die schilder vanuit de Vlaanderenstraat’ (een buurtgenote die als kind doodsbang voor hem was) en vooral ‘een blijvend intrigerend geval’ (curator Herwig Todts).

Al op de Koninklijke Academie Voor Schone Kunsten in Brussel wilde James Ensor (1860-1949) volgens archivaris Patrick Florizoone de uitzondering zijn – ook al was hij er helemaal geen hoogvlieger. Ensor was ervan overtuigd dat hij uitzonderlijk was. Kunstacademies waren in zijn optiek voor kortzichtigen, voor lieden die het gebaande pad namen. Hij daarentegen wilde raken met zijn werk. ‘Hij cultiveert hoe hij miskend werd’, aldus Florizoone. James Ensors wapen wordt het licht. Compromisloos blijft hij de grenzen opzoeken en laat anderen dan ontzet of bewonderend achter.

De Intrede Van Christus In Brussel, het pièce de résistance van de tegendraadse kunstenaar uit Oostende uit 1889, hangt sinds 1987 in het J. Paul Getty Museum te Los Angeles. Ensor schilderde ‘t op z’n achtentwintigste – als statement en reactie op Dimanche d’Été à La Grande Jatte,het meesterwerk van zijn op dat moment toonaangevende collega Georges Seurat – maar liet het daarna veertig jaar lang hangen in z’n eigen atelier. In LA weten ze er nog altijd niet goed raad mee. Het schilderij is extra hoog opgehangen en omgeven door sculpturen, zodat het de rest niet in de weg zit.

Ensors werk is kleurrijk, agressief, filmisch, provocatief en luguber, toont deze krachtige film van Maarten Vandeursen en Pieter Verbiest, waarin ook Oostendenaar Sam Louwyck, schilder Fred Bervoets en kunstenaar Paul McCarthy hun licht laten schijnen over die enigmatische man met meer vijanden dan vrienden. Vreemd is dat overigens niet. Ook in zijn schilderijen trapt Ensor wild om zich heen. Naar notabelen – men neme bijvoorbeeld Doctrinaire Voeding waarin hij koning Leopold en co letterlijk in de bek van het gewone volk laat schijten – maar ook naar de kunstwereld zelf.

James Ensor wil de hypocrisie blootleggen. Ontmaskeren. Letterlijk: door het veelvuldig gebruik van maskers in zijn schilderijen. Zijn oeuvre heeft nog niets aan kracht ingeboet, betoogt deze documentaire, gezegend met een onheilszwangere soundtrack, die zijn kunst weer helemaal in het nu plaatst. Dat is knap: hoe een man en zijn werk, 75 jaar na zijn dood, weer tot leven worden gewekt. Zodat het mysterie Ensor wordt verlicht en toch blijft voortbestaan.

Stevie Van Zandt: Disciple

HBO Max

Hij is één van de weinige frontmannen die ook genoegen kan nemen met een rol als rechterhand van The Boss – of als consigliere van een lokale maffiabaas. Zelfs in dit verrukkelijke portret van Steven Van Zandt komt eerst Bruce Springsteen en pas daarna de hoofdpersoon zelf aan het woord. Tony Soprano, de licht ontvlambare Jersey-boss van Stevies personage Silvio Dante, meldt zich pas na ruim één uur en drie kwartier, als de carrière van de Amerikaanse zanger, gitarist en producer al over hoge toppen en door diepe dalen is gegaan en dan nog een nieuwe dimensie krijgt via een prominente rol in één van de beste televisieseries aller tijden, The Sopranos.

‘s Mans leven lijkt in Stevie Van Zandt: Disciple (140 min.) sowieso op een zorgvuldig gearrangeerde productie. Soms letterlijk. Als hij in het huwelijk treedt met Maureen Santoro, wordt dit ingezegend door één van zijn helden, Little Richard. Bruce is natuurlijk getuige, de band uit The Godfather verzorgt de muziek en soulzanger Percy Sledge komt nog even When A Man Loves A Woman zingen. En dan stapt Van Zandt begin jaren tachtig uit Springsteens E Street Band. ‘Toen hij z’n eerste plaat maakte, nam hij afstand van Bruce’, vertelt scenarioschrijver en recensent Jay Cocks. ‘Ze hielden van elkaar. Het was niet de grote broer van wie hij afstand nam. Hij wilde zich niet langer het kleine broertje voelen.’ De man die tot dan bekend heeft gestaan als ‘Miami Steve’ begint zich ‘Little Steven’ te noemen. Zijn band dubt hij ‘The Disciples Of Soul’.

Eenmaal solo (her)ontdekt Van Zandt zijn maatschappelijke betrokkenheid. Hij begint de rock & lol die hij sinds jaar en dag aan de mens bracht met Springsteen en die andere band uit New Jersey, Southside Johnny & The Asbury Jukes, te injecteren met een fikse dosis politiek activisme. Stevie neemt bijvoorbeeld het voortouw in de strijd tegen Apartheid in Zuid-Afrika. Voor de hitsingle Sun City (1985), zijn eigen militante variant op de benefietsongs Do They Know It’s Christmas? en We Are The World, verzamelt hij een opvallend diverse en inclusieve groep artiesten, die publiekelijk uitspreken dat ze nooit zullen gaan spelen in het Las Vegas van Zuid-Afrika. Met zijn activisme schildert hij zichzelf alleen in een hoek, waar uiteindelijk verdacht weinig geld valt te verdienen. Een lange loopbaan lijkt begin jaren negentig tot een halt te komen.

Volgens eigen zeggen houdt Steven Van Zandt zich dan een jaar of zeven vooral onledig met ‘het uitlaten van de hond’. Totdat Southside Johnny hem vraagt voor een productieklus, Bruce zijn inmiddels ontmantelde band weer opstart en showrunner David Chase de non-acteur cast in The Sopranos. Het is een mooi rond verhaal over onmetelijke liefde voor muziek, hechte vriendschap en het vinden, verliezen en weer heruitvinden van jezelf. Dat wordt verteld door de man zelf, prominente vakbroeders (Paul McCartney, Bill Wyman, Jackson Browne, Bono en Eddie Vedder) en Sopranos (David Chase, Vincent ‘Pussy Bonpensiero’ Pastore en Maureen Van Zandt, alias Silvio’s echtgenote Gabriella Dante). De documentaire concentreert zich volledig op Van Zandts artistieke carrière. Zijn persoonlijke leven blijft vrijwel volledig buiten beeld.

In bijna tweeëneenhalf uur, volgepropt met een eindeloze serie (bijna) hits, moet regisseur Bill Teck nochtans alle zeilen bijzetten om alle aspecten van zijn kleurrijke protagonist te belichten. Want behalve artiest, acteur, producer en onmisbare schakel (inmiddels opnieuw 25 jaar!) binnen Springsteens gereanimeerde E Street Band heeft Steven Van Zandt zich met de radioshows Little Steven’s Underground Garage en Outlaw Country ook ontwikkeld tot een soort Leo Blockhouse, een rock & soul-professor die Amerika’s jeugd de juiste weg wil wijzen: richting muziek. Valse of kritische noten ontbreken verder vrijwel volledig in deze film, die daarom, met enige kwade wil, een hagiografie kan worden genoemd. Een mensch moet alleen wel een hart van steen hebben om géén discipel van Stevie te worden.

This Is My Moment

Gruber Images

Hij komt in 2019 als negentienjarige jongen van Eritrea naar Europa. Niet op de vlucht voor oorlog of armoede, maar na een uitnodiging van de UCI. De internationale wielerfederatie heeft Biniam Girmay, samen met enkele andere getalenteerde renners, over laten komen voor een trainingsstage in Zwitserland. ‘Bini’ hoopt daar een profcontract in de wacht te slepen en dan te kunnen gaan werken aan het verwezenlijken van zijn grote droom: deelnemen aan de Tour de France.

De Belgische documentairemaker Lieven Corthouts bivakkeert dan al aan z’n zijde. Samen met Biniam Girmay zelf documenteert hij in This Is My Moment (106 min.) de weg die de Afrikaanse wielrenner in de navolgende jaren moet afleggen van Asmara in Eritrea, waar elke zondag een wielerkoers wordt verreden, naar de belangrijkste wedstrijd van de wereld, de Ronde van Frankrijk. Vóór Biniam hebben daaraan pas vier zwarte renners deelgenomen. Om over overwinningen nog maar te zwijgen.

Onderweg moet hij de nodige klimmetjes nemen en door een aantal dalen heen. De tocht begint met een pikstart: een contract bij de Belko-ploeg. Daarna volgt echter tegenslag in de vorm van het Coronavirus en het ontmantelen van diezelfde ploeg. Intussen zit Bini vast in Frankrijk, ver weg van Saliem, die eerst nog z’n verloofde is en daarna zijn vrouw en de moeder van z’n dochter wordt. Rechtvaardigt de droom – zegevieren, ergens op de weg naar Parijs – zulke persoonlijke offers?

Corthouts toont z’n protagonist op zulke kwetsbare momenten, reist met hem mee naar huis en registreert ondertussen zijn progressie als wielrenner. Want Biniam Girmay begint zichzelf in de navolgende jaren de geschiedenisboeken in te rijden. Van een rariteit in het peloton ontwikkelt hij zich tot een coureur om rekening mee te houden, die aan de meet de strijd kan aanbinden met cracks zoals Mathieu van der Poel. Op z’n wielertenue verschijnt zelfs een slogan: Veni, Vidi, Bini!.

This Is My Moment is de weerslag van die opmars, afgezet tegen het leven dat hij tijdelijk aan de kant van de weg heeft moeten parkeren in Eritrea. Een film die, afhankelijk van het verdere verloop van Biniam Girmays loopbaan, nog aan waarde zou kunnen winnen. Als hij ooit toch eens de regenboog- of gele trui zou veroveren…. Bij de Tour van 2024 bijvoorbeeld, waar de Eritrese held aan de start verschijnt.

The Corridors Of Power

Dror Moreh Films / VPRO

Nooit meer.’ Na de onvoorstelbare gruwelen van de Holocaust heeft menige Amerikaanse leider deze of soortgelijke woorden uitgesproken als er na de Tweede Wereldoorlog ergens in de wereld opnieuw sprake leek te zijn van volkerenmoord. Maar wat hield die twee beladen belofte werkelijk in? Volgden op de woorden ‘never’ en ‘again’ ook passende daden? Of waren die voor ‘de politieagent van de wereld’ uiteindelijk toch niet meer dan loze woorden, een doekje voor het bloeden?

De achtdelige docusere The Corridors Of Power (459 min.), waarvoor Meryl Streep als verteller fungeert, neemt de proef op de som bij enkele actuele gevallen van genocide, waarbij de Verenigde Staten en de internationale gemeenschap wel, niet of erg laat ingrepen: van de zenuwgasaanvallen van de Iraakse dictator Saddam Hoessein op de Koerden via de etnische zuivering in Bosnië en Kosovo tot Assads ‘knielen of sterven’-regime in Syrië en de barbaarse daden van Islamitische Staat.

Regisseur Dror Moreh laat sleutelfiguren uit de regeringen van de Amerikaanse presidenten Reagan, Bush sr., Clinton, Bush jr. en Obama, zoals Hillary Clinton, Colin Powell, James Baker, Madeleine Allbright, Condoleezza Rice en Samantha Power aan het woord over hoe ze met hun beleidskeuzes brandhaarden elders in de wereld probeerden in te dammen. Of er sprake was van genocide – en dus reden om in te grijpen – hing vaak ook af van het ‘strategische belang’ van het desbetreffende land.

Duidelijk is dat er binnen de Amerikaanse regeringen van dienst regelmatig fundamenteel verschil van mening was. Topdiplomate Prudence Bushnell is er bijvoorbeeld nog altijd woest over dat haar land in 1994 niet ingreep in Rwanda toen Hutu’s daar de Tutsi-minderheid, gereduceerd tot ‘kakkerlakken’, met machetes, knuppels en bijlen begonnen af te slachten. Zodra de Amerikaanse burgers in veiligheid waren gebracht, verflauwde de aandacht van de regering Clinton direct.

Als de situatie daarna ontspoort in Soedan, lijkt Clintons opvolger, George W. Bush, wél bereid om in te grijpen. Enkele dagen later, op 11 september 2001, worden de Verenigde Staten echter zelf getroffen door een terroristische aanval. Waarna Bush ten oorlog gaat in Irak en de Janjaweed, de brute beulen van dictator Omar al-Bashir, vrij spel krijgen in Darfur. Daar voltrekt zich volgens Nicole Widdersheim (USAID) de duivelse logica van dit type oorlog: eerst seksueel geweld, daarna massaslachtingen.

Kun en wil je als ‘politieagent’ in zo’n penibele situatie vuile handen maken? Waar begint je verantwoordelijkheid en eindigt je betrokkenheid? En hoe kun je voor zowel vrede als gerechtigheid zorgen? Dat blijkt, steeds weer, een vrijwel onmogelijke opdracht voor de betrokken politici en diplomaten. En ook een loffelijk initiatief zoals het Internationaal Strafhof in Den Haag, een hedendaagse variant op het Neurenberg-tribunaal, wordt actief ondermijnd, nota bene door de Verenigde Staten zelf.

Deze indringende serie zet bepalende figuren uit de Amerikaanse buitenlandpolitiek aan tot oprechte zelfreflectie en plaatst hun keuzes, dilemma’s en frustraties in een historische context. De parallellen met het verleden zijn vaak onontkoombaar. ‘Wat is het verschil tussen Sarajevo en Auschwitz?’ haalt ambassadeur Peter Galbraith bijvoorbeeld een wrang grapje aan dat rondging in Sarajevo, een stad die ‘t zonder drinkwater en gas moest doen. ‘In Auschwitz hadden ze tenminste nog gas.’

Laurent – De Rebelse Prins

VRT

Het is gewoon een mens, met al z’n gebreken. Net als ieder ander. Laurent is alleen ook een prins. Prins Van Het Volk. Prins Plankgas. En Laurent – De Rebelse Prins (198 min.). De man voor wie het troonopvolgingssysteem van onze zuiderburen speciaal, met stoom en kokend water, wordt aangepast. Zodat híj maar geen koning van België zal worden – en daarmee wordt veroordeeld tot een positie voor het leven als onbeduidend onderdeel van de Belgische monarchie.

Uit de bespiegelingen van intimi, politici, journalisten, koningshuisdeskundigen en andere kenners, die in deze vierdelige serie uitbundig hun licht over hem laten schijnen, spreekt in elk geval dat Laurent al vanaf zijn jongste jaren met argusogen wordt bekeken. De jongste zoon van koning Albert is nooit voor vol aangezien. Hij wordt beschouwd als een enfant terrible, een matige leerling en een jongeling die zich in geen bedrijf kan handhaven. Géén koningsmateriaal, dat staat voor zijn omgeving vast.

Gaandeweg wordt dat ook voor gewone Belgen steeds duidelijker zichtbaar. Alsof Laurent, die eerst nog wel in het pulletje valt, zich genoodzaakt voelt om aan de laaggespannen verwachtingen te voldoen. Hij scheurt opzichtig met de ene na de andere bolide, gedraagt zich ongepast in het openbaar en fladdert langs allerlei vrouwen, waaronder een in de pers breed uitgemeten romance met de bekende pin-up Wendy van Wanten (die nog steeds in het midden laat of hij de vader is van haar kind). 

Deze miniserie van Niels Vandenbussche, oorspronkelijk uitgebracht onder de titel Laurent: Prins Op Overschot, reconstrueert het woelige leven van de prins, die door zijn moeder, koningin Paola, haar ‘meest kwetsbare kind’ wordt genoemd. Of de kenners daarin daadwerkelijk vat op hem krijgen is lastig vast te stellen. Ook in de kringen rond het Belgische koningshuis hult menigeen zich het liefst in stilzwijgen. En dus moet er soms flink worden gespeculeerd over wat er werkelijk in die miskende prins omgaat of hoe er over hem wordt gedacht.

Als hij zich lijkt te hebben ingelaten met fraude, even wordt opgenomen in een inrichting of zich in het openbaar vertoont met dubieuze politici bijvoorbeeld. Ook de soms wat bruuske Nederlandse voice-over levert daaraan een bijdrage. ‘Alles aan Laurent is ambigu’, stelt journalist Mario Danneels in de conclusie van deze aardige serie. ‘Aan de ene kant wil hij rebelleren. Hij wil de sympathieke prins zijn, die zich afzet, de volkse prins. Langs de andere kant moet iedereen hem monseigneur noemen.’