House Of Cardin

Genie. Visionair. Enigma. Bij de start van dit geautoriseerde portret van designer Pierre Cardin (1922-2020) regent het superlatieven. De verantwoordelijke sprekers vormen bovendien een indrukwekkende gastenlijst: ontwerper en protegé Jean Paul Gaultier, hardrocker Alice Cooper, zangeres Dionne Warwick, supermodel Naomi Campbell, componist Jean-Michel Jarre, actrice Sharon Stone en talloze andere (mode)ontwerpers. Gezamenlijk vertegenwoordigen ze tevens het enorme terrein dat Cardin in zijn lange, imposante loopbaan bestreek.

Er is vrijwel geen product te bedenken of Pierre Cardin heeft er zijn naam aan geleend. Haute couture, natuurlijk. Brillen. Parfum. Handdoeken. Dominospellen. Tassen. Deodorant. Sieraden. Make-up. Onderbroeken. Föhns. Auto’s. En zelfs vliegtuigen. Als de protagonist in House Of Cardin (97 min.) over zijn werk praat, spreekt hij regelmatig in de derde persoon. Alsof het niet van hemzelf is – nooit was ook – en moet worden toegeschreven aan een fenomeen dat hem, de man van vlees en bloed, volledig ontstijgt: Cardin.

Voor deze documentaire van P. David Ebersole en Todd Hughes uit 2019 is het complete archief van de invloedrijke ontwerper gelicht. Zo ontstaat een compleet overzicht van zijn carrière, die met name in de jaren zestig en zeventig een enorme vlucht nam. Als couturier vertaalde hij de tijdgeest naar somtijds futuristisch werk. Pierre Cardin begon in die periode tevens speciale mode voor mannen te ontwikkelen en zette bij de presentaties van nieuwe collecties ook de deur open voor zwarte en Aziatische modellen.

En zoals past bij een man van zijn statuur is er nu een film die hem, nog nét bij leven en welzijn, vol in de schijnwerper heeft gezet. De ontwerper Pierre Cardin om precies te zijn. De mens Pierre Cardin komt daar slechts zo nu en dan achter tevoorschijn en blijft dus – geheel in stijl bij een man die van zichzelf een symbool, een logo, maakte – enigszins een raadsel.

De Villamoord – Seizoen 2

KRO-NCRV

Niet minder dan 44 afleveringen van zijn misdaadprogramma wijdde Peter R. de Vries ooit aan de zogenaamde Puttense moordzaak. Totdat de geruchtmakende moord op Christel Ambrosius echt he-le-maal was uitgeplozen en de naam van de onterecht veroordeelde zwagers Herman du Bois en Wilco Viets definitief gezuiverd.

Met het wederom drie afleveringen tellende tweede seizoen van de true crime-serie De Villamoord (143 min.) is Joost van Wijk inmiddels zes afleveringen onderweg met het onder de aandacht brengen van een andere zaak: de gewelddadige dood van een 63-jarige villabewoonster uit Arnhem in 1998. Dat zou ook zomaar een gerechtelijke dwaling kunnen zijn – al wil de Hoge Raad daar (voorlopig) nog niet aan.

Waar de documentairemaker zich in het eerste seizoen van De Villamoord vooral concentreerde op de intimiderende politieverhoren, een valse bekentenis die daaruit voortkwam en het schrale fysieke bewijs op basis waarvan hoofdverdachte Nefzat Altay en acht andere mannen uiteindelijk werden veroordeeld, zoomt hij in dit vervolg nadrukkelijk uit naar het criminele circuit van Arnhem.

In het beruchte Spijkerkwartier hielden de veelal Turkse mannen zich bezig met de handel in heroïne en is waarschijnlijk ook het antwoord te vinden op de vraag waarom juist zij als daders van de moord zijn aangemerkt. In het bijzonder bij ‘straatagent’ Henk Evers en het zogenaamde Dotterteam, dat destijds de welig tierende drugscriminaliteit te lijf ging.

Hoewel de nieuwe afleveringen dezelfde strafzaak behandelen – en de sfeer en toonzetting vergelijkbaar zijn, de muziekkeuze vertrouwd smaakvol is en verteller Stefan Stasse de bevindingen weer met net zoveel bravoure uitserveert – worden die geen herhaling van zetten. Ze bevatten bijvoorbeeld een keur aan nieuwe bronnen: enkele nog niet eerder geïntroduceerde verdachten, (anonieme) getuigen en opvallend kritische rechercheurs die toentertijd betrokken waren bij het politieonderzoek.

Aan Eline, een kennis van het slachtoffer die de fatale avond in de villa op wonderbaarlijke wijze overleefde, wordt ditmaal zelfs helemaal geen aandacht besteed. Van Wijk concentreert zich op het ontrafelen – en daarmee onderuit halen – van de strafzaak tegen de negen veroordeelde mannen. Met als onderliggende vraag: leed het team van de omstreden onderzoeksleider Ad Baars, die zelf niet aan de serie wil meewerken, aan tunnelvisie? Of was er meer aan de hand?

Dat betoog legt (wederom) allerlei zwakke plekken (of zelfs ernstige misstanden) in het politieonderzoek bloot, maar wordt tijdens het secuur uitpluizen van het onderzoek soms ook wat praterig en stroperig. Joost van Wijk waagt zich verder niet aan wat er dan wél kan zijn gebeurd als de veroordeelden inderdaad onschuldig zouden blijken te zijn. Na twee seizoenen heeft de serie daardoor nog altijd meer vragen opgeworpen dan beantwoord. Wordt dus ongetwijfeld weer vervolgd.

Hoeveel afleveringen van De Villamoord er nog moeten komen? Peter R. zou het wel weten: totdat onomstotelijk vaststaat wat er is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk is. En geen seconde eerder.

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council

The Jam is dood, lang leve The Style Council. Toen zanger en songschrijver Paul Weller begin jaren tachtig klaar was met de melodieuze punkband die hem enkele jaren daarvoor had gebombardeerd tot belangrijke vaandeldrager van de Britse muziek, was hij klaar voor een meer volwassen benadering. Op het drielandenpunt tussen pop, soul en jazz. Dat was even slikken voor de fans die hem na klassiekers als Town Called Malice en Going Underground in de armen hadden gesloten.

En toch – de goede verstaander voelt hem al aankomen; waarom zouden ze anders een kleine 35 jaar later een documentaire maken over de band? – kwam het nog goed met The Style Council. Met zichtbaar plezier blikken Weller en zijn voormalige bandmaten in Long Hot Summers – The Story Of The Style Council (74 min.) op de tropenjaren die zouden volgen. Het gezoek in de beginperiode, alle verplichte pieken en dalen en het einde van de band dat zich te langen leste onvermijdelijk aandient.

Zulke popdocu’s staan of vallen met de houdbaarheid van de muziek (lekkere hits en clips genoeg), de hoeveelheid smeuïge anekdotes (ruim voldoende; zo noemt Weller de liefdadigheidssingle van Band Aid, waaraan hij met zichtbare tegenzin meewerkte, bijvoorbeeld ‘vreselijk’) en de kwaliteit van de opgevoerde celebrities die de loftrompet over de groep mogen steken (behoorlijk: Culture Club-zanger Boy George, acteur Martin Freeman en singer-songwriter Billy Bragg).

Waarbij moet worden aangetekend dat The Style Council veel politieker was dan de soepele sound deed vermoeden en dat daarvoor vanzelfsprekend ook plek is ingeruimd in dit bandportret van Lee Cogswell. Dat is uiteindelijk een vermakelijke film geworden over een groep die tot de blikvangers van de eighties mag worden gerekend. Totdat de rek er echt uit was en het tijd werd voor: The Style Council is dood, leve Paul Weller!

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council is hier te bekijken.

The Sons Of Sam: A Descent Into Darkness

Netflix

In de eerste aflevering bewandelt The Sons Of Sam: A Descent Into Darkness (239 min.) nog netjes het seriemoordenaarspad. Trefzeker schetst de doorgewinterde true crimer Joshua Zeman het desolate New York van halverwege de jaren zeventig, waar een mysterieuze killer volstrekt willekeurige slachtoffers begint te maken. Op zogenaamde ‘lover’s lanes’, plekken waar geliefden zich terugtrekken om elkaar te verkennen, liquideert hij koelbloedig enkele jongeren. Om de spanning verder op te voeren begint de freak bovendien een publieke briefwisseling met columnist Jimmy Breslin van The New York Daily News. En dan wordt aan het eind van aflevering 1 David Berkowitz, alias The Son Of Sam, in de boeien geslagen. Case closed, zou je zeggen.

Het echte verhaal moet dan echter nog beginnen. Zeman volgt daarin het spoor van crimejournalist Maury Terry (1946-2015), die ook bij de start van de serie al voorzichtig is geïntroduceerd als verteller en via acteur Paul Giamatti een eigen, nét iets te vet aangezette stem heeft gekregen. Terry gelooft er niets van dat de politie met Berkowitz, een 24-jarige postbode uit Yonkers die beweert dat hij in opdracht van de duizenden jaren oude hond van de buren opereerde, de (enige) moordenaar in de kraag heeft gegrepen. Hij lijkt helemaal niet op de politietekeningen die aan de hand van getuigenverklaringen zijn gemaakt. En hoe zit het trouwens met die buurman? Die heet toch Sam en heeft ook nog eens twee zoons?

Gaandeweg begint Terry’s onderzoek naar de ware toedracht van de Summer Of Sam bijna karikaturale proporties aan te nemen. Hij legt ‘een eindeloos web van moorden door het hele land’ bloot, waarin werkelijk geen uitwas ontbreekt: orgies, zwarte magie, Scientology, de Manson-familie, satanisme, kinderporno en ‘snuff films’. ‘Elke nieuwe aanwijzing leek onvermijdelijk te leiden naar een dood spoor en het volgende lijk’, constateert Maury Terry in zijn boek The Ultimate Evil, dat in 1987, ruim tien jaar na de Son Of Sam-moorden, zou verschijnen . ‘Er was iets smerigs aan de hand.’ Hij zou een vaste gast worden in Amerika’s schmutzigste praatprogramma’s.

Handelde David Berkowitz in zijn eentje? Of was hij toch onderdeel van een occulte sekte? Voor de protagonist van deze serie, het prototype ‘complotdenker’, kan daarover geen twijfel bestaan. Zijn lezing van de feiten wordt bovendien bevestigd door enkele directe collega’s en oud-politieagenten. Dat betekent alleen niet dat Terry ook wordt geloofd door de autoriteiten, die in deze intrigerende serie zo nu en dan de ruimte krijgen om Terry’s take op de moorden te ontmantelen. Berkowitz, die ’s mans conclusies desgevraagd best wil bevestigen, voorspelde die desinteresse overigens al in een brief aan de amateurdetective. ‘Maury, het publiek zal je nooit echt geloven’, schrijft hij in een zin die het leidmotief voor diens kruistocht zou worden, ‘hoe goed je je bewijs ook presenteert.’

Sons Of Sam volgt ’s mans paranoïde gedachtespinsels, verbeeld met duistere shots en aangezet met een onheilszwangere soundtrack, intussen tot het bittere einde. Als een moegestreden Maury Terry in z’n echoput eigenlijk alleen nog zijn eigen stem terug hoort. Case closed, zou je opnieuw zeggen. Wat rest is een tijdloos exposé over de bezeten zoektocht naar een eigen waarheid en het uitsluiten van elke vorm van twijfel daarbij. En dan geeft documentairemaker Joshua Zeman op de valreep toch weer lucht aan ‘s mans wilde theorieën…

De Blinde Voetbaltrainer

KRO-NCRV

‘Kom op, vechten!’ roept Uber Trochez streng. De Colombiaanse jeugdvoetbaltrainer coacht op zijn gehoor. Hij ziet alleen wit licht. Toch strooit Uber tijdens trainingen en wedstrijden onvermoeibaar met kritiek en aanwijzingen. En zijn spelertjes geloven hem op zijn woord. Voor sommige van hen is hij niets minder dan een soort tweede vader.

Via sport probeert Uber hen te behoeden voor de plagen die zijn land teisteren, drugs en misdaad. Hij deelt daarbij de belangrijkste lessen uit zijn eigen leven. De positie van De Blinde Voetbaltrainer (48 min.) staat echter onder druk. De plaatselijke sportbobo heeft een gediplomeerde trainer aangenomen, die boven hem is geplaatst.

Dat is een aardig uitgangspunt voor een portret van een man, die zijn handicap leek te hebben overwonnen en er alsnog door dreigt te worden ingehaald. Uber laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan. Hij vervolgt onverdroten zijn eigen levenspad in deze film van de Nederlandse documentairemaker Paul Cohen.

‘s Mans onverwoestbare optimisme – dat je beperking niet bepaalt wie je bent – vormt het hart van deze docu, waarin verder eigenlijk relatief weinig gebeurt. Of het moet zijn dat Uber met zijn levenshouding ook anderen, op het Colombiaanse platteland en ver daarbuiten, stimuleert om te zijn wie ze (willen) zijn. Daar neemt De Blinde Voetbaltrainer dan wel behoorlijk ruim de tijd voor.

Tegelijkertijd blijft het geinig om te zien hoe de blinde voetbalcoach – net als veel collega’s die wél kunnen zien – ogenschijnlijk volstrekt willekeurige platitudes roept als zijn team in de problemen komt of juist scoort. In de trant van mouwen opstropen, de neuzen dezelfde kant opzetten en je de ‘queso’ natuurlijk niet van het brood laten eten.

Hitchcock/Truffaut

‘Beste meneer Truffaut, uw brief zorgde voor tranen in mijn ogen’, schreef de vermaarde filmregisseur Alfred Hitchcock begin jaren zestig aan zijn veel jongere Franse collega. ‘Ik ben zo dankbaar voor deze erkenning van u.’

Nouvelle vague-pionier François Truffaut wilde in gesprek met de ‘master of suspense’, die hij beschouwde als de beste regisseur ter wereld. En de Britse gigant, geplaagd door het gevoel dat hij niet serieus werd genomen als kunstenaar, wilde zich maar al te graag uitgebreid – een week lang zelfs, met een vertaalster – laten interviewen over zijn oeuvre.

De gesprekken die ze voerden voor Hitchcock/Truffaut, het boek dat daaruit voortvloeide en dat wordt beschouwd als een essentieel werk over het medium film, vormen de basis voor deze documentaire van Kent Jones uit 2015, die verplichte kost is voor elke cinefiel en tevens dienst kan doen als masterclass voor aspirant-filmmakers.

Aan de hand van fragmenten uit klassieke Hitchcock-films zoomen de hedendaagse filmmakers David FincherMartin Scorsese, Arnaud Desplechin, Richard Linklater, Kiyoshi Kurosawa, Wes Anderson, James Gray, Paul Schrader, Peter Bogdanovich en Olivier Assayas in op het werk van de grootmeester en destilleren er elementaire lessen uit.

Hitchcock/Truffaut (80 min.), dat ook een fotoserie van de tweegesprekken incorporeert, slaagt daardoor ook als eigenstandig kunstwerk: de documentaire dwingt de kijker om de alledaagse werkelijkheid, waartoe we de speelfilms van Alfred Hitchcock toch zo langzamerhand mogen rekenen, met arendsogen te bekijken.

En dan valt er, ruim een halve eeuw na dato, nog van alles te ontdekken. Want, zoals één van de sprekers ‘t formuleert, zelfs de slechtste Hitchcock-film is vele malen interessanter dan de meeste andere rolprenten.

The Pickup Game

Good women love bad men.  Als eenvoudige, doordeweekse jongen moet je dus gewoon zo’n slechte vent spelen. Anders loop je het risico dat de babe, waar jij al weken natte dromen van hebt, je gaat beschouwen als haar beste vriend. Of, nog erger, als een soort oudere broer. Als je niet uit jezelf zo’n gladde praatjesmaker bent die genadeloos toeslaat als zij het niet ziet aankomen, dan kun je terecht bij zogenaamde Pickup Artists, onvervalste players die jou wel eens even haarfijn uitleggen hoe je elke rondborstige bimbo binnen de kortste keren je bed inlult. Tegen een billijke vergoeding, natuurlijk.

The Pickup Game (98 min.) buigt zich over de industrie die stiekem is ontstaan rond al die alleenstaande mannen die zich geen echte vent voelen en wel wat hulp kunnen gebruiken bij het veroveren van dames. ‘Respect the cock’, zou Frank T.J. Mackie uit de magnifieke speelfilm Magnolia zeggen. ‘And tame the cunt.’ Het begon allemaal in 1988 bij de bestseller How To Get The Women You Desire In Bed van Ross Jeffries, een voormalige brekebeen op het liefdespad, die technieken uit Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) besloot te gaan toepassen op het versieren van vrouwen. En de rest is geschiedenis.

Tegenwoordig kun je als schutterende versierder, getuige deze slicke documentaire van Matthew en Barnaby O’Connor, terecht bij professionele alfamannetjes als Maximilian ‘RSDMAX’ BergerRobert ‘Beckster’ Beck en Erik ‘Mystery’ von Markovik. Die leren de deelnemers aan hun cursus of workshop hoe ze het ‘target’ eerst moeten benaderen, daarna in hun invloedssfeer kunnen krijgen en tenslotte op het juiste moment hun kans moeten zien te grijpen. Waarbij de vrouwen in kwestie, tijdens de praktijkoefeningen op straat en in uitgaansgelegenheden gefilmd met een verborgen camera, worden gereduceerd tot willoos neukobject.

Dat je daarin ook te ver kunt gaan, toont het voorbeeld van versiercoach Julien Blanc, die onder vuur kwam te liggen omdat hij had gesuggereerd dat je Japanse vrouwen gewoon op straat bij hun hoofd kunt pakken, dat je vervolgens met ferme hand richting je eigen kruis duwt. Dat het bestaan van een pickup-artiest uiteindelijk alleen leidt tot emotionele leegte, betoogt spijtoptant Paul Janka, die inmiddels keurig getrouwd is. En dat The Game, de term die Neil Strauss ooit muntte in het gelijknamige boek, misogynie en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, heeft dating- en ontwikkelingscoach Minnie Lane met eigen ogen kunnen vaststellen.

Die hele pickup-business, stelt een geanonimiseerde marketeer die de business inmiddels de rug heeft toegekeerd, heeft bovendien echt maar één bedoeling: de nietsvermoedende klant zoveel mogelijk geld uit de broek kloppen, voordat hij zich in het bijzijn van een appetijtelijke dame daadwerkelijk van die broek kan ontdoen. Het is een even treurige als voorspelbare conclusie voor deze interessante film, waarin de zelfverklaarde ladykillers juist op dat thema nog wel wat steviger hadden mogen worden aangepakt.

Finding Jack Charlton

‘Dat ben ik’, zegt de oudere man tegen zijn kleindochter als hij zichzelf op het televisiescherm ziet. ‘Dat ben ik. En ik herinner me er niets van.’ Samen met zijn gezin kijkt Jack Charlton naar oude beelden van hoe hij, en zijn onafscheidelijke pet, het één of andere kasteel aanprijst. Hij was decennialang een Bekende Brit: eerst als voetballer van Leeds United en het Engelse nationale elftal, later als coach, met name van Engelands grote rivaal Ierland.

En nu weet hij daar weinig meer van. Charlton is ten prooi gevallen aan dementie, een aandoening die voetballers van zijn generatie gemiddeld drie tot vijf keer zo vaak treft. Als gevolg van de kopduels die hij als boomlange verdediger, bijgenaamd ‘de Giraffe’, jarenlang uitvocht op ‘s werelds velden, zo is de veronderstelling. Samen met zijn meer getalenteerde jongere broer Bobby, met wie hij een moeizame relatie onderhield, werd Jack Charlton in 1966 wereldkampoen met het Engelse nationale voetbalelftal. Dat zijn teamgenoot Geoff Hurst een hattrick scoorde in de finale is hem echter allang ontglipt.

De delicieuze sportdocu Finding Jack Charlton (97 min.) is opgebouwd rond zijn periode als coach van het Ierse elftal, dat hij zelfvertrouwen gaf en eindelijk succes bracht. De opmars van het nationale voetbalteam aan het begin van de jaren negentig fungeerde als vliegwiel voor een nieuw zelfbewustzijn, stellen prominente Ieren als schrijver Roddy Doyle, U2-drummer Larry Mullen en de voormalige Taoiseach Bertie Ahern. Dat had namelijk een flinke deuk opgelopen tijdens ‘The Troubles’ in Noord-Ierland. Charlton, een Engelsman nota bene, bracht het elan terug. Hij werd zo een heuse volksheld, die als eerbetoon zou worden uitgeroepen tot ereburger. Net als Nelson Mandela. ‘De Kennedy-familie, moeder Teresa’, somt zijn oudste zoon John op, waarna hij naar zijn vader kijkt. ‘En dan heb je hem.’

‘s Mans werkwijze wordt in deze documentaire van Gabriel Clarke en Pete Thomas verbeeld via een pilaar waarop alle briefjes die Charlton als coach volkalkte zijn bevestigd. ‘You reap what you sow’, staat er bijvoorbeeld op. ‘Never assume they know and understand.’ En: ‘Be a dictator, but be a nice one.’ Bij dat laatste parasiteerde hij zonder enige twijfel op zijn heerlijke gevoel voor humor. Daarmee nam hij alles en iedereen voor zich in, zo kunnen voormalige pupillen als Paul McGrath, Niall Quinn en Pat Bonner bevestigen. Voor ‘the boss’, hoe eigenzinnig en koppig die ook kon zijn, gingen ze door het vuur.

En op basis van dit puntgave portret van Jack Charlton, een authentiek ‘character’ dat tot zijn dood op 10 juli jongstleden trouw bleef aan zichzelf, is dat niet meer dan logisch. De man mocht zichzelf dan langzaam maar zeker vergeten, dit betekent niet dat hij ook wordt vergeten.

The Art Of Political Murder

HBO

Twee dagen nadat de Guatemalteekse bisschop Juan Gerardi een rapport over mensenrechtenschendingen had gepresenteerd, werd hij op zondag 26 april 1998 bruut vermoord. Blijkbaar zat niet iedereen te wachten op ‘s mans bevindingen over de burgeroorlog die tussen 1960 en 1996 woedde in Guatemala en zo’n 200.000 burgerslachtoffers had gemaakt. Of zat er toch een persoonlijk motief achter zijn uiterst gewelddadige dood? Kort nadat hij moest zijn gestorven, zag een dakloze man hoe een kerel met ontbloot bovenlichaam Gerardi’s woning verliet.

The Art Of Political Murder (89 min.) laat de tijd herleven dat het Midden-Amerikaanse land nog volledig werd verscheurd door de strijd tussen de militaire regering van stijfrechtse signatuur en linkse rebellen, die werden ondersteund door de oorspronkelijke Maya-bevolking van Guatemala. Deze tweespalt zou ook de loop van het politieonderzoek naar de moord op de bisschop en mensenrechtenactivist beïnvloeden. Kon het recht ooit zijn loop hebben binnen zo’n politiek geladen context? Zou er überhaupt een fatsoenlijk onderzoek naar de ware toedracht kunnen plaatsvinden?

Ruim twintig jaar na dato kijken de officier van justitie, direct betrokkenen en de dakloze ooggetuige, die nog een kaart in zijn mouw blijkt te hebben, in deze krachtige documentaire van Paul Taylor terug op Guatemala’s nationale tragedie, waarbij ook Gerardi’s eigen huisgenoot, eerwaarde Mario Orantes, nog een opmerkelijke rol zal spelen.

Dood In De Bijlmer

Witfilm

‘Nederland ziet er niet meer uit zoals Anita van Loon’, zegt Anita van Loon. De medewerkster van uitvaartorganisatie Yarden en hoofdpersoon van de documentaire Dood In De Bijlmer (74 min.) wordt verantwoordelijk voor ‘het eerste multiculturele uitvaartcentrum van Nederland‘, dat moet verschijnen in Amsterdam-zuidoost.

Van Loon bezoekt in dat kader diverse gemeenschappen om bij de potentiële clièntele de vraag te inventariseren. Worden de toiletten wel groot genoeg? vraagt een vrouw van Afrikaanse komaf. Ze is bang dat ze met haar traditionele gewaad niet terecht kan op een kleine Nederlandse wc. Kan ik voor mijn uitvaart mijn eigen drankjes meenemen uit de Lidl of Aldi? wil een man weten.

En er moet een keuken komen in het nieuwe centrum, constateren ze bij de uitvaartonderneming. Zodat er roti kan worden gekookt. Gelukkig mag er op de gekozen plek gewoon lawaai gemaakt worden. Want Ghanezen willen tijdens hun afscheidsceremonies kunnen dansen. Terwijl ze zich zo verdiept in hoe andere culturen de overledene uitgeleide doen, bijvoorbeeld via een soort re-enactment van een Hindoestaanse uitvaart, krijgt Van Loon in eigen kring te maken met een sterfgeval.

‘De dood is wel een dingetje’, constateert ze in deze intrigerende documentaire van Paul Sin Nam Rigter. Intussen kost het haar werkgever heel wat kruim om de business case voor het nieuwe uitvaartcentrum rond te maken. Want is er bij elke cultuur wel evenveel behoefte? De moskee redt het bijvoorbeeld best op eigen kracht. ‘Dit land is gestoeld op het christendom.’, stelt oprichter Muhammad Gaffar scherp. ‘Ze hebben alles verwaarloosd.’

Gedurende vijf jaar volgt Dood In De Bijlmer (Internationale titel: Dealing With Death) het proces dat moet leiden tot een breed gedragen uitvaartcentrum. Tegelijkertijd zoomt de film via bijzonder sprekende fly on the wall-scènes ook in op verschillende uitvaartdiensten, waarbij een zeer extraverte Ghanese afscheidsbijeenkomst en een traditionele Nederlandse begrafenis bijvoorbeeld parallel zijn gemonteerd.

Zulke intieme inkijkjes in verschillende culturen maken tevens helder hoe weinig we eigenlijk van elkaar weten, ook al maken we misschien gebruik van dezelfde school of supermarkt. Het is een gedachte die ook bij Anita van Loon post lijkt te vatten. Ze begint zich af te vragen of dat idee van een uitvaartcentrum voor iedereen niet een zinsbegoocheling is. Want dood gaan we allemaal, maar afscheid nemen doet ieder toch echt op zijn of haar eigen manier. En in zijn eigen omgeving.

Skies Above Hebron

Doxy

‘Soldaat!’ roept de Joodse overbuurvrouw naar militairen van de legerpost als de Palestijnse broers Amer (11) en Anas (7) te dichtbij komen met de duiven die ze houden op hun dak. Tegen de jongens: ‘Deze plek is niet van jullie. Wegwezen!’

‘Ga zelf weg’, roepen ze terug. ‘Houd je mond!’ De broers weten dan al hoe laat het is. ‘Nu komen de soldaten eraan’, zegt Anas. Hij maakt er schietgeluiden en –bewegingen bij. Als de Israëlische militairen zich daadwerkelijk melden, raken de gemoederen snel verhit. ‘Ik zweer bij God dat ik je hoofd verbrijzel als je mijn zoon meeneemt’, zegt de moeder van de broers.

‘Ze hebben iets gedaan’, legt één van de soldaten uit. ‘We moeten ze boven aan een officier laten zien. Alle kinderen. Nu! Anders kom ik vannacht terug en arresteer ik iedereen in huis.’

Skies Above Hebron (56 min.) is nauwelijks vijf minuten onderweg en de situatieschets is compleet: Hebron, een stad aan de Westelijke Jordaanoever waar de Palestijnse bevolking en Joodse kolonisten op voet van oorlog met elkaar leven. Het is de plek waar de broers Quneibi en een andere Palestijnse jongen, Marwaan Sharabati, opgroeien. Die heeft als elfjarige al een foto gemaakt van een ‘martelaar’ die werd doodgeschoten door een Israëlische soldaat.

‘Ik was daar aan het spelen’, vertelt hij, bij zijn huis tegenover een grote Israëlische nederzetting. ‘Daar beneden viel hij neer, bij die witte steen. Hij vervolgt: ‘Een oude kolonist richtte zijn geweer op me. Hij schoot en ik bukte. De kogel ging net langs me heen.’ Toen kwamen er soldaten, die het geheugenkaartje van Marwaans telefoon wilden hebben. Dat liet hij niet gebeuren. Met vastberaden blik toont de jongen zijn foto. Die gun je geen enkel kind.

Esther Hertog en Paul King volgen de opgroeiende jongens gedurende enkele jaren. Het conflict dat rondom hen woedt werkt vormend. Ook zij worden, of ze dat nu willen of niet, meegezogen in de tragische waan van de dag. Waarbij camera’s worden ingezet als wapen, kinderen aan een waterpijp lurken om de stress te managen en Joden, en Joodse kinderen, automatisch tot vijand worden gebombardeerd.

Totdat iedereen, zo laat Skies Above Hebron trefzeker zien, zijn voorbestemde plek in de strijd heeft ingenomen of eieren voor z’n geld besluit te kiezen. Intussen proberen Amer en Anas gewoon hun duiven in leven te houden. In een wereld die daarin geen potentieel vredessymbool herkent, maar ze gewoon betrekt in de strijd.

Under The Wire

underthewiremovie.com

Ze moest letterlijk een oog geven voor haar missie. In 2001 te Sri Lanka, tijdens een bloedige burgeroorlog. Een ooglapje zou het handelsmerk worden van de Amerikaanse oorlogscorrespondent Marie Colvin. Net als dat ze voor de Duvel niet bang was en koste wat het kost, ongeacht de omstandigheden, de verhalen van gewone mensen wilde vertellen. Zo zou ze ook aan haar einde komen, bij een raketaanval in de Syrische stad Homs op 22 februari 2012.

Colvin was zo’n vrouw waarover films worden gemaakt: A Private War (het speelfilmdebuut van de gevierde documentairemaker Matthew Heineman, met Rosamund Pike als de onvervaarde journaliste) en de documentaire Under The Wire (93 min.) van Chris Martin. Beide films uit 2018 zijn zowel een eerbetoon aan de vrouw zelf als aan haar stiel, de oorlogsjournalistiek, en vormen tevens een vlijmscherpe aanklacht tegen oorlog in het algemeen.

Waar de speelfilm Colvins complete loopbaan probeert te vatten, inclusief haar trauma’s en drankmisbruik, reconstrueert deze docu alleen de helletocht die zou leiden tot haar dood (en die van haar Franse collega Rémi Ochlik). ‘Er is een vrouw dood’, roept een man op huiveringwekkende amateurbeelden, die de paniek van het moment perfect weerspiegelen. ‘Wie?’ reageert een ander. ‘Marie van The Sunday Times?’ Het antwoord slaat alle hoop de bodem in: ‘Ja, Marie van The Sunday Times. Ze is dood.’

Maar, om een bekende boutade te parafraseren: achter elke succesvolle vrouw staat een sterke man: fotograaf Paul Conroy. Colvins vaste partner in crime is de eigenlijke hoofdpersoon van deze beklemmende documentaire. Die is ook gebaseerd op het boek dat hij schreef over hun werkreis naar Assads Syrië. Nadat ze samen de voorpagina van de krant hadden gehaald en zij dat met de dood moest bekopen, belandde hij weer bij de benauwde kilometerslange tunnel die hen op de plek des onheils had gebracht.

Conroy had nog maar één missie: zijn verhaal vertellen. Hun verhaal. Samen met enkele collega’s die erbij waren op dat fatale moment en in de rug gedekt door een slimme combinatie van reconstructiebeelden en shockerende opnamen van de ‘slachting’ ter plaatse brengt hij de horror tot leven. Dat komt hard binnen. Marie, een ijzervreter van het zuiverste water, zou vast niet anders gewild hebben.

Tara

Nederlands Film Festival

Persoonlijke bekentenis: tijdens deze film heb ik in een vrijwel lege bioscoopzaal de slappe lach gekregen.

Niet dat Tara (55 min.), een portret van toenmalig GroenLinks-kamerlid Tara Singh Varma uit 2002, zo’n vrolijk stemmende film is. Integendeel: de politica, boegbeeld van de Surinaamse gemeenschap in Nederland, was terminaal ziek. Documentairemaakster Jet Homoet volgde haar en haar directe omgeving in wat de laatste fase van haar leven zou worden. In het kader van een klein monument voor een groots geleefd bestaan.

Er was maar één kleine complicatie: Singh Varma had helemaal geen kanker. Lichamelijk bleek er weinig mis. Tara had haar ziekte, al dan niet bewust, voorgewend. Het televisieprogramma Opgelicht legde daarbij het verband met financiële problemen waarmee ze zou kampen. ‘Tara Singh Varma en geldzaken’, concludeerde presentatrice Antoinette Hertsenberg vilein. ‘Dat bleek een wel erg ongelukkige combinatie.’

Met die wetenschap krijgt haar grootse afscheidstournee langs de Surinaamse gemeenschap, vaderlandse politiek (met prominente partijgenoten als Paul Rosenmöller en Femke Halsema) en de stad Amsterdam een totaal andere lading. ‘Ik zal er niet meer zijn’, zegt ze bijvoorbeeld met een enorme snik in haar stem tijdens een emotioneel vaarwel aan vrienden en familie. ‘Ik hoop dat ik verder zal leven ergens anders. En ik hoop dat het goed met jullie gaat.’

Ook pijnlijk: de scène waarin ze met haar gevolg live de vernietigende aflevering van Opgelicht zit te bekijken. Zelf kan ze het bijna niet aanzien. ‘Ja, wat moet je hier nou van vinden?’ vraagt een familielid. Tara ontkent intussen in alle toonaarden. ‘Pseudologia Fantastica’, volgens het actualiteitenprogramma Netwerk. ‘Een pathologische leugenaar.’ Gaandeweg zal ze tijdens deze film, die is doorsneden met pijnlijke televisiefragmenten, toch de waarheid onder ogen moeten zien.

En dan wordt Tara uitgenodigd voor het praatprogramma Barend & Witteman, waarin ze haar hele hebben en houwen op tafel legt bij interviewer Paul Witteman. Na de uitzending wordt Singh Varma aangesproken door een blonde vrouw. ‘Mag ik u wat zeggen? Ik ben een heel ernstige kankerpatiënt. Ik ben niet boos’, zegt ze geruststellend, in een poging om Singh Varma een hart onder riem te steken. ‘Ik denk dat wat u hebt veel erger is. Dat meen ik serieus.’

En toen weerklonk er dus gênant gehinnik in die uitgestorven zaal. Niet uit leedvermaak, denk ik, over de publieke persoonlijkheid die (opnieuw) in het openbaar werd vernederd. Het was de onbedoelde lulligheid van de situatie. Twintig jaar later zie ik vooral een oprecht bezorgde mevrouw, die waarschijnlijk ook gewoon gelijk had. Hopelijk is het haar daarna goed vergaan. Tara Singh Varma is (gelukkig) in elk geval nog steeds gewoon in leven.

You Don’t Nomi

De critici waren het erover eens: Showgirls was zonder enige twijfel de slechtste film van 1995. Beloond met een recordaantal van zeven Razzies, de anti-Oscars die jaarlijks worden uitgereikt. Voor onder meer slechtste film, hoofdrolspeler én regisseur. De Nederlander Paul Verhoeven ging zijn Award hoogstpersoonlijk ophalen, als eerste filmmaker in de historie. Hij stak nog nét zijn middelvinger niet op naar alle haters.

25 jaar na de première is het gesprek over die omstreden film, blijkbaar toch niet zo’n waardeloze rolprent, nog altijd niet verstomd. In You Don’t Nomi (91 min.) laat Jeffrey McHale allerlei verschillende lezingen los op de film. Van filmcritici die Showgirls destijds helemaal neersabelden, anderen die er een moderne klassieker inzien, een dichter die eindeloos inspiratie vond in de film en hedendaagse drag queens en andere performers die nog altijd op de planken staan met de bijbehorende musical.

Zij claimen voor Showgirls een eigen plek in de (cult)filmhistorie en plaatsen de beoogde blockbuster ook overtuigend binnen het oeuvre van de provocateur ‘Verhooven’ (die zelf overigens niet aan het woord komt). Als logisch vervolg op zijn Nederlandse periode, via fragmenten van Turks Fruit, Spetters en De Vierde Man. En als culminatie van zijn jaren in Hollywood, het (omgekeerde) uitroepteken achter kaskrakers als Robocop, Total Recall en Basic Instinct. In Showgirls zijn bovendien allerlei motieven en stijlvormen te ontwaren, die ook in zijn vroegere films en later werk als Zwartboek en Elle zijn te herkennen.

Ook de morele kritiek op de film – misogynie en homofobie – klonk Verhoeven-volgers vertrouwd in de oren. Net als de beschuldiging dat hij eigenlijk niet van de vrouwen in zijn films houdt. In dat opzicht maakte hij met Showgirls zijn duidelijkste slachtoffer: actrice Elizabeth Berkley, het voormalige sterretje uit de sitcom Saved By The Bell. Na haar rol als stripper in Showgirls kwam ze nauwelijks meer aan de bak. Afgaande op deze intrigerende documentaire had Berkley kunnen weten wat ze zich op de hals haalde. In de film heet ze niet voor niets Nomi Malone. Nomi. Als in: Know me. No me. Of: No… Me.

‘Wie heeft ‘t bij het rechte eind over Showgirls?’, vraagt Adam Nayman, auteur van het boek It Doesn’t Suck: Showgirls, zich af in deze verplichte film over film, waarbij rechtgeaarde cinefielen hun vingers aflikken. ‘De mensen die het een verschrikkelijk slechte grap vinden? Of degenen die het beschouwen als een onbegrepen meesterwerk?’ Nayman geeft zelf antwoord: Showgirls is een ‘masterpiece of shit’. Waarvan acte.

Martin Margiela In His Own Words

Hij is en blijft een mysterie. Een man die geen interviews geeft en zich niet laat filmen of fotograferen. Het werk van Martin Margiela moet voor zichzelf spreken. Soms heeft hij spijt van die beslissing, zegt de Belgische modeontwerper in de documentaire Martin Margiela In His Own Words (90 min.), waarvoor hij dus tóch heeft ingestemd met een interview. ‘Het is moeilijk om naam te maken voor jezelf als men die niet kan verbinden met een gezicht.’

Herkenbaar in beeld wil Margiela nog steeds niet. Dat laat hij in deze stijlvolle film van regisseur Reiner Holzemer over aan mensen uit zijn directe (werk)omgeving of kenners zoals trendwatcher Li Edelkoort, collega Jean Paul Gaultier en filmmaakster/model Sandrine Dumas, die zijn eigen visie op z’n leven, carrière en collecties aanvullen en becommentariëren. ‘Mij bevalt het idee niet, om beroemd te zijn’ zegt hij nog. ‘Anonimiteit is waardevoller voor mij. Zijn zoals alle anderen, houdt me in balans.’

Een kwestie van zelfbehoud, zo lijkt het. Geen opzichtige poging tot mythevorming. Al wordt Margiela her en der wel degelijk ‘de Banksy van de modewereld’ genoemd. En dus zijn in dit gedegen (zelf)portret, waarvoor Holzemer nauwgezet de verschillende shows van de ontwerper doorloopt en de toonaangevende Belgische band dEUS de soundtrack verzorgde, alleen zijn handen in beeld. De werktuigen van een eigenzinnige en inventieve geest, die de internationale modewereld stormenderhand heeft veroverd.

En die in 2008 plotseling ander werk kregen, toen hij bij het twintigjarige jubileum van de Maison Martin Margiela in Parijs op 29 september 2008 plotsklaps besloot om per direct de modewereld te verlaten. Sinds die tijd mogen die handen schilderen en beeldhouwen en leidt de man die hun arbeid ongetwijfeld met een kritisch oog beziet écht een anoniem leven. ‘Ik vind het heerlijk om alleen te zijn, met niemand om me heen. Gewoon alleen zijn en doen wat ik leuk vind.’

Bedlam

PBS

‘Budi-budi-boop!’, ratelt Johanna. ‘Ik hou van iedereen’, voegt ze eraan toe. ‘Budi-budi-boop! Mijn waarheid zal me vrijmaken.’ Een arts van de psychiatrische Eerste Hulp in Los Angeles probeert haar ondertussen vragen te stellen, maar de 23-jarige vrouw raast in een manisch tempo door. ‘Budi-budi-boop! Ik zag hoe Michael Jackson stierf. Budi-budi-boop. Ik ben niet wie ik ben, begrijp je wel?’

Medicatie wil Johanna echter niet. Als blijkt dat er echt niet met haar valt te praten, krijgt ze uiteindelijk, onder enige dwang, tóch een spuit toegediend. Die brengt haar even onder zeil. De jonge Amerikaanse vrouw is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis en zit midden in een psychotische episode.

Een jaar later oogt dezelfde Johanna een stuk rustiger. Na een periode van in en uit het ziekenhuis is ze nu weer thuis. En flink aangekomen, dat ook. Waarschijnlijk als gevolg van de medicijnen die ze voorgeschreven heeft gekregen. Met die pillen is Joanna nu al enkele maanden gestopt, vertelt ze echter monter aan haar bezorgde vader.

Als de Amerikaanse filmmaker Kenneth Paul Rosenberg, zelf ooit opgeleid tot psychiater, haar weer een jaar later opnieuw thuis opzoekt, zijn de gevolgen daarvan direct zichtbaar: Johanna heeft zichzelf helemaal volgetekend met viltstift, haar woning is een bende en ze dendert weer in een nét iets te hoog tempo door de dag.

Het is een even pijnlijk als vertrouwd beeld, dat enkele malen terugkeert in de documentaire Bedlam (84 min.): van gewone mensen met een psychiatrische aandoening die even lijken op te krabbelen en dan toch weer een terugval hebben. Hun bipolaire stoornis of schizofrenie laat zich nooit definitief de kop indrukken.

In veel westerse landen belanden zulke ‘verwarde mensen’ tegenwoordig eerder op straat of in de cel dan op een plek waar ze echt worden behandeld, stelt Rosenberg. Hij plaatst dat in z’n historische kader: het sociale vangnet dat ooit was opgetuigd, is vanaf de jaren zeventig op een zodanige manier toegetakeld dat het tegenwoordig letterlijk levensgrote gaten bevat.

De filmmaker weet waar hij over praat: zijn eigen zus heeft tientallen jaren met ernstige psychiatrische problemen gekampt. En Rosenbergs gezin met haar. Dat familieverhaal verweeft hij in Bedlam best soepel met pogingen om de psychiatrische zorg te verbeteren en de lotgevallen van enkele doktoren en patiënten die hij gedurende enkele jaren geregeld heeft opgezocht met de camera.

Zoals Johanna, de verpersoonlijking van die bijzonder weerbarstige problematiek. ‘Wat het zo lastig maakt is dat je je een tijd behoorlijk normaal voelt’, zegt ze tegen het eind van de film, weer helemaal bij zinnen. ‘En dan ineens heb je een terugval.’

5B

Het was duidelijk dat honderd procent van de ziektegevallen zou sterven, aldus één van de toenmalige artsen. Toch wilden lang niet alle doktoren en verpleegkundigen deze patiënten behandelen. ‘Ik raak hem met geen vinger aan’, zou een arts tegen een uitgemergelde jongeman hebben gezegd. Natuurlijk, sommige medewerkers van het San Francisco General Hospital waren gewoon bang, maar anderen vonden ook dat die mannen het er zelf naar hadden gemaakt. ‘Homokanker’ kreeg je immers niet zomaar.

En dus moest er begin jaren tachtig een speciale afdeling komen voor AIDS-patiënten. Met artsen en verplegers van 5B (95 min.), waar het gebruikelijke ‘cure’ al snel werd losgelaten ten faveure van ‘care’, blikken Dan Krauss en Paul Haggis terug op de AIDS-uitbraak in de Amerikaanse gaystad bij uitstek, San Francisco. Van professionele distantie kon in elk geen geval sprake zijn, zoveel was hen al snel duidelijk. Deze mannen gingen een wisse dood tegemoet. Hoe kon je hun lijden verlichten en hen op een menswaardige manier naar hun einde begeleiden?

De beelden daarvan zijn bijna veertig jaar later nog altijd hartverscheurend. Toch waren de meningen in de buitenwereld niet mals: homoseksualiteit was bepaald nog niet algemeen geaccepteerd, van het (vermeende) bijbehorende promiscue gedrag werd zelfs schande gesproken. Werd daar op die speciale afdeling soms de homoseksuele levensstijl gepropageerd? En in hoeverre liepen ‘gewone’ Amerikanen gevaar? Die laatste vraag werd nog eens extra pregnant toen één van de verpleegkundigen zich prikte aan een injectienaald en vervolgens HIV-positief bleek.

Krauss en Haggis zoomen in op enkele persoonlijke verhalen van 5B en plaatsen de gebeurtenissen op de speciale ziekenhuisafdeling binnen het politieke klimaat van die veelbewogen jaren. De bekroonde (en homoseksuele) verslaggever Hank Plante herinnert zich bijvoorbeeld nog goed hoe de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan in 1987 voor de allereerste keer het woord ‘AIDS’ in de mond nam. ‘De epidemie was toen al zes jaar gaande’, zegt hij verbeten. ‘Op het moment dat hij dat woord voor het eerst uitsprak waren er al 21.000 Amerikanen gestorven.’

Die onverschilligheid contrasteert enorm met de onbaatzuchtigheid van de 5B-medewerkers, die in hachelijke tijden de menselijke waardigheid van ‘hun’ patiënten waarborgden en tevens het grote hart vormen van deze aangrijpende film, die in 2019 op het Filmfestival van Cannes de Grand Prix Award won.

De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis

NTR

Schrijven begint met luisteren. Het opzuigen van verhalen, er vervolgens even op kauwen en ze dan weer op geheel eigen wijze uitspugen. In teksten, in muziek. Ferry Heijne, zanger van de ‘poëtische fanfarepunkband’ De Kift, vaart letterlijk uit om persoonlijke getuigenissen van buitengewone gewone Nederlanders op te tekenen.

Met zijn boot belandt hij in De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis (53 min.) bijvoorbeeld bij Bas. De man rouwt om het verlies van zijn twintigjarige dochter Belle, die enkele jaren geleden tijdens een wandeling in het park werd getroffen door een blikseminslag. Heijne verwerkt diens ervaringen in een verklanking van het gedicht Melopee van Paul van Ostaijen. Over de vergankelijkheid van het bestaan.

‘Langs het hoogriet / Langs de laagwei / Schuift de kano naar zee / Schuift met de schuivende maan de kano naar zee’

In deze fraaie, gestileerde film van Sanne Rovers ontmoet Ferry Heijne verder een Iraakse schrijver die dreigde te verpieteren in een asielzoekerscentrum, een vrouw met liefdesverdriet én een woonboot en een oudere man die voelt dat zijn lichaam stilaan begint te haperen. En onvermijdelijk komt Heijne onderweg ook zichzelf tegen – en zijn vader, die bijkans bij toeval ook jarenlang deel uitmaakte van De Kift.

En als de hoofdpersonen uiteindelijk te horen krijgen wat Ferry en zijn muzikale kompanen, die her en der, als vanzelfsprekend, in het oer-Hollandse decor opduiken om hun muziek ten gehore te brengen, van hun getuigenissen hebben gemaakt, vloeien beeld en muziek helemaal samen tot een lekker melancholische lofzang op het leven.

American: The Bill Hicks Story

Hij is de comedian’s comedian. De man die door collega’s als misschien wel de allerbeste uit het vak wordt gezien. Bill Hicks, in 1994 op slechts 32-jarige leeftijd overleden. Met zijn ontregelende humor was hij de standaard stand-up comedy routine allang ontstegen. Hicks deed aan niets minder dan ‘truthin’: ongemakkelijke waarheden, vervat in bikkelharde grappen.

25 Jaar na zijn dood duiken er nog altijd regelmatig Hicks-quotes op in het publieke domein. Over oorlogsvoering, abortus, marketing én geestverruimende middelen. Want dat was bepaald geen onbekend terrein voor de man die zich regelmatig verloor in paddo’s en zo nu en dan ook met een kwaaie dronk op het podium stond. Hij was de gemakkelijke grap allang voorbij. Hicks wilde écht iets zeggen over de wereld waarin hij leefde.

Zo vroeg hij zich bijvoorbeeld af waarom verhalen in de media over drugs altijd negatief waren. ‘Always that same LSD story, you’ve all seen it. ‘Young man on acid, thought he could fly, jumped out of a building. What a tragedy.’ What a dick! Fuck him, he’s an idiot. If he thought he could fly, why didn’t he take off on the ground first? ‘

Dat kon ook anders, meende Hicks: ‘Today a young man on acid realized that all matter is merely energy condensed to a slow vibration, that we are all one consciousness experiencing itself subjectively, there is no such thing as death, life is only a dream, and we are the imagination of ourselves….’ Waarna hij een korte, perfect getimede stilte liet vallen. ‘Here’s Tom with the Weather.’

American: The Bill Hicks Story (101 min.), een tamelijk conventionele film van Matt Harlock en Paul Thomas uit 2009 over een allesbehalve conventionele comedian, zet de geboren dwarsligger weer eens in de spotlights met een uitputtende collectie archiefmateriaal, die soepel wordt verbonden met (off screen) quotes van directe familie, vrienden en collega’s. Zij verhalen over een man die op dubbele snelheid dacht, sprak en leefde en die als geen ander de spijker op z’n kop kon slaan.

‘The best kind of comedy to me is when you make people laugh at things they’ve never laughed at, and also take a light into the darkened corners of people’s minds, exposing them to the light.’ (brainyquote)

Anil Ramdas: Nooit Meer Thuis

NTR

Hij was ‘de beroemdste allochtoon van Nederland’, aldus schrijver Stephan Sanders, die volgens eigen zeggen een bijzonder moeizame vriendschap met Anil Ramdas onderhield en samen met hem het televisieprogramma Het Blauwe Licht presenteerde. Het was ‘een stem die ik mis in het politieke debat van vandaag’, zegt Ramdas’ vriend en collega Pieter Hilhorst. ‘Overnight was hij een ster’, herinnert zijn collega bij De Groene Xandra Schutte zich. ‘Het was ook of hij er uiterlijk door veranderde. Alsof hij groter werd.’ De ‘Tamil-tijger’ van een oude redactiefoto, waarop een iel mannetje met een snorretje is te zien, werd volgens Schutte ineens een mooie jongen.

Zo staat Anil Ramdas ook in ons geheugen gegrift (áls hij daarin al een plek heeft verworven; roem komt én gaat nu eenmaal te paard). Als een gesoigneerde, welbespraakte en nadenkende schrijver, presentator en intellectueel van Surinaams-Hindoestaanse afkomst. Hij werd in de tweede helft van de twintigste eeuw een gewaardeerde opiniemaker, mocht opdraven als Zomergast en bemachtigde later een correspondentschap in India. Ogenschijnlijk een geslaagd man. Een migrant ook, die zijn eigen plek had verworven in zijn nieuwe vaderland. Gaandeweg begon hij zich echter steeds meer een vreemde te voelen in Nederland.

Dat is tevens de centrale thematiek van Anil Ramdas: Nooit Meer Thuis (58 min.), een touchant portret van de man, die halverwege de jaren zeventig naar Nederland verkaste en aan het begin van de 21e eeuw door de politieke ontwikkelingen rond Pim Fortuyn, Theo van Gogh en Geert Wilders steeds meer in het nauw werd gedreven. Een mismatch met zijn omgeving, zoals hij het zelf formuleert. Of was hij gewoon jaloers op die nieuwe ‘troetelallochtoon’ Ayaan Hirsi Ali?, zoals Stephan Sanders hem fijntjes voorhoudt in een radio-interview. Dat gevoel van totale vervreemding dat Anil Ramdas, die tevens een drankprobleem ontwikkelde, moet hebben ervaren, wordt door filmmaker Paul Cohen vervat in steeds terugkerende sequenties van hectische stadsbeelden. Zijn natuurlijke biotoop is een wezensvreemde wereld geworden.

Cohen portretteert de eerzuchtige Ramdas verder via diens talrijke media-optredens, zijn schrijfwerk en interviews met de mensen die hem echt kennen, zoals Ramdas’ zus Kawita, zijn biografe Karin Amatmoekrim en ‘s mans jeugdvriend Emile Echteld, de Creoolse jongen die hem vroeger in Paramaribo beschermde tegen bullebakken en die later in de Bijlmerbajes terecht zou komen. Cohen confronteert hen tevens met audiofragmenten van de man die in 2012, op zijn eigen verjaardag nota bene, op 54-jarige leeftijd zijn leven beëindigde. Óf, als je zoals Emile gelooft in reïncarnatie: begon aan een volgend bestaan.