The Prize Of Silence

Viaplay

Net als bij Harvey Weinstein waren er al jaren verhalen over Jean-Claude Arnault, de Franse artistiek directeur van Forum, het culturele centrum waar de elite van Stockholm graag verpoosde. Hij was een jager, een bijzonder dominante man en iemand die zich weinig gelegen liet liggen aan de grenzen van een ander. Daar werd regelmatig over gefluisterd, maar nooit iets van gezegd. Want Arnault was ook een machtige man, een centrale figuur in het culturele leven van Stockholm. 

Hij werd beschouwd als het officieuze negentiende lid van de Zweedse Academie, het mysterieuze gezelschap dat jaarlijks de Nobelprijs voor de Literatuur uitreikt. Zijn echtgenote Katarina Frostenson behoorde officieel tot de achttien, voor het leven benoemde leden van de Academie, die in essentie nog als een ouderwetse herensociëteit leek te functioneren. ‘Kort samengevat is de Academie deels het Vaticaan, deels de Camorra en deels een sekte’, stelt professor/schrijfster Ebba Witt-Brattström daarover.

Als in het najaar van 2017 de hashtag #metoo opgeld doet en enkele machtige mannen uit de sportwereld, politiek en entertainmentbusiness in serieuze problemen komen door beschuldigingen van seksueel misbruik, raakt ook Jean-Claude Arnault in opspraak. Hij trekt de Zweedse Academie, die hem jaren de hand boven het hoofd heeft gehouden, uiteindelijk mee in zijn val. Het wordt een pijnlijke kwestie die er zelfs voor zal zorgen dat er in 2018 geen Nobelprijs voor de Literatuur wordt uitgereikt.

Deze geschiedenis wordt in The Prize Of Silence (181 min.) van Joel Karsberg – die eerder Surviving R. Kelly produceerde, een serie over de van seksueel geweld beschuldigde R&B-zanger – uitgebreid uit de doeken gedaan door slachtoffers, direct betrokkenen en journalisten die de zaak aan het licht hebben gebracht. Stuk voor stuk hebben ze te maken gekregen met de ons-kent-ons sfeer, zwijgcultuur en intimidatie die Arnaults grensoverschrijdende gedrag al die jaren mogelijk hebben gemaakt.

‘Als je alles kúnt doen, zúl je ook alles doen’, vat de cultuurcriticus Roxane Gay de situatie kernachtig samen. In een setting waarbinnen jonge ambitieuze vrouwen hun eigen grenzen niet duidelijk bewaken, kunnen ze in de invloedssfeer terecht komen van een (oudere) manspersoon, die bereid is om dit genadeloos te exploiteren. De vierdelige docuserie neemt alleen wel ruim de tijd om die kwestie en de totstandkoming van het journalistieke verhaal daarover goed in de verf te zetten.

Het interessantst wordt The Prize Of Silence als de Svenska Akademien en de politieke spelletjes binnen dat gerespecteerde instituut onder vuur komen te liggen. Dan reikt de vertelling voorbij de modus operandi van een individueel seksueel roofdier en openbaart zich het volstrekt toondove ‘old boys network’ daaromheen, waarbinnen overigens twee vrouwen een saillante rol spelen. De pompeuze poppenkast dondert en plein public in elkaar en beschadigt ondertussen ook de reputatie van de Nobelprijs.

Being Ad Visser

AVROTROS

Hoewel deze documentaire rond zijn 75e verjaardag wordt uitgezonden, is Being Ad Visser (52 min.) nadrukkelijk géén terugblik op zijn lange loopbaan. Sterker: het woord Toppop valt zelfs helemaal niet in deze documentaire van Laurien Hugas en Peer Wijlaars. Visser is er de man ook niet naar om oeverloos herinneringen op te halen en bijvoorbeeld die ene sleetse anekdote over Iggy Pops komst naar het poptelevisieprogramma en diens stoeipartij met de studioplanten nog eens op te poetsen.

Ad Visser is een man van hier en nu – of van straks en ooit. In zijn hoofd lijkt het voortdurend te broeien, gisten en bruisen. Toen hij door Corona noodgedwongen zijn plannen moest bijstellen, kwam er bijvoorbeeld ruimte voor een muzikaal project over Serge Gainsbourg, Giacomo Casanova en Salvador Dali. ‘Verandert de wereld daardoor?’ oppert de bedenker zelf. ‘Nee hoor, er verandert helemaal niks, maar mijn wereld wel.’ En daarin valt altijd wel iets nieuws te ontdekken, getuige deze film over de doorgewinterde (levens)kunstenaar, die van ‘ironische distantie’ zijn basishouding heeft gemaakt.

Visser heeft z’n hele leven van zijn ideeën geleefd, volgens zijn vrouw Melanie. En zij heeft zich altijd in zijn schaduw opgehouden, helpend bij alweer een nieuwe creatieve oprisping. ‘Één Bekende Nederlander in de familie is méér dan voldoende’, zegt ze spottend. Toch kruipt het bloed ook bij haar waar het niet gaan kan. Na een leven lang ‘hand- en spandiensten voor de Firma Visser’ staat Melanie Vissers nu eens in het middelpunt van de belangstelling met een expositie van haar eigen kunst. En wie steelt daar de show als spreekstalmeester? Juist.

De wisselwerking tussen Ad en Melanie Visser, inmiddels ruim een halve eeuw bij elkaar, behoort tot de zegeningen van dit boeiende portret. Van een wonderlijke man met een, aldus directeur Andreas Blühm van het Groninger Museum, ‘permanente nieuwsgierigheid’. Zijn narcisme fungeert daarbij als motor, bekent Ad Visser zonder omhaal van woorden. Dat geeft hem – en daarmee ook deze film – tevens iets onweerstaanbaars: hij leeft dan misschien van en voor zijn eigen ideeën. Tegelijkertijd kan hij daar zelf ook wel weer om grinniken.

Henk

Studio Ruba / VPRO

Henk (23 min.) vindt het wel prima dat de meeste docenten en studenten van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam weinig van hem weten. Hij is simpelweg de conciërge van de prestigieuze kunstopleiding. ‘Omdat ik hier altijd onderschat wil worden’, zegt hij daarover. ‘Dan heb ik altijd een stapje voor.’

Vol bravoure skeelert hij soms door het schoolgebouw, in deze film zelfs langs kolossale, uitgelichte letters die samen zijn voornaam vormen: H E N K. Dat hij ooit kampioen op de rollerskates was? Al die kunstenaars hebben geen idee. Dat hij in een succesvol bandje speelde? Iemand? Dat hij danste? Theater maakte?

Henk Shakison voelt in elk geval geen behoefte om zich op de borst te kloppen. Hij lijkt tevreden met zijn faciliterende rol op de kunstacademie. Goedlachs staat hij bellers te woord, speelt ontspannen een potje pingpong of grijpt in – vriendelijk maar kordaat – als er in het schoolgebouw spontaan een feestje is ontstaan.

Tegelijkertijd laat hij zich door Sarah Blok en Lisa Konno ook zonder al te veel problemen verleiden om kekke kleding aan te trekken, om zo te worden vereeuwigd. Het is alsof hij dan van persoonlijkheid verandert. De aimabele goedzak ontpopt zich tot iemand die aandacht opeist, een bink, een player zelfs.

De ingreep van de filmmakers verraadt flair en werkt wonderwel. Henk krijgt letterlijk kleur en onthult de persoon achter de vlotte lach. Een man die eerst zijn geboorteland Suriname moest verlaten en die zich op latere leeftijd, omdat het leven nu eenmaal verantwoordelijkheden met zich meebrengt en klappen uitdeelt, in een andere rol moest schikken. 

Een man ook die een klein en fleurig portret waard is en best kan dragen.

Omari – Geen Gezeik

Nielsz Weekhorst / BNNVARA

‘Ik ga heel slecht op me oneerlijk bejegend voelen’, stelt Selma Omari over de kritiek die ze na de breuk met rapper Boef te verduren kreeg. Als uitgesproken jonge Nederlandse vrouw met zowel Marokkaanse als Iraakse roots ligt ze sowieso permanent onder het vergrootglas en in de vuurlinie. De vlogger, influencer en zangeres uit de Rotterdamse volkswijk Crooswijk maakt van haar hart echter geen moordkuil. In Omari – Geen Gezeik (50 min.) trekt ze flink van leer tegen alles en iedereen die haar de voet dwars probeert te zetten.

‘Ik begrijp niet hoe je als vrouw op een andere vrouw kan haten’, zegt ze bijvoorbeeld. ‘Op de manier waarop er bij mij wordt gehaat. Dus het maakt niet uit wat ik doe. Mensen blijven toch wel op mijn naam spugen. Dus dan kan ik toch gewoon doen wat ik leuk vind?’ Daarbij heeft ze in elk geval geen last van valse bescheidenheid of een gebrek aan zelfvertrouwen. Selma Omari steekt haar ambities niet onder stoelen of banken: ze wil de nieuwe Kim Kardashian worden. Over enkele jaren hoopt ze haar eigen imperium te hebben, met enkele honderden personeelsleden.

Regisseur Wouter Vogel portretteert deze vurige representant van het nieuwe Nederland binnen haar natuurlijke omgeving, in Rotterdam en Casablanca, te midden ook van de mensen die haar dierbaar zijn. Omari krijgt zo ogenschijnlijk veel ruimte en laat daarbinnen, bedoeld en onbedoeld, ook echt zien wie ze is. Daarmee komt dit persoonlijke, soms lekker schurende portret heel dicht bij de biculturele vrouw Selma Omari, haar getroebleerde achtergrond en de uitdagingen waarvoor zij nog altijd staat.

Strijd lijkt daarbij sleutelwoord. Als voornaamste kenmerk van de weg die ze tot nu toe heeft afgelegd én als basishouding richting de toekomst, die in haar hoofd alleen in termen van groot, groter, grootst kan worden uitgedrukt.

We Are Twisted Fucking Sister!

Nee, Amerikaanse tegenstanders van mondkapjes kregen onlangs geen toestemming om We’re Not Gonna Take It te gebruiken als lijflied. Inwoners van Oekraïne mogen Twisted Sisters grootste hit echter gerust inzetten als strijdhymne tegen de Russen. Dat is volgens zanger Dee Snider, die zelf een Oekraïense grootvader heeft, nu eenmaal het verschil tussen ‘egoïstische idioten’ en ‘gerechtvaardigd verzet tegen overheersing’.

Voor wie de Amerikaanse glamrockband alleen kent van rechttoe rechtaan rockstampers, de bijbehorende mucho macho poses en uitzinnige make-up en podiumkledij moet dat toch een kleine verrassing zijn. Een band zoals Twisted Sister associëren we toch eerst en vooral met liederlijke afterparty’s, waarbij bandleden een keuze moeten maken uit de flessen sterke drank, lijntjes coke en gewillige groupies – al is kiezen ook weer niet absoluut noodzakelijk.

Wees gerust, getuige de documentaire We Are Twisted Fucking Sister! (134 min.) van Andrew Horn werd er toch behoorlijk wat gefeest door de New Yorkse groep, die een vaandeldrager zou worden van de zogenaamde hair metal-scene waarmee de jaren tachtig werden opgezadeld. Daarvóór had Twisted Sister in de seventies alleen wel eerst jarenlang het plaatselijke barcircuit moeten uitwonen, tevens het decor voor grofweg de eerste anderhalf uur (!) van deze toch wel erg lang uitgevallen documentaire van Andrew Horn uit 2014.

Dáár ook, buiten het zicht van de pers en platenmaatschappijen, werden ze rocksterren. Zodat hun band, toen de muziekhoncho’s uiteindelijk tóch met frisse tegenzin langskwamen, er he-le-maal klaar voor was en alle sceptici een poepie kon laten ruiken. Het is een typisch ‘de-aanhouder-wint’-relaas, dat hier door de groepsleden, hun management en trouwe fans met zichtbaar plezier wordt gedaan. Waarna Twisted Sisters glorieperiode als stadionband kan beginnen.

Dat verhaal wordt echter bewaard – net als de hit We’re Not Gonna Take It trouwens – voor een andere film. Als die er al ooit komt. Deze documentaire richt zich volledig op de combinatie van bloed, zweet en tranen die Dee Snider en zijn maten investeerden in een carrière, waarin maar geen schot leek te komen.

Het Kruis Van Tegelen

Hans Heijnen

Het decor voor deze nieuwe documentaire van Hans Heijnen, de Passiespelen in het Limburgse dorp Tegelen, voelt vertrouwd. Heijnen heeft zich in zijn lange loopbaan opgeworpen als een chroniqueur van het hedendaagse Limburg. Niet van het Limburg van de regenten en hun klusjesmannen overigens, van het gekonkelfoes in de bestuurskamers. Maar van de gewone mensen, van de dorpen en oude wijken.

Waar oog is voor de tradities, tegelijkertijd alles in beweging lijkt en mensen houvast zoeken bij of ten opzichte van elkaar. Waarvoor Heijnen dan maatjes wordt met enkele sleutelfiguren in de gemeenschap, de grootste of zoetste exemplaren uit zijn platenkast gebruikt om de vertelling een weemoedige vernislaag te geven en Huub Stapel laat opdraven als verteller, in Limburgs dialect natuurlijk.

Het Kruis Van Tegelen (77 min.) is in dat opzicht een logisch vervolg op pak ‘m beet De Waterwolf Van Itteren, Bokken En Geiten en Bewakers Van Bemelen. Heijnen belicht ditmaal de voorbereidingen in Tegelen voor het Passiespel van 2020, een theatrale uitvoering van het lijdensverhaal van Jezus Christus die elke vijf jaar voor heel wat consternatie zorgt in de plaatselijke gemeenschap.

‘Altijd ruzie en gedoe bij de Passiespelen, fracties tegen elkaar’, stelt regisseur Ben Verbong, die in 2000 aan het roer stond bij een zeer omstreden versie. Verschillen van mening over de tekst, rolverdeling of de relatie met de katholieke kerk hebben door de jaren heen sowieso familieleden, vrienden en geloofsgenoten uit elkaar gedreven. En ook in 2020, als Corona de Passiespelen plaagt, wordt er weer volop gebakkeleid.

Hans Heijnen laat al die spelers, vrijwilligers en fracties aan het woord, illustreert hun ervaringen, opinies en herinneringen met impressies van allerlei verschillende edities van de Spelen en schetst zo op aanstekelijke wijze een gemeenschap in beroering. Waarbij alle betrokken Tegelenaars gaandeweg wel iets van het lijden van Christus in hun eigen leven lijken te herkennen.

Het Kruis Van Tegelen is hier te bekijken.

Everything – The Real Thing Story

Een platform was er niet voor bands zoals zij. Groot-Brittannië kende in de jaren zeventig helemaal geen succesvolle zwarte muziekgroepen. En hoewel een voorloper van The Real Thing, genaamd The Chants, een flink duwtje in de rug had gekregen van stadgenoot The Beatles en de vocal harmony-groep zelf ook veel aandacht had getrokken tijdens tournees met de toentertijd populaire zanger en acteur David Essex, was er een wit songschrijversduo nodig om de ban te breken. Ken Gold en Michael Denne leverden You To Me Are Everything, de hitsingle die in 1976 van het kwartet uit Liverpool de eerste zwarte Britse band met een nummer 1-hit maakte.

Het zoetsappige schuifelnummer zou uitgroeien tot een evergreen op bruiloften en partijen en zorgde er meteen voor dat die vier zwarte binken een enorme schare tienerfans kregen. Witte meisjes, ook dat nog. Die het risico liepen om uitgemaakt te worden voor ‘niggerlover’. Met de bandleden, medewerkers, mensen uit hun directe omgeving en bekende fans als Kim Wilde, Gwen Dickey (Rose Royce) en Billy Ocean tekent Simon Sheridan in Everything – The Real Thing Story (94 min.) zonder fratsen de geschiedenis op van de Britse popgroep en het tijdsgewricht waarin die opkwam en ook weer afging, een periode waarin tevens punk de wereld veroverde en extreemrechtse skinheads zich deden gelden in het Verenigd Koninkrijk.

Met het album 4 From 8 en de signatuursong Children Of The Ghetto wist The Real Thing ook nog iets te vertellen over die wereld, over het leven van zwarte jongeren in Britse achterstandswijken in het bijzonder. Zo snel en onstuimig als het succes kwam ebde het getuige deze degelijke popdocu, waarin verteller Jacob Anderson chronologisch de bandgeschiedenis afwerkt, vervolgens ook weer weg. De kern van The Real Thing staat echter nog steeds op het podium, al meer dan 45 jaar. En de meisjes – van middelbare leeftijd inmiddels – zwijmelen nog altijd ongegeneerd weg bij het suikerzoete You To Me Are Everything.

Ennio

Periscoop

Voor een man die zoveel succes heeft gehad, die tot de absolute top binnen zijn métier behoort, oogt hij opvallend nederig in Ennio (156 min.). De Italiaanse componist Ennio Morricone (1928-2020) was dan ook van eenvoudige komaf. Volgens medestudenten ging hij op het conservatorium zelfs gebukt onder een minderwaardigheidscomplex, dat hij maar moeilijk van zich kon afschudden. Nadat Morricone begin jaren zestig muziek had geschreven voor enkele westerns werd hij gevraagd door regisseur Sergio Leone. Ze bleken bij elkaar in de klas te hebben gezeten op de lagere school. Samen zouden de oude schoolmakkers filmgeschiedenis schrijven en met de zogenaamde Dollars-trilogie de spaghettiwestern uitvinden, niet in het minst door Morricone’s geweldige opera-achtige muziek.

Zijn vroegere leermeester op het conservatorium, Goffredo Petrassi, en Morricone’s traditionelere oud-studiegenoten zagen er alleen weinig in. Daar begon je toch niet aan als componist, zo’n ‘anti-artistieke’ samenwerking met een filmmaker? Voor een academisch geschoolde musicus was dat zo ongeveer vergelijkbaar met prostitutie. ‘Schuldig’, bekent de componist in kwestie. ‘In het begin voelde ik me ook schuldig, maar langzamerhand werd dat minder. Ik wilde met het schrijven wraak nemen.’ De stem en lippen van de oude meester beginnen te trillen. Zoals wel vaker tijdens het centrale interview voor deze definitieve biografie raakt hij overmand door emoties. ‘Ik wilde het overwinnen, dit schuldgevoel.’

Met de man zelf, allerlei Italiaanse componisten en musici, zijn vakbroeders John Williams en Hans Zimmer en kopstukken uit de film- en muziekwereld zoals Bernardo Bertolucci, Quincy Jones, Wong Kar-Wai, Bruce Springsteen, Clint Eastwood, Joan Baez, Barry Levinson, Pat Metheny, Oliver Stone en James Hetfield loopt Giuseppe Tornatore Morricone’s bijna 75-jarige carrière door. In die periode werkte hij met toonaangevende regisseurs zoals Terrence Malick, Brian De Palma en Quentin Tarantino. Alleen voor Stanley Kubrick moest hij passen. Die had hem gebeld voor A Clockwork Orange. Sergio Leone overtuigde zijn collega er echter van dat Ennio te druk was met zíjn film. Morricone heeft er nog altijd hartzeer van.

Intussen liet de waardering vanuit de serieuze Italiaanse musici nog altijd op zich wachten. Zij hadden volgens componist Nicola Piovani moeite om het talent van Ennio Morricone te (h)erkennen. Het duurde enkele decennia voordat ze eindelijk ‘wilden buigen voor zijn genialiteit.’ ‘s Mans laatste samenwerking met Leone, voor de klassieker Once Upon A Time In America (1984), bracht uiteindelijk de ommekeer. ‘Die muziek kan alleen maar geschreven zijn door een musicus in hart en nieren’, stelt zijn oud-studiegenoot Boris Porena in dit epische portret. Hij schreef, als een soort publieke boetedoening, zelfs een excuusbrief aan zijn vakbroeder.

En daarna resteert in Ennio, dat natuurlijk prachtige filmscènes en werkelijk majestueuze muziek bevat, alleen nog de jacht op een Oscar. Want verder heeft Morricone echt alles bereikt wat hij in zijn stoutste dromen had kunnen bedenken.

A Family Affair

KRO-NCRV

‘Dit was ons gezin’, vertelt Tom Fassaert bij oude familievideo’s. ‘Totdat oma in ons leven verscheen en alles veranderde.’ Marianne Hertz woont inmiddels al jaren in Zuid-Afrika en heeft ook al enige tijd geen contact meer met de rest van de familie. Nu ‘Mammie’ 95 is, wil ze echter nog eenmaal, samen met haar kleinzoon, de reis naar Nederland maken. ‘Ik geloof niet dat die mensen van mij enthousiast zijn om me te zien’, stelt ze met de nodige zelfkennis. ‘Dat denk ik niet.’

Ze lijkt haar pijlen ook vooral te richten op Tom. ‘Ik hou van jou, too much’, zegt ze tijdens een gezamenlijke safari, flirtend met de kleinzoon die een documentaire over haar maakt. ‘Ik mag het niet, het is verkeerd. Maar het is een feit.’ Marianne kan zich nauwelijks voorstellen dat Tom, die ook nog eens een vriendin blijkt te hebben, alleen geïnteresseerd is in haar als oma en als object voor zijn film. ‘Ergens denk je misschien ook’, fleemt ze tijdens één van haar dagelijkse opmaaksessies, ‘God, was ze maar 25 of 26 jaar oud.’

A Family Affair (108 min.) is nochtans méér dan een ‘excentrieke-oma-wordt-verliefd-op-kleinkind’-film. De persoonlijke documentaire – Fassaert heeft bezwaar tegen de term ‘egodocu’ – belicht een uiterst belastend familiesysteem. De ene generatie heeft de volgende generatie opgezadeld met allerlei thema’s of zelfs verminkt. Fassaert maakt de schade op met zijn vader en diens kwetsbare broer René, maar belandt via de verhalen van hun moeder ook bij zijn overgrootouders, die vanuit Hitlers Duitsland naar ons land zijn gevlucht.

Zorgvuldig pelt de Nederlandse filmmaker de verhoudingen af binnen zijn familie, waarin de voormalige mannequin en ‘perfecte moeder’ Mammie een sleutelrol speelt. Oma is een rasmanipulante, stelt Fassaerts vader Rob. Hij weet waarover hij spreekt. Het is alsof ze voortdurend op een schaakbord speelt. ‘Eerst word je een beetje koning’, zegt hij. ‘Dan daal je langzaam af naar koningin, dan word je toren of loper en uiteindelijk ben je pion. En dan word je, tsjoep, van het schaakbord afgemieterd als het haar niet meer uitkomt.’

Het is een manier van doen die Tom bekend begint voor te komen. Terwijl hij tijdens de reis naar Nederland vat probeert te krijgen op zijn oma, lijkt zij hem voortdurend te bespelen. Wie is deze intrigerende vrouw, die permanent bezig is met haar make-up en de spiegels om haar heen? Wat probeert zij op te houden? Samen koersen de onnavolgbare femme fatale, haar beschadigde zoons en dat filmende kleinkind in deze bekroonde film uit 2016 af op de finale ontmoeting, die het karakter van een verzoening moet krijgen.

Maar of ‘Mammie’ daartoe werkelijk bereid en in staat is…

Inmiddels werkt Tom Fassaert overigens alweer aan een nieuwe ‘persoonlijke documentaire’. In Tussen Broers, een film die voor 2023 staat gepland, belicht hij de pogingen van zijn vader Rob om het leven van diens broer René op orde te krijgen.

A Family Affair is hier te bekijken.

Jimmy Savile: A British Horror Story

Netflix

Hij kan met gemak voor een dorpsgek worden versleten. En dat wordt hij ook: de bekendste dorpsgek van het hele land. Die tevens dienst doet als televisiepresentator, verslaggever, deejay, fondsenwerver en algehele mascotte. Jimmy Savile (1926-2011) is dan misschien een eigenaardige jongen, lijken ze in het Verenigd Koninkrijk te denken, maar het is wel ‘onze’ eigenaardige jongen. Hij wordt razendpopulair. Een volksheld pur sang, die geen kwaad lijkt te kunnen doen.

En dus kan het zomaar gebeuren dat Jimmy, met die boerse kop, tamelijk oenige glimlach en uitzinnige blonde haardos, tijdens zijn carrière van ruim een halve eeuw aan de zijde belandt van grootheden zoals premier Margaret Thatcher, de paus en Lady Di (en tevens een penvriend wordt van haar echtgenoot Charles). ‘Een man van het volk mag onder het volk zijn’, zoals televisiecriticus Mark Lawson het uitdrukt in de tweedelige docu Jimmy Savile: A British Horror Story (170 min.) van Rowan Deacon. Hij laat even een stilte vallen. ‘Daardoor zijn er vreselijke dingen gebeurd.’

Want er zijn al die tijd ook geruchten. Over kleine meisjes. Die kunnen evenwel niet voorkomen dat Savile in 1990 wordt geridderd, de apotheose van het eerste deel van deze documentaire. Daarin is te zien hoe hij met televisieprogramma’s zoals Jimmy’ll Fix It – waarin hij, werkelijk waar!, kinderwensen vervult – en breed uitgemeten vrijwilligerswerk en liefdadigheidsacties uitgroeit tot een publieksfavoriet. Als je al die elementen, met de wijsheid van nu, opnieuw bekijkt, is het vrijwel onmogelijk om níet te zien wat hij ondertussen achter de schermen uitvreet.

Hij maakt er zelf ook gedurig grappen over. Wat voor avonturen heb je beleefd? vraagt een verslaggever hem bijvoorbeeld als hij in de jaren zeventig, voor de camera natuurlijk, een week gaat joggen voor een goed doel. ‘Zoveel avonturen dat mijn zaak donderdag voorkomt in meerdere regio’s’, antwoordt Jimmy Savile. ‘We vertrekken meestal vrij snel als we ergens hebben geslapen. Wanneer alle vriendjes, broers en vader je komen zoeken met geweren, vinden ze alleen een dieselwolk en een oliedruppel.’ Hij kan zulke dingen zeggen, zonder dat iemand er iets van denkt. Enkele gesprekspartners van toen kunnen het nu nauwelijks aanzien.

In het tweede deel van de docu wordt de pleister echt van de collectieve wonde getrokken en komt de volle omvang van het leed dat deze onverbeterlijke kindermisbruiker heeft veroorzaakt in beeld. En ook dan wordt weer pijnlijk duidelijk dat hij er zelf eigenlijk nooit een geheim van heeft gemaakt. ‘Soms help ik de jongens’, vertelt Savile bijvoorbeeld over zijn vrijwilligerswerk in een ziekenhuis te Leeds. ‘En soms, als niemand kijkt, help ik de meiden. We stoeien gewoon wat en ik maak me verdienstelijk als er een patiënt is die mijn specialiteit nodig heeft.’ De verslaggever kan er wel om lachen.

Dat schaapachtige gelach, in alle soorten en maten, is zo mogelijk bijna nog schrijnender dan het misbruik zelf. De sociaal handige Jimmy is alles en iedereen steeds te slim af. Dat is ook de portee van deze geladen productie die zich in tegenstelling tot de meeste seksueel misbruik- of #metoo-documentaires niet op de slachtofferverhalen richt – slechts één misbruikt kind komt aan het woord, tegen het einde van het tweeluik – maar op de manier waarop de pedofiel Savile al die jaren ongestoord zijn gang kan gaan. Niet door een groot complot, zo lijkt het, maar omdat hij nu eenmaal Jimmy is. Een eigenaardige jongen die nooit kwaad in de zin lijkt te hebben.

Joy Division

Voor de generatie die opgroeide aan het bedompte einde van de jaren zeventig, toen de eerste punkgolf in zijn nadagen was aanbeland, is Ian Curtis een symbool geworden van algehele malaise, van levensmoeheid zelfs. Zoals Kurt Cobain, de voorman van de Amerikaanse rockgroep Nirvana, dat een kleine vijftien jaar later voor de grunge-generatie zou worden.

Samen met zijn band Joy Division (96 min.) wist Curtis perfect het desolate karakter van zijn tijdsgewricht te verklanken. Als de Britse zanger uit Manchester zong over eenzaamheid, liefde die je uit elkaar trekt of depressies, drukte hij een wanhoop uit die door menige jongeling daadwerkelijk werd gevoeld. Curtis verbond er uiteindelijk de ultieme consequentie aan: op 18 mei 1980 maakte hij een einde aan zijn leven.

Zijn bandmaten Bernard Sumner (gitaar/synthesizer), Peter Hook (basgitaar) en Stephen Morris (drums), die na het overlijden van Curtis de groep New Order zouden vormen en ook daarmee popgeschiedenis schreven, blikken in deze treffende documentaire uit 2007 terug op de relatief korte periode dat ze aan zijn zijde de wereld leken te gaan veroveren. De film bevat ook citaten uit de autobiografie van Ians weduwe Deborah, Touching From A Distance.

In deze productie van Grant Gee, die eerder Radioheads complete vervreemding tijdens een wereldtournee ving in Meeting People Is Easy, komen verder onder anderen Curtis’ Belgische liefje Annik Honoré, de Nederlandse fotograaf Anton Corbijn (die tevens zijn debuutfilm Control aan de groep wijdde) en televisiepersoonlijkheid/platenbaas Tony Wilson (over wie de bij vlagen hilarische biopic, 24 Hour Party People werd gemaakt, waarin Joy Division ook een prominente plek kreeg) aan het woord.

Ieder voor zich beschrijven ze Curtis’ suïcide bijna als een fait accompli, het onvermijdelijke einde achter een door epilepsie, liefdestwijfel en depressies geplaagd bestaan. ‘Vijftig procent triest en vijftig procent boos’, voelde Stephen Morris zich naar eigen zeggen. ‘Boos op hem, omdat hij zoiets stoms had gedaan. En boos op mezelf, omdat ik niets had gedaan.’ De drie overgebleven bandleden vervolgden al snel hun weg, geschokt en toch ongebroken, onder een nieuwe noemer en met nieuw elan.

En zowel Ian Curtis als Joy Division werden bijgeschreven in Het Grote Popgeschiedenisboek, in het hoofdstuk over muziek die weliswaar ouder wordt, maar nooit oud.

Johnny Par Johnny

Netflix

Johnny Hallyday? Een nep-Elvis, de Franse evenknie van Rob de Nijs, een halfbakken Jean-Paul Belmondo. Zoiets. Niet geïnteresseerd. En dan start de vijfdelige docuserie Johnny Par Johnny (172 min.), een portret van de Franse zanger/acteur. ‘Was er ooit een dag dat je trots op jezelf was?’ wil een interviewer, te midden van een flashy montage van hoogtepunten uit ‘s mans lange loopbaan, weten in de openingsscène. ‘Weet ik niet. Nooit over nagedacht.’

De interviewer vraagt door: ‘Een dag waarop je van jezelf walgde?’ Johnny Hallyday (1943-2017) denkt even na terwijl zijn gesprekspartner hem een ontboezeming probeert te ontlokken. ‘Ja’, zegt hij te langen leste, ogenschijnlijk schuldbewust. ‘Daar baal je vast van’, houdt de interviewer aan. ‘Nee’, antwoordt Hallyday ferm. Hij laat vervolgens zijn tanden zien. Een glimlach. Soort van. En dan is het zover: ook de niet Hallyday-fan is helemaal verkocht.

Nog bijna drie uur te gaan. Van dat ongenaakbare gelaat. De onmiskenbare oerkracht daarachter. En, niet te vergeten, als spiegel van een getormenteerde ziel: die ogen. Helblauw. Hard. Dodelijk, als het moet. In deze serie snijden de makers Alexandre Danchin en Jonathan Gallaud interviewfragmenten uit allerlei tijdsgewrichten dwars door elkaar heen. Zoveel verschillende incarnaties van Johnny. Elke keer nét anders. En toch precies hetzelfde. Onweerstaanbaar.

James Dean, Herman Brood, Elvis in Vegas, Mad Max en Johnny Cash ineen. Een onverbeterlijke meidengek, drinkebroer, cokesnuiver, brokkenpiloot, tabloidster, potsenmaker, has-been, rijpe man, pseudo-Hells Angel en megalomane rockster. In een groter dan grootst leven kreeg hij, tussen alle optredens, affaires en drinkgelagen door, ook nog te maken met belastingontduiking, een zelfmoordpoging, Russische roulette, een auto-ongeluk en een mislukte Amerikaanse droom.

Alle hoogte- en dieptepunten hebben hun plek gevonden binnen een hallucinante, bombastische en opwindende vertelling, ingekaderd met off screen-quotes van mensen die de man achter de ster hebben leren kennen. Het turbulente leven van Jean-Philippe Smet, alias Johnny Hallyday, dat doortrokken lijkt te zijn geweest van pure doodsverachting of -drift – tis maar hoe je ernaar kijkt – en dat hier met ontzettend veel bravoure wordt opgediend.

Charles Bradley: Soul Of America

Charles Bradley zou nooit méér worden dan een imitator. Black Velvet was zijn naam. Ofwel: James Brown Jr. Een heel verdienstelijke imitator, dat wel. Met pruik en cape, alle verplichte danspasjes en die van soul druipende stem. Intussen leidde hij een tamelijk armetierig bestaan in een ongure New Yorkse flat. Soms moest Charles als volwassen vent zelfs bij zijn moeder in de kelder slapen.

Sinds zijn veertiende trad de zanger op als James Brown. Hij kon er echter nooit van leven. In 2011, als hij bijna de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mag hij dan toch nog officieel debuteren als soloartiest. Bij Daptone Records, het kleine platenlabel van enkele witte soulfanaten die eerder al Miss Sharon Jones in de vaart der volkeren opstuwden. Bradley, die nauwelijks kan lezen en schrijven, vormt hun nieuwste project. Hij heeft alle butsen die hij in zijn leven heeft opgelopen, waaronder het overlijden van zijn oudere broer, verwerkt in eigen nummers.

In de docu Charles Bradley: Soul Of America (71 min.) uit 2012 volgt Poull Brien ‘The Screaming Eagle Of Soul’ in de aanloop naar de officiële release van zijn debuutalbum. Dat resulteert bijvoorbeeld in een prachtige scene als de Amerikaanse soulzanger hoort dat hij voor het eerst in de krant staat, op pagina 6 van The New York Post. De halve buurt loopt ervoor uit. Dan begint tastbaar te worden wat tot dusver een soort droom leek: hij, Charles Bradley, armoedzaaier uit New York, zou het als zestiger wel eens alsnog kunnen gaan maken.

Charles kan de eindjes alleen nog altijd nauwelijks aan elkaar knopen, ook omdat hij tegenwoordig moet zorgen voor zijn breekbare oude moeder, met wie hij van jongs af aan al een gecompliceerde relatie heeft. Het perspectief op een ander leven – met videoclips, fans en een Europese tournee – maakt echter alles anders. Het is alsof er een schijnwerper op hem wordt gezet, waardoor hij, bijna letterlijk, oplicht. Dat maakt van de 62-jarige debutant Charles Bradley een onweerstaanbaar filmpersonage, in een documentaire die liefdevol de ziel streelt.

Eternal Spring

Lofty Sky

Het is een bijzonder stoutmoedige actie: op 5 maart 2002 wordt de Chinese staatstelevisiezender in Changchun overgenomen door een select groepje activisten. In plaats van de officiële programmering vertonen ze uitzendingen over de boeddhistische filosofie van de Falun Gong-beweging. Daarmee steken de hackers een niet te negeren middelvinger op naar de almachtige Communistische Partij, die de spirituele beweging in 1999 heeft verboden en aanhangers sindsdien het leven onmogelijk probeert te maken.

‘In China zouden ze duizend mensen doden om er eentje te pakken te krijgen’, stelt Daxiong. Hij probeert de herinneringen van participanten aan de voorbereidingen, de hackactie zelf en de nasleep daarvan te vangen in een storyboard, dat als basis dient voor een geanimeerde versie van de gebeurtenissen. Daxiong heeft overigens ambivalente gevoelens over de actie. Hij nam er zelf niet aan deel, maar voelde zich als aanhanger van Falun Gong naderhand wel genoodzaakt om het land te verlaten. Hebben de actievoerders het regime nodeloos geprovoceerd?

In Eternal Spring (85 min.) volgt Jason Loftus de pogingen van de Chinese animator, inmiddels woonachtig in Canada, om met direct betrokkenen terug te keren in de tijd en de gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk te reconstrueren. Die verhaallijn wordt doorsneden met het resultaat van zijn inspanningen: fraaie en indringende geanimeerde scènes. Deze krachtige documentaire heeft daarmee een vergelijkbare opzet als Flee, de Deense film die onlangs werd genomineerd voor drie Oscars (en toch met lege handen achterbleef) en doet daar ook weinig voor onder.

Via de hackersactie, die volgt op en wordt gevolgd door vervolging van alles wat met Falun Gong heeft te maken, schetst Loftus in het knap gemaakte Eternal Spring een beklemmend beeld van het leven in een repressieve samenleving, waar de staat opereert als rücksichtslose gedachtenpolitie. De slotsom van 5 maart 2022 is ronduit schokkend: enkele betrokkenen ontvluchtten het land, anderen belandden jarenlang in de gevangenis en een enkeling moest er zelfs met z’n leven voor betalen. En dat alles voor enkele onwelgevallige televisieminuten.

Het Dinsdagavondgevoel

Marlou van den Berge

Volgens dirigent Paul Valk hebben ze geen moment overwogen om het niet te doen. ‘Kijk, nu vind ik het heel normaal dat er dingen geannuleerd worden, maar dat had je toch helemaal niet?’ zegt hij over de tijd dat Corona zich voor het eerst meldde in ons leven. ‘Dus je gaat door. Jongens, come on, the show must go on en ga ervoor!’ En dus vertolkte het Amsterdams Gemengd Koor op 8 maart 2020, een maand voor Pasen, gewoon de Johannes Passie in het Concertgebouw. COVID-19 had zich toen al in hun midden genesteld.

Van de 130 koorleden zouden er uiteindelijk maar liefst 102 het Coronavirus krijgen. Één lid overleed, evenals drie partners. Als het koor enige tijd later de draad weer wil oppakken, gaat dat dan ook niet vanzelf. Sommige leden durven nog niet, anderen merken dat ze oefening missen of kortademig zijn. Onder leiding van Valk zullen ze gezamenlijk hun stem weer moeten vinden, om de traumatische ervaring van die eerste Coronagolf achter zich te laten en gewoon weer lekker samen te kunnen zingen.

In Het Dinsdagavondgevoel (60 min.) volgt Marlou van den Berge enkele leden van het koor tijdens de pandemie, die hen het repeteren en optreden bijna onmogelijk maakt. Kan dat eigenlijk wel op anderhalve meter of met een mondkapje? Of moet het werkelijk via Zoom-sessies? ‘We glijden uit elkaar’, constateert bas Reitze de Graaf, die de online-repetities aan zich voorbij laat gaan. ‘Ik voel de band niet meer zo. Dus ik zit een beetje met het idee te spelen om er gewoon maar helemaal mee te stoppen.’

Van den Berge structureert de verwikkelingen bij het Amsterdams Gemengd Koor, die op microniveau laten zien hoe COVID-19 het complete land in zijn greep krijgt en op allerlei plekken tweespalt veroorzaakt, aan de hand van de diverse Corona-persconferenties van Mark Rutte en lardeert de vertelling bovendien met enkele treffende zangstukken. ‘Waar is iedereen gebleven?’ zingt het koor bijvoorbeeld ten tijde van de lockdown van eind 2020. ‘Het beeldscherm lijst me in. Dit is hoe donker klinkt.‘

Het Dinsdagavondgevoel brengt zo treffend in beeld hoe het hoofdstedelijke koor probeert om de boel bij elkaar te houden, in een tijd waarin er verschillende eilandjes dreigen te ontstaan. Het is een uitdagende tijd die hen stuk voor stuk met de neus op de feiten drukt: hoeveel sterker ze samen zijn, als al die verschillende stemmen samenkomen, dan ieder in z’n eentje. Intussen blijft de herinnering aan betere tijden – en de hoop dat die, liefst snel, weer zullen terugkeren.

Rockfield: The Studio On The Farm

Madman Films

‘Ik herinner me er eerlijk gezegd helemaal niets van’, zegt Liam Gallagher (Oasis), als de eeuwige puber die hij nu eenmaal is, aan het begin van de heerlijke documentaire Rockfield: The Studio On The Farm (92 min.). Zijn band nam nochtans z’n sleutelabums Definitely Maybe en (What’s The Story) Morning Glory op in de plattelandsstudio van de Welshe broers Kingsley en Charles Ward. Zij bouwden het boerenbedrijf van hun familie eind jaren zestig om tot een opnamestudio, waar artiesten tevens, ver weg van het stadse leven, konden verblijven. 

‘Dus je hebt muzikanten genomen als vervangers van de varkens?’ grapt Robert Plant, die zichzelf er na het uiteenvallen van zijn band Led Zeppelin opnieuw uitvond als soloartiest, tegen de aandoenlijke Kingsley. Die moet daar smakelijk om lachen. Zijn broer Charles zou nog tot 1975 gewoon koeien blijven melken op de plek die al snel een populaire studio werd. Op een goede dag kon je er zien hoe Freddie Mercury in een stal de laatste hand legde aan Bohemian Rhapsody, Iggy Pop en David Bowie op het erf rondzwierven, The Stone Roses dertien maanden lang (!) werkten aan een album, de gebroeders Gallagher op de vuist gingen of, dat ook, een koe kalverde.

Hele generaties Britse bands streken in de afgelopen halve eeuw neer bij Rockfield in Wales, werkten er aan hun beste platen en vertellen er nu met zichtbaar plezier over in deze vlotte, grappige en liefdevolle documentaire. En regisseur Hannah Berryman verluchtigt de herinneringen van Ozzy Osbourne (Black Sabbath), Dave Brock (Hawkwind, met destijds nog Motorheads boegbeeld Lemmy Kilmister in de gelederen), Jim Kerr (Simple Minds), Tim Burgess (The Charlatans), Martin Carr (The Boo Radleys), James Dean Bradfield (Manic Street Preachers) en Chris Martin (Coldplay) met videoclips, hartstikke geinige animaties en beelden van de idyllische omgeving. Daarmee vervolmaakt zij deze fijne film over een kostelijk stukje popgeschiedenis op het platteland.

Sisters With Transistors

Wat we weten van het verleden, wordt bepaald door wie de geschiedschrijving mocht doen. Mannen, over het algemeen. Niet vreemd dus dat de rol van vrouwen in die geschiedenis, ook bij het ontstaan van de elektronische muziek, meestal wordt omgeven door stilte. In Sisters With Transistors (85 min.) schetst Lisa Rovner de ontstaansgeschiedenis van de elektronische muziek voor de verandering eens aan de hand van de vrouwen die daarin een essentiële rol hebben gespeeld. Mannen spelen hooguit een bijrol.

Voor de pionierende vrouwen fungeerde technologie daadwerkelijk als grote bevrijder – al zijn hun namen tegenwoordig alleen bij een selecte groep insiders bekend. Daphne Oram bijvoorbeeld, een Britse componist/musicus die al in de jaren vijftig een eigen elektronische opnamestudio had. Of de Litouwse Clara Rockmore. Behalve op de viool excelleerde ze tevens op dat ongrijpbare instrument, de theremin. Delia Derbyshire dan. Deze voortrekker van de Engelse elektronische muziek maakte de themamuziek voor de roemruchte televisieserie Doctor Who. Onvervalst monnikenwerk. En de Amerikaanse componist/sounddesigner Suzanne Ciani sleet baanbrekende muziek aan commercials en Hollywood-films.

Deze namen vormen slechts het topje van de ijsberg. Sisters With Transistors ontrukt allerlei vrouwelijke wegbereiders alsnog/weer aan de vergetelheid, waarbij de nadruk ligt op hun artistieke prestaties, niet zozeer op het gebrek aan publieke erkenning. De experimentele performancekunstenaar en muzikant Laurie Anderson fungeert als verteller bij deze met veel intrigerend archiefmateriaal omklede ontdekkingstocht door de krochten van de elektronische muziek. De prikkelende, futuristische en arty wereld die zo wordt blootgelegd verrijkt het verhaal zoals we dat tot dusver kenden – al blijft dit, eerlijk is eerlijk, met name interessant voor een selecte groep insiders.

Ik Ben Een Bastaard

Movies That Matter

‘In twee generaties van ongeletterd naar ik die alleen maar in woorden leef.’ Rashif El Kaoui kan het nauwelijks bevatten. Terwijl hij door Marokko reist, het land waar zijn analfabetische grootvader zijn hele leven leefde en zijn naar België vertrokken vader ooit werd geboren, vindt de Belgisch-Marokkaanse acteur, rapper en schrijver inderdaad voortdurend woorden om zijn gemoedstoestand te beschrijven. Het is zijn vak, waarin hij een uitblinker is geworden.

Hij, kind van een Vlaamse moeder, moet in België nochtans regelmatig duidelijk maken dat hij de taal en cultuur wel degelijk machtig is. En als zoon van een uitgezworven Marokkaanse immigrant wordt hij hier, in zijn vaderland, regelmatig geconfronteerd met de kloof die er tussen hem en het Noord-Afrikaanse land is ontstaan. In Ik Ben Een Bastaard (57 min.) probeert hij, net als in het dagelijks leven, een gulden middenweg te vinden.

Hij is geboren in de tussenruimte, vertelt hij in de debuutfilm van de Nederlands-Turkse fotograaf Ahmet Polat. ‘Mijn X-chromosoom komt uit de Vlaamse Kempenklei, mijn Y-chromosoom komt uit het mulle Atlaszand.’ Tijdens zijn jeugd in België betekende dit kortweg: aanpassen of opkrassen. ‘Ik pas mij aan’, zegt Rashif deemoedig in één van de teksten waarmee hij deze persoonlijke roadmovie over biculturaliteit stuurt en structureert.

Die teksten stammen uit de theatervoorstelling De Bastaard, die hij eerder met Polat en drummer Michelle Samba opvoerde, een vertelling over kinderen met ‘dubbel bloed’. Terwijl hij zoekt naar zichzelf, ergens tussen die twee culturen, komt Rashif El Kaoui onvermijdelijk ook terecht bij de vader, die hij al jong uit het oog verloor. De man die er volgens zijn Belgische grootouders als een ‘straatloper’ uitzag. Een man ook, die de drank niet kon weerstaan.

Zijn persoonlijke queeste brengt hem in deze typische ‘op zoek naar je roots’-film, behalve bij familieleden in België en Marokko, ook bij het graf van zijn vader, die letterlijk tussen de twee werelden van zijn zoon het leven liet.

Fanny: The Right To Rock

Ze repeteerden op dezelfde plek als The Band, rookten een jointje met The Rolling Stones en werden vergeleken met The Beatles. Zulke roem zou echter nooit zijn weggelegd voor Fanny. Hoewel er geen enkele twijfel was over dat ‘ze’ konden spelen, bleven het natuurlijk wel meiden. Elk interview ging daar ook over: hoe was dat nou, zo tussen al die mannen?

Als eerste Amerikaanse rockgroep met een platencontract én louter vrouwelijke leden, waarvan er ook nog een paar lesbisch en van Filipijnse afkomst waren, plaveiden ze de weg voor (succesvollere) geestverwanten als Cherie Curry (The Runaways), Kathy Valentine (The GoGo’s) en Kate Pierson (The B52’s) die hen in de documentaire Fanny: The Right To Rock (96 min.) ook alle eer bewijzen.

Fanny had één klein hitje, Butter Boy, een nummer dat zou zijn geïnspireerd door de affaire van bassiste Jean Millington met hun bekende fan David Bowie. ‘He was hard as a rock’, zongen ze daarin. ‘But I was ready to roll. What a shock to find out. I was in control.’ Toen het ondeugende nummer in 1975 de hitlijsten beklom, was de verantwoordelijke band alleen al uit elkaar.

Fanny, opgekomen ten tijde van de eerste feministische golf, gaf er voortijdig de brui aan. En nu, voor het oog van de camera van documentairemaakster Bobbi Jo Hart, willen ze dat alsnog proberen te repareren. Een reünie met vrijwel alle oud-bandleden, waarbij natuurlijk ook een nieuw album hoort. En jawel, het zal niemand verbazen: ‘ze’ kunnen het nog.

Voordat ze op tournee kunnen gaan om hun comeback kracht bij te zetten, slaat het noodlot echter toe en moet Fanny in deze eikenhouten muziekfilm opnieuw alle zeilen bijzetten.

Phoenix Rising

HBO

Er gingen al jaren verhalen rond over de ongezonde interesse van filmproducent Harvey Weinstein in actrices. In de omgeving van Jeffrey Epstein werd er openlijk gegrapt over zijn voorkeur voor veel te jonge meisjes. Maar Brian Warner had, getuige Phoenix Rising (149 min.), echt de ideale deal met de duivel gesloten. Via een alter ego genaamd Marilyn Manson kon hij als rockartiest al zijn bedorven fantasieën kwijt aan de wereld. Intussen mocht hij die achter de schermen, als een horror-variant op R. Kelly, daadwerkelijk botvieren op enkele zorgvuldig geselecteerde slachtoffers, onder wie zijn voormalige vaste vriendin en de protagonist van deze tweedelige documentaire, de Amerikaanse actrice Evan Rachel Wood. Volgens haar broer Ira is Manson niets minder dan een wolf in wolfskleding.

‘Ik was geen fan van zijn muziek, maar ik mocht hem en waar hij voor stond’, schreef Evan Rachel Wood (Thirteen, The Wrestler en Westworld) na hun ontmoeting in 2006 in haar dagboek. ‘Hij houdt mensen een spiegel voor en wijst ze op hun hypocrisie en domheid.’ Zij was achttien, hij zevenendertig. Wood, een kwetsbaar meisje uit een gebroken gezin, raakte al snel volledig in de ban van de bekende rockster. Volgens haar was het een typisch geval van ‘grooming’: hij maakte haar volledig afhankelijk van hem, isoleerde haar van haar directe omgeving en begon haar vervolgens als zijn privéslaaf te behandelen. Tot er helemaal niets meer van haar over was. ‘Ik begon te beseffen dat ik daar zou sterven’, zegt ze in deze film van Amy Berg, die heel dicht bij haar komt. ‘Ik wist niet hoe ik weg kon.’

Zeker in het tweede deel daalt Evan Rachel Wood daadwerkelijk af in de hel die Marilyn Manson ruim viereneenhalf jaar van haar leven heeft gemaakt, inclusief brandmerken, elektroshocks en zweepslagen (met een nazizweep, natuurlijk; ze was tenslotte Joods). Haar getuigenissen zijn gelardeerd met schrijnende details, komen overeen met de ervaringen van andere ex-vriendinnen en maken daardoor een zeer geloofwaardige indruk. Om het helemaal pijnlijk te maken verwerkte hun agressor de vernederingen ook in zijn werk. Zoals een ander slachtoffer het verwoordt: misbruik als kunst. Soms ook letterlijk: tijdens de opnames voor een videoclip, die tot frustratie van de #IStandWithEvan-crowd overigens nog altijd online staat, zou Manson tegen haar wil seks hebben gehad met Wood. Verkrachting, gewoon voor de camera.

Marilyn Manson heeft inmiddels gereageerd op de beschuldigingen met een aanklacht vanwege smaad. In de documentaire is hij veelvuldig te zien – via zijn werk, dat door deze nieuwe bijsluiter een nog naargeestiger karakter heeft gekregen – maar komt hij zelf niet aan het woord. Via citaten uit zijn autobiografie The Long Hard Road Out Of Hell probeert Amy Berg toch vat te krijgen op de beschadig(en)de persoon Brian Warner. ‘Ik kreeg de kans om herboren te worden’, schrijft hij daarin. ‘Marilyn Manson was de perfecte hoofdpersoon voor een gefrustreerde schrijver als ik. Een personage dat vanwege z’n minachting voor de wereld om hem heen en vooral voor zichzelf er alles aan doet zodat mensen hem aardig vinden. Als hij hun vertrouwen eenmaal heeft gewonnen, maakt hij ze kapot.’

Dat lijkt een adequate beschrijving van de handelswijze waarvan hij nu wordt beticht door ‘survivors’ zoals Evan Rachel Wood. Een kleine tien jaar na het einde van hun relatie is de actrice nog altijd doodsbang voor hem. De weg die zij met Manson heeft afgelegd – van onschuldig meisje naar beschadigde vrouw – wordt door Berg geïllustreerd met animaties die Disney-achtig beginnen en gaandeweg een steeds naargeestiger karakter krijgen. Dat is een wel erg Amerikaanse inkleuring van de loop der dingen, maar op basis van deze doeltreffende film is er zeker alle reden om Brian Warner, die jarenlang achter zijn Antichristus-achtige personage heeft kunnen schuilen, indringend te bevragen over de verontrustende #metoo-beschuldigingen aan zijn adres. Phoenix Rising zou daarbij wel eens als breekijzer kunnen fungeren.