My Psychedelic Love Story

Joanna Harcourt-Smith / SHOWTIME.

Allereerst is er gewoon een interview. Met Robert McNamara, Donald Rumsfeld of Steve Bannon. Protagonisten die ver voorbij hun gebruikelijke verhaal gaan. Gedwongen door een enkele indringende vraag of een onverwacht perspectief. Hoewel ze de regie nooit uit handen lijken te geven, komen ze toch op een totaal nieuwe manier in beeld. Ook door de briljante framing van het gesprek. Shots van boven of juist van onder, overshoulder, schuin of van opzij. Elke zinsnede kan daardoor een verrassing opleveren. En krijgt door de bijpassende beeldenpracht, virtuoze vormgeving en urgente soundtrack een onvermoede lading.

Het resulteerde in weergaloze documentaires: The Fog Of War (McNamara), The Unknown Known (Rumsfeld) en American Dharma (Bannon). Zo’n film wilde Joanna Harcourt-Smith ook wel. Gebaseerd op haar eigen boek Tripping The Bardo With Timothy Leary: My Psychedelic Love Story (102 min.). Ook doordat ze zich, na het zien van Errol Morris’ paranoïde serie Wormwood, begon af te vragen of ze in de jaren zeventig misschien, zonder dat ze het zelf in de gaten had, een werktuig van de CIA was geweest. Was haar stormachtige affaire met de LSD-goeroe, die uit een Amerikaanse gevangenis was ontsnapt en sindsdien als balling in Zwitserland verbleef, misschien onderdeel van een sluwe campagne van de buitenlandse veiligheidsdienst om Leary alsnog in de kraag te grijpen?

Die intrigerende vraag vormt het startpunt voor dit met veel verve opgediste levensverhaal van een Zwitsers high society-meisje, doorgewinterde femme fatale en losgeslagen hippie. Als twintiger op drift belandde ze in 1972 midden in de cultuuroorlog van haar tijd. Aan de zijde van de hogepriester van de geestverruimende middelen Timothy Leary, die alles representeerde wat de gevestigde orde toentertijd meende te moeten bevechten. Morris laat Joanna Harcourt-Smith helemaal leeglopen, checkt haar herinneringen zeker niet dood en geeft ze vervolgens vorm als een weelderige LSD-trip, waarin Alice in Wonderland botst op de ‘war on drugs’ van president Richard Nixon, Rolling Stone Keith Richards tegen het lijf loopt en soms in de voetsporen van de beruchte Manson Family dreigt te treden.

De vormgeving van haar monoloog, door Morris slechts een enkele keer onderbroken door een vraag of uitroep van verbazing, is zo overdonderend dat de verhaallijn soms ondergesneeuwd dreigt te raken: hallucinante graphics, schreeuwende krantenkoppen, Tarotkaarten, raak getimede archiefbeelden en bijzonder dwingende muziek. Harcourt-Smith probeert iedereen bij de les te houden met haar opmerkelijke ontboezemingen, kwieke oneliners en slim uitgeserveerde lach. Een typisch Errol Morris-personage kortom, dat onder zijn hoede een geheel eigen web weeft tussen feit en fictie.

Rob Scholte Museum, Tijdelijk Gesloten

KRO-NCRV

Dit is een gevecht dat hij niet kan winnen. Niet mág winnen, zal hij zelf zeggen. Kunstenaar Rob Scholte en de gemeente Den Helder liggen al enkele jaren op ramkoers. Ze bereiken maar geen overeenstemming over de aankoop van het voormalige hoofdpostkantoor, waar hij al enige tijd woont met zijn gezin en een eigen museum wil vestigen. Met elk gesprek raakt een compromis verder uit zicht.

In eerste instantie leken beide partijen het nog wel eens te kunnen worden, maar tot een echte deal is het nooit gekomen – al verschillen, natuurlijk, ook daarover de meningen. Inmiddels beschieten ze elkaar gedurig vanuit hun eigen loopgraaf. Scholte voelt zich in de steek gelaten en besodemieterd, de burgemeester en verantwoordelijke wethouder beklagen zich openlijk over ‘het temperament’ van de man die van zijn hart nog nooit een moordkuil heeft gemaakt.

In Rob Scholte Museum, Tijdelijk Gesloten (77 min.) betreedt Roy Dames de frontlinie aan de zijde van Scholte, die overtuigd is van zijn missie en zijn gelijk. Na de autobom die hem in 1994 beide benen kostte en die nooit helemaal is opgehelderd, vestigde hij zich als beeldbepalende Nederlandse kunstenaar in het buitenland. Uiteindelijk kwam hij toch terug naar eigen land. Het Rob Scholte Museum moest zijn nieuwe thuis worden en zou tegelijkertijd Den Helder internationale allure geven. Dat was althans het idee.

Terwijl de inleidende beschietingen in de gemeenteraad, openbare bijeenkomsten en de media een steeds serieuzer karakter krijgen en Scholte’s levenswerk echt in gevaar begint te komen, kadert Dames zijn overlevingsstrijd in met flashbacks naar de gebeurtenissen die hem hebben gevormd tot wie hij nu is: een ijzervreter die regelmatig in woede ontsteekt, zich soms wanhopig of moedeloos voelt en toch van geen opgeven wil weten. Dit museum is en blijft zijn thuis. Zijn ze nu helemaal belatafeld!

Intussen draaien de ambtelijke molens onverbiddelijk door en dreigt zelfs de grote Rob Scholte daardoor vermalen te worden. Regisseur Roy Dames documenteert dat gevecht tegen de bierkaai zonder fratsen. Hij rafelt Scholtes strijd uiteen in rudimentaire hoofdstukjes, die gezamenlijk een onvervalst I Fought The Law-gevoel oproepen. Waarbij niet alleen fans van dwarse rockacts zoals The Clash, Bobby Fuller of Dead Kennedys weten wie dat uiteindelijk wint.

The Analogues: Op Weg Naar Abbey Road

Daniel Burdett / NTR

Oké, boomer.

Over The Beatles mag dan zo langzamerhand écht alles al zijn gezegd in een ware stortvloed aan documentaires. Voor de Nederlandse tributeband The Analogues geldt dat natuurlijk nog niet – al zijn die, geloof het of niet, inmiddels ook aan documentaire drie toe. Want een film over ‘iets wat met The Beatles te maken heeft’ trekt nog altijd meer bekijks dan het leeuwendeel van de docu’s over een actueel muzikaal fenomeen. Legt hand voor zijn ogen. En schudt eens met zijn hoofd.

Oké: punt gemaakt (of althans een halfbakken poging daartoe). Na The Analogues – Sgt. Pepper 50 Jaar Later en The Analogues In Liverpool is er nu dus The Analogues: Op Weg Naar Abbey Road (63 min.), wederom van regisseur Marcel de Vré. En daarin gaan de helden – ik bedoel hun Nederlandse afgietsels daarvan (en nu houd ik op, écht!) – naar de befaamde Londense studio, waar The Beatles vijftig jaar eerder hun allerlaatste album opnamen. ‘Dit is de moeilijkste die we ooit gedaan hebben’, constateren ze al snel.

En dat zorgt soms ook voor complicaties tussen de verschillende groepsleden, die alles uit de kast moeten trekken om de magie van weleer te laten herleven. Daaruit spreekt professionaliteit en oprechte liefde voor The Fab Four, die ook tot uiting komt in hun verduiveld knappe interpretatie van het (nooit eerder live uitgevoerde) Beatles-oeuvre. Ze proberen niet zozeer elke noot te reproduceren als de geest ervan te pakken te krijgen.

De Vré volgt dat proces, een jongensboekverhaal dat gewoon werkelijkheid wordt, en vraagt tussendoor aan de individuele bandleden om het te becommentariëren. Tussendoor laat hij enkele Beatles-kenners de laatste episode uit het heldenverhaal van John, Paul, George & Ringo nog eens goed uit de doeken doen. En dan, op 30 juni 2019, komen alle inspanningen tot een vanzelfsprekende climax op ‘heilige grond’, tijdens de opnames van The Analogues in Studio One van Abbey Road.

‘Dichterbij The Beatles kom je niet’, zegt één van Nederlanders die daarbij aanwezig mag zijn. ‘Supergaaf!’ Een Britse fan vergelijkt het zelfs met ‘een religieuze ervaring’. Het is glashelder dat ook The Analogues zelf er in die termen op terugkijken. Al heeft het tegelijk iets ongemakkelijks dat de groepsleden met hun eigen bands nooit zo succesvol zijn geweest of kunnen worden als nu met deze uitstekende – ga ik het woord gebruiken? – coverband. Maar dat kan natuurlijk ook aan mij liggen.

Oké, boomer?

Keith Haring: Street Art Boy

AVROTROS

In de tijd dat New York echt een gevaarlijke stad was – met gevaarlijke drugs, muziek én kunst – vond Keith Haring er een nieuw thuis. Hij arriveerde er in 1978, als ambitieuze jongen uit het nietige Kutztown in Pennsylvania. Klaar om de kunstwereld een ferme schop onder zijn hol te geven. En om met mannen te slapen, dat ook.

Zijn cartooneske kunst zou een wereldwijd fenomeen van hem maken: Keith Haring: Street Art Boy (53 min.), een perfect uithangbord voor de florerende graffiti-scene van New York. Zijn kunst was niet voorbehouden aan bezoekers van musea of galeries, maar voor iedereen toegankelijk in metrostations. Zo boorde hij een nieuw publiek aan voor moderne kunst.

Dit levendige portret van Ben Anthony, waaraan Harings ouders en mensen uit zijn directe omgeving hun medewerking verlenen, weet de tijdgeest goed te raken en blijft ook lekker op tempo. De protagonist, die zelf aan het woord komt via een audio-interview dat vlak voor zijn dood in 1990 werd afgenomen, blijft wel enigszins een enigma. Een man die na zijn overlijden bovendien een wereldwijd icoon zou worden.

Want New York was ook een stad van gevaarlijke seks. En die zou Keith Haring op slechts 31-jarige leeftijd, via de meest gevreesde ziekte van zijn tijd, de kop kosten.

Zappa

Piece Of Magic

In het huis dat hij ooit bewoonde is in een aparte vleugel zijn complete oeuvre opgeslagen. De weerslag van bijna 53 jaar Frank Zappa. Méér dan een mensenleven eigenlijk kan bevatten. Regisseur Alex Winter kreeg voor deze definitieve biografie toegang tot het persoonlijke archief van de muzikant, provocateur en ‘experimentalist’ Zappa (129 min.), die in 1993 na een veelbewogen leven en carrière zijn laatste adem uitblies.

De dwarse Amerikaan was een genre op zich, wars van gebaande paden en de mainstream. Creatief, gedreven en bijzonder eigenzinnig. Nooit tevreden ook. De muziek die hij maakte klonk nooit zo mooi als hij hem in zijn hoofd had gehoord, volgens zijn voormalige gitarist Steve Vai. De componist Zappa leed echt onder de beperkingen – in geld, middelen of de capaciteiten van zijn muzikanten – die hem werden opgelegd. Vai kan er wel om lachen: ‘Sorry, Frank!’

In deze lijvige documentaire is het vooral Zappa zelf, die het woord voert. Hij wordt bijgevallen door echtgenote Gail, zijn vaste illustrator Bruce Bickford en leden van zijn begeleidingsband The Mothers Of Invention. Zoals het bij leven en welzijn ook meestal ging. Frank zette de toon. Een welbespraakte vrijdenker, met uitgesproken opinies, veel dadendrang en niet al te veel oog voor zijn directe omgeving. Zelfs voor zijn eigen gezin.

Treffend is in dat verband de anekdote rond de ontstaansgeschiedenis van het nummer Valley Girl. De aanleiding was een briefje dat zijn dochter Moon, om wie hij zich slechts beperkt bekommerde, onder de deur naar zijn studio doorschoof: ‘Daddy, hi! I’m 13 years old. My name is Moon. Up until now I have been trying to stay out of your way while you record. However, I have come to the conclusion that I would love to sing on your album, if you would like to put up with me.’ En zo geschiedde. Het zou Zappa’s enige hit worden.

Hij was verder niet van de aaibare muziek. Geen aaibare man ook. Een eenzaat. De vleesgeworden contramine. Met die karakteristieke snor en sik, spottende lach en altijd een sigaret in de hand. Totdat de tijd hem inhaalde, in de vorm van die K-ziekte. Deze weelderig aangeklede film, waarvoor zijn archief liefdevol is geplunderd, getuigt van ‘s mans onbedwingbare drang om te scheppen.

Belushi

Showtime

De achternaam volstaat: Belushi (108 min.). Bijna veertig jaar na zijn dood, op slechts 33-jarige leeftijd, spreekt die nog altijd tot de verbeelding. John Belushi werd beroemd als gezicht van het populaire comedyprogramma Saturday Night Live, stal de show in de bioscoophit National Lampoon’s Animal House en vormde met zijn vaste kompaan Dan Aykroyd het onvergetelijke duo The Blues Brothers.

Intussen bouwde hij wel een heftige cocaïneverslaving op, die zijn toch al ontregel(en)de gedrag verder versterkte. Die tragiek – van een man die zichzelf gaandeweg helemaal kwijtraakt – vormt vanzelfsprekend ook de ruggengraat van deze gedegen biografie van R.J. Cutler, al krijgt ook hij zijn vinger er niet helemaal achter waarom Belushi steeds de rand van de afgrond opzocht.

‘Honey’, schrijft hij in een brief aan zijn vrouw en muze Judy. ‘Ik ben serieus verslaafd. Ik krijg mijn emoties niet onder controle als ik gebruik, maar het lukt me niet om daarmee te stoppen.’ Uit alle verhalen die in deze film – waarvoor Cutler gebruik kon maken van audio-interviews die Belushi’s biograaf Tanner Colby een jaar of tien geleden deed met intimi en collega’s zoals Dan Aykroyd, Chevy Chase en Carrie Fisher – rijst het beeld van een man die en plein publique een kuil graaft en er dan, inderdaad, zelf invalt.

Belushi werd, zoals ze dat zo treurig zeggen, ‘an accident waiting to happen’. Toen hij botste met zijn eigen sterfelijkheid – de boosdoener was naar verluidt heroïne – ging een beeldbepalende komiek verloren, waarop in deze documentaire met traditioneel archiefmateriaal en enkele geanimeerde sequenties nog eens ouderwets de schijnwerper wordt gezet. Zoals eerder gebeurde in thematisch verwante films over komieken als Robin Williams, Garry Shandling en Bill Hicks. Belushi dus.

El Father Plays Himself

Herrie

‘Dus je ziet hem in de scène zelf niet drinken?’
‘Klopt’
‘Dan kan hij net doen alsof hij dronken is.’
‘Nee, doen alsof werkt niet. Dat zou er verschrikkelijk uitzien.’
‘Maar wat dan, Jorge?’
‘Daarom moeten we het echt doen.’
‘We gaan hem dus laten drinken voor de scène?’
‘Ja, laat hem drinken.’
‘Verdomme, man!’

Jorge Thielen Armand is onverbiddelijk. De fles zal er aan te pas moeten komen. De man die zich dadelijk aan de rum gaat overgeven ligt nu nog rustig in een hangmat, te wachten totdat hij weer aan de bak moet. Alle aanwezigen weten hoe Jorge Thielen Hedderich dan wordt. Jorge’s vader, die hij uit het oog was verloren en die hij nu heeft gevraagd als hoofdrolspeler voor zijn nieuwe speelfilm La Fortaleza, heeft een kwaaie dronk. Straks is het gedaan met de rust.

Die film, die onlangs in competitie werd vertoond tijdens het International Film Festival Rotterdam, is gebaseerd op Hedderichs leven en zijn worsteling met een alcoholverslaving. Vader speelt dus zichzelf. En in deze observerende documentaire van Mo Scarpelli moet hij ook nog eens zichzelf zíjn. El Father Plays Himself (105 min.) wordt daarmee een gelaagd dubbelportret van de twee Jorges, die zich op drie verschillende manieren tot elkaar moeten verhouden; van vader tot zoon, van regisseur tot hoofdrolspeler en van het ene documentaire-personage tot het andere.

Het is onvermijdelijk dat de grens tussen feit en fictie daardoor vervaagt. Zeker als ze voor de opnames naar de Venezolaanse jungle vertrekken, waar ontsnappen (aan elkaar) onmogelijk is, de druk om te presteren behoorlijk oploopt en drankgebruik elke scène kan verpesten – of, misschien nog wel gevaarlijker, juist kan redden. Binnen die prikkelende setting zoekt Jorge soms doelbewust de furie op die in ‘el father’ huist en probeert hij tegelijkertijd de banden met hem aan te halen. Dat proces, intiem en pijnlijk, vormt de basis voor deze indringende karakterschets van een kind en de ouder van wie hij vervreemd was geraakt.

We Are The Thousand

VPRO

Niemand is een ster. En iedereen. 250 zangers, 150 bassisten, 250 drummers en – kwestie van de Goden verzoeken – 350 gitaristen. Amateurs. Uit elke uithoek van Italië overgekomen. Op eigen kosten bovendien. Om op een grasveld in Cesena één enkel liedje te gaan spelen. Met duizend mannen, vrouwen en kinderen tegelijk. Learn To Fly. Van de Amerikaanse rockband The Foo Fighters. Omdat zanger Dave Grohl en zijn mannen nodig eens bij hen in Italië moeten komen optreden.

Het was een wild idee van ene Fabio Zaffagnini, dat groter werd dan hij in zijn stoutste dromen had kunnen bedenken. Het duurt in We Are The Thousand (78 min.) niet lang of de droom wordt, na het nemen van de verplichte obstakels, zowaar werkelijkheid. En zie die brok in de keel dan maar eens weg te slikken als argeloze kijker. Learn To Fly, niet voor niets inmiddels meer dan vijftig miljoen keer bekeken op YouTube. Een onwaarschijnlijk mooi moment. Van duizend, op zichzelf net zo onbetekenende, mensen als jij en ik die samen uitgroeien tot iets groots en waarachtigs. Dat ook nog rockt.

Het is de vraag of regisseur Anita Rivaroli daar nog overheen kan komen in deze onweerstaanbare feel good-documentaire, waarin gewone (oudere) jongeren, ook tijdens interviews, even in de spotlights komen te staan. De vervolgstap ligt natuurlijk voor de hand: Grohl en z’n Foo Fighters verleiden om naar Italië te komen. Maar dan? Zaffagnini en z’n kompanen van Rockin’1000 weten opnieuw een list te verzinnen. En de argeloze kijker gaat ook dan weer volledig overstag.

We Are The Thousand is hier te bekijken.

Body Of Truth

Börres Weiffenbach / NTR

Het vrouwenlichaam als canvas voor grote maatschappelijke thema’s. Een Body Of Truth (53 min.) zogezegd. Vervaardigd door vier uiteenlopende vrouwelijke kunstenaars, die zo de onderwerpen uitdrukken die hen hebben gevormd. De Duitse filmmaakster Evelyn Schels brengt hen samen in een gestileerde documentaire.

De in New York woonachtige Shirin Neshat dealt in haar oeuvre bijvoorbeeld met haar vertrek uit Iran, waar de ‘westerse’ dictatuur van de Sjah plaatsmaakte voor het religieus fundamentalisme van Ayatollah Khomeini. Ze zoekt nog altijd de spanningen binnen de Islam op. Zo maakte Neshat bijvoorbeeld portretfoto’s van gesluierde vrouwen, onder wie de Pakistaanse mensenrechtenactiviste Malala, waarop ze gedichten heeft gekalligrafeerd.

Fotografe Katharina Sieverding bekommert zich als lid van de zogenaamde ’68-generatie om de erfenis van nazi-Duitsland. In haar jonge jaren vroeg ze zich af of haar land voldoende afstand had genomen van het verleden en tegenwoordig belicht ze hoe het fascisme zich in het moderne Duitsland manifesteert. Ze maakt daarvoor veelvuldig gebruik van afbeeldingen van haar eigen gezicht, dat fungeert als een spiegel voor wat ze wil zeggen.

De Israëlische kunstenares Sigalit Lindau is tevens getekend door de Tweede Wereldoorlog en werd ook sterk beïnvloed door de aanhoudende Intifada in haar eigen land. In haar werk probeert ze uit te drukken hoe het is om te leven met terreur. Ze maakt zichzelf bijvoorbeeld, geheel naakt, onderdeel van een spoel van watermeloenen in de Dode Zee, die uiteindelijk een bloedrode kleur onthult. Of gaat lekker hoepelen met een stuk prikkeldraad.

Automutilatie lijkt ook een centraal thema van Marina Abramovic. Met het geselen van haar eigen lijf probeert ze zich te bevrijden van haar achtergrond in het voormalig Joegoslavië en de oorlog die daar huis heeft gehouden. Ook nu vloeit er regelmatig bloed. Dat is bepaald geen prettig gezicht – en dat geldt voor veel van de getoonde bewijsstukken van deze uitgesproken vrouwen – maar maakt tevens inzichtelijk hoe het verleden jaren later nog altijd huishoudt in het leven van deze kunstenares.

Want waar we onze toekomst ook zien, zo leert Body Of Truth, het verleden kruipt als een schaduw achter ons aan en blijft verraden waar we vandaan komen.

Raquel Van Haver – De Vrouwen Van Mijn Land

NTR

‘De vrouwen van mijn land zijn zo mooi als een bloem’, zingt een vrouw in bezwerend Spaans in de openingsscène. ‘Ze zijn moedig en vastberaden. Ze verdienen, altijd, onze bewondering.’

Zulke Colombiaanse vrouwen kijken recht in de camera van kunstenares Raquel van Haver, die hen portretteert als moderne varianten op Maria. Deze foto’s gebruikt ze weer als basismateriaal voor haar in alle opzichten grote schilderijen, die zullen worden geëxposeerd in het Bonnefanten Museum in Maastricht.

Van Haver is zelf ook zo’n sterke Colombiaanse vrouw. Opgegroeid in Nederland, dat wel. Geadopteerd. Toen ze jong was, zegt ze in Raquel Van Haver – De Vrouwen Van Mijn Land (50 min.), moest ze zich gedragen als een blond meisje met blauwe ogen. In haar geboorteland zoekt ze weer verbinding met haar oorsprong. Zodat Van Haver (ook) weer Velasco kan worden.

De vanuit Amsterdam opererende kunstenares bezoekt bijvoorbeeld het weeshuis Fana Bogotá en komt daar oog in oog te staan met een foto van het driejarige kind dat ze ooit was. ‘Kunst heeft mijn leven gered’, vertelt ze aan de jongens en meisjes die nu in het tehuis verblijven.’ Ik hoop te laten zien, vooral aan de kinderen, dat kunst en muziek en dans zo belangrijk zijn, en goed voor je.’

Die kunst heeft haar volgens een ronkende recensie uit NRC Handelsblad, waarmee deze fraaie documentaire van Bibi Fadlalla start, inmiddels gemaakt tot een cultuurfenomeen dat je niet mag missen ‘als je midden in de maatschappij’ wilt staan. De film toont vervolgens gedetailleerd hoe Van Havers werk tot stand komt, inclusief de wereld die ze daarmee toegankelijk wil maken.

Die behelst op het eerste oog vooral ‘exotische’, onmiskenbaar Latijnse taferelen, maar verraadt tegelijkertijd ontegenzeggelijk Europese invloeden, vervat in de Madonna-achtige beelden die als koloniale erfenis in Zuid-Amerika zijn achtergebleven. Van Haver brengt deze elementen in haar kunst gloedvol tezamen. Zoals ze ook in haar persoon en achtergrond samen zijn gekomen.

Deze documentaire is tegelijkertijd een psychologisch portret van een belangwekkende nieuwe stem en een grondige introductie in haar intieme werk(wijze) als een exploratie van een uiteindelijk grenzeloze wereld. Aan het eind van de film zien we niet voor niets een krachtige Colombiaanse in haar eigen habitat: Raquel van Haver zelf, voor een flatgebouw in Amsterdam Zuidoost.

‘De vrouwen van mijn land zijn ze mooi als een bloem’, klinkt het helemaal tot besluit, in bezwerend gezang. ‘Ze zijn moedig en vastberaden. Ze verdienen, altijd, onze bewondering. Wees gegroet, Heer Koningin en Moeder. Moeder van genade.’

Feels Good Man

Het is een soort monster van Frankenstein geworden. De Amerikaanse cartoonist Matt Furie verzon ooit een onschuldige stripfiguur, Pepe The Frog. Die groeide al snel uit tot een immens populaire internetmeme. De verpersoonlijking van de sullige outsider, met als laconieke lijfspreuk Feels Good Man (94 min.). Lekker melige slackershumor, waarschijnlijk geconcipieerd onder invloed van een flinke joint. En volstrekt ongevaarlijk.

Tenminste, totdat de kikker in de duisterste uithoeken van het wereldwijde web, het internetforum 4chan in het bijzonder, werd gekaapt door de alt-right beweging en vervolgens een soort menselijke bloedsbroeder kreeg: Donald Trump. Die veegde zijn achterwerk af met elke vorm van politieke correctheid en zou zich ontwikkelen tot de katalysator die van Pepe een wereldwijd symbool van racisme, haat en antisemitisme maakte. Met humor als dekmantel.

Furie besluit zijn geesteskind op een gegeven moment zelfs maar ten grave te dragen. Er is geen redden meer aan. Pepe The Frog lijkt dan eenzelfde lot beschoren als Jacobse & Van Es van De Tegenpartij, die zo succesvol werden als parodie op extreemrechtse partijen dat buitenstaanders nauwelijks nog het verschil zagen en hun scheppers Kees van Kooten en Wim de Bie zich genoodzaakt zagen om het duo te laten sterven.

Regisseur Arthur Jones reconstrueert de levensgeschiedenis van de uncoole kikker met zijn geestelijk vader en diens directe (werk)omgeving, illustreert die met alle mogelijke Pepes en koerst in deze boeiende en actuele film uiteindelijk af op een juridische confrontatie tussen Furie en meestercomplotdenker Alex Jones van InfoWars, die zich de koddige kikker heeft toegeëigend en posters met zijn beeltenis verkoopt.

Kan Matt Furie met een rechtszaak over inbreuk op zijn auteursrecht de controle terugkrijgen over zijn eigen creatie en Pepe redden van de extreemrechtse troepen die hem in de afgelopen jaren hebben gegijzeld? En kan dat ooit meer worden dan een Pyrrusoverwinning, die vooral hem persoonlijk een aardige afkoopsom oplevert? Feels Good Man geeft een dubbelzinnig antwoord.

Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging

VPRO

Het lijkt een typische MacGuffin, een term die naar verluidt ooit werd geïntroduceerd door meesterregisseur Alfred Hitchcock: het object dat of de gebeurtenis die een film echt in gang zet. Het complot om de wereld te vernietigen dat James Bond moet zien te verijdelen. De Bijbelse Ark Des Verbonds waarvoor Indiana Jones zijn leven op het spel zet. Enne… , in dit geval, de Drentse steen, die na 200.000 jaar eindelijk wel eens terug naar huis wil, ergens in het hoge noorden. Een stukje Finland, om precies te zijn, waar ze toevallig vooral Zweeds spreken.

Een steen met heimwee, zogezegd. Door een gletsjer aan zijn moedersteen ontrukt tijdens de voorlaatste ijstijd. Althans volgens de held in kwestie, Bart Eysink Smeets. Hij is van plan om één van die zwerfkeien naar huis te begeleiden. Zo begint in Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging (53 min.) een gevecht op leven en dood, bij wijze van spreken dan, met ambtenaren, commissies, douaniers en de ondernemers van de Drentse ‘hunebedhoofdstad’ Borger.

En dan zijn er nog natuurwezenopstellers. Een man belt op dat Eysink Smeets een grote fout maakt ‘als hij voor de steen beslist dat hij heimwee heeft’. Hij moet de steen zelf aan het woord laten, vindt Ferry van der Loos, die (natuurlijk) zelf wel even met de steen zou kunnen praten. ‘Vet!’ meent Tom Eysink Smeets, Barts broer die de hele onderneming filmt. ‘Dan gaan we met de steen praten.’ De held sputtert tegen: ‘Maar wat als de steen niet wil?’

Er is maar één manier om daar achter te komen. En dus besluit Bart Eysink Smeets – oh ja, hij is kunstenaar – om ook dit obstakel te gaan nemen tijdens zijn surrealistische queeste. Het gaat immers om de reis, niet om de bestemming. Daarbij lijkt overigens altijd een camera aanwezig. Is het niet die van Tom, dan van een plaatselijk medium (en dan bedoel ik, voor de duidelijkheid, dus geen paranormaal begaafde steengenezer).

Voor officiële gelegenheden, zoals een afscheid met plaatselijke notabelen, trekt de altijd montere Bart zelfs een blits pak aan, als het niet anders kan gewoon op het toilet van de trein. Het zijn de momenten waarop de besmuikte glimlach, waarmee buitenstaanders deze absurde tocht nu eenmaal onvermijdelijk begeleiden, zowaar plaatsmaakt voor een harde hinnik. Want deze heldhaftige reddingsactie van een verweesde zwerfkei behoudt te allen tijde zijn luchtige karakter.

En aan het eind van deze ontzettend leuke film heeft de Drentse evenknie van James Bond de wereld dan misschien niet gered en in navolging van de snoodaards in Indiana Jones ook geen wereldheerschappij verkregen, maar wel degelijk, vrij naar Bram Vermeulens toepasselijke evergreen De Steen, een steen verlegd op aarde. ‘Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.’

Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging is hier te bekijken.

Confessions To dEUS

Fleur Boonman

Over bands en hun betekenis…

De helende waarde van muziek, belicht via een langspeler die inmiddels de twintig jaar aantikt: The Ideal Crash. Het signatuuralbum van dEUS uit 1999, leeft nog altijd voort. De Belgische groep rond zanger en frontman Tom Barman wijdde er onlangs een serie optredens aan in heel Europa. Die vormen weer de basis voor deze documentaire van Fleur Boonman.

Confessions To dEUS (84 min.) is evenwel geen typisch bandverhaal, geen making of-exercitie en ook geen regulier tourverslag. En in zekere zin ook weer wel. Maar dan vanuit het perspectief van de fans. De dEUS-aanbidders namen na afloop van die concerten plaats in een soort biechtstoel en vertelden aan Boonman wat de muziek van de Belgische band voor hen betekent. En vooral wat die in hen losmaakt. Verhalen over de valkuilen van de liefde en het bestaan, tevens de thematiek van de plaat die hun favoriete album werd.

En dat verleidt de individuele bandleden van dEUS weer tot persoonlijke ontboezemingen over hun zielen- en relatieleven. Bassist Alan Gevaert vertelt bijvoorbeeld aangrijpend over een diepe depressie die hij doormaakte, over hoe hij zich toen ‘een levende dode’ voelde. Was dat nu een ideal crash? Het voelde vooral alsof er geen einde aan kwam. De vraag was of er überhaupt nog een einde was.

Door die persoonlijke insteek wordt deze boeiende film méér dan de zoveelste nostalgische popdocu, waarin met alle egards een klassiek album wordt afgestoft. Hoewel Boonman natuurlijk niet de verleiding kan weerstaan om te eindigen met het absolute prijsnummer Instant Street, dat ook twintig jaar na dato, met behulp van de choreografie en dansers die destijds glorieerden in de uitzinnige videoclip, gewoon voor een zinderende apotheose zorgt.

Over bands en hun blijvende betekenis…

White Cube

Mokum

In zijn controversiële film Episode III: Enjoy Poverty uit 2008 spoorde beeldend kunstenaar Renzo Martens arme Afrikanen aan om hun persoonlijke misère te veranderen in een geslaagd verdienmodel. Dat deed de rest van de wereld – van hulporganisaties tot oorlogsfotografen – immers ook. En dus legde de Nederlander, ogenschijnlijk met sardonisch genoegen, bijvoorbeeld uit aan lokale fotografen in Congo hoe ze de ellende om hen heen zo gedetailleerd mogelijk konden vastleggen. Zodat die optimaal effect zou sorteren.

Martens’ nieuwe film White Cube (77 min.) is een logisch vervolg op die ontregelende exercitie, maar minder cynisch getoonzet. Plaats van handeling is een palmolieplantage in Congo, die al ruim een eeuw wordt gerund door de multinational Unilever. De plaatselijke medewerkers verdienen er nauwelijks een dollar per dag, terwijl het Brits-Nederlandse concern wereldwijd enorme omzetten draait. Een deel van dat geld wordt vervolgens, in goede koloniale traditie, ingezet om gerenommeerde musea in het westen te sponsoren. 

Dat kan en moet anders, constateert de steevast in smetteloos wit gestoken Martens, die daardoor oogt als een ouderwetse witte imperialist. Hij richt samen met voormalige werknemers van de plantage de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise (CATPC) op, om de lokale economie een serieuze push te geven, Van rivierklei gaan zij beelden boetseren, waarvan vervolgens met 3D-technologie een chocolade replica wordt gemaakt. Wat chocola überhaupt is, moet Martens ze dan nog wel even uitleggen. Beter: hij laat het ze proeven. In een wrange scène verdeelt hij ‘de zoete verleiding’ onder de Afrikanen. Dus dit eten ze in het rijke westen?

De commerciële opzet van de hele onderneming laat onverlet dat die wel degelijk betekenisvol werk oplevert. Het beeld dat een deelneemster maakt van hoe een man in de struiken ruw een vrouw verkracht, gebaseerd op een daadwerkelijke ervaring van de maakster, is even expliciet als pijnlijk. De inspanningen van CATPC vinden ondertussen hun weg naar een New Yorks museum, waar de Afrikaanse kunstwerken met groot enthousiasme worden onthaald. Met het geld dat zo wordt verdiend, kunnen ze thuis een eigen kunstcentrum bouwen, een zogenaamde ‘white cube’, en hun land terugveroveren op de kolonisator.

Die strijd zonder wapens – of het moeten creativiteit en koopmansgeest zijn – maakt dat deze documentaire aaibaarder is dan zijn provocerende voorganger. Enigszins conventioneler ook. Tegelijkertijd stelt Renzo Martens wederom ongemakkelijke vragen, over zijn eigen werkterrein nota bene, die niet zomaar van een sluitend antwoord zijn te voorzien. Als een slager die rücksichtslos in eigen vlees durft te snijden.

Here We Move, Here We Groove

Doxy

‘Kijk, we hebben nog steeds sporen van onze oorlog’, zegt Robert Soko tegen de Afghaanse vluchteling Ferdows terwijl hij naar een waarschuwingsbord wijst. Hij leest: ‘Pas op, mijnen.’ De jongen is na een tocht van achttien maanden voorlopig in Bosnië gestrand, maar droomt van een toekomst in Soko’s huidige thuishaven Berlijn.

Robert Soko weet wat het is om te vluchten. In ‘de verdoemde jaren negentig’ liet hij zelf de Joegoslavische burgeroorlog achter zich, om een nieuw bestaan op te bouwen in Duitsland. Hij werd er eerst taxichauffeur en later deejay. In den vreemde herontdekte Soko zijn eigen muzikale wortels en stond zo aan de basis van wat dansvloeren in heel Europa hebben leren kennen als Balkan Beats.

Gaandeweg is hij volgens eigen zeggen zijn honger echter kwijtgeraakt. Het succes werd eerst vanzelfsprekend en ebde vervolgens weg. Soko werd blasé en moet weer gaan jagen, vindt hij. Die gedachte heeft hem teruggebracht naar het land waar zijn Servische moeder nog altijd woont, z’n Kroatische vader begraven ligt en migranten dromen van een toekomst in Europa.

En daar, te midden van de restanten van de oorlog die hen ooit verscheurde, ontmoet hij hongerige nieuwkomers als Ferdows, een jongen die rapt en human beatboxt alsof zijn leven ervan afhangt. Daarmee zet hij tevens de luiken open bij Robert Soko, die in al die invloeden – of ze nu afkomstig zijn uit Syrië, Griekenland of Palestina – een pad naar nieuwe Europese muziek ontdekt.

Here We Move, Here We Groove (55 min.) is de fraaie weerslag van dat proces, een gefühlvolle muzikale roadtrip door een continent dat opnieuw wordt gedefinieerd. Zoals ook Soko zelf een remonte doormaakt (en thuis zijn multiculturele gezin bijeen probeert te houden). Culturele recycling noemt hij dat in deze overtuigende film van Sergej Kreso. Met de dansvloer als enige oorlogsgebied.

Laat ze maar verbinding maken, zegt hij er met de nodige bravoure bij, als al die buitenstaanders hun ervaringen, achtergrond en muziek vermengen en een nieuwe, gezamenlijke identiteit vinden, ergens tussen oost en west, op de grens van de beide Berlijnen. Een nieuwe Europese (muziek)taal, die ook nog eens swingt als een tiet.

Famke Next

Videoland

Met haar desastreuze optreden bij de talkshow Jinek, waarin ze onbeholpen de anti-Corona actie #ikdoenietmeermee probeerde te verdedigen, gaf de Nederlandse zangeres en YouTube-ster Famke Louise half Nederland, waaronder haar vaste haters, de kans om ongegeneerd de strontkar over haar uit te rijden. Kort daarna volgde een openbare boetedoening. Een maand later is er alweer de driedelige docuserie Famke Next (95 min.), het vervolg op Famke Louise, De Documentaire uit 2018. Het is de vraag of die gunstig uitpakt voor ‘the babe you love to hate’ – hoewel ze oprecht haar best doet om zich daarin te presenteren als een heel gewoon meisje van begin twintig: Famke Meijer.

Een meisje met allerlei problemen, dat wel: met haar moeder Marja, met haar nicht/huisgenoot Yvonne en met zo ongeveer haar complete professionele entourage, waaronder de rappers Bizzey en Ali B. Documentairemaakster June te Spenke stond er in het afgelopen jaar bovenop en legde alle twijfels, frustraties en ruzies van akelig dichtbij vast met haar camera. ‘Soms voel ik mezelf niet mezelf’, verzucht Famke op een gegeven moment. Of: ‘Zelfs mijn eigen moeder onderschat mij.’ En, tijdens een ruzie met diezelfde ouder: ‘Ik heb hier ook gewoon geen zin in, als-je-blieft, en ik wil ook niet dat dit in de docu komt.’

Het fragment zit natuurlijk wél in Famke Next, een even exhibitionistische als onevenwichtige miniserie. Want niets lijkt daarvoor te privé of ongemakkelijk. De geregistreerde gebeurtenissen roepen regelmatig de vraag op of er nu echt niemand in Famkes directe omgeving is die zegt: zet dat ding eens uit. Of beter: leg hem gewoon weg. Als ze op bezoek gaat bij de oud-buurman van haar vader, acteur Hugo Metsers, om meer zicht te krijgen op de ware toedracht van diens (zelfverkozen?) dood, wordt bijvoorbeeld ook dat heel kwetsbare moment rücksichtslos opgetekend. Inclusief het verdriet en de verwarring naderhand.

Uiteindelijk lijkt alles, ook voor de hoofdpersoon zelf, gewoon materiaal. Of het nu ruw, intiem of pijnlijk is. Het echte leven zogezegd, of op zijn minst de (social) media-versie daarvan. Een ontzettend schrijnende selfie. Associatief gemonteerd en verbonden met gestileerde sequenties van het ongenaakbare jeugdidool Famke Louise. En daarachter schuilt dus een gewoon – en gewond – meisje dat wil communiceren wat haar echt, écht, beweegt. Waarbij zo langzamerhand toch ook de vraag op tafel komt of ze, om Britney Spears-achtige taferelen te voorkomen, in bescherming moet worden genomen tegen zichzelf.

Maar wie heeft daar belang bij in tijden van Corona, als de entertainmentsector alle zeilen bij moet zetten om te overleven? Zou Famkes debuutalbum Next, een jaar geleden al aangekondigd, nu misschien dan toch echt in aantocht zijn? Jawel hoor. Het lijken perverse prikkels voor nóg meer openbaar uitgevent drama – en, wie weet, serieuze brokken.

AC/DC: Let There Be Rock

Nee, dit is geen poging om het raadsel van AC/DC te doorgronden, de Australische rockband die nu al een halve eeuw immens populair is en zojuist weer een nieuwe variant op steeds hetzelfde album (ditmaal Power Up genaamd) heeft uitgebracht.

Geen profiel ook van de familie Young. Van stergitarist Angus en de schromelijk onderschatte riffmeister Malcolm, hun oudere broer en producer George en neefje Stevie (die de gitaar in 2014 heeft overgenomen van Malcolm, toen die begon te dementeren).

Geen onderzoek naar de dood van hun eerste zanger Bon Scott in 1980, een zorgvuldige ontleding van diens liederlijke 33-jarige bestaan of een eerbetoon aan zijn onverwoestbare ‘vervanger’ Brian Johnson, nu al veertig jaar de frontman van de groep. 

Geen doodgewoon carrière-overzicht met alle nog levende bandleden (onder wie de onlangs weer teruggekeerde drummer Phil Rudd, die al z’n problemen met de wet achter zich hoopt te laten), producers, managers, pophotemetoten en de verplichte bekende fans.

En zelfs geen volwaardige tourfilm, waarin de band eindeloos in een aftands busje van stad naar stad reist, in Nowhereville elke pan van het dak speelt en zich daarna overgeeft aan alle excessen die we tegenwoordig associëren met rock & roll.

Natuurlijk, AC/DC: Let There Be Rock (98 min.), een film van Eric Dionysius en Eric Mistler uit 1980, bevat korte intermezzo’s, zoals een race tussen de snelle bolide van drummer Phil Rudd en een vliegtuig met bassist Cliff Williams aan boord op een besneeuwd grasveld, Bon Scott die met de gebruikelijke bravoure poseert op een bevroren meertje en een in zijn eentje voetballende Malcolm Young met een tamelijk tragische fles bier in de hand. En, oh ja, zijn jongere broer tekent verdienstelijk.

Er zijn ook nog wat totaal nietszeggende kleedkamerinterviewtjes tussen geplempt. Waarin de bandleden, gewone jongens zonder uitgebreide filosofie of doordacht verhaal, de interviewer met een kluitje in het riet sturen en zijn ongemakkelijke vragen over Angus in zijn schoolkostuum, vrouwen, seks, zuipen en, jawel, de Derde Wereldoorlog van een beleefd antwoord voorzien.

Het heeft allemaal verdacht weinig om het lijf. Net als Angus Young trouwens, nadat hij op 9 december 1979 in Pavillon de Paris zijn welbekende striptease heeft uitgevoerd en van een schooljongen is veranderd in een volwassen vent – van anderhalve meter, dat wel – die héél even zijn achterwerk heeft laten zien. Ze kunnen allemaal zijn, pardon my French, reet kussen. Zoals vrijwel alle andere rockgitaristen tegelijkertijd zijn schoenveters nog niet mogen strikken. Behalve Malcolm dan.

Dit is eerst en vooral een harde, zweterige, theatrale, grappige en buitengewoon opwindende momentopname van één van de allerbeste rockbands die deze aardkloot ooit heeft mogen aanschouwen. Vanaf het podium, waarop ze gezamenlijk excelleren. Met Bon als de ultieme cocky frontman, een glorieus rockende én rollende ritmetandem en twee continu oerriffs en extatische solo’s opboerende meestergitaristen (waarvan de jongste tussendoor even aan de zuurstoffles moet). Als een bulldozer in overdrive met een onvervalste ‘no one gets out alive’-mentaliteit denderen ze over alles en iedereen heen.

Let There Be Rock, juist.

AC/DC: Let There Be Rock is hier te bekijken.

Ruut Weissman – De Hoofdpersoon

NTR

Hij is een grote man. Letterlijk. En figuurlijk. Groter dan hij zelf waarschijnlijk in de gaten heeft. En blijkbaar was dat in de jaren zeventig – toen hij eind twintig was, theatervoorstellingen regisseerde en de Theaterschool & Kleinkunstacademie in Amsterdam runde – ook al zo. Dat verleden heeft Ruut Weissman enkele jaren geleden ingehaald. Hij werd, zoals hij dat zelf zegt, ‘meegenomen in die #metoo-storm’ en lijdend voorwerp van enkele pijnlijke publicaties.

‘Je wilt niet weten wat dat voor een impact heeft’, vertelt Weissman aan documentairemaakster Judith de Leeuw, die met hem een theatervoorstelling over de kwestie gaat maken en het maakproces daarvan wil vastleggen in een film. ‘Daar wil ik ook helemaal niet zielig over doen, maar dat is wel wat het is. Ik heb echt overwogen om voor de trein te springen op een gegeven moment.’

Ruut Weissman – De Hoofdpersoon (78 min.) start met diezelfde voorstelling, Priviliged Man, een monoloog van actrice Harriët Stroet, die ook zo haar #metoo-ervaringen heeft. ‘Ik heb bedacht dat ik hem nog een keer wil spreken’, zegt ze, alleen op het podium. ‘Ik heb hem benaderd en hij heeft zonder aarzelen ingestemd. De ontmoeting vindt plaats in een oude tuin van een grachtenhuis. In dat grachtenhuis was de school gevestigd, toen. Hier ben ik – kan ik dat zeggen? – gelukkig geweest en ook gewond geraakt.’

Als de thematiek van de voorstelling, en daarmee ook van deze documentaire, helder is neergezet, introduceert De Leeuw haar hoofdpersonage. Ze probeert hem tevens te regisseren, voorwaar geen sinecure. De spanning tussen de filmmaakster en haar protagonist – en eerder al tussen docent en student en later in de film tussen regisseur en actrice – vormen het hart van dit broeierige portret van Weissman, een overheersende man, een explosief heerschap en – soms – een aandoenlijk jongetje.

Via alle aanvaringen, toenaderingspogingen en (bijna)liefdesverklaringen, die parallel zijn gemonteerd met delen uit de voorstelling waaraan ze werken, openbaart zich een gepassioneerde kerel met een aanzienlijke geldingsdrang, ‘al was het alleen maar om mijn moeder te laten zien dat ze niet voor niets de kampen heeft overleefd’. Een alfaman, aimabel ook, die volgens eigen zeggen niet doorhad welke positie hij had. In een tijd ook, waarin dat nog best vanzelfsprekend was.

Doordat Judith de Leeuw hem in al zijn complexiteit probeert te laten zien, wordt Ruut Weissman – De Hoofpersoon een waardevolle aanvulling op alle #metoo-documentaires vanuit slachtofferperspectief, die demonstreert hoe verschillend mensen, afhankelijk van hun eigen rol daarin, dezelfde werkelijkheid kunnen beleven. Én een intense, spannende en toch ook dappere film over zo’n man, die groter lijkt dan goed voor hem (en anderen) is.

Ruut Weissman – De Hoofdpersoon is hier te bekijken.

Linda Ronstadt – The Sound Of My Voice

NTR

Ze is een geboren performer, met een geweldig stembereik. Hoewel Linda Ronstadt zelf geen liedjes schrijft, heeft de Amerikaanse zangeres een geheel eigen signatuur. Tenminste, dat zeggen mensen die het kunnen weten in Linda Ronstadt – The Sound Of My Voice (91 min.). Ze luisteren naar namen als Dolly Parton, Bonnie Raitt, Ry Cooder, Don Henley, Jackson Browne, JD Souther, Aaron Neville en Emmylou Harris en bivakkeerden stuk voor stuk naast Ronstadt terwijl die op het podium of in de studio de sterren van de hemel stond te zingen.

Deze tamelijk routinematige popbio van Rob Epstein en Jeffrey Friedman laat ook nog popprofessionals aan het woord die jarenlang een boterham aan Ronstadt hebben verdiend, zoals platenbaas David Geffen, popjournalist Robert Hilburn en producer John Boylan. Stuk voor stuk lichten ze een tipje van de sluier op van de zeer wendbare zangeres Linda Ronstadt, die met name in de jaren zeventig en tachtig immens succesvol was en tegenwoordig in de luwte leeft.

De vrouw zelf heeft slechts weinig woorden nodig en laat, in steeds wisselende gedaanten en stijlen, horen wat ze zoal in haar mars heeft – waarbij hits als You’re No Good, It’s So Easy en Don’t Know Much (met Aaron Neville) natuurlijk niet (mogen) ontbreken. Het interessantst wordt dit portret als Ronstadt op latere leeftijd echt een eigen koers begint te varen en daarbij ook onverwachte afslagen, richting operette en traditionele Mexicaanse muziek bijvoorbeeld, besluit te nemen. Zo bouwt ze niet alleen een succesvolle, maar uiteindelijk ook een eigenzinnige loopbaan op, die hier nauwgezet en met veel aandacht voor de muziek wordt doorgenomen.

Stuffed

VPRO

Taxidermisten doen het niet omdat ze iets doods zien, maar omdat ze leven zien, zegt één van de hoofdpersonen in de openingsscène van Stuffed (81 min.). En in dat kader zetten deze gedreven ambachtslieden dus gestorven dieren op. Een baan met een ronduit macaber imago. ‘Als je een meisje wilt versieren en je zegt dat je taxidermist bent dan krijg je wel rare reacties’, vertelt Jordan Hackle, een vrolijk ogende jongeman, over hoe mensen reageren op zijn beroep. ‘Ben je taxichauffeur? Wat griezelig. Of ze liegen en zeggen dat ze het niet eng vinden. Ondertussen denken ze dat ik een seriemoordenaar ben.’

Regisseur Erin Derham portretteert in deze verzorgde documentaire enkele taxidermisten, die binnen hun stiel zowel kunstenaar als naturalist proberen te zijn. Hun werk wordt geëxposeerd in een (natuurkundig) museum, ligt in de winkel of wordt beoordeeld tijdens een wedstrijd. De werkwijze van de vakidioten loopt uiteen van zuiver wetenschappelijk, een zo natuurgetrouwe replica maken van een bestaand dier, tot uitgesproken kunstzinnig. Zo spelen de Nederlanders Ferry van Tongeren en Jaap Sinke, afkomstig uit de reclamewereld, bijvoorbeeld rustig voor God en helpen, in het kader van storytelling, de natuur een handje, bijvoorbeeld door de vervaarlijke tanden van een tijger een heel klein beetje te vergroten.

Met veel oog voor detail, een expressieve soundtrack en aandacht voor de historische context belicht Derham alle facetten van een bijzonder beroep, waarbij de schoonheid en het belang van taxidermie, volgens de beoefenaars de beste manier om natuurhistorie te bewaren, voorrang krijgen op de onsmakelijke beelden die menigeen wellicht met het vak associeert. Stuffed opent zo een prachtige wereld, waarin de tijd even stilstaat en uiteindelijk, voor een film van bijna anderhalf uur, ook relatief weinig gebeurt. Dit diorama, een zorgvuldig geconstrueerd stilleven van taxidermisten in hun biotoop, dwingt z’n kijkers om even halt te houden en de pure schoonheid van (gecreëerde) natuur op zich in te laten werken.