Mijn Geniale Broer Harry

Harry Dames (l) en Roy Dames (r) / c: Roy Dames

Mijn Geniale Broer Harry (54 min.) lijkt een film over de oudere broer van Roy Dames, die op 22-jarige leeftijd overleed. ‘Anderhalf jaar ouder was hij, maar vele lichtjaren wijzer.’ In wezen is deze indringende film uit 2013 echter vooral een portret geworden van de filmmaker zelf, die na Harry’s vroegtijdige dood met zijn camera steevast de zelfkant begon op te zoeken.

Zijn broer Harry zocht het juist hogerop: in de sterren. Hij ging wiskunde en sterrenkunde studeren in Leiden, had best astronaut willen worden en kreeg uiteindelijk van de NASA de kans om een prestigieus promotieonderzoek naar de planeet Jupiter te gaan doen. Totdat hij in 1974, in hun ouderlijk huis te Beverwijk, overleed aan een hersentumor.

Roy was twintig toen Harry stierf. Bijna veertig jaar na zijn dood gaat hij op zoek naar de betekenis van diens leven – en probeert hij vat te krijgen op zijn dood. Hij brengt daarom een bezoek aan hun moeder, zijn zussen, Harry’s studiebegeleider, zijn promotor, een studievriend, de wetenschapper die z’n onderzoek afrondde en de pastoor die hem moest begraven.

Terwijl hij Harry’s sporen traceert, vertelt Dames – via een persoonlijke, aan zijn broer gerichte voice-over – ook zijn eigen levensverhaal: over hoe hij via een studie tropische landbouw op een melaatsenkolonie in India belandde en daarna Nederlandse ‘onaanraakbaren’ ging filmen. Kleine krabbelaars, zwervers en – net als hijzelf – onverbeterlijke zuipschuiten.

Hij voelde zich verwant met hen. Ze hadden vaak niets meer te verliezen. Behalve een film over zijn broer, zijn woelige eigen bestaan en onderwerpen zoals de hemel, het heelal en die ongrijpbare dood wordt Mijn Geniale Broer Harry daarmee ook een handzame bijsluiter voor het omvangrijke oeuvre van Roy Dames, dat op overtuigende wijze wordt verbonden met zijn leven.

Te midden van rauwe, uit het leven gegrepen producties zoals Foute Vrienden, Meiden Van de Keileweg en Afrikaanse Bruid is dit zonder twijfel zijn meest persoonlijke film – en misschien ook wel gewoon zijn mooiste.

Tamar: De Waarheden Van Renate Rubinstein

Renate Rubinstein

Als je niet beter wist, zou je denken: dit wordt karaktermoord. De tweedelige documentaire Tamar: De Waarheden Van Renate Rubinstein (119 min.) is nauwelijks twee minuten onderweg of de hoofdpersoon is al ‘een narcistische gek’, ‘een hele nare, onaangename vrouw’ en ‘heel onhebbelijk, onfatsoenlijk’ genoemd. Waarna iemand doodleuk zegt: ‘Ik vind het jammer dat ze geen zelfmoord heeft gepleegd.’

Renate Rubinstein (1929-1990), die vanaf begin jaren zestig onder het pseudoniem ‘Tamar’ een column had in Vrij Nederland, spreekt ruim dertig jaar na haar overlijden nog altijd tot de verbeelding, zullen we maar zeggen. Hans Goedkoop werkt zelfs al sinds de eerste helft van de jaren negentig aan een biografie en heeft daarvan onlangs weer een voorproefje uitgebracht: Vaderskind – De Oorlog Van Renate Rubinstein. Hij beheert tevens haar archief en fungeert als postiljon d’amour in het portret dat David de Jongh van de schrijfster heeft gemaakt. Daarin krijgen ook de messcherpe geschriften van Rubinstein, die zijn ingesproken door actrices, vanzelfsprekend een prominente plek.

Centraal in de vertelling staan Rubinsteins rouw om haar Joodse vader, die werd afgevoerd naar Auschwitz, en de moeizame relatie die ze had met haar moeder (waarvan de afwikkeling overigens nauwelijks wordt belicht in de film). Van daaruit ontwikkelde zij zich tot een bijzonder uitgesproken vrouw met een stormachtig relatieleven. Daarbij ruimt De Jongh vanzelfsprekend ook een belangrijke plek in voor Rubinsteins scandaleuze onthulling, in het postuum verschenen boek Mijn Beter Ik, dat ze jarenlang een geheime relatie had met haar collega-schrijver Simon Carmiggelt.

Met haar broer en zus, andere familieleden, tweede echtgenoot Jaap van Heerden, studiegenoot Hedy d’Ancona en collega-schrijvers schetst De Jongh een gelaagd portret van een vrouw die vriend en vijand voortdurend kon blijven verbazen. Dit komt erg pregnant tot uiting in de geruchtmakende kwestie Weinreb. Friedrich Weinreb zou tijdens de Tweede Wereldoorlog tientallen Joden hebben gered. Als hij later onder vuur komt te liggen vanwege mogelijk seksueel misbruik, verdedigt Renate Rubinstein hem te vuur en te zwaard. Het is alleen de vraag of ze de zaak wel goed heeft bestudeerd.

Op zulke momenten blijkt ze geen kat om zonder handschoenen aan te pakken. Het dier, dat jarenlang als vaste gast fungeerde in haar Tamar-columns, krijgt van David de Jongh een prominente plek in dit treffende portret. Hij laat regelmatig een poes door het beeld paraderen. Als tastbare herinnering aan zijn fiere hoofdpersoon, die voor veel mensen onweerstaanbaar én onmogelijk schijnt te zijn geweest. Wanneer Rubinstein in de laatste jaren van haar leven Multiple Sclerosis krijgt, zoekt ze steun bij haar neef Maurits. Hij zal haar liefdevol begeleiden naar het, tóch, door haarzelf georkestreerde einde.

Mijn God, Wat Hebben We Gedaan?

VPRO

Elke drie jaar is er een reünie van de mannen van het ‘509th’. In tegenstelling tot wat er soms is beweerd lijken ze niet te worden geteisterd door verpletterende schuldgevoelens en hebben ze ook geen last van gruwelijke lichamelijke plagen. Zij maakten die ene kolossale gebeurtenis op 6 augustus 1945 mogelijk: de atoombom op Hiroshima. Tijdens hun gezamenlijke bijeenkomst bekijken ze beelden van hun historische werk terug. Trots, zo lijkt het.

Toch is het opvallend dat enkele sleutelfiguren – gezagvoerder Paul Tibbets, bommenrichter Thomas Ferebee en copiloot Robert Lewis – ontbreken op de reünie, constateert de Nederlandse filmmaker Roelof Kiers in de documentaire Mijn God, Wat Hebben We Gedaan? (71 min.) uit 1981. En tussen die mannen is er ook nog eens kinnesinne. Over de naam van het B-29 vliegtuig bijvoorbeeld – Enola Gay, vernoemd naar Tibbets’ moeder – en wie dat nu echt zou hebben gevlogen.

Kiers laat zijn camera dwalen over het beruchte toestel, dat op de reünie dienst doet als nostalgisch decorstuk voor foto’s van de aanwezige veteranen. Hij reconstrueert met hen de beruchte vlucht die het einde van de Tweede Wereldoorlog zou inluiden. Radarspecialist Jacob Beser deed op weg naar het doelwit nog lekker een tukje, vertelt hij. De anderen hadden er lol in om hem wakker te maken. De sfeer aan boord was duidelijk ontspannen. Tot het moment suprême aanbrak.

‘En toen drukte u op een knop’, zegt Kiers tegen bommenrichter Thomas Ferebee. ‘Niet echt op een knop, maar ik liet de bom los, ja’, antwoordt die 35 jaar later zonder ook maar een spoor van emotie. Daarna keerden ze om, herinnert hij zich. ‘Tegen die tijd was de paddenstoel al tot onze hoogte gestegen’, klinkt het nog altijd buitengewoon nuchter. ‘Dus we vlogen erlangs en keken ernaar en zetten koers naar huis.’

En daar leefden ze – is nu heel verleidelijk om te zeggen – nog lang en gelukkig. Toch is dat niet eens zo ver bezijden de waarheid. Dat is wellicht ook het meest schokkende aan deze boeiende interviewfilm: ook al lieten ze uiteindelijk een kleine 150.000 doden achter in Hiroshima – en drie dagen later nog eens 40.000 in Nagasaki – tot wroeging leidde dat nauwelijks bij de mannen van het 509th. Ze deden gewoon, zoals dat dan heet, hun plicht.

Mijn God, Wat Hebben We Gedaan? is hier te bekijken.

Foto-Eddy: De Negatieven Van Mijn Vader

NTR

Voor een artikel voor Vrij Nederland over de autolobby en Neerlands overvolle wegennetwerk zou hij halverwege de jaren zeventig de fotografie verzorgen. Enkele dagen voor de deadline overlegde Eddy de Jongh een enorme stapel foto’s op de redactie van het weekblad. ‘Er stonden bijna geen auto’s op’, herinnert een collega zich nog altijd verbaasd. ‘Doodstille straten’, vertelt een ander. Eddy haalde hulpeloos zijn schouders op: ‘Ja, ze waren er niet.’ Nog jaren later kreeg de schrijver van het artikel, Gerard Mulder, volgens eigen zeggen af en toe telefoontjes van de fotograaf. ‘Die zei dan met een soort grafstem: kijk op de klok. Ik zei: ja, het is vijf uur. Dan zei ie: en geen files! Ik zeg het je maar even: geen files!’

Zulke verhalen waren er in overvloed over Eddy de Jongh (1920-2002), die tevens jarenlang voor het NOS Journaal werkte. Was het onhandigheid of opzet, onderdeel van een soort zelfvernietiging? Zoon David gaat in de documentaire Foto-Eddy – Negatieven Van Mijn Vader (83 min.) uit 2013 met collega’s, andere kinderen en ex-vrouwen (vijf in getal, David is uit huwelijk vier) op onderzoek uit in het turbulente leven van zijn vader. De naam Foto-Eddy kreeg hij omdat er nog een andere Eddy in de familie was, een neef die internationale faam zou verwerven als kunsthistoricus. Ofwel: Kunst-Eddy. Ze waren de enige twee van hun familie, niet-gelovige Joden, die de Tweede Wereldoorlog overleefden.

Dat leek heel lang geen thema in het leven van Eddy de Jongh. Althans, er werd niet over gesproken. Er waren ook genoeg andere gespreksonderwerpen: drank, schulden en vrouwen bijvoorbeeld. Altijd weer vrouwen. ‘Bij elk opwaaiend zomerjurkje gingen de hormonen alweer de Bolero dansen’, zegt een vriendin. ‘Een rokkenjager eerste klas’, noemt een collega hem. ‘Verliefd zijn is een ziekte’, constateert Eddy zelf in één van de interviews, vastgelegd op ouderwetse audiocassettes, die David ooit met hem deed. ‘Maar een heerlijke ziekte.’ Nadat hij zich een delirium had gedronken en daarna even was opgenomen in een psychiatrische kliniek beschreef Eddy ’t aan Davids moeder Toos ooit als volgt: ‘Het neuken staat mij nader dan het lachen.’

Zo’n vent – een flierefluiter waar je nooit helemaal nooit vat op kreeg, een kerel die de oorlog de leukste tijd van zijn leven noemde en een man waarop je met geen mogelijkheid boos kon worden en die zijn laatste echtgenote tóch tot razernij dreef – is natuurlijk een tot de verbeelding sprekend filmpersonage. David de Jongh smeedt Eddys lotgevallen bovendien hoogstpersoonlijk aaneen met een nuchtere voice-over, onderkoelde humor en swingende jazzmuziek (die de man zelf ook wel had kunnen waarderen). Behalve een fijn postuum portret van zijn vader is Foto-Eddy ook een boeiend document geworden over de tijd dat Vrij Nederland nog de dienst uitmaakte in de door allerlei kleurrijke figuren bevolkte journalistiek.

En te langen leste bleken die autoloze wegen zowaar ook nog hun eigen verhaal te hebben…

Foto-Eddy: De Negatieven Van Mijn Vader is hier te bekijken. En op David de Jonghs YouTube-account zijn allerlei extra’s te vinden.

Mijn Ouders Zijn Gescheiden

EO

‘Je weet dan’, zegt een meisje, ‘vanaf dat moment wordt alles anders…’ Alle kinderen in de korte jeugddocu van Eef Hilgers kennen dat moment: dat je ouders vragen of je even bij hen wilt komen zitten en dat jij even later de grond onder je voeten voelt wegzakken. Ze gaan scheiden! Hilgers ontvangt haar hoofdpersonen in een compleet wit decor, in een leven dat van elke kleur lijkt te zijn ontdaan, en laat hen daar tot in detail vertellen over ‘die ene dag’ dat hun leventjes helemaal op hun kop werden gezet. De toonzetting is direct, speels en humorvol. Zwaar en toch geen zware kost.

Vanaf Dat Moment Wordt Alles Anders (21 november) is de eerste van vier fijne jeugddocumentaires die onder de noemer Mijn Ouders Zijn Gescheiden worden uitgezonden. Verhalen die vanuit de belevingswereld van de kinderen worden verteld en die aantrekkelijk zijn vormgegeven. In Scheids! Wissel! (28 november) portretteert Tim van Gils bijvoorbeeld de twaalfjarige Din. Ze hebben het nodige met elkaar gemeen: beiden kind van gescheiden ouders en gek van voetbal. Terwijl ze praten over hoe Dins ouders gingen scheiden, wordt de twaalfjarige jongen gevolgd tijdens een wedstrijd, die grondig wordt ontregeld. Een ietwat opzichtige metafoor voor hoe ook Dins leven door beslissingen van anderen een andere wending heeft gekregen. In een nieuwe wereld met nieuwe regels vindt hij opnieuw zijn weg. Hij pikt zelfs een doelpuntje mee.

Voor de negenjarige Levin zijn vakanties behalve leuk ook wel verwarrend. Want haar ouders mogen dan uit elkaar zijn, ze gaan nog wel elk jaar gezamenlijk op vakantie. Zijn ze dan misschien Half Gescheiden?! (5 december), vraagt Levin zich af in een joyeuze korte film van Nina de Vriendt, die aandoenlijke scènes van het ‘gezin’ paart aan geinige animaties, enkele goedgekozen liedjes en rake bespiegelingen van de hoofdpersoon zelf. ‘Mijn ouders snappen zelf ook niet helemaal hoe erg ze nou gescheiden zijn’, constateert die ontwapenend. En het heeft eerlijk gezegd ook nadelen, zo’n halfbakken scheiding. Sommige andere kinderen mogen twee keer op vakantie.

‘Scène 1: introductie’, leest de hoofdrolspeelster en scenarioschrijfster van Safiya The Movie (12 december) voor. ‘Safiya, elf jaar oud zit achter een bureautje. Voor haar ligt een script. Ze slaat de eerste pagina om.’ Safiya voegt meteen de daad bij het woord. ‘Ze krijgt naar de crew achter de camera.’ Die krijgt er een stralende glimlach bij. ‘Verder gaan?’, vraagt het meisje aan regisseur Huibert van Wijk. ‘Ja’, antwoordt die. En dus vertelt Safiya, die heel veel van acteren houdt, over hoe haar ouders zijn gescheiden toen zij één jaar was. Sindsdien heeft ze een ‘bonusgezin’. Samen met andere leden speelt ze vervolgens sleutelscènes uit haar eigen leven na in dit hartverwarmende portret, waarin het gegeven dat Safiya het contact met haar vader verloor toen hij in aanraking kwam met de politie een centrale rol speelt.

Stuk voor stuk brengen deze korte jeugdfilms in een slordige vijftien minuten een belangrijk thema uit het leven van veel opgroeiende kids terug tot kinderlijke proporties. En dan blijken ze ook voor ouderen heel goed te verhapstukken.

Dagboek Van Mijn Dwang

EO

Je verdient straf.

Je mag dit broodje niet eten.

Eet. Dit. Broodje. Niet.

Wat denk je wel niet, idioot?

‘Dit is wat mijn dwang doet’, vertelt de 25-jarige Rianne Martinus aan haar dagboekcamera, nadat ze op bezoek is geweest bij Boaz, een jongen die ze toch wel erg leuk begint te vinden. ‘Me continu vertellen wat ik wel of niet mag. Maar ik wil me er niet door laten leiden. Daarvoor voel ik te veel voor hem.’

Boaz heeft zijn eigen problemen: een drugscollectie, om precies te zijn. Met slaapmiddelen en designer drugs houdt hij zichzelf vrijwel permanent verdoofd. Rianne weet dat ze zich op risicogebied begeeft, vertelt ze in de persoonlijke film Dagboek Van Mijn Dwang (40 min.), waarin ze een jaar uit haar leven documenteert. Boaz mag voor haar beslist geen obsessie worden.

Bel Boaz en zeg dat je hem leuk vindt.

Laat hem je afwijzen.

Je hebt duidelijkheid nodig.

Je moet zelf de controle houden.

Die monologue intérieur, die later is ingesproken en de stemmen in haar hoofd verklankt, is een probaat middel om buitenstaanders in deze unheimische film toegang te geven tot Riannes belevingswereld. De getroebleerde studente dreigt zich te verliezen in een relatie die haar, zo waarschuwt een goede vriend al direct, wel in de problemen móet brengen.

Met haar eigen camera documenteert ze van binnenuit hoe de omgang met Boaz en haar eigen gemoedstoestand verder evolueren. Waarbij de knoop waarin ze zich samen vastdraaien, een ongemakkelijk tafereel om te aanschouwen, uiteindelijk nauwelijks meer is te ontwarren. Die moet rigoureus worden doorgehakt. Rianne weet dat, maar kan ze het ook?

Je hebt niet meteen geluisterd.

Je hebt het alleen maar erger gemaakt.

Hij haat je nu, ik haat je

Je bent een vieze, vuile egoïst.

Kutwijf!

Desert Paradise

Baldr

De Namdeb-diamantmijn zal binnen afzienbare termijn gaan sluiten. En dat heeft gevolgen voor iedereen in Oranjemund. Het stadje in het zuiden van Namibië moet alle zeilen bijzetten om te kunnen blijven bestaan. Want met de mijn dreigt ook de werkgelegenheid te verdwijnen. En dan vertrekken als vanzelf tevens de mensen. Waardoor het voorzieningenniveau nóg verder onder druk komt te staan.

Ike Bertels documenteert de krimp in de geïsoleerde gemeenschap, die een pad naar de toekomst probeert te vinden. Her en der worden er nieuwe initiatieven ontplooid, elders pakken mensen echter hun biezen. De gloriedagen van het stadje, dat in 1936 werd gesticht nadat er diamanten waren gevonden, komen volgens hen echt niet meer terug. Desert Paradise (88 min.) zou wel eens ten dode opgeschreven kunnen zijn, hoezeer sommige inwoners ook de moed erin proberen te houden. Zou toerisme misschien de ommekeer kunnen inluiden?

Met engelengeduld observeert Bertels de verwikkelingen in het Namibische stadje. Die spelen zich af tegen een prachtig decor, dat ook zeer fraai is vereeuwigd met grote, weidse shots. De aankleding van de film is verder sober gehouden. Het verteltempo blijft bovendien tamelijk laag. Erg veel gebeurt er eigenlijk niet. Zo wordt voelbaar dat het hedendaagse Oranjemund niet mee kan in de eisen van deze tijd.

Die aanpak dwingt de kijker echter om volledig weg te zinken in de activiteiten en gesprekken van de Oranjemunders. Anders wordt deze kalme documentaire vooral een kwestie van uitzitten.

Brief Aan Mijn Papa

Het is een universeel gevoel: dat je vader voortdurend over je schouder meekijkt, adviezen geeft en kritiek levert. En dat jij als kind die overleden ouder voortdurend meeneemt – meesleept soms – in je leven. Hengelend naar zijn trots, bang voor zijn toorn en zoekend naar waar hij en jij elkaar raken.

De vader van journalist, schrijver en theatermaker Ibrahim Selman stierf in december 1974, tijdens de strijd voor een onafhankelijke staat voor hun volk, de Koerden. Ibrahim, inmiddels bijna zeventig, kwam er pas enkele maanden later achter. Zijn vader sneuvelde in een land dat nog steeds niet bestaat: Koerdistan. Een land dat niet mág bestaan. Het idee wordt nog altijd doodgedrukt tussen Irak, Turkije, Iran en Syrië. Menige Koerd is noodgedwongen op de vlucht geslagen. In 1981 belandde Ibrahim Selman zo in Nederland.

In Brief Aan Mijn Papa (75 min.) bezoekt hij het land van zijn oorsprong. Hij beleidt zijn tocht langs familieleden, jeugdherinneringen en plekken die de recente Koerdische historie hebben getekend met een persoonlijke voice-over, gericht aan de ouder die al ruim veertig jaar ontbreekt. Die tekst is alleen erg breedsprakig, particulier of uitleggerig, waardoor sommige scènes, zoals het bezoek aan een plek waar vaderlief begraven zou liggen, een beetje doodslaan. More betekent in dit geval inderdaad less.

Deze documentaire ontbeert daardoor de poëzie en zeggingskracht die een thematisch verwante film als Sidik En De Panter kenmerkt. Voor buitenstaanders is het lastig om de persoonlijke ervaring van Ibrahim Selman zelf te ontstijgen en het tragische relaas van de Koerden niet alleen te begrijpen maar ook echt te voelen. Dat is spijtig, want de bijbehorende verhalen zijn het op zich zeker waard om te vertellen.

‘Ik zoek rust, vader’, leest Ibrahim voor uit eigen werk, in een oud fragment uit het televisieprogramma De Wandeling dat het einde van de film aankondigt. ‘Gun me een paar eenzame dagen met stilte. Stilte is leven. Houd op met het gefluister in mijn oor. Een kwart eeuw na je dood.’

Raquel Van Haver – De Vrouwen Van Mijn Land

NTR

‘De vrouwen van mijn land zijn zo mooi als een bloem’, zingt een vrouw in bezwerend Spaans in de openingsscène. ‘Ze zijn moedig en vastberaden. Ze verdienen, altijd, onze bewondering.’

Zulke Colombiaanse vrouwen kijken recht in de camera van kunstenares Raquel van Haver, die hen portretteert als moderne varianten op Maria. Deze foto’s gebruikt ze weer als basismateriaal voor haar in alle opzichten grote schilderijen, die zullen worden geëxposeerd in het Bonnefanten Museum in Maastricht.

Van Haver is zelf ook zo’n sterke Colombiaanse vrouw. Opgegroeid in Nederland, dat wel. Geadopteerd. Toen ze jong was, zegt ze in Raquel Van Haver – De Vrouwen Van Mijn Land (50 min.), moest ze zich gedragen als een blond meisje met blauwe ogen. In haar geboorteland zoekt ze weer verbinding met haar oorsprong. Zodat Van Haver (ook) weer Velasco kan worden.

De vanuit Amsterdam opererende kunstenares bezoekt bijvoorbeeld het weeshuis Fana Bogotá en komt daar oog in oog te staan met een foto van het driejarige kind dat ze ooit was. ‘Kunst heeft mijn leven gered’, vertelt ze aan de jongens en meisjes die nu in het tehuis verblijven.’ Ik hoop te laten zien, vooral aan de kinderen, dat kunst en muziek en dans zo belangrijk zijn, en goed voor je.’

Die kunst heeft haar volgens een ronkende recensie uit NRC Handelsblad, waarmee deze fraaie documentaire van Bibi Fadlalla start, inmiddels gemaakt tot een cultuurfenomeen dat je niet mag missen ‘als je midden in de maatschappij’ wilt staan. De film toont vervolgens gedetailleerd hoe Van Havers werk tot stand komt, inclusief de wereld die ze daarmee toegankelijk wil maken.

Die behelst op het eerste oog vooral ‘exotische’, onmiskenbaar Latijnse taferelen, maar verraadt tegelijkertijd ontegenzeggelijk Europese invloeden, vervat in de Madonna-achtige beelden die als koloniale erfenis in Zuid-Amerika zijn achtergebleven. Van Haver brengt deze elementen in haar kunst gloedvol tezamen. Zoals ze ook in haar persoon en achtergrond samen zijn gekomen.

Deze documentaire is tegelijkertijd een psychologisch portret van een belangwekkende nieuwe stem en een grondige introductie in haar intieme werk(wijze) als een exploratie van een uiteindelijk grenzeloze wereld. Aan het eind van de film zien we niet voor niets een krachtige Colombiaanse in haar eigen habitat: Raquel van Haver zelf, voor een flatgebouw in Amsterdam Zuidoost.

‘De vrouwen van mijn land zijn ze mooi als een bloem’, klinkt het helemaal tot besluit, in bezwerend gezang. ‘Ze zijn moedig en vastberaden. Ze verdienen, altijd, onze bewondering. Wees gegroet, Heer Koningin en Moeder. Moeder van genade.’

Jozi Gold

EO

‘U zult aan radioactiviteit worden blootgesteld, maar slechts kortere tijd’, zegt een even hoogblonde als hooggehakte Zuid-Afrikaanse vrouw tegen het groepje mensen dat ze rondleidt in de directe omgeving van Johannesburg. ‘Er staat geen wind, dus u krijgt geen giftig of radioactief stof binnen.’

Welkom bij de Toxic Tour van milieuactiviste Mariette Liefferink. Sinds 2007 probeert ze gewone Zuid-Afrikanen te informeren over de enorme vervuiling die wordt veroorzaakt door de ooit zo florerende goudindustrie en de mijndirecties en overheid te dwingen om de troep op te ruimen. Ze heeft zich ontwikkeld tot zo’n archetypische leek die zich helemaal heeft ingegraven in de materie en de autoriteiten nu van haar gelijk probeert te overtuigen.

De onverzettelijke Liefferink, een voormalige Jehova’s Getuige die van haar geloof is gevallen maar nog altijd graag een voet tussen de deur zet, fungeert tevens als innemende hoofdpersoon voor de aardige documentaire Jozi Gold (56 min.), waarin Sylvia Vollenhoven en Fredrik Gertten een steeds prangendere milieukwestie, met de bijbehorende sociale- en gezondheidsproblemen, aan de orde stellen: mijnafval.

Een theelepel goud zorgt naar verluidt voor een ton afval. Zo heeft de omgeving van Johannesburg, waar een derde van al het goud in de wereld is gedolven, zich ontwikkeld tot een soort Tsjernobyl van Zuid-Afrika. Liefferink blijft die kwestie onvermoeibaar aankaarten, maar dreigt ook regelmatig, zelfs blootvoets, vast te lopen in het politieke moeras dat rond deze onverkwikkelijke kwestie is ontstaan.

Want zowel de Zuid-Afrikaanse overheid als (voormalige) mijneigenaren laten deze goudprijs het liefst betalen door juist die mensen die zich zelf echt geen goud kunnen veroorloven.

Mijn Naam Is Stefano Keizers

BNNVARA

‘Je hebt het niet verneukt’ probeert theaterregisseur Jelle Kuiper de schade te beperken na de première van de voorstelling Sorry Baby. Cabaretier Stefano Keizers, tevens bekend vanwege zijn deelname aan de televisieprogramma’s De Slimste Mens en Maestro, laat zich echter niet overtuigen. ‘Ik heb het gewoon verpest’, zegt hij mismoedig. ‘Wat wil je dat ik eraan doe? Ik schaam me ervoor.’ Keizers begint even later zelfs met zijn vuisten op tafel te slaan en schreeuwt vervolgens met overslaande stem: ‘Ik heb het gewoon ongelofelijk kut gedaan!’

Die plotselinge woede zou niet misstaan in een slecht toneelstuk over een getormenteerde kunstenaar die zich heeft verslikt in die altijd moeilijke tweede voorstelling. Het is tevens een treffende openingsscène voor de docu Mijn Naam Is Stefano Keizers (50 min.), die vervolgens zes maanden terug in de tijd gaat: als de protagonist een documentaire over zijn leven aankondigt in de talkshow Pauw. ‘Ik zou nu eindelijk wel een keer willen weten of het allemaal een rol is die ik speel of dat ik echt zo ben als dat ik zeg en denk dat ik ben.’

‘Wat denk jij, Lavinia, is er een ontmaskering gaande?’, wil Jeroen Pauw weten van de maakster van de documentaire, die nu inmiddels bijna vijf minuten onderweg is. ‘Ik denk dat het een hele grote strijd wordt’, antwoordt Lavinia Aronson. ‘Tussen ons.’ Dat verbale steekspel krijgt vervolgens vorm via een serie ontmoetingen, waarbij de filmmaakster als een soort beste vriendin opereert: een drankje nuttigend, geinend met speelgoedpistooltjes of sparrend met een boksbal. Intussen bestookt ze hem met persoonlijke vragen, waarmee ze zo nu en dan zowaar een gaatje lijkt te prikken in het pantser Stefano Keizers (een alter ego van ene Gover Meit).

In eerste instantie lijkt die totaal mislukte voorstelling dan overigens nog behoorlijk in de steigers te staan. Gaandeweg begint Aronsons hoofdpersoon – wiens achtergrond en carrière worden geschetst met jeugdfilmpjes, televisiefragmenten en doldwaze sketches en een ludiek interview met broer Felix – echter een licht ontredderde indruk te maken. Al kan dat ook onderdeel van z’n ongrijpbare spel zijn. Keizers lijkt voortdurend op het slappe koord tussen genie en gekte te balanceren, waarbij het nooit helemaal zeker is of hij het achterste van zijn tong laat zien of die juist provocerend uitsteekt.

Dat gevoel van desoriëntatie wordt nog eens versterkt door de ruwe cameravoering en montage. Met de ene na de andere rare bokkensprong stevent de theatermaker (letterlijk) uiteindelijk af op de gedoemde première van zijn tweede voorstelling, waarin het uitgangspunt dat die is mislukt een integrale rol speelt. Zodat feit en fabel volledig zijn verweven. Waarna Keizers dus, tevens de slotscène van deze ontregel(en)de tv-docu, even he-le-maal uit zijn plaat gaat. Toch?

Mijn Naam Is Stefano is hier te bekijken.

Mijn Rembrandt

Jan Six / Cinéart

Taco Dibbits zal toch ook nooit vermoed hebben dat hij, als kunsthistoricus, een heus filmpersonage zou worden. Toch is dit alweer de derde documentaire van Oeke Hoogendijk waarin de huidige directeur van het Rijksmuseum een prominente rol vertolkt.

Nadat hij eerder figureerde in het jarenlange proces dat moest leiden tot een nieuwe locatie voor het Amsterdamse museum (Het Nieuwe Rijksmuseum) en een centrale rol speelde bij de aankoop van een schilderij van Rembrandt (Marten & Oopjen: Portret Van Een Huwelijk) volgt de documentairemaakster Dibbits in Mijn Rembrandt (95 min.) naar Schotland waar de puissant rijke Duke of Buccleuch nog gewoon een authentiek schilderij van Rembrandt van Rijn aan de muur heeft hangen.

Net als in haar eerdere films ontsluit Hoogendijk met gevoel voor stijl, humor en drama een wereld die normaal verborgen blijft voor buitenstaanders. Een subcultuur waarin hertogen, museumdirecteuren, kunsthistorici, handelaren en verzamelaars zich vergapen aan Rembrandts schilderijen en met elkaar bakkeleien of een bepaald werk nu wel of niet van de grote meester is. Met illustere personages als de nét iets te happige kunsthandelaar Jan Six, een aalgladde verzamelaar met echt te veel geld en de bloedserieuze Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering.

Het decor waarin alle intriges zich afspelen voelt inmiddels vertrouwd: van de barokke huizen van de oude adel en werkplaatsen van kunstenaars of restaurateurs tot musea en veilinghuizen waar de kunst naar het publiek wordt gebracht. Deze locaties vormen het toneel voor enorme ambities, groot geld én oprechte passie voor een grote kunstenaar. Want daarin schuilt eveneens de meerwaarde van deze liefdevolle film (waarin de verhaallijn van de Marten & Oopjen-docu deels is geïncorporeerd): Mijn Rembrandt dwingt ook de niet-kenner om héél aandachtig te kijken naar de Hollandse meester.

Bisbee ’17

Ze vormden zogezegd een gevaar voor ‘the American way of life’. De 1300 mijnwerkers, veelal immigranten, die in de zomer van 1917 vanwege slechte arbeidsomstandigheden en voortdurende discriminatie in staking waren gegaan in Bisbee, Arizona. The Industrial Workers Of The World, een op socialistische leest geschoeide vakbond, stond ferm aan hun zijde.

Voor Harry Wheeler, de sheriff van het mijnwerkersstadje, was het een teken om actie te ondernemen. Hij verzamelde maar liefst tweeduizend plaatselijke vrijwilligers voor een posse, die de stakers hardhandig, met een geweer in hun nek, op de trein naar de woestijn van Nieuw-Mexico zette. Zestien uur waren ze onderweg, zonder eten of drinken. Om op de plek van bestemming, als het zo uitkwam, te creperen.

De zogenaamde ‘Bisbee-deportatie’ op 12 juli 1917, al dan niet in opdracht van het lokale kopermijnbedrijf Phelps Dodge, verdeelt honderd jaar later nog altijd de lokale gemeenschap. Was het een noodzakelijke ingreep om de plaatselijke vrouwen en kinderen te beschermen? Een overdreven reactie op vermeend communistisch oproer? Of toch gewoon een uiting van onversneden racisme?

Regisseur Robert Greene laat het drama, dat doorgaans wordt stilgezwegen, herleven in Bisbee ‘17 (112 min.). Huidige inwoners van het voormalige kopermijnstadje krijgen de hoofdrol in een ‘re-enactment’ van de deportatie – een opzet die doet denken aan de documentaire Casting JonBenét, waarin amateuracteurs een plaatselijke moordzaak naspelen. De lokale radiodeejay fungeert als verteller, een man die de deportatie een goede zaak vindt speelt de toenmalige directeur van het mijnbedrijf en de zoon van een gedeporteerde Mexicaanse vrouw neemt de rol van staker op zich. Tussen de voorbereidingen door verhalen ze ook over hun eigen levens.

In het hedendaagse Bisbee, waar de kopermijn alweer ruim veertig jaar is gesloten, zijn de sporen van het verleden nog altijd duidelijk zichtbaar. Zo vertelt de dochter van een voormalige leidinggevende van Phelps Dodge dat ze werd opgevoed met het idee dat het afvoeren van de stakers volledig terecht was. ‘Ik moet mezelf er steeds aan herinneren dat zulke verhalen afkomstig zijn van mensen uit Bisbee’, zegt ze. ‘Met andere woorden: van mensen die niet zijn gedeporteerd.’

Die verscheurdheid komt het pijnlijkst tot uiting in de Ray-familie, waarvan één voorvader als lid van de volksmilitie destijds zijn eigen broer liet afvoeren. Twee van hun nazaten herbeleven tijdens de uiteindelijke uitvoering van de Bisbee-deportatie de broedertwist die hun familie verscheurde. Hun moeder kan het nauwelijks aanzien. Zo beginnen heden en verleden, fictie en non-fictie, persoon en rol al snel helemaal in elkaar over te vloeien in Bisbee ’17, een intelligente documentaire die alleen wat lang van stof is.