Fauci

Disney+

Hij kwam in zijn lange loopbaan tweemaal in de frontlinie van een enorme gezondheidscrisis te staan. Tijdens de AIDS-epidemie van begin jaren tachtig, toen het HIV-virus huishield in de homoseksuele gemeenschap van de Verenigde Staten, werd wetenschapper Anthony Fauci het gezicht van de falende respons van de Regering Reagan. Gay America voelde zich op geen enkele manier serieus genomen en was woedend. AIDS-activist Larry Kramer vergeleek hem zelfs met een moordenaar. Fauci (104 min.) moest zijn benadering echt fundamenteel bijstellen om het tij te kunnen keren. Tegenwoordig wordt de gedreven immunoloog beschouwd als een sleutelfiguur in de bestrijding van AIDS.

Een kleine veertig jaar later zou Anthony Fauci voor nog veel hetere vuren komen te staan en zowaar uitgroeien tot een Bekende Amerikaan. In de loop van 2020 werd hij tijdens de Coronacrisis een haatobject voor elke zichzelf respecterende Trump-supporter. Fire Fauci, scandeerde het publiek tijdens politieke toespraken van de Republikeinse president. Er werd zelfs een wetsvoorstel ingediend om dat daadwerkelijk te regelen. Rechtse talkshowhosts spraken geringschattend over ‘Dr. Doom’ en haalden hem zo’n beetje dagelijks door het slijk. En Donald Trump zelf liet geen gelegenheid onbenut om de bekendste gezondheidsfunctionaris van het land van onder uit de zak te geven.

Anthony Fauci had ‘t er natuurlijk zelf naar gemaakt: hij sprak de Amerikaanse president geregeld tegen als het ging over het Coronavirus en baseerde zich daarbij nog op wetenschappelijk onderzoek ook! Het kwam hem en zijn vrouw en kinderen op serieuze bedreigingen te staan (en maakte van de tachtigjarige Fauci tevens een soort superheld voor Links Amerika). Die pijnlijke episode – nog geen jaar geleden en toch al ver weggezakt in het collectieve geheugen – vormt het centrale verhaal van dit boeiende portret, dat parallel daaraan ook de AIDS-crisis belicht en nog een uitstapje maakt naar de bestrijding van Ebola.

De documentairemakers John Hoffman en Janet Tobias laten behalve Anthony Fauci zelf, zijn echtgenote Christine en hun dochter Jenny ook collega’s, homo-activisten en oud-president George W. Bush en U2-zanger Bono, met wie hij tegen de verspreiding van AIDS in Afrika streed, aan het woord. Uit die gesprekken komt een beeld van Fauci als een onkreukbare overheidsfunctionaris, die zich onvermoeibaar, desnoods ten koste van zijn eigen gezin, inzet voor de goede zaak en daardoor zowel aan het begin (AIDS) als aan het eind (COVID-19) van zijn carrière echt heeft kunnen floreren. Dit portret krijgt daarmee het karakter van een eerbetoon. En dat lijkt niet eens onterecht…

Pride

Disney +

Vóór de Stonewall-rellen, die in 1969 de Amerikaanse LGBTQ-beweging zouden aanjagen, bestonden er natuurlijk ook al homoseksuelen en lesbiennes in de Verenigde Staten. En die leefden soms een beter leven dan je nu zou denken, betogen enkele sprekers in de eerste aflevering van de zesdelige serie Pride (247 min.). De films van Hal O’Neal van halverwege de twintigste eeuw, waarin halfnaakte mannen frank en vrij met elkaar lijken om te gaan, leveren het bijbehorende bewijsmateriaal.

Open konden ze daar natuurlijk niet over zijn. Homoseksualiteit moest met alle mogelijke middelen worden afgeschermd van de buitenwereld. Anders kon het slecht met je aflopen. Of met je directe omgeving. Dat wordt op een bijzonder pijnlijke manier duidelijk in diezelfde eerste episode, als de Democratische senator Lester Hunt in 1954 een einde aan zijn leven maakt. Zijn Republikeinse collega Joe McCarthy, de man ook achter de genadeloze heksenjacht op communisten, is erachter gekomen dat Hunts zoon is gearresteerd vanwege onzedelijke handelingen met een andere man.

Het is één van de ‘vergeten’ verhalen in deze oerdegelijke serie, de Amerikaanse tegenhanger van Michiel van Erps De Roze Revolutie, die de LGBTQ-emancipatiestrijd van de afgelopen eeuw belicht met centrale spelers en een karrenvracht aan fraai archiefmateriaal. Daarbij komen natuurlijk bekende thema’s aan de orde, zoals de epische strijd met religieus rechts over Proposition 6 (waarmee homo’s uit het onderwijs moesten worden geweerd), het verpletterende AIDS-drama in de jaren tachtig en de cultuuroorlog van de nineties die uiteindelijk zou uitmonden in het homohuwelijk.

Het interessantst wordt Pride evenwel als de reeks minder bekende afslagen neemt: de verhouding van LGBTQ-activisten tot de burgerrechtenbeweging, het ontstaan van de drag- en ballroomscene of de strubbelingen van lesbiennes met sommige feministen, die hen als een bedreiging zagen voor hun eigen imago, de zogenaamde Lavender Menace. Deze grote maatschappelijke verhalen worden gestut met kleine menselijke getuigenissen. Van homo’s, lesbiennes en transgenders die hun eigen persoonlijke strijd moesten voeren om te kunnen zijn wie ze altijd al waren of wilden zijn.

Bittere noodzaak, aldus de activistische comedian Robin Tyler, die de kast waar ze uit moest komen treffend omschrijft als ‘een verticale doodskist’. Pas daarna kon het leven echt beginnen. Trots.

Hating Peter Tatchell

Netflix

Een homo was toch een viezerik die jonge jongens aanrandde? Hoewel klasgenoten regelmatig grapten dat hij gay was, kon Peter Tatchell zich als opgroeiende tiener in Melbourne helemaal niet indenken dat hij zelf homoseksueel zou kunnen zijn. Totdat hij in 1968 bij zijn eerste baantje thuis werd uitgenodigd door een collega. Ze genoten van een diner en hadden daarna seks. ‘Als dit is wat gay is’, dacht Peter volgens eigen zeggen, ‘ben ik gay.’

Zijn gesprekspartner, de Britse topacteur Ian McKellen, moet erom glimlachen. Hij lijkt zich wel in het verhaal te herkennen. Er was maar één probleem: Tatchells ouders waren zwaar christelijk, vertelt hij in Hating Peter Tatchell (91 min.). Hij was bang dat ze hem zouden aangeven bij de politie. Peters moeder, dik in de negentig inmiddels, heeft er overigens nog altijd moeite mee om te zeggen dat gay zijn oké is. En zijn zus Heather lijkt zich daar weer een beetje voor te schamen.

Omdat hij zijn dienstplicht niet tijdens de oorlog in Vietnam wilde vervullen, vertrok Peter Tatchell uiteindelijk naar Groot-Brittannië. Daar zou hij uitgroeien tot een bekend gezicht van de emancipatiebeweging Gay Liberation Front. Toen hij zich in 1981 namens de Labour Party kandidaat stelde voor het Britse parlement, werd Tatchell echter genadeloos kalt gestelld met een lastercampagne. De AIDS-crisis zou de boodschap er vervolgens nóg duidelijker in hameren: echte homoacceptatie moest op een andere manier worden bewerkstelligd.

Met de provocerende acties van Outrage!, en daarachter de meer overleggezinde belangenorganisatie Stonewall, zetten Tatchell en zijn medestanders hun strijd voort. Daarvan zijn in deze documentaire van Christopher Amos talloze omstreden voorbeelden opgenomen; van mannen die zichzelf gaan aangeven bij de politie omdat ze zich schuldig hebben gemaakt aan seksmisdaden (zoenen in het openbaar) tot het ongevraagd outen van bekende Britten die in het openbaar anti-homoregelingen steunden (zoals bijvoorbeeld de toenmalige bisschop van Londen).

Zelfverdediging, noemt Peter Tatchell dat tegenover interviewer McKellen. En zéér effectief: geen van de in opspraak gebrachte kerkleiders heeft zich daarna nog tegen homo’s uitgesproken. Ook in eigen kring kwam er echter veel kritiek op deze tactiek van de verschroeide aarde. Het was een egotrip, volgens de één. Dogmatisch en arrogant, volgens een ander. En hijzelf werd een ‘homofascist’ en ‘queer terrorist’ genoemd. Dat was zwaar, zegt Tatchell nu, maar hij draagt die bijnamen tegelijkertijd met trots.

Terwijl hij in dit scherpe portret ontspannen terugblikt op zijn activisme, schermt de vleesgeworden demonstrant zijn privéleven zoveel mogelijk af. Hij heeft al genoeg (verbaal) geweld te verduren gekregen. Hating Peter Tatchell belicht daarom vooral ‘s mans publieke bestaan, dat al een halve eeuw omspant en zich inmiddels uitstrekt tot zo’n beetje alle mensenrechten. De persoon achter de activist openbaart zich dus hoofdzakelijk in de acties zelf, waarin hij ook op gevorderde leeftijd nog met gevaar voor lijf en leden de confrontatie blijft zoeken.

Killing Patient Zero

Hij is de geschiedenis ingegaan als de man die AIDS hoogstpersoonlijk naar de Verenigde Staten had gebracht. Ofwel: Patient Zero. Gaétan Dugas, een flamboyante purser van de vliegmaatschappij Air Canada met een ongezonde seksuele behoefte. Hij had meer ‘fuckbuddies’ dan goed was voor wie dan ook. Goed, Gaétan zou zelf in 1984 bezwijken aan dat fatale virus, maar van tevoren wist hij het nog lekker rond te neuken. Totdat iedere … (vul scheldwoord in) doodsbang was voor die ‘homokanker’.

Tot zover de kwaadaardige karikatuur die van Dugas is gemaakt: de culminatie van alle vooroordelen die conservatieve Amerikanen over homo’s hadden, de stok om een complete gemeenschap mee te slaan. In deze documentaire maakt Laurie Lynd, nadat hij met prominente LGBT’ers zoals Fran Lebowitz, Richard Berkowitz en B. Ruby Rich eerst de AIDS-crisis nog eens tot in detail heeft doorgelopen, korte metten met die halfbakken theorie. Killing Patient Zero (98 min.), juist.

Dugas was niet zozeer slachtoffer van zijn eigen hedonistische gedrag – en daarmee ook een soort dader, die moedwillig het virus zou hebben verspreid – maar een klassieke zondebok. En de benaming Patient Zero zelfs het gevolg van een stom misverstand: de O van ‘Out of California’ was aangezien voor een 0. En die nul bombardeerde hem, de man die in tegenstelling tot veel andere gays geen last van ‘geïnternaliseerde homohaat’ had, vervolgens tot de bron van al het HIV-kwaad.

Bill Darrow, onderzoeker van de AIDS Task Force van het Amerikaanse Centers for Disease Control And Prevention, kan er nog altijd niet over uit. Zijn ‘cluster study’ kwam volledig verminkt terecht in het boek And The Band Played On van Randy Shilts, die daarmee het hardvochtige beleid van de regering Reagan ten aanzien van de AIDS-epidemie genadeloos aan de kaak wilde stellen. En passant werd een willekeurige homoseksuele man, ook nog postuum, gebrandmerkt als een gevaar voor de volksgezondheid.

Deze krachtige film maakt van de archetypische losbandige homo uit de jaren zeventig Gaétan Dugas weer een mens van vlees en bloed en voegt zo – in navolging van documentaires als Larry Kramer: In Love And AngerHow To Survive A Plague en 5B – opnieuw een gezicht toe aan de schier eindeloze galerij van AIDS-slachtoffers. Zij representeren een tijd waarin homo’s genadeloos werden afgerekend op het feit dat ze de pasverworven vrijheid om te zijn wie ze altijd al waren in de praktijk hadden gebracht.

The Reagans

Showtime

Het was destijds voor veel Nederlanders waarschijnlijk nauwelijks voor te stellen dat de figuur Ronald Reagan, een voormalige acteur die nooit president van de Verenigde Staten (1981-1989) had mogen worden, ooit nostalgische gevoelens zou kunnen oproepen. Nooit meer zou een man immers zo evident ongeschikt zijn voor het ambt dat hij mocht bekleden. En toen, een kleine dertig jaar later, werd Donald Trump gekozen tot president en begon het Republikeinse icoon Reagan steeds meer te lijken op een adequate vertegenwoordiger van betere tijden.

Deze vierdelige docuserie van Matt Tyrnauer heet echter niet voor niets The Reagans (218 min.). Meervoud. Want achter deze ‘all American hero’ staat niet zomaar een representatieve echtgenote of glamoureus fotomodel, maar een kleine, vinnige dame: Nancy Davis, een voormalige actrice die haar ‘Ronnie’ naar grote hoogten zou dirigeren en – ondanks een aanzienlijke collectie charmante mantelpakjes – thuis stevig de broek aanhad. Zonder Nancy is Reagans opmars van verdienstelijke bijrolspeler, voorzitter van de acteursvakbond en rondreizend uithangbord voor General Electric tot eerst gouverneur van de staat Californië en daarna Amerikaans president volstrekt ondenkbaar.

Die heldhaftige klim naar ‘this shining city upon a hill’, waarbij Reagan en zijn echtgenote de mythe van Amerika consequent verkozen boven de soms barre realiteit, wordt in deze gedegen dubbelbiografie met een karrenvracht aan fraai archiefmateriaal en een keur aan bronnen gereconstrueerd. Van de onvermijdelijke biografen, journalisten en historici tot insiders zoals James Baker, George Shultz en Stu Spencer. Zij aanschouwden van spuugafstand hoe de Reagans opereerden als politiek tweemanschap.

De teneur van de serie is opvallend kritisch. Tyrnauer zoomt bijvoorbeeld in op hoe Ronald een ommezwaai van links naar rechts maakte, waarbij hij slim inspeelde op ressentiment bij witte Amerikanen, zijn eigen (fictieve) ‘welfare queen’ introduceerde en nauwelijks begrip toonde voor bevolkingsgroepen die zich niet thuis voelden in zijn geïdealiseerde versie van Amerika. Was zijn vader misschien een racist? Zoon Ron Jr, die zich al vaker kritisch heeft uitgelaten over de verrichtingen van zijn ouders, vindt het een lastige vraag. Ook al kan hij zich niet herinneren dat thuis ooit het N-woord werd gebezigd.

Junior kreeg zijn vader in elk geval niet aan z’n verstand gepeuterd dat alleen de rijken profiteerden van Reaganomics en dat zijn rigoureuze bezuinigingen juist de kwetsbaarste Amerikanen troffen. Intussen liet zijn moeder Het Witte Huis opnieuw decoreren en kreeg ze aan de lopende band nieuwe designerjurkjes aangemeten. Zulke kritiek – en die weerklinkt volop in deze soms ronduit ontluisterende reeks – werd door de twee volleerde acteurs gepareerd met een kundig uitgeserveerde grap, een vleugje zelfspot of een aantrekkelijk fotomomentje. The Reagan Show, zoals vervat in de gelijknamige documentaire.

Hoe hard zijn beleid ook uitpakte, bijvoorbeeld voor homoseksuelen met AIDS, Ronald bleef ogen als een goeiige grootvader des vaderlands. En die roestvrijstalen glimlach verliet nooit Nancy’s gezicht. Beiden speelden immers de rol van hun leven. ‘Laat ons naar elkaar uitspreken’, speechte Reagan bijvoorbeeld bij het Amerikaanse vrijheidsbeeld tijdens de presidentscampagne van 1980, ‘dat we in staat zijn om en – als God het ons toestaat – daadwerkelijk “make America great again”.’ Niet voor niets zou die slogan later geleend worden door die andere Republikeinse president, een man die op min of meer dezelfde grondslagen zou gaan regeren. De toon was alleen volledig anders.

Keith Haring: Street Art Boy

AVROTROS

In de tijd dat New York echt een gevaarlijke stad was – met gevaarlijke drugs, muziek én kunst – vond Keith Haring er een nieuw thuis. Hij arriveerde er in 1978, als ambitieuze jongen uit het nietige Kutztown in Pennsylvania. Klaar om de kunstwereld een ferme schop onder zijn hol te geven. En om met mannen te slapen, dat ook.

Zijn cartooneske kunst zou een wereldwijd fenomeen van hem maken: Keith Haring: Street Art Boy (53 min.), een perfect uithangbord voor de florerende graffiti-scene van New York. Zijn kunst was niet voorbehouden aan bezoekers van musea of galeries, maar voor iedereen toegankelijk in metrostations. Zo boorde hij een nieuw publiek aan voor moderne kunst.

Dit levendige portret van Ben Anthony, waaraan Harings ouders en mensen uit zijn directe omgeving hun medewerking verlenen, weet de tijdgeest goed te raken en blijft ook lekker op tempo. De protagonist, die zelf aan het woord komt via een audio-interview dat vlak voor zijn dood in 1990 werd afgenomen, blijft wel enigszins een enigma. Een man die na zijn overlijden bovendien een wereldwijd icoon zou worden.

Want New York was ook een stad van gevaarlijke seks. En die zou Keith Haring op slechts 31-jarige leeftijd, via de meest gevreesde ziekte van zijn tijd, de kop kosten.

How To Survive A Plague

‘Hoeveel mensen moeten er nog sterven?’ In die vlijmscherpe vraag, geschreeuwd naar de politici of wetenschappers van dienst, zat de complete wanhoop van de eerste generatie AIDS-activisten opgesloten. Toen de ziekte die in de jaren tachtig stelselmatig was doodgezwegen door de regering Reagan echt niet meer viel te ontkennen, simpelweg omdat het aantal doden zienderogen opliep, werd ook het verzet tegen de onverschillige houding van de Amerikaanse overheid steeds grimmiger. In New York ontstond een militante belangengroep: ACT UP.

In How To Survive A Plague (110 min.) belicht filmmaker David France de strijd van deze gedreven activisten om gezagsdragers, goedschiks dan wel kwaadschiks, in beweging te krijgen. Zodat ze eindelijk eens op zoek zouden gaan naar een doeltreffend medicijn (of hun bezwaren tegen condoomgebruik te laten varen). Daarbij moeten ze onder andere de degens kruisen met een jonge Anthony Fauci, de huidige Corona-tsaar van de Verenigde Staten die ook als aids-expert voor hete vuren komt te staan.

Uiteindelijk slaat de ‘onsterfelijke woede’ ook naar binnen bij ACT UP. Dit zorgt voor tweespalt in de LGBT-gemeenschap die in een voortdurende doodsstrijd is verwikkeld met het vileine virus. ‘Tenzij we met ons allen de handen ineen slaan’, stelt schrijver Larry Kramer (aan wie in 2015 de documentaire In Love & Anger werd gewijd) tijdens een indrukwekkende speech, ‘zijn we zo goed als dood.’

Deze krachtige film uit 2012, waarin het geladen archiefmateriaal wordt ingekaderd door enkele hoofdrolspelers die de dans destijds zijn ontsprongen, schenkt slechts beperkt aandacht aan de menselijke tol van het HIV-virus en concentreert zich vooral op de burgerlijke ongehoorzaamheid, gerichte acties en slimme publiciteitscampagnes van de AIDS-activisten, waarbij menigeen boven zichzelf uitstijgt en in de jarenlange strijd (zelf)respect verwerft.

Circus Of Books

Netflix

‘Op de vraag waar onze ouders werkten was het antwoord: in een boekwinkel’, vertelt Micah Mason. Het duurde niet lang of de jongen wist wel beter. ‘Wij hebben een boekwinkel’, luidde de instructie van zijn vader en moeder volgens broer Josh. ‘Dat vertel je mensen.’ De kinderen moesten echter naar beneden kijken als ze in diezelfde winkel waren. Want behalve een boekenzaak was de firma van hun ouders Karen en Barry ook ‘een hardcore gaypornozaak‘: Circus Of Books (86 min.) aan de Santa Monica Boulevard in West-Hollywood. Zus/dochter Rachel Mason wijdde er deze documentaire aan.

Niet dat haar vader en moeder zich schaamden voor hun business, die ook nog het maken van ‘adult entertainment’ voor mannen omvatte, maar ze wilden niet dat hun kinderen er last van zouden krijgen. Via hun winkel zou het Joodse echtpaar deelgenoot worden van allerlei maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de strijd van puriteins Amerika tegen pornografie, de AIDS-epidemie van de jaren tachtig en de opkomst van het internet – en de onvermijdelijke neergang van (porno)videotheken die daarop zou volgen. Die roerige geschiedenis doen Karen en Barry Mason, samen op de bank, nuchter uit de doeken. Daarbij wordt al snel duidelijk dat zij thuis de broek aanheeft en hij over de beste glimlach van het westelijk halfrond beschikt.

Het no-nonsense koppel wordt bij het ophalen van herinneringen aan de tijd dat ze in de frontlinie stonden van de strijd tegen censuur en homodiscriminatie bijgestaan door hun kinderen, medewerkers en klanten van hun winkel én blikvangers uit de business waarin ze zich al die jaren hebben opgehouden: Hustler-uitgever Larry Flynt (altijd op zoek naar distributie voor zijn schmutzige tijdschriften), gaypornoster Jeff Stryker (met zijn eigen actiepoppetje, inclusief te verbuigen geslachtsdeel) en LGBT-activist van het eerste uur Alexei Romanoff (die net als veel andere gays een geborgen plek vond bij Circus Of Books, waar je tussen de schappen bovendien lekker kon vozen).

Toch was de homo-emancipatie ook in Huize Mason nog altijd niet volledig afgerond. Daar zit ook het persoonlijke drama van deze aardige egodocu, die tevens van dichtbij vastlegt hoe de klad er inmiddels stevig inzit bij Circus Of Books. Voor Karen en Barry is het tegenwoordig steeds afwachten of ze aan het eind van de week het personeel kunnen betalen. Hun winkel, die al sinds 1982 draait, dreigt roemloos ten onder te gaan. Voor de zekerheid ruimen ze alvast het magazijn leeg. Hele stapels gayporno, educatief materiaal voor hele generaties opgroeiende homo’s, verdwijnt in de afvalcontainer. Waar het volgens sommige Amerikanen altijd al thuishoorde. En voor die mannen was er dan een kast.

5B

Het was duidelijk dat honderd procent van de ziektegevallen zou sterven, aldus één van de toenmalige artsen. Toch wilden lang niet alle doktoren en verpleegkundigen deze patiënten behandelen. ‘Ik raak hem met geen vinger aan’, zou een arts tegen een uitgemergelde jongeman hebben gezegd. Natuurlijk, sommige medewerkers van het San Francisco General Hospital waren gewoon bang, maar anderen vonden ook dat die mannen het er zelf naar hadden gemaakt. ‘Homokanker’ kreeg je immers niet zomaar.

En dus moest er begin jaren tachtig een speciale afdeling komen voor AIDS-patiënten. Met artsen en verplegers van 5B (95 min.), waar het gebruikelijke ‘cure’ al snel werd losgelaten ten faveure van ‘care’, blikken Dan Krauss en Paul Haggis terug op de AIDS-uitbraak in de Amerikaanse gaystad bij uitstek, San Francisco. Van professionele distantie kon in elk geen geval sprake zijn, zoveel was hen al snel duidelijk. Deze mannen gingen een wisse dood tegemoet. Hoe kon je hun lijden verlichten en hen op een menswaardige manier naar hun einde begeleiden?

De beelden daarvan zijn bijna veertig jaar later nog altijd hartverscheurend. Toch waren de meningen in de buitenwereld niet mals: homoseksualiteit was bepaald nog niet algemeen geaccepteerd, van het (vermeende) bijbehorende promiscue gedrag werd zelfs schande gesproken. Werd daar op die speciale afdeling soms de homoseksuele levensstijl gepropageerd? En in hoeverre liepen ‘gewone’ Amerikanen gevaar? Die laatste vraag werd nog eens extra pregnant toen één van de verpleegkundigen zich prikte aan een injectienaald en vervolgens HIV-positief bleek.

Krauss en Haggis zoomen in op enkele persoonlijke verhalen van 5B en plaatsen de gebeurtenissen op de speciale ziekenhuisafdeling binnen het politieke klimaat van die veelbewogen jaren. De bekroonde (en homoseksuele) verslaggever Hank Plante herinnert zich bijvoorbeeld nog goed hoe de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan in 1987 voor de allereerste keer het woord ‘AIDS’ in de mond nam. ‘De epidemie was toen al zes jaar gaande’, zegt hij verbeten. ‘Op het moment dat hij dat woord voor het eerst uitsprak waren er al 21.000 Amerikanen gestorven.’

Die onverschilligheid contrasteert enorm met de onbaatzuchtigheid van de 5B-medewerkers, die in hachelijke tijden de menselijke waardigheid van ‘hun’ patiënten waarborgden en tevens het grote hart vormen van deze aangrijpende film, die in 2019 op het Filmfestival van Cannes de Grand Prix Award won.

Studio 54

Zien en – vooral – worden gezien. Liza Minelli, Bianca Jagger en Andy Warhol. Farah Fawcett, Sylvester Stallone en Truman Capote. Rod Stewart, O.J. Simpson en Michael Jackson (met een gigantische afro). Als je halverwege de jaren zeventig dacht dat je iets voorstelde, dan zorgde je ervoor dat je op de gastenlijst van Studio 54 (99 min.) belandde en zette je vervolgens je allerbeste beentje voor op de dansvloer. En buiten stond het gewone volk in een eindeloze rij te wachten, op een goede bui van de portier.

Was het meer dan schaamteloos exhibitionisme? In deze documentaire, aangekleed met smakelijk archiefmateriaal en volvette discomuziek, houden voormalige betrokkenen vol dat de New Yorkse club, behalve een gecultiveerde celebrity-verering, ook een podium bood aan seksuele bevrijding, van homoseksuelen in het bijzonder. Sex was in the air, herinnert één van de betrokkenen zich met overduidelijk genoegen. Achteraf bezien was die dampende periode niet meer dan een wankele brug tussen een verleden in de kast en een bedompte toekomst, waarin het aidsvirus de swingende atmosfeer rigoureus de nek zou omdraaien.

Toen was Studio 54 echter allang ter ziele. Na slechts drie absolute tropenjaren. In die periode waren er de gebruikelijke problemen met vergunningen, drugs en justitie, waarbij de eigenaren van Studio 54 zich lieten vertegenwoordigen door de beruchte advocaat Roy Cohn, de voormalige rechterhand van de dubieuze communistenjager Joe McCarthy en mentor van een ambitieuze jonge vastgoedman, ene Donald Trump. Waren er connecties tussen de disco-eigenaren en de georganiseerde misdaad? Getuige deze onderhoudende film van Matt Tyrnauer werd er in elk geval flink belasting ontdoken. En dat zou de eigenaren duur komen te staan…

Porndemic

Zelf dachten ze dat hun stiel op het punt stond om de overstap naar de mainstream te maken. Eind jaren negentig leek porno zich definitief te hebben ontworsteld aan zijn schmutzige verleden. Het geld was goed. En de roem ook. Naast een carrière in de Amerikaanse seksindustrie lonkte voor menige performer zelfs een loopbaan als regulier acteur. En toen sloeg het noodlot toe in de miljardenbusiness. In de vorm van een seksueel overdraagbaar en dodelijk virus.

De eerste bekende performer die HIV-postief werd bevonden was de actrice Tricia Devereaux, die nog altijd woedend is over wat haar is overkomen. Niet veel later volgden nog een paar gekende namen. En daarna moesten er onmiddellijk schema’s worden getekend met dwarsverbanden tussen de verschillende acteurs en actrices: wie had met wie gewerkt binnen de kleine ‘pornofamilie’? Stuk voor stuk zouden ze worden getest, om de bron van alle besmettingen te traceren: Patient Zero.

Die taak kwam voor rekening van dokter Sharon Mitchell, zelf jarenlang actief als actrice en regisseur. In de documentaire Porndemic (93 min.) vertelt ze dat de business HIV in zekere zin over zichzelf heeft afgeroepen. Porno was in de jaren negentig, met de opkomst van video en internet, steeds extremer geworden; van anale seks tot gangbangs. De kans op aids, een ziekte die vreemd genoeg nog altijd werd geassocieerd met homoseksuelen en drugsgebruikers, was daardoor flink toegenomen.

En nu was het dus zover: een brandhaard in de porno-industrie. Wie o wie was Patient Zero? Nadat ze alle betrokken sekswerkers had getest, resteerde alleen een voormalige geliefde. Met een list verleidde Mitchell hem om zich te melden. Later maakte ze, zonder zijn toestemming, de resultaten van de bloedtest wereldkundig. ‘Daarvoor zou ze vervolgd moeten worden’, aldus Zero nu. ‘Het was kwaadaardig dat ze dat deed.’ Mitchell is zich nog steeds van geen kwaad bewust: ‘Wat moest ik anders?’

Patient Zero was de lul, constateert adult entertainment blogger Luke Ford in deze lekker slicke film van Brendan Spookie Daly, die is opgeleukt met allerlei kekke muziekjes. Intussen zien we beelden van Mitchell en Zero in betere tijden, hijgend en zwetend tijdens een gezamenlijke seksscène. In werkelijkheid probeerde de pornoster na de onheilstijding om het verhaal naar zijn hand te zetten, maar die missie had nauwelijks kans van slagen. Zeker toen er nog meer apen uit de mouw kwamen…

De langharige loverboy werd persona non grata binnen de wereld die altijd zoveel van hem had gehouden. Zero’s huisgenoot Tom Byron, zelf ook pornoster, wordt nog altijd emotioneel als hij eraan terugdenkt. Samen met insiders als acteur Herschel Savage, regisseur/publicist Bill Margold en de onvermijdelijke Ron Jeremy probeert hij in deze overtuigende documentaire, waarin slinks actiescènes en dialogen uit pornofilms zijn geïncorporeerd, de impact van de HIV-kwestie op de business te duiden.

Die werd, kort gezegd, danig verneukt.

I Will Speak, I Will Speak!

I_will_speak_I_will_speak_Shrey_trap

 

Ooit was het niet minder dan een doodvonnis: de mededeling dat je hiv-positief was. Aids richtte in de jaren tachtig en negentig een waar slagveld aan in de internationale homoscene en hield ook gruwelijk huis in Afrika. Nieuwe medicijnen maakten van de fatale ziekte sindsdien een chronische aandoening. Inmiddels valt er behoorlijk goed en lang te leven met hiv. Het stigma is alleen gebleven.

Wereldwijd hebben bijna 37 miljoen het afschrikwekkende virus. Regisseur Willem Aerts en ‘verhalenverteller’ Erwin Kokkelkoren leven zelf al dertig jaar met hiv. Drie jaar lang reisden ze de wereld rond om lotgenoten te ontmoeten en hun verhalen op te tekenen voor de tentoonstelling I Will Speak, I Will Speak! Atlas2018, die komend weekend wordt geopend in de Beurs van Berlage in Amsterdam.

In de bijbehorende documentaire I Will Speak, I Will Speak! (54 min.) worden vijf dragers van het virus geportretteerd: een oudere homoseksueel uit San Francisco die de ‘plaag’ overleefde, de Britse maker van het online tijdschrift Beyond Positive, het Afrikaanse meisje dat bij geboorte al was besmet, een transgender-sekswerker in Cambodja en een voormalige Russische gedetineerde die ooit een drank-en drugsprobleem had.

Stuk voor stuk kampen ze met gevoelens van schaamte, krijgen ze te maken met onbegrip, of zelfs vijandigheid, vanuit hun omgeving en worstelen ze met welke plek het virus inneemt in hun leven. Veertig jaar nadat de onbekende aandoening genadeloos toesloeg, lijkt het acute levensgevaar rond hiv en aids verdwenen. Gebleven is echter de wijze waarop het virus zijn dragers definieert.