Outstanding: A Comedy Revolution

Netflix

‘Is het Witte Huis bekend met deze epidemie, Larry? Het wordt de ‘gaypest’ genoemd.’

– gelach

‘Echt’, probeert de journalist weer. ‘Het is heel ernstig. Één op de drie patiënten sterft. Is de president daarvan op de hoogte?’

‘Ík heb het niet’, reageert de woordvoerder van de Amerikaanse president Reagan. ‘Jij wel?’

‘Je hebt het niet. Dat is goed om te horen, Larry. Ziet het Witte Huis dit als een grap?’

Het lachen is Amerikaanse gays dan, in 1982, allang vergaan. AIDS ontwricht hun complete gemeenschap. Het zal niettemin nog tot drie jaar duren voordat president Ronald Reagan het woord ‘AIDS’ voor het eerst in de mond neemt.

Getuige de documentaire Outstanding: A Comedy Revolution (99 min.) van Page Hurwitz zijn ‘t tevens zware jaren voor queer-comedians, die worden geconfronteerd met bepaald niet homovriendelijke performances van collega’s zoals Eddie Murphy, Sam Kinison en Andrew Dice. Met hedendaagse ogen bekeken is het nauwelijks voor te stellen dat er destijds geen haan kraaide naar hun lompe en smakeloze grappen.

Dat is en blijft natuurlijk ook de vraag bij humor: wanneer houdt simpelweg de draak steken op en begint bijvoorbeeld queerhaat? Hoe moeten bijvoorbeeld de transgrappen van Ricky Gervais, Bill Maher en Dave Chapelle worden geduid? En kan en mag je daarbij het verband leggen met geweld tegen de LHBTIQ+-gemeenschap? ‘Er bestaat niet zoiets als: just kidding’, stelt Robin Tyler, die in de jaren zeventig als één van de eerste vrouwen uit de kast kwam. ‘Dus als iemand homofobe grappen maakt, menen ze het.’

Met comedians van verschillende generaties zoals Lily Tomlin, Sandra Bernhard, Scott Thompson, Margaret Cho, Rosie O’Donnell, Wanda Sykes, Tig Notaro, Eddie Izzard en Hannah Gadsby loopt Hurwitz in deze vlotte film belangrijke ijkpunten uit de geschiedenis van de Amerikaanse queerhumor door. Het pionierswerk van Moms Mabley en Christine Jorgensen bijvoorbeeld, de bikkelharde ‘truthin’ van Richard Pryor bij een homorechten-benefiet en Ellen DeGeneres’ coming out op televisie.

‘Comedy geeft mensen de kans om de wereld door de ogen van een ander te zien’, betoogt Judy Gold. ‘En een goede komiek laat je lachen en zet je aan het denken. En verandert misschien zelfs hoe je denkt.’ Dat lijkt tevens de boodschap van deze film, waarin iedereen ‘t wel heel erg eens is met elkaar. Outstanding had enkele stoorzenders kunnen gebruiken om de discussie over wat wel en niet kan nog wat verder op scherp te zetten en samen de eventuele grenzen aan de vrijheid van meningsuiting verder af te tasten.

Disco: Soundtrack Of A Revolution

PBS/BBC

ABBA, Donna Summer, Village People, The Bee Gees en John Travolta in een wit pak op de dansvloer. Zomaar wat associaties rond het fenomeen ‘disco’ bij de start van deze driedelige docuserie van Louise Lockwood en Shianne Brown. En meteen een constatering erbij: disco is terug. Van nooit weg geweest. Ook al staat volgens sommige haters nog altijd als een paal boven water: disco sucks.

Disco: Soundtrack Of A Revolution (153 min.) gaat terug naar het New York van de jaren zeventig. Na de zogenaamde Stonewall-rellen van 1969 ontstaat in de huiskamer van David Mancuso een nieuwe, inclusieve scene, waarbinnen ook gekleurde Amerikanen, feministische vrouwen en de LHBTIQ+-gemeenschap hun plek vinden. Tijdens deze feesten in ‘The Loft’ wordt de basis gelegd voor een muziekstroming die in het navolgende decennium de hele wereld zal veroveren: D.I.S.C.O.

Aflevering 1 schetst met wegbereiders, ‘early adopters’ en kenners hoe de ondergrondse danscultuur volwassen wordt. Daarbij wordt disco ook nadrukkelijk in z’n maatschappelijke context geplaatst, als onderdeel van de tweede feministische golf, Black Power en de homo-emancipatie. In het tweede deel, over de hoogtijdagen van het even geliefde als verguisde genre, komen de (sub)toppers aan het woord: Thelma Houston, George McCrae, Anita Ward en één van de discodiva’s, Candi Staton.

Bijzondere aandacht is er dan voor de New Yorkse club Studio 54, dé plek voor seks, drugs & disco. Waar zien en gezien worden het parool is. Tenminste volgens één van de oprichters van de ‘place to be’, Carmen D’Alessio. Andy Warhol zou volgens haar bijvoorbeeld nog naar de opening van envelop gaan, bang dat hij anders iets zou missen. Het succes van disco barst daarna helemaal uit z’n voegen met de film Saturday Night Fever, waarmee John Travolta en The Bee Gees wereldsterren worden.

En dan begint het genre volgens de echte trendsetters, waarop deze gedegen miniserie zich vooral concentreert, z’n ziel kwijt te raken. Illustratief is het verhaal van Village People, een groep die allerlei homostereotypen presenteert aan een groot publiek. Een paard van Troje zogezegd, maar discopuristen moeten er niks van hebben. ‘Je had baggermuziek van baggerplatenmaatschappijen die voor het snelle geld gingen’, zegt Ana Matronic van Scissor Sisters in de slotaflevering.

De markt raakt oververzadigd. Intussen bereikt de weerzin tegen disco een nieuw hoogtepunt. Op 12 juli 1979 wordt er in het sportstadion Comiskey Park, waar het plaatselijke honkbalteam The Chicago White Sox ‘t opneemt tegen The Detroit Tigers, een heuse ‘Disco Demolition’ georganiseerd door de radiodeejay Steve Dahl. Gekleed in een militair uniform brengt hij discoplaten tot ontploffing. Een ludieke actie of toch een moderne variant de boekverbrandingen? De meningen verschillen.

Het mediaspektakel luidt in elk geval het begin van het einde in voor de lijfmuziek van de Amerikaanse LHBTIQ+-gemeenschap, die in dezelfde tijd ook wordt overvallen en gestigmatiseerd door de AIDS-epidemie. En die tragische crisis vormt tevens het ‘point of no return’ van deze gesmeerd lopende productie, die zeker in het nostalgiecircuit gretig aftrek zal vonden. Want daarna neemt disco vanuit datzelfde Chicago ongenadig wraak, onder een nieuwe noemer: house.

The Monk

KRO-NCRV / De Boeddhistische Blik

Zelfmoord is geen optie voor een boeddhist’, stelt Nikolaj Blom in de opening van de tweedelige documentaire The Monk (80 min.). Toch lijkt zijn vriend en oud-collega Jan Erik Hansen, alias de Deense bosmonnik ‘Bhante’, wel degelijk aan z’n einde te zijn gekomen in 2019. Hij heeft zeventien jaar geïsoleerd in de bergen van Sri Lanka geleefd.

Het Deense stel Mira Jargil en Christian Sønderby Jepsen zoekt hem daar in 2015 op, om een film over Bhante te maken. Hij mediteert acht uur per dag, leeft celibatair en hoopt ooit het nirwana te bereiken. Met boeddhistische voordrachten op zijn eigen YouTube-kanaal heeft hij bovendien een achterban van 120.000 volgers opgebouwd.

In de periode daarvoor was de Deen een befaamde Deense onderzoeker. Hij werkte aan een AIDS-vaccin en droomde intussen van de Nobelprijs. Het leven leek hem toe te lachen. Hij had geld, status en vrouw en kind. Toch raakte Hansen in de greep van een ernstige depressie. Daarna besloot hij de ratrace in z’n eigen land achter zich te laten.

Over dat verleden praat de Deense monnik overigens liever niet als zijn landgenoten hem in 2015 komen filmen. Voor de film leggen zij drie weken lang zijn dagelijks leven vast. Het moet, zoals Jargil ‘t formuleert in één van haar voice-overs, ‘een reis in de geest van de monnik worden, om ons idee van een goed leven op de proef te stellen’.

Dan zijn de filmmakers nog enthousiast over hun gezamenlijke project. In eigen land bezoeken ze Jans vader, de automonteur Hakon Hansen. ‘Knettergek’, noemt die zijn zoon. ‘Ik heb hem gevraagd, zonder antwoord te krijgen, of hij z’n zoon mist’, zegt de oude man gefrustreerd. Waarna Hakon licht wanhopig verzucht: ‘Kwam hij maar naar huis.’

Kort daarna raken ook Jargil en Sønderby Jepsen gebrouilleerd met de eigengereide monnik. Ze staken hun pogingen om een film te maken. Totdat ze, vier jaar later, een telefoontje krijgen van zijn zoon Thor. Hansen is na zeventien jaar teruggekeerd naar Denenarken en heeft in een boeddhistisch klooster een einde aan zijn leven gemaakt.

Hij laat een harddisk met tweehonderd uur beeldmateriaal uit Sri Lanka na. Zijn daarop de antwoorden te vinden op alle vragen die Hansen met zijn leven heeft opgeroepen? Het filmende duo gaat alsnog op zoek naar de man achter Bhante en spreekt daarbij ook met Thor, Jans ex-vrouw Trine, zijn assistent Linga en enkele voormalige collega’s.

Had hij, zoals Trine wil geloven, het gevoel dat hij de verlichting al had bereikt en dat zijn stoffelijke lichaam hem alleen maar tegenhield om verder te komen? Of is Jan toch ten onder gegaan aan z’n eigen ego, dadendrang en/of gekte? Het is aan zijn nabestaanden om in dit intrigerende portret zin te geven aan de brokstukken van zijn leven.

Of er nog een moraal zit aan dat verhaal? vraagt Sønderby Jepsen aan Thor als die aan het einde van deze queeste het thuis van zijn vader in Sri Lanka bezoekt. ‘Kun je zeggen dat zijn verhaal staat voor de moderne zoekende mens?’ Thor wil er niet aan. Even later formuleert Jargil wel een soort antwoord – ook al is dat per definitie onbevredigend.

‘Misschien moeten we gewoon accepteren’, concludeert zij, ‘dat er geen definitieve antwoorden zijn op de grote levensvragen.’ En daar moeten Jan Erik Hansens nabestaanden – en wij – het maar mee doen.

Let The Canary Sing

Fine Point Films

Eindelijk heeft Cyndi Lauper haar handen vrij. Nadat ze begin jaren tachtig de rechtszaak wint, die een voormalige manager tegen haar heeft aangespannen, zou de rechter kortweg hebben gezegd: Let The Canary Sing (98 min.). Na jaren van sappelen krijgt de Amerikaanse zangeres daarmee de kans om te tekenen bij een grote platenmaatschappij, Epic Records. Beoogd producer Rick Chertoff heeft zelfs al het ideale liedje voor haar gevonden, een compositie van een zanger uit Philadelphia, Robert Hazard. Een geheide hit.

Lauper gooit echter direct koud water over dat idee: ‘I will never do that fuckin’ song.’ Ze vindt ‘t een machonummer, een beetje seksistisch zelfs. Totdat ze het catchy liedje, met de juiste omlijsting, toch naar zich toetrekt. Een lijflied voor jonge, levenslustige vrouwen is geboren: Girls Just Want To Have Fun. Op de valreep schrijft de zangeres samen met zanger en songschrijver Rob Hyman (The Hooters) ook nog een eigen nummer voor dat eerste soloalbum: Time After Time. En daarmee is Cyndi Laupers kostje definitief gekocht.

Deze documentaire van Alison Ellwood is dan precies halverwege. Van tevoren heeft de eigengereide hoofdpersoon samen met zus Ellen en broer Fred haar jeugd geschetst in New York, in moeilijke omstandigheden met een alleenstaande moeder, en is ze, ondersteund door voormalige samenwerkingspartners, met zevenmijlslaarzen door haar tot dan toe behoorlijk haperende muzikale carrière gelopen. En na de release van haar debuutalbum gaat alles min of meer crescendo voor de lichtelijk hysterisch zangeres.

Alles? Niet alles, natuurlijk. Anders zou de tweede helft van deze film wel erg onbekommerd richting de aftiteling huppelen. Cyndi Lauper heeft gedurig onenigheid met haar man(ager) Dave Wolff, raakt in haar lange carrière nogal eens in en uit de mode en krijgt in haar directe omgeving te maken met de AIDS-crisis. Daardoor raakt ze steeds meer betrokken bij LHBTIQ+-rechten. Ook dan graaft dit portret echter niet al te diep. Alles wordt aangestipt, maar verder niet echt uitgewerkt. The show must go on, zoiets.

Let The Canary Sing wordt daardoor een film die met name interessant is voor mensen die sowieso al van Cyndi Lauper houden, maar is verder eigenlijk redelijk inwisselbaar met andere popdocu’s over artiesten die er eerst flink aan moeten trekken voordat ze hun loopbaan op de rit hebben en daarna alle zeilen moeten bijzetten om het succes vast te houden.

Rock Hudson: All That Heaven Allowed

HBO

Laten we zeggen dat er een Rock Hudson was – en een Roy Fitzgerald. Hudson was ‘the most wanted man in America’, de Adonis van de jaren vijftig en zestig. De ideale protagonist voor elke Hollywood-film: charmant, toegankelijk en verduiveld knap. Elke vrouw werd verliefd op hem en elke man wilde op hem lijken. En daarnaast was er dus Fitzgerald, kind van gescheiden ouders, net uit de marine én homoseksueel. ‘Een seksuele gladiator,’ aldus de schrijver Armistead Maupin, die nog een omstreden rol in zijn leven zou spelen.

Dat Rock Hudson (1925-1985) in werkelijkheid Roy Fitzgerald was, was een publiek geheim in Tinseltown. Hij had niet voor niets onderdak gevonden bij Henry Willson, een Hollywood-agent die jonge, stoere jongens verzamelde – niet alleen voor professionele doeleinden. Willson zorgde ervoor dat de bladen over romances van Hudson met allerlei dames schreven en regelde uiteindelijk zelfs een echtgenote voor hem: zijn eigen secretaresse Phyllis Gates. Zo kon de Amerikaanse acteur zich voor het grote publiek in zijn kast blijven verschuilen. En dat is natuurlijk ook het centrale thema van Rock Hudson: All That Heaven Allowed (104 min.), een aangrijpende documentaire van Stephen Kijak.

Homoseksualiteit kreeg soms overigens wel degelijk een plek in Rock Hudsons films: als een truc om alsnog de ‘love interest’ van de desbetreffende rolprent, Doris Day bijvoorbeeld, voor zich te winnen. Het was een slinkse streek: de stiekeme gay moest een macho spelen die homoseksualiteit voorwendde om een vrouw te scoren. Met die wetenschap zijn sommige scènes buitengewoon ongemakkelijk om te bekijken. Kijak maakt daarvan slim gebruik. Hij recyclet allerlei fragmenten uit Hudsons filmografie en geeft die een rol in zijn visie op diens leven, dat op tragische wijze ten einde komt: Hudson wordt de eerste beroemdheid die en public public bezwijkt aan ‘the gay plague’, AIDS.

Thematisch sluit deze film aan bij de klassieke documentaire over homoseksualiteit in Amerikaanse speelfilms, The Celluloid Closet (1995), en het meer recente Scotty And The Secret History Of Hollywood (2018). Deze films tonen een entertainmentwereld, waarin alleen de buitenkant telt. Ook voor heren. Zij waren gehouden aan een eendimensionaal beeld van de man als koene ridder, eenzame held of geraffineerde ladiesman en moesten dat imago permanent beschermen. Als een tabloid lucht kreeg van het verborgen leven van een beroemdheid, kwamen er onvermijdelijk suggestieve verhalen. Ook Hudson leefde continu met de angst dat hij zou worden ontmaskerd.

Veelal buiten beeld schetsen vrienden, collega’s en ex-geliefden, met soms wel erg plastische herinneringen aan de Rock, in deze film een levendig beeld van de steracteur, zijn imago en de identiteit die daarachter schuilging. Buitengewoon aangrijpend is het relaas van actrice Linda Evans. In de serie Dynasty had zij een zoenscène met de acteur, die destijds nog geheim hield dat hij AIDS had. Toen bekend werd dat hij ziek was, werd ook zij gemeden. ‘Waar is je menselijkheid?’ vroeg ze zich af. ‘Waar is je compassie? En wat is er toch aan de hand met deze wereld?’ Evans ervoer, kort en relatief oppervlakkig, de attitude die haar tegenspeler vreesde.

En Rock Hudson zelf – of moeten we toch Roy Fitzgerald zeggen? – werd vervolgens in harteloze roddelbladen gereduceerd tot ‘the hunk who lived a lie’. Daarmee is hij tevens een symbool geworden, laat Stephen Kijak treffend zien in deze alternatieve Hollywood-film. Van een minderheidsgroep, samenleving en tijd – en tegelijk van iedereen die niet zichzelf kan zijn, elk land waar geen werkelijke vrijheid bestaat en zogezegd dus van alle tijden.

Last Call

HBO Max

De term ‘overkill’ vat het treffend samen. De slachtoffers van de onbekende moordenaar blijken begin jaren negentig niet zomaar gedood. Ze zijn afgeslacht, in stukken gezaagd en langs de kant van de weg gedumpt. Dat kan beslist niet los gezien worden van hun seksuele geaardheid. De killer die actief is in de omgeving van New York koestert duidelijk een diepgevoelde haat tegen homoseksuelen.

Daarmee is hij in zekere zin een product van zijn tijd en omgeving. Hoewel New York in die jaren een levendige gayscene heeft, wordt homoseksualiteit in de Verenigde Staten bepaald niet overal geaccepteerd. Homofobie is er aan de orde van de dag. Mannen zoals Thomas Mulcahy en Peter Anderson blijven dus noodgedwongen hun hele leven in de kast en leven ogenschijnlijk een braaf burgermansbestaan. Totdat ze in het uitgaansleven, waarschijnlijk nét voor sluitingstijd, de verkeerde persoon tegen het lijf lopen.

Via de zoektocht naar deze seriemoordenaar belicht de vierdelige serie Last Call (215 min.) van Anthony Caronna en Howard Gertler het onverdraagzame klimaat waarbinnen de LHBTIQ+-beweging, die ook al is geconfronteerd met de AIDS-epidemie, zich eind twintigste eeuw staande moet houden en de impact van de moorden op hun dagelijks leven. Strijdbare belangengroepen zoals het New York City Anti-Violence Project eisen serieuze actie tegen het gruwelijke geweld dat in hun gemeenschap wordt aangericht.

Want erg veel prioriteit lijkt de NYPD in eerste instantie niet te geven aan de ‘pick up crimes’ van de zogenaamde Last Call Killer. Het gaat tenslotte om homoseksuele mannen die zich willens en wetens, op zoek naar seks en vertier, in het gaycircuit hebben begeven. Die houding doet denken aan de attitude van de Rotterdamse politie als er begin jaren negentig enkele homoseksuele mannen worden vermoord in het Kralingse Bos (waarover onlangs ook de thematisch verwante serie De Regenboogmoorden is uitgebracht).

Last Call legt de nadruk op de slachtoffers, hun nabestaanden en de angst binnen de queer-gemeenschap en vermijdt al te nadrukkelijke ‘seriemoordenaarsporno’. Pas in de slotaflevering van deze indringende serie, die getuige recente geweldsincidenten tegen homo’s en transmensen nog altijd actueel is, komt er een verdachte in beeld. Naar zijn motief blijft het gissen. Zou het een vorm van ‘gay panic’, de blinde razernij die bepaalde mannen overvalt als een andere man avances maakt, kunnen zijn? Of toch zoiets elementairs als zelfhaat?

Zon In de Nacht

VPRO

In een gesprek met haar overleden grootvader probeert filmmaakster Anne Vaandrager vat te krijgen op haar familiegeschiedenis. ‘Heb ik een graf?’ wil hij weten. ‘Nee’, antwoordt zij resoluut. ‘Oh, jammer’, klinkt opa Cees, alias acteur Eelco Smits, enigszins verrast. ‘Ik besta niet meer?’ Terwijl in beeld een golvende zee is te zien, blijft Anne onverbiddelijk: ‘Nee. Volgens mij ben jij uitgestrooid over zee.’

Via scènes uit het huwelijk van haar opa Cees en oma Ursula, gespeeld door Smits en Nazmiye Oral, probeert Vaandrager een gesprek uit te lokken met hun zoon, haar eigen vader Kees. Want over dat verleden, haar grootvader in het bijzonder, wordt nauwelijks gesproken in de familie. Dat zit haar dwars: de schaamte van haar vader is haar eigen schaamte geworden, constateert ze gefrustreerd. Die wil ze kwijt.

Voor de korte documentaire Zon In De Nacht (27 min.) heeft ze letterlijk een decor geconstrueerd waarbinnen de olifant in de kamer eindelijk eens kan worden benoemd. Ze heeft zelf wat op haar lever, maar wil ook haar vader en oudtante Ineke, de zus van opa Cees, eens goed (uit)horen. Over het ophouden van de schone schijn en de disfunctionele familiedynamiek die daardoor aan het zicht moest worden onttrokken.

De acteurs mengen zich, al dan niet geregisseerd door Anne Vaandrager, ook nog in die conversatie. Zodat alle familieleden uiteindelijk het achterste van hun tong moeten laten zien – en hun tranen de vrije loop kunnen laten. Zo helpt de gecontroleerde setting, een bedachte en theatrale vorm, eenieder om oprechte emoties te tonen. Die waren anders, al blijft dat natuurlijk altijd koffiedik kijken, wellicht binnengehouden.

George Michael – Portrait Of An Artist

Channel 4

Dit is hoe je een postuum portret van een tot de verbeelding sprekende artiest dus niet maakt.

George Michael (1963-2016), de Britse popzanger die in de jaren tachtig een tieneridool werd met Wham!, daarna een al even succesvolle solocarrière opbouwde en de allerlaatste sceptici voor zich won tijdens het Freddie Mercury Tribute Concert For AIDS Awareness in 1992, waar hij, zowat als enige, het stembereik van de Queen-zanger leek aan te kunnen. Zo’n man, een sekssymbool bovendien dat stiekem worstelde met zijn eigen seksualiteit, verdient een documentaire die zijn kunst recht doet en een oprechte poging onderneemt om achter het gordijn te komen.

Géén film die al dat fraaie beeld- en geluidsmateriaal – tv-interviews, videoclips, concerten, B-roll en media-optredens – helemaal kapotsnijdt, ten faveure van een hele stoet, al even vlot gemonteerde pratende hoofden; van lieden uit zijn periferie (tourmanagers, bandleden en geluidstechnici) en collega-artiesten (Stevie Wonder, Rufus Wainwright en Sananda Maitreya, alias Terence Trent D’Arby) tot de onvermijdelijke beroemdheden (Piers Morgan, Paul Gambaccini en Stephen Fry) en biografen, journalisten, homoactivisten, psychologen en andere ‘kenners’.

Met gezwinde spoed stiefelt Simon Napier-Bell, die zijn sporen ooit verdiende als bandmanager van groepen als The Yardbirds, T. Rex en Wham! (!), in George Michael – Portrait Of An Artist (94 min.) chronologisch door het leven en carrière van de zanger, die op slechts 53-jarige leeftijd overleed. Deze turbulente halve eeuw heeft meer dan voldoende euforie, drama en muziek opgeleverd voor ruim negentig minuten kijkvoer. Dat de film tot het tragische einde blijft boeien is evenwel volledig op het conto te schrijven van het vat vol tegenstrijdigheden genaamd Georgios Kyriacos Panayiotou.

Zijn creativiteit, ego, idealisme, ambitie, twijfel, drugsgebruik, provocaties, aandachtshonger en depressies máken deze documentaire. En dan moeten we Napier-Bell maar vergeven dat hij die dichtsmeert met ‘sfeermuziek’, de enige persoon die écht dichtbij Michael stond (zijn voormalige vriend Kenny Goss) wel héél weinig speeltijd geeft en citaten van vooraanstaande figuren zoals Jean-Paul Sartre, Jackson Pollock en Vladimir Nabokov gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden. Want dat is dus niet hoe je een postuum portret van een tot de verbeelding sprekende artiest maakt.

George Michael had zelf overigens ook uitgesproken ideeën over hoe een film over zijn leven en carrière eruit zou moeten zien. Die werd in 2017, eveneens postuum, wereldwijd uitgebracht: George Michael: Freedom

Iron Butterflies

Babylon 13

Een kinderbed, gebaseerd op het beruchte BUK-raketsysteem. Daarvoor gaan niet direct alle handen op elkaar sinds het vliegtuig MH17 op 17 juli 2014 door precies zo’n Russische lanceerinstallatie uit de lucht is geschoten. 298 mensen, voor het leeuwendeel Nederlanders, vonden daarbij de dood. ‘Wij propageren geweld noch extremisme’, zegt een woordvoerder van de fabrikant nochtans zonder te verblikken of verblozen. ‘Zo hebben we er nooit naar gekeken. Wij doen niet aan politiek of journalistiek. Wij zijn meubelmakers.’

En die krijgen vanuit de krochten van het internet natuurlijk ook lof toegezwaaid: ja!, als Russen zijn we hier zeer trots op, bijvoorbeeld. Of: Cool idee! En, via een nauwelijks verholen verwijzing naar de onlangs nog eens opgevoerde bloedige strijd om Oekraïne: leveren jullie ook aan de Volksrepubliek Donetsk? Zo zet de start van Iron Butterflies (84 min.) meteen de toon: dit wordt geen rechttoe rechtaan verhaal over MH17 en de persoonlijke, gerechtelijke en geopolitieke implicaties daarvan, maar een associatieve, vervreemdende en soms ronduit absurde tocht door het MH17-doolhof.

Van doorwrochte analyses van de precieze gebeurtenissen op die fatale zomerdag in 2014, de persoonlijke getuigenis van de Nederlandse nabestaande Robby Oehlers die ter plaatse poolshoogte ging nemen en het relaas van de wetenschappers die op weg waren naar een AIDS-conferentie in Melbourne tot figuren in militaire kleding die trots voor een selfie poseren bij brokstukken van het vliegtuig, een helderziende die contact maakt met de inzittenden van het toestel van Malaysian Airlines en allerlei Russische pogingen om ook de waarheid geweld aan te doen.

Met een keur aan ingrediënten (satellietbeelden, promofilms, instructievideo’s, (hidden &) found footage, propaganda, nieuwsuitzendingen, vlogs, telefooncommunicatie, talkshow-fragmenten en impressionistische sequenties in zwart-wit) fabriceert de Oekraïense documentairemaker Roman Liubyi een ingenieus labyrint dat de impact van MH17 voelbaar maakt: als een menselijke tragedie, ideaal ‘alternative facts’-nieuwsverhaal én sleutelmoment in de volledig ontsporende pogingen van Poetins Rusland om Oekraïne met brute kracht in te lijven dan wel te vermorzelen.

All The Beauty And The Bloodshed

Cinéart

Het is alsof Nan Goldins complete leven een aanloop is geweest naar haar huidige rol als Nemesis van de Amerikaanse familie Sackler. Die verdiende via het bedrijf Purdue Pharma miljarden dollars met de pijnstiller OxyContin, een medicijn dat zo verslavend bleek te zijn dat er in de Verenigde Staten een heuse Opioid Crisis ontstond. Die zou inmiddels in totaal zo’n half miljoen Amerikanen het leven hebben gekost. Intussen kochten de Sacklers zich met hun ‘bloedgeld’ in bij allerlei goede doelen en musea.

Nan Goldin, die na een turbulente jeugd als fotografe doorbrak met de intieme serie The Ballad Of Sexual Dependency, raakte in 2014 na een operatie zelf verslaafd aan de pijnmedicatie en wist drie jaar later na een overdosis slechts met heel veel moeite weer af te kicken. Sindsdien is ze één van de drijvende krachten van de actiegroep P.A.I.N. (Prediction Addiction Intervention Now). Met guerrilla-acties attaqueert deze groep specifiek de filantropie van de Sacklers, die zich nog altijd comfortabel in de hoogste kringen bewegen.

All The Beauty And The Bloodshed (117 min.), de documentaire die de fotografe maakte met regisseur Laura Poitras (My Country, My Country, The Oath en Oscar-winnaar Citizenfour), valt in dat opzicht meteen met de deur in huis: The Sackler Wing van The Metropolitan Museum in New York wordt op 10 maart 2018 overgenomen door demonstranten onder leiding van Goldin die en masse pillenpotjes droppen en een ‘die-in’ organiseren, waarbij ze voor dood op de grond gaan liggen en onderwijl de leus ‘Sacklers lie, people die’ scanderen.

Zulke acties, waarmee de omstreden familie steeds verder in het nauw wordt gedreven, lopen als een rode draad door deze meeslepende documentaire, die er in september op het Filmfestival van Venetië zowaar met de Gouden Leeuw voor beste film vandoor ging. Patrick Radden Keefe, de auteur van de bestseller Empire Of Pain, geeft daarbij context over OxyContin en de agressieve marketing waarmee het middel door Purdue Pharma aan de man is gebracht, ook toen allang duidelijk was hoe verslavend ‘t was.

Dat klassieke Big Pharma-verhaal is door documentairemaker Alex Gibney al eens tot in detail opgetekend in The Crime Of The Century. Poitras verrijkt dit met enerverende protestacties en blikt parallel daaraan met Goldin terug op haar bijzonder turbulente leven, dat al heel vroeg ernstig werd ontregeld door de psychische problemen van haar zus Barbara en de inadequate reactie van haar ouders daarop. Zij zou al snel helemaal op drift raken. In fotografie – volgens Goldin een sublimatie van seks en meestal ook beter dan seks – vond ze uiteindelijk een uitweg.

De opwinding, hardheid en tristesse van dat leven, waarbij de AIDS-epidemie van de jaren tachtig en de bijbehorende Act Up-acties vormend blijken te zijn geweest, worden door Poitras verbonden aan Goldins activisme, dat haar leven extra scherpte en richting lijkt te hebben gegeven. Zo stuurt deze topdocu aan op een bijzonder geladen apotheose, waarin Nan Goldins P.A.I.N. daadwerkelijk vruchten begint af te werpen en zij zelf oog in oog komt te staan met enkele prominente leden van de gehate Sackler-familie.

Larry Kramer In Love & Anger

HBO Max

Staand bij het katheder lijkt hij even in gedachten verzonken. En dan ineens begint Larry Kramer (1935-2020) aan zo’n kenmerkende tirade over het HIV-virus, dat in de voorgaande jaren een ravage heeft veroorzaakt in zijn gemeenschap. ‘De pest’, roept hij. ‘De pest is hier uitgebroken.’ Het is september 1991. Kramer kijkt woest de zaal in en herhaalt nog maar eens. ‘De pest. Veertig miljoen besmette mensen. Het is een plaag en niemand durft het toe te geven.’ De Amerikaanse schrijver en AIDS-activist sluit zijn speech uiteindelijk in stilte af. En met een hele diepe zucht.

In Larry Kramer In Love & Anger (81 min.) gaat regisseur Jean Carlomusto terug naar de oorsprong van de woede van haar hoofdpersoon. Ze belandt bij diens onverdraagzame vader en komt via een ongelukkige studietijd en korte, heftige periode als scenarioschrijver in Hollywood uit bij Kramers controversiële debuutroman Faggots (1978). Daarin stelt hij de preoccupatie met seks in de gaywereld aan de kaak. ‘Ik ben boos op mezelf en m’n vrienden, maar uiteindelijk mag je doen wat je wilt’, zegt hij daarover tijdens een televisie-interview met homoactivist Vito Russo. ‘Ga daarna alleen niet klagen dat alles tegenvalt.’ Hij specificeert: ‘Het leven is geen makkie en een relatie ook niet, maar er wacht je een mooie beloning als je iets verder kijkt dan het orgasme.’

En dan wordt de wereld, die hij van binnenuit keihard heeft aangepakt, begin jaren tachtig ineens overvallen door een ziekte die ‘homokanker’ wordt genoemd. In eerste instantie is er in de Verenigde Staten weinig aandacht voor het HIV-virus en de verpletterende gevolgen daarvan. Niet gek volgens Larry Kramer, die zoals gebruikelijk van zijn hart nooit een moordkuil maakt. ‘De patiënten zijn flikkers, nikkers, latino’s, junkies en hoeren. Daarom!’ Toch geeft AIDS hem ook de gelegenheid om ‘hate to say I told you so’ te zeggen. Kramer houdt staande dat iemands geaardheid méér is dan zijn of haar geslachtsdeel. Die boodschap wordt alleen zeer wisselend ontvangen binnen de homowereld: als een broodnodige wake-up call of juist als een pijnlijke expressie van zelfhaat.

Die tweespalt is exemplarisch voor Larry Kramers positie in zijn eigen gemeenschap, zo laat dit portret uit 2015 treffend zien. Met zijn eloquentie en drift wint hij harten, maar veroorzaakt hij ook deining en ongemak. Befaamd zijn z’n aanvallen op Ed Koch, de burgemeester van New York waarover wordt gefluisterd dat hij zelf homoseksueel was, en zijn aanvaringen met immunoloog Anthony Fauci, de overheidsfunctionaris die later ook het gezicht zou worden van Amerika’s respons op het Coronavirus. De gayactivist spoorde hem op alle mogelijke manieren aan om in actie te komen. Ruim dertig later kijkt Fauci niettemin met waardering terug op Kramers rol. En die is op zijn beurt ook mild over de man die uiteindelijk een succesvol AIDS-beleid ontwikkelde.

Toen deze documentaire werd gefilmd, was Larry Kramer inmiddels een broze, oude man geworden. Hij lag in het ziekenhuis om te herstellen van een levertransplantatie en was nauwelijks nog te herkennen als de militante activist die zowel mede- als tegenstanders de stuipen op het lijf kon jagen. Larry Kramer In Love & Anger is desondanks een passend eerbetoon aan een man die zijn eigen strijd werd en zo, met het nodige kunst- en vliegwerk, de wereld een heel klein beetje beter maakte.

They Call Me Magic

Apple TV+

Het is in 1979 letterlijk een kwestie van kop of munt: krijgen The Chicago Bulls of The Los Angeles Lakers de kans om het toptalent Earvin ‘Magic’ Johnson in te lijven? Het wordt uiteindelijk Californië voor de topper in spé uit Lansing, Michigan. Naast een bewezen crack als Kareem Abdul-Jabbar kan de mediagenieke Afro-Amerikaan met de kamerbrede glimlach er uitgroeien tot één van de succesvolste Amerikaanse basketballers aller tijden en zo een remonte van de zwalkende National Basketball Association (NBA) inluiden.

Dat is het startpunt voor de gelikte vierdelige docuserie They Call Me Magic (240 min.), waarin Johnsons carrière netjes wordt doorgelopen, gebruikmakend van een mixture van wedstrijdbeelden, nieuwsreportages en interviews. Magic zelf komt natuurlijk aan het woord. Familie, vrienden en kennissen. Collega’s zoals Michael Jordan, Isiah Thomas en Larry Bird. De onvermijdelijke sportjournalisten, basketbalofficials en deskundigen. En ook het verplichte blik Bekende Amerikanen wordt opengetrokken. Daarin blijken ditmaal Barack Obama, Snoop Dogg, Bill Clinton, Samuel L. Jackson, Spike Lee, Rob Lowe, Paula Abdul, LL Cool J, Jimmy Kimmel en Arsenio Hall te zitten.

Met al die verschillende sprekers maakt regisseur Rick Famuyiwa er een typisch Amerikaanse sportdocumentaire van: een vertelling die continu van drama via cliffhanger naar overwinning snelt – en weer terug. Van Johnsons komeetachtige opkomst via de (opgeklopte) zwart-wit rivaliteit met de blanke held Larry Bird van de grote concurrent The Boston Celtics en de entree van de nieuwe superster Michael Jordan tot zijn schokkende mededeling dat hij besmet is geraakt met het HIV-virus. Een vet aangezette basketbalsaga, die natuurlijk is gelardeerd met onnoemelijk veel superlatieven, dramatiek en clichés. Dichtgesmeerd bovendien met een vlotte collectie soul-, pop- en discohits.

Al dat spektakel kan echter niet verhullen dat They Call Me Magic slechts zelden écht de diepte ingaat. Zoals het ook slechts zelden écht lijkt te schuren in het leven van de goedlachse Magic. Zelfs het feit dat hij de relatie met zijn echtgenote Cookie tot driemaal toe heeft afgebroken voordat het kwam tot een huwelijk heeft achteraf bezien ook wel zijn charme. Pas als Johnson krijgt te horen dat hij HIV heeft en vervolgens een spreekbuis wordt voor besmette Amerikanen krijgt de serie werkelijk scherpte en diepgang. Dan gaan de toch wat gladde praatjes aan de kant en toont de man achter Magic, Earvin Johnson, alsnog publiekelijk zijn ziel.

In de laatste aflevering van de serie roept alleen de plicht weer (deelname met het zogenaamde Dream Team aan de Olympische Spelen, terugkeer in de NBA, de start van een eigen zakenimperium en ondertussen ook nog het bij elkaar houden van zijn gezin) en verdwijnt de urgentie net zo snel als ie is gekomen, ten faveure van wat toch wel héél dicht bij een hagiografie komt.

How To Survive A Pandemic

VPRO

In de documentaire How To Survive A Plague uit 2012 blikt regisseur David France (Welcome To Chechnya) terug op de pogingen van LGBT-activisten om de Amerikaanse regering onder druk te zetten om het HIV-virus, dat ongenadig huishoudt in hun gemeenschap, eindelijk eens serieus te nemen. Nu de wereld opnieuw heeft te kampen met een dodelijk virus, presenteert David France een soort opvolger voor deze film die destijds werd genomineerd voor een Oscar. Over de pogingen van wetenschappers om een vaccin tegen het Coronavirus te ontwikkelen en de distributie van dit vaccin.

How To Survive A Pandemic (109 min.) is wel een documentaire met een ander karakter. Waar de strijd tegen AIDS in de jaren tachtig voortdurend gepaard ging met woede en frustratie – omdat het de autoriteiten blijkbaar geen snars kon schelen dat Amerikaanse homoseksuelen en masse stierven – wordt de campagne om een vaccin tegen COVID-19 te ontwikkelen op het eerste gezicht gekenmerkt door eensgezindheid. Alle betrokkenen hebben een gezamenlijk doel. Alleen de regering Trump zorgt zo nu en dan voor reuring, door een openlijke breuk met de World Health Organisation bijvoorbeeld of het zwartmaken van de eminente immunoloog Anthony Fauci, die ook in de AIDS-crisis en How To Survive A Plague al een hoofdrol kreeg toebedeeld.

Toch onthult ook deze breed opgezette film – waarin Science-journalist Jon Cohen, die in alle uithoeken van de wereld belangrijke spelers uit de Coronabestrijding interviewt, als centraal personage wordt ingezet – structurele en dieper liggende problemen. De ontwikkeling van een vaccin wordt weliswaar een doorslaand succes, maar dat heeft een naar bijeffect: bestaande verschillen tussen arm en rijk worden erdoor bestendigd, bijvoorbeeld tussen westerse landen die vaccins over hebben en in reserve houden en armere landen die tekort komen en daardoor slechts een beperkt deel van de bevolking kunnen laten inenten.

Het nettoresultaat daarvan beloopt uiteindelijk al snel een miljoen doden, becijfert France in de aftiteling. Het is een wrange conclusie voor een film die de strijd tegen COVID-19 op diverse plekken in de wereld – van brandhaarden als Brazilië en Zuid-Afrika tot de belangrijke vaccinproducent India – treffend in beeld heeft gebracht. Die slotsom ondermijnt de hoopvolle boodschap die je ook uit How To Survive A Pandemic zou kunnen halen: als we er met z’n allen de schouders onder zetten, zijn we in staat om bergen te verzetten en pandemieën te bedwingen.

The Andy Warhol Diaries

Netflix

Een man, een kunstenaar, een genie, een mythe, een personage, een evenement zelfs. Andy Warhol (1928-1987), één van de bekendste kunstenaars van de twintigste eeuw, laat zich in deze serie niet zomaar in één enkele omschrijving vangen. ‘Andy Warhols belangrijkste kunstwerk is Andy Warhol’, stelt kunstkenner Jeffrey Deitch. ‘Hij is een perfect voorbeeld van de kunstenaar als kunst. Hij valt daarmee in dezelfde categorie als Gertrude Stein, Salvador Dali en Oscar Wilde.’

De Andy Warhol van The Andy Warhol Diaries (398 min.) is een man die het al lang en breed heeft gemaakt. De zesdelige docuserie is opgebouwd rond fragmenten uit een dagboek dat hij sinds 24 november 1976 bijhield en dat in 1989, twee jaar na zijn dood, onder redactie van zijn persoonlijke assistent Pat Hackett (aan wie hij het ook dicteerde) werd uitgebracht. Regisseur Andrew Rossi heeft Warhols stem met behulp van Artificial Intelligence gekloond en acteur Bill Irwin vervolgens de teksten laten inspreken. Die techniek is omstreden, maar lijkt in dit geval, ook gezien Warhols eigen kopieerkunst, zeker te billijken en zorgt bovendien voor een ongefilterde kijk in het hoofd en hart van een man, die doorgaans niet gemakkelijk in zijn ziel liet kijken.

Aan het woord komen verder Jay Johnson (de tweelingbroer van Andy’s eerste serieuze liefde Jed Johnson), Jay Gould (de tweelingbroer van Andy’s tweede serieuze liefde Jon Gould), vrienden, medewerkers, collega’s, kunstkenners en een flinke parade van sterren, die elk op hun eigen manier hun door Warhol voorspelde ’15 minutes of fame’ hebben geconsumeerd: Debbie Harry, Rob Lowe, John Waters, Julian Schnabel, Mariel Hemingway, Fab 5 Freddy en Jerry Hall. Zij kenschetsen hem als een man die zich van jongs af aan schaamt voor zijn uiterlijk, voordoet als aseksueel en – hoewel hij nooit écht uit de kast is gekomen – graag omringt met mooie jonge mannen. Een man ook waarbij de AIDS-crisis flink zal huishouden.

Behalve zijn relationele leven belichten zij tevens de artistieke ontwikkeling van Warhol. Daarbij ligt de nadruk op zijn latere carrière als hij allang zijn eigen merk is geworden, zich meer en meer als een typische celebrity gaat gedragen en tegelijkertijd steeds minder serieus wordt genomen binnen de kunstscene. Warhols formatieve jaren, inclusief daarmee verbonden begrippen zoals popart, The Factory en The Velvet Underground, worden slechts in de kantlijn behandeld. In plaats daarvan is er uitgebreid aandacht voor zijn rol als beschermheer voor een nieuwe generatie (straat)kunstenaars zoals Keith Haring en met name Jean-Michel Basquiat, met wie hij een win-winrelatie ontwikkelt die gaandeweg toch helemaal spaak loopt.

En dan nadert Andy Warhols oneindige ‘feest’ plotseling toch zijn eind, na een tragisch verlopen galblaasoperatie. Op één van de laatste schilderijen die hij maakt staat de tekst: heaven and hell are just one breath away! Als hij die laatste adem uitblaast, halverwege de laatste aflevering, heeft de kijker beslist een relatie opgebouwd met deze ‘mechanische voyeur’ uit een andere tijd, die als één van de allereerste influencers (en een eigenzinnige beschouwer van de bijbehorende cultuur) kan worden beschouwd. Ook al heeft diezelfde kijker, net als Warhols tijdgenoten, tegelijk nooit helemaal vat gekregen op de man, de kunstenaar, het genie, de mythe, het personage en het evenement Andy Warhol.

Freddie Mercury: The Final Act

NTR

‘Er gaat het gerucht dat we uit elkaar gaan’, roept Freddie Mercury tijdens een concert van Queen in het Wembley-stadion in 1986. ‘Wat denken jullie?’ Hij wijst demonstratief naar zijn achterste. ‘Ze praten vanuit híer!’ Mercury neemt nog even de tijd om zijn punt te maken: ‘Vergeet al die geruchten: wij blijven bij elkaar tot onze dood!’ Het zullen, helaas, profetische woorden blijken te zijn.

Op dat moment had de Britse zanger al aangegeven bij zijn medebandleden dat hij niet meer wilde toeren. Het HIV-virus zat hem op de hielen. Zonder dat zij het wisten overigens. Officieel dan. Mercury was een ‘dead man walking’, maar over dat onderwerp werd niet gesproken. Hij wilde dat ook niet. De zanger zou uiteindelijk op 24 november 1991 overlijden, op slechts 45-jarige leeftijd.

Via het tragische einde van de Queen-frontman belicht documentairemaker James Rogan in Freddie Mercury: The Final Act (90 min.) de AIDS-epidemie, die de sfeer van onverdraagzaamheid die er in het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher sowieso al was ten opzichte van homoseksuelen nog eens versterkte. Was dit misschien de straf die zij kregen – van God natuurlijk – voor hun tegennatuurlijke gedrag?

Do I look like i’m dying of AIDS? fumes Freddie, kopte de Britse tabloid The Sun in die jaren bijvoorbeeld uiterst speculatief. ‘Dat zorgde destijds voor een enorme haat bij mij voor de journalistieke benadering van de Murdoch-kranten’, vertelt Queen-drummer Roger Taylor, die samen met gitarist Brian May uitgebreid terugblikt op dit dramatische hoofdstuk uit de bandhistorie.

Verder komen in deze boeiende documentaire ook Mercury’s zus Kashmira Bulsara, vriendin Anita Dobson en z’n personal assistant Peter Freestone, die zijn ziekteproces van dichtbij meemaakte, aan het woord. Hun herinneringen worden gepaard aan de getuigenissen van enkele homoseksuele mannen die tijdens de AIDS-crisis opgroeiden en zagen wat die aanrichtte.

Intussen is er altijd de muziek van Queen, die binnen deze context helemaal tot zijn recht komt en extra diepte krijgt. Alsof ineens duidelijk wordt wat Freddie Mercury eigenlijk probeerde te zeggen. En in die muziek ligt natuurlijk ook de sleutel naar de verwerking van het verdriet na zijn overlijden en de afronding van deze film: het befaamde Freddie Mercury Tribute Concert For AIDS Awareness.

Op 20 april 1992 verzamelden zich talloze popgrootheden, in Wembley natuurlijk, om eer te bewijzen aan de man en zijn songs. Dan dreigt deze film even een standaard-popdocu te worden, waarin collega’s als Roger Daltrey, Lisa Stansfield en Paul Young ruimte krijgen om uit te spreken hoe bijzonder Freddie Mercury wel niet was. Ook de derde akte levert echter bijzondere verhalen op.

Over het duet bijvoorbeeld dat Elton John, zelf homoseksueel en bovendien een intieme vriend van de Queen-zanger, moest zingen met Guns N’ Roses-zanger Axl Rose, die destijds werd beschuldigd van homofobie. Uiteindelijk reikten ze elkaar tijdens Bohemian Rhapsody letterlijk de hand. En dan is er nog het drama rond George Michael die niet voor niets boven zichzelf uitsteeg in Somebody To Love.

Zulke indringende episodes tillen deze film uit boven het individuele verhaal van Freddie Mercury. Hoewel dat op zichzelf natuurlijk ook al meer dan genoeg tot de verbeelding spreekt.

Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel

SNG Film

Niets zo erg voor een ambachtsman als wanneer zijn instrumentarium hem in de steek dreigt te laten. Een fotograaf heeft behalve een werkend toestel bijvoorbeeld ook twee goed functionerende ogen nodig. Het ene om scherp te stellen, het andere om de situatie in zich op te nemen. Zoals kunstenaar Paul Klee het verwoordt in de opening van dit portret van fotograaf Koos Breukel: ‘Het ene oog ziet, het andere voelt.’

In 1992 raakte Breukel, op weg naar een fotoshoot met zakenvrouw Sylvia Tóth, betrokken bij een ernstig auto-ongeluk. Sindsdien heeft hij in zijn rechteroog ‘mouches volantes’, stippen in zijn gezichtsveld. Er moest een staaroperatie aan te pas komen om hem weer scherp te kunnen laten zien, vertelt de fotograaf in Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel (52 min.).

Zijn werk zou er persoonlijker door worden. Hij portretteerde bijvoorbeeld slachtoffers van de vliegramp bij Faro, die kort na zijn eigen ongeluk plaatsvond. De Amerikaanse performer Michael Matthews die overleed aan AIDS. En zijn eigen zoon Casper, aan wie inmiddels een complete expositie is gewijd. Via zijn fotografie, anekdotes daarover en scènes van de vakman in actie probeert regisseur Lex Reitsma vat te krijgen op Breukel.

Het Oog Dat Voelt concentreert zich volledig op het werk van de portretfotograaf. Over hoe hij een stoel gebruikt om de essentie van de mensen voor zijn lens te vangen, zijn grote inspiratiebronnen, de zielsverwantschap met z’n Belgische collega Stephan Vanfleteren en ‘s mans enige concept: dat alles eigenlijk per ongeluk gebeurt.

In deze verstilde en fraai ogende film gebeurt verder verrassend weinig. Via zijn protagonist kijkt Reitsma zorgvuldig, zonder dat dit verder heel enerverend wordt, naar de wereld en laat zien wat Koos Breukels ogen zien en voelen.

Fauci

Disney+

Hij kwam in zijn lange loopbaan tweemaal in de frontlinie van een enorme gezondheidscrisis te staan. Tijdens de AIDS-epidemie van begin jaren tachtig, toen het HIV-virus huishield in de homoseksuele gemeenschap van de Verenigde Staten, werd wetenschapper Anthony Fauci het gezicht van de falende respons van de Regering Reagan. Gay America voelde zich op geen enkele manier serieus genomen en was woedend. AIDS-activist Larry Kramer vergeleek hem zelfs met een moordenaar. Fauci (104 min.) moest zijn benadering echt fundamenteel bijstellen om het tij te kunnen keren. Tegenwoordig wordt de gedreven immunoloog beschouwd als een sleutelfiguur in de bestrijding van AIDS.

Een kleine veertig jaar later zou Anthony Fauci voor nog veel hetere vuren komen te staan en zowaar uitgroeien tot een Bekende Amerikaan. In de loop van 2020 werd hij tijdens de Coronacrisis een haatobject voor elke zichzelf respecterende Trump-supporter. Fire Fauci, scandeerde het publiek tijdens politieke toespraken van de Republikeinse president. Er werd zelfs een wetsvoorstel ingediend om dat daadwerkelijk te regelen. Rechtse talkshowhosts spraken geringschattend over ‘Dr. Doom’ en haalden hem zo’n beetje dagelijks door het slijk. En Donald Trump zelf liet geen gelegenheid onbenut om de bekendste gezondheidsfunctionaris van het land van onder uit de zak te geven.

Anthony Fauci had ‘t er natuurlijk zelf naar gemaakt: hij sprak de Amerikaanse president geregeld tegen als het ging over het Coronavirus en baseerde zich daarbij nog op wetenschappelijk onderzoek ook! Het kwam hem en zijn vrouw en kinderen op serieuze bedreigingen te staan (en maakte van de tachtigjarige Fauci tevens een soort superheld voor Links Amerika). Die pijnlijke episode – nog geen jaar geleden en toch al ver weggezakt in het collectieve geheugen – vormt het centrale verhaal van dit boeiende portret, dat parallel daaraan ook de AIDS-crisis belicht en nog een uitstapje maakt naar de bestrijding van Ebola.

De documentairemakers John Hoffman en Janet Tobias laten behalve Anthony Fauci zelf, zijn echtgenote Christine en hun dochter Jenny ook collega’s, homo-activisten en oud-president George W. Bush en U2-zanger Bono, met wie hij tegen de verspreiding van AIDS in Afrika streed, aan het woord. Uit die gesprekken komt een beeld van Fauci als een onkreukbare overheidsfunctionaris, die zich onvermoeibaar, desnoods ten koste van zijn eigen gezin, inzet voor de goede zaak en daardoor zowel aan het begin (AIDS) als aan het eind (COVID-19) van zijn carrière echt heeft kunnen floreren. Dit portret krijgt daarmee het karakter van een eerbetoon. En dat lijkt niet eens onterecht…

Pride

Disney +

Vóór de Stonewall-rellen, die in 1969 de Amerikaanse LGBTQ-beweging zouden aanjagen, bestonden er natuurlijk ook al homoseksuelen en lesbiennes in de Verenigde Staten. En die leefden soms een beter leven dan je nu zou denken, betogen enkele sprekers in de eerste aflevering van de zesdelige serie Pride (247 min.). De films van Hal O’Neal van halverwege de twintigste eeuw, waarin halfnaakte mannen frank en vrij met elkaar lijken om te gaan, leveren het bijbehorende bewijsmateriaal.

Open konden ze daar natuurlijk niet over zijn. Homoseksualiteit moest met alle mogelijke middelen worden afgeschermd van de buitenwereld. Anders kon het slecht met je aflopen. Of met je directe omgeving. Dat wordt op een bijzonder pijnlijke manier duidelijk in diezelfde eerste episode, als de Democratische senator Lester Hunt in 1954 een einde aan zijn leven maakt. Zijn Republikeinse collega Joe McCarthy, de man ook achter de genadeloze heksenjacht op communisten, is erachter gekomen dat Hunts zoon is gearresteerd vanwege onzedelijke handelingen met een andere man.

Het is één van de ‘vergeten’ verhalen in deze oerdegelijke serie, de Amerikaanse tegenhanger van Michiel van Erps De Roze Revolutie, die de LGBTQ-emancipatiestrijd van de afgelopen eeuw belicht met centrale spelers en een karrenvracht aan fraai archiefmateriaal. Daarbij komen natuurlijk bekende thema’s aan de orde, zoals de epische strijd met religieus rechts over Proposition 6 (waarmee homo’s uit het onderwijs moesten worden geweerd), het verpletterende AIDS-drama in de jaren tachtig en de cultuuroorlog van de nineties die uiteindelijk zou uitmonden in het homohuwelijk.

Het interessantst wordt Pride evenwel als de reeks minder bekende afslagen neemt: de verhouding van LGBTQ-activisten tot de burgerrechtenbeweging, het ontstaan van de drag- en ballroomscene of de strubbelingen van lesbiennes met sommige feministen, die hen als een bedreiging zagen voor hun eigen imago, de zogenaamde Lavender Menace. Deze grote maatschappelijke verhalen worden gestut met kleine menselijke getuigenissen. Van homo’s, lesbiennes en transgenders die hun eigen persoonlijke strijd moesten voeren om te kunnen zijn wie ze altijd al waren of wilden zijn.

Bittere noodzaak, aldus de activistische comedian Robin Tyler, die de kast waar ze uit moest komen treffend omschrijft als ‘een verticale doodskist’. Pas daarna kon het leven echt beginnen. Trots.

Hating Peter Tatchell

Netflix

Een homo was toch een viezerik die jonge jongens aanrandde? Hoewel klasgenoten regelmatig grapten dat hij gay was, kon Peter Tatchell zich als opgroeiende tiener in Melbourne helemaal niet indenken dat hij zelf homoseksueel zou kunnen zijn. Totdat hij in 1968 bij zijn eerste baantje thuis werd uitgenodigd door een collega. Ze genoten van een diner en hadden daarna seks. ‘Als dit is wat gay is’, dacht Peter volgens eigen zeggen, ‘ben ik gay.’

Zijn gesprekspartner, de Britse topacteur Ian McKellen, moet erom glimlachen. Hij lijkt zich wel in het verhaal te herkennen. Er was maar één probleem: Tatchells ouders waren zwaar christelijk, vertelt hij in Hating Peter Tatchell (91 min.). Hij was bang dat ze hem zouden aangeven bij de politie. Peters moeder, dik in de negentig inmiddels, heeft er overigens nog altijd moeite mee om te zeggen dat gay zijn oké is. En zijn zus Heather lijkt zich daar weer een beetje voor te schamen.

Omdat hij zijn dienstplicht niet tijdens de oorlog in Vietnam wilde vervullen, vertrok Peter Tatchell uiteindelijk naar Groot-Brittannië. Daar zou hij uitgroeien tot een bekend gezicht van de emancipatiebeweging Gay Liberation Front. Toen hij zich in 1981 namens de Labour Party kandidaat stelde voor het Britse parlement, werd Tatchell echter genadeloos kalt gestelld met een lastercampagne. De AIDS-crisis zou de boodschap er vervolgens nóg duidelijker in hameren: echte homoacceptatie moest op een andere manier worden bewerkstelligd.

Met de provocerende acties van Outrage!, en daarachter de meer overleggezinde belangenorganisatie Stonewall, zetten Tatchell en zijn medestanders hun strijd voort. Daarvan zijn in deze documentaire van Christopher Amos talloze omstreden voorbeelden opgenomen; van mannen die zichzelf gaan aangeven bij de politie omdat ze zich schuldig hebben gemaakt aan seksmisdaden (zoenen in het openbaar) tot het ongevraagd outen van bekende Britten die in het openbaar anti-homoregelingen steunden (zoals bijvoorbeeld de toenmalige bisschop van Londen).

Zelfverdediging, noemt Peter Tatchell dat tegenover interviewer McKellen. En zéér effectief: geen van de in opspraak gebrachte kerkleiders heeft zich daarna nog tegen homo’s uitgesproken. Ook in eigen kring kwam er echter veel kritiek op deze tactiek van de verschroeide aarde. Het was een egotrip, volgens de één. Dogmatisch en arrogant, volgens een ander. En hijzelf werd een ‘homofascist’ en ‘queer terrorist’ genoemd. Dat was zwaar, zegt Tatchell nu, maar hij draagt die bijnamen tegelijkertijd met trots.

Terwijl hij in dit scherpe portret ontspannen terugblikt op zijn activisme, schermt de vleesgeworden demonstrant zijn privéleven zoveel mogelijk af. Hij heeft al genoeg (verbaal) geweld te verduren gekregen. Hating Peter Tatchell belicht daarom vooral ‘s mans publieke bestaan, dat al een halve eeuw omspant en zich inmiddels uitstrekt tot zo’n beetje alle mensenrechten. De persoon achter de activist openbaart zich dus hoofdzakelijk in de acties zelf, waarin hij ook op gevorderde leeftijd nog met gevaar voor lijf en leden de confrontatie blijft zoeken.

Killing Patient Zero

Hij is de geschiedenis ingegaan als de man die AIDS hoogstpersoonlijk naar de Verenigde Staten had gebracht. Ofwel: Patient Zero. Gaétan Dugas, een flamboyante purser van de vliegmaatschappij Air Canada met een ongezonde seksuele behoefte. Hij had meer ‘fuckbuddies’ dan goed was voor wie dan ook. Goed, Gaétan zou zelf in 1984 bezwijken aan dat fatale virus, maar van tevoren wist hij het nog lekker rond te neuken. Totdat iedere … (vul scheldwoord in) doodsbang was voor die ‘homokanker’.

Tot zover de kwaadaardige karikatuur die van Dugas is gemaakt: de culminatie van alle vooroordelen die conservatieve Amerikanen over homo’s hadden, de stok om een complete gemeenschap mee te slaan. In deze documentaire maakt Laurie Lynd, nadat hij met prominente LGBT’ers zoals Fran Lebowitz, Richard Berkowitz en B. Ruby Rich eerst de AIDS-crisis nog eens tot in detail heeft doorgelopen, korte metten met die halfbakken theorie. Killing Patient Zero (98 min.), juist.

Dugas was niet zozeer slachtoffer van zijn eigen hedonistische gedrag – en daarmee ook een soort dader, die moedwillig het virus zou hebben verspreid – maar een klassieke zondebok. En de benaming Patient Zero zelfs het gevolg van een stom misverstand: de O van ‘Out of California’ was aangezien voor een 0. En die nul bombardeerde hem, de man die in tegenstelling tot veel andere gays geen last van ‘geïnternaliseerde homohaat’ had, vervolgens tot de bron van al het HIV-kwaad.

Bill Darrow, onderzoeker van de AIDS Task Force van het Amerikaanse Centers for Disease Control And Prevention, kan er nog altijd niet over uit. Zijn ‘cluster study’ kwam volledig verminkt terecht in het boek And The Band Played On van Randy Shilts, die daarmee het hardvochtige beleid van de regering Reagan ten aanzien van de AIDS-epidemie genadeloos aan de kaak wilde stellen. En passant werd een willekeurige homoseksuele man, ook nog postuum, gebrandmerkt als een gevaar voor de volksgezondheid.

Deze krachtige film maakt van de archetypische losbandige homo uit de jaren zeventig Gaétan Dugas weer een mens van vlees en bloed en voegt zo – in navolging van documentaires als Larry Kramer: In Love And Anger, How To Survive A Plague en 5B – opnieuw een gezicht toe aan de schier eindeloze galerij van AIDS-slachtoffers. Zij representeren een tijd waarin homo’s genadeloos werden afgerekend op het feit dat ze de pasverworven vrijheid om te zijn wie ze altijd al waren in de praktijk hadden gebracht.