Trial By Media

Netflix

‘If it bleeds, it leads.’ Curtis Sliwa, de flamboyante New Yorker die eind jaren zeventig de militante burgerwacht The Guardian Angels oprichtte, heeft een eenvoudige verklaring voor de enorme ophef rond Bernhard Goetz. Net als Sliwa vond deze ‘Subway Vigilante‘ dat het hard nodig was dat de stad veiliger werd gemaakt.

En net als Paul Kersey, het Charles Bronson-personage uit de omstreden Death Wish-speelfilmreeks, besloot hij om het recht in eigen hand te nemen. De man, die enkele jaren daarvoor was overvallen, schoot vier zwarte jongens neer in de metro en groeide zo binnen de kortste keren uit tot het middelpunt van een enorme mediahype. Bernhard Goetz werd zowel gebombardeerd tot ‘poster boy’ voor de National Rifle Association als uitgemaakt voor schietgrage racist, die in koele bloede een stel ‘nikkers’ had afgemaakt.

Trial By Media (367 min.) belicht zes van dit soort spraakmakende true crime-verhalen en brengt ze met direct betrokkenen, aanklagers, advocaten, activisten en politici opnieuw in kaart. Van de tientallen politiekogels die werden afgevuurd op de ongewapende Afrikaanse immigrant Amadou Diallo (door Bruce Springsteen vereeuwigd in American Skin (41 Shots)) en de geruchtmakende groepsverkrachting in een bar (verfilmd met Jodie Foster onder de noemer The Accused) tot de jongen die, nadat hij in de tv-show Jenny Jones werd geconfronteerd met een liefdesverklaring van een andere man, maar één uitweg zag: zijn wapen.

Zulke dramatische gebeurtenissen worden vervat in gedegen reconstructies, met een stevige bronnenlijst en fraai archiefmateriaal. Die leveren verder geen spraakmakende nieuwe onthullingen op en resulteren ook niet in een soort metavisie op de rol van de pers in dit soort zaken (zoals bijvoorbeeld het Nederlandse televisieprogramma Medialogica steeds probeert te vinden). Trial By Media is vooral een hervertelling van spannende en schokkende verhalen die zich stuk voor stuk afspeelden onder het oog van een groot publiek, dat door verschillende partijen slim werd bespeeld en zo ook weer invloed had op de afwikkeling ervan.

Een erg smakelijk voorbeeld daarvan is de gang van zaken rond de strafzaak tegen de protserig rijke zorgondernemer Richard Scrushy (HealthSouth) uit Alabama. Hij wordt beschuldigd van grootschalige fraude en start vervolgens, om de gunst van het volk (weer) te winnen, een soort tweede carrière als tv-dominee. ’s Mans advocaten maken van zijn rechtszaak intussen een onvervalste ‘good ol’ boy-show’. Met smeuïge verhalen houden ze pers en publiek zoveel mogelijk uit de buurt van de feiten. En dat werkt: want een goed verhaal, zo luidt een andere boutade van en over de media, moet je niet dood checken.

The Trials Of Henry Kissinger

Zou voormalig minister van Buitenlandse Zaken, nationaal veiligheidsadviseur van de Verenigde Staten én winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede Henry Kissinger vanwege misdaden tegen de menselijkheid voor het Internationaal Strafhof in Den Haag moeten worden gedaagd? Waarom zou de gelauwerde diplomaat, een graag geziene gast in de media (ook door hemzelf), niet hetzelfde lot moeten ondergaan als pak ‘m beet Slobodan Milosevic en Augusto Pinochet?

Voornaamste verschil: Kissinger is een politicus uit de Verenigde Staten, een land dat zweert bij de internationale rechtsorde. Zolang het zich daar zelf niet aan hoeft te houden. In The Trials Of Henry Kissinger (79 min.) uit 2002, gebaseerd op een boek van Christopher Hitchens, zet regisseur Eugene Jarecki de ‘aanklacht’ tegen de machtspoliticus op een rij. Die is gestoeld op ‘s mans betrokkenheid bij conflicten in Vietnam, Cambodja, Chile en Oost-Timor.

Als aanklagers fungeren historici en goed ingevoerde journalisten zoals Seymour Hersh, daar tegenover neemt Kissingers voormalige collega Alexander Haig de rol van getuige à decharge op zich. De man zelf zwijgt in alle toonaarden, maar is via uitgebreid archiefmateriaal toch prominent aanwezig. Vanuit al die bronnen komt een vrij consistent beeld naar voren: van een meester in ‘plausible deniability’, die geen woorden nodig heeft om te communiceren wat hij wil en dus ook verdomd lastig op woorden is te pakken.

Intussen schetst deze scherpe film, waarin acteur Brian Cox als verteller fungeert, met verve de duistere achterkant van de internationale politiek, waarbij individuele mensen niet meer dan pionnen lijken te zijn op een levensgroot schaakbord – waar ze elk ogenblik ook weer vanaf geslagen kunnen worden.

High On Crack Street: Lost Lives In Lowell

Afgetrokken gezichten, verwilderde ogen en rotte tanden. In één oogopslag verraden de hoofdpersonen van de documentaire High On Crack Street: Lost Lives In Lowell (59 min.) hun voornaamste bezigheid: het scoren en gebruiken van crack, de goedkope straatvariant van cocaïne. Aan het einde van de twintigste eeuw behoorden dit soort menselijke ruïnes tot het vaste straatbeeld in grote Amerikaanse steden en tegenwoordig lijken ze, als gevolg van de zogenaamde Opioid Crisis, daarin weer terug te keren.

Deze observerende documentaire uit 1995 is gesitueerd in Lowell, Massachusetts, waar de crackepidemie wild om zich heen grijpt. ‘Ik ben een druggie, maar ik ben tegelijkertijd ook geen druggie’, zegt een blonde vrouw treffend, terwijl haar huisgenoten high worden. ‘Ik wil beter worden, maar ik wil ook niet beter worden. Ik heb hulp nodig, maar sla die hulp ook af.’ Ze pauzeert even: ‘Ik wil het zelf doen. Dat kan ik ook.’ Enkele ogenblikken later heeft ze zich alweer overgegeven aan het roken van crack. Alsof alles wat ze zojuist heeft gezegd voorgoed is vervlogen.

Die eeuwige cyclus van goede voornemens, opzichtige terugvallen en pogingen om weer boven Jan te komen vormen het hart van deze ruwe en ruige film, waarin de filmmakers Jon AlpertMaryAnn De Leo en Richard Farrell zich concentreren op drie hoofdpersonen: Brenda (die zwanger is geraakt op straat, maar van wie?), haar (ex-)vriend Boo Boo (een licht ontvlambare rouwdouwer met, ergens, ook wel een goede inborst) en voormalig profbokser Dicky Ecklund (die ooit nog met Sugar Ray Leonard in de ring heeft gestaan, maar nu vooral tegen zichzelf vecht).

Ze zijn nog slechts schimmen van de mensen die ze ooit geweest moeten zijn. Tegenwoordig houden de drie zich, tussen het spuiten en basen door, vooral onledig met vechtpartijen, winkeldiefstal en straatprostitutie. Elke vorm van schaamte, ook voor de camera, is daarbij verdwenen. In de achttien maanden dat deze documentaire werd geschoten maken ze de ene na de andere crisis door en offreren zo een compromisloos beeld van het leven aan de zelfkant. Een troosteloze wereld, die je je ergste vijand nog niet toewenst.

Deze desolate documentaire vormde de basis voor de speelfilm The Fighter, waarin Christian Bale een bokser met een hardnekkige verslaving vertolkt.

Sea Of Shadows

Wie is de El Chapo van de totoaba? vraagt de Mexicaanse televisiejournalist Carlos Loret de Mora zich met gevoel voor drama af. De totoaba, een vissoort die razend populair is in China en daar helende krachten wordt toegedicht, wordt ook wel ‘de cocaïne van de zee’ genoemd en is ten prooi gevallen aan Chinese smokkelaars en Mexicaanse drugskartels.

De netten die plaatselijke vissers in de zee van Cortez droppen om totoaba te vangen hebben bovendien een treurige bijvangst: dode vaquitas. Van deze Californische bruinvissen schijnen er nog maar zo’n dertig in ’s werelds wateren te leven. In Sea Of Shadows (103 min.) volgt regisseur Richard Ladkani een boot met vrijwilligers van Sea Shepherd die netten uit de zee verwijderen en de confrontatie aangaan met hun gewapende vijand.

Tegelijkertijd spannen ze zich in om zelf vaquitas te vangen, zodat die in een beschermde omgeving kunnen voortleven. Als ze daadwerkelijk zo’n zeldzaam (ontwapenend) schepsel onderscheppen, blijkt het echter nog bepaald geen sinecure om het dier in leven te houden. Dit resulteert in één van de aangrijpendste scènes van deze activistische film, een moderne variant op de Oscar-winnende documentaire The Cove uit 2009.

Net als die film over de Japanse jacht op dolfijnen wil de spannende actiedocu Sea Of Shadows, waarvan de afkorting niet voor niets S.O.S. is, behalve entertainen ook duidelijk een boodschap kwijt: de handel in exquise vis vertoont alle tekenen van georganiseerde misdaad, met de gewelddadige Mexicaan Oscar Parra als sinistere kartelleider, en moet dus heel dringend een halt worden toegeroepen. Uitroepteken.

Murder In The Bayou

Ze gingen om met ‘the wrong crowd’, zeggen hun nabestaanden. Ze leefden een ‘high-risk lifestyle’, werpt de plaatselijke politiechef Ricky Edwards tegen. En dat komt hem op flinke kritiek te staan. Alsof de vrouwen, die verslaafd waren aan crack en hun lichaam verkochten, er zelf om hebben gevraagd om te worden vermoord en gedumpt in een plaatselijke ‘swamp’.

Acht prostituees werden er tussen 2005 en 2009 gedood in Jennings County, Louisiana. Ze staan inmiddels bekend als The Jeff Davis 8. En wie verantwoordelijk was voor hun tragische lot, is ruim tien jaar na dato nog altijd ongewis. Murder In The Bayou (269 min.), gebaseerd op het gelijknamige boek van onderzoeksjournalist Ethan Brown, zet opnieuw het mes in de lang slepende kwestie, die als inspiratie zou hebben gediend voor het eerste seizoen van de thrillerserie True Detective.

Het is in elk geval geen seriemoordenaar, volgens de ziedende moeder van slachtoffer Brittney Gary. Ze blijft het maar herhalen in deze vijfdelige documentaireserie van Matthew Galkin. Er. Is. Geen. Seriemoordenaar. En zeker geen ‘seriedumper’, ook al zo’n term waarmee de politiechef, die net als enkele andere sleutelfiguren schittert door afwezigheid in deze serie, de plaatselijke bevolking tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Zou hij die term ook hebben gebruikt als de vrouwen niet afkomstig waren van de verkeerde kant van het spoor?

Behalve Ethan Brown en journalist Scott Lewis van de plaatselijke krant The Jennings Daily News, die als extern deskundigen enige klaarheid in de kwestie proberen te brengen, wordt deze serie vooral bevolkt door zogenaamde ‘deplorables’: verlopen mannen en vrouwen met de spreekwoordelijke vuile bek, een troebele oogopslag en die nietsontziende zucht om het complete bestaan te verdoven. Gezamenlijk vormen ze bovendien een potentiële goudmijn voor elke tandarts.

Onder hen zijn ook twee mogelijke verdachten: de schmutzige lokale dealer/pooier Frankie Richard en zijn nicht Hannah Conner. Hebben zij die acht moorden op hun geweten? Werden ze daarna door plaatselijke agenten uit de wind gehouden (of zijn die zelfs betrokken bij het mysterie van de gedode vrouwen)? En welke rol speelde het luizige motel The Boudreaux Inn, waar volgens direct betrokkenen heel wat werd ‘afgepartyd’ (maar het leven desondanks bepaald geen feest was)?

Zoals het een echte true crime-serie betaamt, duwt Murder In The Bayou een dossierkast met mogelijke scenario’s omver. Die worden door Galkin vervolgens met suggestieve beelden, dreigende muziek en de nodige cliffhangers smakelijk uitgeserveerd. Zo ontstaat een duistere, onheilszwangere wereld, waaruit steeds weer nieuwe verhalen kunnen worden opgediept die het daglicht eigenlijk niet kunnen velen.

Hoe die losse incidenten zich precies tot elkaar zouden verhouden en welke overkoepelende theorie daar dan uit voortvloeit, blijft tot het einde van deze beklemmende miniserie ongewis. En ook dan zijn er nog altijd meer vragen gesteld dan beantwoord. Een even onvermijdelijke als onbevredigende slotsom, die een vervolg, al dan niet in documentairevorm, onontkoombaar maakt.

Mystify: Michael Hutchence

Michael Hutchence / Andrew de Groot

Zijn geruchtmakende dood leek een logisch uitroepteken achter een turbulent leven. Van een man die als een archetypische rockgod – compleet met mysterieuze blik, lange manen en structureel ontbloot bovenlijf – het collectieve geheugen zou ingaan. Michael Hutchence, frontman van de Australische rockband INXS. Zanger van wereldhits als Original Sin, Never Tear Us Apart en Need You Tonight. Gestorven op 22 november 1997, op 37-jarige leeftijd. Een dood die werd omgeven door roddel en achterklap. Was het zelfdoding? Of toch zoiets sinisters als wurgseks?

In Mystify: Michael Hutchence (102 min.) probeert regisseur Richard Lowenstein, die diverse INXS-clips maakte en voor deze documentaire toegang kreeg tot het privé-archief van zijn hoofdpersoon, met Hutchences familie, management en bandleden, ex-vriendinnen als zangeres Kylie Minogue en topmodel Helena Christensen en ’s mans beroemde vriend/collega Bono het leven en de carrière van het idool uit te diepen. Lowensteins bronnen leveren (off screen) allerlei anekdotes, maar tot een coherente of diepgravende narratief leidt dit uiteindelijk niet. Hutchence blijft de klassieke getormenteerde zanger – zoals elke muziekgeneratie lijkt voort te brengen – die met gezwinde spoed op zijn onvermijdelijke dramatische einde afkoerst.

De filmmaker kent speciale waarde toe aan een gewelddadig incident in Denemarken, waarbij de zanger een hersenbeschadiging zou hebben opgelopen. Daarna werd alles anders bij Michael Hutchence, die tot dan volstrekt toe ongenaakbaar had geleken. Tekenend is een pijnlijk tafereel bij de Brit Awards van 1996. Nadat  de INXS-voorman een prijs heeft overhandigd aan Oasis, wordt hij publiekelijk afgeserveerd door de gitarist van die band, Noel Gallagher: ‘Has-beens shouldn’t present awards to gonna-beens’. Hutchence druipt vernederd af.

Hij was toen al in een veelbesproken relatie met Bob Geldofs ex-vrouw Paula Yates beland en zou met haar in een duizelingwekkende spiraal van drugs en depressie terechtkomen, die beiden fataal werd. Uiteindelijk was er geen redden meer aan voor Michael Hutchence, luidt dan de conclusie. En in wezen kon hij daar zelf dus ook niet al te veel aan doen. Die ene knal voor zijn hoofd had hem voorgoed veranderd.

Ging het werkelijk zo? Of is dit hoe van elk groots geleefd leven een verhaal met kop en staart wordt gemaakt en een duidelijke oorzaak automatisch tot een onontkoombaar gevolg leidt? Deze film, hoe meeslepend die soms ook wordt, slaagt er in elk geval niet helemaal in om de mens achter het fenomeen Michael Hutchence te pakken te krijgen.

Noel Gallagher mag natuurlijk ook al enige tijd een has-been worden genoemd. Niet dat hij dat zelf doorheeft, overigens.

Four Horsemen

Leven we in het zesde en laatste stadium waarin elk wereldrijk ooit terechtkomt? Die vraag gooit de documentaire Four Horsemen (98 min.) met de nodige bravoure in de lucht. Elk rijk, in dit geval het vrije Westen, gaat ongeveer 250 jaar mee, zo stelt Sir John Glubb in zijn boek The Fate Of Empires. Zo’n tien generaties. En dan breekt de laatste fase aan, ‘the age of decadence’. Daar zitten we nu middenin. Als iconen van dit geperverteerde stadium voert regisseur Ross Ashcroft in deze pamflettistische film uit 2011 enkele bekende babyboomers op, zoals Bill Clinton, Silvio Berlusconi en een showman/ondernemer die dan nog op geen enkele manier in verband wordt gebracht met het Amerikaanse presidentschap.

De Britse filmmaker bouwt zijn linksige video-essay, gemaakt in de nasleep van de financiële crisis van 2008, vervolgens op rond vier hedendaagse varianten op de Bijbelse ‘ruiters van de apocalyps‘: een roofzuchtig financieel systeem, escalerend georganiseerd geweld, stuitende armoede bij miljarden mensen en het uitputten van de natuurlijke grondstoffen van de aarde. Ashcrofts pleidooi is helder: het vigerende maatschappij-paradigma moet op de helling. De dog-eat-dog samenleving heeft zijn langste tijd nu echt gehad.

Zover is het natuurlijk nog niet. Met een dwingende voice-over en 23 vooraanstaande denkers, waaronder sociaal epidemioloog Richard Wilkinson, de Nobel Prijs-winnende econoom Joseph Stiglitz en filosoof (en vaste gast in dit soort films) Noam Chomsky, legt Ashcroft dus eerst de vinger op de zere plek. Bij een kapitalistische wereld die volgens hem in werkelijkheid neerkomt op ‘socialisme voor de rijken’. De overheid mag overal de brandjes blussen die door de zichzelf verrijkende elite zijn gesticht. Nadat hij die diagnose heeft gesteld, proberen de filmmaker en zijn pratende hoofden vervolgens een remedie te formuleren: samenwerking in plaats van competitie.

Four Horsemen is goed gedocumenteerd, bevat interessante sprekers en spoort echt aan om na te denken over de tijd en wereld waarin we leven. De film is zo nu en dan wel wat prekerig en wordt waarschijnlijk vooral in eigen parochie goed verstaan. Of we inderdaad in de nadagen van Het Moderne Rome leven, valt bovendien waarschijnlijk pas ná de eventuele val van het rijk vast te stellen. Al is het natuurlijk wel héél opmerkelijk dat Ross Ashcroft destijds, een jaar of vijf voordat hij zich verkiesbaar stelde voor een politiek ambt, al een icoon van deze decadente tijd herkende in die ene patserige zakenman met dat voluptueuze kapsel…

Tricky Dick

CNN

Als de huidige Amerikaanse president Donald Trump al een politieke voorvader heeft, dan moet het Richard Milhous Nixon zijn. De 37e president van de Verenigde Staten moest op 9 augustus 1974 aftreden vanwege een dreigend impeachment (een afzettingsprocedure die ook Trump, vanwege de nasleep van Russiagate, nog altijd boven het hoofd hangt). Het Watergate-schandaal was hem fataal geworden.

De drang van zowel Nixon als Trump om ten koste van alles te winnen, waarbij stelselmatig grove taal wordt gebezigd, geen ‘dirty trick’ onbenut blijft en de opponent liefst he-le-maal kapot wordt gemaakt, blijft ongeëvenaard. Het lijkt bovendien alsof beide mannen een aartsvijand nodig hadden/hebben om zichzelf als politicus te definiëren. Wat de Clintons, Crooked Hillary voorop, zijn voor Trump, waren destijds de Kennedys voor Nixon.

Hoewel de parallellen tussen de twee omstreden leiders onmiskenbaar zijn, worden die in Tricky Dick (168 min.) niet getrokken. De vierdelige docuserie brengt sec, chronologisch en zonder voice-over Nixons leven in beeld met een uitputtende collectie (nog niet eerder vertoond) archiefmateriaal. Uit de tijd dat de hele westerse wereld in brand leek te staan en Nixon als zelfverklaarde pleitbezorger van de gewone man afwisselend als pyromaan en brandweerman optrad.

Intussen wordt steeds duidelijker zichtbaar hoe de slinkse Nixon zich, net als Donald Trump een halve eeuw later, kon ontwikkelen tot de meest gehate Amerikaanse politicus van zijn tijd. Met behulp van ‘the silent majority’ wist hij nochtans twee presidentsverkiezingen te winnen. Niet dat hij daarvan gelukkig werd, trouwens. De persoonlijke achtergronden en motieven van de getroebleerde politicus worden in deze serie echter nauwelijks belicht. Naar wat Nixon werkelijk dreef – en uiteindelijk verteerde – blijft het gissen.

Deel 1 opent met zijn afscheidsspeech, gaat vervolgens terug naar zijn armoedige jeugd en stapt daarna met zevenmijlslaarzen door de beginperiode van zijn politieke carrière. Die culmineert in de presidentsverkiezingen van 1960, waarbij hij het nét aflegt tegen John F. Kennedy. In de volgende episode klimt hij uit een diep dal en hervindt zichzelf voor de presidentscampagne van 1968. Daarin komt het uiteindelijk niet tot een reprise van de tweekamp Nixon-Kennedy, omdat ook Johns jongere broer Bobby wordt vermoord.

Als president heeft Nixon in het derde deel van Tricky Dick vervolgens zijn handen vol aan de oorlog in Vietnam, die steeds verder ontspoort en ook in eigen land tot gewelddadige confrontaties leidt. Het is ook in deze periode dat hij geheime opnameapparatuur – die zijn gekonkel en vuilbekkerij rücksichtslos vastlegt – installeert in zijn ‘oval office’. Deze beslissing zal als een boemerang bij hem terug komen en in de slotaflevering ook zijn politieke lot bezegelen.

En daarmee zijn we weer aanbeland bij de openingsscène van deze gedegen geschiedenisles, die de kritische momenten uit Tricky Dicks veelbewogen leven netjes op een rij zet, zonder daaraan nieuwe elementen toe te voegen: het historische moment waarop diezelfde Richard Milhous Nixon zich klaarmaakt voor de aankondiging van zijn gedwongen afscheid, als eerste en vooralsnog enige Amerikaanse president. Zittend voor de camera maakt hij enkele belegen grapjes en lacht zijn tanden nog eens bloot, waarna hij de moeilijkste woorden van zijn leven probeert te vinden.

Apollo 11

Als de vlucht van Apollo 11 naar de maan niet daadwerkelijk had plaatsgevonden – en dat wordt door complotdenkers inderdaad wel eens betwijfeld – dan had de ruimtereis ook afkomstig kunnen zijn uit een weldoordacht filmscript. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de historische missie van Neil Armstrong, Edwin ‘Buzz’ Aldrin en de derde astronaut, die nog wel eens wordt vergeten omdat hij toevallig achterbleef in het ruimtevaartuig Columbia en dus niet op de maan mocht lopen, een halve eeuw na dato heeft geresulteerd in zowel een geweldige speelfilm (First Man, 2018) als een ijzersterke documentaire: Apollo 11 (93 min.).

Sommige onderdelen van deze majestueuze ruimteonderneming uit 1969, die hier op ongelooflijk knappe wijze wordt gereconstrueerd door regisseur Todd Douglas Miller, zouden zomaar kunnen zijn bedacht door een begenadigde science fiction-schrijver. ‘One small step for man’, zegt Neil Armstrong bijvoorbeeld zodra hij als eerste mens een stap op de maan zet. ‘One giant leap for mankind.’ Die uitspraak is zonder enige twijfel gescript. Bedoeld voor de eeuwigheid, waarin-ie ook daadwerkelijk een plek heeft veroverd. Zonder souffleur met gevoel voor drama had Armstrong wellicht blijmoedig naar zijn vrouw en kinderen gezwaaid, een duim in de lucht gestoken en een tekst als ‘hoi, papa loopt nu dus op de maan!’ in de geschiedenisboeken achtergelaten.

De Amerikaanse president Richard Nixon was zich er ook van bewust dat de hele wereld meekeek toen hij met de bemanning van de Apollo 11 belde en sprak over ‘the most historic telephone call ever made’. Waarna hij zijn grondig voorbereide speech begon af te steken. ‘As you talk to us from the Sea of Tranquility, it inspires us to redouble our efforts to bring peace and tranquility to Earth’, oreerde de man die in de navolgende jaren zowel Vietnam als Cambodja he-le-maal plat zou bombarderen. Hij was nog niet eens klaar: ‘For one priceless moment in the whole history of man, all the people on this Earth are truly one: one in their pride in what you have done, and one in our prayers that you will return safely to Earth.’

En op de één of andere vreemde manier – de uitkomst mag immers bekend worden verondersteld – is die behouden thuiskomst ook de drijvende kracht voor deze enerverende documentaire. Met nooit eerder vertoonde en digitaal gerestaureerde beelden, meeslepende audiofragmenten en subtiele eigen toevoegingen als split screen, graphics en titels reconstrueert Miller minutieus de NASA-ruimtemissie. Alsof die zich op dit eigenste ogenblik, voorzien van een passend imposante soundtrack, voor onze ogen voltrekt. Ook met een 21e eeuwse blik blijft het ontzagwekkende karakter van de hele onderneming voelbaar: hier reiken drie mensen – ondersteund door een enorm team in het Mission Control Center en gade geslagen door kamperende toeschouwers op de grond en miljoenen televisiekijkers in de hele wereld – naar een ooit onbereikbaar geachte stip op de horizon. En dan moeten ze ook nog gewoon terug naar planeet aarde, liefst heelhuids.

‘Dit was veel meer dan drie mannen op een expeditie naar de maan’, stelt Buzz Aldrin op de gedragen toon die inmiddels vertrouwd voelt als het megalomane project, de culminatie van een duizelingwekkende ruimterace tussen de Verenigde Staten en aartsvijand de Sovjet-Unie, veilig is afgerond. ‘Wij denken dat dit een symbool kan zijn voor de oneindige nieuwsgierigheid van de mensheid om het onbekende te ontdekken.’ Waarna hij wel eens – daarover biedt Apollo 11, dat overigens een speciale juryprijs voor montage won op het Sundance Film Festival, helaas geen uitsluitsel – een veelbetekenende blik op Neil en ‘die andere’ kan hebben geworpen en met een zucht van verlichting zou kunnen hebben gezegd: ‘En nu gaat deze jongen eens een weekje op z’n rug liggen, met moeder de vrouw erbij en een kistje bier.’

Last Breath

‘Christopher omschreef het als de ruimte ingaan, maar dan onder water’, zegt Morag, de vriendin van Chris Lemons. De Schotse dertiger is één van de drie duikers die in 2012 betrokken raakt bij een ernstig ongeluk op het schip Topaz. Chris heeft zijn schaapjes op dat moment behoorlijk op het droge: hij slaagde erin om van zijn grote passie, duiken, zijn beroep te maken, is een huis aan het bouwen en staat op het punt om in het huwelijksbootje te stappen. En dan wordt de levenslijn tussen het schip en de saturatieduiker, die zich op bijna honderd meter diepte in de Noordzee bevindt, op brute wijze doorgesneden…

Het is een unieke wereld, die in de zinderende documentaire Last Breath (85 min.) wordt opgeroepen. Van professionele duikers die onder water onderhoudswerk en reparaties uitvoeren. Het is een beroep met geheel eigen normen en waarden, codes én jargon. Als het duikondersteuningsvaartuig Topaz bijvoorbeeld in ’Dynamic Positioning’ (verankerd aan de zeebodem) is gebracht, kunnen de drie duikers hun ’bell’ (een soort aparte eenheid die vanaf de boot in de zee wordt afgezonken) verlaten om hun werk te gaan doen. Ze blijven intussen verbonden met hun basis via een ’umbilical’ (een soort navelstreng die zorgt voor warmte, licht en zuurstof en waarmee ze met hun collega’s kunnen communiceren).

Op die bewuste septemberdag in 2012, als de Topaz zich op enkele honderden kilometers van Aberdeen op zee bevindt, zorgt een computerfout ervoor dat de Dynamic Position crasht. Het schip raakt daardoor op drift. Als de umbilical van Chris vervolgens knapt, is hij aan de Goden overgeleverd. Én aan zijn twee directe collega’s in de bell: de ervaren Duncan Allcock, die hem wegwijs heeft gemaakt op de zeebodem, en de stoïcijnse Dave Yuasa, die ‘gewoon’ zijn werk doet. ‘Ik was niet erg overstuur over Chris’, herinnert die laatste zich. ‘Dit kan gebeuren. Hij was niet mijn beste vriend of één van m’n kinderen.’ En juist deze koele kikker wordt erop uitgestuurd om op zoek te gaan naar de collega die wel eens levenloos in het donkere water zou kunnen liggen.

Het is een absoluut horrorscenario voor alle betrokkenen, die het tragische ongeluk in deze bijzonder vernuftig geconstrueerde film van Alex Parkinson en Richard da Costa nog eens stapsgewijs doornemen. Daarbij kijken ze recht in de camera, de spanning en emotie van het moment herbelevend. Hun relaas wordt kracht bijgezet met een vloeiende combinatie van authentiek beeldmateriaal van het drama, onder anderen gemaakt met helmcamera’s van de crewleden, en speciaal voor de film gemaakte reconstructiebeelden. Zo ontstaat in deze lekker vet aangezette documentaire, één van de beste films die ik tot dusver zag in 2019, een bloedstollende race tegen de klok die niet had misstaan in een Hollywood-blockbuster. Kunnen ze Chris vinden? Is hij überhaupt nog in leven?

The Weather Underground

Duitsland had de Baader Meinhof Gruppe, Italië de Brigate Rosse en de Verenigde Staten The Weather Underground. Stuk voor stuk extreem-linkse groeperingen, voortgekomen uit de militante studentenbeweging, die in de jaren zeventig overgingen tot terroristische aanslagen. Die (communistische) revolutie moest en zou er komen, desnoods met grof geweld. En daarmee zouden ook rassendiscriminatie, monogamie en die godvergeten oorlog in Vietnam verdwijnen.

In de voor een Oscar genomineerde documentaire The Weather Underground (90 min.) reconstrueren de filmmakers Sam Green en Bill Siegel, die afgelopen week op 55-jarige leeftijd is overleden, met allerlei voormalige leden de historie van de ondergrondse organisatie. De radicale studentengroep, ook wel bekend als The Weathermen, ontstond tijdens het paranoïde presidentschap van Richard Nixon als bijproduct van de Students For A Democratic Society (SDS) en ging al snel over tot geweld. Ze besloten om de Vietnam-oorlog naar huis te brengen.

‘Dit zijn geen romantische revolutionairen’, aldus de toenmalige Republikeinse president, die de FBI direct instrueerde om zich niet al te druk te maken om wet- en regelgeving bij het opjagen van de groep. ‘Dit is hetzelfde tuig en uitschot dat de goeie mensen altijd dwars heeft gezeten.’ Politiek activist Todd Gitlin, in principe een medestander van The Weather Underground, formuleert het nog scherper dan Nixon. Volgens de voormalige SDS-leider waren de geradicaliseerde studenten bereid om massamoordenaars te worden. ‘Ze kwamen tot de conclusie – en dat is dezelfde conclusie die alle grote moordenaars, zoals bijvoorbeeld Hitler, Stalin en Mao, ook trokken – dat bij hun grote project voor de transformatie en zuivering van de wereld de levens van gewone mensen er niet toe deden.’

Zo heet werd de soep niet gegeten, stellen de voormalige kaderleden in deze traditioneel opgezette documentaire uit 2002, waarin verteller Lili Taylor een bulk aan treffend archiefmateriaal verbindt met interviews met voormalige Weathermen en -girls en tevens het woord geeft aan criticasters en opponenten van de anti-establishmentgroep (waarvan sommige leden, later, toch echt tot datzelfde establishment zouden gaan behoren). Met gemengde gevoelens kijken ze terug op een tijdsgewricht waarin Amerika serieus aan zichzelf begon te twijfelen en zijzelf, in al hun jeugdige overmoed, de ‘moral high ground’ meenden te bewandelen. In dat opzicht is The Weather Underground echt een film van alle tijden.

Toen Barack Obama in 2008 een serieuze kandidaat bleek te zijn voor het Amerikaanse presidentschap, speelde ineens ook het verhaal van The Weather Underground weer flink op. Hij zou onder de invloed staan van Bill Ayers, een voormalig lid van de terreurgroep dat afstand had genomen van zijn verleden en inmiddels les gaf op de Universiteit van Illinois in Obama’s woonplaats Chicago.

Tricky Dick And The Man In Black

 

Wie had de Amerikaanse president Richard Nixon eigenlijk uitgenodigd in het Witte Huis? Johnny Cash, de rebel van Folsom Prison Blues, die zich identificeerde met bajesklanten en Amerikaanse indianen? Of de godvrezende man met dezelfde naam, die in 1970 op het punt stond om opnieuw vader te worden en die zich afficheerde met de befaamde televisiedominee Billy Graham?

Tricky Dick dacht in elk geval een typische zoon van het zuiden te hebben binnengehaald, een authentieke country & western-zanger die hem wel even de electorale steun van de zogenaamde ‘silent majority’ kon bezorgen. De Republikeinse president had Cash zelfs gevraagd om de patriottische redneck-song Okie From Muskogee, een aanklacht tegen zo’n beetje alles wat met de toenmalige Tegencultuur had te maken, en het vileine Welfare Cadillac, over een man die zijn uitkering ophaalt in een patserbak, te zingen.

Nixon, die later nog met een pijnlijk protest (‘Stop the killing’) kreeg te maken tijdens een optreden van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis, had eigenlijk beter moeten weten. Johnny Cash leek de gevraagde verzoeknummers inderdaad te gaan zingen, maar besloot uiteindelijk toch anders. Zijn optreden, voor een ongemakkelijke president en zijn eerste rij van getrouwen, vormt de apotheose van Tricky Dick And The Man In Black (58 min.), een boeiende documentaire van Barbara Kopple en Sara Dosa.

Dit tweede deel van Netflix’s nieuwe serie ReMastered, een reeks historische muziekdocumentaires, zoomt net als zijn voorganger over Bob Marley in op een voetnoot uit de popgeschiedenis, waarmee een groter maatschappelijk verhaal kan worden verteld. Ditmaal over muziek als politiek verleidings- dan wel drukmiddel. Aan het woord komen een broer, zus en zoon van Cash, terwijl Nixons communicatiemedewerker Pat Buchanan en medewerker Alexander Butterfield de kant van de omstreden president voor hun rekening nemen.

Tricky Dick And Johnny Cash zet twee mastodonten tegenover elkaar, die elk vanuit hun eigen invalshoek het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog kleur hebben gegeven. Zwart, om precies te zijn. In zekere zin leken ze ook op elkaar. Nixon en Cash groeiden allebei op in diepe armoe en verloren op jonge leeftijd een broer, een ervaring die hen voor het leven zou tekenen en voor even, heel even, in Washington zou samenbrengen op een broeierige dag in april 1970.

Ook het bezoek van Elvis Presley aan de omstreden Richard Nixon, de enige Amerikaanse president die ooit is afgetreden, spreekt overigens tot de verbeelding. Er is zelfs al een speelfilm aan gewijd.

More Human Than Human

 

Zijn wij getuige van de geboorte van een nieuwe menselijke soort? vraagt verteller Tommy Pallotta zich af bij de start van More Human Than Human (78 min.), een documentaire die hij maakte samen met Femke Wolting. Waarna een filmfragment start met Rutger Hauer, die begint aan zijn onvergetelijke laatste woorden als rebelse androïde in de sciencefiction-hit Blade Runner (1982). Halverwege neemt RoboThespian, een blitse robot uit het Britse Cornwall, het ineens over van Hauer en maakt de monoloog af.

Het ding is gefabriceerd door Engineered Arts, dat acteerrobots maakt. Zelfs dat is blijkbaar geen klus meer voor gewone mensen. Volgens directeur Will Jackson kiest zijn bedrijf gewoon voor het laaghangende fruit. ‘Wat is de eenvoudigste goedbetaalde baan die een mens kan doen? stelt hij laconiek. ‘Brad Pitt. Hoe gemakkelijk is dat!’ Meer dan entertainment hoef je volgens hem niet te verwachten van robots. Dit exemplaar kan overigens ook het angstaanjagende personage van Robert de Niro in Taxi Driver, Travis Bickle. ‘Are you talking to me?’, klinkt het mechanisch.

De aandoenlijke robot relativeert de ideaal- en angstbeelden over artificiële intelligentie (AI) die we al jaren krijgen gevoerd via speelfilms. RoboThespian lijkt in elk geval niet uit op de totale vernietiging van de mensheid. Maar wat betekent de opkomst van AI dan wel voor de mens en kunnen mensen écht communiceren met een machine? Met een speciaal opgezet team neemt Pallotta de proef op de som en probeert een creatieve robot te bouwen, die zijn eigen rol als filmmaker zou kunnen overnemen (en die hem dan ook zou kunnen interviewen).

Het experiment, waaraan ook de bekende speelfilmregisseur Richard Linklater meewerkt, heeft slechts een beperkte meerwaarde. Deze intelligente documentaire heeft ook geen kunstgrepen nodig. Aan de hand van makers en denkers uit de artificiële voorhoede struint More Human Than Human, dat is gelardeerd met smakelijke fragmenten uit klassieke sciencefiction-films, door een nieuwerwetse wereld waarin de digitale assistent Siri je beste vriend kan worden, robots eigen kunst maken en overleden vrienden terugkeren als chatbot.

Dat resulteert in elementaire vragen over het bestaan. Neem de zorgrobot Alice, waarover Sander Burger in 2015 al de documentaire Ik Ben Alice maakte. Na een proefperiode wilden eenzame bejaarden echt niet meer zonder. Ook al ging het om gemechaniseerde empathie. En waarom zou die ook niet genoeg zijn? Hebben we échte empathie nodig? vraagt Pallotta zich af. Sterker: zijn mensen eigenlijk wel in staat tot echte empathie? Of, zoals één van de sprekers het kernachtig formuleert: gaan die robots nou steeds meer op ons lijken? Of begint de mens gewoon steeds meer op een robot te lijken?