‘Hee man, mafketel, laat me los, man! Ik kom je helpen’, schreeuwt brandweerman Michel tegen de kerel die hem van een balkon op acht hoog dreigt af te duwen. Michel, die op een melding van brand in de flat is afgekomen, merkt dat zijn gezicht bloedt en zijn hand openligt. Pure overlevingsdrang neemt bezit van hem. Hij probeert de man te ‘overrulen’ en weet zichzelf uiteindelijk te bevrijden.
Het is zomaar één van de incidenten die aan de orde komt in Frans Bromets interviewfilm Waar Zijn We Mee Bezig? (54 min.). De nestor onder de Nederlandse camerajournalisten spreekt verder met een verpleegkundige van de spoedeisende hulp, apotheker, ambulancemedewerker en twee politieagenten over het geweld waarmee zij in hun werk worden geconfronteerd.
Verbale agressie behoort tot de dagelijkse routine, blijkt uit hun verhalen. Vaak zijn de daders onder invloed van drank en drugs. Ook fysiek geweld wordt niet geschuwd: spugen, slaan en – bepaald niet prettig als onduidelijk is of iemand iets onder de leden heeft – bijten. En op oudjaarsnacht wordt er traditiegetrouw gegooid met vuurwerk, dat allang niet meer lijkt op de onschuldige rotjes van vroeger.
Geweld tegen hulpverleners neemt nog altijd toe. In 2022 is 92 procent van hen in aanraking gekomen met geweld of agressie. Corona heeft daarbij waarschijnlijk als katalysator gewerkt. Er wordt alom schande van gesproken, maar wat er daadwerkelijk aan gebeurt? Volgens direct betrokkenen lopen dit soort zaken bij de rechter vaak met een sisser af, terwijl zij met de gevolgen ervan blijven rondlopen.
Zo hebben de politieagenten Xue-Ann, die in haar vrije tijd assisteerde bij een aanhouding en daarbij en plein public onzedelijk werd betast, en Daniël, waarbij een mes op de keel werd gezet toen hij ingreep bij een relationele ruzie, tijdelijk een stapje terug moeten doen. Fysieke en mentale klachten belemmeren hen om het vak uit te oefenen, waaraan ze mettertijd verknocht zijn geraakt.
Want ook dat valt op aan de hulpverleners in deze Typische Bromet: ze hebben het hart nog altijd op de juiste plaats, ook al is het dan al eens (bijna) vertrapt, en willen niets liever dan ‘gewoon’ hun werk doen.
Naar aanleiding van de documentaire 'Waar zijn we mee bezig?' praat @NclsVeul met de veelgeprezen regisseur @FransBromet over zijn werkwijze, stijl en onuitputtelijke oeuvre.
Ze gaan de waarheid blootleggen, zeggen Sam Lipman-Stern en Patrick J. Pespas tegen elkaar. Over de schimmige wereld die schuilgaat achter telemarketing, de belcampagnes waarvan iedereen wel eens last heeft. Zoals documentairemaker Michael Moore dat ook altijd zo overtuigend doet. De twee leerden elkaar kennen bij Civic Development Group (CDG), een rommelig telemarketingbedrijf uit New Jersey waar allerlei misfits hun brood verdienden. Dag in dag uit belden ze daar namens allerlei goede doelen mensen op voor een donatie. Voor de Disabled Veterans Association, het Cancer Survivors Fund of de Firefighters Charitable Foundation bijvoorbeeld.
Lipman-Stern en vooral Pespas, die vanwege zijn overmatige drugsgebruik ook wel ‘Pat de Snuiver’ wordt genoemd, krijgen er handigheid in om gewone Amerikanen geld uit de zak te kloppen, toont de lekker rommelige eerste aflevering van Telemarketers (167 min.), de driedelige serie die Sam Lipman-Stern heeft gemaakt met zijn neef Adam Bhala Lough. Op de bibberige beelden die ze zelf op kantoor hebben geschoten is te zien hoe allerlei gladde praatjesmakers geroutineerd hun gesprekscripts afwerken en zo per uur honderden dollars binnenharken. Waarvan dan hooguit twintig procent bij het beoogde goede doel terecht komt.
Daar mogen ze alleen niet over liegen. Als de gebelde er expliciet naar vraagt, moeten ze dat eerlijk benoemen. Ook daarvoor bedenken David Keezer en Scott Pasch, de eigenaren van CDG, echter een list, waardoor het lijkt alsof hun marketeers daadwerkelijk werkzaam zijn bij de begunstigde organisatie en ze dus met een gerust hart kunnen zeggen dat honderd procent van de gift bij bijvoorbeeld de vakbond Fraternal Order of Police terechtkomt. Écht, met de hand op het hart. Dat kan niet goed gaan, zou je zeggen. Althans, voor gewone CDG-medewerkers. Want ook als het bedrijf publiekelijk tegen de lamp loopt, ontspringen Keezer en Pasch de dans.
En dus starten de twee voormalige telemarketeers een onderzoek naar de business waarin ze zelf jaren werkzaam waren. Dat zal jaaaaren in beslag nemen. Ze beginnen bijvoorbeeld de non-profitorganisaties waarvoor de Civic Development Group werkte op te bellen. Die moeten toch gewoon van de grootschalige zwendel hebben geweten? Misschien hebben ze er zelfs een belang bij. Zo ontstaat een vermakelijke exposé over een parasitaire business, waarbij de waarheid een rekbaar begrip blijkt. En wie kunnen er beter iemand geld aftroggelen dan… , juist, …junks en boeven? Op de werkvloer noemden ze CDG niet voor niets ‘Criminals Doing Good’.
Deze miniserie wordt bevolkt door een Jan Doedel-achtige verzameling morsige personages, die met liefde en plezier de praktijk van alledag binnen de telemarketingbranche schetsen. Het onderzoek van Lipman-Stern en Pespas komt intussen met horten en stoten op gang, ligt jarenlang stil en krijgt dan alsnog vaart, wanneer blijkt dat er een nieuw type opdrachtgevers op de markt is gekomen en nóg dubieuzere methodes om geld los te wrikken worden ingezet. Dan komen de communicatieve vaardigheden van Pespas ook nog bijzonder goed van pas.
Van een aandoenlijk portret van twee beroepsslackers en hun ‘shabby’ entourage heeft Telemarketers zich dan ontwikkeld tot een beurtelings spannend en hilarisch staaltje hotsknotsbegonia-onderzoeksjournalistiek. ‘Michael Moore-style’, zoals ze zelf, met enige trots, constateren. Al gaat die ongetwijfeld veel gewiekster – en daardoor minder ontwapenend – te werk dan de twee stoethaspels die zich een weg door de telemarketingjungle proberen te banen.
De cliëntenlijst is imposant: van Cindy Crawford en Naomi Campbell tot Stephanie Seymour en Linda Evangelista. Stuk voor stuk hebben ze onder contract gestaan bij het Elite Model Agency dat halverwege de jaren tachtig een gat in de markt ontdekt: met de juiste begeleiding kunnen van fotomodellen zomaar supersterren worden gemaakt. Natuurlijk zit er ook een schaduwzijde aan het lumineuze idee: héél mooie en héél jonge meisjes, kinderen nog, komen moederziel alleen in New York terecht en worden daar volledig afhankelijk van wereldwijze modelscouts. ‘We werden klaargestoomd’, vertelt voormalig topmodel Carré Otis, die ook nog een bescheiden filmcarrière zou hebben en enige tijd was getrouwd met acteur Mickey Rourke. ‘We werden geconditioneerd. In het volle zicht. Het gebeurde niet stiekem. Het was overduidelijk.’
Een trip naar Europa fungeert daarbij als lakmoestest voor de minderjarige meisjes, vertelt de Amerikaanse schrijver en journalist Michael Gross, die uitgebreid sprak met Elite’s topman John Casablancas (1942-2013) en andere kopstukken van de modellenindustrie. Hij schreef er het boek Model: The Ugly Business Of Beautiful Women (1995) over. De Elite-meisjes worden in Parijs overgeleverd aan een Europese vertegenwoordiger, Gérald Marie, die volgens Gross ‘geen greintje fatsoen’ heeft. Carré Otis ontdekt al snel ‘s mans cocaïne én Maries totale gebrek aan moraal, vertelt ze in de eerste aflevering van de ontluisterende driedelige serie Scouting For Girls: Fashion’s Darkest Secret (139 min.). Als zijn vriendin, het Canadese supermodel Linda Evangelista, even uit de buurt is, zoekt Gérald Marie direct seksuele toenadering tot Otis – ongeacht wat zij daar als tiener, in een vreemd land en een nóg vreemdere wereld, zelf van vindt.
‘Ik zou nooit zover gaan om tegen een meisje te zeggen: je moet met me naar bed om op de cover te komen’, stelt Marie, die via zijn advocaat alle beschuldigingen ver van zich werpt, nochtans tijdens een interview met Michael Gross. Audio-opnames van deze gesprekken komen regelmatig terug in deze miniserie van de Britse onderzoeksjournalist Lucy Osborne, die eerder over Marie publiceerde in The Guardian. Helder is dat de piepjonge modellen, vaak nog zonder enige seksuele ervaring, ook worden ingezet om Elite’s feestjes op te luisteren, waar ze zich veel oudere kerels van het lijf moeten zien te houden – ook als ze allang zijn teruggekeerd naar hun hotelkamer. Volgens oud-medewerker Omar Harfouch heeft Gérald Marie daarvoor tevens een ‘praktische reden’: maagden zijn volgens hem niet fotogeniek. ‘Dus kort na hun aankomst moeten ze koste wat het kost ontmaagd worden.’
Als het niet zo bruut en banaal was – en zo nadrukkelijk doet denken aan de #metoo-affaires rond de seksuele roofdieren Jeffrey Epstein en Harvey Weinstein – zou het lachwekkend zijn. Een meisje van veertien of vijftien dat volledig is overgeleverd aan de gunsten van de perverseling Gérald Marie, die er volgens Harfouch zelfs een afvinklijst van maagden op nahoudt, of zijn concurrent Jean-Luc Bunuel van Karin Models, die zich al even bedenkelijk gedraagt, zou echter kunnen denken dat dit de normale gang van zaken is binnen de business. En daar houdt iedereen z’n mond. Zelfs een geruchtmakende uitzending van het televisieprogramma 60 Minutes kan daarin geen verandering brengen. ‘Er heerst een zwijgcultuur in de industrie’, vertelt Marie P. Anderson, die van 1986 tot 1989 als modellenagent werkt bij Elite en dan tevergeefs de noodklok luidt. ‘Want de meeste mensen leven in angst. De industrie heeft me uitgespuugd omdat ik me heb uitgesproken.’
Zo’n veertig jaar later hebben de voormalige topmodellen Carré Otis, Shawna Lee, Jill Dodd en Marianne Shine, publiekelijk ondersteund door Linda Evangelista, alsnog juridische stappen gezet tegen de mannen die zich aan hen vergrepen, Jean-Luc Brunel en Gérald Marie. Zij hebben al die jaren, ondanks enkele publicitaire oprispingen, ongestoord hun gang kunnen gaan. En nu is het nog maar de vraag of hun daden niet zijn verjaard. De woede en het verdriet daarover, gekanaliseerd in de slotaflevering van deze goed gedocumenteerde docuserie, zijn in elk geval beslist nog niet geweken en ook gemakkelijk invoelbaar. Zeker als duidelijk wordt dat modellenbureaus als Elite en Karin ook meisjes hebben geleverd aan een man van wie inmiddels bekend is dat hij een onverzadigbare behoefte had aan minderjarige meisjes. Zo bezien is de wereld, althans het deel ervan dat ‘jeugdige godinnen’ als niet meer dan bijzonder smakelijke handelswaar ziet, toch weer kleiner dan menigeen denkt en vreest.
Het lijkt een normale Champions League-avond te worden voor Borussia Dortmund. Dinsdag 11 april 2017, de eerste kwartfinale-wedstrijd tegen AS Monaco. Die Gelbe Wand, de befaamde supportersschare van de Duitse voetbalclub, maakt zich al op om zijn plek in te nemen op de tribunes van BVB’s Signal Iduna Park-stadion.
Buiten het blikveld van de fans zijn er bij de spelersbus, die onderweg is van het hotel naar het stadion, even na zeven uur echter enkele explosieven tot ontploffing gebracht. ‘Ik riep: niet stoppen’, herinnert middenvelder Nuri Sahin zich in Der Anschlag – Angriff Auf Den BVB (Engelse titel: Football Bomber – Attack On Borussia Dortmund, 91 min). ‘Dat weet ik nog, want ik dacht: dit is een aanslag.’ Verdediger Marc Bartra blijkt gewond. ‘Gelukkig waren de artsen snel ter plaatse’, vertelt hij. ‘Ik riep: dokter, ik heb hulp nodig. Mijn arm doet pijn. Ik kan niet bewegen. Ik was versteend.’
Terwijl hulpverleners zich bekommeren om Bartra wordt in allerijl de wedstrijd afgeblazen. Die moet een dag later, tegen de wil van de meeste spelers in, echter alsnog worden gespeeld. Want hoewel de aanslag nog niet is opgeëist, houdt iedereen rekening met Islamitische Staat, dat in de voorgaande jaren terreuracties in Parijs en Brussel heeft uitgevoerd. Geen westerse leider of organisatie wil daarom nu openlijk zwichten voor terreur. En even later wordt op de plaats delict een verklaring aangetroffen die inderdaad begint met de zinsnede ‘Im Namen Allahs’.
Maar moeten de daders werkelijk in de kringen van extremistische moslims worden gezocht? Of is de verwijzing naar IS simpelweg een dwaalspoor? Christian Twente en Markus Brauckmann reconstrueren de aanslag op de BVB-bus, de navolgende verslagenheid bij de spelersgroep en de zoektocht naar de verantwoordelijken met de algemeen directeur, supporters, journalisten, politiemensen en een terrorisme-expert en hebben bovendien enkele kerngebeurtenissen nagebootst. Het is een bijzonder verhaal, dat alleen tamelijk conventioneel wordt verteld.
Deze documentaire doet precies wat ie belooft, maar sprankelt of emotioneert slechts een enkele keer. Hoe bijzonder ’t ook is dat een gewone Dortmund-supporter alle puzzelstukjes bij elkaar legt, zodat er al snel een mogelijke dader in beeld komt. En die blijkt wel heel bijzondere motieven te hebben gehad om rücksichtslos te speculeren met de levens van meer dan twintig mensen.
Ze hebben afscheid moeten nemen van hun droom om de National Football League te bereiken. Want een sportbeurs voor een gerenommeerde school zit er voor hen helaas niet in. En dan komt ene Roy Johnson bij de gedesillusioneerde jongeren langs en zegt dat hij toch een professionele American footballer van hen kan maken. De coach nodigt hen uit om naar Bishop Sycamore High School (voorheen Christians Of Faith Academy) in Ohio te komen. Één probleem: er is helemaal geen school.
‘Ik ben geen oplichter’, bezweert de man, die kan praten als Brugman, desondanks in BS High (93 min.). ‘Ik ben “oplichterig”.’ En daar schaamt Johnson zich helemaal niet voor, getuige zijn bijdrage aan deze schelmendocu. Vol bravoure neemt de coach, die zich spiegelt aan Hannibal Smith uit de televisieserie The A Team, plaats voor de camera van Travon Free en Martin Desmond Roe en laat zich bevragen over zijn schurkenstreken, bokkensprongen en broodjes aap. Hoe moeilijk de twee ‘t hem ook maken, hij blijft oneliners rondstrooien. ‘Ik ben de eerlijkste leugenaar die ik ken.’
Zijn verhalen verdienen dus weerwoord. Dat komt in BS High van zijn spelers en hun moeders, een footballofficial uit Ohio, enkele oud-collega’s en de journalist die ’s mans zwendel op het spoor kwam. Feit is dat Roy Johnson zijn team naar de Canton Hall Of Fame manoeuvreert, voor een wedstrijd tegen de gerenommeerde IMG Academy die live op ESPN wordt uitgezonden. Het is Johnsons meesterstuk. ‘I love it when a plan comes together’, kraait hij. De krachtmeting zelf wordt alleen een gigantisch fiasco, voor het oog van een verbijsterd publiek. Waarna Bishop Sycamore viral gaat.
Free en Roe proberen in deze gedegen film voorbij de gimmick te reiken. Geduldig reconstrueren ze de geruchtmakende affaire, die uiteindelijk vooral ten koste van Johnsons spelers lijkt te zijn gegaan. Die vertrekt echter geen spier als hij wordt geconfronteerd met leningen die hij op naam van zijn jongens, zonder hun toestemming natuurlijk, heeft afgesloten en die zij nu moeten aftikken. ‘Wettelijk heb ik niet gefraudeerd’, houdt hij staande. ‘Ik zit in een grijs gebied.’ En dan, met een nauwelijks verholen grijns op zijn gezicht: ‘Hoe noemen ze me? Loophole Leroy?’
Dat personage heeft in elk geval optimaal geprofiteerd van – of beter: geparasiteerd op – de droom van veel Amerikaanse jongeren om een dik betaalde topsporter te worden en het schimmige systeem met studieprogramma’s op scholen dat daaromheen is opgetrokken. En als we de bullshitter, gladder dan een aal in een emmer snot, op zijn woord mogen geloven in BS High, zal ’t niet bij deze ene keer blijven – en is hij zeker niet de enige die de mazen in de wet weet te vinden.
Als er geen gedeelde waarheid meer lijkt te bestaan, een ‘Us vs. Them’-mentaliteit heeft postgevat aan beide uitersten van het politieke spectrum en sommige leiders dat liever exploiteren dan bestrijden, kan dit een samenleving in het hart raken. De verdeeldheid in de Verenigde Staten is voor The Atlantic in 2020 aanleiding om het Shadowland-project te starten. Het Amerikaanse tijdschrift wil onderzoeken hoe complottheorieën het land ontwrichten. De zesdelige docuserie Shadowland (320 min.) van Joe Berlinger is gebaseerd op deze artikelenreeks en portretteert gewone Amerikanen die de afgelopen jaren in een ‘complotfuik’ terecht zijn gekomen, waaronder ook enkele mensen die hebben meegedaan aan de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021. Met compassie, geduld en begrip voor hun positie en gevoel van onrechtvaardigheid, maar ook onafhankelijk en kritisch. Zónder ook meteen hun ideeën of methoden te omarmen.
Pauline Bauer, de eigenaresse van een pizzeria in Pennsylvania ging op 6 januari bijvoorbeeld met de meute het Capitoolgebouw binnen en wacht nu op berechting. Ze riskeert twintig jaar cel. Haar man en zoon willen niet gefilmd worden, maar zelf verhaalt Pauline onverbloemd over hoe ze tijdens de financiële crisis van 2008 haar complete pensioen kwijt is geraakt op de aandelenmarkt. Toen bijna alles was afbetaald, moest haar zaak in 2020 dicht vanwege het Coronavirus. Door de ‘plandemic’ lijkt ze definitief geradicaliseerd. Inmiddels gelooft Pauline in De Nieuwe Wereldorde, die in handen zou zijn van het Vaticaan, de koninklijke familie en ‘de dertien elitefamilies’, waaronder de Rothschilds en de Rockefellers. ‘We moeten in opstand komen’, zegt ze. ‘We moeten vechten. Daarom was ik erbij op 6 januari.’ Op advies van de bouwvakker, autonome burger en ‘rechtsdeskundige’ Bobby Lawrence besluit Pauline zichzelf te gaan verdedigen in de rechtbank – en werkt ze zich ongenadig in de nesten.
Voor ‘Google-klokkenluider’ en ondernemer Zach Voorhies en ‘onderzoeksjournalist’ Maryam Henein vormen hun theorieën over de wereld tevens een businessmodel. Dat resulteert in een eindeloze stroom YouTube-video’s, podcasts en optredens bij dubieuze media. Ze leerden elkaar kennen via de infame Infowars-show van de ultieme complotroeper Alex Jones. Nu zijn de twee onafscheidelijk. Ook letterlijk: ze komen nauwelijks het huis uit. Maryam: ‘Ik grap altijd: wie heeft er nou seks en luistert samen naar Yuri Bezmenov?’ Behalve een opmerkelijke voorliefde voor een anticommunistische activist vinden de twee elkaar ook in hun strijd tegen de manier waarop de ‘deep state’ COVID-19 heeft gebruikt om de wereldbevolking te knechten. Dat brengt ze overigens zeker niet alleen voorspoed. Het stel wordt volgens Maryam, die zich ernstig miskend voelt, behandeld als ‘ongevaccineerd ongedierte’. Ze liggen zowel met hun familie als allerlei instanties overhoop en overwegen of ze elders moeten gaan wonen.
Het zijn herkenbare verhalen, ook binnen de Nederlandse context, waarbij inmiddels vertrouwde begrippen als QAnon, pedonetwerken, de ‘Main Stream Media’, cancelcultuur en omvolking de revue passeren en – door de sociale media aangejaagde – verwarring, woede en totale zelfoverschatting zichtbaar worden. In deze ijzersterke serie, die echt de tijd neemt om z’n personages uit te diepen en gedurende een langere periode te volgen, komen bijvoorbeeld ook de zelfbenoemde leider van de ‘vaccinpolitie’, een tegen mondkapjes strijdende psychiatrisch verpleegkundige en de aalgladde predikant Greg Locke die Amerika ‘wakker’ wil schudden in beeld. Journalisten van The Atlantic zorgen tussendoor voor duiding. ‘Het voelt goed om te denken dat je het geheim achter rijkdom en macht kent’, vertelt redacteur Ellen Cushing bijvoorbeeld, die als tiener zelf in complotten geloofde. ‘Dat voelt alsof je high bent.’
Cushing en haar collega’s volgen natuurlijk ook de geldstromen achter al die nefaste theorieën, want de handel in woede en complotten heeft zich ontwikkeld tot een miljardenindustrie. ‘Klaar met een overheid die onze rechten afpakt die nota bene in de grondwet zijn vastgelegd’, houdt Liz Wheeler het publiek van haar eigen podcast bijvoorbeeld voor. ‘Straks meer, maar nu eerst…’ Waarna ze een product aanprijst, waarop de kijker een zeer aantrekkelijke korting kan krijgen. Zulke schaamteloos geëxploiteerde woede heeft z’n tentakels inmiddels uitgeslagen naar alle uithoeken van de Verenigde Staten en zaait daar ongenoegen en verdeeldheid. Dat is funest voor de sociale cohesie in een samenleving, zoals deze serie op een ontluisterende manier aantoont, en kan volgens historicus Jeffrey Herf ook zomaar tot geweld leiden. Het leeuwendeel van de in Shadowland geportretteerde complotdenkers lijkt bovendien helemaal niet gelukkig te zijn in de alternatieve realiteit, die wij met z’n allen zouden moeten leren kennen.
Hele generaties filmliefhebbers zijn met hem opgegroeid. Via klassiekers zoals Mean Streets, The Godfather, Taxi Driver, Novecento, The Deer Hunter, Raging Bull, Once Upon A Time In America, The Untouchables en Goodfellas en allerlei andere kaskrakers is Robert de Niro één van de beeldbepalende gezichten van het laatste kwart van de twintigste eeuw geworden. Maar wat er werkelijk schuilgaat achter die gepijnigde blik van de ‘method actor’? En of daar inderdaad het geweld zit verstopt, dat in zijn films zo vaak op een angstaanjagende manier tot uitbarsting komt?
De man achter al die illustere rollen praat er liever niet over. Hij houdt zich doorgaans zelfs zó goed schuil voor de buitenwereld dat de vraag soms gerechtvaardigd lijkt óf er eigenlijk wel zo’n man is. Of is de meesteracteur Robert de Niro simpelweg een hol vat dat steeds moet worden gevuld met een nieuwe rol die zijn leven helemaal overneemt? Waarvoor hij dan Marlon Brando gedetailleerd moet bestuderen, zijn vergunning als taxichauffeur haalt en dan dag en nacht in de onguurste New Yorkse buurten gaat rondrijden of bereid blijkt om zich vol te vreten en zo tientallen kilo’s aan te komen.
In Robert de Niro – Hiding In The Spotlight (53 min.) legt Jean-Baptiste Péretié zulke vragen niet voor aan zijn protagonist en diens (professionele) omgeving. Alleen De Niro’s favoriete regisseur Martin Scorsese mag zo nu en dan, buiten beeld, even toelichting geven. En Quentin Tarantino krijgt zowaar ook nog even een quoteje in beeld. Péretié kíjkt vooral naar de meesteracteur. Ergens in al die onvergetelijke filmscènes, en het monnikenwerk dat De Niro daarin heeft gestoken, moet de mens Bobby De Niro, kind van het kunstenaarsduo Robert Sr. en zijn ex-vrouw Virginia Admiral, verstopt zitten.
En een verteller plaatst al die rollen in hun tijd, maatschappelijke context en de plek in het leven en de carrière van Robert de Niro, die samen met zijn collega Al Pacino (tevens geportretteerd door Péretié) wordt beschouwd als de grootste acteur van zijn generatie. In deze boeiende archieffilm wordt De Niro alle eer aangedaan. Op latere leeftijd zal hij zichzelf in komische rollen nadrukkelijk relativeren als acteur, openbloeien als mens en zich bovendien ferm uitspreken over politieke ontwerpen, zoals de opkomst van de door hem gehate Donald Trump. De man is dan definitief uit de acteur gekomen.
En zo nu en dan schiet hij nog altijd raak in/met een karakterrol. In oktober gaat bijvoorbeeld Killers Of The Flower Moon, Robert de Niro’s tiende film met zielsverwant Scorsese, in première in de bioscoop.
In de veelbewogen geschiedenis van ‘s werelds belangrijkste wielerwedstrijd de Tour de France heeft er zelden een heroïscher tweegevecht plaatsgevonden dan in 1989. Thuisfavoriet Laurent Fignon en zijn Amerikaanse concurrent Greg LeMond strijden gedurende drie weken op het scherpst van de snede om de eindoverwinning. Tijdens de afsluitende tijdrit wordt ‘t op de Champs Élysées in Parijs letterlijk secondenwerk. LeMond is aan zet: hij moet vijftig tellen goedmaken op klassementsleider Fignon. Dat lijkt een onmogelijke opdracht.
Het wordt de zinderende apotheose van Greg LeMonds carrière die, natuurlijk, al over hoge toppen en door diepe dalen is gegaan. In The Last Rider (97 min.), een documentaire van Alex Holmes (Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story / Maiden), blikken de wielrenner en zijn vrouw Kathy terug op die turbulente jaren en de persoonlijke dilemma’s die hem daarbij parten spelen. LeMond is in 1981 door het wielerpeloton binnengehaald als ‘de nieuwe Bernard Hinault’, de Franse renner die de Ronde van Frankrijk dan al vier keer heeft gewonnen.
Greg LeMond wordt Hinaults rechterhand en moet hem in 1985 aan zijn vijfde Tour-overwinning helpen. Als wederdienst belooft de Breton zijn Amerikaanse teamgenoot dat hij het volgende jaar voor hem zal rijden. Tegen die tijd besluit de eerzuchtige Hinault, die niet aan het woord komt in deze film, echter om toch weer voor eigen succes te gaan. LeMond voelt zich verraden. Intussen worstelt hij ook met een bijzonder delicaat geheim. Als de Amerikaan enkele maanden later bovendien ernstig gewond raakt bij een jachtongeluk lijkt zijn loopbaan definitief voorbij.
Na het verplichte vallen en opstaan – dit is immers een heldenverhaal – volgt de onvermijdelijke comeback die Greg LeMond in 1989 terug naar de Tour leidt, voor het duel van zijn leven met z’n hautaine rivaal Laurent Fignon. De enerverende strijd tussen de twee matadoren, die met hulp van Fignons ploegleider Cyrille Guimard en hun Spaanse concurrent Pedro Delgado overtuigend wordt opgeroepen, vormt vanzelfsprekend het hart van deze enerverende sportfilm, waarbij het wel jammer is dat het perspectief van Fignon (1960-2010) ontbreekt.
Hoe zou de tweevoudige Tour-winnaar er nu op terugkijken dat hij LeMond, die dan een kleine minuut op hem achterstaat in de strijd om de gele trui, tijdens één van de laatste etappes alvast heeft ‘gefeliciteerd’ met zijn tweede plaats? Ligt daar misschien de sleutel voor één van de meest iconische sportmomenten van de twintigste eeuw, dat in The Last Rider in volle glorie herleeft? Het wordt erop of eronder voor de twee wielertoppers, waarbij de één de ander vernedert en zo tot op het bot motiveert. En, zoals al vaker is aangetoond, er bestaat nauwelijks een betere drijfveer voor een sporter dan rancune.
In die tijd wordt dierenmishandeling kennelijk nog beschouwd als een soort vandalisme. Een paard, schaap of geit is zo bezien niet meer dan het eigendom van een ander. En daar hoor je vanaf te blijven. In het najaar van 2000 wordt de omgeving van Enschede, die nog moet bijkomen van de Vuurwerkramp, echter opgeschrikt door allerlei gruwelijk gemolesteerde dieren. Het feit dat de dader ook hun geslachtsdelen afsnijdt duidt op een ernstige seksuele perversie.
En daardoor gaan de alarmbellen af in de regio Twente. Want een beetje crimekenner weet: elke seriemoordenaar is ooit begonnen met het mishandelen en verminken van dieren. ‘Het is niet ondenkbeeldig dat iemand op een gegeven moment overgaat op mensen’, stelt hoogleraar forensische psychologie Corine de Ruiter in De Beul Van Twente (118 min.) onderkoeld. Deze driedelige true crime-serie van Duco Coops, die onlangs een enigszins vergelijkbare productie over De Regenboogmoorden in het Kralingse Bos maakte, reconstrueert met direct betrokkenen de jarenlange jacht op de dierenbeul die zijn mes inderdaad ook in mensen zal gaan zetten.
De gemoederen op het Twentse platteland raken ondertussen behoorlijk verhit. Henk ten Napel, een boer uit Enschede, start bijvoorbeeld een burgerwacht als één van zijn paarden ernstig wordt mishandeld. ‘Dat was toch wel heel bijzonder’, herinnert hij zich nu, niet zonder trots en plezier. ‘Midden in de nacht. Echt iedereen met legerkleding aan en zo. Dat was wel heel bizar.’ Ten Napel is alleen zo vaak in de buurt als er een dier is toegetakeld dat hij zelf ook in beeld komt bij pers en politie. De Twent blijkt zelfs een cameraman te hebben ingehuurd om de activiteiten van zijn militie te documenteren. En nét als die erbij is, wordt er natuurlijk een dood dier aangetroffen.
Coops tekent de grimmige sfeer rond de misdrijven en de verknipte geest die daarachter schuilgaat op een typisch true crime-manier op: veel donkere, unheimische beelden, gebruik van slow-motion, dreigende geluiden en muziek en – natuurlijk – een politieprikbord met alle informatie die is verzameld over de vermoedelijke dader. Hij kan tevens putten uit correspondentie van ‘De Beul’, die met een vervormde stem is ingelezen en wordt omkleed met sinistere, in scène gezette beelden. ‘Als ik seksueel geprikkeld was ging ik in de buurt kijken naar plekken waar schapen liepen’, vertelt de engerd bijvoorbeeld. ‘Want de penis van een mens past in een ooi.’
Zou deze psychopaat misschien afkomstig kunnen zijn uit de nabijgelegen TBS-kliniek Oldenkotte in Rekken? vragen de verantwoordelijke rechercheurs zich al snel af. En als ze daadwerkelijk een serieuze verdachte in beeld krijgen, moeten ze nog afdoende bewijsmateriaal tegen hem verzamelen. Ruim twintig jaar na dato volgt deze duistere miniserie dat proces op de voet: hoe ze vanuit het botte geweld tegen dieren en enkele serieuze steekincidenten, die een man op een homo-ontmoetingsplaats in Enschede noodlottig wordt, in het hoofd van De Beul proberen te komen. En daar wil geen levend wezen – mens of dier – al te lang vertoeven.
Achteraf bezien heeft de documentaire Get Me Roger Stone (2017), die de hoofdpersoon wel degelijk kritisch belicht, diens imago van ‘dirty trickster’ alleen maar goed gedaan. Het portret documenteert op uiterst soepele wijze de spraakmakende carrière van Donald Trumps smoezelige rechterhand Roger Stone en geeft de politieke straatvechter bovendien de gelegenheid om met veel aplomb de ene na de andere oneliner, de zogenaamde Stone Rules, te debiteren. Van ‘Het is beter om berucht te zijn dan helemaal niet beroemd’ tot ‘Politiek is showbusiness voor lelijke mensen’.
Die kant van de overtuigde Richard Nixon-fan Roger Stone wordt ook zichtbaar in A Storm Foretold (101 min.), maar de Deense filmmaker Christoffer Guldbrandsen weet tevens de achterkant daarvan bloot te leggen: een verbeten politieke extremist, die rücksichtslos macht en invloed probeert te vergaren en last van venijnige zenuwtrekjes krijgt als de zaken niet naar wens gaan. Een man die als geen ander – move over, Steve Bannon! – weet wat er leeft aan de extreme rechterkant van het Amerikaanse politieke spectrum en tevens feilloos Trumps onderbuik kan bespelen.
Guldbrandsen was in het najaar van 2018, twee jaar na de verkiezing van Donald Trump tot president, op zoek naar het hart van die beweging. Via Roger Stone – nooit vies van wat extra publiciteit, al blijkt ie ook op dat gebied totaal onbetrouwbaar – vindt hij een ingang. De documentairemaker is er bijvoorbeeld bij als Stone een belletje van president Trump krijgt, te gast is bij de Infowars-show van complotroeper Alex Jones of het omstreden congreslid Matt Gaetz, Enrique Tarrio van de extreemrechtse knokploeg The Proud Boys en een gestaalde QAnon-supporter ontmoet.
Hij stelt zich dan op als typische vlieg op de muur, maar plaatst de gebeurtenissen vervolgens met zijn voice-over wel degelijk in perspectief. Want Stone is een verneukeratief personage. Met zijn straatwijsheid, humor en zelfspot oogt hij ongevaarlijk, een parodie op een politieke profi. ‘Fuck the Lord’, grapt hij bijvoorbeeld, op weg naar een bijeenkomst waarbij fanatieke Trumpisten weer danig worden opgejut. ‘And let’s get right to the violence.’ Totdat ‘t, met de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 als meest tastbare voorbeeld, daadwerkelijk tot geweld komt…
Deze observerende film start als Roger Stone onder vuur ligt vanwege het Russiagate-onderzoek, pikt de draad na een dramatische gebeurtenis in Guldbrandsen leven weer op in de laatste week voor de presidentsverkiezingen van 2020 en komt daarna tot een zinderende apotheose tijdens én na 6 januari, een dramatische dag waarvoor Stone met zijn ‘Stop The Steal’-campagne hoogstpersoonlijk het grondwerk heeft verricht. En al die tijd houdt Christoffer Guldbrandsen verrassend veel toegang tot de ‘Prince of Darkness’, een bijnaam waarmee een type als Stone niet eens ongelukkig is.
Guldbrandsen kijkt letterlijk over zijn schouder mee als ’s werelds grootste democratie van binnenuit frontaal wordt aangevallen. Dat is een fascinerend schouwspel – ook voor Stone zelf, die is veroordeeld tot het televisietoestel van een hotelkamer en daar meteen zijn verantwoordelijkheid probeert te ontlopen. A Storm Foretold komt zo achter de façade van deze politieke nihilist en brengt tevens historische gebeurtenissen van binnenuit in beeld. Daarmee heeft Christoffer Guldbrandsen een essentiële film afgeleverd over het Trump-tijdperk, waarvan niemand nog weet hoe ’t afloopt.
Als iemand overtuigd moet worden van de effectiviteit van TBS, dan is ‘t Hans Faber – of zijn broer Wim en diens gezin. Wims dochter Anne wordt in 2017 op brute wijze vermoord door Michael P., die al eerder is veroordeeld voor gewelds- en zedendelicten en die op dat moment het laatste deel van zijn straf uitzit op de Forensisch Psychiatrische Afdeling Roosenburg in Den Dolder. Tijdens de grootscheepse zoekactie naar Anne en de dramatische nasleep daarvan fungeert Hans Faber als woordvoerder van de geschokte familie.
Na het verschijnen van zijn boek Anne: Kroniek Van Een Familie (2019) wordt Hans gevraagd door regisseur Elena Lindemans of hij wil meewerken aan een documentaireserie over TBS. ‘Mijn journalistieke hart schreeuwt: ja’, zegt hij daarover in één van de voice-overs, waarmee de verschillende verhaalelementen in deze serie met elkaar worden verbonden. ‘Wat is er veranderd na het Anne-drama?’ Zijn broer Wim, Annes vader, is aanmerkelijk minder enthousiast. ‘Je wordt gebruikt voor positieve beeldvorming van de TBS.’
Hans Faber snapt de scepsis van zijn broer, maar besluit toch in te stemmen. Op 3 juni 2022 gaat hij voor het eerst op bezoek In De TBS (265 min.), voor wat een jaar bij de Van der Hoevenkliniek in Utrecht zal worden. Justitie heeft daarbij wel een harde eis gesteld: hij mag niet vragen waarom de patiënten, die hij op de leefgroepen ontmoet en ogenschijnlijk vrijelijk mag volgen en bevragen, hier precies zitten. Om hun slachtoffers te beschermen. ‘Je moet TBS-patiënten niet humaner maken dan ze zijn’, heeft zijn broer Wim hem nog meegegeven.’
Toch is dat wel de insteek waarmee Hans de, digitaal geanonimiseerde, TBS’ers tegemoet treedt: als mensen die de kans krijgen – en ook moeten krijgen – om hun leven grondig bij te sturen. De kliniek lijkt intussen soms bijna een ontspanningsoord. De patiënten genieten van allerlei sporten, zitten bij een koor of gaan lekker op wandel- of zeilvakantie. Tegelijkertijd is er wel degelijk controle. Via een drugshond bijvoorbeeld die geregeld de leefgroep afspeurt. Of een ‘herstelkamer’, ofwel separeerruimte, waar iemand tot rust mag (of gewoon moet) komen.
De buitenstaander Hans Faber beziet het ogenschijnlijk welwillend. Ook al weet hij als geen ander waartoe deze mensen in staat kunnen zijn. ‘Begin ik nu verschijnselen te vertonen van een embedded oorlogsjournalist?’ vraagt hij zich op een gegeven moment af. ‘Iemand die niet meer kritisch kan zijn over het leger waarmee hij optrekt?’ En soms zou je inderdaad willen dat hij, al is het alleen om de zaak een keer goed op scherp te zetten, even doorbijt. In de ‘pornotheek’ bijvoorbeeld, waar een patiënt doodleuk de film Dominate Me 2 kan lenen.
Dat is tegelijkertijd ook de kracht van deze vijfdelige serie, waarbij Faber soms ook even uit beeld verdwijnt. Het leven in de kliniek wordt nergens gesensationaliseerd, maar ook niet geromaniseerd. Nuchter en genuanceerd, met oog voor zowel de mens als z’n voetangels en klemmen, brengt Lindemans het dagelijks leven van enkele vaste hoofdpersonen in (en buiten) de kliniek in beeld. Van dichtbij is te zien hoe TBS’ers aan zichzelf werken, ontspannen, uitdagingen aangaan, (gedwongen) reflecteren of, achter slot en grendel, helemaal vastlopen.
Dit resulteert in fraaie, ongemakkelijke en indringende scènes. Een beschadigde vrouw, die soms ook een gevaar is voor zichzelf, gaat bijvoorbeeld voor het eerst in vier jaar met een begeleider de straat op. Een oudere man, die als vader vaak niet thuis heeft gegeven en op het punt staat om grootvader te worden, zingt bij muziekles een duidelijk diepgevoelde versie van Papa van Stef Bos. En een jonge joviale kerel is aan het daten en loopt na achttien jaar eindelijk warm voor transmuraal verlof, maar moet accepteren dat dit langer in beslag neemt dan hij wil.
Als de veiligheid niet kan worden gegarandeerd, krijgt Hans Faber onderweg te horen, gaan de deuren op slot. En daarmee wordt precies het dilemma van TBS weergegeven. Want wanneer is iemand veilig? Wanneer reageert de mens en wanneer diens sociaal wenselijke façade op een kritische vraag of interventie? En als ‘zero tolerance’ zelfs op een plek zonder internet een utopie is, zoals één van de begeleiders toegeeft, hoe kunnen patiënten dan daadwerkelijk uit de buurt worden gehouden van schadelijke elementen, zoals drank en drugs?
Want het leven buiten sijpelt onvermijdelijk naar binnen, voorbij de door patiënten zelf gemaakte tralies. Zoals de mensen binnen, die gemiddeld zo’n acht jaar in de kliniek verblijven, uiteindelijk toch naar buiten gaan – of op z’n minst de hoop daarop moeten houden. Uit de humane benadering van de Van der Hoevenkliniek, die op Hans Faber soms ook als ‘pamperen’ overkomt, spreekt onherroepelijk vertrouwen in de mens. Ook al is dat regelmatig beschaamd en bieden resultaten uit het verleden, positief of negatief, geen enkele garantie voor de toekomst.
‘De TBS als wasstraat waar iedereen weer schoon uitkomt’, concludeert Faber uiteindelijk nuchter maar niet onwelwillend, ‘is een utopie.’
Nadat hij een zwerfkei met heimwee uit de ‘hunnebedhoofdstad’ Borger, door een gletsjer aan zijn moedersteen in Finland ontrukt tijdens de voorlaatste ijstijd, langs allerlei deskundigen en instanties terug naar zijn oorsprong heeft begeleid in Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging (2020), staat kunstenaar Bart Eysink Smeets nu weer voor een andere, door hemzelf bedachte uitdaging: hij wil de mensheid, te beginnen met zichzelf, ontdoen van het idee dat ieder individu uniek is – of moet zijn.
‘Ons streven om uniek te zijn is het fundament van de gehaaste, individualistische samenleving waar we in vast zitten’, doceert hij bij de start van wat alweer een doldwaas avontuur lijkt te gaan worden. ‘De wens om uniek te zijn zet ons aan het consumeren, vervuilen en stressen. Het zou wel eens onze ondergang kunnen betekenen.’ Maar, stelt hij zijn publiek in Bart En De Zoektocht Naar De Dubbelganger (55 min.) meteen gerust. ‘Gelukkig voor de mensheid ben ik geboren.’
Als een gezette Nederlandse variant op Kuifje, met een ondeugende glimlach en krulhaar, zet Bart een zoektocht op touw naar, ja, zichzelf. Of, beter: naar mannen zoals hij. Die sprekend op hem lijken. Van buiten én van binnen. En dat blijkt een enorme uitdaging. ‘Je gaat hem niet vinden, hè, dat weet je?’ voegt een uniciteitsdeskundige hem al snel toe. Want wie lijkt er nu écht op hem en hoe vind je zo’n figuur? Via posters, een (social) mediacampagne of imagesearch op het web?
Intussen krijgt Bart, of het personage dat hij hier van zichzelf maakt, het nieuws dat er thuis een kleine dubbelganger op komst is. Die moet zijn tamelijk ongerichte zoektocht richting en lading geven. Het zorgt alleen ook voor elementaire twijfel. ‘Ieder kind wordt uniek geboren’, zegt de mevrouw van de kinderopvang overtuigd. ‘En wij vinden het gewoon belangrijk dat ieder kind ook uniek mag zijn.’ Geen kind is volgens haar hetzelfde. ‘En gelukkig mag dat in deze tijd. Uniek zijn.’
Het speurwerk naar Barts dubbelganger is net zo vermakelijk als eerder de tocht huiswaarts van zijn steen met heimwee, al krijgt het idee erachter nooit echt diepte. Zoals ook de ethische dilemma’s die de man op zijn missie tegenkomt – mag hij bijvoorbeeld met gezichtsherkenningssoftware Facebook hacken? – soms enigszins gezocht lijken. En hoe en waar moet deze Indiana Jones-achtige queeste eindigen? In een verdoemde tempel? Met de Arks des Verbonds? Of toch op een willekeurige knollenweide?
Al die keuzes hebben Bart – in alle consternatie zou je zijn achternaam bijna vergeten – Eysink Smeets ongetwijfeld het nodige kruim gekost. Tegelijkertijd: kom er maar eens om, een documentaire waar je regelmatig smakelijk om moet lachen. Deze serie (?) mag dus gerust een vervolg krijgen: Bart En De Ongenadige Valkuilen Van Het Vaderschap, wellicht. Bart En Het Werk Dat Weer Een Hobby Moet Worden. Of, als het echt niet anders kan: Bart En De Documentaire Die Maar Geen Subsidie Kreeg.
In '2Doc: Bart en de zoektocht naar de #dubbelganger' haalt kunstenaar Bart Eysink Smeets alles uit de kast om te bewijzen dat hij niet uniek is. Wat levert dat op? Kijk om 20.30 uur op NPO 2 of via https://t.co/xU1vUwRhIWpic.twitter.com/Ns0Uy9TMsw
Hij – of beter: zijn verhaal – is ideaal documentaire-materiaal. Want zonder zijn smadelijke, tot de verbeelding sprekende aftocht uit Japan in het najaar van 2019 zou Carlos Gosn, de Libanees-Franse topman van de autofabrikanten Renault en Nissan, waarschijnlijk nooit de hoofdpersoon van op z’n minst twee producties zijn geworden. Een klein jaar geleden bracht Netflix de documentaire Fugitive: The Curious Case Of Carlos Ghosn uit, nu volgt op Apple Tv+ de vierdelige serie Wanted: The Escape Of Carlos Ghosn (182 min.)
Nadat die een prikkelende startvraag (‘victim or villain?’, van de hand van CNN-presentator Richard Quest) heeft gedropt, start Wanted op hetzelfde punt als de tegenhanger die ‘m de loef heeft afgestoken: bij de instrumentenkist waarmee ‘Le Cost Killer’ clandestien Japan uit wordt gesmokkeld. De navolgende vertelling is min of meer hetzelfde – al liggen sommige accenten anders. Carlos Ghosn zelf ontbreekt bijvoorbeeld bij Netflix, terwijl hij voor deze Apple-serie comfortabel voor de camera plaatsneemt en zich uitgebreid laat bevragen over de affaire die zijn leven en carrière heeft gedefinieerd. Erg moeilijk maakt regisseur James Jones ’t hem zo op het eerste gezicht alleen niet. Sommige onderwerpen, zoals het schimmige leven van Ghosns vader, worden wel aangestipt maar slechts beperkt uitgediept.
Fugitive introduceert dan weer een fictief personage, dat de getuigenissen van collega’s, medewerkers en journalisten verbindt, inkadert en verduidelijkt met informatie die ze aan anonieme assistenten en PR-adviseurs heeft ontleend. Een andere selectie van hetzelfde type deskundigen krijgt in Wanted de gelegenheid om de typische alfaman, ‘een Aziatische dictator’ volgens één van de sprekers, kritisch door te lichten. Tegelijkertijd krijgt Team Ghosn, waarin zijn tweede echtgenote Carole een prominente rol claimt, aanzienlijk meer speelruimte. Zodat al snel het beeld ontstaat dat de almachtige Franse CEO ten prooi is gevallen aan een slinks complot vanuit het hart van zijn eigen onderneming. Of is hij, zoals zijn opponenten vermoeden, simpelweg een witteboordencrimineel die het recht wil ontlopen?
Of de lotgevallen van Carlos Ghosn – los van het boek waarop deze serie is gebaseerd, enkele podcasts en talloze artikelen – werkelijk twee keer in documentaire-vorm moet worden verteld is natuurlijk ook de vraag. Één van de twee producties bekijken volstaat ook. De voorkeur gaat daarbij duidelijk uit naar deze serie. Wanted graaft een stuk dieper, maar gebruikt daarvoor natuurlijk wel dubbel zoveel tijd. Een hele aflevering bijvoorbeeld over die toch wel gedurfde vlucht uit Japan, waarvoor Ghosn de hulp inroept van de omstreden CIA-agent Michael Taylor, diens zoon Peter en zijn eigen HR-manager Greg Kelly. Zijn helpers zullen door dat huzarenstukje flink in de problemen komen, blijkt in de slotaflevering. Maar of ze dan ook op de steun van Ghosn, die zich inmiddels in Libanon heeft verschanst, mogen rekenen?
En is de man werkelijk zo onschuldig als hij doet voorkomen? Uiteindelijk diept Jones, die in tegenstelling tot zijn Fugitive-collega verder gaat nádat Carlos Ghosn is ontsnapt uit Japan, met zijn bronnen de nodige onwelgevallige informatie op. Zodat het eindoordeel toch echt in Ghosns nadeel uitvalt. Met deze krachtige miniserie lijkt zijn relaas nu echt helemaal afgekluifd – al is dat dus geen garantie dat een andere maker nog ergens een restje vlees of stukje vet denkt te hebben gevonden. Het heeft overigens ook zo zijn voordelen wanneer elke streamer zijn eigen versie van hetzelfde verhaal aanbiedt. Als Netflix, Apple, Prime, SkyShowtime en HBO Max zo daadwerkelijk elke aansprekende affaire gaan oppakken, hoeft de documentaire-veelvraat straks niet meer allerlei verschillende streamabonnementen af te sluiten.
De Zweedse oud-diplomaat Jan Stocklassa, de hoofdpersoon van The Man Who Played With Fire (182 min.) en schrijver van het boek waarop deze vierdelige serie is gebaseerd, heeft zonder enige twijfel het zogenaamde Palme-virus. Zoals er in de Verenigde Staten een verbond van mannen is ontstaan die onvermoeibaar de moord op president John F. Kennedy in 1963 blijven onderzoeken, zijn amateurdetectives in Zweden al ruim dertig jaar in de ban van de moord op de progressieve premier Olof Palme op vrijdagavond 28 februari 1986. Zij bijten zich vast in wie Palme, na een bezoek aan de bioscoop in Stockholm, van achteren met een .357-Magnum revolver doodschoot – en wie daarvoor wellicht de opdracht heeft gegeven.
Stocklassa heeft daarbij een uitgesproken troef in handen gekregen: het archief van de vermaarde onderzoeksjournalist Stieg Larsson (1954-2004). Larsson, die internationale bekendheid verwierf als auteur van de Millennium-misdaadserie, was eveneens behept met het virus en heeft zich tien jaar lang vastgebeten in de Palme-moord. Zit het antwoord op de vraag wat er precies is gebeurd misschien verscholen in Larssons monnikenwerk? Was het de spreekwoordelijke ‘lone killer’? Of toch een samenzwering? En moest de oorsprong daarvan dan worden gezocht bij de Amerikaanse inlichtingendienst CIA? Of juist bij de Russische tegenhanger daarvan, de KGB?
Deze miniserie van Matt Rudge situeert de moord op Olof Palme, die aan beide uitersten van het politieke spectrum intens werd gehaat, aldus in het hart van de Koude Oorlog, terwijl de zaak ook verband zou kunnen houden met het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime (waarvan Palme een uitgesproken en invloedrijke tegenstander was). Jan Stocklassa fungeert als (soms net iets te) geroutineerde gids tijdens een tocht door de donkerste spelonken van de internationale politiek, waar spionnen, moordmakelaars en Zweedse extremisten elkaar zomaar kunnen hebben gevonden in een complot om Olof Palme te liquideren. Althans, als er inderdaad vuur is waar Stocklassa rook denkt te hebben waargenomen.
Rudge maakt gebruik van (verborgen camera)beelden van Stocklassa’s ontmoetingen met verdachten, kleedt diens zoektocht aan met stemmige reconstructiebeelden, een sinistere soundtrack en de verplichte cliffhangers en laat alle verwikkelingen bovendien inkaderen door bronnen zoals Palmes zoon Joakim, ’s mans stafchef Ulf Dahlsten, de Britse Labour-leider Neil Kinnock, een zoon van CIA-directeur William Colby en de Zuid-Afrikaanse anti-Apartheidsactivist Allan Boesak. Dit maakt al bij al een gedegen indruk, al is voor een buitenstaander nauwelijks vast te stellen welke informatie is ingekleurd, aangezet of simpelweg weggelaten.
De conclusies die Stocklassa uiteindelijk trekt in deze straffe geopolitieke thriller worden zeker niet door iedereen gedeeld en komen in elk geval niet overeen met de officiële lezing van de Zweedse justitie. Tijdens een omstreden persconferentie wees die op 10 juni 2020 ineens een inmiddels overleden verdachte aan en sloot vervolgens meteen ook het politieonderzoek officieel af. De maatschappelijke discussie over wie er waarom z’n ‘Palme-haat’ heeft omgezet in een brute wandaad – die enkele jaren geleden ook al zijn weg vond naar de Nederlandse documentaire Palme, Pappa En Ik – zal daardoor echter niet verstommen. Want tegen het Palme-virus is uiteindelijk maar één remedie: onomstotelijk bewijs wie er de trekker heeft overgehaald (en wie daarvoor eventueel de opdracht of het bevel heeft gegeven).
@AndySignore van PopcornedPlanet.com dankt zijn achterban voor de enorme hoeveelheid liefde en steun die de Justice For Johnny Depp-beweging inmiddels heeft gekregen. De als Spiderman vermomde host van het YouTube-kanaal Darthn3ws spreekt voor de zekerheid nog maar eens uit dat iedereen van Johnny houdt – en dus Amber Heard háát. En de juridische commentator Emily D. Baker, herkenbaar aan haar paarsblauwe haarlok, voorziet elke ontwikkeling in de scandaleuze rechtszaak, die in het voorjaar van 2022 is gestart, live van snedige opmerkingen.
Behalve over de voormalige echtelieden Johnny en Amber, ofwel Depp v. Heard (145 min.), gaat deze driedelige serie van Emma Cooper vooral ook over hen: de opiniemakers, de beschouwers, de roddelaars, de grappenmakers en – natuurlijk – de kritiekloze fans. En over ons, hun publiek. De lieden die gedachtenloos met hen meekijken naar een ‘droomkoppel’ dat voor het oog van de wereld in een gigantisch moddergevecht verzeild is geraakt en het mediaspektakel dat we daarvan met zijn allen van maken. Dat ons even weg houdt van pak ‘m beet de oorlog in Oekraïne, de zoveelste kabinetscrisis of onze eigen miezerige leventjes. De perfecte storm in een glas water.
Emma Cooper (The Mystery Of Marilyn Monroe: The Unheard Tapes) loopt de hele affaire in deze serie methodisch door, waarbij ze de verklaringen van het in onmin geraakte stel – en, niet te vergeten, de luistershots van hun voormalige wederhelft – met elkaar versnijdt en aanvult met de waaier aan reacties die deze online losmaken, in het bijzonder op TikTok en YouTube. Alsof ‘Johnny’ en ‘Amber’ niet meer zijn dan personages in het social mediacircus, een moderne variant op het aloude gladiatoren- of stierengevecht en een vervolg op klassieke rechtszaken rond de Amerikaanse celebrities O.J. Simpson en Britney Spears. Tijdloos vertier voor bij de dagelijkse dingen des leven, zoals Cooper treffend laat zien met beelden van willekeurige wereldburgers die tijdens hun dagelijkse beslommeringen steeds met een half oog naar de zaak kijken.
Deze miniserie, die verder volledig uit bestaand materiaal bestaat en geen extra interviews bevat, ontworstelt zich daardoor aan het gebruikelijke hij/zij-theater, waaraan de halve wereld zich verlekkert en de rest zich kapot ergert. Natuurlijk, de drol die aan Depps kant van het echtelijke bed wordt aangetroffen wekt nog altijd verbazing: is ‘t een uit de hand gelopen grap, een opgestoken middelvinger naar de inmiddels gehate ex of toch simpelweg een ongelukje van hond Boo? Maar de manier waarop het verweesde uitwerpsel een eigen leven gaat leiden in ‘the court of public opinion’ – waar Team Johnny, al dan niet met behulp van bots, heer en meester blijkt – is zeker zo interessant.
Zoals de stukgelopen relatie van Depp en Heard sowieso een arena lijkt te zijn geworden waarbinnen al onze hedendaagse thema’s een plek krijgen: #metoo, cancelcultuur, memes, grensoverschrijdend gedrag, ‘victim blaming’, lastercampagnes, PTSS, misogynie en online-haat. Een strijdtoneel waarbinnen schaamte niet schijnt te bestaan of gewoon niet welkom lijkt. Is dit de wereld die Neil Postman bedoelde toen hij schreef over ‘amusing ourselves to death’? Via een casus die hoe dan ook, desnoods met dichtgeknepen neus, fascinerend kijkvoer oplevert bericht Depp v. Heard in elk geval over het maatschappelijke discours waarin we verzeild zijn geraakt – en types als Andy Signore, Emily D. Baker en een malloot met een Spiderman-masker een prominente positie kunnen innemen.
Het is zogezegd een ‘match made in heaven’. Althans, de Hollywood-versie daarvan. De ranzige Hollywood-versie daarvan, welteverstaan. Het ‘droomkoppel’ Randall Emmett en Lala Kent.
Hij, de producer van B-films, routineuze actieproducties met gewezen Hollywood-helden als Bruce Willis, Sylvester Stallone en Steven Seagal. Een man die net zo sleazy oogt als zijn producties en even cheap blijkt als zijn ‘sterren’. Hij begon zijn carrière ooit als de persoonlijke assistent van acteur Mark Wahlberg. Op basis van diens ervaringen als aankomende ster in Hollywood werd ooit de serie Entourage gemaakt. En Randall zou model hebben gestaan voor het personage Turtle, diens manusje van alles die lekker meeprofiteert van de verworvenheden van de nieuwe celebrity.
En Zij, de nieuwste – pardon my Dutch – bimbo van de realityserie Vanderpump Rules, een spin-off van The Real Housewives Of Beverly Hills. Van jongs af aan wilde Lala – volgens haar, toch wel behoorlijk strak getrokken moeder Lisa Burningham – in het middelpunt van de aandacht staan. Daarbij weet ze Randall al snel aan haar zijde. Op de onvermijdelijke rode lopers, maar ook op de set van Vanderpump, waarin hij maar al te graag een belangrijke bijrol claimt. Want ook deze man achter de camera wil uiteindelijk best vóór de camera en daar de bink uithangen.
En dan, als de schmutzige filmproducent eindelijk eens een serieuze film heeft gemaakt (The Irishman van Martin Scorsese), leggen de onderzoeksjournalisten Meg James en Amy Kaufman van The L.A. Times, ongetwijfeld hongerend naar een Pulitzer Prize, op The Randall Scandal: Love, Loathing & Vanderpump (84 min.) bloot. En de goede verstaander weet wat dit betekent: seks, drugs en rock & roll. En gerommel met geld, natuurlijk – en als gevolg daarvan: een spoor van (ver)woeste medewerkers, die vanzelfsprekend ook al gedurig met ’s mans veel te korte lontje en diens grensoverschrijdende gedrag te maken hebben gekregen.
Deze juicy docu trekt deze zaak, niet zonder Schadenfreude, helemaal leeg met de gebruikelijke spijtoptanten, ooggetuigen, haaibaaien, slachtoffers en deskundigen. Alleen de hoofdpersoon zelf laat verstek gaan. Terwijl hij wel wat heeft uit te leggen. Zou Randall bijvoorbeeld echt niet in de gaten hebben gehad dat er iets mis was met Bruce Willis, waarvan sindsdien bekend is geworden dat hij aan dementie lijdt, toen die op de filmset zijn shit maar niet ‘together’ kreeg? Of was ook hij niet meer dan een voertuig om de geldkar binnen te rijden voor Randall Emmett, die samen met zijn ‘trophy wife’ jarenlang floreerde aan de rafelranden van de entertainmentindustrie.
Inmiddels lijkt hij, getuige deze frontale aanval op al wat hij is, zich zelfs daar vrijwel onmogelijk te hebben gemaakt – al lijkt ‘s mans bron voor inferieure speelfilms nog altijd niet opgedroogd.
Hij mag dan de bekendste rapper ter wereld zijn. Als Kanye West via zijn relatie met Kim Kardashian tot het realitycircus Keeping Up With The Kardashians gaat behoren, heeft hij geen idee wat hem overkomt. Kanye wordt onderdeel van een familie, die zichzelf als een merk is gaan beschouwen en dat koste wat het kost wil beschermen. In eerste instantie lijken moeder en opperkloek Kris en haar verwanten maar wat blij met de extra allure die haar nieuwe schoonzoon inbrengt. Van een E-ster wordt haar dochter Kim ineens een A-ster, zegt één van de sprekers in het tweeluik Kim vs. Kanye – The Divorce (99 min.) vilein. Als de rapper echter steeds nadrukkelijker verward gedrag begint te vertonen en bovendien wordt gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, nemen de Kardashians afstand van hem. In februari 2021 vraagt influencer Kim echtscheiding aan. Het zal haar derde worden. Één probleem: Ye wil helemaal niet scheiden.
Op de inmiddels beproefde ‘he said-she said’-manier, waarmee bijvoorbeeld ook de breuk tussen Johnny Depp en Amber Heard al (meermaals) onder handen is genomen, wordt in deze tv-docu van Marcus English de relatie tussen Kim en Kanye en de implosie daarvan tegen het licht gehouden. Eerst vanuit Kanye’s perspectief, daarna krijgt Kamp Kim alle ruimte. Waarbij één plus één drie moet worden. Al komen de hoofdrolspelers zelf natuurlijk niet aan het woord. De honneurs worden waargenomen door allerlei in- en outsiders en andere lieden die profijt van kunnen trekken van al het rumoer. De echtscheidingsadvocaten bijvoorbeeld. Zij moeten een gang naar de rechter voorkomen, maar willen de huid van hun cliënten vanzelfsprekend ook héél duur verkopen. ‘Ik vertel ze van tevoren dat dit hun grootste deal ooit kan zijn’, vertelt de New Yorkse pitbull Robert Cohen, die namens Kanye zijn ex het vel over haar oren moet trekken. Kims imago is honderden miljoenen dollars waard, zegt één van haar pleitbezorgers.
Écht aan de binnenkant van de tumultueuze verhouding tussen Kim en Kanye – achternamen overbodig – komen zulke sprekers natuurlijk niet, maar ze plaatsen de affaire, met behulp van smakelijke archiefbeelden, wel overtuigend binnen hun context. Zo vertelt Kardashians mediastrateeg Sheeraz Hasan bijvoorbeeld over hoe het ‘powerkoppel’ oorspronkelijk elkaars merk versterkte. Hassan was er al bij toen de jonge Kim nog strategisch in restaurants moest worden geplaatst, zodat ze daar zou worden opgemerkt door paparazzi. En hij is er nog steeds als het brein van haar derde echtgenoot in steeds donkerdere oorden belandt, zowel achter de schermen als en plein public, en Het Merk Kim moet worden beschermd tegen deze ‘emotionele terrorist’. Ye, eerder treffend van binnenuit geportretteerd in de intieme serie Jeen-Yuhs: A Kanye Trilogy wil op zijn beurt niet dat zijn eigen kinderen de volgende generatie ‘Kardashians’ vormen en ontspoort volledig bij zijn pogingen om dat te voorkomen.
Met vaste hand schetst English, met de middelen die hem ter beschikking staan, zowel een ontluisterend beeld van de publiek geconsumeerde relatie als van het parasitaire systeem eromheen dat zich daaraan al sinds jaar en dag voedt. ‘Ik kan me geen carrière voorstellen zonder Kim’, bekent Dax Holt van de podcast Hollywood Raw bijvoorbeeld. ‘Omdat de Kardashians als geheel, ook al klinkt dat misschien vreemd, de Koninklijke familie van de VS zijn.’ Entertainmentjournalisten zoals hij en andere ‘deskundigen’ zien er geen been in om, puur op basis van publieke uitingen, een ferm oordeel te vellen over de betrokkenen en markeren en versterken zo meteen hun eigen ‘brand’. Zo bezien is het nog maar de vraag of deze vuile (social media-)oorlog inderdaad alleen verliezers en geen winnaars kent.
‘Cavs identiteit is wielerwedstrijden winnen’, stelt zijn vriend en oud-collega Peter Kennaugh in het portret Mark Cavendish: Never Enough (92 min.). ‘Dat is wie hij is. Daarvoor staat hij ’s ochtends op. Wat is het leven zonder dat?’
Mark Cavendish houdt zijn kaarten echter het liefst tegen zijn borst. Hoe hij zich voelt is zijn eigen zaak. Dat merkt ook David Spindler als hij in 2019 wordt afgestuurd op de Britse topsprinter, die al een hele tijd onder de maat presteert en er ook gewoon geen zin meer in lijkt te hebben, wordt afgestuurd. Cavendish moet weinig hebben van sportpsychologen. Hij heeft altijd zijn eigen zaakjes geregeld. Met vrijwel ongekend succes. Jarenlang is hij bijvoorbeeld gestaag op weg geweest om Eddy Merckx’ record van 34 gewonnen Tour de France-etappes uit de boeken te rijden.
Sinds kort is ‘The Manx Missile’ echter niet meer vooruit te branden. Is het die ene valpartij geweest? Zijn eetprobleem? Dat verraderlijke Epstein-Barr virus? Of toch – Cav is zelf eigenlijk wars van dat soort verklaringen – een depressie? Heeft de druk die hij zichzelf al sinds jaar en dag oplegt zich nu dan tegen hem gekeerd? Spindler gaat met hem terug naar de bron van zijn onvrede en hoopt daar – bij de tienjarige Mark, te zien in een aandoenlijk interview – ook de liefde voor de fiets weer te vinden bij de horkerige streber, die volgens zijn vrouw Peta thuis al even lastig is als voor zijn eigen teamgenoten en de rest van het peloton.
‘Ik had zoveel zelfmedelijden dat het me niet boeide wie om mij gaf’ vertelt Cavendish daar zelf over. Hij maakt soms nog altijd een getormenteerde indruk in deze typische sportfilm, waarin regisseur Alex Kiehl, begeleid door een dikke soundtrack, langs de heroïsche overwinningen en dieptepunten in zijn lange loopbaan koerst. Een man die alles aan de kant schuift voor de winst, maar zich het zoet van de overwinning nooit lang kan laten smaken. Een man ook die uiteindelijk gewoon niet meer weet wat winnen is – of wat daarvoor moet worden gedaan en gelaten.
Als hij zelf eigenlijk al zover is om in de remmen te knijpen en voor de allerlaatste maal af te stappen, meldt zich echter zijn voormalige ploegleider Patrick Lefevere, de Vlaamse houwdegen met wie hij in het verleden grote successen vierde – en krijgt dit klassieke heldenepos zijn derde akte. Waarin Mark Cavendish na enkele vruchteloze jaren de Rocky Balboa in zichzelf (terug)vindt, de verplichte onverwachte remonte doormaakt en dan, natuurlijk, ook weer gaat jagen op Eddy Merckx.
Een toerist laat zich op een surfplank onbekommerd door de golven meevoeren. Een strandwacht speurt met z’n verrekijker de kustlijn af. En een onderzoeker begeeft zich naar het uiterste puntje van z’n boot, nét iets te dicht bij het wateroppervlak. Sinds Steven Spielbergs zenuwslopende filmklassieker Jaws (1975), over een moordlustige witte haai die het toeristische gebied van Cape Cod binnendringt, zijn zulke beelden van hun onschuld ontdaan. Elk ogenblik kan er een haai aanvallen. Vanuit het onderbewuste dringt de iconische muziek van John Williams zich al op. Táda – táda.Táda – táda. Táda – táda – táda – táda…
Inmiddels is de fantasie – uitgemolken in talloze, veelal tamelijk cheape speelfilms – ingehaald door de realiteit. De witte haai is terug bij de Amerikaanse stranden. In de omgeving van Cape Cod, het strijdtoneel van Jaws, wordt het gevreesde dier weer regelmatig gespot in of nabij zwemwater en heeft het ook alweer zijn eerste dodelijke slachtoffer gemaakt. Dit zorgt natuurlijk voor onrust bij de plaatselijke gemeenschap, want haaien zijn behalve gevaarlijk ook slecht voor de business. Daartegenover staan wetenschappers en dierenbeschermers, die zich al jaren sterk maken voor het weer op peil brengen van de walvissen- en zeehondenpopulatie. Dat is hen beter gelukt dan sommige lokale bewoners en vissers lief is. En de witte haai is daarvan een bijproduct.
After The Bite (85 min.) zet deze verschillende zienswijzen genuanceerd naast elkaar en vangt tevens de pracht en praal van de wondere wereld waaruit die voortkomen. Waar haaien op zee worden voorzien van een tracker, zodat ze met een ‘Sharktivity’-systeem kunnen worden gemonitord en in dat kader ook maar meteen een kekke naam – Joanie, Scarface of Candy Cane bijvoorbeeld – krijgen toebedeeld. Tegelijkertijd is er aan land haaienentertainment: tijdens uitzinnige variété-optredens wordt er volop geflirt met de gevaren van het angstaanjagende witte monster. En in de openluchtbioscoop draait, de gimmick voorbij, Jaws.
Met onbestemde beelden van de golvende zee, onderwateropnames en suggestieve muziek speelt regisseur Ivy Meeropol in deze documentaire natuurlijk in op de collectieve Jaws-angst. Die brengt ze tot een climax in een enerverende slotscène, waarbij een stervende bultrug op open zee een zeer divers publiek trekt, waaronder een hongerige haai. Uiteindelijk heeft Meeropol echter vooral oog voor het verhaal achter de mythe: van een ecosysteem dat, door menselijk toedoen, uit evenwicht is geraakt. Nu de aarde opwarmt verwelkomen Amerikaanse kustgebieden daardoor ineens heel andere diersoorten – en de bijbehorende jagers, zoals de vermaledijde witte haai, die hen weer als prooi beschouwen.
Zulke nieuwkomers brengen ook hun eigen virussen mee. Een nieuwe pandemie is daardoor zeker niet uitgesloten, meent Wendy Puryear van Tufts University. ‘Het is gemakkelijk om je te laten leiden door Jaws-achtige scenario’s en om het grotere geheel uit het oog te verliezen. Namelijk dat de gezondheid van een soort ons allemaal aangaat.’ Die onderlinge verbondenheid tussen mens en dier en de uitdagingen daarbij zijn in After The Bite vervat in oogstrelende en soms ook indringende scènes (zoals bijvoorbeeld het verkrijgen van een ‘nose swap’ bij enkele nietsvermoedende zeehonden) en tillen de film mijlenver uit boven het niveau van een après-Jaws shockdoc.
Of ze zichzelf als een terrorist ziet? ‘Natuurlijk niet’, stelt Tanja Nijmeijer ferm.
De wereld leerde haar ruim vijftien jaar geleden kennen onder de naam ‘Eileen’, een jonge Nederlandse vrouw die actief was geworden binnen de Colombiaanse revolutionaire beweging FARC. Tegen haar wil werden dagboeken van de knappe ‘guerrillera’ toen gepubliceerd door de krant El Tiempo. De Overijsselse studente werd daarmee een westers gezicht bij de strijd tegen het ‘staatsterrorisme’ van de regering in Colombia. Dat sprak tot de verbeelding. Tanja kreeg een welhaast mythische status: een vrouwelijke variant op Che Guevara, uit Denekamp nog wel.
Ten tijde van Leo de Boers documentaire Dichter Bij Tanja (2010) was Nijmeijer al zo’n twee jaar vermist. Het gerucht ging dat ze tegen haar wil werd vastgehouden door de FARC of zelfs al zou zijn overleden. Dertien jaar later, als Tanja – Dagboek Van Een Guerrillera (86 min.) wordt uitgebracht, zijn de grootste raadselen rond de radicale Nederlandse strijdster allang opgelost. Ze was betrokken bij het vredesakkoord dat in 2016 met de Colombiaanse regering werd gesloten, trad veelvuldig op in de media en bracht een boek uit: Van Guerrilla Naar Vredesproces (2021).
Wat heeft deze film van de gelauwerde Duitse maker Marcel Mettelsiefen (Watani – My Homeland, Afghanistan: The Wounded Land en In Her Hands) daaraan toe te voegen? Behalve de hoofdpersoon zelf die – beurtelings in het Engels, Spaans en Nederlands – terugblikt op haar betrokkenheid bij de FARC. Bijzonder beeldmateriaal bijvoorbeeld. Vanuit het hart van de beweging, die destijds ook met cocaïnehandel en ontvoeringen in verband werd gebracht. Daarop is te zien hoe Nijmeijer tolkt bij drie ontvoerde Amerikanen, die ruim vijf jaar werden vastgehouden.
‘Ik weet niet hoor Jans, waar dit project naartoe gaat’, schreef Tanja toentertijd aan haar vriendin Janneke Stuulen, met wie ze al die jaren bleef corresponderen. ‘Hoe zal het dan zijn als we de macht hebben? De vrouwen van de commandanten in een Ferrari Testarossa, met siliconentieten en kaviaar?’ Marcel Mettelsiefen gebruikt de briefwisseling tussen de twee vrouwen als structurerend element voor zijn film, waarin aan de hand van de lotgevallen van die ene Nederlandse strijdster tevens het grotere verhaal van de bloedige burgeroorlog in Colombia wordt verteld.
Via gesprekken met Nijmeijers hartsvriendin Janneke, voormalige FARC-commandanten en de Colombiaanse journaliste Jineth Bedoya (die Tanja’s dagboeken destijds naar buiten bracht) en fragmenten uit die veelbesproken persoonlijke geschriften krijgt Mettelsiefen stilaan echt vat op de revolutionair Tanja en de persoon daarachter. Al maakt hij ’t haar in interviews ook niet al te moeilijk. Hele kritische vragen lijken achterwege te zijn gebleven. De documentairemaker biedt kijkers zo de ruimte om hun eigen conclusies te trekken over de keuzes van zijn protagonist.
Intussen vangt deze intrigerende, zwaar doorwrochte film zowel de praktijk als de psychologie van een revolutionaire beweging. Het moet prettig hebben gevoeld om onderdeel te zijn van een gedeeld groter ideaal – ook al heeft dat verzet tegen het Colombiaanse regime uiteindelijk bitter weinig opgeleverd. ‘Het wapens opnemen werkt niet’, constateert Tanja Nijmeijer met de wijsheid van nu. ‘Heeft niet gewerkt. Dat is nu inmiddels wel een keer bewezen.’ Ze moet haar betrokkenheid bij die strijd alleen nog altijd bekopen met een plek op Interpols lijst van gezochte personen.