Holland Pop 1970

In-Edit

Tegenwoordig heeft elk dorp z’n eigen popfestival. Toen organisator Georges Knap en impresario Berry Visser, oprichter van Mojo Concerts, in 1970 aan de slag gingen om een festival te organiseren in het Kralingse Bos te Rotterdam, lag er echter nog helemaal geen infrastructuur. Er was alleen een voorbeeld: het legendarische Amerikaanse Woodstock-festival.

Het Holland Pop Festival, dat uiteindelijk plaatsvond in het weekend van 26-28 juni, werd georganiseerd in het kader van 25 jaar Bevrijding. De wederopbouw van Rotterdam, volledig kapotgeschoten tijdens de Tweede Wereldoorlog, leek een heel eind voltooid. Dat moest gevierd worden volgens de gemeente, die onder de noemer C70 allerlei activiteiten wilde organiseren. Om te voorkomen dat dit met operette-uitvoeringen en zaklopen voor de kinderen enkel een feest voor het establishment zou worden, wilde Knap ook ‘de jeugd van toentertijd’ eens goed bedienen.

In Holland Pop 1970 (71 min.) laat Ferri Ronteltap vanaf de montagetafel oude tijden herleven met Knap, Visser en sprekers zoals feministe/politica Hedy d’Ancona, muzikant Robert Jan Stips (die optrad met de band Supersister) en fotograaf Vincent Mentzel (die er fraaie zwart-wit foto’s maakte). Ronteltap kan ook teruggrijpen op de welbekende beelden uit de film Stamping Ground (1971) over ‘Kralingen’: concertimpressies van Santana, Jefferson Airplane, The Byrds, Pink Floyd, Soft Machine en Country Joe en onvergetelijke beelden van relaxte, uitzinnige en onbeschaamde Nederlandse hippies.

‘Bijzonderheden ten aanzien van de bezoekers’, leest de toenmalige commissaris Cees Ottevanger voor uit de eindrapportage van de politie. ‘Naar het uiterlijk te oordelen bestond het merendeel der bezoekers uit zogenaamde hippies. Bizar gekleed, met vaak zeer lange haren. Variërend in leeftijd van vijftien tot vijfentwintig jaar.’ Sommige bezoekers liepen naakt rond, hadden hun kinderen en huisdieren meegenomen en gebruikten openlijk softdrugs. Het festival verliep volgens Ottevanger daardoor/desondanks ‘volkomen agressieloos’. Eigenlijk kon geen mens er bezwaar tegen hebben.

En, inderdaad, zelfs de Rotterdamse burgemeester Wim Thomassen noemt het verloop van het festival naderhand ‘hartverwarmend’ – al kan hij er eigenlijk pas echt iets over zeggen als de eindbalans is opgemaakt. ‘Één van onze bezorgdheden was de medische en hygiënische kant ervan en of er bepaalde ziekten uit voortkomen, besmettingen of iets van dien aard, dat merken we natuurlijk pas na afloop. Maar tot nu toe zijn we tevreden.’ ’s Mans eigen dochter heeft Kralingen ook bezocht. ‘De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat die vannacht in haar eigen bed is komen te slapen.’

Zij en andere generatiegenoten, tegenwoordig opgezadeld met het predicaat boomer, zullen deze degelijke ‘trip down memory lane’ over het Nederlandse Woodstock ongetwijfeld ook liefdevol omarmen. Terwijl anderen zich erover kunnen verbazen hoeveel van de toenmalige vrijheid sindsdien verloren is gegaan.

Eddy’s Oorlog

Zeppers

‘Kijk naar die familie, man!’ zegt oorlogsfotograaf Eddy van Wessel tegen zijn fikser. Op vrijwel elke andere plek zou het een lieflijk tafereel zijn geweest: een man op een fiets, met zijn zwangere vrouw achterop en een klein jongetje op het stuur. Hun andere kind fietst zelf, voorop. En de hond dartelt lekker mee.

Ze rijden op een modderige weg, langs plassen en kapotgeschoten gebouwen. Vanuit de achtergrond klinken explosies. Van Wessel spoort zijn medewerker aan om hen aan te spreken. Hier is de ravage van de oorlog te zien. Het gezinnetje is alleen al doorgereden. Erachteraan. ‘Doe je raam open en roep naar hen!’ zegt hij dwingend. Tevergeefs. ‘Die fietsfoto kunnen we vergeten.’ Een praatje dan maar. ‘De kinderen zijn niet bang’, zegt de man. ‘Ze leven al hun hele leven in deze situatie.’

De Nederlandse fotograaf kan er met zijn verstand niet bij dat dit gezin zowat op de frontlinie blijft wonen. Waarom vertrekken ze niet? De vrouw zou wel willen, bekent ze, maar ze krijgt haar man niet mee. ‘Straks wordt het winter, dan kunnen ze niet eens meer weg’, zegt Van Wessel tegen documentairemaker Joost van der Valk, die hem voor het zeer enerverende Eddy’s Oorlog (102 min.) een jaar lang volgt naar Oekraïne. ‘Vrouw hoogzwanger. Volkomen gestoord! Sommige mensen snap je echt niet.’

Toch keert Eddy van Wessel, inmiddels vier keer winnaar van een zilveren camera, zelf ook steeds weer terug naar oorlogsgebied. Hij zoekt nog altijd naar de foto die alles zegt. Véél meer dan duizend woorden. ‘Ik werk niet’, zegt hij daarover in dit portret, dat hem vooral in actie laat zien. ‘Ik doe wat ik ben. Daarom is er ook geen manier om ermee te stoppen. Daarom is er ook geen manier om de drang te weerstaan om opnieuw af te reizen. Ik fotografeer letterlijk mijn verbazing. Iedere keer weer.’

Van der Valk (Haagse SjonnieCrips: Strapped N’ Strong & Satudarah – One Blood) verbaast zich dan weer over die verbazing. Al ruim dertig jaar staat de fotograaf met zijn poten in de modder als er ergens oorlog is. Een ander zou allang afgestompt of getraumatiseerd zijn afgehaakt. Van Wessel gaat in plaatsen als Kharkiv en Bakhmut echter nog altijd door riemen en ruiten om te vatten wat oorlog aanricht. Met gevaar voor eigen leven – en dat van de filmmaker die hem naar de frontlinie volgt.

Eddy’s Oorlog slaagt daarmee glansrijk in z’n opzet: zowel de oorlog zelf als Van Wessels betrokkenheid daarbij spatten van het scherm. Het leed, de vernietiging en het verlies, maar ook hoe binnen zulke hachelijke omstandigheden de menselijkheid op de een of andere manier tóch overleeft: hoop, onverzettelijkheid, solidariteit, moed en humor. En altijd is daar die fotograaf, die via een camera op z’n helm soms letterlijk zijn blikveld toont: om ook deze oorlog bij z’n kladden te grijpen.

Is het fotografie of pornografie? vraagt Van Wessel zich hardop af als hij op een landweg het levenloze lichaam van een Russische soldaat probeert vast te leggen. De beste foto zou hij vanuit de berm kunnen maken, maar die vertrouwt hij niet. De Nederlander is sowieso permanent bezig met veiligheid, vertelt hij. En dat zorgt weer voor stress. ‘Het maakt van de beste fotograaf een onbenullige amateur. En dat zie ik soms in mijn foto’s terug. Dat ik denk van: gast, hoe doe je dit?’

Tussen alle enerverende frontliniescènes door toont Joost van der Valk zijn hoofdpersoon ook te midden van zijn gezin, in het landelijke Zweedse huis waar hij een groot deel van het jaar woont. Het contrast is nauwelijks te bevatten – al is het ook de vraag of de film dit per sé nodig heeft. Hooguit om even af te schalen, net als de fotograaf zelf, zodat Eddy’s Oorlog daarna weer in een nieuw jaargetijde verder kan. In een moordend tempo op zoek naar Eddy van Wessels eigen idee-fixe:

Het ene beeld dat alle andere overbodig maakt.

Who I Am Not

VPRO

‘Volgens de Bijbel maakt God geen fouten’, stelt Sharon-Rose Lehlohonolo Khumalo, een knappe verschijning die al eens tot de finale van Miss Zuid-Afrika doordrong, wandelend door een lege kerk. ‘Ik vraag me af of ik geen fout ben. Ik worstel met mannelijke chromosomen in een vrouwenlichaam.’

Terwijl Sharon-Rose plaatsneemt op een kerkbankje, klinkt de galmende stem van een prediker. Hij is begonnen aan dat overbekende verhaal. Over hoe God een man en een vrouw schiep. Dat is ook het uitgangspunt waarmee de wereld naar haar kijkt. Die moet niets hebben van ‘genetische afwijkingen’. Binnen zo’n onveilig klimaat is het vrijwel onmogelijk om er openlijk voor uit te komen dat je met beide geslachtskenmerken geboren bent en dus geen man en ook geen vrouw bent.

Sharon-Rose vindt in de documentaire Who I Am Not (99 min.) van Tünde Skovrán steun bij een andere intersekse-persoon. ‘Mijn ouders zijn vrienden en familie kwijtgeraakt’, vertelt activist Dimakatso Amanda Sebidi. ‘M’n hele bestaan was een probleem.’ Als kind werd Dimakatso, om aan alle onduidelijkheid een einde te maken, diverse malen geopereerd. Daarmee zijn er ingrijpende keuzes gemaakt voor de toekomst, waartoe Dimakatso zich als volwassene maar heeft te verhouden.

Intersekse personen zoals Dimakatso en Sharon-Rose leven nu eenmaal in een wereld die vrijwel volledig is ingericht op mannen en vrouwen. Dit dubbelportret, gemaakt in nauwe samenwerking met de hoofdpersonen, belicht de uitdagingen waarvoor zij worden gesteld. Dit resulteert in bijzonder ongemakkelijke scènes van onder andere een date, sollicitatiegesprek en babyshower, waarbij Sharon-Rose en Dimakatso, veelal onbedoeld en ongewild, in een hele pijnlijke positie worden gemanoeuvreerd.

Zij kunnen niet zijn wat de ander verwacht en mogen ook niet zijn zoals ze zich zelf voelen. Sharon-Rose wil bijvoorbeeld graag een volwaardige vrouw zijn, maar wordt er voortdurend mee geconfronteerd dat ze geen kinderen kan krijgen. Potentiële partners haken doorgaans direct af. En Dimakatso identificeert zich vooral als man, maar wordt in de gemeenschap nauwelijks als zodanig erkend. De twee gelden als een anomalie, een afwijking van de norm die in wezen niet mag bestaan.

Dat gevoel van vervreemding en afwijzing – dat zich niet alleen vanuit de buitenwereld aandient, maar zich ook diep in henzelf heeft genesteld – is door Skovrán vervat in poëtische sequenties, maar komt vooral tot uiting in intieme ontboezemingen van haar protagonisten, ontmoetingen met hun dierbaren en bezoeken aan een gespecialiseerde arts, die zowaar nog verrassingen voor hen in petto heeft. Het resultaat is een dappere en aangrijpende film over de zoektocht naar (zelf)acceptatie.

Paul Blanca, Deze Film Redt Je Leven

Doxy

Zijn carrière begint eind jaren tachtig met een baksteen en een ingeslagen ruit. Die levert hem tijdens de krakersrellen in Amsterdam drie camera’s op. Met één exemplaar, zo wil de overlevering, betaalt Paul Blanca (1958-2021) de taxi waarmee hij zich uit de voeten maakt. Nummer twee gebruikt hij om een schuld, waarschijnlijk vanwege drugs, af te betalen. En met de derde maakt hij de foto’s die uiteindelijk hun weg zullen vinden naar een hele succesvolle tentoonstelling.

Galeriehouder Gabriel Rolt dist het verhaal in Paul Blanca, Deze Film Redt Je Leven (84 min.) smakelijk op aan kunstverzamelaar Roderic Evans-Knaup. In dit intrigerende, geheel in zwart-wit uitgevoerde portret, dat bijna uit zijn voegen barst van de smeuïge anekdotes, probeert Ramón Gieling vat te krijgen op de Nederlandse kunstenaar en zijn provocerende werk. Hij heeft daarvoor ook meerdere ontmoetingen tussen mensen uit Blanca’s tumultueuze leven gearrangeerd.

‘Het was eigenlijk een wandelende atoombom, met duizend procent talent’, concludeert de onlangs overleden fotograaf Erwin Olaf daarbij. Tatoeëerder Louise Schiffmacher snapt Blanca wel, zegt ze tegen haar man Henk. Hij werd als kind immers verlaten door zijn vader. ‘Dan begrijp ik wel dat je langzaam zin krijgt om jezelf pijn te doen.’ Choreograaf Hans van Manen verbaast zich er dan weer over hoever de fotograaf ging als hij een zelfportret maakte. ‘Hij naait zomaar zijn lippen dicht.’

En dan is er dat verhaal over die huilende vrouw. ‘Ik weet niet honderd procent zeker of het zo klopt’, begint Roderic Evans-Knaup. Nadat Blanca met haar had geslapen en drugs ging halen, wilde hij niet dat ze wegging. Daarom sloot hij haar op in de kast. Eenmaal buiten werd Blanca gearresteerd. Hij zat twee dagen in de cel. ‘Toen ie terugkwam, heeft ie haar eruit gelaten en op dat moment die foto van haar gemaakt.’ Beeldschone foto, vindt zijn gesprekspartner Rolt. ‘Maar zo’n verschrikkelijk verhaal.’

Zulke anekdotes worden in deze film vergezeld door Blanca’s Spartaanse zwart-wit beelden. Die leggen regelmatig een zieke performance bloot of verraden doelgericht geweld. Van een man, die is gevormd in een grimmige tijd en flirt met gevaar. De foto van een hand die een revolver richt op een vagina bijvoorbeeld. Een zelfportret met een levende rat in de mond. En ‘s mans rug, waarin met een scheermes Mickey Mouse is gekerfd. Het zijn onrustbarende beelden die zich in de ziel klieven.

Ramón Gieling geeft ze kleur met fraaie, onheilszwangere muziek en heeft daarnaast allerlei mensen bij zijn hoofdpersoon langs gestuurd. Meestal is de man niet thuis, een enkele keer wel. En op één van die momenten slaat de filmmaker zelf toe. Of hij heeft gekoketteerd met de ondergang? vraagt Gieling hem. Is hij beïnvloed door zijn befaamde collega Robert Mapplethorpe? Zijn z’n zelfportretten reflecties van zijn mentale conditie? En, de vraag der vragen: moet een kunstenaar lijden?

Tot slot is er dan nog het verhaal waardoor Paul Blanca persona non grata in zijn eigen wereld is geworden: de bomaanslag waarbij collega-kunstenaar Rob Scholte in 1994 z’n benen kwijtraakt. Die wijst hem naderhand aan als dader. ‘It all matched up’, meent Scholte. ‘And I cannot get this story out of my head.’ Paul Blanca, na jaren aan de zelfkant inmiddels in broze gezondheid, vindt die beschuldiging verschrikkelijk. ‘Het leek wel of míjn benen eraf waren’, zegt hij provocerend.

Het is de treffende slotsom van een onontkoombare film over een man die volgens collega-fotograaf Milan Gies een eenheid vormde met zijn eigen kunst. ‘Hij is wat hij altijd gemaakt heeft en dat is ook waarom hij zo goed is.’

And The King Said, What A Fantastic Machine

September Film

Dit overrompelende filmessay van Axel Danielson en Maximilien van Aertryck ontleent zijn naam aan een treffende anekdote over de Britse koning Edward VII: And The King Said, What A Fantastic Machine (88 min.). Edward liet in 1901 zijn kroning vereeuwigen door de vermaarde cineast George Méliés (1861-1938). Deze registratie, in werkelijkheid opgenomen in een studio met Franse acteurs en figuranten, ging nog dezelfde dag in première in Engeland. De vorst was dolenthousiast over de gebruikte camera: ‘Die is zelfs in staat om delen van de ceremonie vast te leggen die nooit hebben plaatsgevonden.’

Inmiddels zijn we ruim 120 jaar verder en is diezelfde ‘machine’ met geen mogelijkheid meer weg te denken uit ons leven. Eerst leverde die zijn geheel eigen weerspiegeling van de werkelijkheid in de bioscoop, daarna ook thuis op televisie en sinds het begin van de 21e eeuw en de opkomst van het internet en sociale media letterlijk overal. Er valt nauwelijks meer te ontkomen aan wat de camera, en de beelden die deze produceert, teweeg brengt. De lens als pak ‘m beet lakei, waarheidszoeker, meesterverkoper, gluurder, grote gelijkmaker en bedrieger – en wij als zijn slaaf, vastgeketend aan een televisie, beeldscherm of smartphone.

Danielson en Van Aertryck gaan eerst terug naar de uitvinding van de fotografie en film, belichten daarna hoe die in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog een geducht wapen voor propagandisten werd – filmmaakster Leni Riefenstahl kijkt op latere leeftijd nog altijd verlekkerd naar de majestueuze beelden die ze ooit van Hitlers Derde Rijk liet maken – en laten vervolgens zien hoe audiovisuele media tevens een essentiële rol speelden bij het erkennen van de navolgende genocide. Cameramensen kregen de opdracht om de gruwelen van de vernietigingskampen zo expliciet mogelijk vast te leggen. Zodat ontkennen onmogelijk zou zijn.

Met onthullende, grappige en schokkende fragmenten uit alle hoeken en gaten van de beeldgeschiedenis zwieren de Zweedse filmmakers vervolgens via thema’s als perspectief, framing en image naar het heden, waarin elke aardbewoner dagelijks een beeldenbombardement moet zien te overleven. En dan helpt het als je visueel geletterd bent. Want die camera beïnvloedt alles, betogen Danielson en Van Aertryck. Óók – of júist – hoe we naar onszelf kijken. Dit wordt treffend aangetoond met een fragment van enkele Papoea-mannen die voor het eerst een foto van zichzelf onder ogen krijgen. Eerst begrijpen ze niet wat ze zien, daarna blijven ze maar naar zichzelf turen.

And The King Said, What A Fantastic Machine is echter zeker niet alleen een Adam Curtis-achtige geschiedenisles, maar werkt tevens als ongenadige spiegel van deze tijd. Een influencer haalt bijvoorbeeld halsbrekende capriolen uit om gefotografeerd te worden op een wolkenkrabber. De grote emoties die loskomen door de trailer van een nieuwe Star Wars-film. Een chimpansee die ontspannen langs foto’s van zichzelf scrollt op een smartphone. De live-stream van een gamer die viral gaat als hij in slaap sukkelt. En, natuurlijk de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, die waarschijnlijk ondenkbaar was geweest zonder mobieltjes, selfies en social media-accounts.

Het is de naargeestige climax van een verpletterende film, die je hele generaties, van jong tot oud, als een verplicht college mediawijsheid in de maag zou willen splitsen. Zodat eenieder zich staande kan houden in een wereld, die wordt gedomineerd door camera’s.

The Super Models

Apple TV+

In eerste instantie is er twijfel. Gaan ze dit werkelijk doen? De vier bevriende topmodellen, uitgegroeid tot het gezicht van hun generatie, moeten er even over nadenken. George Michael heeft hen gevraagd voor een videoclip. De Britse zanger stelt alleen wel een voorwaarde: het is allemaal of niet. Uiteindelijk besluiten ze gezamenlijk om ‘ja’ te zeggen.

Met hun playback-performance in de video voor Freedom! (1990), geregisseerd door David Fincher, stijgen Naomi CampbellCindy CrawfordLinda Evangelista en Christy Turlington nog eens boven zichzelf uit. Modeontwerper Gianni Versace herkent het moment en laat hen vervolgens tijdens zijn show in Milaan samen over de catwalk paraderen, begeleid door Michaels hitsingle. Het wordt een doorslaand succes. ‘Oké, dus zo is ‘t is om een supermodel te zijn’, concludeert Cindy Crawford.

Roger Ross Williams en Larissa Bills hebben het sleutelmoment in hun carrière precies halverwege de vierdelige docuserie The Super Models (214 min.) geplaatst. Van tevoren hebben de vier iconen hun tamelijk rimpelloze weg naar de top geschetst. Daarna volgen de gloriejaren, waarin ze uitgroeien tot een soort Beatles van de modellenwereld. ‘Voor minder dan tienduizend dollar kom ik mijn bed niet uit’, zal Linda Evangelista dan zeggen – een geruchtmakende uitspraak die ze al snel betreurt.

Toonaangevende modeontwerpers Marc Jacobs, Vivienne Westwood, John Galliano, Donna Karan en Michael Kors, die hier stuk voor stuk de loftrompet over hen steken, komen in de schaduw te staan van de vrouwen die hun collectie presenteren. Zij zorgen voor de bravoure en aandacht. Totdat die glamour zich tegen hen gaat keren. Met de opkomst van grunge en hiphop – en de moord op hun pleitbezorger Versace – komt het supermodellentijdperk halverwege de jaren negentig ten einde.

De laatste aflevering plaatst Naomi, Cindy, Linda en Christy in het hier en nu. Ze zijn inmiddels stuk voor stuk de vijftig gepasseerd, laven zich aan het moederschap en koesteren hun zegeningen en/of likken hun wonden. ‘Ik ben een gewoon mens’, zegt Crawford. ‘En het is mijn baan om ‘Cindy Crawford’ te zijn.’ Behalve roem, status en geld heeft het leven in de spotlights, waarbij de camera soms een loden last werd, hen ook voor uitdagingen gesteld: vooroordelen, kritiek en verslavingen.

Het drama zit met name bij Linda Evangelista. Zij moest zich eerst bevrijden uit haar toxische relatie met de Franse modellenagent Gérald Marie (die onlangs opnieuw in opspraak kwam door allerlei #metoo-beschuldigingen, vervat in de documentaireserie Scouting For Girls: Fashion’s Darkest Secret), kampte daarna met allerlei lichamelijke ongemakken en was ook een hele tijd depressief. Jarenlang is ze uit de buurt gebleven van de camera’s, die ooit zielsveel van haar hielden.

Voor deze aansprekende miniserie is het voormalige Canadese topmodel, dat zich erg kwetsbaar opstelt, echter bereid om samen met haar vriendinnen nog eens voor de camera van fotograaf Steven Meisel te poseren. Het is de vanzelfsprekende apotheose van dit groepsportret, van enkele vrouwen die letterlijk beeldbepalend zijn geweest. En het is al even onvermijdelijk dat dan ook die ene hit van wijlen George Michael weer klinkt: Freedom!

Soviet Bus Stops

http://www.sovietbusstops.com

Het is een variant op urbex fotografie, ook wel ‘urban exploring’ genoemd. De Canadese fotograaf Christopher Herwig legt alleen niet zomaar vervallen gebouwen of verlaten plekken vast, maar heeft zijn geheel eigen specialiteit ontwikkeld: Soviet Bus Stops (57 min.).

Hij doorkruist de voormalige Sovjet-Unie, op zoek naar architectonische hoogstandjes. De ‘bushokjesjager’ begint zijn zoektocht in deze roadmovie, die hij samen met Kristoffer Hegnsvad en Nicholas Zajicek maakte, in de Georgische stad Gori, de geboorteplaats van Jozef Stalin. Aan hem ontleent de documentaire ook zijn leidmotief. ‘Ideeën zijn krachtiger dan wapens’, liet de leider, die ruim dertig jaar met ijzeren hand regeerde, ooit optekenen. ‘We gunnen onze vijanden ook geen wapens. Waarom laten ze dan wel ideeën hebben?’

Ondanks deze dreigende taal durfden sommige ontwerpers wel degelijk een eigenzinnige bushalte te imagineren. Je moet ze alleen wel even zien te vinden, in een natie die inmiddels in vijftien afzonderlijke landen uiteen is gevallen. ‘Ondanks hun bescheiden omvang lijken ze zo moedig’, mijmert Herwig in één van de voice-overs, waarmee de film wordt aangestuurd. ‘Waren deze unieke ontwerpen een daad van rebellie? Een discrete roep om hulp in een samenleving waarin alles aan regels was gebonden? Of moeten ze toch worden beschouwd als Sovjet-propaganda?’

En Herwig wil natuurlijk geen ‘useful idiot’ van een verdorven regime worden. De bushokjes, in al hun kleur, lef en creativiteit, ogen in elk geval als een opmerkelijk vertoon van individualisme, in een natie die zwoer bij collectiviteit. Wie ze ooit heeft ontworpen, is lang niet altijd bekend. Als de fotograaf er toevallig één tegen het lijf loopt, springt hij nog net geen gat in de lucht. Stukje bij beetje komt hij zo op zijn tocht, die wordt begeleid door lekker zielloze synthmuziek, toch steeds meer te weten over die volstrekt eigenzinnige kunstwerken langs de weg.

Een masterplan om ze te behouden en als een soort permanente Sovjet-tentoonstelling beschikbaar te houden, ligt er overigens niet. Deze glorie vergaat onherroepelijk, zo lijkt het. Gelukkig heeft Christopher Herwig de foto’s nog – en wij deze oorspronkelijke film, die een nog altijd tot de verbeelding sprekende wereld documenteert via ‘de poëzie van de weg’.

Fashion Babylon

Bellota Films

Zien en gezien worden. In Fashion Babylon (tv-versie: 52 min.) portretteert regisseur Gianluca Matarrese drie influencers die zich het liefst permanent ophouden in de directe omgeving van modeshows, rode lopers en fotoshoots. De van oorsprong Haïtiaanse veteraan Michele Elie moet bijvoorbeeld soms allerlei trucs uithalen om ergens binnen te komen en probeert dan de aandacht te trekken met buitenissige uitdossingen, die de welvingen van haar lijf alleen maar benadrukken.

‘Ik moet een illusie in stand houden’, zegt de flamboyante Amerikaanse kunstenaar/muzikant Casey Spooner, die eveneens op leeftijd begint te raken, op zijn beurt. ‘Ik moet eruit blijven zien als succesvol, om daadwerkelijk succesvol te worden. En die illusie is dodelijk vermoeiend.’ Terwijl hij voor de buitenwacht allang is doorgedrongen tot de ‘happy few’, heeft Spooner in werkelijkheid vaak geen cent te makken. ‘Eerlijk gezegd ben ik doodmoe, uitgewoond, blut en eenzaam.’

De frisse energie in deze observerende film over de rafelranden van de mode-industrie moet komen van de ambitieuze drag queen Violet Chachki, winnaar van het zevende seizoen van RuPauls tv-programma Drag Race, die een plek in de afscheidsshow van de befaamde Franse modeontwerper Jean Paul Gaultier heeft bemachtigd. Daarmee is Chachki’s kostje echter bepaald nog niet gekocht, want zeker in een wereld die bestaat uit schone schijn kun je ook genadeloos afgeschminkt worden.

Matarrese legt de verwikkelingen van de drie fashionista’s van dichtbij vast, geeft die met barokke muziek extra schwung en drama en schildert zo een vlijmscherp portret van de wereld waarvan zij deel (willen) uitmaken. Die lijkt in eerste instantie volledig te bestaan uit ‘places to be’ en ‘people to meet’, maar neemt met hetzelfde gemak nieuwe discipelen op als dat ze hen weer afstoot. Ofwel: zien en gezien worden óf zijn.

McCurry: The Pursuit Of Colour

Afghan Girl / Steamroller Media

In India kreeg de wereld kleur. Na enkele jaren buffelen voor een kleine krant in Philadelphia vond fotograaf Steve McCurry er in 1978 zijn stem. Hij ging voor het eerst met kleurfilm werken en ontdekte de bloemrijkste taferelen. Via buurland Pakistan belandde de Amerikaanse fotograaf vervolgens in Afghanistan, waar toen een bloedige oorlog met de Sovjet-Unie woedde. McCurry was er gek genoeg helemaal op zijn plek. ‘Hij koos de oorlog niet’, zegt Anthony Bannon, oud directeur van het George Eastman Museum of Photography, daarover. ‘Die koos hem.’

Daar, in dat jarenlange conflict, zou Steve McCurry in 1984 ook zijn beroemdste foto schieten: Afghan Girl, een portret van het twaalfjarige meisje Sharbat Gula dat in een Pakistaans vluchtelingenkamp was beland. Vanaf de cover van het tijdschrift National Geographic leek ze, met haar felgroene ogen, de wereld met een mengeling van wanhoop en verwijten aan te kijken. Pas toen hij enkele maanden later thuis zijn materiaal ging bekijken, ontdekte McCurry wat hij had gemaakt: een soort moderne Mona Lisa, een symbool voor alle slachtoffers van de oorlog.

‘Ik heb mijn leven gewijd aan het najagen van kleur’, zegt hij zelf in McCurry: The Pursuit Of Colour (53 min.). ‘Om de schoonheid van diversiteit uit te drukken.’ Samen met mensen uit zijn directe omgeving, zoals z’n zus Bonnie en vriend/schrijver Paul Theroux, loopt de fotograaf zijn loopbaan door en probeert intussen z’n filosofie onder woorden te brengen. Tegelijkertijd toont regisseur Denis Delestrac hoe de kwieke zeventiger nog altijd als een fotograferende nomade naar alle uithoeken van de wereld afreist, om te laten zien hoe kostbaar het leven is.

Aan het eind van de film komt ook de controverse aan de orde die ooit rond McCurry is ontstaan: in de nabewerking van zijn foto’s zou hij de waarheid nét iets te veel naar zijn hand hebben gezet. ‘Ik ben zeer dankbaar dat iemand dat heeft ontdekt en onder de aandacht heeft gebracht van mij en de wereld’, zegt hij onderkoeld tegen Delestrac. ‘Ik wil ze daar oprecht voor bedanken.’ Die kan zijn oren niet geloven. ‘Dat meen je niet, toch?’ Zijn gesprekspartner begint te lachen. ‘Nee, dat is bullshit.’

Steve McCurry is van mening dat hij als ‘visuele verhalenverteller’ meer artistieke vrijheid heeft dan een willekeurige fotojournalist. ‘Ik fotografeer niet voor jou’, zegt hij ferm. ‘Ik fotografeer ook niet voor iemand anders. Ik fotografeer voor mijn eigen plezier en hoop dat mijn foto’s communiceren. Punt.’ Wie niet beter weet – of gewoon heeft gezien: in de talloze foto’s waarmee dit verzorgde portret is aangekleed – zou bijna gaan denken dat die hele wereld hem gestolen kan worden.

Nothing Compares

Showtime

Natuurlijk ontbreekt dat ene spraakmakende tafereel niet in Nothing Compares (96 min.): het moment waarop zangeres Sinéad O’Connor, een ontaard product van het diep katholieke Ierland, voor het miljoenenpubliek van de Amerikaanse televisieshow Saturday Night Live een foto van de paus verscheurt. Hij zou betrokken zijn geweest bij het afdekken van seksueel misbruik binnen de Ierse kerk.

Als onhandelbare tiener uit een gebroken gezin, die volgens eigen zeggen had geleden onder een loeder van een moeder, was O’Connor ondergebracht geweest bij de nonnen. Die hadden haar met harde hand proberen te disciplineren. Tevergeefs. Op eigen voorwaarden – zwanger en met gemillimeterd haar bijvoorbeeld – werd de zangeres eind jaren tachtig wereldberoemd. En toen, getriggerd door het seksisme waarmee ze vrijwel continu werd geconfronteerd en de publieke afwijzing na het incident met de foto van de paus, begon haar verleden toch op te spelen.

Regisseur Kathryn Ferguson bewaart Sinéad O’Connors psychische aftakeling voor het allerlaatste deel van haar portret en besteedt dan vooral aandacht aan de persoonlijke en maatschappelijke context van O’Connors crises, niet aan de ongetwijfeld pijnlijke details daarvan. ‘Ze braken mijn hart en probeerden me te vermoorden, maar ik ben niet gestorven, zegt de hoofdpersoon zelf over de (misogyne) haat die jarenlang en masse over haar als jonge vrouwelijke artiest werd uitgestort. ‘Ze probeerden me te begraven, maar hadden geen idee dat ik een zaadje was.’

Behalve in de slotscène, waarin Ferguson laat zien dat ze zich nog altijd in ieders hart kan zingen, blijft de vijftiger Sinéad O’Connor volledig buiten beeld in deze stevige film over de eerste jaren van haar tumultueuze carrière. Net als de mensen uit haar directe omgeving die de ontwikkelingen inkaderen. Een film zonder pratende hoofden dus, over een jonge vrouw met een zeer sprekend hoofd. Als O’Connor bijvoorbeeld haar moeder toezingt in haar eerste hit Troy, spuugt haar mond gal en spuwen haar ogen vuur. ‘Er was geen therapie toen ik opgroeide’, zegt ze daar nu over. Ze had ook helemaal niet de ambitie om popster te worden. ‘Ik wilde gewoon schreeuwen.’

Slechts één ding ontbreekt in deze biopic: haar grootste hit Nothing Compares 2 U. Daarvoor wilden de erven van Prince, die het ontwapenende nummer ooit schreef, geen toestemming geven. De beelden van de iconische videoclip, waarin zij met betraande ogen recht in de camera zingt, maken desondanks nog altijd indruk. Hier legt een beeldbepalende artiest van het laatste deel van de twintigste eeuw, zonder geluid, voor het oog van de wereld haar ziel bloot. En daarmee maakt Sinéad O’Connor ook haar publiek weerloos.

Endangered

HBO

’We moeten de mainstream-media vernietigen’, houdt een spreker de achterban van de Braziliaanse president Jair Bolsonaro voor tijdens een politieke bijeenkomst in 2020, waarbij verslaggever Patrícia Campos Mello van de kritische krant Folha De São Paulo gewoon haar vak probeert uit te oefenen. ‘Iemand moet het doen. En het Braziliaanse volk en president Bolsonaro krijgen dat voor elkaar. Die verslaggevers zijn criminelen. Ze moeten worden uitgeroeid.’

Campos Mello heeft het twee jaar eerder, tijdens de verkiezingscampagne van 2018, hoogstpersoonlijk aan de stok gekregen met de Trumpiaanse leider van haar land. Toen zij onwelgevallige artikelen over hem publiceerde, maakte hij haar voor de camera zwart. Ze zou haar ‘gat’ hebben aangeboden, in ruil voor belastende informatie over Bolsonaro. Het is een beproefde methode om vrouwelijke journalisten onschadelijk te maken, waarmee meteen haar hele beroepsgroep in een kwaad daglicht wordt gezet.

Endangered (89 min.), de nieuwe film van het gerenommeerde docuduo Rachel Grady en Heidi Ewing (Jesus CampOne Of Us en Love Fraud), toont een beroepsgroep in de verdrukking. Ook in landen die te boek staan als democratie. De journalistiek komt steeds meer onder vuur te liggen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Mexicaanse fotografe Sáshenka Gutiérrez. Terwijl haar land in de loop van 2020 in de greep komt van Coronavirus, wordt het niet gewaardeerd als zij het regeringsbeleid ter discussie stelt.

In de Verenigde Staten raakt de Afro-Amerikaanse fotograaf Carl Juste verzeild in Black Lives Matter-demonstraties waarbij de politie hard optreedt. Intussen probeert de Britse journalist Oliver Laughland van The Guardian in de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen vat te krijgen op de aanhangers van Donald Trump en hun soms totaal eigen idee van de waarheid, dat achteraf bezien wel tot de gewelddadige bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 móest leiden.

Elk op hun eigen manier moeten de (foto)journalisten in het geladen Endangered zich staande houden in een buitengewoon vijandig klimaat, doelbewust gecreëerd door politieke leiders die hun aanhang wijsmaken dat de pers ‘de vijand van het volk’ is. Grady en Ewing tonen wat het deze bewakers van de vrijheid van meningsuiting, zowel privé als beroepsmatig, kost om ondanks alle desinformatie, intimidatie en het gebruik van de diskwalificerende term ‘fake news’ gewoon hun werk te blijven doen. 

Zo hopen ze het slachtoffer in elke (informatie)oorlog, de waarheid, in elk geval voorlopig nog in leven te houden.

Hitler En De Macht Van Het Beeld

Heinrich Hoffmann / NOS

Al lang voordat hij een machtige leider was, werd Adolf Hitler al als zodanig geportretteerd. Dat was een weloverwogen keuze: als het beeld maar krachtig genoeg is, volgt de werkelijkheid vanzelf. Centraal in die bepalende beeldvorming was Heinrich Hoffmann, de fotograaf van de NSDAP, betoogt Hitler En De Macht Van Het Beeld (135 min.).

Hoffmann zorgde er bijvoorbeeld voor dat Hitler op foto’s altijd centraal in beeld stond, dan streng in de camera tuurde en zo overkwam als een sterke leider. Een echte staatsman, die achter de schermen stiekem op grote gebaren oefende. Beelden waarop de aanstaande Führer als een gewoon kwetsbaar mens was te zien werden natuurlijk zorgvuldig weggehouden van gewone Duitsers. Tegelijkertijd moest hij als een echte man van het volk worden geportretteerd.

Die delicate balanceeract vormt de kern van de eerste aflevering van dit interessante journalistieke drieluik, waarin de beeldonderzoekers Erik Somers en René Kok van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), die onlangs het boek Adolf Hitler, De Beeldbiografie uitbrachten, worden gevolgd bij hun pogingen om Hitlers beeldvoering te reconstrueren. Daarbij komen ook diverse historici, direct betrokkenen en overlevenden aan het woord.

Deel 2 van de miniserie van Mélinde Kassens en Arjan Nieuwenhuizen belicht de periode dat Hitler, na de door propagandaminister Joseph Goebbels gedirigeerde verkiezingscampagne Hitler Über Deutschland, aan de macht komt: de slinkse campagnes om de jeugd aan deze vader des vaderlands te binden, Richard Wagners bombastische muziek, het massamedium radio, de duivels knappe propagandafilms van Leni Riefenstahl en het ultieme witwasevenement, de Olympische Spelen van Berlijn.

In het slot buigt Hitler En De Macht Van Het Beeld zich over de oorlogsjaren, als Adolf Hitler steeds meer een geïsoleerde leider wordt. Op de beelden van die tijd blijft hij echter het onbetwiste ‘Dreh- und Angelpunkt’ van de Duitse oorlogsmachine. Intussen is het onafwendbare verlies van nazi’s nooit te zien. Zulke beelden zijn pas achteraf, toen Hitlers nederlaag al was bezegeld, beschikbaar gekomen. En toen zou er nog veel meer bewijsmateriaal tegen de nazi’s boven tafel komen…

Als Der Führer zijn land, miljoenen mensen en zichzelf in de afgrond heeft gestort, krijgt zijn beeltenis ook zijn definitieve karakter: als verpersoonlijking van het kwaad. Deze miniserie drukt eenieder echter nog eens goed met de neus op de feiten: een leider die de media van zijn tijd beheerst, zowel letterlijk als figuurlijk, kan tot ongekende hoogten stijgen – of voorgaan in een afdaling richting de hel.

Skin + Soul: The Life And Images Of Perry Ogden

Ciara Nic Chormaic

De kracht van dit portret van fotograaf Perry Ogden zit in zijn werk: commerciële klussen voor Vogue, Ralph Lauren en Kent & Curwen of persoonlijke projecten over de zogenaamde Smithfield Pony Kids, het verweesde atelier van schilder Francis Bacon of de opgroeiende Ierse jongens Paddy & Liam (die hij al jaren portretteert). In dat imposante oeuvre komt de man tot leven: in de kleuren, enscenering en – vooral – gezichten van zijn personages.

‘Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in het idee van schoonheid en wat mooi is’, vertelt de Britse fotograaf in Skin + Soul: The Life And Images Of Perry Ogden (53 min.), een fraai ogende film van de Ierse filmmaakster Ciara Nic Chormaic. ‘Daarvoor heb ik niet per sé een topmodel nodig. Ik probeer mensen te vinden die ik mooi vind en die diepte hebben. Als je in hun ogen kijkt, moet je het gevoel hebben dat er nog iets achter zit.’ En via hen kijken we waarschijnlijk naar hem, de man achter de camera.

Ogden is alleen geen heel enerverende verteller. Tamelijk droog vertelt hij over zijn werk, dat zich op het grensvlak van mode, kunst en documentaire afspeelt. En waarvoor hij, als het enigszins kan, buiten de studio aan het werk gaat. In het echte leven, dat hij dan wel naar zijn hand zet. Dit uitgangspunt wordt door Chormaic optimaal uitgebuit. Deze documentaire bevat prachtige plaatjes van een man in zijn element, op idyllische locaties.

Ze volgt Ogden bij enkele projecten en laat haar hoofdpersoon tussendoor vertellen over zijn carrière. Die heeft hem van het Engelse platteland via (punky) Londen en New York naar Dublin gebracht. De focus ligt in deze documentaire ook bij zijn werk. Pas in de slotscène, als hij zich voor een fotoshoot omringt met directe familie, toont Ogden een tedere glimlach die de hele verdere film verscholen is gebleven achter serieuze bespiegelingen over zijn vak.

The Mirror And The Window

Doxy

Hij laat een foto van een klein meisje zien. Als filmmaker/editor weet Danniel Danniel als geen ander dat elke film een belofte inhoudt. Hij had daarvoor eerst een pistool in gedachten. Als hij die in het begin zou laten zien, zou de kijker vast benieuwd zijn wanneer, door wie en waarom ermee zou worden geschoten. Maar hoe kom je aan een wapen in Nederland? En hoe zou hij de film daarmee dan moeten afronden? Zijn belofte wordt dus een foto van een onbekend kind. En dat moet aan het einde van de film dan terugkomen.

Danniel weet dat hij niet meer lang zal leven en heeft zijn vriend Diego Gutiérrez gevraagd om hem te filmen. Ze spreken regelmatig af in een Nederlands restaurant, waar Danniel zich op een vreemde manier thuis voelt. Juist omdat het zo’n onpersoonlijke plek is en de echte allure ervan tot het verleden behoort. Intussen is ook Gina Coppe, de moeder van Gutiérrez, aanbeland in de allerlaatste fase van haar leven. In haar woning in Mexico-Stad, waar ze persoonlijke verzorging krijgt, vertelt ze over de relatie met zijn vader en mijmert ze over de liefde van haar leven, waarmee ze hem bedroog.

In The Mirror And The Window (93 min.) portretteert de Mexicaanse filmmaker, die vanuit Nederland opereert, deze twee mensen van wie hij afscheid zal moeten nemen. Hij doorsnijdt hun verhalen met beelden van een bootreis naar Antarctica, daar waar de mens zich nauwelijks doet gelden en de natuurlijke orde der dingen ongestoord zijn gang kan gaan. Die moet ongetwijfeld hun tocht naar het einde weerspiegelen. ‘Daniel en mijn moeder, ik heb het gevoel dat ik twee brandende kaarsen film die me vragen om door te gaan met filmen’, verzucht Gutiérrez in één van de voice-overs waarmee hij de film bijeenhoudt. ‘Zelfs als de kaars uitdooft.’

Ondanks het pistool dat de hele tijd boven de vertelling hangt, in de vorm van de foto van een ‘meisje’, blijft die tamelijk taai. Voor een buitenstaander blijft het zoeken naar de betekenis van de intieme scènes en gesprekken die hem worden voorgeschoteld. Zoals de direct betrokkenen zelf, aan de vooravond van hun levenseinde, ook naarstig op zoek zijn naar zingeving. Ze editten hun leven, selecteren de scènes die in hun verhaal te pas komen en laten de rest achterwege, als ruw materiaal dat ze liever voor zichzelf houden. Intussen komt het aangekondigde einde naderbij, in een zoekende film die wil aanzetten tot bespiegeling.

Foto-Eddy: De Negatieven Van Mijn Vader

NTR

Voor een artikel voor Vrij Nederland over de autolobby en Neerlands overvolle wegennetwerk zou hij halverwege de jaren zeventig de fotografie verzorgen. Enkele dagen voor de deadline overlegde Eddy de Jongh een enorme stapel foto’s op de redactie van het weekblad. ‘Er stonden bijna geen auto’s op’, herinnert een collega zich nog altijd verbaasd. ‘Doodstille straten’, vertelt een ander. Eddy haalde hulpeloos zijn schouders op: ‘Ja, ze waren er niet.’ Nog jaren later kreeg de schrijver van het artikel, Gerard Mulder, volgens eigen zeggen af en toe telefoontjes van de fotograaf. ‘Die zei dan met een soort grafstem: kijk op de klok. Ik zei: ja, het is vijf uur. Dan zei ie: en geen files! Ik zeg het je maar even: geen files!’

Zulke verhalen waren er in overvloed over Eddy de Jongh (1920-2002), die tevens jarenlang voor het NOS Journaal werkte. Was het onhandigheid of opzet, onderdeel van een soort zelfvernietiging? Zoon David gaat in de documentaire Foto-Eddy – Negatieven Van Mijn Vader (83 min.) uit 2013 met collega’s, andere kinderen en ex-vrouwen (vijf in getal, David is uit huwelijk vier) op onderzoek uit in het turbulente leven van zijn vader. De naam Foto-Eddy kreeg hij omdat er nog een andere Eddy in de familie was, een neef die internationale faam zou verwerven als kunsthistoricus. Ofwel: Kunst-Eddy. Ze waren de enige twee van hun familie, niet-gelovige Joden, die de Tweede Wereldoorlog overleefden.

Dat leek heel lang geen thema in het leven van Eddy de Jongh. Althans, er werd niet over gesproken. Er waren ook genoeg andere gespreksonderwerpen: drank, schulden en vrouwen bijvoorbeeld. Altijd weer vrouwen. ‘Bij elk opwaaiend zomerjurkje gingen de hormonen alweer de Bolero dansen’, zegt een vriendin. ‘Een rokkenjager eerste klas’, noemt een collega hem. ‘Verliefd zijn is een ziekte’, constateert Eddy zelf in één van de interviews, vastgelegd op ouderwetse audiocassettes, die David ooit met hem deed. ‘Maar een heerlijke ziekte.’ Nadat hij zich een delirium had gedronken en daarna even was opgenomen in een psychiatrische kliniek beschreef Eddy ’t aan Davids moeder Toos ooit als volgt: ‘Het neuken staat mij nader dan het lachen.’

Zo’n vent – een flierefluiter waar je nooit helemaal nooit vat op kreeg, een kerel die de oorlog de leukste tijd van zijn leven noemde en een man waarop je met geen mogelijkheid boos kon worden en die zijn laatste echtgenote tóch tot razernij dreef – is natuurlijk een tot de verbeelding sprekend filmpersonage. David de Jongh smeedt Eddys lotgevallen bovendien hoogstpersoonlijk aaneen met een nuchtere voice-over, onderkoelde humor en swingende jazzmuziek (die de man zelf ook wel had kunnen waarderen). Behalve een fijn postuum portret van zijn vader is Foto-Eddy ook een boeiend document geworden over de tijd dat Vrij Nederland nog de dienst uitmaakte in de door allerlei kleurrijke figuren bevolkte journalistiek.

En te langen leste bleken die autoloze wegen zowaar ook nog hun eigen verhaal te hebben…

Foto-Eddy: De Negatieven Van Mijn Vader is hier te bekijken. En op David de Jonghs YouTube-account zijn allerlei extra’s te vinden.

Four Journeys

Op de foto die van het gezin werd gemaakt op het Plein van de Hemelse Vrede, met op de achtergrond een afbeelding van de grote leider Mao, staan drie mensen: Louis‘ moeder, zijn vader en z’n oudere zus. Louis Hothothot (echte naam: Louis Yi Liu) zelf ontbreekt op de Tiananmen-familiefoto, waarnaar hij onlangs flink heeft moeten zoeken in zijn ouderlijk huis. Althans, hij is er niet op te zien. Louis zit dan nog in de buik van zijn moeder. En zij is naarstig op zoek naar een plek om in stilte te bevallen.

Officieel mocht hij niet bestaan, als tweede kind. Ten tijde van zijn geboorte in 1986 stond de Chinese overheid gezinnen slechts één nakomeling toe. Hij was dus illegaal. Zijn vader moest ervoor boeten. Letterlijk. Dat tweede kind kostte hem zo’n drie jaarsalarissen en zijn politieke carrière. Het is en blijft voor alle partijen een lastig thema, dat vanzelfsprekend tóch komt bovendrijven als Hothothot, die vijf jaar in Europa heeft gebivakkeerd, zijn ouders en zus gaat opzoeken in hun nieuwe appartement te Beijing.

Louis Hothothot snijdt in de persoonlijke documentaire Four Journeys (112 min.), die hij met intieme, bijna gefluisterde voice-overs tot een eenheid smeedt, wel vaker gevoelige thema’s aan: de broze verhouding die hij heeft met z’n vader en moeder, de steeds weer opspelende jaloezie tussen hem en zijn zus en die ene olifant in de kamer, een onderwerp dat eigenlijk te pijnlijk is om ter sprake te brengen en misschien juist daarom wel aan de orde moet komen. Omdat ook dat anders tussen hen in blijft staan.

Nadat hij bij hen op bezoek is geweest, ontvangt Louis zijn ouders en zus, die langzamerhand zo’n typische, in China betreurde ‘leftover woman’ dreigt te worden, in zijn huidige thuisbasis Amsterdam. Daar komt ook de vraag op tafel of het dan niet hoog tijd is dat hij en zijn Franse vriendin Artemise ook eens over kinderen – meervoud! – gaan nadenken. Waar ooit de eenkindpolitiek regeerde, dreigt nu immers vergrijzing. En waar de onderlinge verhoudingen soms gespannen zijn, moeten de familiebanden in deze delicate film nodig worden aangehaald.

Four Journeys ontwikkelt zich zo tot een universeel familieverhaal, waarin desondanks op alle mogelijke manieren de moderne Chinese historie doorklinkt.

Hondros

Netflix

Het is gemakkelijk om oorlogsfotografen te reduceren tot een eenvoudige stereotype: de ‘thrill seekende lone wolf’. Een man van weinig woorden, die zich met zijn camera staande weet te houden in een machowereld waarin veel gelegenheid is voor bravado en – wellicht uit puur zelfbehoud – heel weinig ruimte voor introspectie.

‘Het probleem van oorlogsfotografie is dat je het nu eenmaal niet vanaf een afstandje kunt doen’, zegt Chris Hondros droog in deze aan hem gewijde film van zijn vriend en collega Greg Campbell. Hondros (92 min.) kwam uiteindelijk toch te dichtbij: hij overleed tijdens een mortieraanval in Libië in 2011.

In de voorafgaande decennia struinde de Amerikaanse fotograaf alle mogelijke oorlogsgebieden af. Hij maakte in die periode zeker twee klassieke foto’s: een uitzinnige Liberiaanse kindsoldaat (2003), die zojuist een raket heeft afgevuurd, en een huilend meisje in Irak (2005) waarvan de ouders even daarvoor een bevel om met hun auto te stoppen hebben genegeerd en vervolgens door het Amerikaanse leger zijn doodgeschoten.

Campbell exploreert in deze film niet alleen het leven en werk van zijn dierbare vriend, die volgens zijn eigen moeder in 41 jaar meer meemaakte dan menigeen in dubbel zoveel jaren, maar gaat ook op zoek naar de hoofdrolspelers van zijn klassieke foto’s en kijkt met hen wat er daarna gebeurde. Dat geeft dit postume eerbetoon aan de gelauwerde oorlogsfotograaf echt meerwaarde.

Tijdens de aanval die Chris Hondros het leven kostte stierf ook de Britse fotograaf Tim Hetherington, die de Oscar-winnende documentaire Restrepo maakte. Over hem werd eveneens een documentaire gemaakt: Which Way Is The Frontline From Here?: The Life And Time Of Tim Hetherington.

Het turbulente leven van oorlogsfotografen leent zich sowieso goed voor een documentaire. Zo zijn er al films gewijd aan ‘war photographer’ James Nachtwey, Kevin Carter (lid van de beruchte Bang Bang Club) en James Foley, de fotojournalist die werd onthoofd door IS.

Ook interessant (en bovendien online te bekijken): de documentaire Underfire: The Untold Story Of Pfc. Tony Vaccaro, een Amerikaanse soldaat die de Tweede Wereldoorlog van binnenuit vastlegde.

Instant Dreams


‘De dood van een vriend’, noemt Christopher Bonanos, de schrijver van het boek Instant: The Story Of Polaroid, ‘t met gevoel voor drama. Dat fatale moment in 2008 waarop Polaroid besloot om te stoppen met de productie van direct klaar-films. Tien jaar later, in een tijdsgewricht waarin letterlijk iedereen aan de lopende band digitale foto’s maakt, zijn er nog steeds romantici die zweren bij analoge fotografie.

De instant film moet opnieuw worden uitgevonden, vinden zij. Zoals bepaalde muziekliefhebbers een terugkeer naar vinyl of cassettebandjes bepleiten. Terug naar imperfectie, de menselijke maat. Het gecompliceerde chemische proces waarmee een Polaroid-foto zichzelf binnen enkele minuten realiseert is alleen bepaald niet gemakkelijk te reproduceren, stelt de gepensioneerde chemicus Stephen Herschen die ooit werkte met de grote man van Polaroid, Edwin Land.

In Instant Dreams, waarvan donderdag de televisieversie (53 min.) wordt uitgezonden, belicht regisseur Willem Baptist een kleine parallelle wereld waarin de Polaroid wordt geïdealiseerd. Dat is beslist een socialere wereld, betoogt pleitbezorger Bonanos. Terwijl je wacht op hoe de foto die je zojuist hebt geschoten zich ontwikkelt, ontstaan er als vanzelf gesprekken. En niet veel later worden de verschillende Polaroids natuurlijk met elkaar vergeleken. Nu gunnen we elkaar niet meer zoveel tijd en aandacht, wil hij maar zeggen.

Baptist laat zijn personages, waaronder ook de Duitse fotografe Stefanie Schneider die de laatste Polaroids uit een speciale koelkast wegwerkt tijdens fotosessies in de Californische woestijn, uitgebreid filosoferen over de hedendaagse tijd en plaatst hun gedachtespinsels in een zinnenprikkelende trip van beeld, geluid en muziek. Instant Dreams bevat geen lineair verteld verhaal en roept meer vragen op dan worden beantwoord, maar overtuigt als volledig gesatureerde snapshot van een verloren tijd, waarin je als kijker even helemaal kunt verdwijnen.

Raghu Rai, An Unframed Portrait

KRO-NCRV

Hoeveel kans heeft een kind dat in de voetsporen van een beroemde ouder treedt om daadwerkelijk uit zijn/haar schaduw te stappen? Avani Rai maakt op een zeer verdienstelijk niveau foto’s, maar of ze daarmee ooit ook maar in de buurt kan komen van haar befaamde vader Raghu valt te betwijfelen.

Tijdens het maken van deze persoonlijke film over de Indiase fotograaf, die meer dan vijftig boeken publiceerde en danig van zich deed spreken met zijn werk over Moeder Teresa, het Bhopal-gifschandaal en de Dalai Lama, is die verhouding tussen vader en dochter in alles voelbaar. Hoewel hij eigenlijk het subject is van de film, geeft Pa Rai Avani regelmatig aanwijzingen en corrigeert hij haar ook als hij dat nodig acht.

Raghu Rai is een dwingende, eigenzinnige man, zo toont Avani’s egodocumentaire Raghu Rai: An Unframed Portrait (54 min.) feilloos aan. Een karaktereigenschap die, gepaard aan ’s mans opvallende sensitiviteit, ongetwijfeld ook debet is geweest aan zijn wereldwijde succes. Zijn dochter probeert haar veeleisende vader, diens indringende werk en hun relatie intussen met filosofisch getinte voice-overs in te kaderen.

De documentaire hinkt daardoor wel een beetje op twee gedachten; Avani wil enerzijds de schurende vader-dochter relatie in beeld brengen (wat niet helemaal uit de verf komt), maar ook een overzicht geven van zowel zijn imposante fotografie als de personen en ontwikkelingen die hij daarin heeft vereeuwigd. Dat is wat veel gevraagd. Uiteindelijk zijn het vooral die fraaie en diep menselijke foto’s, die een plek in je hart veroveren.

Visages Villages


Je kunt allerlei grote woorden verbinden aan deze film en het bijbehorende kunstproject: lofzang op de gewone man, een eerste stap in diens empowerment en het vergroten van sociale cohesie in het algemeen. Je kunt ook gewoon een hopeloos romantische viering van het leven zien in Visages Villages (93 min.), een kostelijke roadmovie van de bijna negentigjarige nouvelle vague-filmster Agnès Varda en de ruim een halve eeuw jongere fotograffiti-kunstenaar JR.

Het idee is even simpel als effectief: Varda en JR reizen samen in een mobiele fotostudio door het platteland van Frankrijk. Ze ontmoeten plaatselijke bewoners, fotograferen hen en maken van die foto’s grote prints die ze op treffende plekken in de directe omgeving plakken. Gewone mensen worden zo letterlijk metershoge helden. De laatste bewoonster van een rij mijnwerkerswoningen, die op de nominatie staan om te worden gesloopt, wordt bijvoorbeeld vereeuwigd op de muur. Net als enkele mannen die er jarenlang naar het diepste der aarde afdaalden.

Het is geen kunst voor de eeuwigheid; regen, wind of gewoon overijverige ambtenaren kunnen wat vandaag nog fier of olijk op een muur prijkt morgen zomaar hebben weggewerkt. Dat is ook niet erg. Het speelse duo is dan alweer op een volgende plek. Bij boeren die de hoorns van geiten wegbranden en anderen die daartegen ageren. Bij een sympathieke postbode die heel aardig blijkt te kunnen schilderen. Of bij dokwerkers in de haven van Le Havre, waar ze nu eens de vrouwen in het zonnetje zetten – of beter: op een enorme stapel containers.

Gaandeweg verdiept ook de band tussen de twee reisgenoten zich en krijgt deze documentaire een wat introspectiever karakter – al blijft er altijd meer dan genoeg lucht om het hart. Hij stelt haar voor aan zijn grootmoeder, zij neemt hem mee naar plekken waar nog onvoltooid verleden ligt. Tijd om daarmee aan de slag te gaan! Want alleen nostalgie is aan de hoogbejaarde filmmaakster nog altijd niet besteed. Ze barst van de levenslust en wil nieuwe beelden creëren zolang haar ogen, die zienderogen slechter worden, het toelaten. En hij is oprecht geïnteresseerd in alles en iedereen.

Samen maken ze van Visages Villages, ook wel bekend onder de Engelse titel Faces Places, een aanstekelijke ode aan het bestaan, waarin het gewone algauw heel bijzonder wordt.