Cusp

Showtime

Op de één of andere manier wordt het idee in Cusp (81 min.) steeds weer bevestigd: jongens zijn niet te vertrouwen. Ze lijken dan misschien leuk, attent of zelfs liefdevol, maar als puntje bij paaltje komt laten ze je toch zitten of blijken ze eerst en vooral een verlengstuk van hun geslachtsdeel. Voor meisjes van vijftien of zestien, zoals Brittney, Autumn en Aaloni uit een kleine Texaanse gemeenschap, ligt het gevaar voortdurend op de loer. Ze moeten opletten met wie ze waar en wanneer wat doen. Anders kunnen ze zomaar een rotervaring opdoen – of, dat ook, hun maagdelijkheid verliezen.

Die waarschuwing is al direct latent aanwezig in de openingsscène van deze observerende documentaire van Parker Hill en Isabel Bethencourt. Op een zonovergoten terrein liggen Brittney en een vriendin te luieren op een schommel. Terwijl de meiden foto’s van zichzelf bekijken op hun mobiele telefoons – met opmerkingen erbij als ‘mijn fucking ogen staan in vuur en vlam’ of ‘oh nee, nu heb ik net zo’n crackhoofd!’ – voegen twee jongens met een heel arsenaal aan wapens zich bij hen. De meisjes kijken er helemaal niet van op als de rouwdouwers eens lekker gaan schieten. En naderhand mogen ze ook best de schommel nog wel even duwen.

‘Sometimes life gets fucked up’, zingt de Amerikaanse rapper Lil’ Peep, op zijn 21e bezweken aan een overdosis, even later tijdens de titelsequentie van deze sfeervolle coming of age-film. ‘That’s why we get fucked up.’ Een hele zomer lang, vervat in prachtige shots van de opkomende, stralende of ondergaande zon en nachtelijke luchten in alle kleuren van de regenboog, worden de drie tienermeisjes gevolgd terwijl ze kleine stapjes vooruit, en soms ook weer achteruit, richting volwassenheid zetten. Ze spelen het klassieke spel van aantrekken en afstoten met elkaar, hun ouders en – natuurlijk! – die vermaledijde jongens.

Stuk voor stuk hebben ze zo al hun butsen en deuken opgelopen. In de omgang met zuipende ouders, de smeerlap die werd beschouwd als een familievriend of een vader met PTSS (die, hoewel hij nooit in beeld komt, toch dwingend aanwezig is). Niet dat ze daar al te lang bij stil lijken te staan. Dat is nu eenmaal onderdeel van het leven – althans, zoals zij het hebben leren kennen. De tijd heelt alle wonden, zei Hans Dorrestijn al, maar slaat er nog veel meer. De meiden maken het er soms ook wel naar. Ze ontvluchten het ouderlijk huis om naar een illegaal feest te gaan, zetten zelf een tepelpiercing of hangen simpelweg rond met veel te oude jongens.

Het is de onbezonnenheid van de jeugd, die nochtans serieuze consequenties kan hebben. De hoofdpersonen van Cusp lijken dat ergens diep van binnen wel te beseffen, maar het blijft lastig om dit in handelen om te zetten. Hill en Bethencourt nemen in deze intieme film de hartslag op van die drie jonge levens, op de drempel van volwassenheid, en laten hen dan weer lekker fladderen. Zodra ik achttien word, ben ik hier weg, zegt Brittney als een archetypische puber. ‘Dan zien mijn ouders me nooit meer. En ik kom hier nooit meer, echt nooit meer, terug.’ Het werpt de vraag op: hoe zou het leven van Autumn, Aaloni en zij er over twintig jaar uitzien? En valt dat te voorspellen?

Crime Scene: The Times Square Killer

Netflix

In het New Yorkse Travel Inn Hotel is op 2 december 1979 brand uitgebroken. Op kamer 417 kunnen de hulpverleners nauwelijks een hand voor ogen zien. Een brandweerman treft een vrouw aan en wil haar eerste hulp gaan geven. Dan ziet hij het pas: ze heeft helemaal geen hoofd en ook geen handen. Er ligt nog een tweede vrouwenlichaam, eveneens onthoofd. ‘Dit moet door een echt zieke klootzak zijn gedaan’, zegt één van de aanwezigen tegen NYPD-rechercheur Jim Riegel.

Zoals dat hoort bij true crime-docu’s laten de eerste lijken in Crime Scene: The Times Square Killer (146 min.), het tweede seizoen van de Joe Berlinger-serie, niet lang op zich wachten. Wie heeft deze gruwelijke moordpartij op zijn geweten? Een vraag die pas echt in beeld komt als een andere is beantwoord: wie zijn deze twee vrouwen? De dader maakt het de onderzoekers bepaald niet gemakkelijk: het vuur heeft al het nog aanwezige bewijsmateriaal voorgoed opgeslokt. En de kamer lijkt van tevoren helemaal schoon te zijn gemaakt.

Times Square was in de jaren zeventig, in de woorden van moordrechercheur Malcolm Reiman, ‘het epicentrum van de seksindustrie’. Een plek om verboden fantasieën te vervullen – en onlangs niet voor niets het decor voor de dramaserie The Deuce van de chroniqueur van het moderne Amerika, David Simon (Homicide, The Wire en Treme). Ook Berlinger neemt uitgebreid de tijd om het grimmige milieu van prostituees, hoerenlopers, pooiers, maffiosi en drugsdealers te schetsen, alvorens hij met agenten, misdaadjournalisten, vertegenwoordigers van de rosse buurt en de dochter van één van de slachtoffers ‘de Torso-moorden’, waarvan er natuurlijk nog meer blijken te zijn, eens goed gaat uitdiepen.

Die gedegen sfeertekening, historisch ingebed bovendien, is net zo interessant als de zaak zelf, die toch gewoon weer neerkomt op de geijkte zoektocht naar een gevreesde seriemoordenaar (zoals er al zoveel zijn gemaakt, ook door Berlinger zelf). Waarbij de schmutzige omgeving van de plaats delict ‘t ditmaal echt een stuk gemakkelijker heeft gemaakt voor de dader om anoniem te blijven en anonieme slachtoffers – één van de vrouwen uit ‘de hotelkamer van de hel’ wordt nog steeds noodgedwongen ‘Jane Doe’ genoemd – te blijven maken.

De Zorgkoningin

KRO-NCRV

‘Ziekenhuis te koop’, staat er in de krant. Ondernemer Aysel Erbudak en haar financier Jan Schram besluiten toe te happen. Op 31 augustus 2006 komt het Amsterdamse Slotervaartziekenhuis, dat in acute geldnood verkeert, in particuliere handen. 320 bedden, 100 medisch specialisten en 1300 personeelsleden worden gered door – in de woorden van voice-over Marlijn Weerdenburg – ‘een mensenschuwe grondhandelaar met geld en een goedgebekte zakenvrouw met ambitie’.

Erbudak, die even daarvoor nog parkeerwacht is bij de zwarte markt in Beverwijk (al lijkt dat toch eerder een mooi verhaal dan een adequate beschrijving van haar positie), wordt directeur van het ziekenhuis. Ofwel: De Zorgkoningin (52 min.). En vaste patiënten zoals Stella Huygens en Inge Roele, die in deze journalistieke documentaire van Steven Schoppert als ervaringsdeskundige aan het woord komen, worden voortaan beschouwd als klant.

Zo moet de positie van het Slotervaartziekenhuis, dat al enige tijd dienst lijkt te doen als afvoerputje van de stad en financieel nauwelijks het hoofd boven water kan houden, worden gestabiliseerd. De zakenvrouw gaat inderdaad als een wervelwind van start, krijgt het ziekenhuis al snel winstgevend en werkt als een magneet voor de vaderlandse pers. Alleen: Erbudak blijkt ook een strafblad te hebben en maakt bovendien wel erg gemakkelijk vijanden.

Met de Turks-Nederlandse directeur zelf, voormalige medewerkers van het ziekenhuis, journalist Bas Soetenhorst (die samen met Jeroen Wester het boek De Kraak Van Het Slotervaartziekenhuis schreef), SP-kamerlid Renske Leijten en de toenmalige minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst (een groot voorstander van marktwerking in de zorg) blikt Schoppert terug op de zes turbulente jaren dat Erbudak de scepter zwaaide in het ziekenhuis.

Hij begeleidt hun herinneringen met nogal dik aangezette vamp-beelden van zijn hoofdpersoon en visualiseert de slangenkuil die het Slotervaart voor haar zou zijn geweest letterlijk met slangen die door het ziekenhuis glibberen, op zoek naar een prooi. Het ligt voor de hand wie daarvan uiteindelijk het slachtoffer zal zijn – al is Aysel Erbudak, zo blijkt ook weer uit deze boeiende vertelling, natuurlijk bepaald geen willoos slachtoffer.

Children Of The Enemy

‘Te bedenken dat mijn dochter lid is geworden van die terroristische groepering is verschrikkelijk.’ Patricio Galvez, een Chileense muzikant die woonachtig is in Göteborg, kan er met zijn hoofd nog altijd niet bij dat juist Amanda op achttienjarige leeftijd koos voor de Jihad. Hij is haar nu definitief kwijt. Amanda Gonzalez werd op 3 januari 2019 gedood bij een luchtaanval.

‘Ik kon haar niet helpen’, zegt Patricio. ‘Maar ik kan wél iets doen voor de kinderen.’ Zeven heeft zij er achtergelaten, in leeftijd variërend van één tot acht jaar oud. Zonder ouders – want ook vader Michael Skråmo, de beruchte Noorse IS-propagandist, is gesneuveld – verblijven ze in het Syrische opvangkamp al-Hol. Net als talloze andere nakomelingen van geradicaliseerde westerlingen, die zich in de afgelopen jaren hebben aangesloten bij Islamitische Staat.

Van de Zweedse regering heeft Patricio waarschijnlijk niets te verwachten. Veel politici zijn deze kinderen van het Kalifaat – ook al hebben er slechts tachtig de Zweedse nationaliteit en kan hun onschuld nauwelijks worden betwist – liever kwijt dan rijk. Ze blijven tenslotte Children Of The Enemy (96 min.). Er rest grootvader niets anders dan zelf afreizen naar voormalig IS-gebied, om te bekijken of hij van daaruit zijn ondervoede en ziekelijke kleinkinderen naar huis kan krijgen.

Vanuit een ander perspectief belicht deze schrijnende documentaire dezelfde thematiek als The Return: Life After ISIS, een recente film over IS-bruiden, die na de val van het Kalifaat vastzitten in kamp al-Hol omdat hun geboortelanden hen niet terug willen. Het verschil is ook duidelijk: terwijl deze vrouwen zich daadwerkelijk hebben verbonden aan de extremistische ideologie van Islamitische Staat, beschikken Patricio’s kleinkinderen écht over een zuiver geweten.

Galvez wordt op z’n tocht vergezeld door zijn landgenoot Gorki Glaser-Müller. Hij zal steeds directer betrokken raken bij ‘s mans helletocht langs politiek, bureaucratie en journalistiek. Die wordt nog eens bemoeilijkt als ook Patricio’s ex-vrouw zich bij hem meldt. Samen met Amanda bekeerde zij zich enkele jaren geleden tot de Islam. Ze woonde ook enkele jaren in Syrië. Vormt zij nu een veiligheidsrisico voor de kinderen? En moeten die eigenlijk worden beschouwd als moslim?

Voor Patricio Galvez staat bij zulke lastige vragen één ding voorop: de toekomst van zijn kleinkinderen. En Glaser-Müller zit in deze urgente film op de eerste rang bij de emotionele achtbaan waarin hij vervolgens noodgedwongen rondjes maakt. Totdat de hele machinerie tot stilstand komt en duidelijk wordt of Patricio deze nieuwe generatie van zijn familie (voorlopig) kan redden van het Kalifaat.

Rob de Nijs – Voor Het Laatst

Videoland

Het mag natuurlijk niet zielig worden. Dan werpt hij zelf de handdoek in de ring. Tot die tijd geniet Rob de Nijs van zijn laatste jaren als artiest, een vak dat hij al ruim een halve eeuw beoefent. Ook al wordt dat door de ziekte van Parkinson steeds moeilijker. Hij is er kwetsbaarder door geworden. Dat zachte en broze siert hem echter wel. En zijn carrière heeft mede daardoor nog een opvallende remonte doorgemaakt.

In het tweeluik Rob de Nijs – Voor Het Laatst (70 min.) portretteert documentairemaker Eric Goens de Nederlandse zanger in de aanloop naar zijn afscheidsconcert op 21 november 2021 in het Sportpaleis in Antwerpen. Van tevoren kampt De Nijs volgens eigen zeggen met ‘de doodsangst of het allemaal wel goed gaat’. Niet gek: hij heeft anderhalf jaar niet gezongen en verbleef zelfs zes weken in een revalidatiecentrum om zich optimaal te kunnen prepareren voor dit optreden.

Behalve met de zanger zelf spreekt Goens ook met zijn 26 jaar jongere vrouw Jet, pianist/manager Frank Jansen en tekstschrijver en ex-echtgenote Belinda Meuldijk. Zij hink-stap-springen even vluchtig door zijn leven en carrière, maar richten zich vooral op het ziekteproces en de weg naar dat uitroepteken achter zijn imposante loopbaan, de vanzelfsprekende climax van dit aardige kijkje achter de schermen. ‘Iedereen in de zaal mag tranen hebben, maar ik niet’, zegt de professional daarover nuchter.

Het is alleen de vraag of het zo werkt bij zo’n beladen concert. In de coulissen houdt zijn neuroloog Bas Bloem in de gaten of alles goed gaat. En ook Jet en zoontje Julius wijken niet van zijn zijde als Rob de Nijs voor het allerlaatst – écht!, alhoewel… – het podium betreedt voor hits als Ritme Van De Regen, Banger Hart en Malle Babbe.

Attica

Showtime

Op 9 september 1971 komt het tot een massale opstand in de Attica State Prison, in de Amerikaanse staat New York. In de gevangenis zijn de maatschappelijke spanningen die er sowieso al bestaan tussen zwart en wit in de Verenigde Staten en grove misstanden in de gevangenis zelf versmolten tot een mengsel dat wel tot explosie móet komen. De gedetineerden, voor driekwart zwart of latino, komen daarbij oog in oog te staan met een volledig witte bewaardersgroep, afkomstig uit de plaatselijke gemeenschap. En de hele wereld kijkt mee, via enkele reporters die vanuit de gevangenis verslag doen.

Regisseur Stanley Nelson heeft zich met documentaires als Marcus Garvey: Look For Me In The Whirlwind, Freedom Riders, The Black Panthers: Vanguard Of The Revolution en Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy in de afgelopen jaren opgeworpen als een betrouwbare chroniqueur van de historie van Zwart Amerika. In zijn nieuwe film Attica (117 min.) reconstrueert hij de roemruchte gevangenisopstand met voormalige gevangenen, familieleden van gegijzelde bewaarders, advocaten, onafhankelijke observeerders, leden van de National Guard en de verslaggevers die destijds ter plaatse waren.

De gedetineerden leggen een heel eisenpakket op tafel, met uiteindelijk één heel eenvoudige boodschap: ze willen voortaan als mens worden behandeld. Burgerrechten, juist. Daarmee lijken ze zowaar een heel eind te komen. Tótdat na enkele dagen een bewaarder aan zijn verwondingen bezwijkt en gouverneur Nelson Rockefeller van New York, onder invloed van het Law & Order-beleid van de Republikeinse president Nixon, zich genoodzaakt ziet om de onderhandelingen te staken. De afloop laat zich vervolgens zonder al te veel moeite voorspellen: deze situatie gaat vol-le-dig escaleren.

In de tragische ontknoping, opgeroepen met emotionele getuigenissen en dramatische archiefbeelden, worden de oproerlingen hardhandig tot de orde geroepen – ‘ontmenselijkt’ is ook geen slechte omschrijving. Zo ongeveer moeten die ‘niggers’ op slavenschepen ooit zijn behandeld. Een enkele bewaarder bestaat het zelfs om voor de camera ‘white power’ te roepen. Het is de treurige slotsom van een krachtige historische film, die zich weliswaar een halve eeuw geleden afspeelt maar toch bijzonder actueel voelt. In het protest van de gevangenen is zonder moeite de zwarte pijn te ontdekken die ook de hedendaagse Black Lives Matter-protesten voortdrijft.

A Thousand Fires

IDFA

Yoon Mi Mi Aung prent het haar jongere broer nog maar eens in. ‘Dit is de enige kans die je hebt om je leven te verbeteren. Als dit niet lukt, wat ga je dan doen? Werken op het olieveld? Boeren? Je zou niet eens weten hoe ’t moet!’

Zin Ko Aung heeft een proeftraining bij de voetbalclub Rakhine United F.C., in de grote stad Sittwe, op het programma staan. De jongen uit Magway, op het platteland van Myanmar, wil profspeler worden. ‘Als jij beroemd bent, gaan wij ons op je verlaten’, houdt zijn zus, die zelf inmiddels een kind heeft, hem quasi-serieus voor. ‘Ik stop dan onmiddellijk met werken.’

Niet veel later gaan de ouders van de getalenteerde linkspoot langs bij een waarzegger, niet voor het eerst in deze film. ‘Als hij doet wat hij leuk vindt’, vraagt zijn moeder Htwe Tin, ‘wordt hij dan succesvol?’ De ziener geeft een onnavolgbaar antwoord, boordevol heel betekenisvolle cijfers en dagen, dat al even enigmatisch eindigt: ‘Hij doet wat hij wil. Zo is hij geboren.’

Htwe Tin en haar echtgenoot Thein Shwe weten welk leven er op hun kind wacht als een sportcarrière toch niet voor hem is weggelegd. Zij hebben bij hun huis een geïmproviseerde boorput, waarmee ze handmatig olie uit de grond halen. Geen grote hoeveelheden. Een vat per dag misschien. Nét genoeg om te leven. Als ze heel hard doorwerken, tenminste.

In A Thousand Fires (90 min.) kruipt regisseur Saeed Taji Farouki dicht op het elementaire bestaan van het Birmese echtpaar. Behalve met het oppompen van olie – een zware, repetitieve taak die bovendien regelmatig voor kleinere en grotere verwondingen zorgt – houden Htwe en Thein zich vooral bezig met hun (klein)kinderen. Hoe zij een beter leven kunnen krijgen.

Farouki doorsnijdt hun dagelijkse beslommeringen met immersieve sequenties van al wat stroomt, brandt of blubbert. Beelden die bijna zijn te ruiken. Zoals ook de hitte en slopende arbeid, die eigenlijk in niets doet denken aan wat we in Westen associëren met oliewinning, bijna lijfelijk zijn te voelen in deze zintuiglijke film, waarin ook het geluid van de oliepomp alomtegenwoordig is.

Een in wezen klein familieverhaal krijgt in A Thousand Fires zo een universeel karakter. Van stug doorploeteren, voor en met elkaar en ondertussen hopen op een beter leven – al is het dan voor een volgende generatie.

Forgetting Dad

Deze film opent met een vraag: ‘If your father no longer remembers you, does he stop being your father?’ Rick Minnich vult voor zichzelf aan: Kan pa zich echt niets meer herinneren? Of is het ook wel handig dat zijn geheugen hem in de steek heeft gelaten? Rick vermoedt dat zijn vader z’n brein af en toe een handje helpt. ‘Ik ben nu de nieuwe Richard’, zei hij tegen zijn zoon. ‘Niet pa, zoals jij me steeds noemt.’

De Amerikaanse data-expert Richard Minnich, althans de oude Richard, raakte op 45-jarige leeftijd betrokken bij een auto-ongeval. En daarna is hij nooit meer de oude geworden. Niet eens een beetje. De nieuwe Richard startte gaandeweg een nieuw leven met een veel jongere levenspartner, Tracy. Hij liet zijn voormalige echtgenoten en vijf kinderen in Californië achter.

Rick Minnich was net afgestudeerd toen zijn vader in 1990 dat ongeluk kreeg. Zestien jaar later gaat hij in Forgetting Dad (84 min.) de kwestie onderzoeken die al zo lang een schaduw werpt over zijn familie en waarover niemand eigenlijk graag praat. Pa Richard is in de tussenliggende periode verhuisd naar het afgelegen Oregon en heeft zich van alles en iedereen losgemaakt. Ook van zijn sores.

Vanuit die startpositie ontvouwt zich een spannende familiedetective. Rick spreekt eerst met de tweede vrouw van zijn vader, Loretta. Zij was erbij toen ze werden aangereden. Er leek eigenlijk weinig aan de hand. En toen, een slordige week later, begon ineens de amnesie en herkende Richard zijn eigen kinderen niet meer. Elke dokter zei echter: als hij wil, kan hij zijn geheugen terugkrijgen.

Via gesprekken met zijn moeder, zussen en halfbroers komt Rick Minnich in deze intrigerende film uit 2008, gemaakt met Matt Sweetwood, vervolgens steeds iets dichter bij de vader die hij is kwijtgeraakt – of beter: bij de man die hem achterliet. Deed hij dit vroeger ook al niet, zijn boeltje pakken en ergens anders helemaal opnieuw beginnen? Hoe vaak zijn ze in hun jeugd niet verhuisd?

Talloze familiefilmpjes en privéfoto’s laten een glimp van Richards jonge jaren zien. Ze tonen een volstrekt normale familieman. De zoektocht naar óf – en zo ja: wat – er iets aan de hand is met Richard Minnichs brein verbeelden de filmmakers met ontregelende steriele beelden van ziekenhuizen, artsen en MRI-scans. Ze geven het geheel nog een flinke dot suspense met een lekker mysterieuze soundtrack.

Intussen behoudt Forgetting Dad de ambivalentie die een zoektocht door het menselijke brein onvermijdelijk oproept. Ja, Richard Minnich had wellicht wat te winnen bij het verliezen van zijn geheugen, maar heeft hij daardoor uiteindelijk niet veel meer moeten afgeven? Zijn zoon Rick zoekt in elk geval niet naar gemakkelijke antwoorden en timmert de zaak ook niet dicht met een Hollywood-einde.

Dat kun je frustrerend noemen. Of juist prikkelend.

Mr. Soul!

HBO

De Afro-Amerikaanse representatie op televisie is in de jaren zestig nog altijd zwaar onder de maat. Als het publiek al zwarte Amerikanen krijgt te zien, dan is het omdat ze in de problemen zitten of die zelf veroorzaken. In 1968 start het National Educational Television Network daarom in New York met Soul!, een live-programma over zwarte cultuur: dichters, muzikanten, acteurs, schrijvers, dansers en opiniemakers

Het wordt een ‘complete and utter love affair with your Blackness’, stelt Sade Lythcott, de dochter van de schrijfster, actrice en producent Barbara Ann Teer die als oprichter van The National Black Theater regelmatig te gast is in de show van gastheer en producer Ellis Haizlip. Met allerlei direct betrokkenen klopt diens nicht Melissa nu het stof van Haizlip zelf, openlijk homoseksueel, en diens geesteskind in de oerdegelijke documentaire Mr. Soul! (104 min.).

Melissa Haizlip laat ook coryfeeën van Zwart Amerika zoals Harry Belafonte, Kathleen Cleaver en Questlove (die dit jaar zelf overigens scoorde met Summer Of Soul, een thematisch verwante documentaire over de zwarte tegenhanger van Woodstock) aan het woord over de show waarin uiteenlopende zwarte stemmen zoals Stokely Carmichael, Toni Morrison, Sidney Poitier, Stevie Wonder, James Baldwin, Al Green en The Last Poets (met het furieuze Die Nigga!!!) zijn te horen.

Intussen wordt er – natuurlijk! – druk gezaagd aan Haizlips stoelpoten. Van dat nieuwe geluid, waarin het gedachtegoed en de soundtrack van de burgerrechtenbeweging doorklinken, moet de nieuwe Amerikaanse president Richard Nixon bijvoorbeeld helemaal niets hebben. Hij ziet het als een linksige aanval op de kernwaarden van zijn ‘zwijgende meerderheid’. Nixon begint aan de financiering van het publieke televisieprogramma te morrelen.

Zo komt het einde in zicht voor de show die van 1968 tot 1973 een podium heeft geboden aan alle vormen van zwarte cultuur en in het bijzonder zwarte vrouwen een warm hart toedraagt. Een hele generatie Afro-Amerikanen heeft door Soul! op een andere manier naar zichzelf leren kijken. En dat heeft ongetwijfeld weer zijn weerslag gehad op hoe zij in de wereld staan en die naar hun hand proberen te zetten. Het idee alleen al dat een ‘soul brother’ als Barack Obama president zou kunnen worden…

Killing Escobar

Cosmic Cat

‘Je wordt alleen gevraagd om Pablo Escobar om te leggen als je over de juiste ervaring beschikt’, zegt Peter McAleese, terwijl hij als een echte Hollywood-schurk recht in de camera kijkt. De Schotse huurling had op dat moment zijn strepen al verdiend in vuile oorlogen te Jemen, Angola en Zuid-Afrika. Hij schrok dus helemaal niet van de opdracht om ‘s werelds bekendste drugscrimineel, verantwoordelijk voor zo’n tachtig procent van de cocaïneproductie, naar de eeuwige jachtvelden te helpen. Tuurlijk! Hoeveel schuift het?

Samen met zijn contactpersoon David Tomkins, ook al zo’n principiële strijder als het gaat om goed verdienen, vertrekt McAleese in 1989 naar Colombia om kennis te maken met het Cali-kartel, dat in een bloedige burgeroorlog is verwikkeld met Escobar en z’n criminele vrinden uit Medellin. De opdracht is even simpel als gevaarlijk: Killing Escobar (93 min.). ‘Ik was best zenuwachtig de eerste keer dat ik iemand doodde’, haalt McAleese herinneringen op aan zijn ervaringen als beginnend ‘soldaat’. Over Pablo Escobar zegt hij: ‘Ik heb het nooit beschouwd als moord. Ik zag hem gewoon als een doelwit.’

McAleese en Tomkins besluiten om een eliteteam samen te stellen, dat we voor het gemak The Magnificent Twelve zullen dubben – al zou The Gang That Couldn’t Shoot Straight uiteindelijk ook een adequate benaming blijken. Regisseur David Whitney maakt van hun militair opgezette operatie een spannende actiefilm, compleet met erg vet aangezette scènes op locatie met acteurs. Hij heeft ook beeldmateriaal van de schuinsmarcheerders zelf, die zich natuurlijk eerst te goed doen aan de plaatselijke drank en vrouwen. Daarmee beginnen ze lokaal alleen wat in het oog te lopen. Dus, in de woorden van Peter McAleese: ‘time to leave town’. Met een heel wapenarsenaal, welteverstaan. Op naar Pablo’s vesting.

Voor de geblokte Schot is de actie om Escobar te liquideren een logisch vervolg op een veelbewogen leven, eerder opgetekend in de autobiografie No Mean Soldier, dat van hem een beroepskiller heeft gemaakt. Samen met Tomkins, enkele teamleden, vertegenwoordigers van de Amerikaanse Drugs Enforcement Agency en een paar kopstukken van de Cali- en Medellin-kartels kan McAleese dus meer dan genoeg sterke verhalen uit de losse pols schudden voor een onderhoudende vertelling. En aan het eind, als het water hem aan de lippen komt te staan, vraagt hij als een goede katholieke jongen uit Glasgow vergeving voor zijn zonden.

Want als puntje bij paaltje komt is die McAleese, althans volgens de tamelijk zoetsappige conclusie van deze gelikte actiedocu, toch best een geschikte peer.

David Whitney heeft overigens ook een film gemaakt over het leven van Dave Tomkins als huurling: Dogs Of War.

Ascension

MTV

Het lijkt in eerste instantie of de Industriële Revolutie nét heeft plaatsgevonden in China. In kolossale fabrieken verrichten goedkope arbeidskrachten ouderwets lopendebandwerk. Ze controleren eindeloos etiketten van flesjes, fabriceren kunstkerstbomen of leggen aan een naaimachine de laatste hand aan steeds weer hetzelfde kledingstuk. Dit is ‘de Chinese Droom’, die voor buitenstaanders toch eerder op een nachtmerrie lijkt.

Die medewerkers zijn ouderwets op straat geworven door een standwerker, de openingsscène van Ascension (98 min.). Zittend werk. Of juist staand. Met gratis ritje naar de fabriek. Maaltijd erbij. Geen gezondheidscontrole bovendien. Geen tatoeages ook. Of alleen als ze hem niet kunnen zien. Gratis wifi, natuurlijk. In het uurloon zit doorgaans alleen even weinig variatie als in het werk zelf: rond de drie dollar per uur.

Dat werk kan zomaar fascinerend, grappig en ontroerend worden. In een fabriekshal sleutelt een team bijvoorbeeld, met veel zorg en precisie, aan levensechte sekspoppen met over het algemeen opvallend grote borsten. Custom made. Ogen, haar, schaamstreek, elk lichaamsonderdeel krijgt de aandacht die het verdient. En daarna wordt er een verleidelijke foto van gemaakt voor de opdrachtgever.

Gaandeweg slaat deze gestileerde observerende film van Jessica Kingdon zijn vleugels uit naar andere vormen van bedrijvigheid, waarbij de Influencer-revolutie niet aan China blijkt te zijn voorbijgegaan. Tijdens een tweedaagse workshop rond de vraag ‘Waarom zouden klanten van jou kopen?’ worden de deelnemers bijvoorbeeld aangespoord om hun eigen merk te worden. Ze moeten aan het eind hun persoonlijke doelen uitspreken.

‘Na deze workshop heb ik besloten dat ik komend jaar twee miljoen ga verdienen’, zegt de oprichter van de Mister Ox Dating Training Club. Andere deelnemers gaan voor zeker tien miljoen in hun eerste jaar. ‘En honderd miljoen in vijf jaar’, voegt een man, die trots poseert met het getuigschrift van de cursus, er blijmoedig aan toe. Een ander heeft simpelweg besloten dat hij zich he-le-maal kapot gaat werken. Hij oogst zowel applaus als een gulle lach.

Intussen tekent zich in Ascension een authentieke klassenmaatschappij af, met een klassieke winner-takes-all mentaliteit. Te midden van alle werkbijen fladderen ook talloze luxepaardjes door het leven. De Amerikaanse Droom zogezegd, op zijn Chinees. Waarbij kapitalistische uitwassen, massa-entertainment en een dociele attitude – vervat in zinnenprikkelende shots en een sprekende soundtrack – afwisselend voor verbazing, gêne en afkeer zorgen in een prikkelend beeldessay over het hedendaagse China.

Dande Di Aruba

Vincent Ras en leerling / Memphis Film

Elke zin is een variant op die ene: ‘Oh Dande, we zijn bij je deur aangekomen’. En als de voorzanger die vol enthousiasme inzet, op dat ene vaste deuntje, antwoordt zijn gehoor steevast met: ‘Ay Nobe.’ Gelukkig nieuwjaar! Het is een typisch Arubaanse traditie. Rond de jaarwisseling trekken Dande-zangers met hun tambú, een traditionele trommel, en enkele muzikale metgezellen van huis naar huis om het oude jaar af te sluiten en een nieuw jaar in te luiden.

Regisseur Cindy Kerseborn leidt deze documentaire over de Dande-traditie zelf in. In 2018 heeft ze de laatste opnamen gemaakt voor Dande Di Aruba (55 min.). Ze kon de film zelf echter niet meer voltooien. Kerseborn overleed in 2019 en moest het project daarom doorgeven aan een collega. Samen met editor Jelle Redeker heeft Sherman de Jesus de docu nu voor haar afgerond. Zij hebben geprobeerd om er ‘een echte Cindy Kerseborn-film’ van te maken.

Centrale figuur is de negentigjarige zanger Vicente Ras. Hij heeft de Dande-liederen geleerd van zijn vader en speelt ook op diens tambú. Ras is er kien op om de traditie te behouden, in zijn oorspronkelijk vorm bovendien. Van muzikale vernieuwing, zoals die bij jongere Dande-vertolkers in deze film is te beluisteren, moet hij eigenlijk weinig hebben. En net als veel oudgedienden vindt hij dat de Dande toch echt een mannenzaak is. ‘Ik laat mijn vrouw geen Dande zingen bij mensen thuis’, zegt hij ferm. ‘Ben je gek?’

Dat thema – kan een cultuur zich vernieuwen zonder zijn ziel kwijt te raken? – loopt als een rode draad door dit warmbloedige muzikale portret van Aruba, een ode aan de onverwoestbare Dande. Die wordt nog altijd letterlijk bij de eilanders thuis bezorgd en zorgt daar dan voor een swingende start van het nieuwe jaar. Het gemeenschapsgevoel op het Antilliaanse eiland wordt er ook door versterkt. De lokale linguïst Ramon Todd Dandaré wil de Dande zelfs op de werelderfgoedlijst laten zetten.

Sabaya

Dalton

Islamitische Staat mag dan militair verslagen zijn, de mentaliteit van de strijders van ‘Daesh’ is volgens Mahmud Resho onveranderd. In kamp Al-Hol, een kamp in Syrië waar ruim 70.000 voormalige IS’ers worden vastgehouden, zoekt de onverschrokken Mahmud naar Sabaya (91 min.), Jezidische vrouwen die jarenlang als seksslaaf zijn gebruikt en nog altijd worden vastgehouden door barbaren van Islamitische Staat.

Volgens Shejk Ziyad, Mahmuds collega bij het Jezidi-opvangcentrum in Syrië, worden er nog altijd duizenden meisjes en vrouwen vermist. Die zijn vijf jaar eerder gevangen genomen bij een aanval op hun thuisbasis in Sinjar in Noord-Irak. Sindsdien zijn ze alles kwijtgeraakt: hun naam, hun familie, hun taal, hun religie en – natuurlijk – hun eer. Volledig ontmenselijkt. Gereduceerd tot huissloof, broedkip of seksobject.

De nobele missie van Mahmud en zijn kompanen, op de voet gevolgd door filmmaker Hogir Hirori, is bepaald niet zonder gevaar. Ze begeven zich diep in IS-territorium. In het gigantische tentenkamp moeten ze – met behulp van voormalige sabaya’s, gestoken in een nikab, die zich als infiltrant in het hol van de leeuw wagen – verborgen gehouden Jezidi-meisjes en vrouwen opsporen en thuis afleveren.

Eenmaal buiten het kamp liggen er ook nog allerlei dilemma’s voor de ontheemde vrouwen. In een hartverscheurende scène moet een bevrijde moeder bijvoorbeeld op weg naar huis afscheid nemen van haar zoontje. Het kind is van een Daesh-man. Islamitische Staat vermoordde haar vader, broer en andere familieleden. En nu moet ze haar thuisfront er dus van overtuigen dat het jongetje echt geheel onschuldig is.

In al z’n lelijkheid toont deze indringende film zo hoe Islamitische Staat een volledig ontwrichte gemeenschap heeft achtergelaten, die van zijn echtgenotes en moeders, en dus nageslacht, is beroofd. Kunnen de vrouwen, die met onvervalste heldenmoed uit de klauwen van IS zijn gerukt, bijvoorbeeld nog normaal deel uitmaken van de wereld waartoe ze ooit behoorden? Raken ze ooit het stigma van ‘sabaya’ kwijt?

Hoewel Daesh tegenwoordig noodgedwongen een toontje lager zingt, blijven de horrorjaren dat de fundamentalistische organisatie ongenadig huishield in delen van Irak en Syrië zo als een inktzwarte schaduw over het leven van de Jezidi’s hangen.

137 Shots

Netflix

‘Als ik dit opnieuw zou moeten doen, zou ik niets veranderen’ zegt Cynthia Moore, de politieagente die de leiding had over de grootscheepse actie, zonder te verblikken of verblozen tijdens haar verhoor. ‘Het enige wat ik zou veranderen is dat zij hadden moeten stoppen.’

Met ‘zij’ bedoelt Moore het zwarte stel Timothy Russell en Malissa Williams dat in Cleveland, Ohio, is opgejaagd door maar liefst 62 politieauto’s. Ze zouden een paar andere agenten hebben beschoten. Bij die beschuldiging doet zich alleen één klein probleem voor: in hun auto worden uiteindelijk helemaal geen wapens aangetroffen. In de oude Chevrolet zitten, behalve twee overleden mensen, wel 137 kogelgaten. De auto heeft ook een rotte uitlaat. Die wil nog wel eens héél hard knallen.

Het is een wonder dat het op die tragische 29e november 2012 bij twee doden blijft. Ondanks die 137 Shots (105 min.). Voor hetzelfde geld hadden de agenten, die in het wilde weg op de auto schoten, ook elkaar gedood. Openbaar aanklager Tim McGinty kent geen twijfel: dit is FUBAR, Fucked Up Beyond All Recognition, en moet tot vervolging leiden. De politievakbond denkt daar alleen heel anders over. Gezien de omstandigheden is het politieoptreden prima te rechtvaardigen. 

De dodelijke schoten zouden zijn gelost door agent Michael Brelo, staand op de motorkap van de auto van Russell en Williams. Hij doet eveneens zijn verhaal in deze documentaire van Michael Milano. Brelo’s lezing van de gebeurtenissen verschilt alleen wezenlijk van wat er volgens de familieleden van de slachtoffers gebeurd moet zijn. Tot hun grote frustratie stuiten zij in de rechtszaal echter op de zogenaamde ‘Blue Wall’. Alle betrokken agenten dekken elkaar.

Intussen vindt er opnieuw een dodelijke schietpartij plaats in Cleveland. De twaalfjarige zwarte jongen Tamir Rice zou dreigend met een luchtdrukpistool hebben lopen zwaaien in een park. Het filmpje van wat er vervolgens gebeurt als de politie ter plaatse arriveert is ronduit onthutsend. Rice lijkt simpelweg te worden geliquideerd. Als de eerste de beste vuurgevaarlijke crimineel. Herstel: als de eerste de beste zwárte vuurgevaarlijke crimineel.

Het nieuwe incident zet de sowieso al gespannen verhoudingen tussen het politiekorps en de zwarte gemeenschap verder onder druk. Milano plaatst die binnen hun historische context, met bevlogen speeches van Bobby Kennedy en Martin Luther King in Cleveland, en verbindt ze natuurlijk ook met de hedendaagse Black Lives Matter-protesten. 137 Shots wordt daarmee een treffende film over het hedendaagse Amerika, waar zwart en wit nog altijd regelmatig lijnrecht tegenover staan.

Kijk hier de trailer van 137 Shots.

In The Same Breath

HBO

Het jaar 2020 – en daarmee ook In The Same Breath (98 min) – begint in China als een musicalversie van het leven. Enorme volksmassa’s luiden op een groot plein het nieuwe jaar in met een zoetgevooisd lied. ‘Mijn moederland en ik zijn niet van elkaar te scheiden’, zingen de zorgvuldig geplaceerde mannen en vrouwen, terwijl ze parmantig met een rood vlaggetje zwaaien. ‘Waar ik ook naartoe ga, ik zal haar lof toezingen.’ De Chinese leider Xi Jinping levert eveneens zijn bijdrage aan de feestvreugde. ‘Patriottische gevoelens zorgen voor tranen in onze ogen’, zegt hij op gedragen toon. ‘Patriottisme vormt de ruggengraat van onze natie.’

Op diezelfde 1 januari 2020 is er ook nog ander nieuws, vertelt de Chinese documentairemaker Nanfu Wang, die al negen jaar in de Verenigde Staten woont. De politie van Wuhan laat een officiële verklaring voorlezen op de staatstelevisie: ‘acht mensen zijn bestraft voor het verspreiden van geruchten over een onbekende longziekte.’ Acht doctoren, welteverstaan. Het is een bericht dat al snel naar de achtergrond verdwijnt, ten faveure van de nieuwjaarsactiviteiten. Zo gemakkelijk laat COVID-19 zich echter niet beteugelen. Terwijl de Chinese overheid iedereen die iets wil zeggen over het nieuwe virus de mond probeert te snoeren en een lockdown afkondigt in Wuhan, gaat het verhaal van de pandemie rond op de sociale media.

Het werkelijke verhaal komt zo ook Nanfu Wang ter ore. Ze is inmiddels teruggekeerd naar de VS, maar heeft haar tweejarige zoontje achtergelaten bij haar ouders in China. En dit roept weer wrange herinneringen op aan een oud trauma rond haar vader. Wang voelt zich verplicht om het nieuws over de crisis wereldwijd onder de aandacht te brengen. Ze vraagt allerlei landgenoten om stiekem te gaan filmen. Zo vangt ze de eerste Coronagolf, maar ook hoe de Chinese overheid die met alle mogelijke middelen probeert te framen. Positieve berichtgeving moet er komen, ten koste van (bijna) alles. De staatsmedia werken maar al te graag mee en leveren de heldenverhalen die een gevoel van trots moeten creëren over hoe de heilstaat China de pandemie bezweert.

Genadeloos legt Wang, die in One Child Nation eerder de Chinese eenkindpolitiek fileerde, het menselijke drama, de onvoorstelbare hypocrisie en het bureaucratische gedoe bloot, die de Corona-uitbraak sinds begin 2020 (nee: eind 2019) begeleiden. Halverwege de film schakelt ze even door naar haar huidige thuisbasis, waar de geschiedenis zich op een gênante manier herhaalt. Neem alleen de eerste reactie van Amerikaanse gezagsdragers en deskundigen, die de situatie volledig onderschatten en de humanitaire ramp gewoon laten gebeuren. En de volksmenners natuurlijk, die hun achterban aanpraten dat er sprake is van een ‘plandemic’ waarmee gewone Amerikanen van hun grondrechten worden ontdaan. ‘Accurate informatie is essentieel’, zegt een vrouw met een ‘Make America Great Again’-pet op. ‘We hebben te veel mensen die blindelings de leider volgen. En die leider kan ze zo naar de rand van een klif leiden, waarna ze zich in het ravijn storten.’

Dan keert Nanfu Wang toch weer terug naar haar geboortegrond, waar het communistische bewind een grauwe deken van staatspropaganda – vervat in potsierlijke loftuitingen op ‘China’s superieure systeem’ – blijft leggen over de gruwelen van de eerste Coronagolf. Intussen hebben ziekenhuizen patiënten in kritieke toestand (moeten) weigeren en kunnen mensen in een hospitaal sterven, zonder dat hun verwanten het weten of er een uitvaart komt. Daarmee wordt In The Same Breath, dat uiteindelijk tot een even virtuoze als naargeestige climax wordt gebracht, behalve een verpletterende film over de eerste COVID-19 brandhaard ook een nietsontziend portret van het moderne China.

Puff: Wonders Of The Reef

Netflix

Verplaats jezelf voor een uurtje in een spitskopkogelvis. We noemen hem Puff. Het minuscule rifvisje wordt geboren in een koraalrif. Een wondere onderwaterwereld die te klein, langzaam of juist te snel is om te vangen met het menselijk oog. Via speciale camera’s kunnen we nu toch even meeleven met Puff, die in eerste instantie nauwelijks groter is dan een snoepje.

Op zijn eigen bescheiden schaal zwemt het spitskopkogelvisje, getuige de natuurdocu Puff: Wonders Of The Reef (59 min.) van Nick Robinson, niettemin een groots en meeslepend leven tegemoet in een verblindend mooie ‘koraalmetropool’. Daarbinnen kan een garnaal van nog geen drie centimeter ogen als een trotse en veelkleurige strijder en wordt een duimlange zeeduivel al gauw een angstaanjagend monster waarvan een mens met zwakke zenuwen nachten wakker ligt.

Van Puffs lotgevallen, vervat in prachtige beelden en aangekleed met een weelderige soundtrack en -design, wordt door verteller Rose Byrne met veel vertelvreugde, suspense en droge humor een heus coming of age-verhaal gemaakt over een koen visje dat zich zwemmende moet zien te houden in een héél gevaarlijke wereld. Puff heeft desondanks helemaal geen last van een Calimero-complex. Hij heeft wél een stichtelijke boodschap voor de mensen: grijp snel in, anders gaat ons koraalrif naar de gallemiezen!

Die Puff toch. In een andere, grotere wereld dan het rifgebergte onder water had hij, net als de ‘hoofdpersonen’ van March Of The Penguins, Gunda en My Octopus Teacher, een vriend voor het leven kunnen worden. Maar ja, normaal gesproken blijven de spitskopkogelvis en de zijnen volledig onzichtbaar voor ons. Hoe goed we ook kijken.

Free As A Bird

KRO-NCRV

Met een nieuwe nier kan Ariana de la Fosse blijven dansen. In de familie is alleen geen nier beschikbaar. Als die er op korte termijn niet komt, zal het twaalfjarige Nederlandse meisje voorlopig moeten gaan spoelen. En nierdialyse is toch wel erg moeilijk te combineren met de hobby waar ze zich viermaal per week helemaal aan overgeeft: dansen.

Op het strand fantaseert Ariana met een vriendinnetje over van wie ze een orgaan zou kunnen krijgen. Hoe zou die er dan uitzien? Is het een man of een vrouw? Is het een jong iemand? Ze kijkt naar de zee. ‘Die dikke mevrouw…’, giebelt ze. Ariana denkt er nog eens over na: ‘Het maakt me niet echt uit wie het is. Ik wil wel dat diegene er een beetje fris uitziet.’

Met haar broer Arthur en hond Mikey werkt ze in Free As A Bird (15 min.) aan een filmpje, waarmee ze een donor hoopt te vinden. Via die opnames belicht regisseur Annelies Kruk de nierziekte van het meisje. Dit gebeurt zoals dat in veel (Nederlandse) jeugddocu’s wordt gedaan: vanuit het perspectief van het kind en met een positieve inslag. Geen sombermansverhalen dus.

Dat werkt ook in dit geval weer prima. Ariana is weliswaar een kind met een hulpvraag, letterlijk in dit geval, maar wordt geen moment als een slachtoffer afgebeeld. Free As A Bird is daarmee fijn kijkvoer voor zowel ouders met kinderen als ouderen zonder kinderen. En hopelijk vaart Ariana’s zoektocht naar een donor, inmiddels uitgezet via sociale media, er wel bij.

The Real Charlie Chaplin

Showtime

Als Charlie Chaplin in 1947 het podium opstapt voor een persconferentie in het Gotham Hotel in New York, weet hij dat er nauwelijks vragen zullen komen over zijn nieuwe film Monsieur Verdoux, de eerste zonder zijn vaste zwerverspersonage The Tramp. ‘Dank u, dames en heren van de pers’, valt hij meteen met de deur in huis. ‘Ik ga uw tijd niet verdoen. Begint u maar met de slachting.’

Via een over shoulder-shot is inderdaad te zien hoe het verzamelde journaille al in de aanvalshouding is gaan staan. ‘Meneer Chaplin, er zijn in het verleden verschillende verhalen geweest waarin u er min of meer van wordt beschuldigd dat u een ‘fellow traveller’ bent, een sympathisant van de communisten’, barst één van de vragenstellers los. ‘Kunt u een directe vraag beantwoorden: bent u een communist?’

‘Hoe zijn we op dit punt gekomen?’ vraagt actrice Pearl Mackie, die dienst doet als de alwetende verteller van The Real Charlie Chaplin (113 min.), op dat moment. We zijn ongeveer halverwege de film. De documentaire keert vervolgens enkele jaren terug in de tijd, naar het moment waarop Chaplin net is begonnen aan de eindspeech van The Great Dictator (1940).

Bij de opnames van die film, over de opkomst van Adolf Hitler, waren we net ook al. Nu komt echter het verhaal over het enorme succes ervan. Chaplin wordt daardoor een veelgevraagd spreker. Niet slecht voor een man die de grote held van de stomme film was en lang weigerde om zijn mond open te doen op het witte doek.

Charlie Chaplin (1887-1977) komt zo echter ook op de radar te staan van J. Edgar Hoovers Federal Bureau of Investigation, dat na de Tweede Wereldoorlog op communistenjacht is en dat daarbij dus ook bij de komiek uitkomt. Tijdens de persconferentie, die in deze documentaire van Peter Middleton en James Spinney wordt gereconstrueerd met acteurs en het oorspronkelijke geluid, leggen journalisten hem daarover ongenadig het vuur aan de schenen. Chaplin werpt alle beschuldigingen ver van zich.

Het is een exemplarische scène voor een speels gemaakte historische documentaire. Van Charlie Chaplin zijn er natuurlijk speelfilmfragmenten te over. Aan foto’s ook geen gebrek. Hij heeft echter nauwelijks interviews nagelaten. En de meeste vrienden en tijdgenoten zijn inmiddels ook overleden. Wat rest is vooral nog wat audiomateriaal – van Chaplin zelf, zijn kinderen, een handvol kennissen en enkele openbare gebeurtenissen – dat door de filmmakers vakkundig van nieuwe, bijpassende beelden is voorzien. Dat werkt heel behoorlijk.

Met al die verschillende elementen bouwen Middleton en Spinney een gelaagd portret op van een bijzonder gecompliceerd mens: een man die aan het eind van de negentiende in bittere armoede opgroeide in Londen en vervolgens overzee één van de allereerste celebrities werd. Een geniale komiek ook, een onmogelijk heerschap en een liefhebber van nét iets te jonge vrouwen. The Real Charlie Chaplin probeert al die persoonlijkheden bij hun lurven te pakken en een plek te geven in een allesomvattend portret van één van de beeldbepalende figuren van de twintigste eeuw.

Searching For Sugar Man

Over profeten die in eigen land niet worden geëerd gesproken: de Amerikaanse zanger Rodriguez zou met zijn elpees Cold Fact (1970) en Coming From Reality (1971) nooit verder reiken dan een heel klein groepje ingewijden, dat hem binnenhaalde als een soort nieuwe Dylan. Het grote publiek bleef altijd buiten handbereik. Tenminste, totdat hij enkele jaren later werd ontdekt aan de andere kant van de wereld…

Halverwege de jaren zeventig groeide zijn muziek stilletjes uit tot de soundtrack van een nieuwe generatie (witte) Zuid-Afrikanen die zich afzette tegen het Apartheidsregime. De singer-songwriter uit Detroit lag toen zelf al lang en breed onder de groene zoden, zo wil het verhaal. Rodriguez, die tijdens concerten altijd met zijn rug naar het publiek stond, zou zichzelf in brand hebben gestoken op het podium. Tragisch verhaal.

De Zuid-Afrikaanse muziekjournalist Craig Bartholomew-Strydom heeft dan weer gehoord dat de mysterieuze zanger zich met een kogel van het leven heeft beroofd. Hij besluit om op zoek te gaan naar wie deze Sixto of Jesus Rodriguez was en waarom het zo met hem is afgelopen. Zijn queeste start vanuit een aloud journalistiek principe: follow the money. En dan wordt al snel duidelijk dat (de erven) Rodriguez nooit een cent hebben gezien van zijn Zuid-Afrikaanse succes.

Searching For Sugar Man (86 min.), een film van Malik Bendjelloul uit 2012 die de Oscar voor beste documentaire won, serveert Rodriguez’s levensverhaal uit als een onvervalste detective. Via allerlei mensen uit zijn directe omgeving, waaronder zijn drie volwassen dochters, komt de docu steeds dichter bij de illustere zanger. Waarna het verhaal, zoals het een muzikale thriller betaamt, een onverwachte wending neemt en vervolgens toewerkt naar een bijzonder bevredigende apotheose.

Noem het ‘stranger than fiction’, ‘too good to be true’ of ‘de waarheid een handje helpen’, feit is dat deze Hollywood-docu uiteindelijk wonderwel werkt. De mythologie van een verdwenen popheld die in een ander leven alsnog succes krijgt, spreekt nu eenmaal tot de verbeelding en wordt bovendien, gebruikmakend van ’s mans mysterie en zijn krachtige songs (waarvoor Bedjelloul een soort videoclips heeft gemaakt), bijzonder effectief uitgewerkt.

Totdat alle geheimen zijn ontrafeld en Rodriguez er weer een schare fans bijheeft.

De Nederlandse documentairemaakster Willemiek Kluijfhout had ooit ook vergevorderde plannen om een film over Sixto Rodriguez te maken, vertelt ze in deze podcast.

Freddie Mercury: The Final Act

NTR

‘Er gaat het gerucht dat we uit elkaar gaan’, roept Freddie Mercury tijdens een concert van Queen in het Wembley-stadion in 1986. ‘Wat denken jullie?’ Hij wijst demonstratief naar zijn achterste. ‘Ze praten vanuit híer!’ Mercury neemt nog even de tijd om zijn punt te maken: ‘Vergeet al die geruchten: wij blijven bij elkaar tot onze dood!’ Het zullen, helaas, profetische woorden blijken te zijn.

Op dat moment had de Britse zanger al aangegeven bij zijn medebandleden dat hij niet meer wilde toeren. Het HIV-virus zat hem op de hielen. Zonder dat zij het wisten overigens. Officieel dan. Mercury was een ‘dead man walking’, maar over dat onderwerp werd niet gesproken. Hij wilde dat ook niet. De zanger zou uiteindelijk op 24 november 1991 overlijden, op slechts 45-jarige leeftijd.

Via het tragische einde van de Queen-frontman belicht documentairemaker James Rogan in Freddie Mercury: The Final Act (90 min.) de AIDS-epidemie, die de sfeer van onverdraagzaamheid die er in het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher sowieso al was ten opzichte van homoseksuelen nog eens versterkte. Was dit misschien de straf die zij kregen – van God natuurlijk – voor hun tegennatuurlijke gedrag?

Do I look like i’m dying of AIDS? fumes Freddie, kopte de Britse tabloid The Sun in die jaren bijvoorbeeld uiterst speculatief. ‘Dat zorgde destijds voor een enorme haat bij mij voor de journalistieke benadering van de Murdoch-kranten’, vertelt Queen-drummer Roger Taylor, die samen met gitarist Brian May uitgebreid terugblikt op dit dramatische hoofdstuk uit de bandhistorie.

Verder komen in deze boeiende documentaire ook Mercury’s zus Kashmira Bulsara, vriendin Anita Dobson en z’n personal assistant Peter Freestone, die zijn ziekteproces van dichtbij meemaakte, aan het woord. Hun herinneringen worden gepaard aan de getuigenissen van enkele homoseksuele mannen die tijdens de AIDS-crisis opgroeiden en zagen wat die aanrichtte.

Intussen is er altijd de muziek van Queen, die binnen deze context helemaal tot zijn recht komt en extra diepte krijgt. Alsof ineens duidelijk wordt wat Freddie Mercury eigenlijk probeerde te zeggen. En in die muziek ligt natuurlijk ook de sleutel naar de verwerking van het verdriet na zijn overlijden en de afronding van deze film: het befaamde Freddie Mercury Tribute Concert For AIDS Awareness.

Op 20 april 1992 verzamelden zich talloze popgrootheden, in Wembley natuurlijk, om eer te bewijzen aan de man en zijn songs. Dan dreigt deze film even een standaard-popdocu te worden, waarin collega’s als Roger Daltrey, Lisa Stansfield en Paul Young ruimte krijgen om uit te spreken hoe bijzonder Freddie Mercury wel niet was. Ook de derde akte levert echter bijzondere verhalen op.

Over het duet bijvoorbeeld dat Elton John, zelf homoseksueel en bovendien een intieme vriend van de Queen-zanger, moest zingen met Guns N’ Roses-zanger Axl Rose, die destijds werd beschuldigd van homofobie. Uiteindelijk reikten ze elkaar tijdens Bohemian Rhapsody letterlijk de hand. En dan is er nog het drama rond George Michael die niet voor niets boven zichzelf uitsteeg in Somebody To Love.

Zulke indringende episodes tillen deze film uit boven het individuele verhaal van Freddie Mercury. Hoewel dat op zichzelf natuurlijk ook al meer dan genoeg tot de verbeelding spreekt.