Wilder

Getty Images / NTR

Trekkebenend loopt hij als snoepfabriekeigenaar Willy Wonka de fameuze film Willy Wonka & The Chocolate Factory (1971) in. Het is een idee van acteur Gene Wilder zelf. Als Wonka’s wandelstok zogenaamd vast komt te zitten in het asfalt, laat ie zich voorover vallen en maakt daar vervolgens een koprol van. Hij sluit af met een buiging. Zo begroet Wonka de kinderen die een bezoek brengen aan zijn snoepfabriek. Waarom hij zo z’n entree wil maken in de film, die is gebaseerd op Roald Dahls kinderboek Sjakie En De Chocoladefabriek? vraagt regisseur Mel Stuart. ‘Omdat ze vanaf dat moment nooit meer weten of ik lieg of de waarheid spreek’, antwoordt Wilder.

Het is exemplarisch voor de werkwijze van de acteur, regisseur en persoon Gene Wilder (1933-2016), die furore maakt met (komische) films zoals The Producers, Blazing Saddles en Young Frankenstein. Achter de lol zitten altijd kwetsbaarheid, melancholie en een zekere labiliteit. Om de man achter het personage te pakken te krijgen verlaat regisseur Chris Smith zich in dit postume portret op Wilders neef (en filmmaker) Jordan Walker-Pearlman, voor wie hij een soort surrogaatvader was. Hij deed eind jaren negentig ook een interview met hem, dat nu als onderlegger fungeert voor Wilder (uitzendtitel: Gene Wilder – Achter de lach, 85 min.), een docu die verder uit filmfragmenten, archiefbeelden en oude interviews bestaat.

De man die bekend zal worden als Gene Wilder komt ter wereld als Jerry Silverman. In 1961 meet hij zich die artiestennaam aan, een verwijzing naar zijn moeder Jeanne die net daarvoor is overleden. Nadat zij, als hij nog maar zeven is, een hartaanval heeft gehad, zegt de dokter al tegen de kleine Gene: zorg dat je haar nooit kwaad maakt. Dat zou het einde van haar leven kunnen betekenen. Laat haar lachen! En dat zal zijn parool worden. Hij oogt daarbij als een menselijke variant op zo’n beschadigd Japans kunstwerk waarvan de breuklijnen zijn opgevuld met goud- of zilverlak, stelt zijn neef Jordan. De barsten en littekens worden niet verborgen, maar zijn juist veredeld.

Wilder blijft desondanks een ongrijpbare figuur in deze documentaire, waarin zijn carrière – en van daaruit ook mondjesmaat zijn privéleven – wordt uitgelicht. Smith doet dit aan de hand van drie personen die hem bij de hand hebben genomen: regisseur en acteur Mel Brooks (waarnaar Wilder opkijkt als een grote broer), komiek Richard Pryor (met wie hij een zeer succesvol filmduo vormt) en Saturday Night Live-ster Gilda Radner (op wie hij smoorverliefd wordt). Met en via hen kan hij zichzelf verwerkelijken, een man die volgens eigen zeggen via het acteren de liefde probeert te krijgen die ontbreekt in zijn leven. En dat lijkt, afgaande op dit alleraardigste portret, heel behoorlijk gelukt.

Trustorhärvan

Netflix

Vanuit een Deense gevangenis, waar hij een straf uitzit voor oplichting, begint Joachim Posener halverwege de jaren negentig het ‘Team Moyne’ samen te stellen. Voor een klus, de frauduleuze overname van een beursgenoteerd bedrijf, waarmee ze helemaal gaan binnenlopen. Zijn flamboyante neef Thomas Jisander, ‘consultant’, zal functioneren als z’n postiljon d’amour, terwijl diens maatje Peter Mattsson, kind van een bevoorrechte familie uit Gothenburg, voor de contacten zorgt. Zakenman Lindsay Smallbone wordt de beoogde ‘managing director’. En de Britse Lord Moyne, het zwarte schaap van een familie die fortuin heeft gemaakt met Guinness-bier, moet het geheel voldoende cachet geven. Zij worden Poseners stromannen in de Trustor-affaire.

Posener wil de aankoop van de Zweedse investeringsmaatschappij Trustor financieren met haar eigen kasreserve. Uitroepteken. Zo zet hij in 1997 een enorm oplichtingsschandaal, waarbij honderden miljoenen Zweedse kronen verdwijnen, in gang. Trustor wordt leeg geplunderd. En Posener had naderhand vermoedelijk niet eens de benen hoeven te nemen als zijn patserige neef Thomas, bijgenaamd Mr. No Limit, daarna niet ongegeneerd met geld was gaan smijten. ‘s Mans champagnefeesten in Saint-Tropez worden binnen de kortste keren een begrip. En Jisander laat zich, getuige enkele smakelijke scènes in Trustorhärvan (internationale titel: Inside The Trustor Scandal, 102 min.), nog altijd graag voorstaan op het luxe leven.

‘Als die jongens niet waren gaan pierewaaien aan de Côte d’Azur, waren ze er waarschijnlijk mee weggekomen’, stelt de doorgewinterde financier Björn Björnsson, een hardliner met naar verluidt de bijnaam ‘de Terminator van de zakenwereld’, in deze ferme witte boorden-docu van Karin Af Klintberg. Als er stront aan de knikker blijkt te zijn, moet hij als liquidateur de belangen van de aandeelhouders veiligstellen. Intussen heeft Trustors adjunct-directeur Richard Djursén, volgens Björnsson niet meer dan een ‘useful idiot’, in het openbaar de klappen opgevangen. De affaire zit de brave burgerman Djursén, bijna dertig jaar na dato, nog altijd zeer hoog. Hij gaat zichtbaar gebutst door het leven – al zit ie er tegenwoordig ook opvallend warmpjes bij.

Af Klintberg heeft daarmee enkele van de belangrijkste spelers voor de camera gekregen, waaronder zowaar ook Posener zelf. Hij is al drie decennia een enigma. Op de vlucht voor Interpol wordt ie in zowat elke uithoek van de wereld gespot. Nu de misdrijven zijn verjaard, wil hij er eindelijk openlijk over praten. Samen met de Zweedse rechercheur Jochum Söderström en journalist Gunnar Lindstedt leiden deze Team Moyne-leden de filmmaakster door het doolhof van de Trustor-affaire, waar wetten niet meer dan richtlijnen zijn – voor als het zo uitkomt – en de waarheid een zeer rekbaar begrip blijkt. Zij benadert hen met gezonde scepsis, kadert hun beweringen in met een snedige voice-over en probeert zo de feiten van de fictie te scheiden.

Met die no nonsense-attitude, gepaard aan een gedegen uitleg van allerlei ondoorzichtige malafide constructies en soms een opzichtige knipoog, tekent Trustorhärvan een financieel schandaal op, dat uiteindelijk een nogal ironische uitkomst krijgt. Op rekening van de belastingbetaler.

The Salisbury Poisonings: A Spy Next Door

CNN / Videoland

‘Er zit iets in de psyche van de Russische staat, dat veel ouder is dan Poetins regime, waardoor liegen en dat iedereen weet dat je liegt een teken van macht is’, stelt Mark Sedwill, voormalig nationaal veiligheidsadviseur van de Britse regering, over de bewering van Vladimir Poetin dat zijn land niets van doen heeft met de vergiftiging van de Russische overloper Sergej Skripal en diens dochter Joelia in 2018. ‘Omdat je kunt liegen en daarvoor toch niet verantwoordelijk wordt gehouden.’

In The Salisbury Poisonings: A Spy Next Door (79 min.) akkert regisseur Daniel Vernon de dubbele moordpoging helemaal door. Die wordt tevens gezien als een ernstig risico voor de volksgezondheid. Doordat de daders het zeer gevaarlijke zenuwgas Novitsjok hebben gebruikt en niet duidelijk is wat ze met het restant daarvan hebben gedaan, loopt iedereen in het slaperige Britse stadje Salisbury, door de plaatselijke bevolking ook wel Smallsbury genoemd, gevaar. Burgerslachtoffers kunnen bijna niet uitblijven.

Behalve een geestelijke, arts, plaatselijke correspondent en enkele gewone inwoners van Salisbury, waaronder bijvoorbeeld de eigenaresse van de winkel waar Skripal vrijwel dagelijks worstjes en krasloten kocht, laat Vernon ook de toenmalige Britse premier Theresa May, minister van Binnenlandse Zaken Amber Rudd, de MI6-chefs John Sawer en Richard Dearlove en het hoofd van de landelijke anti terrorisme-eenheid Neil Badu terugblikken op de kille moordaanslag die voor een acute crisis met Rusland zorgt.

Die is typisch Poetin, als we onderzoeksjournalist Christo Grozev (Bellingcat) mogen geloven. Hij laat opponenten rücksichtslos uit de weg ruimen. Een erfenis wellicht van zijn vorige leven, toen hij geheimagent was bij de KGB. ‘Om een goede spion te zijn, moet je vooral aardig gevonden worden’, stelt zijn voormalige studiegenoot Viktor Makarov echter. ‘En Poetin hield ervan gevreesd te worden.’ Een verrader zoals Sergej Skripal, die zich veilig waant in het Verenigd Koninkrijk, zou dus kunnen weten wat er op hem afkomt.

Een moordcommando bestaande uit Ruslan Boshirov en Alexander Petrov, de schuilnamen van twee Russische inlichtingenofficieren die direct aan Vladimir Poetin kunnen worden gelukt, moet het klusje klaren en kijkt daarbij niet op een slachtoffer meer of minder De Britse autoriteiten proberen intussen rust uit te stralen. Keep calm and carry on, aldus minister Rudd – ook al is zij veel minder zeker van haar zaak dan ze wil uitstralen. Hoe kan deze kwestie worden getackeld, zonder dat er oorlog van komt?

Trefzeker roept The Salisbury Poisonings zo een cruciale stap in de verdere verslechtering in de relatie van Rusland met het westen op. Een ernstig incident dat véél slechter had kunnen aflopen.

Eerder dit jaar werd ook de miniserie Salisbury Poisonings: The Untold Story uitgebracht.

Abandonados

Disney+

‘Kent u ze?’, leest Marisa Manera in 1984 op een prikbord van de sociale dienst van Barcelona, bij een foto van een aandoenlijk tweejarig meisje en twee schattige jongetjes. ‘We hebben informatie nodig over deze kinderen. Als u ze kent, neem dan contact op met Montse Martí, sociaal werker.’ De ongewenst kinderloze Marisa meldt zich direct bij Montse: samen met haar man, de leerkracht Lluís Moral, wil ze de kinderen wel in huis nemen. Ruim veertig jaar later is Marisa, zeker na het overlijden van haar echtgenoot, nog altijd hun steun en toeverlaat, hun moeder.

Elvira Moral Manera en haar oudere broertjes Ramón (6) en Richi (4) zijn op 22 april 1984 op het treinstation Estació de Francia spelend in een trein aangetroffen door een conducteur. De drie kinderen zeggen dat ze daar zijn achtergelaten door een Franse man genaamd Denis, die hen vanuit Parijs met een witte Mercedes naar Barcelona zou hebben gebracht. Van hun ouders weten de kinderen, die vooral Frans spreken, verder hoegenaamd niets. Zelfs hun voornaam kunnen ze niet reproduceren. Ze kennen ook hun eigen achternaam niet.

Een half leven later tasten de Abandonados (163 min.) nog altijd in het duister over hun eigen achtergrond. Als Elvira zelf moeder wordt, wil ze echter meer weten over haar oorsprong. Die beslissing zet een enerverende zoektocht in gang, die in deze vierdelige serie door regisseur Carlos Alonso Ojea op de voet wordt gevolgd. Ramón, Richi en Elvira worden daarbij terzijde gestaan door een groepje amateurdetectives en onderzoeksjournalist Carles Porta en zijn team. Stukje bij beetje ontdekken de drie waar – en bij wie – ze vandaan komen.

Daarvoor moeten ze, zoveel jaar na dato, nog steeds onwil wegnemen bij bronnen die hen wellicht verder kunnen helpen. Want al snel wordt duidelijk dat hun ouders zich vermoedelijk in criminele kringen bewogen, waar doorgaans kordaat wordt gehandeld en zorgvuldig wordt gezwegen. Wellicht ligt daar ook het antwoord op de vraag waarom pa en ma hun kinderen – samen en toch moederziel alleen – aan hun lot hebben overgelaten op een treinstation en nooit meer iets van zich hebben laten horen. Toch boeken de broers en zus wel degelijk vooruitgang.

Als dit buitengewone verhaal, dat Ojea stapsgewijs en met de nodige suspense onthult, zijn voorlopige ontknoping nadert, hebben ze kennis gemaakt met pak ‘m beet een beruchte crimineel die in de Modelo de Barcelona-gevangenis wordt geliquideerd, een Parijse speelgoedwinkel met een krokodil aan het plafond en de Gouddieven van Andalusië. Op zoek naar sporen uit het verleden zijn ze bovendien in de landen Frankrijk, België en Zwitserland beland. Tegelijk leren de drie Abandonados zichzelf ook beter kennen – als producten van zowel nurture als nature.

Aan het einde van hun aangrijpende queeste – althans aan het einde van deze overrompelende miniserie, die in de verte aan de ingenieuze real life-thriller Three Identical Strangers (2018) doet denken – zijn ze heel wat wijzer, maar blijft er ook nog het nodige te raden en te wensen over. Zoals één van de sleutelfiguren uit hun speurnetwerk, de forensisch arts Montse Del Rio, hen bij aanvang al heeft gewaarschuwd: dit wordt een lange afstandsrace. En de finish lijkt nog altijd niet in zicht. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Speechless

Good Soup Productions

‘De antiracisten, de antifascisten, de antiseksisten, de anti-imperialisten en, natuurlijk, de antikapitalisten’, besluit professor Russell Rickford van Cornell University in New York zijn vlammende speech. ‘Ze blijven ons inspireren. Dus blijf je organiseren en blijf herrie trappen.’ Rickford heeft slechts acht dagen na de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 – en ruim vóór Israëls verwoestende respons in Gaza – flink van zich doen spreken. De aanval van Hamas is volgens hem ‘exhilarating’ en ‘energizing’.

Op dat moment, in het tweede deel van haar lijvige documentaire Speechless (176 min.), krijgt de zoektocht van Ric Esther Bienstock naar de aanhoudende frictie rond de vrijheid van meningsuiting op Amerikaanse universiteiten een persoonlijk karakter. De filmmaakster is zelf Joods en voelt zich aangesproken door Rickfords agressieve retoriek, nadat gewone Israëlische burgers het slachtoffer zijn geworden van een bloedige aanval. Enkele maanden later steekt de Amerikaanse veteraan Aaron Bushnell zichzelf in brand, om te protesteren tegen Israëls verpletterende optreden in Gaza.

Bienstocks zoektocht is al in 2017 begonnen op het Evergreen State College in Olympia, in de Amerikaanse staat Washington, waar de jaarlijkse ‘Day Of Absence’ voor witte medewerkers een verplichtend karakter heeft gekregen. Docent evolutionaire biologie Bret Weinstein laat zich echter niet zomaar wegsturen van de campus en zet zo een snel ontsporend debat in gang. Op pijnlijke beelden is te zien hoe militante studenten het schoolhoofd George Bridges ongenadig uitkafferen, fascist noemen en beschuldigen van ‘microagressie’ – omdat de man te veel met zijn handen zou praten.

Studenten van het York College in Pennsylvania gaan deze casus vervolgens bestuderen. Met hun docent Erec Smith constateren ze dat het conflict een typisch voorbeeld is van de botsing tussen klassiek links gedachtegoed en ‘Critical Social Justice’, een manier van kijken naar de wereld die ook wel ‘woke’ wordt genoemd. Onderwerpen worden door aanhangers daarvan benaderd vanuit het uitgangspunt van ‘onderdrukker versus onderdrukte’. Niet veel later wordt Smith een ‘white supremacist’ genoemd. Door een witte persoon. Om het helemaal ingewikkeld te maken: Erec Smith is zelf zwart.

Ric Esther Bienstock onderzoekt of de academische vrijheid door zulke ontwikkelingen in gevaar komt. Op diverse plekken verdiept ze zich in hoog oplopende discussies over de onderdrukkende of juist bevrijdende werking van taal, radicale vormen van antiracisme en cancelcultuur, alvorens ze in deel twee het terrein van (vermeende) transfobie betreedt. Ze spreekt met de wetenschappers Carole Hooven, evolutionair bioloog op Harvard, en Kathleen Stock, een filosofe verbonden aan Oxford, die ernstig onder vuur kwamen te liggen en nauwelijks steun van hun collega’s of werkgever ervoeren.

Het open klimaat op universiteiten wordt daarnaast ook onder vuur genomen, laat de filmmaakster zien, door conservatieve activisten zoals Christopher Rufo, Hij verzet zich demonstratief tegen het uitgangspunt van Diversity, Equity en Inclusion (DEI) en krijgt van Florida’s gouverneur Ron DeSantis de kans om de linkse universiteit New College te hervormen. De DEI-directeur wordt direct ontslagen, het genderstudie-programma afgesloten en genderneutrale toiletten verwijderd. Rufo maakt van zijn hart bovendien geen moordkuil, ook niet in deze film, en blijft bijvoorbeeld rustig ‘misgenderen’.

En dat is een terugkerend beeld in deze urgente film, die de ontsporing van het publieke debat pregnant in beeld brengt: aan de frontlinie van de cultuuroorlog is geen enkele ruimte meer voor begrip of nuance. ‘Suck my tranny dick’, schreeuwt de activistische student Libby Harrity bijvoorbeeld tegen Rufo. Waarop die dat provocerend ‘anatomisch incorrect’ noemt en meteen een zaak start tegen Libby, die bij het spugen op de grond zijn tenen zou hebben geraakt. Het schikkingsvoorstel dat uiteindelijk op tafel komt – leave and never come back – is voor de protesterende student een bijzonder bittere pil.

Enige koudwatervrees is in zo’n giftig klimaat best te begrijpen. Voor elke persoon die Ric Esther Bienstock bereid heeft gevonden om voor haar camera plaats te nemen, zijn er dus ook talloze anderen die deze gifbeker liever aan zich voorbij lieten gaan. Zelfcensuur is nu eenmaal een onvermijdelijk bijproduct van een zich vernauwend publiek debat.

White With Fear

So Much Film / PBS

Tijdens de Amerikaanse presidentscampagne van 1968 vindt Richard Nixon de sleutel naar verkiezingswinst: maak de witte kiezer bang voor zwarte inwoners, zónder openlijk racistisch te klinken. Hij begint te spreken over ‘law & order’ en de goede verstaander weet dan wel wie/wat hij bedoelt: die vermaledijde zwarte Amerikanen. Sindsdien is datzelfde procedé nog door talloze conservatieve politici toegepast. Ze spreken over ‘welfare queens’, ‘illegal aliens’ of ‘gangbangers’, termen die volgens Ian Haney López, auteur van Dog Whistle Politics, werken als een hondenfluitje.

Het grote geheim van de Amerikaanse politiek, citeert historicus Kevin Kruse de Nixon-fluisteraar Kevin Phillips in de interessante documentaire White With Fear (84 min.), is nu eenmaal: ‘wie haat wie?’ Deze vraag krijgt nieuwe dimensies na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 als de Republikeinse president George W. Bush de oorlog verklaart aan Osama bin Ladens Al-Qaeda en er in zijn land een anti-moslim stemming ontstaat, die vervolgens door de rechtse televisiezender/woedemachine Fox News wordt uitgebouwd tot een heuse cultuuroorlog.

Na de entree van Amerika’s eerste zwarte president Barack ‘Hussein’ Obama, die dus ook nog in verband kan worden gebracht met islam, gaat de ‘witte haat-industrie’ vanaf 2008 helemaal los. ‘De strategie was om reactionaire, racistische beelden over niet-witte immigranten aan de achterban te presenteren als politieke keuzes van de elite om de hardwerkende witte man te verraden’, vertelt Katie McHugh, voormalig medewerker van de website Breitbart, die ziet hoe haar werkgever ook doelbewust wordt ingezet als werktuig van een nieuwe politieke kracht, Donald Trump.

Documentairemaker Andrew Goldberg akkert de tumultueuze historie van het exploiteren van latente onlustgevoelens bij witte Amerikanen, vervat in talloze unheimische speeches, uitspraken en campagnefilmpjes, door met insiders uit beide politieke partijen, zoals Hillary Clinton en Steve Bannon, en een aantal neutrale beschouwers. Trump – en de man die hem zijn meest extreme taal influistert: Stephen Miller – is zo bezien een logisch gevolg van ruim een halve eeuw, vanuit zowel electorale als financiële motieven, doelbewust inspelen op de onderbuik.

‘Het fascinerende aan Donald Trump is dat hij het hele spelbord heeft omgegooid’, stelt de historicus Rick Perlstein, auteur van Nixonland. ‘Van het hondenfluitje heeft hij een stoomfluit gemaakt. Dat zou hem natuurlijk nooit zijn gelukt zonder het fundament van 55 jaar Republikeins hondengefluit.’ Waarna Donald Trump daar in zijn acceptatiespeech op de Republikeinse conventie van 2016 hoogstpersoonlijk een uitroepteken achter plaatst, met een Nixonesk eufemisme: ‘We worden een land van law & order.’

The Spy In Your Mobile

BBC

‘We verkopen het alleen aan overheden en entiteiten waarvan we weten, of willen geloven, dat ze de mogelijkheden niet zullen misbruiken’, laat Shalev Hulio, CEO van de Israëlische NSO Group, optekenen tijdens een televisie-interview in april 2020. En we beschikken over alle mechanismen, voegt hij er met het nodige aplomb aan toe, om ervoor te zorgen dat klanten geen misbruik maken van het systeem.

Slechts enkele maanden later krijgen medewerkers van het journalistieke netwerk Forbidden Stories in Parijs een databestand in handen met ruim 50.000 telefoonnummers. Op deze telefoons is in het diepste geheim NSO’s voornaamste product Pegasus geïnstalleerd. Met de spyware kunnen buitenstaanders stiekem meelezen, -kijken en -luisteren. Het is de ideale tool voor repressieve regimes, stelt journalist Paul Lewis van de Britse krant The Guardian. Nooit was surveillance van kritische burgers gemakkelijker. De technologie is niet voor niets verkocht aan zo’n veertig landen.

Samen met tachtig nieuwsorganisaties uit zeventien landen gaat Forbidden Stories de kwestie verder onderzoeken. Terwijl documentairemaker Anne Poiret meekijkt, proberen ze de personen achter de nummers op te sporen. Aan het begin van The Spy In Your Mobile (86 min.) stuiten ze bijvoorbeeld op de Azerbeidzjaanse journaliste Khadija Ismayilova, die al een hele tijd wordt geïntimideerd door de machthebbers in haar land. Zij is níet verrast dat haar telefoon is gehackt, wél dat dit is gebeurd zonder dat ze zelf ook maar iets heeft aangeklikt. Én ze voelt zich schuldig, tegenover haar familie, vrienden én bronnen.

Ook de regeringen van Mexico en Saudi-Arabië zetten Pegasus in om kritische geluiden de kop in te drukken, stellen CNN-journaliste Carmen Aristegui en de mensenrechtenactiviste Hatice Cengiz. Bij de moord op Cengiz’s Saudische verloofde Jamal Khashoggi in 2018 zou Pegasus zelfs een faciliterende rol hebben gespeeld – ook al ontkent The NSO Group dit ten stelligste. In deze duistere wereld mag immers niets lijken wat het is. Het bedrijf komt voort uit de Israëlische defensie-industrie en weet zich in de rug gedekt door de regering Netanyahu, die vindt dat cyberveiligheid zo min mogelijk belast en gereguleerd moet worden.

Als de onderzoekers ontdekken dat ook de Franse president Macron en andere leden van zijn regering worden bespioneerd en hun gezamenlijke deadline in 2021 nadert, loopt de spanning op in deze typische journalistenfilm. De lancering van The Pegasus Project veroorzaakt wereldwijd opwinding en verontwaardiging. De Amerikaanse klokkenluider Edward Snowden luidt dan nog eens de noodklok. Volgens hem zijn er nog véél meer bedrijven zoals NSO. ‘Als we veilig willen zijn, moeten we het spel fundamenteel veranderen.’

En ook als het Pegasus-verhaal eenmaal op straat op straat ligt, duiken er nog talloze nieuwe slachtoffers op. Het Europese parlement ziet zich genoodzaakt om The NSO Group ter verantwoording te roepen. Uiteindelijk moet de Israëlische onderneming bekennen dat ze ook veertien landen van de Europese Unie als cliënt heeft. NSO ontkent verder de meeste aantijgingen in deze film. En ook de regering Netanyahu werpt de suggestie dat Pegasus als politiek wisselgeld is aangeboden aan andere landen ver van zich. Waarvan akte.

The Spy In Your Mobile is hier te zien.

The Battle Over Citizen Kane

PBS

In The Battle Over Citizen Kane (110 min.) wordt een verpletterende botsing gereconstrueerd. Tussen twee gi-gan-ti-sche ego’s, welteverstaan. Tussen Orson Welles (1915-1985), de maker van de baanbrekende film Citizen Kane (1941), en William Randolph Hearst (1863-1951), de mediamagnaat op wiens leven die film is gebaseerd. Twee mannen met wie altijd wat loos is. Ze zijn allebei mateloos, roekeloos en grenzeloos en lijken waarschijnlijk ook meer op elkaar dan ze zichzelf realiseren.

Deze documentaire van Thomas Lennon en Michael Epstein uit 1996, die destijds werd genomineerd voor een Oscar, zet de levens van deze twee mastodonten tegenover elkaar. De rijkeluiszoon Hearst bouwt een eigen krantenimperium op, probeert tevergeefs burgemeester, gouverneur en president te worden en groeit desondanks uit tot één van de rijkste en machtigste mannen van de Verenigde Staten. Welles wordt intussen beschouwd als een absoluut wonderkind, maakt als jongeling furore in het New Yorkse theater en jaagt half Amerika in 1938 de stuipen op het lijf met het nét iets te realistische hoorspel War Of The Worlds over een acute aanval van buitenaardse wezens.

Als Orson Welles op 24-jarige leeftijd zijn eerste film gaat maken, kiest hij de meedogenloze mediatycoon als zijn doelwit. Die is wel wat kritiek gewend en trekt zich daar doorgaans weinig van aan. Welles maakt echter één cruciale fout: hij richt zijn peilen ook op Hearsts maîtresse, de 35 jaar jongere actrice Marion Davies. Het jeugdige genie bestaat het zelfs om zijn koosnaampje voor haar edele delen, ‘rosebud’, belachelijk te maken. Als dat nieuws uitlekt, stelt de grondlegger van de Amerikaanse riooljournalistiek alles in het werk om Welles film te laten vernietigen en de maker daarvan helemaal kapot te maken – een kwestie die ook nog zal worden opgeroepen in de speelfilm RKO 281 (1999).

The Battle Over Citizen Kane, in goede banen geleid door een lekker vileine verteller (schrijver Richard Ben Cramer), verhaalt over hoe die epische ruzie hen allebei ten gronde richt. William Randolph Hearst besmet er zijn eigen reputatie mee, terwijl Orson Welles al snel ‘Amerika’s jongste has been’ wordt gedubd en er nooit meer helemaal bovenop zal komen. En het gekke is, betogen Lennon en Epstein in deze gesmeerd lopende film, in de fictieve hoofdpersoon van de gewraakte film, Charles Foster Kane, zijn ze allebei te herkennen. ‘Orson maakte een autobiografische film’, stelt Robert Wise zelfs, die Citizen Kane monteerde. ‘Maar hij realiseerde zich dat helemaal niet.’

Skin: A History Of Nudity In The Movies

Plausible Film

Al vanaf de geboorte van de Amerikaanse film aan het eind van de negentiende eeuw zoeken makers de grenzen van hun tijd op met naaktscènes. In 2020, als #metoo Hollywood net op zijn grondvesten heeft doen schudden en de intimiteitscoördinator zijn entree heeft gemaakt op de filmset, maakt Danny Wolf in de documentaire Skin: A History Of Nudity In The Movies (130 min.) de balans op van ruim 130 jaar bloot in films.

Gedurende die jaren lijken periodes van vrijheid en preutsheid elkaar voortdurend af te wisselen. Nét voordat in 1934 de zogeheten Production Code wordt ingevoerd, die twintig jaar lang zal bepalen welke films wel en niet in productie kunnen worden genomen, zien bijvoorbeeld nog het baanbrekende Ecstacy (1933), met een naakte Hedy Lamarr en een heuse seksscène, en Tarzan And His Mate (1934), waarin de ster Maureen O’Sullivan tijdens een naaktzwemscène zowaar wordt vervangen door een ‘body double’, het licht.

Hollywood realiseert zich intussen terdege dat ‘sex sells’. Met de vraag ‘What are the two great reasons to see Jane Russell in The Outlaw?’ en een sexy afbeelding van de hoofdrolspeelster wordt in 1943 bijvoorbeeld de Howard Hughes en Hawks-western letterlijk aan de man gebracht. Later fungeren ‘seksbommen’ zoals Brigitte Bardot, Marilyn Monroe en Jayne Mansfield als verleidelijk uithangbord voor nieuwe films. De tijd dat naaktscènes of -foto’s een actrice haar carrière kunnen kosten lijkt dan definitief voorbij.

Behalve op filmjournalisten en -historici verlaat Wolf zich in deze chronologisch opgebouwde film ook op regisseurs zoals Peter Bogdanovich (The Last Great Picture Show), Amy Heckerling (Fast Times At Ridgemont High) en Kevin Smith (Zack And Miri Make A Porno). Hij laat verder actrices aan het woord die spraakmakende blootscènes speelden, waaronder Mamie van Doren (High School Confidential), Pam Grier (Foxy Brown), Mariel Hemingway (Personal Best), Sean Young (No Way Out) en Shannon Elizabeth (American Pie).

Ook aan mannelijk naakt – en het taboe daarop in bepaalde tijdsgewrichten – besteedt Skin volop aandacht, met bijdragen van Malcolm McDowell, die de hoofdrol vertolkte in de klassiekers A Clockwork Orange en Caligula, en Ken Davitian, de zwaarlijvige acteur die een grotesk naaktgevecht leverde in de comedy Borat. ‘Full frontal’-naaktscènes maken sowieso altijd de tongen los, getuige de spraakmakende verhoorscène in Basic Instinct van Paul Verhoeven, die met Showgirls nog een andere zéér omstreden naaktfilm maakte.

Danny Wolf wikkelt de hele historie netjes af, met natuurlijk ook verwijzingen naar de illustere filmmakers Ed Wood, Russ Meyer en Roger Corman, geruchtmakende films zoals Blow-Up, Last Tango In Paris, The Crying Game en Fifty Shades Of Grey en de rol van de alomtegenwoordige filmkeuring, maar hij gaat nooit echt de diepte in. Deze documentaire voelt daardoor, ondanks talloze saillante voorbeelden en de bijbehorende filmfragmenten, eerder als een interessante geschiedenisles dan als een geslaagde vertelling.

Harry Gruyaert, Photographer

Harry Gruyaert / Las Belgas

De man die, letterlijk, midden in de wereld staat en er toch niet echt aan deelneemt. Of beter: die deelneemt op zijn eigen voorwaarden. Harry Gruyaert kijkt door zijn cameralens en drukt obsessief af, direct al in de openingsscène van deze documentaire van Gerrit Messiaen uit 2018. Hij laat zich door niets of niemand afleiden. De wereld, gereduceerd tot één enkel beeld. Steeds weer. Totdat Harry Gruyaert, Photographer (65 min.) heeft gevonden wat hij zocht. Écht tevreden is hij echter nooit.

Met zijn gezin naar het buitenland gaan is voor de Belgische fotograaf, werkzaam voor het prestigieuze Magnum Photos, dus geen goed idee. Zodra hij iets waarneemt, wordt de hele reis op pauze gezet. En als hij niet de gelegenheid krijgt om halt te houden, wordt Gruyaert knorrig. Hij is ook pas laat vader geworden, vertelt ie, van twee dochters die veelvuldig door hem zijn gefilmd en gefotografeerd. Harry was altijd doodsbang om zijn vrijheid te verliezen. Zodra een vriendin over kinderen begon, nam ie de benen.

In dit portret neemt Gruyaert Messiaen mee door zijn leven. Het begin daarvan, in een nette katholieke familie, werd vereeuwigd door Gruyaerts vader, die lesgaf op een opleiding voor fotografen en die uiteindelijk ruim 25 uur aan filmmateriaal van zijn eigen kinderen achterliet: zorgvuldig geënsceneerd materiaal van het gezin in het ziekenhuis als er weer een broertje of zusje was geboren, gezellig op het strand of bij het uitpakken van de Sinterklaascadeautjes. Hij zag echter geen fotograaf in zijn zoon.

Die wist dus niet hoe snel hij thuis kon wegkomen, vertelt de, ja, fotograaf in deze verzorgde film, die vanzelfsprekend is doorsneden met de beelden die hij in alle uithoeken van de wereld verzamelde. Vooral zijn uitgesproken kleurgebruik springt daarbij in het oog. Waar een ander niets bijzonders ontwaart, ontdekt Harry Gruyaert bijvoorbeeld een bijzondere lichtinval en legt het leven om hem heen stil, om die te kunnen vangen. Steeds op zoek naar iets nieuws, het onbekende dat hem bevangt.

Dit typische fotografenportret, waarin Gruyaert wordt bijgestaan door vrienden zoals documentairemaker en fotograaf Raymond Depardon, beeldhouwer Richard Nonas en schrijver David Campany, toont hem als een man voor wie de camera een noodzaak is om te kunnen leven én te blijven leven.

#Skyking

Disney+

The sky’s no limit, staat er achter op het T-shirt van de man die op 10 augustus 2018 door de beveiligingspoortjes van vliegveld Sea-Tac in Seattle gaat. Niet veel later is hij doorgedrongen tot de cockpit van een Dash 8. Hij laat het Q400-vliegtuig van Alaska Airlines opstijgen en negeert pogingen van de luchtverkeersleiding om in contact met hem te komen. Bij het FAA Washington Operations Center gaan ondertussen alle alarmbellen af. Is het toestel gekaapt? En wat volgt er nu? Een (zelfmoord)aanslag?

‘Ik heb iets slechts en egoïstisch gedaan’, bekent ‘Horizon Guy 449’ even later, als hij zich toch bij de luchtverkeersleiding meldt. ‘Maar het is niet erg. Ik ga naar Rainier.’ Op de grond kunnen ze nauwelijks geloven wat ze zojuist te horen hebben gekregen. ‘449, wil je zeggen dat je het vliegtuig hebt gekaapt?’ vraagt iemand ontzet. ‘Ja, ik ben bang van wel’, beaamt de onbekende man laconiek, om er enkele ogenblikken later al even luchtig aan toe te voegen: ‘Heb je enig idee of Dash 8 Q400 een barrel roll kan maken?’

De potentiële brokkenpiloot wordt al snel geïdentificeerd als Richard Russell, een 28-jarige grondmedewerker van het vliegveld, met de bijnaam ‘Beebo’. Hij heeft nog nooit gevlogen. In #Skyking (90 min.) probeert Patricia E. Gillespie met Russells familie, vrienden en collega’s te begrijpen wat hun geliefde zoon, broer of vriend heeft bewogen. Via een koptelefoon krijgen zij bovendien voor het eerst zijn contacten met de luchtverkeersleiding te horen. Zo wordt zijn opzienbarende ‘vlucht’ gereconstrueerd.

‘Ik wilde gewoon een vluchtje maken’, vertelt Beebo, die klinkt als een toffe peer-variant op het Michael Douglas-personage in de speelfilm Falling Down, een gewone man die niet meer tegen het leven kan en dan een stap zet die eigenlijk alleen verkeerd kan aflopen. ‘Dus je bent in je eentje?’ vraagt de telefonist die Russell veilig naar de grond moet loodsen. ‘Ja’, antwoordt Beebo, die weet dat hij anderen in gevaar brengt met zijn doldrieste actie, hoorbaar schuldbewust. ‘Ik wilde niemand anders kwaad doen.’

Op de gezichten van zijn meeluisterende verwanten valt intussen af te lezen hoe zij zijn reis beleven. Ze leren hem opnieuw kennen. Wat ze horen roept ook talloze herinneringen op aan de man die zich met ‘zijn’ vliegtuig nu opmaakt voor een barrel roll, een levensgevaarlijke kurkentrekker-beweging. Gillespie vindt knap de middenweg tussen die twee verhaallijnen: de enerverende solovlucht zelf en het leven daarachter, van een desperate man die zichzelf wil bevrijden van zijn eigen beperkingen.

Aan het eind belicht zij ook nog het verhaal dat er naderhand is gemaakt van Beebo’s vlucht. Want die zal worden gekaapt door zowel uiterst links als rechts en door hen worden omgevormd tot een spectaculair broodjeaapverhaal, dat perfect past in hun eigen politieke agenda – en dat voor zijn familie en vrienden de man die zij nog altijd hoog hebben zitten juist bezoedelt. Deze indringende film brengt de #Skyking weer terug tot menselijke proporties en benadrukt tegelijk hoe onwaarschijnlijk zijn missie was:

Dramatisch, aangrijpend en totaal (on)begrijpelijk.

The Balloonists

Dogwoof

Hij kan zich geen nieuw fiasco veroorloven. Zijn eerste poging om met een heteluchtballon een nonstop-vlucht rond de aarde te maken is uitgelopen op een pijnlijke mislukking. Slechts zes uur na vertrek moet Bertrand Piccard de strijd staken. Afgezet tegen de prestaties van zijn grootvader en vader, die van zich deden spreken in ruimtecapsules en onderzeeërs, slaat Piccard een absoluut modderfiguur. Hij mag op geen enkele manier in de schaduw van zijn beroemde familieleden staan.

Er hangt dus nogal wat vanaf als de streberige Zwitserse avonturier in maart 1999 samen met een nieuwe partner, de bedeesde Britse vlieginstructeur Brian Jones, een nieuwe poging waagt om met de Breitling Orbiter 3-ballon de aarde te bedwingen. The Balloonists (86 min.), bijgestaan door de Belgische meteoroloog Luc Trullemans, staan niet alleen voor een enorme uitdaging. Ze moeten ook afrekenen met een concurrerende ballon, met Piccards voormalige teamgenoot Andy Elson aan boord.

Samen met enkele intimi blikken Piccard, Jones en Trullemans in deze avonturendocu van de Britse regisseur John Dower (The Mystery Of D.B. Cooper, Lockerbie en The Man Who Definitely Didn’t Steal Hollywood) terug op een hachelijke onderneming die ook zomaar verkeerd had kunnen aflopen. Het feit dat deze film er is gekomen en de voornaamste participanten het ook kunnen navertellen doet vermoeden dat het toch wel goed is gekomen. Van die spanning moet de documentaire het dus niet hebben.

Met fraaie beelden van de ballonvaart en de persoonlijke verhalen van de belangrijkste passagiers daarvan kan Dower de historische vlucht – ruim 2600 mijl in nog geen twintig dagen – overtuigend reconstrueren. Een grens is verlegd, door twee totaal verschillende mannen die een onverwacht goed team vormen – nadat talloze pogingen, waaronder die van de Britse entrepreneur Richard Branson, voortijdig zijn gestrand.

Soldier’s Bones

Zeppers

De Vietnamoorlog die iedereen allang spuugzat was, kon volgens de Amerikaanse generaal Julian Ewell wel degelijk nog gewonnen worden. Hij initieerde eind 1968 in het zuidwesten van Vietnam de omstreden operatie Speedy Express, die hemzelf de bijnaam ‘The Butcher Of The Delta’ opleverde. De militaire campagne van het Amerikaanse leger in de zogeheten Mekongdelta, die tot halverwege 1969 duurde, kostte naar verluidt bijna 11.000 Vietcong-strijders het leven. Toch werden er in totaal nog geen 750 wapens ingenomen.

Waren dit echt vijandelijke strijders? vroeg de 27-jarige Newsweek-journalist Alec Demitri Shimkin zich dus begin jaren zeventig af. Of had de Negende Infanterie Divisie van het Amerikaanse leger Ewells parool ‘kill anything that moves’ letterlijk genomen en gewone Vietnamezen vermoord? Shimkin beet zich vast in de zaak en verdween daarna van de aardbodem. Sinds 1972 werd er niets meer van hem vernomen. In de documentaire Soldier’s Bones (90 min.) neemt de Nederlandse documentairemaker Kasper Verkaik ruim vijftig jaar later het stokje van hem over.

Aan de hand van ingelezen brieven die Alec Shimkin tijdens zijn speurwerk naar het thuisfront stuurde reconstrueert hij diens diepgravende onderzoek. Verkaik weet ook getuigen op te sporen die nader licht werpen op Operation Speedy Express. Met Shimkins zus Eleanor, verloofde Mary Ann, nicht Barbara, beste vriend Bill en enkele collega’s in Vietnam probeert hij bovendien vat te krijgen op de idealistische Amerikaanse journalist, die eerst actief was in de burgerrechtenbeweging en later besloot om de omstreden oorlog in Zuidoost-Azië te gaan verslaan.

Deze kalme en sfeervolle reis door het hedendaagse Vietnam is aangekleed met huiveringwekkende beelden uit dat zwarte verleden en wordt zo meteen een hypnotische tocht naar het ‘heart of darkness’ van de oorlog – en het hart van een jonge man die weigerde om zich neer te leggen bij oorlogsmisdaden en die ervan overtuigd raakte dat hij een belangrijk verhaal op het spoor was gekomen. ‘Death is our business’, stond er volgens Shimkin op één van de Amerikaanse helikopters, die dood en verderf zaaiden in de Mekongdelta. ‘And business is good.’

In de Verenigde Staten zat, na de commotie rond het bloedbad in het dorpje My Lai in 1968, echter niemand te wachten op nóg een voorbeeld dat de oorlog in Vietnam niet deugde. Met Alec Shimkin verdween dus ook het verhaal van Operation Speedy Express in een nooit meer te openen bureaulade, die Kasper Verkaik nu vol overtuiging openrukt.

Strange Journey: The Story Of Rocky Horror

Kaleidoscope Entertainment

Erg fiducie hebben de mensen die Richard O’Brien begin jaren zeventig benadert niet in zijn idee. Een rockmusical, nog één? Zijn Jesus Christ Superstar, Hair en al die slappe aftreksels daarvan nog niet genoeg?

Met zijn eerste composities krijgt Richard regisseur Jim Sharman en muzikaal leider Richard Hartley nochtans direct aan z’n zijde, vertelt hij aan zijn zoon, filmmaker Linus O’Brien, in diens lekkere documentaire Strange Journey: The Story Of Rocky Horror (90 min.). They Came From Denton High kan ‘t helemaal gaan worden, maar moet dan nog wel een nieuwe titel krijgen: The Rocky Horror Picture Show.

De show is een doorslaand succes. Eerst in het theater in Engeland en later, verfilmd, wereldwijd in de bioscoop. Met zichtbaar plezier kijken de castleden Tim Curry, Susan Sarandon, Nell Campbell, Patricia Quinn en Barry Bostwick, direct betrokkenen zoals producer Lou Adler en kostuumontwerper Sue Blane en de bekende fans Jack Black en Trixie Mattel terug op de storm die ‘Rocky’ ontketende.

Daarachter schuilt nog een ander verhaal. De horrormusical werkt voor Richard O’Brien zelf bevrijdend. Geholpen door de populariteit van de androgyne helden David Bowie, Mick Jagger en Lou Reed durft hij ongegeneerd zijn liefde voor travestie te omarmen. Ook voor andere LHBTIQ+-ers werkt The Rocky Horror Picture Show emanciperend. Niet alleen vijftig jaar geleden, maar ook nu nog.

Bij openbare vertoningen van deze ultieme B-film is participatie bijna verplicht. Een geheel in stijl gekleed publiek blijft vooral niet op z’n stoel zitten, roept op vaste momenten iconische kreten naar het scherm en zingt natuurlijk luidkeels mee. Soms verschijnt er zelfs een schaduwcast op het podium, om de feestvreugde verder te verhogen. Want bij deze gelegenheden mag echt iedereen zichzelf zijn.

En dat is in de hedendaagse wereld niet meer zo vanzelfsprekend als ‘t een halve eeuw geleden leek te gaan worden, toen Richard O’Brien uit zijn binnenste een campy musical opdiepte, die allang niet meer van hem alleen is.

The Python Hunt

Artists Equity

Florida is tegenwoordig python-territorium. In het Everglades National Park zijn inmiddels meer Birmese wurgslangen te vinden dan goed is voor de biodiversiteit in het natuurgebied. Naar de reden daarvoor blijft het gissen: zijn de reptielen, die oorspronkelijk alleen in Zuidoost-Azië voorkwamen, na de orkaan Andrew ontsnapt bij een importeur van exotische dieren? Of hebben eigenaren hen gedumpt toen ze te groot werden? Feit is dat de pythons zich razendsnel hebben voortgeplant en dat ze ook een serieus gevaar kunnen opleveren voor mensen.

En Amerika zou Amerika niet zijn als deze uitdaging niet vooral wordt beschouwd als de ideale gelegenheid voor een wedstrijd. De plaatselijke overheid organiseert dus jaarlijks een challenge: wie kan er in tien dagen de meeste pythons vangen? Dat idee vormt meteen het startschot voor de documentaire The Python Hunt (92 min.) van Xander Robin, waarbij Lance Oppenheim als producer betrokken is. Dat is ook duidelijk herkenbaar: deze koortsdroom van een film doet qua personages, opbouw en sfeer onmiskenbaar denken aan Oppenheims producties Spermworld en Ren Faire.

Het is een donker land dat Robin toont. Letterlijk: een belangrijk deel van zijn film speelt zich af in het duister als jagers dagenlang, ogenschijnlijk doelloos, rondrijden door Florida’s moerasgebied, spiedend naar hun prooi in het struikgewas en gadegeslagen door de onvermijdelijke camera, ook van henzelf. Totdat er ineens ruw wordt geremd, iemand opgewonden ‘Python!’ roept en de jacht daadwerkelijk kan beginnen. En figuurlijk: de jacht op ‘the animal you love to hate’ haalt niet alleen het beste in de mensch boven. Sommige avonturiers willen vooral eens een wild dier doden.

Anne Stratton Hilts, een 82-jarige weduwe uit Tucson, vindt de jacht zelf bijvoorbeeld saai. Zij wil vooral een mes in de kop steken van zo’n beest, dat volgens haar de plaatselijke flora en fauna verziekt. Anne gaat in een motel zitten wachten, totdat gids Toby Benoit, een gemoedelijke ‘southerner’ die zich heeft opgeworpen als chroniqueur van deze wereld, haar de beloofde python levert. Docent Richard Perenyi is intussen alweer voor het derde jaar overgekomen uit Californië om deel te nemen aan de Python Challenge. Hij wil, zegt ie zelf, spijt hebben van wat hij wél heeft gedaan in zijn leven.

De jacht op de wurgslangen, een enerverend schouwspel, is ook niet slecht voor het lokale toerisme. Een bareigenaar organiseert zelfs een Python Festival en looft duizend dollar prijzengeld uit voor het langste exemplaar. Jimbo McCartney ziet de komst van al die buitenstaanders – er zijn zelfs hobbyjagers uit België – met lede ogen aan. Om hen te ontmoedigen legt hij enorme nepslangen in de struiken. Met zijn negentienjarige dochter Shannon probeert Jimbo intussen zelf ook pythons te vangen. De jacht is nu eenmaal – dat weten ze niet alleen in ‘America’s arsehole’, Florida – véél mooier dan de vangst.

Het is ondertussen wel de vraag of die pythonpopulatie het werkelijk probleem is. Wordt Florida’s biodiversiteit niet veel meer bedreigd door vervuiling en het gebruik van pesticiden? Zulke vragen komen in de kantlijn aan de orde in deze broeierige film, vol kleurrijke personages en spannende scènes en afgetopt met een zinnenprikkelende soundtrack, die ook als alle pythons (niet) zijn gedood of gevangen nog wel een tijdje nazindert.

Law And Order

Zipporah Films

Het idee is sindsdien nog eindeloos uitgemolken, totdat het z’n oorspronkelijke kracht allang is kwijtgeraakt. Als de Amerikaanse documentairemaker Frederick Wiseman (1930-2026), die net de direct cinema-klassiekers Titicut Follies (1967) en High School (1968) heeft afgeleverd, in het najaar van 1968 voor het eerst instapt bij een dienstauto van de Kansas City Police Department, moet dat echter een opwindend uitgangspunt zijn geweest. Hoeveel machtsmisbruik zal hij, onderweg en op het bureau, met zijn observerende camera kunnen registreren?

Na vierhonderd uur in het gezelschap van veelal witte agenten moet Wiseman zijn mening toch enigszins bijstellen. Behalve klassieke ‘bad cops’, die nét iets te hardhandig verdachten in de boeien slaan en continu (zwarte) mensen afbekken op straat, ontmoet hij onderweg ook plaatselijke varianten op Oom Agent, die de helpende hand bieden na een ongeluk, bemiddelen tussen een taxichauffeur en zijn passagier over de precieze ritprijs of een zoekgeraakt klein meisje meenemen naar het bureau en haar daar snoep geven, in afwachting van de ouders.

Toch is de scène van Law And Order (80 min.) die uiteindelijk het meeste indruk maakt wel degelijk een klassiek voorbeeld van politiegeweld. Nadat een agent in burger een deur heeft ingestampt, trekt hij een Afro-Amerikaanse vrouw uit haar bed en neemt haar in een verstikkende wurggreep. En hoeveel ze ook hoest of naar adem hapt, hij wil maar niet loslaten. Het unheimische tafereel lijkt verdacht veel op de fatale arrestatie van Eric ‘I can’t breathe’ Garner, die een kleine halve eeuw later tot grootschalige Black Lives Matter-demonstraties zal leiden.

Met deze typische fly on the wall-film kijkt Wiseman op microniveau naar hoe staatsmacht in de praktijk werkt, waarbij gewone burgers worden geconfronteerd met mannen in blauw. Hij schetst zo meteen een beeld van zijn land dat, getuige de manier waarop de huidige president Donald Trump de federale politiedienst ICE inzet, nog altijd zeer actueel is. En als tegen het einde van de documentaire één van Trumps voorgangers, de typische Law & Order-politicus Richard Nixon, nog even mag speechen, gebruikt die zowaar de woorden ‘make America right again’.

Met een variant op die belofte zal een kleine halve eeuw later Trump zelf tot president worden gekozen, een man die deze staatsmacht zonder scrupules aanwendt voor zijn eigen persoonlijke agenda. Bij de aanblik van hoe ICE begin 2026 huishoudt in de straten van Amerika, moet Frederick Wiseman in zijn allerlaatste levensdagen toch heel even de aanvechting hebben gevoeld om opnieuw met draaiende camera aan te sluiten, om te (laten) zien wat er van zijn land is geworden.

Becoming Katharine Graham

Prime Video

Als Katharine Graham (1917-2001) nog de lakens had uitgedeeld bij The Washington Post, dan was het ondenkbaar geweest dat de Amerikaanse krant zo z’n oren had laten hangen naar de regering van Donald Trump als de huidige eigenaar Jeff Bezos in de afgelopen tijd heeft gedaan.

Toch wees in eerste instantie niets erop dat ‘Kay’ de toonaangevende krantenuitgeefster van haar tijd zou worden. Ze was weliswaar de dochter van eigenaar Eugene Meyer, die de krant in 1933 op een publieke veiling had gekocht voor de luttele som van 825.000 dollar, en werkte in haar jonge jaren ook daadwerkelijk op de redactie, maar papa vertrouwde de leiding van de krant toch liever toe aan zijn schoonzoon, Katherine’s echtgenoot Phil. Pas toen die in 1963 een einde aan zijn leven maakte, als gevolg van een veronachtzaamde bipolaire stoornis, kwam zij als vrouw in aanmerking voor de toppositie bij The Post.

Één foto – Becoming Katharine Graham (92 min.) is nog geen twintig minuten onderweg – verraadt de situatie waarin zij toen als werkende moeder terecht kwam: aan de bestuurstafel zitten 22 witte mannen in pak en welgeteld één vrouw, in een blauw jurkje. Van ‘doormat wife’ was Graham volgens eigen zeggen ineens een ‘working woman’ geworden. Een feministe avant la lettre, dat ook. Dit liet overigens onverlet dat ook zij, als werkgever bij een bedrijf waar vrouwen nog altijd vooral ondergeschikte functies bekleedden, een doelwit werd van de vrouwenbeweging. En daarvoor was de voormalige huismoeder zeker niet ongevoelig.

Toen Graham eind jaren zestig eenmaal in haar rol was gegroeid, toont deze gedegen biografie van George en Teddy Kunhardt, was ze ook klaar voor de grote uitdaging die op The Washington Post wachtte: Watergate. Samen met hoofdredacteur Ben Bradlee gaf zij de sterverslaggevers Bob Woodward en Carl Bernstein, die allebei ook participeren in deze film, rugdekking bij een stroom journalistieke onthullingen die de zittende president Richard Nixon steeds verder in het nauw brachten en in 1974 leidden tot zijn aftreden. ‘Tricky Dick’ had haar toen, getuige de geruchtmakende Nixon-tapes, allang tot staatsvijand verklaard.

Die geluidsopnames vormen, samen met archiefinterviews met Graham, passages uit haar Pulitzer Prize-winnende memoires Personal History en de herinneringen van haar kinderen Don en Lally, Post-medewerkers en intimi zoals Gloria Steinem en Warren Buffett, het geraamte van dit postume portret. Ruim een halve eeuw na dato zijn de tapes nog altijd schokkend. ‘She’s gonna get her tit caught in a big fat wringer’, liet Nixons campagnemanager bijvoorbeeld optekenen over de vrouw die later tot haar onvrede – was ze nu weer gepasseerd door kerels? – bleek te zijn weggesneden uit de Oscar-winnende film over Watergate, All The President’s Men (1976).

Zo kan ‘t er dus aan toe gaan als er in Het Witte Huis geen enkele morele code meer geldt. En zo dapper was Katharine Graham destijds, een leider met een héél rechte rug.

Tussen Broers

Een Van De Jongens / KRO-NCRV

Tien jaar na A Family Affair (2016) vervolgt Tom Fassaert het ontrafelen van zijn eigen familiegeschiedenis met Tussen Broers (105 min.). Deze persoonlijke film begint waar de vorige eindigde: bij het overlijden van zijn 97-jarige grootmoeder Marianne (1917-2015), een voormalige mannequin die een spoor van vernieling door die familie heeft getrokken en die ‘t vanuit haar laatste woonplaats in Zuid-Afrika ook haar kleinzoon erg lastig maakte met tamelijk bizar flirt- en claimgedrag.

‘De film is voorbij’, constateert Fassaerts vader, de psycholoog Rob Fassaert, bij de start van deze nieuwe documentaire. ‘Mijn moeders leven is voorbij. We gaan weer over tot de orde van de dag.’ Dat blijkt echter een voorbarige conclusie. In dat verleden liggen nog tal van prangende vragen verscholen, die om een antwoord vragen – of op z’n minst naar het zoeken daarnaar. Want wat is er geworden van de vader van Rob en diens oudere broer René, de oom van de filmmaker, die al heel lang buiten beeld is?

Eerst concentreert Tom Fassaert zich echter op hoe zijn vader zich bekommert om zijn broer. René is volgens Rob ‘de verpersoonlijking van wat er in hun jeugd is misgegaan’. Hij zat vroeger in een besloten inrichting, maar heeft tegenwoordig een eigen woning. Die is alleen helemaal dichtgegroeid met spullen. Rob probeert hem te helpen om zijn huis op orde te krijgen. Zijn zoon observeert dat proces en kadert dit in met een intieme voice-over, waarin hij ook hun familiegeschiedenis reconstrueert.

Fassaert kan daarbij terugvallen op het beeldmateriaal dat zijn vader gedurende al die jaren maakte. Want dat filmen heeft hij niet van een vreemde. Rob heeft geen enkel detail van z’n eigen ‘doorsneegezin’ ongefilmd gelaten. Die beelden tonen volgens zijn zoon hun gezinsleven, ‘maar misschien vooral zijn onzichtbare verlangen naar iets wat hij zelf nooit gekend heeft’. Ieder op hun eigen manier, toont Tom Fassaert, houden de twee broers vast aan een verleden, dat hen voor het leven heeft getekend.

Deze intrigerende documentaire waadt zo door een ander deel van een woelige familiehistorie. Misschien niet op zo’n verrassende manier als in A Family Affair, maar net zo indringend en toch behoedzaam en subtiel. Een héél particulier en daardoor universeel en invoelbaar verhaal. En de film eindigt min of meer waar ie begon: bij wat er is geworden van die ene (groot)ouder, Richard Fassaert in dit geval, en wat die heeft achtergelaten. Is het mogelijk om de geschiedenis niet te herhalen? vraagt zijn kleinzoon Tom zich af.

Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem

Ça Tourne Productions

Hij rommelt wat aan in en rond zijn zomerhuis in Caraquet, ontvangt er nieuwe en oude vrienden en probeert vooral in leven te blijven. De befaamde Canadese keramist Léopold Foulem slikt inmiddels zo’n vijftien pillen per dag, om de diabetes in toom te houden en z’n hartproblemen te bezweren. Zijn echtgenoot Richard en zus Marie-Paule fungeren daarbij als zijn linker- en rechterhand. Richard bedient de oven en maakt de foto’s van Léopolds werk. Marie-Paule, opgeleid als verpleegster, verzorgt haar broer en ondersteunt hem in de huishouding.

En nu heeft een dorpsgenoot, Renée Blanchar, het plan opgevat om een portret te maken van de vermaarde kunstenaar. Ze kwam vroeger als klein meisje al in Léopolds cadeaushop Le Royaume Du Cadeau. Voor haar was de winkel, vertelt ze geëmotioneerd aan hem, een eerste venster op wat de wereld verder nog te bieden had. ‘Het was alsof ik Ali Baba’s grot binnenging. Ik zag dingen die ik nog nooit eerder had gezien.’ En achter de toonbank stond een flamboyante jonge man zoals ze die nog niet eerder had gezien. Door hem, weet ze nu, is ze zelf later filmmaker geworden.

Haar film heeft dan allang het karakter aangenomen van een Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem (52 min.). Geen gewone keramist overigens, maar een conceptuele keramist. Hij maakt geen decoraties, maar interpretaties van decoraties. ‘Het lijkt misschien een object’, vertelt Foulem aan galeriehouder John Leroux, die bij hem op bezoek komt. ‘Maar is in feite een abstractie ervan. Het object heeft z’n functie verloren.’ Dit misverstand wordt ook in de hand gewerkt door het materiaal waarmee Foulem werkt, keramiek. Daardoor lijkt het al snel alsof hij simpelweg gebruiksvoorwerpen maakt.

Iemand die beter kijkt, zoals Blanchar met haar camera, ziet echter de ideeënrijkdom, de grotere verhalen en de kleine details over pak ‘m beet religie, macht en seksualiteit. Beelden waarmee hij niet alleen haar raakt. ‘Lieve Léopold’, besluit zij dit kleine en huiselijke portret, als de keramist voor de rest van het jaar naar zijn andere huis in Montréal vertrekt, met een persoonlijke voice-over. ‘Je hebt mijn verbeelding verrijkt. Je voedde mijn eerste intuïtie over het bestaan van een wereld waarin je jezelf kunt uitvinden en kunt creëren op je eigen manier.’

Jodorowsky’s Dune

Sony Pictures Classics

Aan grote ideeën bepaald geen gebrek. De Chileens-Franse filmmaker, striptekenaar en acteur Alejandro Jodorowsky wil halverwege de jaren zeventig een film maken met een hallucinerend effect, vertelt hij een kleine dertig jaar later begeesterd. Hij wil een profeet creëren die alle jonge mensen in de wereld kan veranderen. Iets heiligs, iets vrijs. Waarmee de geest kan worden geopend. ‘Voor mij’, benadrukt Jodorowsky nog maar eens, ‘wordt Dune niets minder dan de komst van een God. Een artistieke, cinematografische God!’

Tot zover de theorie, de praktijk blijkt weer eens verdomd weerbarstig. Na het succes van de cultfilms El Topo (1970) en The Holy Mountain (1973) ligt de wereld aan Jodorowsky’s voeten. De (over)ambitieuze regisseur voelt nochtans de drang om zich te bevrijden uit zijn ‘eigen gevangenis’. Hij stapt echter regelrecht de kerker van de Amerikaanse filmindustrie in. ‘En toen begon ik het gevecht om Dune te maken’, trapt hij de documentaire Jodorowsky’s Dune (88 min.) van Frank Pavich uit 2013 definitief af. En een gevecht zal het worden om de befaamde sciencefictionroman van Frank Herbert te verfilmen!

In eerste instantie verloopt alles crescendo. Voor het storyboard vraagt Jodorowsky de befaamde Franse striptekenaar Jean Giraud (Blueberry), alias kunstenaar Moebius. Hij gaat in zee met de special effects-expert Dan O’Bannon en weet zelfs de Britse superband Pink Floyd te verleiden om de soundtrack te maken. En nadat de regisseur de Amerikaanse acteur David Carradine (Kung Fu) heeft gestrikt voor een belangrijke rol, volgen er nog enkele andere héle grote namen, zoals de befaamde Spaanse kunstenaar Salvador Dali, met zijn muze Amanda Lear. Mick Jagger. En, jawel, Orson Welles.

Totdat de machine plotsklaps tot stilstand komt. De filmstudio’s in Hollywood zijn eensgezind: het plan is super, maar ze hebben hun twijfels over de regisseur. ‘Dit systeem maakt slaven van ons’, reageert die venijnig. ‘Zonder waardigheid, zonder diepte. Met een duivel in onze zak.’ Waarna Alejandro Jodorowsky theatraal een stapeltje geldbiljetten tevoorschijn haalt. Einde verhaal! Regisseur Nicolas Winding Refn is de enige die de film ooit heeft gezien. In zijn hoofd, op bezoek bij Jodorowsky. Die liet hem z’n eigen Dune-boek zien en schetste daarbij de film. ‘En ik kan je vertellen: hij is geweldig!’

Sterker: Dune is waarschijnlijk de beste film die nooit is gemaakt. Dat wordt tenminste gezegd door Richard Stanley. Hij stond zelf ook aan het roer bij een gedoemde film, die uiteindelijk overigens wél is gemaakt: The Island Of Dr. Moreau (1996). En aan het rampzalige productieproces daarvan is ook weer een docu gewijd: Lost Soul: The Damned Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (2014). Vergeleken daarmee heeft Jodorowsky’s Dune echter een heel andere toon. Deze documentaire is vooral een ode aan wat had kunnen zijn – en aan een maker die z’n tijd nét iets te ver vooruit was.

Een groot kunstwerk dat altijd in het hoofd van de maker is blijven steken – en waarvan de ideeën, zo toont Pavich feilloos aan in de apotheose van deze terugblik, hun weg hebben gevonden naar andere Hollywood-hits. Dune wordt zelf overigens ook nog verfilmd. Door niemand minder dan David Lynch. ‘Het is een totale mislukking!’ constateert Jodorowsky met onverholen ‘schadenfreude’. Zeker niet de sciencefiction-klassieker die hij voor ogen had. Die wordt in 1977 wél gemaakt door George Lucas. En ook in Star Wars zijn onmiskenbaar ideeën van Jodorowsky te herkennen. Op Dune is ‘t dan nog wachten tot 2021, als het eerste deel van Denis Villeneuves epos verschijnt.