Mijn Ouders Zijn Gescheiden – Seizoen 2

Zomer Zonder Jou / EO

Jaarlijks worden tienduizenden Nederlandse kinderen geconfronteerd met die ene mededeling waarop ze echt niet zitten te wachten: wij, de mensen die je op de wereld hebben gezet, gaan uit elkaar! En daarna is werkelijk alles anders, op zijn minst voor zover zij nu kunnen kijken. In het tweede seizoen van Mijn Ouders Zijn Gescheiden laten vier jonge documentairemakers hun licht schijnen op hoe kinderen de split tussen de twee belangrijkste mensen uit hun bestaan verwerken en de uitdagingen die ze daarbij tegenkomen.

‘Als ik bij jou ben, mis ik mama’, schrijft Julie (10) bijvoorbeeld vanaf de éénoudercamping Le Gibanel in de Franse Dordogne aan haar vader. ‘En als ik bij mama ben, mis ik jou.’ Het wordt weliswaar een Zomer Zonder Jou (15 min.) in deze idyllische film van Milou Gevers (Waarom Bleef Je Niet Voor Mij?), maar mét andere kinderen die ook zonder één van hun ouders op vakantie zijn. Terwijl ze genieten van allerlei activiteiten, babbelen de kids ongedwongen over de echtscheiding – en de nieuwe partners die daarna in het spel zijn gekomen. De vakantie geeft hen de gelegenheid om deze vreemde realiteit te accepteren en even onbekommerd lol te maken.

Boos Enzo (15 min.) laat een ander aspect van echtscheiding zien: boosheid. Sinds z’n ouders uit elkaar zijn schiet de dertienjarige Enzo regelmatig flink uit zijn slof. Hij gaat erover in gesprek met een hulpverleenster, slaat zo nu en dan eens lekker tegen een boksbal aan en krijgt een vogel, Flip, die zijn zachte kant naar voren moet halen. Regisseur Nicky Maas volgt de jongen op de voet, vangt zijn opgekropte gevoelens en omkleedt dit microverhaaltje met quotes van enkele andere kinderen over hun huisdier. Via hen leren ze zichzelf een heel klein beetje beter kennen en hopelijk hun eigen gevoelens accepteren.

Nadia Shah portretteert in Rocó & Noï (15 min.) twee achtjarige vriendinnen. ‘Wij gaan niet scheiden zoals mijn ouders’, schrijft Noï aan Rocó. Later vraagt ze: heb je soms het gevoel dat je moet kiezen tussen papa en mama? Nee, knikt Rocó, terwijl ze enthousiast aan een ‘hoorn vanille’ likt. ‘Ik soms wel een beetje’, legt Noï uit. ‘Vooral met vakanties. En dat is al twee keer gebeurd. Dat was het stomste van m’n hele leven.’ Even later, in dit vlotte en vrolijk vormgegeven dubbelportretje, schrijft Rocó aan Noï dat ook haar ouders nu uit elkaar gaan. Ze wil er eigenlijk niet over praten. Terwijl de twee lekker spelen grijpt het meisje echter tóch de kans om ‘de emoji’s in haar lichaam’ eruit te laten bij haar vriendinnetje.

In Kleine Baas (15 min.) vertelt knuffel Walter het verhaal van zijn baasje Valentino, een achtjarig joch dat maar moeilijk kan accepteren dat hij zijn zusjes zo weinig ziet sinds hij met zijn vader ergens anders is gaan wonen. In deze speelse film van Soraya Pol bezoekt Valentino een kindercoach, om beter te leren omgaan met zijn boze buien. In dat kader heeft zij een lumineus idee. Juist: Walter. Zodat hij Valentino kan helpen als hij weer eens woest wordt op de wereld. Walter, waarvan de stem verdacht veel lijkt op die van rapper Rico, helpt de achtjarige jongen om te benoemen wat hem dwarszit en te vragen wat hij wil weten, bijvoorbeeld wanneer zijn vader voor het laatst heeft gehuild.

Zo wordt in deze kleine impressies uit kwetsbare kinderlevens groot leed teruggebracht tot behapbare proporties. Zodat de hoofdpersoontjes hun leven met – en soms ook tussen – twee ouders kunnen vervolgen.

Eerder verscheen er al een eerder seizoen van Mijn Ouders Zijn Gescheiden.

Ouwehoeren

VPRO

‘Zit er wel zaad in die ballen, of niet?’ vraagt Martine aan haar klant. ‘Jawel’, antwoordt die geruststellend. ‘Oeps, wacht even’, constateert de ervaren Amsterdamse prostituee daarna, met een massagestaaf in haar handen. ‘De batterij is op.’ Als dat probleem even later is verholpen, kan ze eindelijk aan de slag. ‘Hup Marjanneke, stroop in het kanneke’, zingt ze. ‘Laat de poppetjes dansen… voor meneer Jansen.’

Even daarvoor heeft Martine, die de 65 al even is gepasseerd, nog tevergeefs op haar raam staan kloppen. Het leverde haar vooral hoongelach op van passanten. ‘Wat een lol!’ reageert ze geïrriteerd. ‘Tegenwoordig hebben ze allemaal commentaar. Kijk ze lachen. Het zijn zelf allemaal oliebollen en ze hebben op jou commentaar.’ Martine moppert verder, met onmiskenbaar Amsterdamse tongval. ‘Want je mag niet meer oud zijn tegenwoordig. Vroeger zaten hier allemaal oudere vrouwen. Heel gewoon. Die moesten toch ook leven? Die hadden geen sociale voorzieningen, hoor. Helemaal niks.’

Terwijl Martine, ook gedwongen door de omstandigheden, blijft pezen op de Wallen, is haar tweelingzus Louise inmiddels met pensioen. Reuma. In haar flatje in IJmuiden wacht ze haar zus en hartsvriendin op, om samen wat te schilderen en lekker te ouwehoeren over het vak, waarin ze ooit min of meer tegelijkertijd, zo’n halve eeuw geleden, verzeild zijn geraakt. Dat was niet eens zozeer een keuze. Gewoon een kwestie van een foute kerel en meer kinderen dan geld. En binnen de kortste keren kent de hele omgeving je dan als hoer en is er eigenlijk geen weg meer terug.

Als de eeneiige tweeling over dat verleden spreekt, verhalen die worden geïllustreerd met talloze foto’s en filmpjes, dan sluipt er zowaar soms wat echt ongemak in deze veelal licht getoonzette film van Rob Schröder en Gabrielle Provaas. Want dit dubbelportret uit 2011 wil nadrukkelijk geen klaagzang worden. Ouwehoeren (Engelse titel: Meet The Fokkens, 80 min.) concentreert zich liever op de verbazing, charme en gulle lach die ook horen bij de rosse buurt – al kunnen de nadelen van achter het raam zitten en de vooroordelen daarover natuurlijk niet geheel onbesproken blijven.

Die luchtige insteek is zeker tegen de film in te brengen, maar tegelijkertijd waarschijnlijk ook een verklaring voor het succes ervan. De zussen Fokkens, die vaak nog altijd dezelfde kleding dragen, krijgen de kans om zich in Neerlands hart te nestelen als representanten van het geromantiseerde Mokum dat ook in docu’s, getuige bijvoorbeeld Foute Vrienden en de Hazes-film, geliefd blijkt. Via expliciete en toch bijna aandoenlijke seksscènes met geanonimiseerde mannen, grappige anekdotes en nostalgische (accordeon- en draaiorgel)muziek wordt dat nog maar eens benadrukt.

Ouwehoeren wordt zo een ongegeneerde ode aan het oudste beroep van de wereld en de traditionele ambachtslieden daarvan, die ’t niet van zijn diepgang moet hebben, maar schaamteloos appelleert aan het grote publiek.

American Manhunt: The Boston Marathon Bombing

Netflix

De zoektocht naar de daders wordt ditmaal niet belemmerd door te weinig bewijsmateriaal. Van de bomaanslagen tijdens de marathon van Boston op 15 april 2013 zijn in eerste instantie simpelweg juist veel te veel beelden. Er zijn zoveel foto’s en filmpjes dat de politie niet weet waar ze ‘t moet zoeken. Pas als het materiaal van verschillende camera’s wordt gecombineerd, vindt het onderzoeksteam toch een aanknopingspunt: een jonge man die nonchalant een rugzak achterlaat. En, even later, een andere man die met in contact hem lijkt te staan. Daar stokt het onderzoek echter weer: wie zijn deze twee kerels?

Als de politie, FBI en officier van justitie in arren moede maar besluiten om de beelden van Verdachte 1 en Verdachte 2 vrij te geven, ontstaat er een ongekende klopjacht op de twee mannen, die simpelweg bekend komen te staan als ‘Zwarte pet’ en ‘Witte pet’. Gedurende enkele dagen zijn zij de meest gezochte personen van de Verenigde Staten. Intussen gaat het geschokte Boston in lockdown. Totdat de jacht, na ruim honderd uur, voor het oog van de natie uitmondt in een dramatische shootout. Die periode van dik vier dagen wordt in de driedelige serie American Manhunt: The Boston Marathon Bombing (177 min.) gereconstrueerd met de kopstukken van die jacht en de politieagenten en gewone inwoners van Boston die de twee verdachten meesleuren in hun vlucht.

Gaandeweg worden zij geïdentificeerd als de Tsjetsjeense broers Tsarnaev. Dan zoomt regisseur Floyd Russ ook verder in op hun achtergrond en probeert hij met mensen uit de directe omgeving van de twee islamitische bommenleggers vat te krijgen op hun achtergrond en beweegredenen, zowel persoonlijk als politiek en religieus. Zo ontstaat een behoorlijk complete reconstructie van de terreuraanslag en de dramatische afwikkeling daarvan, waarin alleen relatief weinig aandacht is voor de slachtoffers. Russ heeft duidelijk meer interesse voor het kat- en muisspel tussen Tamerlan en Dzhokhar Tsarnaev en de autoriteiten, dat met een vette montage van nieuwsbeelden en ferme quotes van insiders kan worden omgevormd tot een enerverende race tegen de klok.

Waarna het alleen nog de vraag is of de twee broers als ‘lone wolves’ opereerden of toch onderdeel waren van een groter netwerk. Duidelijk is dat zij met hun heilloze missie niet alleen talloze onschuldige levens hebben verminkt, maar ook de positie van moslims in de Verenigde Staten ernstig hebben beschadigd.

Jason Isbell: Running With Our Eyes Closed

HBO Max

Je imago beheersen is het tegenovergestelde van kunst maken, zegt Jason Isbell aan het begin van de documentaire Jason Isbell: Running With Our Eyes Closed (94 min.). Moet dat worden opgevat als een sneer naar al die artiesten die een opgepoetste promotool, vermomd als documentaire, de wereld insturen? En heeft hij regisseur Sam Jones dan wél de vrije hand gegeven bij dit portret van hem, de Amerikaanse singer-songwriter die toevallig binnenkort ook een nieuwe plaat aflevert?

Dat album heet overigens Weathervanes, maar daarover gaat deze docu dan weer niet. Die behelst de opnames voor Isbells vorige plaat Reunions uit 2020. Als je ’t nog begrijpt. ‘Mijn liedjes gaan over dingen die onder de oppervlakte van m’n geest zitten’, zegt de songschrijver, bedachtzaam formulerend, over het werk dat voor hem is te vergelijken met het bijhouden van een dagboek. ‘Voor mij is het belangrijk om er een rock & roll-album over te maken, omdat je je publiek niet het idee wilt geven dat ze met een zelfhulpboek staan mee te zingen.’

Daarbij weet hij echtgenote Amanda Shires (zang/viool) aan zijn zijde. Hij had net een wilde periode achter de rug, met de band Drive-By Truckers, toen ze iets kregen met elkaar. Sterker: Shires liet manlief eerst een SOA-test doen voordat ze besloot om met hem in zee te gaan. ‘Die heeft een jaar aan de koelkast gehangen’, vertelt zij erbij. Inmiddels zijn de twee al een hele tijd samen. ‘Ze geeft me het gevoel dat ik geen outcast ben’, zegt hij. ‘Een deel van mij had altijd het gevoel dat ik hier niet thuishoor. Als zij me het gevoel geeft dat ik er wél bij hoor, kan ik me overal thuis voelen.’

De opnames voor zijn plaat Reunions – want deze docu bestaat dus, vreemd genoeg, vooral uit materiaal uit de (pré-)Coronaperiode – zorgen desondanks voor een serieuze huwelijkscrisis. Amanda Shires begint zelfs serieus te denken aan relatietherapie. Want Jason loopt permanent gestrest rond. En dat doet weer denken aan de tijd dat zijn eigen ouders uit elkaar gingen. Hij werd daar een ‘angry young man’ van. Tijdens zijn jaren bij Drive-By Truckers, waarop zijn voormalige maatje Patterson Hood in dit portret met gemengde gevoelens terugkijkt, zoop hij zich zowat naar de kloten.

Daarna heeft Jason Isbell zichzelf, met de hulp van zijn vrouw, weer opgeraapt. Voor Jones’ camera lijkt die relatie nu echter op knappen te staan. Waarbij hun liefde de muzikale samenwerking belemmert – en die weer lijdt onder hun privébesognes. Cru gesteld: zulke persoonlijke malheur, zeker als die van zo dichtbij is vastgelegd, kan een goede voedingsbodem zijn voor waardevolle kunst. Of het nu gaat om een documentaire (inderdaad: méér dan zomaar een promofilm) of om doorleefde Americana-muziek (het album Reunions, dat binnenkort dus een opvolger krijgt: Weathervanes).

L’Affaire D’Outreau

L’ AFFAIRE D’ OUTREAU

Alleen het drinken van het bloed van hun slachtoffers ontbreekt. Verder zou het pedonetwerk dat aan het begin van de 21e eeuw in de Noord-Franse gemeente Outreau wordt opgerold zomaar afkomstig kunnen zijn uit de eerste de beste complottheorie. Ga maar na: een gewelddadig en geperverteerd echtpaar uit een grauwe achterstandsflat, een hele stoet doortrapte handlangers uit de bijbehorende probleemwijk Tour du Renard, volledig ontsporende ‘feestjes’, concrete verklaringen over stuitend misbruik door hun eigen (stief)zoons en talloze andere kinderen uit de directe omgeving én internationale verspreiding van het beeldmateriaal daarvan. En dan blijkt er ook nog een onbekend vijfjarig meisje te zijn vermoord, afkomstig uit het België van Dutroux.

De jonge onderzoeksrechter Fabrice Burgaud lijkt op ‘de zaak van de eeuw’ te zijn gestuit en laat in totaal zeventien mensen vastzetten. Maar zijn ze wel schuldig? Wat is er werkelijk gebeurd? Is er überhaupt iets gebeurd? Olivier Ayache-Vidal en Agnès Pizzini trekken L’Affaire D’Outreau (198 min.) in deze vierdelige hybride van docu en drama helemaal leeg met een paar slachtoffers, enkele verdachten, hun advocaten, politiemensen en journalisten. De geruchtmakende zaak staat of valt bij de bloemrijke verklaringen van Myriam Badaoui, de moeder van het probleemgezin. Die beginnen met beschuldigingen tegen haar echtgenoot Thierry Delay, een dronkelap met perverse neigingen, en zullen gaandeweg steeds meer mensen uit hun directe omgeving gaan bevatten.

Als die tijdens uitgebreide politieverhoren ook zelf belastende verklaringen afleggen, die bovendien lijken te worden bevestigd door allerlei kinderen, is het spel op de wagen. Ayache-Vidal en Pizzini brengen dit bijzonder ingenieus in beeld met nagespeelde politieverhoren en rechtbankzittingen, gebaseerd op de officiële verslagen daarvan. In een slim geconstrueerd decor, dat vreemd genoeg aan zowel The Garry Shandling Show als Lars von Triers Dogville doet denken, worden niet alleen cruciale gebeurtenissen gereconstrueerd met acteurs, maar lopen ook de echte personen rond. Zij geven hun alter ego’s tips over wie zij destijds waren en hoe ze zich toen voelden en leveren commentaar op de scènes die zich voor hun ogen afspelen.

Die artistieke keuze zorgt voor een onweerstaanbaar Droste-effect en geeft de verhoren, waarin tunnelvisie en suggestie echte waarheidsvinding in de weg lijken te hebben gestaan en verdachten slim tegen elkaar worden uitgespeeld, tegelijkertijd extra authenticiteit. Gewone mannen worden plotseling behandeld als kinderverkrachter. ‘De politie was erop gericht om je te laten bekennen’, vertelt Alain Marécaux, een plaatselijke deurwaarder die door diepe dalen gaat. ‘Op een gegeven moment staan er dan vijf of zes van hen tegen je te gillen, krijsen en schreeuwen. Ze willen dat je zegt wat zij willen horen.’ Voor Marécaux is de zaak extra pijnlijk: hij is in de problemen gekomen door een verklaring van zijn eigen zoon François-Xavier. En die heeft daarover een enorm schuldgevoel.

Met zulke schrijnende verhalen, geïllustreerd met archiefmateriaal van de gigantische mediahype rond het pedofielennetwerk en dramatische beelden van de definitieve ontmanteling van de Tour du Renard-flatgebouwen in latere jaren, maakt deze superieur vertelde miniserie tastbaar hoeveel leed L’Affaire D’Outreau heeft veroorzaakt. Bij mannen die verdacht werden van zo’n beetje het ergst denkbare misdrijf en in de gevangenis letterlijk werden bespuugd. Bij advocaten die machteloos moesten toezien hoe hun cliënten – soms tegen elke logica in en meestal zonder enig fysiek bewijs – werden veroordeeld. En bij de betrokken kinderen, die het contact met hun ouder(s) verloren, verdwenen naar pleeggezinnen en/of zich soms nog altijd niet gehoord voelen.

Want ook dat lijkt een onvermijdelijk gevolg van ‘Outreau’: als alle rook is opgetrokken overheerst niet alleen het gevoel dat deze zaak wel héél veel verliezers kent, maar ook dat er nog altijd vragen onbeantwoord zijn gebleven. En zoals dat gaat bij kwesties die een heel volk in beroering brengen, kunnen die zomaar een voedingsbodem vormen voor nieuwe verhalen.

Begin 2024 verscheen er op Netflix nog een serie over De Zaak Outreau: Outreau: Un Cauchemar Français.

Hopper: An American Love Story

Exhibition On Screen

Misschien is dit het verhaal. Van Edward Hopper (1882-1967), één van de grootste Amerikaanse kunstenaars van de twintigste eeuw. Een schilder die, vanuit zijn eigen bubbel, de ziel van zijn land op het canvas wist te krijgen. Een verdwenen Amerika, nog nét niet vergeten. Waar geen zwarte Amerikanen schijnen te bestaan. Net als groepen mensen. ‘s Mans wereld wordt vrijwel alleen bevolkt door eenlingen. Zijn iconische schilderijen lijken doortrokken van een gevoel van opperste eenzaamheid.

Een verhaal – over een man, een kunstenaar, een oeuvre – dat wordt verteld door biografen, connaisseurs en curatoren. Exact de ‘high brow’-kenners die je in een portret van een belangwekkende kunstenaar verwacht. Hun zorgvuldig geformuleerde observaties en conclusies worden, natuurlijk, geïllustreerd met ’s mans filmische schilderijen. Die in Hopper: An American Love Story (52 min.) natuurlijk ook zeer accuraat worden geduid, vergeleken en geprezen. 

De persoon Edward Hopper, een man die volgens mensen die het kunnen weten was ‘geboren om kunstenaar te worden’, komt zelf aan het woord via een enkel bewaard gebleven interview op beeld en de gedachten die hij ooit op papier zette en die nu zijn ingesproken door stemacteur Glen McCready. ‘Ik wou dat ik nog meer kon schilderen’, verzucht die bijvoorbeeld. ‘Ik word doodmoe van lezen en naar de film gaan. Ik zou veel liever de hele tijd schilderen.’

Het was geen vrolijke man, zoveel wordt uit alle verhalen wel duidelijk. Een eenzaat en brompot zelfs. Zijn echtgenote Josephine Nivison Hopper, zelf ook kunstenaar, had getuige haar eveneens voorgelezen dagboeken heel wat te stellen met haar ‘E.’, die ze op goede momenten ook nog wel eens ‘Eddy’ noemde. Hopper was nu eenmaal geen mensenmens. Hij verdween liever in zijn werk, zoals één van de sprekers in deze tv-docu van Phil Grabsky het formuleert.

Misschien is dit inderdaad het verhaal: van een man die leeft voor en door zijn kunst. Het wordt in dit portret alleen wel erg braaf verteld, een tikkeltje saai zelfs – al kan de Hopper-veteraan of -novice vanzelfsprekend zijn ogen uitkijken bij zijn tijdgebonden en toch tijdloze oeuvre.

Hearts And Minds

Military Report

Als er één land met zelfvertrouwen uit de Tweede Wereldoorlog is gekomen, dan moet het de Verenigde Staten zijn. Het idee van Amerika als politieagent van de wereld heeft zich dan stevig in het collectieve zelfbeeld vastgezet. Een militaire kracht ten positieve. Onoverwinnelijk. En voortgedreven door hoogdravende idealen.

Deze Oscar-winnende anti-oorlogsfilm uit 1974, waarin Amerika’s tragische exercitie in Vietnam wordt belicht, maakt voor eens en altijd korte metten met dat idee. Het superioriteitsgevoel van de VS – op een treffende manier belichaamd door fier zingende soldaten uit de musical This Is The Army, die beweren dat ze ‘dressed up for victory’ zijn en beslist ‘won’t stop winning’ – wordt door regisseur Peter Davis op alle mogelijke manieren uitgekleed. Tot er niet veel meer rest dan militair jargon als ‘kill ratio’, ‘free fire zones’ en ‘search & destroy’. Of, zoals Amerikaanse Vietnam-veteranen hun modus operandi tegenover elkaar kortweg samenvatten: ‘kill some gooks’.

Davis start bij het begin. ‘Ons idee over vooruitgang beperkt zich niet tot ons eigen land’, zegt de Amerikaanse president Harry Truman (1945-1953), met gevoel voor understatement. ‘Dat delen we met mensen in de hele wereld.’ Zijn woorden worden direct gevolgd door bombardementen en beschietingen in Vietnam. Die beelden zijn een logisch gevolg van de acties van Trumans opvolgers. Van Eisenhouwers domino-theorie, dat de hele wereld direct communistisch wordt als ze Vietnam laten vallen, via Kennedy’s eenzijdige blik op het licht aan het eind van de tunnel tot Johnsons larmoyante betoog dat ze de Hearts And Minds (112 min.) van de plaatselijke bevolking moeten winnen.

Tegenover verdedigers van die doctrine, zoals ideoloog Walt Rostow, generaal William Westmoreland en de voormalige krijgsgevangene George Coker, plaatst Davis enkele landgenoten met gewetensbezwaren, een dienstweigeraar én defensieanalist Daniel Ellsberg, die geheime documenten over de oorlog lekte, de Pentagon Papers. Ellsberg windt er geen doekjes om: ‘We willen er niet aan dat dit onze oorlog is, want dat zou inhouden dat we moeten erkennen dat de slachtoffers die aan beide zijden zijn gevallen een gevolg zijn van ons eigen beleid en dat we misschien aan de verkeerde kant vechten. Wij vechten niet alleen aan de verkeerde kant, wij zíjn de verkeerde kant.’

Voor die stelling is zonder al te veel moeite bewijs te vinden. Davis laat vaak eerst de arrogante onwetendheid van Amerikaanse beslissers zien en daarna de dood en destructie die zij aan het andere eind van de wereld zaaien. Gewone Vietnamezen tonen vervolgens wat er werkelijk in hun harten en hoofden omgaat en hoe ze kapot gaan van verdriet om wat er bij hen, in hun familie of onder hun volk is aangericht. ‘De Oriëntaal hecht nu eenmaal niet zoveel waarde aan het leven’, bestaat William Westmoreland, die vier jaar lang bevelhebber van de Amerikaanse troepen in Vietnam was, ‘t desondanks te zeggen. ‘Het leven is overvloedig en goedkoop in de Oriënt.’

Intussen blijft de Amerikaanse generaal ziende blind en horende doof voor de rol die hij en de zijnen daarin hebben gespeeld – en die glashelder is voor iedereen die dit krachtige schotschrift tegen Amerika’s brute oorlogsdrift heeft gezien.

Pretty Baby: Brooke Shields

Hulu

Moet Pretty Baby worden beschouwd als kritiek op het seksualiseren van jonge meisjes? Of is Louis Malles speelfilm uit 1978, over een bordeel in New Orleans aan het begin van de twintigste eeuw, daarvoor veel te ambigu?

Feit is dat de elfjarige Brooke Shields, die in Pretty Baby letterlijk als maagd wordt geserveerd aan een groep begerige mannen en vervolgens per opbod wordt verkocht, het imago van (veel te) jeugdige verleidster overhield aan de film. Zij deed daarin een kusscène, vertelt de Amerikaanse actrice in de tweedelige documentaire Pretty Baby: Brooke Shields (140 min.), terwijl ze in werkelijkheid nog nooit een jongen had gezoend. Haar tegenspeler Keith Carradine, maar liefst zestien jaar ouder, probeerde haar gerust te stellen: ‘Hee, weet je wat? Deze telt niet, we doen alleen net alsof.’

Enkele jaren later mocht de hele wereld getuige zijn van Shields’ seksuele volwassenwording – althans, dat was de suggestie – in de Adam & Eva-achtige film The Blue Lagoon (1980), waarin ze met een helblonde jongen (Christopher Atkins) de liefde leert kennen op een exotisch eiland. Ze was op dat moment vijftien jaar oud en volgens eigen zeggen nog zo groen als gras. Als het ‘sekssymbool’ vervolgens in Endless Love (1981) de liefde moet bedrijven en niet overtuigend genoeg extase acteert, schroomt regisseur Franco Zeffirelli niet om in de teen van de dan zestienjarige actrice te knijpen.

Brooke Shields wordt zo het gezicht van een tijdsgewricht met een andere seksuele moraal, waarin jonge meisjes ongegeneerd als lustobject worden geportretteerd. Die Lolita-fixatie vormt het uitgangspunt voor het eerste deel van deze tweedelige documentaire van Lana Wilson, waarin tevens de getroebleerde relatie met haar alleenstaande, drankzuchtige moeder en manager Teri centraal staat. In werkelijkheid behoudt Shields al die jaren haar onschuld. Zodat ze enige jaren later, in de puriteinse Reagan-jaren, zowaar een symbool van zelfverkozen maagdelijkheid kan worden.

Met dat beeld, van het eeuwig onschuldige jonge meisje, trapt het tweede deel af, waarna de actrice in zowel een carrièrecrisis als #metoo-situatie belandt en zich losmaakt van haar moeder door in een andere ongezonde relatie te stappen, met tennistopper Andre Agassi. Pas later vindt ze haar stiel en de ware liefde. Pretty Baby heeft dan wel iets van zijn oorspronkelijke glans verloren, als de vertelling een wat meer particulier karakter krijgt en ook wel verdacht veel begint te lijken op een klassiek held(in)-overwint-elke-tegenslag-en-komt-er-als-een-herboren-mens-uit verhaal.

Aan het eind van dit (zelf)portret wordt Brooke Shields thuis aan tafel door haar dochters geconfronteerd met Pretty Baby. Volgens hedendaagse maatstaven is die niet oké, vindt Grier. ‘Zitten er naaktscènes in?’ wil Rowan weten. Ja, van mijn elfjarige ik, antwoordt haar moeder. Dat zou nu worden beschouwd als kinderporno, denken de dochters, en is in elk geval niet te vergelijken met wat zij als tiener, helemaal zelf, soms op TikTok of Instagram posten. Waarna de kloof die even dreigt te ontstaan tussen twee verschillende generatie Shields-vrouwen even snel als moeiteloos wordt gedicht.

Want zelfs in Hollywood geldt: blood is thicker than water.

Lewis Capaldi: How I’m Feeling Now

Netflix

Hij heeft vrienden die grafdelver, dakdekker of recruiter zijn geworden. Twee anderen spelen in zijn band. Want Lewis Capaldi, een guitig joch uit het Schotse dorp Whitburn, is uitgegroeid tot een wereldberoemde zanger. Van zijn debuutalbum Divinely Uninspired To A Hellish Extent (2019), met de hit Someone You Loved, zijn inmiddels meer dan tien miljoen exemplaren verkocht.

Nu moet er een opvolger worden geproduceerd. De altijd moeilijke – cliché-waarschuwing! – tweede plaat. Die moet aantonen dat Lewis géén eendagsvlieg is. Dat hij onder druk kan presteren. Dat hij op commando hits, hits, hits! kan produceren. En filmmaker Joe Pearlman mag dit vanaf de eerste rij aanschouwen voor de documentaire Lewis Capaldi: How I’m Feeling Now (97 min.).

Vanaf het begin zit de druk er goed op bij de Schotse singer-songwriter. Voortdurend wordt er vanuit zijn professionele entourage benadrukt hoeveel albums en singles hij heeft verkocht, welke plaats die bereikten in de hitlijsten en hoe vaak hij in totaal is gestreamd. Als Capaldi al geen last had van het ‘imposter syndrome’ en schrijverspaniek, dan zou hem dat al snel worden aangepraat.

Op een gegeven moment heeft hij, samen met allerlei ingevlogen songschrijvers, toch maar liefst 54 kant en klare liedjes afgeleverd. Als hij in de opnamestudio een voorbeeld laat horen, is de eerste vraag die bij zijn manager Ryan Walter opkomt: ‘Wat vinden we? Is het zo een hitsingle?’ Toetsenist en ‘musical director’ Aiden Halliday reageert met een gepijnigde glimlach: ‘Wat een vraag, Ryan.’

‘Maar dat zijn de vragen die we moeten beantwoorden’, riposteert Walter. ‘Het heeft niet dezelfde aantrekkingskracht als Someone You Loved’, moet Halliday bekennen. Dit gesprek wordt gevoerd in aanwezigheid van de verantwoordelijke artiest, die zelf ook kritisch is. ‘Mensen houden van dingen die hetzelfde klinken’, stelt Capaldi’s manager nog. ‘Willen ze hetzelfde, maar beter, of hetzelfde?’

Het is een pijnlijke scène: de jongen die ooit onbekommerd zijn hart uitstortte op zang en gitaar dreigt vermalen te worden door de machinerie die rond hem is ontstaan. Scoren moet hij! En dat gevoel wordt alleen maar sterker naarmate de albumrelease dichterbij komt en Capaldi om de tafel moet met allerlei types uit de popbusiness. Dan spelen zijn paniekaanvallen en tics steeds nadrukkelijker op.

Dit portret maakt dat ongemak invoelbaar, maar heeft tegelijkertijd zelf ook iets ongemakkelijks. Want dat persoonlijke verhaal, en de daaraan verbonden diagnose Gilles de la Tourette, wordt nadrukkelijk ingezet om de doorstart van Lewis Capaldi’s carrière kracht bij te zetten en zijn tweede album Broken By Desire To Be Heavenly Sent, dat er op 19 mei dus gewoon gaat komen, aan te keilen. 

Deze documentaire wordt daarmee toch weer eerst en vooral een promoproduct, waarbij het kwetsbare persoonlijke relaas van de artiest slim wordt uitgevent om een ‘verhaal’, en daarmee aandacht, te creëren rond zijn muziek.

Sirens

Oscilloscope Laboratories

Ze móeten wel sletten zijn. Hoeren. Of simpelweg een gruwel Gods. Je zou kunnen zeggen: ze vragen er zelf om met hun geverfde haren, tattoos en Slayer- en Judas Priest-shirts. Wie begint er nu een trash metalband in Libanon? Met een gruntzanger(es), nota bene. En een, dat ook, volledig vrouwelijke bezetting.

Het hart van de groep wordt gevormd door twee gepassioneerde gitaristen: Shery Bchara (lead) en Lilas Mayassi (ritme). Zij kunnen doorgaan voor de Lennon en McCartney – herstel: de Hetfield en Ulrich – van Slave To Sirens. Met net zulke epische ruzies als het centrale duo van Metallica. Daar zit overigens een verhaal achter: een liefdesverhaal, om precies te zijn. Zonder dat de andere bandleden daarvan op de hoogte zijn krijgen de twee iets met elkaar.

Totdat Lilas in Sirens (79 min.) een steen in de vijver gooit en haar zinnen zet op een ander. Ze ontmoet de Syrische Alaa, die al snel overkomt naar Beiroet en daar moet worden voorgesteld aan haar ouders. ‘Als ze vragen hoe we elkaar hebben ontmoet, zeg dan dat we elkaar zijn tegengekomen bij mijn eerste bezoek aan Syrië en toen vrienden zijn geworden’, houdt Lilas haar voor. ‘Oké? Hou het kort.’ En, als ze bijna binnen zijn: ‘Let op dat je me geen schatje noemt.’

Intussen is de sfeer binnen Slave To Sirens, dat al eens mocht optreden tijdens het Britse Glastonbury-festival, te snijden. De band stevent onvermijdelijk af op een pijnlijke breuk, terwijl intussen op de achtergrond ook Libanon zelf richting een burgeroorlog lijkt te koersen. Documentairemaker Rita Baghdadi brengt die twee verhaallijnen – de ontwrichting van de band en de ontsporende protesten tegen de Libanese regering – soepel samen.

Zo ontstaat een levendig portret van een wereld die letterlijk ieder moment in vuur en vlam kan komen te staan en waarin je je als buitenbeentje – vrouwelijke metalhead en vrouw die valt op vrouwen – maar staande hebt te houden. Gelukkig leent de muziek van Slave To Sirens zich er prima voor om dat er soms eens ongegeneerd uit te gooien.

Boom! Boom! The World vs. Boris Becker

Apple TV+

Twee keer heeft Alex Gibney de voormalige toptennisser Boris Becker gesproken voor dit portret, vertelt hij aan het begin van Boom! Boom! The World vs. Boris Becker (212 min.): in 2019, op 51-jarige leeftijd, als de drievoudige Wimbledon-winnaar net vanwege mogelijke fraude in het vizier van justitie is gekomen. En drie jaar later, in het voorjaar van 2022, enkele dagen voordat hij daadwerkelijk de gevangenis in moet. Ze ogen als twee verschillende mensen: een goed geconserveerde charmeur versus een gebroken mens, een oudere man ineens, met waterige ogen, die maar niet kan begrijpen wat hem is overkomen.

De eerste Boris Becker heeft duidelijk de overhand in het eerste deel van deze tweedelige documentaire, waarin Alex Gibney de start van zijn carrière doorlicht. Van zijn eerste overwinning op Wimbledon in 1985 als zeventienjarige serve & volley-speler tot het moment dat hij de nummer 1-positie op de wereldranglijst claimt, na een heroïsche overwinning op Ivan Lendl tijdens de Australian Open van 1991. Behalve de voormalige tennistopper komen daarbij ook Beckers ex-vrouw Barbara, legendarische manager Ion Tiriac en opponenten als Björn Borg, John McEnroe en Mats Wilander aan het woord – ook over de sport tennis zelf, een grote liefde van Gibney.

De eerste helft van deel 2 benut hij voor de nazomer en herfst van Beckers carrière, waarin hij er een sport van maakt om overwinningen voor de poorten van de hel weg te slepen. Die wedstrijden worden door Alex Gibney, met behulp van een zeer uitgesproken soundtrack, weergegeven als shootouts in een spaghettiwestern. Wanneer de situatie hopeloos lijkt, haalt Boom Boom Boris het allerbeste in zichzelf naar boven. De filmmaker ziet er een metafoor in voor het leven van zijn protagonist. Eerst laat hij de boel volledig ontsporen, om de zaak daarna alsnog vlot te trekken en als een Houdini te ontsnappen – of er op zijn minst een goed verhaal aan over te houden.

Want Alex Gibney herkent ook de verhalenverteller in Boris Becker: een man die zijn eigen versie van de waarheid liever niet dood checkt. Dat doet Gibney dus voor hem: met een voice-over grijpt hij enkele keren in na een interviewfragment en meldt dan dat wat zijn hoofdpersoon hem zojuist heeft verteld wellicht toch nét iets anders ligt. Het is een betwistbare werkwijze – reparatie in de montage in plaats van directe confrontatie – van een verhalenverteller die er een specialiteit van heeft gemaakt om omstreden persoonlijkheden te portretteren (Julian Assange, Lance Armstrong en Elizabeth Holmes) en daarbij niet schroomt om ze zo nodig ook te ontmaskeren.

Het laatste uur van zijn tweeluik reserveert Gibney voor Beckers leven ná de sport, het beruchte zwarte gat, waarin hij nog een periode coach is van Novak Djokovich (die zich hier lovend over hem uitlaat) en verder vooral ernstig boven zijn stand leeft.  Zo manoeuvreert hij zich steeds nadrukkelijker in de problemen én in de Duitse Boulevardbladen. Want over drie dingen raakt het land volgens de übercelebrity nooit uitgepraat: Adolf Hitler, de hereniging van Oost- en West-Duitsland én Boris Becker. Als de problemen hem boven het hoofd groeien, meldt ook Boris 2 zich weer, ontzet over hoe het leven hem nu kansloos achter volstrekt onmogelijke ballen aan laat rennen. 

Een roemloze nederlaag lijkt onvermijdelijk, waarbij Alex Gibney zich ook steeds vaker opstelt als geduchte tegenstander, met bovendien een bijzonder gevaarlijk wapen: die venijnige voice-over waarmee hij zijn hoofdpersoon rücksichtslos kan fileren. Daarmee licht hij ditmaal met name Beckers financiële bokkensprongen kritisch door. Tot een totaal demasqué van de Bekende Duitser leidt dit niet. Boom! Boom! is krachtiger als psychologisch portret van een begenadigde tennisser – en daarmee van het wezen van een sport, die twee mensen fysiek en psychologisch volledig tegen elkaar uitspeelt. Totdat één van beiden omvalt.

In dat spel is en blijft Becker een nooit te onderschatten opponent. Gibney vervat dit in een dramatisch shot van die fractie van een seconde waarop hij zijn racket laat neerdalen voor alwéér een machtige service. Als Boris zijn zinnen écht zet op de overwinning en die opslag begint te lopen, dan is er meestal geen houden aan. Zoals zijn voormalige coach Günther Bosch ‘t ooit verwoordde: Becker speelt doorgaans vooral tegen Becker. Als hij die verslaat, wint hij meestal ook wel de wedstrijd.

Big Mäck: Gangster Und Gold

Netflix

Deze bespreking is puur hypothetisch. Net als het verhaal dat Donald Stellwag vertelt. Het gaat niet over hemzelf. Het is – dat had hij toch al meteen gezegd? – ‘puur hypothetisch’. Dus de man die in de Duitse variant op Opsporing Verzocht, Aktenzeichen Ungelöst, op foto’s van een bankoverval op een Sparkasse-filiaal in Nürnberg in december 1991 is te zien kan met geen mogelijkheid Stellwag zijn. Ook al is hij ongeveer net zo oud, lang en dik én wordt hij herkend door een lokale politieman.

‘Ik was niet bang omdat ik wist dat ik niets had gedaan’, stelt Stellwag, bijgenaamd ‘Big Mäck’, zo’n dertig jaar later. Hij houdt, vanwege zijn gammele gezondheid en overgewicht liggend in bed, vol dat hij volstrekt onschuldig is. Al kan een buitenstaander zich niet aan de indruk onttrekken dat hij ook wel geniet van de aandacht die hem nu opnieuw ten deel valt. Puur hypothetisch, dan. Donald Stellwag heeft tevens een uitgesproken motief: nadat hij jaren in een Duitse gevangenis heeft doorgebracht, voelt Big Mäck nog altijd de behoefte om zijn naam te zuiveren.

Want hij blijkt wel degelijk slachtoffer te zijn geweest van een gerechtelijke dwaling. Toch? Als Stellwag zijn straf heeft uitgezeten, wordt er bij een andere bankoverval in elk geval een vingerafdruk aangetroffen van een man met min of meer dezelfde uiterlijke kenmerken. En niet veel later bekent die zowaar. Jarenlang is Donald Stellwag vervolgens – tegen betaling, stelt hij zelf – een graag geziene gast in talkshows, het slachtoffer van een overijverige openbare aanklager. Erg lang zal dat echter niet duren, want hij zal bij nóg een spraakmakend misdrijf betrokken raken.

Puur hypothetisch, natuurlijk. En ideaal voor een vermakelijke schelmenbeeldroman zoals Big Mäck: Gangster Und Gold (90 min.), waarin Fabienne Hurst en Andreas Spinrath tamelijk luchtig het leven van de linkmiegel doornemen met hemzelf en de mensen die betrokken raakten bij zijn zaak(jes). Gezien Donald Stellwags dubieuze staat van dienst is het in elk geval niet vreemd dat de politie bij die bankoverval dacht aan hem, een man die al z’n hele leven kan praten als brugman en zo in staat is om zelfs de pienterste waarheidsvorsers een rad voor ogen te draaien.

Puur hypothetisch, welteverstaan.

Praying For Armageddon

UpNorth Film

‘Nooit eerder in de geschiedenis van de wereld hebben alle spelers zich op het toneel gemeld’, houdt televisiedominee John Hagee van Cornerstone Church zijn gehoor voor. ‘Iran, Rusland, China, Europa, Amerika… Alles is helemaal perfect. Het eindgevecht om wereldheerschappij zal de moeder aller oorlogen worden. Armageddon.’

En om dat laatste gaat het de oprichter van de belangengroep Christians United For Israel (CUFI), een organisatie die maar liefst tien miljoen leden heeft en zo’n honderd miljoen evangelische Amerikanen, dertig procent van het totale electoraat, tot zijn natuurlijke achterban mag rekenen. De staat Israël is een voorwaarde om te komen tot de grote eindstrijd, liefst zo snel mogelijk, die in de Bijbel wordt aangekondigd en de terugkeer van Jezus Christus mogelijk maakt. Op ‘Judgment Day’ zullen evangelische Amerikanen en Israëlische Joden vervolgens recht tegenover elkaar komen te staan. En John Hagee heeft er geen enkele twijfel over wie er dan zal – en moet – zegevieren.

Tot die tijd is er een logisch verbond tussen de twee partijen. Vanuit conservatief en christelijk Amerika krijgt Israël dan ook vrijwel ongelimiteerde steun, zowel in moreel als financieel opzicht. Naar verluidt werd in 2021 door CUFI bijvoorbeeld 3,3 miljard dollar verzameld voor militaire steun aan Israël. Net als Maya Zinshteins ‘Til Kingdom Come (2020) verdiept Praying For Armageddon (97 min.) zich in de wereld daarachter. Van conservatieve religieuze leiders zoals Hagee en Robert Jeffress tot de op een Harley rondreizende dominee Gary Burd, die oogt als een Hells Angel en een soort ridderorde om zich heen verzamelt voor de bloedige strijd die is aangekondigd.

Tegenover deze ‘Evangelical Christian Zionists’ plaatst documentairemaakster Tonje Hessen Schei criticasters zoals de Israëlische rabbi en mensenrechtenactivist Arik Ascherman, de voormalige evangelische prediker Frank Schaeffer en de oud-militairen Lawrence Wilkerson en Michael Weinstein (die de Military Religious Freedom Foundation runt). Weinstein laat zien hoe christelijke symboliek, Bijbelverzen of de merknaam Crusader Arms bijvoorbeeld, inmiddels letterlijk op wapens is terug te vinden. En dat lijkt hem koren op de molen van wervers voor Amerika’s ideologische tegenstanders, zoals Islamitische Staat, Boko Haram en de Taliban.

Journalist Lee Fang van The Intercept fungeert als verbindende factor in deze unheimische film. Hij probeert in gesprek te gaan met de belangrijkste spelers uit het invloedrijke verbond tussen christelijke Amerikanen, die van hun land best een theocratie willen maken, en Israeli’s, die in hun eigen natie niets minder dan het beloofde land zien. Via hen schetst deze dramatisch getoonzette documentaire een volstrekt twijfelloze wereld, waarin roestvrijstalen religieuze idealen samenkomen met ongebreidelde geweldsfantasieën. Het is een angstaanjagend perspectief, dat zonder al te veel moeite kan – of, dramatischer gesteld: wel moet – leiden tot een bloedige oorlog.

De Amerikaanse generaal Jerry Boykin, nog niet zo lang geleden onderminister van Defensie, verwoordt het in een eigen interpretatie van het Bijbelboek Openbaringen en het daarin geschetste Armageddon als volgt: ‘Als de Heer terugkeert, komt hij als een strijder. Rijdend op een wit paard, in een met bloed bevlekt wit gewaad, met een zwaard in zijn hand. En ik geloof dat het zwaard dat hij dan draagt een AR-15 is.’

Buddy Guy: The Blues Chase The Blues Away

PBS

‘Je speelt ‘m omdat je hem hebt’, doceert Buddy Guy over de blues. ‘Maar door ‘m te spelen raak je hem ook weer kwijt.’ Dat is meteen het motto van Buddy Guy: The Blues Chase The Blues Away (86 min.), een documentaire van Devin Chanda, Charles Todd en Matt Mitchener waarin het levensverhaal van de Amerikaanse zanger en bluesgitarist wordt gekoppeld aan de muziek, het levensgevoel, waaraan hij nu al een leven lang zijn hart heeft verpand.

George ‘Buddy’ Guy kan aanstekelijk vertellen over hoe hij in armoede opgroeide en katoen moest plukken in Lettsworth, Louisiana, en vervolgens in 1957 naar de bluesstad Chicago verkaste, om daar het vak te leren van cracks als Howlin’ Wolf en Muddy Waters. Pas toen hun muziek de oversteek maakte naar Europa en door Britse bands zoals The Rolling Stones, Cream en Led Zeppelin werd omarmd, kregen de Afro-Amerikaanse wegbereiders eindelijk de waardering die hen al zo lang toekwam. In hun midden en gepromoot door witte rockhelden ontwikkelde de volhouder zijn eigen uitzinnige gitaarstijl. ‘Hij zette de turbo van de blues aan’, stelt collega Carlos Santana daarover.

Deze stevig doortimmerde film – opgeluisterd met sfeervolle soloperformances, concertbeelden en fraaie schilderijen die het Afro-Amerikaanse bestaan in de (zuidelijke) Verenigde Staten verbeelden – pakt het bluesgevoel stevig bij z’n lurven. In intermezzo’s genaamd The Blues According To… krijgen (via archiefmateriaal) de pioniers Lightnin’ Hopkins, Muddy Waters en Willie Dixon en (in levende lijve) hun navolgers Eric Clapton, Carlos Santana, John Mayer, Kingfish en Gary Clark Jr. de gelegenheid om uit te drukken wat zij verstaan onder die vermaledijde blues – en hoe hun Buddy Guy die nu al een slordige zeventig jaar springlevend houdt. Als hij ooit sterft, blijft zijn gitaar huilen.

Om de man zelf, die al eens mocht optreden in het Witte Huis en toen de eerste zwarte president Barack Obama verleidde om een stukje te zingen van de evergreen Sweet Home Chicago, te parafraseren over de blues: je krijgt ‘m als Buddy speelt. Ook al heb je hem niet hebt of nooit eerder gehad. En je wilt ‘m daarna niet meer kwijt.

O, Verzamelen Van Eieren In Weerwil Van De Tijd

Moondocs

Terwijl de Duitse ornitholoog Max Schönwetter (1874-1961) aan het begin van de twintigste eeuw bevangen raakt door de oölogie en het liefst elke seconde die hij heeft besteedt aan het verzamelen, bestuderen en beschrijven van allerlei soorten eieren, raakt de wereld waarvan hij deel uitmaakt langzaam maar zeker bevangen door duistere krachten. Die zullen uiteindelijk de alles verwoestende Tweede Wereldoorlog veroorzaken, waarbij ook de eikundige Schönwetter aanzienlijke verliezen moet incasseren.

In O: Verzamelen Van Eieren In Weerwil Van De Tijd (80 min.) brengt Pim Zwier ’s mans oneindige fascinatie in beeld via fraaie close-ups van zijn eieren en beelden van de voortbrengers daarvan. Hij maakt die verder inzichtelijk via Schönwetters uitgebreide correspondentie met allerlei mensen die hem kunnen helpen bij zijn verzameling. Die is ingesproken door (stem)acteurs, waarbij Pierre Bokma de hoofdpersoon voor zijn rekening neemt. ‘Hoe meer ik ze bestudeerde des te meer groeit de overtuiging dat uit de eierschaal nog vele raadselen zijn op te lossen indien men werkelijk beseft wat erin schuilgaat’, schrijft die bijvoorbeeld in 1935 aan zijn collega Leo von Boxberger. ‘Maar daarvoor moet men dieper graven, om daarmee inzichten te verschaffen. Daaraan wil ik graag mijn bijdrage leveren.’

Intussen toont Zwier een uil. Eerst, via grofkorrelige zwart-wit beelden, in zijn natuurlijke habitat, daarna in de vorm van een soort buste op Schönwetters bureau. ‘Tweehonderdduizend eieren moet men wel gezien hebben’, vervolgt de oöloog begeesterd. ‘En vijftigduizend daarvan moet men gewogen en met een loep bekeken hebben en vele steeds weer met elkaar vergeleken hebben. Zoals enkel iemand kan die al dertig jaar lang al z’n vrije tijd, alle vakanties en bijna zonder uitzondering iedere zondag wijdt aan zijn eigen stokpaardje, daarvoor veel geld voor zijn eigen verzameling, voor literatuur en reizen, geofferd heeft en deze zaken enkel en alleen voor zichzelf doet.’ De camera is intussen van het uilenbeeldje afgedaald naar een doosje met eieren. ‘Kerkuil (Jyto alba)’, staat er op het bijbehorende kaartje. ‘39,5 x 31,0 mm – 1,65 g.’

Pim Zwiers portrettering van zijn bevlogen hoofdpersoon is al even precies en rijk aan details als Max Schönwetters benadering van de eikunde, die uiteindelijk moet resulteren in een wetenschappelijk Handboek der Oölogie. Met in scène gezette beelden vanuit diens werkkamer tekent de filmmaker een man die zich in zijn kleine wereld heeft verschanst om ontwikkelingen in de buitenwereld, vervat in dramatische archiefbeelden, bij zich weg te kunnen houden. Uiteindelijk wordt echter ook Schönwetter ingehaald door de tijd, door een oorlog waarin gaandeweg alles wordt gebroken. De mens, net zo gemakkelijk als een (volstrekt niet) willekeurige eierschaal.

The Girl In The Fountain

Dugong Films

Waar anders kan een film over Anita Ekberg beginnen dan bij de Trevi-fontein in Rome? Daar nestelde zij zich, via de sleutelscène van Federico Fellini’s klassieke film La Dolce Vita (1960), definitief in het collectieve geheugen als de ultieme voluptueuze blonde vamp. Tenminste, als we tijdgenoot Marilyn Monroe even buiten beschouwing laten. En wie kan er beter de rol van Ekberg op zich nemen in een film over haar leven dan… Monica Bellucci?

Dat is tenslotte ook een blondine – herstel – brunette. Een frêle brunette, zelfs. De Italiaanse actrice, een voormalig ‘supermodel’, weet overigens wél wat schoonheid is en hoe die je leven kan vergemakkelijken én vergallen. Daarom dacht Antongiulio Panizzi, de regisseur van The Girl In The Fountain (80 min.), in de film zelf overigens gespeeld door acteur Roberto De Francesco, meteen aan haar toen hij kernscènes uit het leven van de voormalige Miss Zweden (1951) wilde reconstrueren. De voorbereidingen, eveneens een soort re-enactments dus, werden ook meteen gefilmd als B-roll – als u het allemaal nog kan volgen.

‘Ik heb me je altijd voorgesteld in Anita’s kleren’, zegt de filmmaker, in werkelijkheid dus acteur De Francesco, daarin als Bellucci alvast een uitdagende jurk past. ‘En nu sta je hier.’ Zij vraagt zich vervolgens af of hij teleurgesteld is. ‘Je weet hoe mannen zoals jij zijn’, zegt ze, schalks lachend en een versie van zichzelf spelend, die straks de rol van Anita Ekberg moet gaan vertolken. ‘Je wilt iets, maar zodra je het hebt hoef je het niet meer.’ Samen creëren de acteurs zo een spiegelpaleis, waaruit op de één of andere manier, in Bellucci’s al dan niet uitgeschreven woorden, ‘twee geobjectiveerde vrouwen’ naar voren moeten komen.

Want De Legende Ekberg mag dan zijn begonnen in de Trevi-fontein, in zekere zin eindigden haar leven en carrière daar ook. Wie ze ook was of wat ze ook probeerde, voor haar publiek – en de paparazzi die haar belaagden – bleef ze altijd die voluptueuze blonde vamp. Een vrouw die was gereduceerd tot de fantasie die mannen van haar hadden gemaakt. Dat punt vindt op de één of andere manier ook wel zijn weg naar dit dubbelportret van Anita Ekberg en de al even bekoorlijke actrice die haar nu vertolkt – al is het de vraag of de duizelingwekkende constructie die Panizzi daaromheen heeft opgezet werkelijk meerwaarde heeft.

Zwarte Soldaten

Zuidenwind

Kun je zeggen dat ze nauwelijks wisten waaraan ze begonnen? Zeker is dat de zes Nederlandse mannen met geen mogelijkheid konden vermoeden wat de navolgende jaren allemaal zouden brengen. Ze waren nog tieners toen de Tweede Wereldoorlog begon. In die jaren zouden ze een keuze maken die we nu collectief als ‘fout’ bestempelen: de Nederlanders meldden zich bij de Waffen-SS. En daarover zouden ze hun leven lang rekenschap moeten afleggen – of zorgvuldig zwijgen.

In de documentaire Zwarte Soldaten (48 min.), die in 2011 voor de nodige ophef zorgde en werd bekroond met een Gouden Kalf, laat Joost Seelen de zes los van elkaar hun relaas doen. Hij omkleedt hun herinneringen, recht in de camera uitgesproken, met stemmige en unheimische muziek en archiefmateriaal in al even stemmig en unheimisch zwart-wit. Van een groep ferm marcherende SS’ers bijvoorbeeld. ‘Wij zijn de zwarte soldaten’, zingen die fier, terwijl ze door toegesnelde landgenoten enthousiast met de Hitlergroet worden begroet. ‘Eens met Anton Mussert zijn we in ‘t gevecht. Daarom zijn wij de zwarte soldaten. Want wij strijden voor vrijheid en voor recht.’

Daarvan hadden zij blijkbaar een heel ander idee dan wij nu. Seelen heeft intussen weinig beelden nodig om die donkere periode weer op te roepen. Verder zijn ‘t de verhalen die het moeten doen in deze schurende interviewfilm. Van Jan bijvoorbeeld, die zichzelf kenschetst als een naïeve tiener. Hij zag ooit wel een Germaanse jongen in zichzelf. Géén overtuigde nationaalsocialist, zegt hij er overigens meteen bij. Een heel contrast met de rabiate antisemiet Klaas, die nog altijd trots is op dat ontzagwekkende SS-uniform en enthousiast kan verhalen over die keer feit dat hij een hand kreeg van Hitler. ‘Dat was een geweldige kerel. Die heeft Duitsland helemaal opgebouwd.’

Cornelis kreeg vanwege zijn verrichtingen bij de Waffen-SS een IJzeren kruis. Hij voelt zich echter bepaald geen held. Trek je niks aan van die blikken dingen, zegt hij ferm. ‘Ze verdoezelen dat je angst gehad hebt.’ Hij vindt verder dat hij had moeten weten dat de Joden het slecht hadden. Dat verwijt hij zichzelf. Zo heeft iedereen zijn eigen bagage overgehouden aan die tijd. ‘Ik heb volop Joden daar in Polen zien hangen’, vertelt Willem bijvoorbeeld, een zwarte soldaat met een onmiskenbaar Brabantse tongval. ‘Ausradieren!’ Wat ie dan zag? wil Seelen weten. ‘Niks. Want je moet aan jezelf denken. Niks! Je moet niet zeggen: O, wat is het erg. Want dan ga je naar de godverdomme.’

Dat ‘niks’ speelt Willem duidelijk nog parten. Zoals ze alle zes, overmand door wroeging of juist niet, moeten leven met dat aardedonkere verleden. Ook als de voormalige zwarte soldaten daarover dus ‘helemaal geen berouw’ hebben of nog altijd zweren bij de eensgezindheid, de ‘fantastische kameraadschap’ in de Waffen-SS. En dat kan ook nu, ruim driekwart eeuw later, nog altijd een storm van verontwaardiging veroorzaken.

Emergency NYC

Netflix

Met Emergency NYC borduren de makers van de bijzonder indringende ziekenhuisserie Lenox Hill (2020) verder op hetzelfde concept. En dan komt dus ook de oorspronkelijke bespreking goed van pas. Met enkele kleine aanpassingen (vetgedrukt) is die zomaar geschikt te maken voor deze vervolgserie:

’Joe is veertig, heeft twee kinderen, een vrouw en een grote familie’, stelt neurochirurg David Langer de patiënt voor aan zijn collega’s. De man heeft bij een ongeluk een kogel in zijn rug gekregen. ‘Hij komt oorspronkelijk uit Oekraïne. Zijn hele familie is Oekraïens. Het is best een trieste situatie, maar we gaan doen wat we kunnen.’ Na tien seconden stilte gaat het team aan de slag.

Weinig omgevingen vormen een vruchtbaarder decor voor documentaires dan een ziekenhuis – of een traumahelikopter of ambulance. In elke kamer liggen de verhalen voor het oprapen. Van mensen die ziek, gewond of zwanger zijn en nodig geholpen moeten worden. Door artsen en verpleegkundigen die onder voortdurende hoogspanning werk van levensbelang doen. Waarbij de ‘uitslag’ op voorhand vaak nauwelijks is te voorspellen. Intussen moeten ze bovendien oog zien te houden voor de mens: de patiënt, hun collega’s én zichzelf. In zulke hachelijke omstandigheden laten mensen zien, of ze dat nu willen of niet, uit welk hout ze zijn gesneden.

Enter Emergency NYC (355 min.), een achtdelige serie waarin de filmmakers Ruthie Shatz en Adi Barash enkele New Yorkse artsen en verpleegkundigen volgen, ook in hun privéleven. Dat levert indringende verhalen op, zoals het tragische relaas van de zeventienjarige Josh die bij een schietpartij op een feestje meerder schotwonden oploopt. Terwijl hij vecht voor zijn leven, staat zijn moeder Leslie aan z’n bed. Traumachirurg Jose Prince en zijn collega’s gaan toch proberen om het probleem te verhelpen. Het wordt een aangrijpende tocht langs hoop en wanhoop, waarvan de eindbestemming bepaald niet vaststaat.

Te midden van de vaak dramatische ontwikkelingen rond hun patiënten krijgen de artsen en zorgverleners zelf ook het nodige te verstouwen. Zo treden er bij de vrijwel voltooide zwangerschap van verpleegster MacKenzie Labonte complicaties op en is het nog maar de vraag of Mirtha Macri, een arts van Spoedeisende Hulp die in Lenox Hill nog hoogzwanger was, het leven van enkele kwetsbare patiënten kan bijsturenDavid Langer zelf krijgt een ski-ongeluk en wordt gediagnosticeerd met een mogelijke dwarslaesie. Kunnen zijn collega John Boockvar en de andere gedreven neurochirurgen hem helpen of zelfs redden? En hoe is ‘t voor het ‘cocky’ hoofd van de afdeling om zijn lot nu in handen van anderen te leggen?

Shatz en Barash exploreren de persoonlijke drijfveren van de artsen en verpleegkundigen, zitten hen voortdurend dicht op de huid en dringen zo diep door in de parallelle wereld van het zorgsysteem, waar een medewerker die zich niet wil laten vaccineren bijvoorbeeld moet vertrekken, alle dagelijkse beslommeringen wegvallen en het echt op leven en dood aankomt. Ze laten daarbij alles zien, waarbij ook de operatiekamer niet wordt geschuwd. Dit resulteert in zéér expliciete, bloedige en persoonlijke scènes – op het ongemakkelijke af. Hoewel sommige passages daardoor het best met afgewend gezicht kunnen worden bekeken, laat deze serie vooral zien hoe de artsen en verpleegkundigen werkelijk alles in het werk stellen om hun patiënten optimaal bij te staan.

Ook Emergency NYC ontwikkelt zich zo tot een bijzonder indringend pleidooi voor menselijke gezondheidszorg, dat wederom diepe sporen achterlaat bij de kijker.

Kelly

Prime Video

Samen met Valentijn de Hingh, Nikkie de Jager en Loiza Lamers behoort Kelly van der Veer, of ze dat nu wil of niet, tot de beeldbepalende figuren van de Nederlandse transgemeenschap. Door het reality-programma Big Brother werd ze in 2001 ineens een Bekende Nederlander. In de navolgende jaren trok Kelly (91 min.), rondgereden door haar vader Anton in zijn camper, zingend door het discothekencircuit. Ze hield er volgens eigen zeggen een enorme hekel aan het woord ‘transseksueel’ aan over. Want elke keer als zij arriveerde zette iemand dat ene nummer weer op: ‘Hij is een transseksueel / Hij werkt in een bordeel / Van ’s avonds negen tot vijf / Is het een omgebouwd wijf’.

Inmiddels is Kelly, die zou kunnen doorgaan voor een jongere zus van Patty Brard en Rachel Hazes, daadwerkelijk actief als sekswerker in Antwerpen. Ze zegt in deze film van June te Spenke, die eerder een schrijnende miniserie over Famke Louise maakte, dat ze geniet van haar werk. En als zij vanachter dat raam een klant met ‘enge ogen waar geen ziel inzit’ ontwaart, dan laat ze die gewoon niet binnen, zegt ze met kenmerkende bravoure. Moeder Liesbeth heeft ook geen moeite met het werk van haar dochter, zegt ze. ‘Nee hoor. Hoort bij haar, past bij haar.’ Ze hebben Kelly ook nooit hoeven te redden, heeft ze eerder al verteld. ‘Want ze redt zichzelf wel. Dat heeft ze altijd gedaan.’

Dat gaat dan wel met vallen en opstaan, blijkt uit de verhalen van Kelly zelf, haar ouders en zus Amber. Zij worden aangevuld door Nikkie de Jager (die als kind een rolmodel vond in Big Brothers Kelly), vriend Boris Itzkovich Escobar, Travestieshow-deelnemer Edson de Randamie en vriendin Norma Miedema. Bridget Maasland neemt bovendien de gelegenheid te baat om zich, geëmotioneerd, te verontschuldigen voor het feit dat ze Kelly ooit heeft geschoffeerd in een tv-uitzending. Samen portretteren deze sprekers een (trans)vrouw die in haar roerige leven zo ongeveer overal mee heeft geworsteld: met zichzelf, met de liefde, met drugs en met de wereld, die haar maar niet wil accepteren.

Te Spenke kleedt al die smeuïge en dramatische verhalen aan met fly on the wall-beelden van Kelly aan het werk, gestileerde sequenties van haar in allerlei verleidelijke poses en erg dikke muziek. Smaakvol is niet de eerste gedachte die daarbij opkomt. En ook niet de tweede. Het is wel een dramatisch levensverhaal, dat stiekem tóch onder de huid kruipt. Voormalig Big Brother-deelnemer Andries de Jong, die ooit met haar zoende en toen geen idee had dat ze was geboren als jongen, vat het eigenlijk wel treffend samen: ‘Ik dacht altijd: weet je, laat ze mij uitschelden voor Kelly-neuker. Als ik dat al heb… Kelly heeft dat keer tien, hè? Of keer honderd. En dat haar hele leven al gehad.’