The People Vs. Agent Orange

IDFA

‘Als je denkt dat je te klein bent om het verschil te maken, heb je nog nooit met een mug van doen gehad.’

Terwijl Agent Orange vanaf 1971 niet meer gebruikt mocht worden bij de oorlog in Vietnam, bleven ze het ontbladeringsmiddel gewoon gebruiken in Amerikaanse natuurgebieden. In Oregon zag Carol Van Strum wat de gevolgen daarvan bij haar thuis waren: haar kinderen werden ziek, hun tuin veranderde in een woestenij en de hond ging dood. Ze kon niet meer lijdzaam toekijken. Met de actiegroep Citizens Against Toxic Sprays (CATS) begon Carol informatie te verzamelen over de ontbladering van haar leefomgeving. Die strijd duurt tot op dag van vandaag en heeft haar echt ongelooflijk veel gekost – méér dan wat een mens eigenlijk kan dragen.

In Vietnam is Tran To Nga, die een kind verloor als gevolg van het gebruik van Agent Orange, ondertussen ook in het geweer gekomen. Ze heeft de producenten aangeklaagd. Hun herbicide werd ingezet als chemisch wapen, om delen van haar land te ontdoen van begroeiing die de communistische vijand kon beschermen. Agent Orange heeft in Trans land uiteindelijk gewerkt als een massavernietigingswapen, waarvan de schade ruim een halve eeuw later nog altijd zichtbaar is. Dat wordt in The People Vs. Agent Orange (87 min.) treffend geïllustreerd met een schokkende scène in een Vietnamees kinderziekenhuis. 

Gaandeweg onthullen de filmmakers Kate Taverna en Alan Adelson hoe diep de beerput eigenlijk is, zowel in Vietnam als in de Verenigde Staten zelf, en hoezeer de dreggers daarvan, weggezet als notoire complotdenkers, zijn tegengewerkt. Door de Amerikaanse overheid en de betrokken multinationals: verdwenen bewijsmateriaal, intimidatie en – naar het zich laat aanzien – bruut geweld. Zulk onrecht kan eigenlijk geen mens onberoerd laten. De volksgezondheid – niet alleen van voormalige vijanden, maar ook van gewone Amerikaanse burgers – is rücksichtslos opgeofferd voor bedrijfs- of regeringsbelangen.

Voor Carol en Tran wordt de strijd intussen een race tegen de klok: leven ze lang genoeg om hun recht te halen of hebben hun tegenstrevers uiteindelijk toch een langere adem? Dat is om woest van te worden.

White Riot

Ruim veertig jaar na dato doet het onwerkelijk aan, maar in het Verenigd Koninkrijk van halverwege de jaren zeventig liet menigeen zich openlijk racistisch uit. De extreemrechtse partij The National Front fulmineerde bijvoorbeeld met de regelmaat van de klok tegen kleurlingen en stond hoog in de peilingen. Ook celebrities uitten zich soms in xenofobe termen. ‘Get the wogs out’, riep Eric Clapton, niet in de beste periode van zijn leven en carrière, bijvoorbeeld tijdens een concert in Birmingham. ‘Get the coons out.’

De Britse gitarist sprak daarnaast zijn steun uit aan de omstreden conservatieve politicus Enoch Powell. Die had in 1968 gewaarschuwd voor ‘rivieren van bloed’ als de aanhoudende immigratie niet werd gestopt. Volgens Clapton zou Groot-Brittannië nu binnen tien jaar zelf een kolonie kunnen worden. De popfotograaf Red Saunders kon zijn oren niet geloven en besloot actie te ondernemen. Hij formuleerde een openbare reactie naar de man die groot was geworden van/met de blues, van oorsprong toch echt slavenmuziek. ‘Come on, Eric. you’re rock music’s biggest colonialist’, schreef Saunders venijnig. ‘P.S. Who shot the sheriff, Eric? It sure as hell wasn’t you, mate…’

Saunder’s  open brief aan het poptijdschrift NME zou het startpunt betekenen voor Rock Against Racism. Regisseur Rubika Shah tekent de activistische organisatie in White Riot (80 min.), vernoemd naar de klassieke eerste single van de punkband The Clash, van binnenuit op en schetst met kopstukken als Mykaell Riley (Steel Pulse), Tom Robinson en Pauline Black (The Selekter) het explosieve politieke klimaat in Groot-Brittannië, dat de ideale voedingsbodem zou blijken te zijn voor zowel punk als antifascisme. Bewegingen die, geheel naar de tijdgeest, gekenmerkt werden door roestvrijstalen overtuigingen, een echte Do It Yourself-mentaliteit en lekker schreeuwerige esthetiek.

Aan de vooravond van de Britse verkiezingen van 1979, waarbij het National Front hoge ogen leek te gaan gooien, culmineerden de activiteiten van Rock Against Racism in een gratis concert in het Londense Victoria Park, tevens de climax van deze degelijke film, waarbij zo’n 100.000 Britse jongeren letterlijk kleur bekenden. Het werd een soort Woodstock voor de punkgeneratie en bleek tevens een ideale generale repetitie voor groots opgezette evenementen in latere jaren, zoals het ultieme Gutmensch-evenement Live Aid.

Allen Tegen Allen

Cinema Delicatessen

Vanuit een ontwenningskliniek bedankte hij uiteindelijk voor de eer. Namens de Rapaille Partij was de zwerver Had-Je-Me-Maar zojuist gekozen voor de Amsterdamse gemeenteraad. In het partijprogramma voor de verkiezingen van 1921 stond eigenlijk maar één belangrijk punt: gratis jenever voor iedereen.

Achter de Rapaille Partij, één van de eerste Nederlandse fascistische partijen, ging de mislukte kunstenaar/dichter Erich Wichman schuil. Hij had een afkeer van democratie. Van de mensen was volgens hem zestig procent gek, stelt kenner en verzamelaar Joep Haffmans. Dus als een meerderheid van de bevolking mocht kiezen, zou het land gegarandeerd door gekken geregeerd worden. Wichman zwoer bij een sterke leider.

De Rapaille Partij is maar één van de vele vergeten splinterpartijen, die gezamenlijk de historie van het vaderlandse fascisme vormen. In Allen Tegen Allen (104 min.) akkert Luuk Bouwman de complete stamboom van Bruin Nederland door. Uiteindelijk zou maar één partij de geschiedenisboeken halen: de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert, die van 1942-1945 de door nazi-Duitsland gesanctioneerde leider van het Nederlandse volk werd.

Al die vergeten would be-führers, Raspoetins en trouwe volgelingen van partijen als De Bezem, Nederlandse Oranje Nationalisten en Zwart Front, die na de oorlog ogenschijnlijk zonder al te veel wroeging weer zouden opgaan in het gewone Nederland, worden onder het stof vandaan gehaald door enkele bevlogen historici, auteurs en verzamelaars.

Bouwman illustreert hun gloedvolle verhalen met brieven, attributen, officiële documenten, curiosa en een overvloed aan beeld- en geluidsmateriaal en raakt duidelijk ook gefascineerd door hun fascinatie voor het fascisme. Hij omkleedt dit geheel vervolgens met grootse shots van het hedendaagse Nederland en kadert de verwrongen familie-opstelling in met een bespiegelende voice-over over de psychologie van het fascisme.

Zo ontstaat een uitputtend overzicht van een verborgen geschiedenis, die allerlei relevante en actuele lessen oplevert.

The Case Against Adnan Syed

HBO

Zelden zal true crime zo’n groot publiek hebben bereikt als in 2014/2015. Eerst was er Serial, waarin journalist Sarah Koenig de moord op het tienermeisje Hae Min Lee uitploos. Ene Adnan Syed zat daarvoor al ruim vijftien jaar (onterecht?) vast. Een klein jaar later volgde Making A Murderer, waarin Laura Ricciardi en Moira Demos probeerden aan te tonen dat Steven Avery beslist niet de moordenaar kon zijn van Teresa Halbach. De twee hypes lanceerden tevens twee stijlvormen die nog altijd erg in trek zijn, respectievelijk de podcast en de documentaireserie.

Beide series hebben inmiddels een vervolg gekregen. Seizoen 2 van Making A Murderer was, in mijn ogen, een veel te lang uitgesponnen, eendimensionale en sentimentele toevoeging. Met name de mediagenieke/-geile nieuwe advocate van de hoofdverdachte, Kathleen Zellner, kreeg wel erg ruimte om haar toneelstukjes over nieuw bewijsmateriaal op te voeren en te oreren over Averys (vermeende) onschuld. Wat er écht te vertellen viel, had ook in anderhalf uur gepast. In plaats van tien. En daarbij zal het, daarop kun je natuurlijk vergif innemen, niet blijven ook.

Het ‘vervolg’ op Serial, de vierdelige documentaireserie The Case Against Adnan Syed (267 min), is andere koek. Filmmaker Amy Berg start met Koenigs bevindingen in Serial, richt zich op nieuw bewijsmateriaal dat ná de release van de podcast is ontdekt en zet zelf privé-detectives op enkele onderzoekspistes die nog nadere aandacht verdienen. Daarmee brengt ze het onderzoek ook daadwerkelijk verder. De resultaten worden vervolgens tamelijk sereen, zonder al te veel effectbejag, gepresenteerd aan de kijker. Waarbij uiteindelijk de hamvraag is: krijgt Adnan, die inmiddels al twintig jaar vastzit en in de serie alleen aanwezig is via telefonische interviews, op basis daarvan ook een nieuwe rechtszaak?

Berg licht de zaak tegen de Pakistaanse Amerikaan grondig door en maakt behoorlijk aannemelijk dat met hem wellicht een onschuldige jongen/man is veroordeeld. De filmmaakster laat zich tegelijkertijd niet verleiden om al te zeer te speculeren over andere scenario’s van wat er gebeurd zou kunnen zijn of andere potentiële verdachten. Alleen Adnans medeverdachte Jay Wilds, op basis van wiens getuigenverklaring hij grotendeels is veroordeeld, mag zich in haar bijzondere aandacht verheugen. Diens twijfelachtige beweringen worden wel degelijk onder het vergrootglas gelegd. En via zijn ex-vriendin probeert ze hem ook te spreken te krijgen.

Behalve een poging om nieuw licht te werpen op de geruchtmakende moordzaak is deze miniserie tevens een portret van multicultureel Amerika. Baltimore, de stad die in de klassieke televisieserie The Wire is geportretteerd als een kolossale, grotendeels zwarte achterbuurt met een enorme drugsproblematiek, blijkt ook een behoorlijke Koreaanse gemeenschap te hebben. Slachtoffer Hae Min Lee stamt uit deze cultuur. Haar nabestaanden worden in deze korte reeks vertegenwoordigd door een vriend van de familie Lee. Haar ex-vriend en hoofdverdachte Adnan Syed is afkomstig uit het moslimdeel van de stad. Zijn familie participeert nadrukkelijk in de serie en wordt geportretteerd tijdens de pogingen van Adnans advocaten om de zaak weer in beweging te krijgen. Ook als thuis het noodlot toeslaat…

Amy Berg maakt tastbaar hoeveel menselijke schade een levensdelict aanricht, zowel bij het slachtoffer en haar familie als bij de verdachte en diens verwanten. Waarbij er natuurlijk ook nog gezamenlijke vrienden van Hae en Adnan zijn, die al twintig jaar nauwelijks weten welke positie ze moeten kiezen. Het maakt van The Case Of Adnan Syed een subtiel en gelaagd moordmysterie. Misschien minder een hapklare brok televisievermaak dan Making A Murderer, maar uiteindelijk een bevredigendere kijkerervaring.