At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal

Deze ‘good cop’- en ‘bad cop’-combinatie bleek toch echt uit twee bad cops te bestaan. Turncoach John Geddert, een doorgewinterde ijzervreter, en zijn teamarts Larry Nassar, het prototype aimabele vertrouwenspersoon. Als Geddert ze weer eens ongenadig had afgeblaft of volledig door de pijngrens had laten gaan, konden de piepjonge atletes altijd terecht bij de nerdy arts die ze dan weer oplapte en… misbruikte. Sinds 1992 zou Nassar zich hebben vergrepen aan meer dan driehonderd turnster(tje)s, waaronder diverse medaillewinnaressen op de Olympische Spelen. En Geddert moet ervan hebben geweten. Zolang de resultaten, die natuurlijk te allen tijde heilig bleven, goed waren, zag hij echter geen reden om in te grijpen. Net als Nassars werkgever Michigan State University, de Amerikaanse turnbond en het Olympisch comité.

In At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal (89 min.) zijn het, net als in thematisch verwante films zoals Surving R. Kelly en Leaving Neverland, de slachtoffers die aan het woord komen. Hun getuigenissen zijn door regisseur Erin Lee Carr omlijst met beelden van de bikkelharde trainingen, topprestaties van de meiden in wedstrijden én de zorgzame arts Nassar in actie. Liefdevol behandelt hij piepjonge, onherkenbaar gemaakte meisjes. De bijbehorende verhalen hebben een onwerkelijk karakter. Over Nassars signatuurbehandeling bijvoorbeeld. Waarbij de teamarts via drukpunten in de vagina elk pijntje, waar dan ook in het lichaam, zei te kunnen verhelpen. De eerste, relatief onschuldige sessies vonden vaak plaats met de ouders van de turnster erbij, zodat Nassar daarna zonder enige terughoudendheid en met erectie ‘de behandeling’ verder kon uitbouwen.

Uiteindelijk, zo’n 25 jaar na de eerste beschuldigingen aan zijn adres, loopt de man toch tegen de lamp en wordt de gewaardeerde sportarts, op het moment dat ook de #metoo-affaires rond Harvey Weinstein, Bill Cosby en Kevin Spacey losbarsten, ontmaskerd als een onverbeterlijke pedofiel. Via bijzonder indringende beelden uit de rechtszaal plaatst Carr hem aan het eind van de film recht tegenover zijn slachtoffers. Zij krijgen spreekrecht en vertellen, omringd door al dan niet schuldbewuste verwanten, hun schokkende verhalen. Nassar moet die aanhoren – of hij nu wil of niet. ’May God bless your dark, broken soul’, voegt één van zijn slachtoffers de inmiddels bevende teamarts toe, waarna mevrouw de rechter hem als een onvervalste wraakengel een loodzware straf oplegt.

Die apotheose is bijna niet om aan te zien. Talloze vrouwen, meisjes, die nog eenmaal de man onder ogen moeten komen die hun lichaam onteerde. En Larry Nassar zelf, een wolf die oogt (of probeert te ogen) als een lammetje. Met in het achterhoofd de wetenschap dat diverse mensen in hun directe omgeving deze malheur (grotendeels) hadden kunnen voorkomen. Voor hen krijgt dit verhaal nog een juridisch staartje. Deze aangrijpende film is dus geen definitief sluitstuk, maar een voorlopige samenvatting van één van de vele misbruikzaken die in de afgelopen uit de riolen van de sportwereld zijn opgediept.

The Price Of Everything

‘Er zijn veel mensen die alles van de prijs weten’, zegt Stefan Edlis. ‘Maar niets van de waarde.’ Het is een opmerkelijke tekst voor een man die fortuin heeft gemaakt met de aan- en verkoop van kunst. Edlis is inmiddels dik in de negentig, plaatst met de nodige zelfspot kanttekeningen bij de kunstwereld en denkt na over de toekomst van zijn eigen indrukwekkende collectie, die werk van toonaangevende kunstenaars als Andy Warhol, Gerhard Richter en Jeff Koons bevat.

In de uiterst vermakelijke documentaire The Price Of Everything (98 min.) belicht regisseur Nathaniel Kahn de musea, galeries en veilinghuizen waar moderne kunst en het grote geld elkaar ontmoeten. De jacht en de deal, daar gaat het om, aldus Amy Capellazzo van Sotheby. ‘Kunst en geld hebben altijd hand in hand gegaan’, stelt veilingmeester Simon de Pury zelfs. ‘Het is belangrijk dat goede kunst ook duur is. Je beschermt alleen iets wat ook waarde vertegenwoordigt. Als iets geen enkele financiële waarde heeft, kan het niemand schelen wat ermee gebeurt.’

Tegenover die benadering plaatst Kahn de traditionele Amerikaanse schilder Larry Poons, die sinds 1971 in zijn eigen atelier werkt aan grote en abstracte doeken, die verdomd lastig zijn te verhandelen. Poons is volgens eigen zeggen kunstenaar tegen wil en dank. Uit pure noodzaak. Geld speelt daarin geen enkele rol. ‘Je kunt ook je ouders niet uitkiezen’, zegt hij uitdagend. ‘Zoals je ook niet kunt bepalen wie je zelf bent.’ In de jaren zestig had Poons rijk en beroemd kunnen worden. Nu leeft en werkt hij in de schaduw van tijd- en vakgenoten.

Kunst is intussen een soort luxeartikel geworden, constateert historica Barbara Rose met een vies gezicht. Puur effectbejag. Neem dat gouden toilet van de Italiaanse kunstenaar Maurizio Cattelan. Dat is toch een belediging voor de goede smaak? Net als dat ‘sensationalisme’ van hedendaagse grootheden als Damien Hirst en Jeff Koons. ‘Ik heb nagedacht over waarom ik maak wat ik maak’, constateert Koons zelf nochtans droog in deze film. ‘Het enige wat ik heb is mijn eigen interesse.’

Met kunstenaars, historici, handelaren, critici en verzamelaars schildert The Price Of Everything, dat is aangekleed met ravissante kunstwerken en weelderige klassieke muziek, zo een gelaagd beeld van de contemporaine kunstwereld, die (vanuit economische motieven) zijn eigen popsterren heeft gecreëerd. Moderne kunst lijkt soms niet meer dan handelswaar, waarbij vraag en aanbod bepalen of de kunstenaar er nog toe doet of niet. Hoe voorkom je als individuele maker dat je wordt verzwolgen door je eigen hype?

Kunstcriticus Jerry Saltz ziet in die economische benadering van moderne kunst nog een ander bezwaar. Al die veilingen vormen in zijn ogen een soort afscheid. Als een kunstwerk voor een enorm bedrag is verkocht, belandt het aan de muur bij een puissant rijke verzamelaar. Waardoor de kunst die oorspronkelijk was bedoeld voor een groot publiek, zo toont deze levendige film feilloos aan, toch weer gewoon bij de elite terecht komt.

Shut Up And Dribble

Het had een eer moeten zijn. De uitnodiging voor de kersverse basketbalkampioen The Golden State Warriors om het Witte Huis te bezoeken. Sterspeler LeBron James en zijn teamgenoten bedanken er echter voor in de zomer van 2017. In Donald Trump hebben ze geen zin. ‘De nummer één van Amerika begrijpt de mensen niet en geeft ook geen fuck om hen’, maakt James van zijn hart geen moordkuil. Het komt hem – natuurlijk! – op stevige kritiek van Fox News te staan. ‘Houd je politieke praatjes maar bij je’, zegt talkshow-host Laura Ingraham recht in de camera. ‘Of zoals iemand ooit zei: Shut Up And Dribble.’

En daarmee heeft deze driedelige documentaireserie (153 min.) over de rol van Afro-Amerikanen in de basketbalhistorie meteen zijn leidmotief te pakken. Regisseur Gotham Chopra plaatst de politieke stellingname van Lebron James en de zijnen in hun historische context. Hij keert daarvoor terug naar de tijd dat basketbal nog een volledig witte sport was. Het verheven tijdverdrijf kreeg in de jaren vijftig plotseling te maken met zwarte nieuwelingen, die actief aanvallen gingen blocken, ongegeneerd dunkten en in het algemeen veel swingender speelden. De tegenstelling tussen zwart-wit die zo ontstaat zal decennia later nog slim worden uitgevent met de opgeklopte rivaliteit tussen Magic Johnson en ‘the great white hope’ Larry Bird.

Begeleid door volvette soul, funk en hiphop trekt de gelikte serie soepel langs invloedrijke zwarte basketballers zoals Bill Russell, Kareem Abdul-Jabbar en Isiah Thomas. Gezamenlijk belichamen zij tevens de ontwikkeling die zwart Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft doorgemaakt; van de burgerrechtenbeweging en Vietnam via de opkomst van de zwarte celibrity-cultuur en het crackgebruik van de jaren tachtig naar het presidentschap van Barack Obama en Black Lives Matter. Het is een aansprekend verhaal dat van context wordt voorzien door zwarte opiniemakers als LL Cool J, Kendrick Lamar. Common en Jay-Z.

Intussen geraakt de sport via met name superster Michael Jordan volledig vercommercialiseerd. Hij opereert als een kameleon, die op verzoek voor iedereen iemand anders kan zijn en zich dus ook niet zomaar laat inzetten voor de zwarte zaak. Zelfs niet als Rodney King voor het oog van de natie gruwelijk wordt mishandeld door enkele witte politieagenten van de Los Angeles Police Department. Zijn redenering daarvoor is even simpel als fnuikend: Republikeinen kopen ook sneakers. Jordan heeft daarnaast een belangrijke les voor alle zwarte sporters goed in zijn oren geknoopt: ‘don’t scare the white man!’.

Met de komst van Donald Trump keert ook het engagement weer helemaal terug in het topbasketbal. Nadat de American footballer Colin Kaepernick uit protest tegen politiegeweld weigert te gaan staan voor het volkslied, verklaart LeBron James zich solidair. ‘Ik heb sport in mijn leven ervaren als iets dat mensen met elkaar verbroedert’, zegt hij in een interview met Don Lemon. ‘Maar Trump gebruikt sport om verdeeldheid te zaaien tussen blank en zwart.’ En daarmee is het zwarte basketbal in zekere zin weer terug bij af. Al zijn de betrokken atleten niet meer automatisch de onderliggende partij.

The Zen Diaries Of Garry Shandling

 

‘Zorg dat je nooit verliefd wordt op een hoertje’, houdt voormalig talkshow-host Jay Leno jonge comedians voor, die willen overleven in de showbusiness. ‘Want dan wordt je hart gebroken.’ Aan het lijdend voorwerp van deze documentaire, de Amerikaanse komiek Garry Shandling, was dat goedbedoelde advies niet besteed: ’Op dit moment vraag ik me af: ben ik grappig?’, klinkt het bloedserieus in deze uitputtende biografie. ‘Ben ik net zo grappig als ik ooit was? Word ik ooit weer grappig?’

Zijn voormalige protégé Judd Apatow, die zelf inmiddels zijn sporen verdiende als executive producer van films als The 40 Year Old Virgin en Knocked Up en de series Girls en Love, maakte een liefdevol eerbetoon aan de invloedrijke stand up-comedian en maker van de baanbrekende televisieprogramma’s It’s Garry Shandling’s Show (1986-1990) en The Larry Sanders Show (1992-1998). Een man die zijn publiek niet alleen wilde behagen, maar ook probeerde uit te dagen.

Garry Shandling, die in 2016 op 66-jarige leeftijd overleed, was een typische clown: in het openbaar had hij altijd de lach aan zijn kont, maar achter de schermen bleef hij gedurig twijfelen, tieren en somberen. Illustratief is een anekdote van vriend, collega-comedian en vader in de gesuikerde serie Full House Bob Saget: na zijn doorbraak-performance in The Tonight Show van Johnny Carson kon Shandling nauwelijks stoppen met huilen. Zijn grote droom was uitgekomen. Wat viel er nu nog te bereiken in het leven?

Die tobberige natuur werkt als een tweesnijdend zwaard in de tweedelige documentaire The Zen Diaries Of Garry Shandling (256 min.); het geeft een verklaring voor het succes van de comedian, die in zijn werk op z’n Koot en Bies zichzelf zocht en vervolgens rücksichtslos zijn eigen neuroses uitventte, en werpt tevens een licht op waarom dat succes tegelijkertijd nooit tot echt levensgeluk leidde. Een rechtszaak tegen zijn eigen manager ontregelde bijvoorbeeld ook de vriendschap met Saget. Die kan zijn verdriet daarover nog altijd nauwelijks weggeslikt krijgen.

Met mensen uit Shandlings directe omgeving (waaronder comedians en acteurs als Jim Carrey, Conan O’Brien, Jeffrey Tambor, Sacha Baron Cohen, Sarah Silverman, Jerry Seinfeld en David Duchovny) reconstrueert Apatow op meeslepende wijze het leven van zijn voormalige mentor, een man die hen stuk voor stuk heeft gemaakt én geraakt. Na afloop van deze hagiografie – want dat is het uiteindelijk, met al zijn mitsen en maren – overheerst in eerste instantie vooral mededogen met de toch wat tragische figuur Garry Shandling. Totdat zijn glorieuze oeuvre zich weer opdringt…