Het Laatste Woord

BNNVARA

Volgens Jurriëns familie was er ‘geen liefde in het spel’. Hij, de beoogde echtgenoot uit Nederland, werd volgens hen vooral gezien als ‘de kip met de gouden eieren’. De 22-jarige Jurriën ten Cate uit Almelo had Marwa Bouali, een mooie Tunesische student bouwkunde, via het internet leren kennen. Toen ze in december 2013 vier maanden waren getrouwd en hij nog altijd geen verblijfsvergunning voor haar had geregeld, stortte zij vijftien meter naar beneden vanaf het balkon van een hotel in Tunesië. Was Marwa gevallen, gesprongen of geduwd?

Sindsdien zit Jurriën, een jongen die is gediagnosticeerd met een lichte autismespectrumstoornis, in elk geval in een Tunesische cel. Van daaruit is hij brieven gaan schrijven naar documentairemaakster Jessica Villerius (Emma Wil Leven, Memphis Depay – Met Beide Benen en De Kinderen Van Ruinerwold) om zijn kant van het verhaal met haar te delen. Die brieven, ingelezen door zijn broer Karsten, vormen nu de basis voor Het Laatste Woord (53 min.), waarin ook zijn ouders, zussen, Nederlandse ex-vriendin en advocaten alsmede een tante van Marwa, die als woordvoerder van haar familie optreedt, aan het woord komen.

Villerius is overtuigd geraakt van Jurriëns onschuld en werpt zich – net zoals ze eerder deed bij Clinton Young, die ten onrechte in een Amerikaanse dodencel zou zitten – op als zijn pleitbezorger. Ze voert bijvoorbeeld samen met een forensisch patholoog een test uit, om te bekijken of het überhaupt mogelijk is om een volwassen vrouw van een balkon te gooien, die vervolgens zo’n vijf meter verderop terechtkomt. Want dat zouden de laatste woorden zijn geweest van Marwa, die zich toen al in kritieke toestand bevond: mijn man heeft me geduwd.

Als een vrouwelijke erfgenaam van Peter R. de Vries spit Jessica Villerius diens zaak door – al komen de Tunesische politie en justitie daarbij niet aan het woord – om te ontdekken wat er kan/moet zijn gebeurd. Afgaande op deze tv-docu zou Jurriëns veroordeling vanwege moord wel eens een gerechtelijke dwaling kunnen zijn. Hij heeft er inmiddels echter al bijna de helft van zijn gevangenisstraf van twintig jaar opzitten, zonder dat er vooralsnog zicht lijkt op een doorbraak. Jessica Villerius laat het daar vast niet bij zitten.

Over deze zaak is Het Laatste Woord vermoedelijk dus nog niet gezegd.

Een teaser van Het Laatste Woord is hier te bekijken.

All The Beauty And The Bloodshed

Cinéart

Het is alsof Nan Goldins complete leven een aanloop is geweest naar haar huidige rol als Nemesis van de Amerikaanse familie Sackler. Die verdiende via het bedrijf Purdue Pharma miljarden dollars met de pijnstiller OxyContin, een medicijn dat zo verslavend bleek te zijn dat er in de Verenigde Staten een heuse Opioid Crisis ontstond. Die zou inmiddels in totaal zo’n half miljoen Amerikanen het leven hebben gekost. Intussen kochten de Sacklers zich met hun ‘bloedgeld’ in bij allerlei goede doelen en musea.

Nan Goldin, die na een turbulente jeugd als fotografe doorbrak met de intieme serie The Ballad Of Sexual Dependency, raakte in 2014 na een operatie zelf verslaafd aan de pijnmedicatie en wist drie jaar later na een overdosis slechts met heel veel moeite weer af te kicken. Sindsdien is ze één van de drijvende krachten van de actiegroep P.A.I.N. (Prediction Addiction Intervention Now). Met guerrilla-acties attaqueert deze groep specifiek de filantropie van de Sacklers, die zich nog altijd comfortabel in de hoogste kringen bewegen.

All The Beauty And The Bloodshed (117 min.), de documentaire die de fotografe maakte met regisseur Laura Poitras (My Country, My CountryThe Oath en Oscar-winnaar Citizenfour), valt in dat opzicht meteen met de deur in huis: The Sackler Wing van The Metropolitan Museum in New York wordt op 10 maart 2018 overgenomen door demonstranten onder leiding van Goldin die en masse pillenpotjes droppen en een ‘die-in’ organiseren, waarbij ze voor dood op de grond gaan liggen en onderwijl de leus ‘Sacklers lie, people die’ scanderen.

Zulke acties, waarmee de omstreden familie steeds verder in het nauw wordt gedreven, lopen als een rode draad door deze meeslepende documentaire, die er in september op het Filmfestival van Venetië zowaar met de Gouden Leeuw voor beste film vandoor ging. Patrick Radden Keefe, de auteur van de bestseller Empire Of Pain, geeft daarbij context over OxyContin en de agressieve marketing waarmee het middel door Purdue Pharma aan de man is gebracht, ook toen allang duidelijk was hoe verslavend ‘t was.

Dat klassieke Big Pharma-verhaal is door documentairemaker Alex Gibney al eens tot in detail opgetekend in The Crime Of The Century. Poitras verrijkt dit met enerverende protestacties en blikt parallel daaraan met Goldin terug op haar bijzonder turbulente leven, dat al heel vroeg ernstig werd ontregeld door de psychische problemen van haar zus Barbara en de inadequate reactie van haar ouders daarop. Zij zou al snel helemaal op drift raken. In fotografie – volgens Goldin een sublimatie van seks en meestal ook beter dan seks – vond ze uiteindelijk een uitweg.

De opwinding, hardheid en tristesse van dat leven, waarbij de AIDS-epidemie van de jaren tachtig en de bijbehorende Act Up-acties vormend blijken te zijn geweest, worden door Poitras verbonden aan Goldins activisme, dat haar leven extra scherpte en richting lijkt te hebben gegeven. Zo stuurt deze topdocu aan op een bijzonder geladen apotheose, waarin Nan Goldins P.A.I.N. daadwerkelijk vruchten begint af te werpen en zij zelf oog in oog komt te staan met enkele prominente leden van de gehate Sackler-familie.

A Way To B

Doxy

Even voor de helderheid, stelt Xavi Duacastilla, één van de leden van het Catalaanse danscollectief Liant la Troca: ‘We zijn niet uit op medelijden, we maken kunst. Als je moet huilen door de kunst, huil dan vooral. Maar als je huilt omdat je iemand in een rolstoel ziet dansen, dan: fuck off!’

Want Liant la Troca mag dan voor een belangrijk deel bestaan uit dansers met een lichamelijke beperking, hun performances doen qua kracht, intensiteit en emotionele zeggingskracht voor geen gezelschap onder. Jos de Putter en Clara van Gool geven de creaties van choreograaf Jordi Cortès Molina, vaak uitgevoerd in de openbare ruimte van Barcelona, dan ook een prominente plek in de film A Way To B (98 min.), een vlammende hybride van dans en documentaire.

Achter de imposante dansers gaan aangrijpende verhalen schuil, van mensen die op hun levenspad echt meer drempels moeten nemen dan veel anderen. Neem bijvoorbeeld Jaume Girbau, een man zonder onderlijf. Jaren na zijn geboorte vertelde zijn moeder dat de artsen hem in eerste instantie niet aan haar wilden laten zien. ‘Hij is geboren met een bepaalde handicap, vertelden ze haar. “Het is maar beter dan u hem nog niet ziet.” Alsof ik één of ander verschrikkelijk monster was.’

Of Dessi Cascales, die in de openingsscène van deze film een moeilijk te vatten en desondanks zeer indringende monoloog afsteekt. Deze vrouw met cerebrale parese kan zich bijna alleen met behulp van haar man Philip Heinrich verstaanbaar maken en wordt mede daardoor regelmatig veel te laag ingeschat. Philip heeft echter een degeneratieve ziekte, waardoor Dessi bang is dat hij straks alleen nog zijn moedertaal Duits kan spreken. Daarom besluit ze om zelf op taalles te gaan. 

Via fraai gestileerde, gepassioneerd uitgevoerde en gloedvol geregistreerde performances, collectief te scharen onder de noemer ‘Danza Integrada’, leggen de leden van Liant la Troca hun ziel bloot. Kwetsbaar en krachtig tegelijk. Gewone mensen die, ondanks/dankzij hun imperfecte lichaam, komen tot volwaardige kunst. A Way To B wordt daarmee automatisch een hartveroverend pleidooi voor inclusiviteit, zonder dat die boodschap er verder opzichtig in hoeft te worden gehamerd.

Spector

Showtime

‘Het was een foutje’, zegt de heer des huizes als politieagenten in zijn privékasteel in het Californische Alhambra een dode vrouw aantreffen. ‘Ik begrijp niet wat er in godsnaam mis is met jullie. De revolver ging per ongeluk af. Oh, God!’ Het is 3 februari 2003, de dag waarop het leven van Phil Spector (1939-2021) definitief een dramatische wending zal nemen. De legendarische producer van The Righteous Brothers, Ike & Tina Turner, The Beatles/John Lennon, Leonard Cohen en The Ramones wordt ingerekend en zal de rest van zijn leven in de gevangenis doorbrengen.

Vijf weken voor de dood van Lana Clarkson gaf de excentrieke kluizenaar Spector (207 min.) nog een onthullend interview aan journalist/biograaf Mick Brown. De tapes daarvan, en Brown zelf, fungeren nu als ruggengraat voor deze vierdelige docuserie van Sheena M. Joyce en Don Argott, waarin ook (voor hem ogenschijnlijk inwisselbare) performers die ooit mochten excelleren op zijn imposante Wall Of Sound, zoals Carol Connors (The Teddy Bears), La La Brooks (The Crystals), Nedra Talley-Ross (The Ronettes) en Darlene Love (The Blossoms), een bijdrage leveren.

Behalve mensen uit Spectors directe (werk)omgeving, waaronder ook zijn dochter Nicole, zoomt deze miniserie met haar moeder Donna en allerlei vrienden tevens in op de vrouw die door hem de dood vindt. Van een zielloos slachtoffer, consequent weggezet als ‘B-film actrice’, wordt Lana Clarkson weer een mens van vlees en bloed. Hetzelfde geldt eigenlijk voor Phil Spector zelf, een man die doorgaans wordt geportretteerd als een geniale en gevaarlijke gek. Joyce en Argott vinden in hem een kwetsbaar en labiel mens, dat al op heel jonge leeftijd ernstig werd beschadigd.

De titel To Know Him Is To Love Him, zijn allereerste hit met de groep The Teddy Bears, blijkt bijvoorbeeld gebaseerd op het grafschrift van zijn vader, die een einde aan zijn leven maakte toen Phil negen was. Net als zijn zus Shirley zou hij zelf de rest van zijn leven kampen met serieuze psychische problemen, zoals paranoia en manische en depressieve perioden, en afhankelijk raken van medicatie. Wanneer hij daarbij begint te drinken, zoals in de periode waarin hij Lana Clarkson min of meer dwong om nog even een drankje bij hem te doen, kan het zomaar he-le-maal fout gaan.

Spector richt zich met name op de moord en de navolgende rechtszaak, waarbij er nog een bijzondere rol is weggelegd voor filmmaker Vikram Jayanti die in deze periode de hele fijne documentaire The Agony And Ecstacy Of Phil Spector (2009) maakte. ‘Ik kan me herinneren dat hij zei dat de rechter niet wilde dat hij muziek zou laten horen of zou praten over zijn muziekcarrière tijdens de rechtszaak, omdat dit niets te maken had met die nacht’, vertelt Jayanti over Phil Spector. ‘Tijdens de rechtszaak dacht hij: als deze mensen mijn muziek maar konden horen, dan zou ik hier niet zitten.’

Het is typisch zo’n verhaal geworden dat louter verliezers kent. ‘Zij wordt nog altijd enorm gemist’, zegt één van Clarksons vrienden geëmotioneerd. Tegelijkertijd vraagt Mick Brown zich in deze genuanceerde, afgewogen en uiteindelijk ook aangrijpende miniserie af: ‘Wordt hij herinnerd vanwege You’ve Lost That Lovin’ Feeling en Be My Baby of voor het vermoorden van Lana Clarkson?’ Volgens Spectors dochter Nicole kunnen we gewoon plezier aan zijn oeuvre blijven beleven. ‘Hij bracht muziek vanuit de hemel in onze wereld’, zegt zij. En: ‘Ik kan alleen zeggen is: to know him is to love him.’

Kanaal Sociaal

Masha Osipova / Human

In navolging van series als Schuldig, Klassen en Leven In Limbo belicht Kanaal Sociaal (270 min.), de nieuwe documentaireserie van omroep Human, een actuele maatschappelijke kwestie aan de hand van een beperkt groepje hoofdpersonen, dat het leven met een positieve grondhouding tegemoet treedt. Plaats van handeling is Deventer, mantelzorg ditmaal het overkoepelende thema en Stephane Kaas de alwetende verteller die alle verhaallijnen op empathische toon bij elkaar houdt.

In deze zesdelige serie introduceert Kaas met zijn coregisseurs Nelleke Koop en Marinka de Jongh enkele Deventenaren die de inmiddels vijf miljoen Nederlandse mantelzorgers representeren. Gewone mensen die zorgen voor een dementerende partner, meervoudig gehandicapt kind, echtgenoot met kwakkelende gezondheid, familielid in de psychiatrie of ouder die een ongeluk heeft gehad. Intussen proberen ze hun (school)werk, gezinsleven en zichzelf intact te houden. Daarbij moeten ze meer ballen in de lucht houden dan eigenlijk van een mens mag worden verwacht. ‘Want de verzorgingsstaat is ontmanteld’, stelt Stephane Kaas. ‘We leven nu in een participatiesamenleving. En dus zorgen we voor elkaar.’

Koop, Kaas en De Jongh volgen daarnaast ook enkele medewerkers van de gemeente Deventer, die de mantelzorgers met raad en daad bijstaan of hun officiële aanvragen voor ondersteuning moeten beoordelen. Via uitzendingen van het radioprogramma Kanaal Sociaal op de lokale zender in Deventer, waarin presentator Ria Mol allerlei deskundigen op het terrein van (mantel)zorg interviewt, voegen ze bovendien maatschappelijke context aan de individuele casussen toe. Het zijn echter de gewone Deventenaren die ’t moeten doen in deze observerende miniserie. Mensen die iedereen in z’n familie, vriendenkring en directe omgeving heeft. Net als de verwanten waarvoor zij zorgen.

De verhalen van deze zorgers en verzorgden zijn herkenbaar, schrijnend en soms ook aangrijpend. Singer-songwriter Djurre de Haan heeft hun dagelijkse beslommeringen, dilemma’s en drama’s elke aflevering vervat in een lied. Gezamenlijk vormen die straks een EP, die kan worden beschouwd als een ongegeneerde ode aan de mantelzorger. Zoals de serie zelf wil zijn: feelgood-tv over mensen voor wie het glas, hoe vaak er ook ruw tegenaan wordt gestoten, meestal toch halfvol blijft. Waarin desondanks een kritische kanttekening bij de participatiemaatschappij is verpakt. En een appèl aan ons allen, de overheid voorop, om de Nederlanders die hun leven in het teken zetten van een ander een steuntje in de rug te geven.

Wisconsin Death Trip

mubi.com

Is dit nu een voorbeeld van hoe ‘nieuws’, door zijn voortdurende gerichtheid op de (negatieve) afwijking van wat we met z’n allen normaal vinden, ons beeld van de wereld kan verminken? Afgaande op de berichten die Frank Cooper in de jaren 1890-1900 voor een plaatselijke krant schreef was de dood werkelijk alomtegenwoordig in Black River Falls, een stadje in het noorden van de Amerikaanse staat Wisconsin dat vooral werd bevolkt door Noorse en Duitse immigranten en dat in die tijd werd geconfronteerd met mijnsluitingen en een economische crisis. Magere Hein kwam bovendien zelden helemaal uit zichzelf. Hij werd regelmatig een handje geholpen.

In Wisconsin Death Trip (78 min.), de verfilming van Michael Lesy’s gelijknamige non-fictieboek uit 1973, daalt regisseur James Marsh aan de hand van Coopers nieuwsberichten, ingelezen door acteur Ian Holm, af in een zwart-witte horrorwereld die volledig wordt gedomineerd door malheur: ziekte (difterie), drugsgebruik, allerlei vormen van gekte (winterdepressies, liefdesverdriet en godsdienstwaanzin) en de vertaling daarvan naar tragische ongelukken, wanhoopsdaden en – niet te negeren: zo vaak – redeloos geweld. Tegen een voormalige geliefde, zichzelf of iemand die toevallig op het verkeerde moment op de verkeerde plek was.

Zo introduceert de filmmaker in deze documentaire uit 1999 bijvoorbeeld de verwarde schoollerares Mary Sweeney die overal ruiten kapot slaat, een dertienjarige Duitse jongen die samen met zijn tienjarige broertje een willekeurige man doodt en de wereldberoemde Franse operaster Pauline L’Allemand, die in de herfst van haar carrière en leven plotseling, zonder enige vooraankondiging, het geïsoleerde plaatsje in Wisconsin aandoet. Marsh illustreert al deze menselijke drama’s met authentieke foto’s van de lokale fotograaf Charles Van Schaik, stemmige klassieke muziek en naargeestige gereconstrueerde scènes zonder geluid.

Tegenover dat ‘stomme’ verleden, gerangschikt aan de hand van de vier jaargetijden, plaatst hij hedendaagse beelden van Black River Falls: ogenschijnlijk onschuldige taferelen van kinderen in Halloween-kostuum, de plaatselijke missverkiezingen of kerkdiensten, die echter steeds nadrukkelijker worden begeleid door verhalen over brandstichting, seriemoordenaars en zelfmoord. Zo klinkt de beladen geschiedenis van het kleine stadje onmiskenbaar door in het heden. Alsof alle ellende zich zomaar zou kunnen herhalen. Wisconsin Death Trip wordt daarmee niets minder dan een reis, bepaald niet ontdaan van drama en bombast, naar de donkerste spelonken van de menselijke geest. Daar waar doorgaans, dat ook, het spraakmakendste ‘nieuws’ wordt gevonden.

Het Zit In Mijn Hart

Witfilm

‘Het is toneel, hè’, zegt één van de acteurs van het theatergezelschap KamaK uit Hengelo tijdens de opnames van een dramatische scène uit de voorstelling Furia, waarbij er een lijk in het water wordt gedumpt. De bevestiging volgt direct: ‘Het is niet allemaal echt. Het is allemaal toneel.’

Zo evident als dat misschien lijkt, is het echter bepaald niet in Het Zit In Mijn Hart (Engelse titel: Inside My Heart, 87 min.), Saskia Boddeke’s barokke verfilming van een voorstelling over de zeven hoofdzonden, door een Nederlandse theatergroep met louter professionele acteurs met een verstandelijke beperking. ‘Ik weet dat ik anders ben, maar bij KamaK zijn we allemaal gelijk’, vertelt Patrick ‘Pitt’ ten Arve, terwijl hij naast hoofdrolspeelster Marian Jansen heeft plaatsgenomen voor een interview. De jongeling, die zich in de navolgende anderhalf uur zal laten kennen als een rasacteur, legt uit: ‘Ik ben blij dat ik gehandicapt ben, anders had ik hier niet kunnen werken.’

De acteurs van het ensemble verliezen zich tijdens de opnames zo nu en dan in de fictie of wantrouwen de werkelijkheid, maar datzelfde geldt voor de kijker van deze voortdurend tussen uitvoering, repetitie en backstagescènes laverende vertelling. Waar eindigt de waarheid en begint het spel (of andersom)? ‘Ik vind dit geweldig’, zegt Tim Assen bijvoorbeeld, nadat hij tijdens de repetities een geïmproviseerde liefdesscène met Rijk Sietsma heeft gespeeld. ‘Mijn droom is eindelijk uitgekomen’, stelt de homoseksuele acteur. ‘Vrijen met anderen.’

KamaKs nieuwe actrice Anne Aalderink, die helemaal verkikkerd is op Rijk, zit zich ondertussen te verbijten. ‘Ik heb dit eigenlijk nooit meegemaakt, dat Rijk en Tim zitten te kleffen’, zegt ze. ‘Dat vind ik echt niet zo. Ik schaam me er echt voor.’ Tijdens het doen van haar haren vertelt Anne even later dat ze Rijk knap vindt. Ze is jaloers. ‘Goede Tijden doet het ook’, probeert hij haar vervolgens weer gerust te stellen. ‘Is de seks daar ook gefaket?’, vraagt Anne. ‘Ja, die is niet echt’, bevestigt Rijk. ‘Jeetje!’ slaakt zij een zucht van verlichting. Ze concludeert: ‘Dat heet toneelspelen.’

Daarmee is de kous echter nog helemaal niet af. Want Rijk wil filmmaker Saskia in vertrouwen nog wel even meegeven dat Tim weliswaar een goede kameraad is, maar dat hij beslist niet verliefd is op hem. Dát is Rijk namelijk op Anne. En zo zwerft Boddeke, die tevens laat zien hoe ze de spelers regisseert, continu tussen realiteit en fantasie in deze theatrale, liederlijke en ravissant vormgegeven vertelling, waarin de diverse acteurs, zowel binnen als buiten hun rol, beurtelings de show en het hart stelen. Totdat elk onderscheid is verdwenen – en iedere kijker helemaal overstag is.

Nothing Compares

Showtime

Natuurlijk ontbreekt dat ene spraakmakende tafereel niet in Nothing Compares (96 min.): het moment waarop zangeres Sinéad O’Connor, een ontaard product van het diep katholieke Ierland, voor het miljoenenpubliek van de Amerikaanse televisieshow Saturday Night Live een foto van de paus verscheurt. Hij zou betrokken zijn geweest bij het afdekken van seksueel misbruik binnen de Ierse kerk.

Als onhandelbare tiener uit een gebroken gezin, die volgens eigen zeggen had geleden onder een loeder van een moeder, was O’Connor ondergebracht geweest bij de nonnen. Die hadden haar met harde hand proberen te disciplineren. Tevergeefs. Op eigen voorwaarden – zwanger en met gemillimeterd haar bijvoorbeeld – werd de zangeres eind jaren tachtig wereldberoemd. En toen, getriggerd door het seksisme waarmee ze vrijwel continu werd geconfronteerd en de publieke afwijzing na het incident met de foto van de paus, begon haar verleden toch op te spelen.

Regisseur Kathryn Ferguson bewaart Sinéad O’Connors psychische aftakeling voor het allerlaatste deel van haar portret en besteedt dan vooral aandacht aan de persoonlijke en maatschappelijke context van O’Connors crises, niet aan de ongetwijfeld pijnlijke details daarvan. ‘Ze braken mijn hart en probeerden me te vermoorden, maar ik ben niet gestorven, zegt de hoofdpersoon zelf over de (misogyne) haat die jarenlang en masse over haar als jonge vrouwelijke artiest werd uitgestort. ‘Ze probeerden me te begraven, maar hadden geen idee dat ik een zaadje was.’

Behalve in de slotscène, waarin Ferguson laat zien dat ze zich nog altijd in ieders hart kan zingen, blijft de vijftiger Sinéad O’Connor volledig buiten beeld in deze stevige film over de eerste jaren van haar tumultueuze carrière. Net als de mensen uit haar directe omgeving die de ontwikkelingen inkaderen. Een film zonder pratende hoofden dus, over een jonge vrouw met een zeer sprekend hoofd. Als O’Connor bijvoorbeeld haar moeder toezingt in haar eerste hit Troy, spuugt haar mond gal en spuwen haar ogen vuur. ‘Er was geen therapie toen ik opgroeide’, zegt ze daar nu over. Ze had ook helemaal niet de ambitie om popster te worden. ‘Ik wilde gewoon schreeuwen.’

Slechts één ding ontbreekt in deze biopic: haar grootste hit Nothing Compares 2 U. Daarvoor wilden de erven van Prince, die het ontwapenende nummer ooit schreef, geen toestemming geven. De beelden van de iconische videoclip, waarin zij met betraande ogen recht in de camera zingt, maken desondanks nog altijd indruk. Hier legt een beeldbepalende artiest van het laatste deel van de twintigste eeuw, zonder geluid, voor het oog van de wereld haar ziel bloot. En daarmee maakt Sinéad O’Connor ook haar publiek weerloos.

The Vow Part II

HBO Max

‘The Vow is overcompleet, eenzijdig en véél te lang’, schreef een scribent, ikzelf, die koude rillingen kreeg van het veelbesproken eerste seizoen van de docuserie over Keith Raniere’s NXIVM-sekte. ‘Met zijn ongelooflijke inkijk in de inwendige machinerie van NXIVM – vrijwel elke activiteit of training lijkt te zijn vastgelegd – is de serie op de één of andere verwrongen manier tóch een aanrader voor iedereen met oprechte interesse in de werking van sekte-achtige organisaties en/of de diepgevoelde behoefte om zich eens ongegeneerd te ergeren aan mensen die het staren in hun eigen navel tot kunst hebben verheven.’

Voor al die mensen, en die ene scribent, is er nu een zesdelig tweede seizoen, waarin de sekteleider voor de rechter moet verschijnen. Keith Raniere – die volgens eigen zeggen in de media is neergezet als een soort kruising tussen Jeffrey Epstein en Jim Jones – wordt beschuldigd van seksueel misbruik, mensenhandel, fraude, chantage en, o ja, georganiseerde misdaad. Vrijwel alle hoofdrolspelers uit het eerste seizoen zijn weer van de partij, met ditmaal een centrale positie voor Raniere’s afvallige secondant Nancy Salzman. Advocaat Marc Agnifilo, die optreedt als Raniere’s mediagenieke raadsman, maakt bovendien een overtuigende entree. En ook openbaar aanklager Moira Penza blijkt een zeer verdienstelijke nieuwkomer.

Iedereen pakt, kortom, zijn rol weer in The Vow Part II (372 min.), waarmee Jehane Nouhaim netjes voortborduurt op de eerste negen afleveringen en in wezen nauwelijks nieuwe elementen of onthullingen toevoegt aan het spraakmakende verhaal over de Amerikaanse ‘sex cult’. De basis wordt gevormd door de rechtszaak tegen Raniere, waarvan met animaties een reconstructie is gemaakt, en de rol die de verschillende getuigen daarin spelen. En Keith Raniere reageert daar dan zelf weer op, telefonisch vanuit de gevangenis. Als de malicieuze schurk die vanuit de schaduw nog altijd aan de touwtjes probeert te trekken.

Tegen die achtergrond zoomt Nouhaim ook nog maar eens in op De Methode Raniere, de modus operandi van een orakel/ziener/therapeut die door sommige vroegere volgelingen en enkele huidige aanhangers (verzameld in The NXIVM Five) nog altijd bijzondere krachten worden toegedicht. Hij heeft volgens hen een sleutel naar de psyche van de mens, waardoor van hardnekkige ‘problemen’ zoals het Gilles de la Tourette-syndroom – voor het oog van de camera, natuurlijk – simpelweg ‘uitdagingen’ kunnen worden gemaakt. In wezen betoogt de serie daarmee dat Keith Raniere zelf weliswaar is te vergelijken met een willekeurige maffiabaas, maar dat zijn behandelwijze ook nu nog altijd wonderen zou kunnen verrichten.

Daarbij zijn zonder twijfel kanttekeningen te plaatsen, die in deze serie echter achterwege blijven. Alle aangerichte schade overziend doemt toch vooral de vraag op: is het leven werkelijk zo maakbaar als deze aanhangers van de ‘persoonlijke groei’-religie veronderstellen? Tegelijkertijd blijft het ook verbazingwekkend hoe gemakkelijk sommige hoofdrolspelers van rol lijken te zijn gewisseld: van overtuigde Raniere-discipel naar al even overtuigde NXIVM-dissident, ogenschijnlijk zonder wezenlijke reflectie ertussenin. En altijd is er opnameapparatuur in de buurt. Dit roept onvermijdelijk de vraag op: doen ze wat ze doen terwíjl de camera loopt, of omdát de camera loopt?

Ook The Vow 2 is dus overcompleet, eenzijdig en véél te lang, concludeert de scribent, die nog altijd koude rillingen krijgt van deze docuserie over Keith Raniere’s NXIVM-sekte. Dit vervolg is bovendien net zo overbodig als pak ‘m beet de tweede seizoenen van Making A Murderer en Tiger King. En hoewel het verhaal nu echt, écht!, helemaal lijkt te zijn afgerond, is daarmee niet gezegd dat er ook geen derde seizoen komt. Er kunnen zich zomaar nog nieuwe performers melden die een rol claimen in dit bijzonder mediagenieke drama.

Voorbij Het Paradijs

VPRO

‘Hoe kan iemand tot zo’n daad komen?’ vraagt Hans Simonse zich af bij de start van Voorbij Het Paradijs (57 min.). Sterker: ‘zou mij dit ook kunnen overkomen?’ Met die vragen in de achterzak ontrafelt Simonse het tragische relaas van dat ‘leuke gezin’ met drie kinderen dat een ‘idyllisch boerderijtje’ aan de Lek bij Schalkwijk heeft betrokken. Daar is het op zaterdagnacht 21 oktober 2012 helemaal misgegaan. Vader Rob heeft eerst zijn vrouw Rianne en dochters Samantha en Anouk en daarna zichzelf van het leven beroofd. Die informatie levert meteen zijn eigen vragen op: wat is er met het derde kind gebeurd? En hoe moet het daarmee verder?

Simonse legt deze vragen voor aan de broer van Rianne en diens vrouw, de moeder en zus van Rob, een vriendin van Rianne en een vriendin van dochter Samantha. Gezamenlijk schetsen zij de jarenlange aanloop naar het drama, dat niemand zag aankomen maar iedereen achteraf op de één of andere manier wel kan plaatsen. Het is niet het verhaal van een monster, dat willens en wetens is overgegaan tot moord en doodslag, maar van een gezin dat zich met de aankoop van een oude monumentale boerderij steeds verder in de nesten werkt. Totdat de man des huizes, ogenschijnlijk een hele normale kerel, geen uitweg meer ziet en overgaat tot een absolute wanhoopsdaad.

Deze indringende interviewfilm uit 2014 over een tragisch familiedrama, waarin de gesprekken worden afgewisseld met familievideo’s en een steeds terugkerende sequentie van een auto die bij nacht over de weg dendert (waarvan pas later de betekenis duidelijk wordt), vermijdt daarbij goedkoop effectbejag of gemakkelijke conclusies – al verrast Simonse zijn gesprekspartners een enkele keer nog wel met nieuwe informatie. Hij laat verder de verschillende perspectieven op Rob, zijn relatie met Rianne, de oplopende spanningen rond de aangekochte (en desondanks eigenlijk niet te betalen) boerderij en die diep tragische nacht in oktober 2012, waarin er iets in Robs hoofd is geknapt, naast elkaar bestaan en bij elkaar komen.

Waarbij de vragen hoe een gewone huisvader tot zo’n daad kan komen en wat er is gebeurd met het derde kind afdoende worden beantwoord en de kijker zichzelf intussen ongetwijfeld de vraag stelt of hem/haar dit ook zou kunnen overkomen. Het antwoord van de verwanten en vrienden van Rob, Rianne en hun kinderen is in elk geval ondubbelzinnig: ja. Punt. En juist daarom, meent Rianne’s vriendin, moeten we elkaar een beetje in de gaten houden.

McEnroe

Dogwoof

Volgens zijn tweede vrouw Patty Smyth zit hij beslist ergens op ‘het spectrum’. Zou dat misschien, dacht de leek, een verklaring kunnen zijn voor John McEnroe’s ongecontroleerde woede-uitbarstingen op de tennisbaan? Een opvallend oog voor detail, sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel en moeite om zich in een ander te verplaatsen – of het nu de opponent, een scheidsrechter of het publiek is – zou kunnen duiden op een autismespectrumstoornis. Zou. Kunnen. Het zou ook kunnen dat McEnroe (103 min.) gewoon een verwend ventje was, dat totaal niet tegen zijn verlies kon.

De ‘superbrat’, heerlijk gepersifleerd in de eightieshit Chalk Dust – The Umpire Strikes Back, meldde zich halverwege de jaren zeventig in de internationale tennistop, toen die werd gevormd door gladiatoren als Ilie Nastase, Vitas Gerulaitis en Jimmy Connors. McEnroe’s ultieme opponent zou echter de Zweed Bjorn Borg worden. De twee waren als water en vuur – de kalmte zelve versus het vleesgeworden heethoofd – en werden toch vrienden. Hun heroïsche gevechten, door beide mannen becommentarieerd, vormen ook het wild kloppende hart van Barney Douglas’s persoonlijke portret van John McEnroe.

Toen Borg al op 26-jarige leeftijd met tennispensioen ging, verloor ook zijn kameraad en rivaal een beetje de lust om te ballen. ‘Ik ben de grootste speler die ooit heeft gespeeld’, vertelt McEnroe nu over de post-Borg periode, waarin hij nochtans de onbetwiste nummer één van de wereld werd. ‘Maar waarom voelt dat dan niet bijzonder?’ Terwijl hij de successen aaneen reeg, stevende het enfant terrible onmiskenbaar af op wat hij zelf een ‘meltdown’ noemt. In de finale van Roland Garros in 1984, waarvan Douglas een kantelpunt in zijn leven maakt, speelde hij behalve tegen Ivan Lendl vooral tegen zichzelf. ‘Ik had het gevoel dat ik verdoemd was.’

En daarna zou het voorlopig alleen bergafwaarts gaan met John McEnroe, die ook nog in een slecht huwelijk met actrice Tatum O’Neal verzeild was geraakt. Als zestiger blikt hij – terzijde gestaan door zijn huidige echtgenote, broers, kinderen, dubbelspelpartner Peter Fleming, tennisicoon Billie Jean King en rock & roll-vrinden zoals Keith Richards en Chrissie Hynde (The Pretenders) – in deze geladen film diepgaand en zelfkritisch terug op deze periode, die als een catharsis heeft gewerkt. Hij is er de man door geworden die hij nu is: een perfectionist, iemand voor wie empathie lastig blijft en toch een uitgesproken familiemens.

Zo komt de mens (die de hele film – waarom eigenlijk? – door de verlaten nachtelijke straten zwerft van zijn geboorteplek Douglastown, New York) in deze geslaagde karakterschets méér dan voldoende achter het tennisicoon vandaan.

Enkele jaren geleden werd er al een filosofische documentaire over de voormalige toptennisser gemaakt: John McEnroe: In The Realm Of Perfection.

Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me

Hoewel Harold Melvin vanzelfsprekend te boek stond als leider van de succesvolle soulgroep Harold Melvin and The Blue Notes, was het in werkelijkheid Teddy Pendergrass (1950-2010) die grote hits als Don’t Leave Me This Way en If You Don’t Know Me By Now zong. Volgens hun songschrijf- en producersduo Kenny Gamble en Leon Huff, de architecten van de zogenaamde Philly Sound, had hij een stem als ‘raw meat’. Terwijl Teddy daarmee begin jaren zeventig ieders hart veroverde, streek Harold ondertussen stiekem het leeuwendeel van de inkomsten op. Dat kon natuurlijk niet goed gaan.

In 1976 verliet een gebelgde Pendergrass The Blue Notes voor een solocarrière die hem vijf opeenvolgende platina platen opleverde en tot een absoluut (vrouwen)idool maakte. The Black Elvis, in de woorden van zijn handige manager Shep Gordon. Want Teddy Pendergrass werkte als een magneet op het andere geslacht. ‘Er kwam eens een vrouw backstage toen ik net de kleedkamer wilde verlaten’, vertelt hij zelf in een talkshow. ‘Ze pakte een mes uit haar zak en zei: als ík je niet kan hebben, zal niemand je hebben. En ze haalde nog uit ook!’ Hij kan het zelf nauwelijks geloven: ‘Een zwarte vrouw, met een zwart mes.’

En toen, op het hoogtepunt van zijn roem, parkeerde hij in 1982 zijn Rolls Royce tegen een boom. Het auto-ongeluk zou hem voortaan aan een rolstoel kluisteren en fungeert als breekpunt in Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me (106 min.). In dit gesmeerde portret van Olivia Lichtenstein uit 2018 komt Teddy zelf aan het woord via fragmenten uit zestig audiocassettes waarin hij over zijn leven vertelt. Zijn moeder Ida, kinderen, familieleden, (jeugd)vrienden, bodyguard, bandleden en allerlei vrouwen die hun hart aan hem verloren zorgen intussen voor duiding en rugdekking.

Van de viriele vent, die zonder vader opgroeide in een achterbuurt van ‘the city of brotherly love’ Philadelphia en die vanuit deze ervaring als geen ander de zwarte gemeenschap wist te raken, is na het ongeluk weinig over. Kan hij überhaupt nog zingen? Menigeen in zijn directe omgeving heeft er z’n twijfels over. Pendergrass probeert ondertussen de zin van het/zijn leven terug te vinden. Die queeste vormt de apotheose van deze lekkere, met een aanzienlijke portie kneitersoul afgewerkte, film over een hart & ziel-zanger die de laatste jaren enigszins in de vergetelheid is geraakt.

Puinhoop

Selfmade Films

Nadat Allard Detiger de deur van zijn moeders woning heeft geopend en een stapeltje post bij elkaar heeft gegrist, stapt hij de wereld van zijn jeugd binnen. De stapels rommel lijken hoger dan ooit. Het was vroeger al een hoardershuis, maar is sindsdien alleen maar verder dichtgegroeid. De vrouw die hem heeft opgevoed is ondertussen een menselijk wrak geworden. Een boze vrouw ook, naar verluidt gediagnosticeerd met borderline. ‘Jullie hebben me allemaal naar de knoppen geholpen’, sneert ze naar Allard en andere mensen die haar proberen te helpen.

Allards bejaarde moeder laat ook een eindeloze stroom boze, wanhopige of verwarde berichten achter op zijn antwoordapparaat. Hij kan zich nauwelijks een ogenblik van haar losmaken. Deze film lijkt een poging om die Puinhoop (84 min.) te documenteren, in de hoop er op de één of andere manier vat op te kunnen krijgen. In familiefilmpjes kan hij terugzien hoe ze vroeger was: een zorgzame alleenstaande moeder. Te zorgzaam. ‘Ik mocht alles van haar’, herinnert Allard zich. ‘Zolang ik maar dichtbij haar bleef.’ En thuis was het dus, ook toen de kinderen er nog woonden, al een flinke bende. Alle vriendjes die ooit eens bij hen thuis waren geweest, hadden volgens jeugdvriend Daniel naderhand dezelfde droom: ze gingen dat huis opruimen.

Met sleutelfiguren uit zijn leven – zijn eigen partner Kristina, oudere broer Mathijs (die op jonge leeftijd de wijk nam naar Amerika), tennisleraar Tom, enkele therapeuten bij wie hij in behandeling was en de zus van zijn moeder, Sonja – probeert hij zicht te krijgen op de vrouw die zijn leven regelmatig tot een hel (heeft ge)maakt. Wie of wat is hij daardoor geworden? In gestileerde symbolische sequenties drukt Allard, die sinds enkele jaren zelf ook een kind heeft, in deze pijnlijk persoonlijke documentaire bovendien zijn eigen kwetsbaarheid, woede en machteloosheid uit. Over de (soms verwrongen) loyaliteit tussen ouder en kind en hoe ondraaglijk mantelzorg kan worden.

Het resultaat is een beklemmende, knarsetandende en uiteindelijk ook wel weer liefdevolle film over een vrouw die zichzelf volledig verliest in haar fixaties en haar directe omgeving daarin voortdurend probeert mee te trekken. En over een zoon die de storm die zij ontketent steeds weer moet trotseren en heeft besloten om de menselijke ravage die zo wordt aangericht voor eens en altijd te documenteren. Het is een puinhoop, in de loop van tien jaar verzameld, om niet snel te vergeten.

Schijnstudent

Nozem Films

Terugdenkend aan de zomer van 2019 hadden Rachel en Laura stiekem al in de gaten dat het niet goed ging met hun zus Dianne Tonies. Die zat daar maar op haar kamer in Leiden. Hoewel Diannes afstudeerdatum zienderogen dichterbij kwam, leek ze weinig aandacht te besteden aan haar studie geneeskunde. ‘Ze liegt alles bij elkaar’, appten haar zussen elkaar in mei van dat jaar. Begin 2020 werd Dianne gevonden. Ze had geen afscheidsbrief achtergelaten. ‘Waren we maar een keer naar Leiden gereden’, verzuchtten Rachel en Laura nu, met evenveel spijt als pijn in hun stem.

Dianne Tonies is waarschijnlijk zo’n zes jaar Schijnstudent (51 min.) geweest. Ze hield jarenlang de schijn op dat ze nog studeerde, terwijl het doek allang was gevallen. In de tv-docu Pretend Student werden onlangs al enkele studenten geportretteerd die zich in een soortgelijke situatie bevonden. Deze film van Leon Veenendaal concentreert zich op het rouwproces van Diannes nabestaanden. Waarom hebben ze nooit écht doorgevraagd? En wilde hun zus/kind werkelijk niet meer leven of kón ze niet verder, doordat haar parallelle wereld elk ogenblik in elkaar kon donderen?

Het zijn vragen waarop nooit meer een definitief antwoord komt, maar die wel tot indringende gesprekken leiden in de familiekring, met Diannes studiegenoten en een huisgenote. Zus Rachel neemt bovendien contact op met Sander van der Meer, expert Digitaal Nalatenschap. Hij kan Diannes verwanten toegang geven tot (gewiste) gegevens op haar smartphone en social media-profielen. Dit roept meteen ethische vragen op: heeft een gestorven persoon geen privacy meer? En mag dat domein dan ook toegankelijk worden gemaakt voor anderen?

Zulke vragen spelen op bij elk sterfgeval, maar worden extra pregnant bij iemand die haar (innerlijk) leven stelselmatig heeft afgeschermd en die nu, vanuit zeer begrijpelijke motieven overigens, en plein public wordt doorgelicht. Uiteindelijk levert Diannes telefoon daadwerkelijk informatie op over haar gemoedstoestand. Veenendaal gaat daar gelukkig prudent mee om, zodat Diannes privacy nog enigszins wordt gewaarborgd. Via allerlei vrolijke filmpjes, geprojecteerd op plekken waar ze thuis was, benadrukt hij bovendien het contrast tussen wat er in haar omging en hoe anderen haar kenden.

Wat uiteindelijk blijft hangen is een tamelijk treurig beeld van een jonge vrouw voor wie het leven een eenzame strijd moet zijn geworden, terwijl er in haar directe omgeving allerlei mensen klaarstonden om te helpen. Haar nabestaanden proberen daar, met behulp van een rouwtherapeut, een plek aan te geven.

Brandstof

July Film

Plotseling kwamen ze zonder Brandstof (25 min.) te zitten. Jong nog, in wat de bloei van hun leven had moeten zijn, in een enkel geval zelfs al op dertienjarige leeftijd, moesten ze noodgedwongen pas op de plaats maken. Een burn-out.

De één kijkt er in deze interviewfilm van Bo van der Meer en Roswitha de Boer-Zuiderveen met enige afstand op terug, een ander lijkt er nog heel dicht op te zitten. Volledig opgebrand. Terwijl het vuur juist zou worden opgepookt – of op zijn minst brandende moest worden gehouden. Teruggeworpen op zichzelf.

‘Ik wil zoveel doen, maar m’n lichaam laat het me gewoon niet doen’, zegt één van de zes sprekers, gezeten in een sobere studiosetting. ‘M’n hoofd laat het me ook gewoon niet doen. En, tuurlijk, ik had mezelf kunnen pushen, maar ik merkte gewoon dat het ‘not done’ was. Dat was niet iets wat ik m’n lichaam moest aandoen.’

De filmmakers presenteren de ervaringsverhalen van hun hoofdpersonen met een minimale, maar zeer smaakvolle omlijsting: fraaie gestileerde sequenties die een (te) prikkelrijk bestaan verbeelden, treffende muziek en een serie shots van hun personages in een omgeving waar ze zich wél senang lijken te voelen.

Tezamen vormen de getuigenissen een verhaal over deze tijd, waarin we veel vragen van elkaar en onszelf. En dan is het niet verwonderlijk dat sommigen van ons bezwijken onder de (zelf opgelegde) druk. Tegelijkertijd voegt Brandstof aan die allang bekende constatering nauwelijks nieuwe inzichten of bijzondere vergezichten toe.

De film is daarmee vooral een momentopname, van enkele jonge levens op, of net na, een breekpunt. En de vraag hoe het dan, daarna, verder moet.

Nikki

Videoland

Het lijkt soms een klein wonder als het wél goed gaat met Nikki (112 min.). In de jaren dat documentairemaker Monique Nolte (Het Beste Voor Kees) de tiener volgt zit ze namelijk voortdurend tussen twee vuren. Tussen vader Fred, die grote delen van haar leven buiten beeld is en meteen stress veroorzaakt als hij wel even, letterlijk, ‘in the picture’ verschijnt. En moeder Karin, die beslist het beste voorheeft met Nikki, maar ook kampt met borderline.

Op de basisschool gaat het desondanks best goed met het meisje. Ze krijgt een HAVO-advies en meldt zich vol goede moed op het Christelijk Lyceum Zandvliet in Den Haag. Daar blijven haar resultaten, mede door opvallend hoog verzuim, echter toch achter en begint al het tumult in haar jonge bestaan als KOPP-kind, een kind van ouders met psychische problemen, zich te wreken. Hoezeer Karin haar daartegen ook probeert te beschermen.

Monique Nolte nestelt zich met haar camera jarenlang in de omgeving van moeder en dochter en sluit ook aan bij sleutelmomenten op school of met hulpverleners. Zo vangt ze van zeer nabij de ontwikkelingen in het leven van de opgroeiende tiener. In dat opzicht doet Nikki enigszins denken aan Alicia (2017), de verpletterende film van Maasja Ooms over een meisje dat helemaal verdwaald raakt in de Nederlandse jeugdzorg, met buitengewoon tragische gevolgen.

Zo schrijnend is deze observerende documentaire niet – al komt ie soms gevaarlijk dichtbij. Nolte maakt ook uitgesproken artistieke keuzes: ze kiest bijvoorbeeld voor het incorporeren van geanimeerde sequenties, die droom- en angstbeelden van haar hoofdpersoon tastbaar maken. Het is de vraag of de film die nodig heeft. Bij sommige aangrijpende scènes kan de kijker zelf ook wel bedenken wat er in het hoofd van de puber omgaat.

Dit laat onverlet dat ook deze film regelmatig aanvoelt als een stomp in de maagstreek. Nikki moet zich door het ene na het andere loyaliteitsconflict banen en ervoor zorgen dat ze onderweg zichzelf niet kwijtraakt. Het is de tragiek van een jong meisje met een moeder die volgens eigen zeggen een gat van binnen heeft dat door anderen moet worden gevuld en een papa die niet weet hoe hij vader moet zijn. Hoe kan een kind in zo’n omgeving opgroeien tot een (psychisch) gezonde volwassene?

L’Amour La Mort

Doxy

Waarom aaien we zo graag een beest dat ons elk moment met huid en haar kan opvreten en weer uitspugen? In gewone mensentaal: waarom blijven we zo verslingerd aan de liefde, terwijl die ons intens pijn kan doen? In L’Amour La Mort (91 min.) exploreert Ramón Gieling twee kanten van dezelfde medaille: liefde en de dood.

Hoewel dat pas later duidelijk wordt, vertrekt hij daarbij vanuit een persoonlijk verhaal: de liefde van zijn broer Willem voor Mieke de Graan. Vanuit Spanje stuurt hij haar gepassioneerde brieven. Totdat het noodlot toeslaat. Gieling verweeft dit tragische verhaal met andere liefdesgeschiedenissen, zoals het relaas van de Belgische metrobestuurder Mohamed el Bachiri. Bij de terroristische aanslagen in Brussel van 2016 kwam zijn geliefde vrouw Loubna om het leven. Hij leeft nu met en zonder haar en schreef er onder andere het boek Een Jihad Van Liefde over.

Tijdens zijn met weelderige muziek en barokke taferelen aangeklede zoektocht doet Gieling ook Michel Guillot en zijn dementerende partner Stan Wouters aan. Die oogt tegenwoordig als een bejaarde peuter, routinematig kauwend op een tutteldoekje. Samen dromen ze weg bij hun favoriete nummer: Wonderful Life van Black. En Erando Gonzales wil dat zijn hart wordt overhandigd aan de liefde van zijn leven, Giovanna Mazotti. ‘Voor een laatste omhelzing. Om er een laatste kras op te geven. Het vast te grijpen en met een dierlijke kreet te verslinden.’

Gonzalez laat zich onder de loep nemen door cardioloog Ivo van der Bilt. Die doet onderzoek naar het gebroken hartsyndroom. Volgens hem heeft een gebroken hart een afwijkende hartslag. Klinisch psycholoog Freddy van der Veen onderzoekt dan weer romantische afwijzing en acceptatie. De jonge Litouwse vrouw Emilia Sabaliauskaite neemt bij hem deel aan een experiment, waarbij ze eerst moet laten weten of ze met een bepaalde man op date zou willen en naderhand wordt geconfronteerd met het antwoord dat hij op diezelfde vraag heeft gegeven.

Zo verkent het lyrische L’Amour La Mort op intuïtieve wijze alle uithoeken van liefde en lijden, waarbij Ramón Gieling nog een bijzondere plek inruimt voor de bekende Belgische psychiater Dirk de Wachter, een gekende expert op dit specifieke terrein. Sinds enige tijd weet hij ook uit eigen ervaring waar hij over praat. Alle verschillende bouwstenen bezorgen deze film uiteindelijk een filosofische en poëtische onderlaag, die vakkundig tot een climax wordt gebracht met een eindscène, waarin kinderen volkswijsheden bezigen over de liefde. Die zij zelf nog moeten gaan verkennen.

Als ze nog willen of durven.

Code Groen

Marjoleine Boonstra

‘Het is de bedoeling dat we dat er nu weer allemaal tussenuit gaan halen’, zegt Erwin terwijl hij met zijn ploeg van de Amsterdamse groenvoorziening een stadsperkje onkruidvrij probeert te maken. De mannen treffen van alles aan, constateren ze grappend: neutronenkorrels, scheurgras, rucola…. ‘Eigenlijk is niks onkruid, hè?’ constateert Erwin vervolgens droog. ‘Eigenlijk bestaat onkruid niet. Dat is door mensen bedacht.’

Daarmee heeft hij het, al dan niet bewust, ook over zichzelf. Erwin heeft volgens eigen zeggen een kort lontje, toch gauw een jaar of zes achter de tralies doorgebracht en nu z’n plek gevonden binnen Pantar. Andere medewerkers van deze sociale werkvoorziening zijn door schulden, verslaving of familieproblemen in de kantlijn van de samenleving beland. Via het werken in de groenvoorziening proberen ook zij nu de weg terug te vinden.

Begeleider Theo weet wat daarvoor nodig is. Hij kampte jarenlang met een gokverslaving en belandde zelfs op straat, maar wist uiteindelijk toch de weg omhoog weer te vinden. Zo brengen alle hoofdpersonen van Code Groen (71 min.), gestoken in die welbekende fluorescerende oranje pakken, hun eigen geschiedenis met zich mee en moet ze op weg naar een arbeidzaam bestaan nog de nodige hobbels nemen. 

Filmmaker Marjoleine Boonstra slaat dat proces van een afstandje gade, kleedt dit aan met sfeervolle muziek en laat de mannen (en een enkele vrouw, de Syrische vluchtelinge Amina) in een studiosetting aan het woord over hun verleden, heden en toekomst. Daarbij kijken ze van zeer dichtbij recht in de camera, alsof ze de buitenwereld even een blik in hun ziel gunnen. Dat werkt ontzettend ontwapenend.

Want ze mogen dan deel uitmaken van een kwetsbare groep die moeite heeft om aan te haken in de hedendaagse participatiesamenleving, het gaat ook om mensen die met wat steun en (zelf)vertrouwen verder kunnen reiken dan menigeen, op de eerste plaats zijzelf, had gedacht. In die zin is deze documentaire nauw verwant met Boonstra’s film Spiegeldromen (2018), over de aspiraties van jongeren uit het praktijkonderwijs.

En als de poging van een ‘Pantar’ om zich terug te werken in de maatschappij onverhoopt tóch dreigt te stranden, vindt die een begeleider zoals Marina aan z’n zijde, die weigert om hem los te laten. Als haar cliënt Anton, ondanks een vast contract, bijvoorbeeld dreigt af te haken, blijft ze hem ‘stalken’. Totdat hij ‘t toch weer gaat proberen. Daarmee wordt Code Groen een optimistische film, over een wereld(je) waarin iedereen een nieuwe kans verdient.

Crumb

David Lynch presents… a Terry Zwigoff film: Crumb (116 min.). Althans, met die boodschap begint deze klassieke documentaire uit 1994. In werkelijkheid zou de gevierde filmmaker helemaal niets hebben bijgedragen. Pas toen Crumb al volledig was afgerond, reageerde Lynch op een verzoek om een financiële bijdrage te leveren. ‘s Mans reputatie kon echter uitstekend worden ingezet om de documentaire te promoten.

Deze gevierde film wordt sowieso omgeven door mythen: regisseur Terry Zwigoff zou zijn vriend en hoofdpersoon, de Amerikaanse underground cartoonist Robert Crumb (Fritz The Cat, Mr. Natural en de slogan ‘Keep On Trucking’), hebben gedreigd met zelfmoord als hij niet wilde meewerken aan de productie. Dit broodje aap-verhaal bleek later per ongeluk in omloop te zijn gebracht door de befaamde filmcriticus Roger Ebert – al klopt het wel dat Crumb eigenlijk geen zin had in deze onthullende en verontrustende docu.

Zulke verhalen sluiten naadloos aan bij de aard van de film. Achter het Harold Lloyd-achtige uiterlijk van de hoofdpersoon en zijn ontwapenende glimlach gaat een onvervalste weirdo en provocateur schuil, wiens werk regelmatig met misogynie en racisme in verband is gebracht. Terwijl de kunstcriticus Robert Hughes niets minder dan een moderne Breughel of Goya ziet in Robert Crumb, ontwaren anderen toch vooral een vies, eng mannetje, dat zich (letterlijk) verlustigt aan zijn eigen afzichtelijke creaties.

Crumb wordt echt ongemakkelijk – en ontroerend en, op een vreemde manier, ook grappig – als de kunstenaar zijn familie opzoekt in Philadelphia. Daar woont zijn oudere broer en grote inspiratiebron Charles, zelf een getalenteerd tekenaar, in bij hun moeder Beatrice. Beiden kampen met ernstige psychische problemen, die luchtig worden besproken en consequent weggelachen. In een luizige hotelkamer in San Francisco treft Robert tevens zijn jongere broer Maxon die al even expliciete kunst maakt – en, dat ook, meermaals vrouwen heeft aangerand.

Of deze unheimische film ook een verklaring geeft voor al die zieke geesten in de Crumb-familie? Een begin ervan, misschien. Hun vader Charles, een marinier die ooit actief was als oorlogstekenaar, zou volgens zijn oudste zoon en naamgenoot ‘een sadistische bullebak’ zijn geweest. Maar of dat werkelijk een afdoende antwoord is? De slotsom is in elk geval helder: dit gezin is verworden tot een menselijk rariteitenkabinet (waarbij overigens moet worden aangetekend dat Roberts zussen Sandra en Carol niet aan het woord komen).

Uiterst accuraat schetst Crumb zo de context bij het oeuvre van een toonaangevende Amerikaanse kunstenaar, waarbij een sterke maag soms echt gewenst is en ’s mans werk hem, en ons, tevens lijkt te beschermen tegen grotere ellende.

M’n Beessie En Ik

Halal

Het is even proppen, maar dan heeft Frans, vernoemd naar kunstenaar Francis Bacon, in de openingsscène van M’n Beessie En Ik (77 min.) dan toch echt z’n plekje achter in de gele stationwagen gevonden. Eenmaal thuis, als hij gezellig met ‘eigenaar’ Kim op de bank zit, krijgt hij een lekker stukje fruit toegestopt. Het varken is zes jaar geleden bij haar, en haar toenmalige partner, ingetrokken. ‘We zien hem echt als onze dikke maat’, zegt ze. En hij heeft met zijn vaste routines ook wel wat weg van ‘een autistisch jongetje’.

Frans is één van de opmerkelijke ‘huisdieren’ in deze tragikomische film van regisseur Johan Kramer (Keeper), waarin allerlei exotische exemplaren en hun baasje worden gepresenteerd: de Afrikaanse reuzenslak (Her Majesty) Nokia, kapper Vico’s coole sfinxen, influencerkat Zappa (met meer dan 100.000 volgers op Instagram), de zingende Titanic-hond Mikey van een kwetsbare tiener en Dog Dance-kampioen Kamatz en zijn menselijke danspartner Wollie. En, natuurlijk, de vreemdste diersoort van allemaal: de mensch.

De Beessies worden grondig gehumaniseerd. Ontdierlijkt ook. Of simpelweg ontvleest. En de mensen aan hun zijde respectvol geportretteerd. Want hoewel een buitenstaander bij de aanblik van de koppels een milde glimlach soms misschien nauwelijks kan onderdrukken, of zelfs even hardop moet lachen, probeert Kramer nooit te scoren ten koste van zijn personages. Hij beziet hen met compassie en begrip en maakt zo inzichtelijk welke rol deze partner, ouder of nakomeling in dierenvermomming speelt in hun leven.

M’n Beessie En Ik wordt daarmee een soort zusterfilm van Heddy Honigmanns Buddy, over de symbiotische relatie tussen hulphonden en hun baasje. Deze dieren openen de wereld van hun menselijke vrienden, zorgen ervoor dat zij zich geaccepteerd voelen en geven hen een gevoel van veiligheid. Johan Kramer registreert dit zeer gestileerd, met fraaie totalen en extreme close-ups, waarbij hij echt héél dicht op de vacht zit. Met bijzondere aandacht ook voor de dierlijke communicatie – het knorren, spinnen, kwispelen – waaruit de goede verstaander nog heel wat kan afleiden.

Tegen dat gevoel van volledige geborgenheid kan klaarblijkelijk weinig op. Zoals Wollie, die enige tijd geleden is gescheiden, het treffend uitdrukt: ‘Ik heb ooit een sleutelhanger gekocht. En die tekst vond ik zo mooi: Onvoorwaardelijke liefde, hoe ziet dat eruit? Voor mij heel eenvoudig: vier poten en een snuit.’