Ze liggen in de tuin, bij het kippenhok, tussen de bloemen, langs het water of naast een brandweerauto. De blik omhoog gericht. Naar de hemel die ze allemaal op hun eigen manier zien. Met hun eigen gedachten erbij, voor de gelegenheid hardop uitgesproken in deze korte film van Sophia de Hoog. Even Lucht (23 min.) kortom.
Voor de jonge klimaatactiviste die zich zorgen maakt over de wereld en de last die we daardoor met z’n allen met ons meetorsen bijvoorbeeld.
Voor de vrijgezel op leeftijd die het gevoel heeft dat hij stil is blijven staan terwijl de wereld bleef doordraaien. Mensen in zijn omgeving kregen kinderen, kleinkinderen zelfs. Hij mist die ervaring.
En voor de oudere man met een hele fijne relatie. Maar wel met een vrouw die ziek is en zeker niet meer het eeuwige leven heeft. ‘We komen er wel doorheen, hoor’, zegt hij, ook tegen zichzelf. ‘Daar zit ik niet over in.’
Even een moment van bezinning. Enkele gedachten. Stilte wellicht. En dan neemt het gewone leven weer z’n aanvang. Deze aardige korte docu doorbreekt wellicht ook voor de kijker even de sleur van alledag. Zodat die via de liggende mensen op het scherm – en zij weer via de lucht – even stilstaat (of voor mijn part: -zit) en in contact kan komen met zichzelf.
Harry Shukman wordt Chris. Hij infiltreert, voorzien van een verborgen camera en geluidsapparatuur, in een internationaal opererend extreemrechts netwerk. Daarbij richt hij zich nu eens niet op de bullebakken, de kaalkoppen die racistische leuzen scanderend en amok makend de straat op gaan, maar op de intelligentsia, de denkers van een radicale beweging die inmiddels op diverse plekken in de wereld toegang tot de macht lijkt te krijgen.
Harry is onderdeel van de Britse organisatie Hope Not Hate, die zich ten doel heeft gesteld om te openbaren wat er in die extreemrechtse kamers werkelijk over tafel gaat, de wereld achter de omfloerste woorden. Voor de documentaire Undercover: Exposing The Far Right (90 min.) heeft Havana Marking toegang gekregen tot zo’n operatie, waarvan ‘Chris’ het uithangbord is en Patrik Hermansson dienst doet als zijn ingenieuze secondant. Samen begeven ze zich in kringen waar fatsoenlijke mensen doorgaans liever weg blijven – en waar ’t ook niet ongevaarlijk is als ze ontdekken wie je écht bent.
De officiële verklaringen van de lieden die in deze verborgen camera-docu figureren, bij wijze van wederhoor opgenomen in de aftiteling, schetsen een aardig beeld van in welke beerput de twee hun neus hebben gestoken: de extreemrechtse partij Britain First, het voormalige English Defence League-boegbeeld Tommy Robinson, een kopstuk van Alternative für Deutschland, de aanjagers van de rechts-extremistische rellen in Groot-Brittannië in de zomer van 2024 én de mysterieuze investeerder die een ondergronds onderzoek naar intelligentieverschillen tussen rassen financieel ondersteunt.
Marking volgt de medewerkers van Hope Not Hate naar (stiekem gefilmde) activiteiten, bijeenkomsten en besprekingen met dubieuze figuren in Estland, Polen en Griekenland, maar belicht ook de impact van het werk op het persoonlijk leven van de gezichten van de ideële organisatie. Want zulke activiteiten gaan gepaard met gerichte intimidatie en de dreiging van geweld vanuit extreemrechtse hoek. Oprichter en CEO Nick Lowles krijgt bijvoorbeeld te horen dat een negentienjarige extremist zijn afgeschermde adres en telefoonnummer heeft achterhaald én een vuurwapen heeft gekocht op het internet.
Als Hope Not Hate in oktober 2024 de resultaten van z’n onderzoek naar buiten brengt, kan Chris weer Harry Shukman worden. Hij vervolgt zijn werk. Niet meer – nooit meer! – undercover, maar vanuit een safehouse.
Een geslaagde documentaire ontsluit een nieuwe onbekende wereld of laat een bekende wereld op een nieuwe manier zien. In The Shadow Scholars (98 min.) legt Eloïse King de verborgen industrie van ‘academic writing’ bloot. Tegen betaling schrijven hoogopgeleide Kenianen stiekem schoolopdrachten, verslagen en proefschriften voor westerse studenten. Dat wringt in alle opzichten. ‘Soms zie ik een student afstuderen met een uitstekend cijfer’, zegt zo’n schrijver. ‘En dan denk ik: ‘dat had ik zelf kunnen zijn!’
Als protagonist voert King verder Patricia Kingori, de jongste vrouwelijke en zwarte professor van Oxford, ten tonele. Zij heeft jarenlang onderzoek gedaan naar deze clandestiene betaalde service, waarvan naar schatting inmiddels 37 miljoen westerse (ex-)studenten gebruik hebben gemaakt. Aanvankelijk wilde Kingori zelf niet in de documentaire – die moest immers om de Afrikaanse ‘ghost writers’ en hun onmogelijke positie in deze markt draaien – maar uiteindelijk heeft ze zich toch laten overtuigen.
En bij nader inzien bleken haar eigen ervaringen als zwarte wetenschapper ook wel exemplarisch voor de grotere thematiek die deze film eveneens wil aansnijden: hoe zwarte mensen vaak automatisch aan het kortste eind trekken. Zo ging het vroeger al: plantagehouders claimden bijvoorbeeld doodgemoedereerd de ideeën van hun slaven. Sindsdien is er in wezen weinig veranderd. Via de zogenaamde ‘essay mills’, waar vraag en aanbod samenkomen, worden Afrikaanse schrijvers vaak met een fooi afgescheept.
Erkenning voor hun werk zit er in elk geval niet in. Ze willen onze ideeën, maar ons niet, zegt één van deze schrijvers, die stuk voor stuk alleen onherkenbaar aan de film willen meewerken. Met deepfake-technologie zwarte gezichten maskeren blijkt – hoe treffend – alleen nog behoorlijk bewerkelijk. De meeste deelnemers hebben zich overigens in het echt ook wel eens voorgedaan als wit en woonachtig in een westers land, in de hoop zo een opdracht binnen te slepen of een docent om de tuin te kunnen leiden.
Die praktijk is een bijeffect van het succes van Kenia: een groot deel van de beroepsbevolking is ‘overqualified & underemployed’ en bijna genoodzaakt om bij te dragen aan deze Afrikaanse oplossing voor een westers probleem. King pelt die kwestie helemaal af en voegt ook steeds nieuwe elementen toe, zoals het koloniale karakter van de hele transactie, het gevaar dat deelnemers ermee kunnen worden gechanteerd en de opkomst van artificial intelligence, die de werkgelegenheid inmiddels flink drukt.
Daarvoor neemt ze wel ruim de tijd. Na ruim een uur is haar centrale punt wel duidelijk – bijvoorbeeld via het voorbeeld van een alleenstaande moeder die slechts met heel veel moeite het hoofd boven water kan houden – en ligt er nog slechts één terrein braak: dat van de westerse opdrachtgevers. Wie zijn de studenten die een ander vragen om binnen een 24 uur een paper over een zéér specifiek onderwerp te schrijven? Die kwestie laat Eloïse King doelbewust (veelal) liggen: haar focus ligt ondubbelzinnig bij de zwarte pijn.
Vorig jaar sleepte Luuk Bouwman samen met collega Aliona van der Horst op het International Documentary Festival Amsterdam de prijs voor beste Nederlandse documentaire in de wacht met Gerlach, een film over ‘de laatste akkerbouwer’. Dit jaar is diezelfde IDFA-Award opnieuw voor hem, nu is alleen alle eer voor hem.
Bouwmans nieuwe film De Propagandist (111 min.) is een soort vervolg op zijn documentaire Allen Tegen Allen (2020), waarin hij de geschiedenis van het Nederlandse fascisme, en alle bijbehorende splinterpartijtjes, helemaal uitvlooit. Nu zoomt hij in op één enkele man: Jan Teunissen (1898-1975), de filmtsaar van Nederlandse nazi’s.
De historicus Rolf Schuursma sprak in 1964 en 1965 enkele malen met de geaffecteerd sprekende Teunissen. Die opnamen, in totaal ruim negen uur, vormen samen met beeldmateriaal dat de gedreven filmmaker zelf maakte het fundament onder deze documentaire. Schuursma geeft daarbij dan, soms nog altijd ontzet, weer commentaar.
In een andere wereld – en met een andere attitude – had hij, net als zijn veel bekendere Duitse vak- en partijgenoot Leni Riefenstahl, een gevierde regisseur kunnen worden. Zijn start was veelbelovend: als G.J. Teunissen maakte hij de eerste Nederlandse film met geluid en Sjabbos, een documentaire over de vooroorlogse Amsterdamse Jodenbuurt .
Toen hij zich in 1934 waagde aan de eerste grote Nederlandse speelfilm, over de nationale trots Willem van Oranje, ging ‘t echter helemaal mis. ‘Een tragische mislukking en een slecht begin van de Nederlandse film’, leest Rolf Schuursma voor uit de vernietigende kritieken in de pers. ‘Willem van Oranje opnieuw vermoord.’
Als voorzitter van de filmdienst van de NSB, het filmgilde van de Nederlandse Cultuurkamer, de Bioscoopbond en de Filmkeuring maakte Teunissen, het enige kind van een zeer gefortuneerde antiquair uit Den Haag, een comeback. Hij werd de allesbepalende factor in de Nederlandse film tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Teunissens privéadres, Lange Voorhout 62 in Den Haag, werd het centrum van de Nederlandse film in de oorlog, stelt historicus Egbert Barten. Hij doet sinds 1989 onderzoek en interviewde vaderlandse filmmakers uit die tijd, zoals Reinier Meijer, Jan Koelinga en Bob Kommer. De één sprak liever over het verleden dan de ander.
Deze historische documentaire diept de geschiedenis van de Nederlandse nazi-propagandafilm, aan de hand van de grote roerganger ervan, weer op. Het levert even vergeten als onvergetelijke verhalen op, zoals de NSB-kluchten Wat Een Tijd en de eerste Nederlandse en uitgesproken antisemitische tekenfilm Van Den Vos Reynaerde.
Teunissen spreekt er twintig jaar later zonder al te veel wroeging over, in een fascinerende film over een bezoedeld verleden, dat menigeen liever onbesproken – en ongezien – laat. Dat zijn eigen vooroorlogse beelden van de Jodenbuurt werden verwerkt in de ultieme nazifilm Der Ewige Jude vindt hij ‘een onfortuinlijke kwestie’.
De Jodenvervolging vond De Propagandist ‘een zeer ongelukkige kwestie’. Nee, sjiek was dat niet, zegt hij tegen het einde van dit portret, als zijn ware aard naar voren lijkt te komen en hij zichzelf definitief de das omdoet. Aan serieuze zelfreflectie is hij blijkbaar nooit toegekomen.
Om een vakbond te mogen oprichten heb je in de Verenigde Staten de handtekeningen van minimaal dertig procent van de medewerkers van een bedrijf nodig. En als je dat wilt doen bij een vestiging van Amazon, is er nog een andere factor om rekening mee te houden: de multinational van Jeff Bezos ververst zo ongeveer elk half jaar z’n complete personeelsbestand. Zodra het management er lucht van krijgt dat een medewerker zich actief bezighoudt met het oprichten van een vakbond, wordt die er natuurlijk als eerste uitgekieperd.
Chris Smalls en de andere initiatiefnemers van de Amazon Labor Union (ALU) staan dus voor een uitdaging in de klassieke direct cinema-film Union (104 min.). Vanaf de lente van 2021 hebben Brett Story en Stephen Maing de oprichters van de vakbond bij distributiecentrum JFK8 in New York een jaar lang gevolgd. Dit moet de allereerste bond worden bij Amazon, een bedrijf dat inmiddels een bedenkelijke reputatie heeft opgebouwd: enorme werkdruk, nauwelijks pauze, beroerd loon en geen ontslagbescherming. En acties om daartegen iets te ondernemen worden stelselmatig ondermijnd.
Bij de start van de film laten Story en Maing eerst de andere kant van Amazons bedrijfsverhaal zien: de lancering van de raket van oprichter Jeff Bezos. Ze hebben de verleiding weerstaan om ook diens inmiddels iconische dankwoord aan alle medewerkers en klanten eraan toe te voegen: ‘Want jullie hebben hiervoor betaald.’ Bezos zegt ’t echt, ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Het doet denken aan het goeie ouwe industriële tijdperk: terwijl z’n medewerkers nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden, baadt de grote baas in luxe en houdt zich onledig met z’n nieuwste speeltjes.
Dat begin van Union is overigens ook enigszins taai. Pas als de strijd van voormalig Amazon-medewerker Smalls, die oogt als een archetypische rapper, en z’n getrouwen echt ontbrandt, komt ook de film op stoom. Want hoewel ALU niet wordt gesteund door een landelijke vakbond, weet het gezelschap gaandeweg wel degelijk reuring te veroorzaken. Met T-shirts, vlaggetjes, gratis eten én provocerende projecties op het Amazon-gebouw. ‘You are not a robot;’, spreken die Bezos’ werknemers rechtstreeks aan. ‘You are not disposable. You are a human being.’
Geen idee overigens waar Smalls en co het budget vandaan halen om zulke capriolen uit te halen. Daar gaat deze activistische film (blijkbaar) niet over. Die wil vooral de epische strijd met Amazon belichten, vanuit het perspectief van het gestaalde vakbondskader dat in een bushalte een eigen post heeft ingericht en pittige interne discussies voert via Zoom. Want als Amazon op alle mogelijke terreinen de druk opvoert – vervat in het beeld van een beveiliger die dreigend een camera richt op actievoerders – wordt het steeds moeilijker om de rijen gesloten te houden.
Dat lukt ze uiteindelijk niet – een medestander kan zelfs pijlsnel een tegenstander worden – maar het idee van een ALU blijkt ook geen kansloze onderneming. Het begint Chris Smalls en z’n kernteam te dagen dat ze geschiedenis kunnen schrijven. En die zou dan meteen vereeuwigd zijn in een good old vakbondsdocu in de traditie van Harlan County USA, American Dream en American Factory. Over hoe je samen sterk kunt staan, in uitdagende tijden.
Deze film begint met een Braziliaanse vrouw die Sandra Kogut meermaals indringend vraagt of ze misschien een linkse filmmaker is. Want: als je voor die rooien bent, haak ik af. En de documentaire eindigt met een Bolsonaro-supporter die diezelfde filmmaakster, na een stekelig vraag- en antwoordspel over vermeende fraude tijdens de presidentsverkiezingen van 2022, afgemeten toevoegt: ‘Het lijkt alsof jij in het ene Brazilië woont en ik in een totaal ander land.’
Tussendoor houdt Kogut in de documentaire No Céu Da Pátria Nesse Instante (Engelse titel: At This Moment, In The Nation’s Sky, 105 min.), vernoemd naar een zinsnede uit het Braziliaanse volkslied, haar mening zoveel mogelijk buiten de film – ook al is duidelijk met welke kant zij wordt geassocieerd. Bij die verkiezingen neemt de linkse kandidaat Lula ’t op tegen de zittende president van zeer rechtse signatuur, Jair Bolsonaro. Rood versus de landskleuren geel en groen, geclaimd door Bolsonaro’s partij.
Hun aanhangers leven – zo blijkt steeds weer in deze observerende film – in een totaal andere werkelijkheid. ‘Kunnen we Brazilië niet gewoon opsplitsen?’ vraagt een Bolsonaro-aanhanger zich dan ook hardop af als de spanningen over de uitslag oplopen. Een vraag die ook sommige gefrustreerde Amerikaanse, Britse of, ja, Nederlandse kiezers zichzelf vast wel eens hebben gesteld. Van politieke opponent is de tegenpartij verworden tot een vijand, die met alle mogelijke middelen moet worden bestreden.
Terwijl Petra Costa diezelfde Braziliaanse verkiezingen gebruikt om in haar documentaire Apocalipse Nos Trópicos (2024) het grotere verhaal van het christelijk nationalisme in Brazilië uit te diepen, daalt Kogut juist af naar de basis: de gewone aanhangers van beide zijden, campagnevrijwilligers en verkiezingsfunctionarissen. Zij staan op dit cruciale ogenblik in de moderne Braziliaanse geschiedenis met hun poten in de modder en ervaren hoe de vijandigheden tussen rood en geel-groen steeds verder escaleren.
Het heeft de documentairemaakster heel wat kruim gekost om landgenoten te vinden die in de aanloop naar de verkiezingen hun ervaringen wilden delen. Zeker de achterban van Bolsonaro staat zeer wantrouwend tegenover journalisten, die beschouwd als verspreiders van nepnieuws. Voor hen lijkt ook alles geoorloofd om te winnen. Bij religieuze Bolsonaro-supporters wordt er bijvoorbeeld gebeden als de uitslag in hun nadeel dreigt uit te vallen. ‘Ik hoop nog steeds dat het leger ’t overneemt’, zegt één van hen.
Te midden van al het strijdgewoel houdt een straatverkoper op een scorebord nauwkeurig bij van wie hij het meeste shirts en vlaggen verkoopt: Bolsonaro of Lula. Met enige goede wil zou je het een geruststellend beeld kunnen noemen: terwijl de man geen geheim maakt van zijn eigen voorkeur – van Lula moet hij niets hebben – mag dat niet in de weg staan van zijn business. Zulk pragmatisme, hoe aards ook het motief, kan Brazilië getuige deze onstuimige verkiezingsfilm wel gebruiken, zou je zeggen.
Je zou kunnen zeggen: het scenario lag klaar en was zelfs al eens getest, dus waarom zouden ze ’t in Brazilië niet ook eens uitproberen? Bijna op de dag af twee jaar na de bestorming van het Capitool door de aanhang van de Amerikaanse president Donald Trump zetten supporters van de Braziliaanse president Jair Bolsonaro de aanval in op het parlement.
De parallellen tussen Trump en Bolsonaro liggen sowieso voor het oprapen in Petra Costa’s Apocalipse Nos Trópicos (Engelse titel: Apocalypse In The Tropics, 111 min.). Ook Jair Bolsonaro is een feilbaar mens met opvallende gebreken, die nochtans volledig wordt omarmd door evangelisch rechts. En daar vindt Costa, die in The Edge Of Democracy (2019) haar eigen familiegeschiedenis al verbond met de recente politieke historie van Brazilië, haar thema: hoe evangelische christenen, inmiddels zo’n dertig procent van het totale electoraat, worden ingezet voor oerconservatieve politiek.
De verpersoonlijking van die ontwikkeling is pastor en televisiedominee Silas Malafaia van de Assembleia De Deus-beweging. Hij zet zich schrap tegen abortus, het homohuwelijk en de legalisering van drugs en vormt inmiddels een kracht om rekening mee te houden in het Zuid-Amerikaanse land. In een grijs verleden steunde hij Bolsonaro’s grote tegenstander Lula, maar die twee matchten niet. Daarna omarmde hij Jair – ja, werkelijk waar – Messias Bolsonaro, die zich als relatief onbeduidende uiterst rechtse volksvertegenwoordiger bekeerde tot het christelijk nationalisme.
Costa verbindt dit actuele politieke verhaal, middels een enigszins moeizame persoonlijke voice-over en sprekende religieuze afbeeldingen, met bespiegelingen over de extreme opvatting van het christendom door Malafaia en zijn gevolg. Omdat volgens het Bijbelboek Openbaringen een eindstrijd nodig is voor de terugkeer van Jezus op aarde – Armageddon – lijkt het behouden van de vrede geen doel voor deze geharde ‘evangelicals’. Het winnen van de verkiezingen is slechts een klein onderdeel van de heilige strijd. Zo zetten ze, totaal onverzoenlijk, koers richting de Dag des Oordeels.
De ‘messias’ Bolsonaro is een prima vehikel voor die agenda. Als ook Brazilië wordt getroffen door de wereldwijde pandemie spot hij net als zijn Amerikaanse evenknie met alle COVID-wetten. Bidden tegen Corona, dat is zijn voornaamste devies. En als er dan mensen sterven? Nou en. Iedereen gaat een keer dood. Het maakt de Braziliaanse Trump wel kwetsbaar bij de verkiezingen van 2022 als hij toch weer met die dekselse Lula, die enige tijd in de gevangenis heeft gezeten, wordt geconfronteerd als opponent. Deze verkiezingen kunnen bepalen of Brazilië een seculiere staat blijft.
Als de zege uiteindelijk naar Lula’s Arbeiderspartij gaat, tevens gevolgd in de documentaire No Céu Da Pátria Nesse Instante, reageren Bolsonaro’s supporters furieus. Apocalipse Nos Trópicos wint direct aan scherpte en drama als zij het leger vragen om in te grijpen en zelf het recht in eigen hand nemen. En al die tijd staat de mannetjesmaker Silas Malafaia aan hun zijde. Als Bolsonaro beweert dat God heeft gezegd: ga vechten en ik ben erbij, laat Petra Costa in een treffende scène zien dat de pastor hem dit heeft ingefluisterd – of op z’n minst zijn goedkeuring heeft gegeven.
Bolsonaro’s aansporing om geweld te gebruiken lijkt een kopie van de slogan waarmee Donald Trump op 6 januari 2021 zijn aanhang aanspoorde om het Capitool te attaqueren: fight like hell. Ook in Brazilië loopt ‘t volledig uit de hand, toont deze pijnlijk actuele film over het monsterverbond tussen christelijk nationalisme en autocratische leiders. En als het Trump-draaiboek ook in de toekomst wordt gevolgd, staat Jair Bolsonaro nu in de coulissen te wachten totdat hij zich opnieuw kandidaat kan stellen voor het presidentschap – en komt een theocratie in Brazilië weer een stapje dichterbij.
Het zijn bijna onwerkelijke beelden uit 1994: Merrill Nisker, een lieflijk meisje met lang krullend haar speelt met haar akoestische gitaar liedjes voor de jongens en meisjes van de kinderopvang. Slechts zes jaar later fleemt diezelfde jonge vrouw over ‘sucking on my titties like you wanted me, calling me’ in de signatuursong van haar alter ego Peaches: Fuck The Pain Away. Over dat Canadese meisje, die ‘t ooit probeerde als folkzangeres, laat de inmiddels 58-jarige artiest verder weinig los in Teaches Of Peaches (102 min.).
Des te meer ruimte is er voor de artiest/kunstenaar, die zich opmaakt voor een reprise van haar succesvolle debuutalbum waarnaar deze film van Philipp Fussenegger en Judy Landkammer is vernoemd. Die elektroclashplaat brengt het feministische icoon ook compleet ten gehore in haar tweede thuis Berlijn. Tijdens dat jubileumconcert komt het provocerende, theatrale en uitgesproken seksuele karakter van haar podiumact volledig tot z’n recht. ‘Ik ben niet meer vulgair dan wie dan ook’, beweert ze zelf.
En dat wordt min of meer bevestigd door haar vriend Ellison Glenn alias Black Cracker. Toen hij haar voor het eerst op het podium aan het werk zag, vast half ontkleed en tijdens (het simuleren van) de één of andere seksuele activiteit, dacht hij volgens eigen zeggen dat het elke nacht prijs zou zijn met deze dame. Dat blijkt in de praktijk alleen toch wat genuanceerder te liggen. Het is een kwestie van ‘finding moments to touch the booty’. Zoals menige komiek thuis nu eenmaal ook een sombermans schijnt te zijn.
Als Peaches exploreert ze de vrouwelijke seksualiteit. Met veel bloot of de suggestie daarvan, bijvoorbeeld in die kenmerkende, veel te kleine roze shorts, zodat haar ‘cameltoe’ goed zichtbaar is – en het schaamhaar dat ze, net als haar okselbeharing, weigert bij te werken. Al haar strapatsen worden in context geplaatst door haar modeontwerper Charlie Le Mindu, oud-sidekick Feist en haar voormalige duopartner Chilly Gonzales, die oogt als een kruising tussen Nicholas Cage en Ron Jeremy.
Naar de vrouw achter de artiest en performancekunstenaar blijft ’t ondertussen zoeken in deze uiteindelijk tamelijk conventionele popdocu. Dat ze ooit keelkanker heeft gehad, wordt bijvoorbeeld in enkele zinnen afgedaan. Een voetnoot. En als Fussenegger, naar aanleiding van haar provocerende T-shirt Thank God For Abortion, wil weten of abortus ook een persoonlijk onderwerp is voor haar, wordt ze zowaar even pinnig. Die vraag vindt Peaches ongepast. Alsof zo’n privé-ervaring nodig is om vóór het recht op abortus te zijn.
Op het podium manifesteert ze zich als een fiere vechter voor vrouwen- en LHBTIQ+-rechten, blijkt opnieuw tijdens dat geladen concert in Berlijn, waarnaar dit portret steeds weer terugkeert. Fussenegger en Landkammer snijden van daaruit ook regelmatig naar het verleden, naar performances waarin hun heldin steevast de grenzen van het betamelijke en de goede smaak opzoekt (en overschrijdt). Zoals mannelijke rocksterren ook zo vaak doen – al lopen die beslist niet zo overtuigend over hun eigen publiek.
In 2024 is er overigens nóg een documentaire over Peaches uitgebracht: Marie Losiers Peaches Goes Bananas. Wellicht dat de aandacht daarin meer uitgaat naar Merrill Nisker – al doet de trailer vermoeden dat ’t toch vooral weer heel veel Peaches wordt.
2073 wordt een ongelooflijk teringjaar. Daar was 1984 nog helemaal niets bij. Of, nu ik er toch over nadenk: 1933. In 2073 (85 min.) hebben de Verenigde Staten wel iets te vieren: partijvoorzitter Trump is dan dertig jaar aan de macht. Ivanka, bedoel ik. Dat zou trouwens ook een reden kunnen zijn om – als ik deze, ahum, hybride van sciencefiction en docu mag geloven – je kop door een muur te beuken en hem daarna af te hakken.
Kijk maar naar die vrouw met de Spartaanse coupe, die me echt aan Samantha Morton doet denken. Uit Minority Report, weet je wel. Ook al zo’n – ik moet even kijken hoe ik dit spel – dystopie. Zie hoe ongelukkig ze uit haar ogen kijkt. Zou ik overigens ook doen. Alles lijkt kapot, het is er pikkedonker en er is nauwelijks een ander mens te zien. Geen wereld om naar te verlangen, zou ik zo op z’n janboerenfluitjes zeggen.
Dat ‘t mis zou lopen – in 2036, bij het één of andere apocalyptische ‘event’, zo heb ik me laten vertellen – kon je zien aankomen. Positief bekeken: dan hebben we nog een jaar of twaalf om er een nog veel grotere janboel van te maken. Tell it against them, Asif. Kapadia, bedoel ik. Van Senna, Amy en Diego Maradona. Aan het eind van hun tunnel zag ie nog wel licht – ook al is dat bij alle drie inmiddels lang en breed uitgedoofd.
Duterte, Modi, Johnson en Trump zijn natuurlijk ongelooflijke klootzakken. Maar de echte linkmiegels heten Zuckerberg, Bezos en Musk. Nou vergeet ik bijna Peter Thiel. En dat is precies zijn bedoeling. Deze libertariër trekt het liefst achter de schermen aan de touwtjes. Zodat hij en die andere autistische überegoïsten al het geld en de macht krijgen – en de rest, wij dus, helemaal niets. Survival of the richest, volgens Asif.
‘Ze’ houden ons graag continu in de gaten. Zodat je geen stap verkeerd kunt zetten. En zij bepalen dus wat verkeerd is, gesnopen? En als er nog iets van levensplezier over is, knijpt artificial intelligence – tis en blijft Tegenlicht voor dummies, in een afgekeurd Philip K. Dick-verhaal – dat laatste beetje er ook nog wel uit. De aarde gaat trouwens toch naar de ratsmodee. Dus al het voorgaande doet er in wezen ook niet toe, toch?
Met enige goede wil is in deze documentaire een vooraankondiging van de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten te vinden. In An American Pastoral (118 min.) kijkt de Franse filmmaakster Auberi Edler in 2023 mee bij een fel bevochten verkiezing in de zogenaamde ‘Rust Belt’, de Amerikaanse staten die een jaar later bij de presidentsverkiezingen duidelijk ‘rood’, Republikeins, zullen stemmen.
Als er vijf plekken vrijkomen in het negenkoppige bestuur van de openbare school van Elizabethtown, een slaperig stadje in de Amerikaanse staat Pennsylvania, ontstaat er een pittige ideeënstrijd. Niet zozeer tussen Democraten en Republikeinen, want Etown is een door en door rode stad. De strijd gaat tussen gematigde Republikeinen, die de plekken nu bezetten, en partijgenoten die veel strenger in de leer zijn.
Als zij bij de verkiezingen aan het langste eind trekken, gaat er een straffe conservatieve wind waaien door Elizabethtown. Christelijke nationalisten willen boeken met een expliciete inhoud verbannen uit de schoolbibliotheek en gaan ongetwijfeld ook tornen aan LHBTIQ+-rechten. Tijdens politieke bijeenkomsten komen landelijke kopstukken zoals Michele Bachmann en Glenn Beck de achterban alvast flink oppoken.
Edler volgt kandidaten van beide zijden naar vergaderingen, kerken en schimmige zaaltjes. Ze treft daar een volledig verdeelde natie. Tegenover de rekkelijken – en zowaar ook enkele Democraten – staan de hardliners voor wie ‘Merica eerst en vooral een christelijk land is, waar jongens gewoon jongens zijn en meisjes meisjes, iedereen een wapen hoort te dragen en Trump ook de verkiezingen van 2020 heeft gewonnen.
Met de schooljeugd wordt verder nauwelijks gesproken. Deze ideologische oorlog speelt zich duidelijk boven hun hoofd af – al zullen zij straks wel degelijk met de consequenties ervan worden geconfronteerd. Auberi Edler mengt zich niet in het debat, maar registreert feilloos hoe dit Elizabethtown – en in het verlengde daarvan: de Verenigde Staten – volledig uiteenrukt en wellicht zelfs grondig van karakter doet veranderen.
Tussen Polen en Belarus is in 2021 doelbewust een stuk niemandsland gecreëerd. Een verboden zone van drie kilometer breed. De Belarussische dictator Loekasjenko, een handlanger van de Russische president Poetin, gunt vluchtelingen er zogenaamd een vrije doortocht naar de Europese gemeenschap. De Poolse grenspolitie stuurt hen vervolgens linea recta weer terug. Ontheemde mensen komen zo vast te zitten in een moerasachtig bos, om er misschien wel voorgoed in te verdwalen.
Maciek, een Poolse man van weinig woorden, en zijn gezin hebben daar, in die inhumane woestenij van zoekacties, politiecontroles en pushbacks, een uitgeputte vluchteling aangetroffen. Hij was zowaar nog in leven. Ze hebben de 27-jarige Syriër Alhyder tijdelijk in huis genomen. Communicatie met The Guest (oorspronkelijke titel: Gość, 78 min.) is echter lastig. Met behulp van een basale vorm van Engels en Google Translate kunnen ze elkaar alleen op een elementair niveau verstaan. Tegelijk begrijpen de twee elkaar uitstekend.
‘I am inside problem, you are outside problem’ zegt Alhyder tegen de man die hem, bijna tegen wil en dank, heeft opgevangen. ‘Why you go inside problem?’ Maciek antwoordt resoluut: ‘No, this world is problem.’ Daarmee is hun gezamenlijke probleem alleen nog niet de wereld uit. Waar kan Alhyder heen? En hoe lang kan hij nog gebruik maken van de gastvrijheid van het Poolse gezin? De Syriër, die via zijn mobiele telefoon contact probeert te onderhouden met thuis, begint zich allengs een ongenode gast te voelen.
In deze donkere, unheimische film, vol nauwelijks op te vullen stiltes en ongemakkelijk geformuleerde gedachten, verkennen Zvika Gregory Portnoy en Zuzanna Solakiewicz met coregisseur Michał Bielawski de patstelling tussen de gastheer, zijn vrouw Renata, hun zoon Patryk en de vreemdeling, die volledig afhankelijk van hen is. Tussendoor tonen zij tevens de ongure wereld om hen heen, de zone waar vluchtelingen niet meer dan opgejaagd wild zijn, media doorgaans worden geweerd en zomaar de directe toekomst van Alhyder weer zou kunnen liggen.
Het is een ontluisterende situatie, die aan het begin en einde van The Guest nog eens pijnlijk wordt aangezet met het officiële volkslied van de Europese unie, Beethovens Ode An Die Freude. Alle Menschen werden Brüder… juist.
‘Lidija kan zich niet voorstellen dat haar wereld zou kunnen verdwijnen’, vertelt Lidija Zelovic in de persoonlijke documentaire Home Game (94 min), in de derde persoon, over haar vroegere zelf. ‘Dat oorlog ook haar kan overkomen. Dus zelfs als ze zelf de oorlog aankondigt, heeft ze dat niet door.’
‘In Bonn wordt de erkenning van Slovenië en Kroatië geëist’, leest een jonge Zelovic vervolgens, begin jaren negentig, voor in een Joegoslavische nieuwsuitzending. ‘De Kroatische president Franjo Tudjman heeft de bewegingsvrijheid beperkt van alle mannen tussen achttien en zestig jaar oud’, zegt ze in een ander journaal. Gevolgd door, in alweer een uitzending: ‘Rond één uur vannacht heeft er een schietpartij plaatsgevonden in Pakrac. Het mortiervuur duurde tot half acht in de ochtend. Tientallen gebouwen werden geraakt. De watertoevoer is afgesloten.’
En dan is die oorlog inderdaad begonnen. Joegoslavië, bijna dertig jaar bijeengehouden door de almachtige leider Josep Tito, spat uiteen. Ideeën over broederschap, eenheid en multiculturalisme sterven een pijnlijke dood. ‘De ander’ wordt voortaan beschouwd als een gevaar. Lidija Zelovic vlucht uiteindelijk van Sarajevo naar Nederland en bouwt daar als jonge vrouw een nieuw bestaan op. Haar familieleden volgen enkele jaren later. Samen met hen maakt ze in de egodocu My Own Private War (2015) de balans op van wat die oorlog in hun levens heeft aangericht.
Negen jaar later zijn er opnieuw belangrijke bijrollen voor Zelovic’s ouders Vojo en Vesna, haar broer Davor en zoon Sergej in Lidija’s nieuwe film over het leven dat ze nu al ruim dertig jaar leidt in Nederland, een land van rust, orde en harmonie. ‘Wat een ongelooflijk geluk dat ik hier terecht ben gekomen!’ constateert ze eerst nog, om later tot de conclusie te komen dat ze hier altijd ‘een vluchteling’ blijft. Intussen raakt ook dat gelijkmatige Nederland op drift. In het land dat van polderen z’n tweede natuur had gemaakt begint het te rommelen, donderen en bliksemen.
Bij haar eigen familie, die aan den lijve heeft ondervonden hoe alsmaar oplopende polarisatie kan uitmonden in oorlog, komen de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, de opkomst van Geert Wilders en het Toeslagenschandaal extra hard binnen. En Lidija heeft altijd een camera bij de hand om haar eigen bespiegelingen, de gesprekjes met haar opgroeiende zoon en de discussies binnen de familie vast te leggen. Zelf is ze er bepaald niet gerust op. ‘Hier gaat het niet escaleren’, herhaalt Lidija in een krachtige scène tegen zichzelf. ‘Hier gaat het niet escaleren.’
Home Game is behalve een zelfportret van een vrouw die de zwartgeblakerde ziel van haar moederland met zich meedraagt ook een film over twee werelden. Die zijn bij de Zelovicen volledig met elkaar versmolten geraakt. Terwijl ze gezamenlijk naar voetbalwedstrijden van Ajax kijken, discussiëren ze ongemeen fel over de Bosnische aanvaller Edin Džeko. Tijdens een trip naar haar geboorteland ontspant moeder Vesna zich met het Nederlandse televisieprogramma We Zijn Er Bijna. En Lidija’s broer Davor galmt thuis al z’n emoties eruit bij een levenslied van André Hazes.
Tegelijkertijd maakt deze film tastbaar hoe ze stuk voor stuk de herinnering aan het voormalige Joegoslavië met zich meedragen – en de waarschuwing die daarvan uitgaat. Welvaart en voorspoed mogen nooit vanzelfsprekend worden. ‘Mijn beste kinderen, als alles in je leven prachtig lijkt, doe dan een steen in je schoen’, zei Lidija’s grootmoeder, die zelf twee wereldoorlogen overleefde, vroeger tegen haar. ‘Zodat er iets is dat je dwarszit.’ Ze moesten er altijd en overal op voorbereid zijn dat het dak van de wereld met donderend geraas naar beneden zou kunnen komen.
Daarmee doet Home Game ook onvermijdelijk nadenken over Nederland. Kan het ook hier zo gaan? Dat de oorlog in feite al is aangekondigd, zonder dat iemand ‘t echt doorheeft?
Straks hebben ze de hele wereld gezien. En die beelden raken ze nooit meer kwijt. Edith wil het visuele geheugen van haar kinderen laden. Meer kan ze als moeder niet doen. En samen met haar echtgenoot Sebastien Pelletier wil ze zo graag iets doen. Konden ze hun aandoening maar ongedaan maken! Drie van hun vier kinderen lijden aan Retinitis Pigmentosa. Ze zullen steeds slechter gaan zien. Totdat, vroeger of later, hun blikveld drastisch is vernauwd – of het licht zelfs helemaal uitgaat.
Samen met Mia, Colin en Laurent – en Léo, hun enige kind dat verschoond is gebleven van de oogaandoening – stellen de Pelletiers een bucket list op. Tijdens een reis rond de wereld, vereeuwigd door Edmund Stenson en Daniel Roher in Blink (83 min.), gaat het Canadese gezin zoveel mogelijk afvinken. Op safari in Afrika. Voldaan! Paardrijden in Mongolië. Dikke V. En een kasteel bezoeken in Oman. Done that! Zo volgen ze het licht en houden ze de donkerte voorlopig op afstand.
Die meldt zich zo nu en dan toch, bijna terloops, bijvoorbeeld als het jongste kind Laurent aan z’n moeder vraagt wat ‘blind’ zijn eigenlijk betekent. Na het gesprek heeft Edith het gevoel dat ze het vijfjarige joch van z’n onschuld heeft ontdaan. Zoals ‘t een kind eigen is, lijkt Laurent er alleen weinig last van te hebben. Samen met zijn oudere broers en zus gaat hij elk avontuur onvervaard aan. Zij kijken niet naar de toekomst, maar zien wel wat er in het hier en nu op hen afkomt.
Zulke levenslessen zijn er natuurlijk in overvloed in deze inherent optimistische film over een levenslustig gezin, waarbij het gemakkelijk inleven en meevoelen is. En als de Pelletiers in Ecuador vast komen te zitten in een berglift, wordt deze fraaie en zoete documentaire, die duidelijk appelleert aan een groot publiek, zelfs nog even eng en spannend. Ook dan geven Edith en Sebastien echter het goede voorbeeld en houden ze als ouders het hoofd (ogenschijnlijk) koel.
En dan, na een jaar van de blik verruimen, komt onvermijdelijk het moment om, met een plunjezak aan levenservaringen en een vrijwel lege bucket list, het gewone bestaan weer op te pakken en een begin te maken met een ongewisse toekomst.
De vaders zijn bouwvakker, brengen pakketjes rond of werken in een pizzeria. En hun moeders zijn meestal huisvrouw – en opvallend vaak zwanger. De kinderen van Juf Ilkay komen van heinde en verre, zijn uiteindelijk aanbeland in de Weense multiculturele wijk Favoriten (118 min.) en worden nu, op een school die voortdurend kampt met een lerarentekort, voorbereid op het leven in Oostenrijk.
Thuis wordt er vaak een vreemde taal gesproken. Op dat gebied ligt er dus een schone taak voor Ilkay Idiskut in deze observerende documentaire van Ruth Beckermann. De bevlogen leerkracht, zelf Turks van oorsprong, neemt haar taak ruim. Ze bespreekt met haar kinderen bijvoorbeeld ook de oorlogen in Syrië en Oekraïne, het belang van autonomie en wie er bij hen thuis eigenlijk de baas is.
Ilkay laat de kinderen tevens zelf filmen en elkaar interviewen. Zo geven ze inzicht in wat er in hen omgaat en wat ze belangrijk vinden. Enkele jongens praten bijvoorbeeld met elkaar over de verschillen tussen cultuur en religie en het land waar ze later het liefst willen wonen. Anderen vragen de juf het hemd van het lijf: die is begin dertig, houdt van wandelen, shoppen en films en stamt uit een familie van leraren.
Verder veroorlooft Beckermann zich geen strapatsen in deze sobere film – geen virtuoos camera- of montagewerk, interviews of muziek bijvoorbeeld – waarin ze drie jaar lang simpelweg de bal volgt: hoe een pittige lerares de aan haar toevertrouwde kinderen, die stuk voor stuk met een achterstand aan de basisschool zijn begonnen, klaar probeert te stomen voor de middelbare school – en het leven.
Gezamenlijk brengen ze ook een bezoek aan de plaatselijke moskee, waar Mohammed, kind van een imam, voor mag gaan in het gebed. In de Stephansdom vermeldt de dienstdoende priester even later dat de kathedraal nochtans van alle inwoners van Wenen is, zelfs van hen. Na afloop herinneren sommige leerlingen zich echter vooral de hamburger die ze bij McDonald’s hebben gegeten.
Ilkay Idiskut – een geestverwant van Kiet Engels, Herr Bachmann en Georges Lopez – heeft duidelijk hart voor haar kinderen, maar bakt geen zoete broodjes. Ze stelt hoge eisen aan hen, grijpt kordaat in als er ruzie is en spreekt zonder meel in de mond tijdens (ouder)gesprekken. Voor volwassenen die zich willen handhaven in de hedendaagse samenleving, bestaan er nu eenmaal geen smoesjes.
Alleen als het afscheid is gekomen en ze afstand moet doen van ‘haar kinderen’, breekt ze even – en zij niet alleen, natuurlijk. De aandoenlijke scène vormt het emotionele hoogtepunt van een doeltreffende film over de kracht van onderwijs. En dat staat of valt toch vaak met de man of vrouw voor de klas. De kinderen van Juf Ilkay hadden ’t duidelijk een stuk slechter kunnen treffen.
Huilende Bruiden (26 min.) worden we genoemd, stelt een gedragen vrouwenstem. Ooit kregen Groningse huizen zoals zij trotse kwalificaties: herenboerderij, boerenkathedraal of graanpaleis. De champagnejaren, noemden ze die. Das war einmal. Tegenwoordig moeten ze zich schrap zetten, om überhaupt te kunnen blijven (be)staan.
Filmmaker Tom Tieman geeft de ooit zo statige huizen het woord in deze oorspronkelijke korte docu. ‘Weer een rondleiding!’ verzucht één van hen. ‘Vroeger werd ik bewonderd. Nu kijken de erfgoedbewakers bezorgd. Ze hebben ‘t over aardbevingsschade en compensatie. Maar er gebeurt niets… Erfgoed worden we genoemd. We zijn te groot om te bewaren, te kostbaar om weg te doen.’
De huidige bewoners worstelen ermee. Het huilen staat ook hen vast wel eens nader dan het lachen. Hun bruiden lijken niet meer van deze tijd. Ze piepen en kraken onder het geweld van de elementen. Al die reparatiewerkzaamheden, de bijbehorende kosten. Enkele eeuwen geschiedenis, van mens en huis, dreigen daardoor verloren te gaan. Rest hen straks de sloopkogel? Of teruggave aan de natuur?
Tiemans keuze om het perspectief te kiezen van de pensioengerechtigde panden werkt ondertussen heel aardig. Via de stemmen van deze Groningse stijfkoppen, ingesproken door Nanette Edens en Aukje Schaafsma, krijgt het verglijden van de tijd en het daarmee gepaard gaande verval echt een gezicht, dat vervolgens ook afstraalt op de eigenzinnige passanten die hen tegenwoordig bewonen.
Op dag 16 wordt het neergestorte vliegtuig gevonden. De Cessna 206, met zeven passagiers aan boord, is op 1 mei 2023 plotseling uit de lucht gevallen boven het Colombiaanse Amazone-regenwoud. Ruim twee weken later treffen vrijwilligers van een zoekteam bij het vliegtuigje de levenloze lichamen van drie volwassenen aan. Onder hen is de 33-jarige inheemse vrouw Magdalena Mucutuy. Samen met haar vier kinderen was ze op weg naar haar echtgenoot Manuel Ranoque. Haar drie dochters en zoon zijn nu spoorloos.
De zaak van Los Niños Perdidos (Engelse titel: The Lost Children, 97 min.) was wereldnieuws in de zomer van 2023. Met beelden van het reddingsteam, de media en het Colombiaanse leger, aangevuld met archiefmateriaal en reconstructies, reconstrueren Orlando von Eindsiedel, Lali Houghton en Jorge Durán ‘Operatie Hoop’, de gecoördineerde actie om de dertienjarige Lesly, haar zusje Soleiny van negen, hun vierjarige halfbroertje Tien Noriel en Cristin, een baby van slechts elf maanden oud, van een wisse dood te redden. Alle inspanningen worden voor deze film bovendien ingekaderd door reddingswerkers, militairen en familieleden van de kinderen.
Dat speciale eenheden van het Colombiaanse leger samenwerken met de inheemse bevolking, die zich thuis voelt in de jungle, blijkt na een halve eeuw burgeroorlog bepaald geen vanzelfsprekendheid in het Zuid-Amerikaanse land. Dit is FARC-gebied, waar de beruchte revolutionaire beweging, die in verband werd gebracht met geweld, intimidatie en drugshandel, heel lang de dienst uitmaakte. Voor de vermiste kinderen stappen de voormalige opponenten gaandeweg echter over hun eigen schaduw heen. Na 34 dagen staan ze alleen nog steeds met lege handen. Geen kinderen. De wanhoop slaat dan toe bij het reddingsteam, bekennen ze in deze terugblik.
De jungle en algehele ‘duende’, een magische duistere kracht die volgens de overlevering voor onheil kan zorgen, lijken hen te machtig. Ze zoeken ’t dus hogerop. Bij Yagé. Om hun geest te verruimen drinken de reddingswerkers de hallucinogene drank ayahuasca, in de hoop de kinderen zo alsnog te kunnen traceren. De filmmakers volgen hen ook op dit deel van hun queeste, die ze begeleiden met dikke muziek en fraaie beelden van het regenwoud – alsof ze uit een natuurfilm afkomstig zijn. Het gevaar van de jungle wordt zo enigszins karikaturaal benadrukt: daar glibbert weer een slang, loert een tijger naar z’n prooi en steekt een krokodil vervaarlijk zijn kop op.
Ook zonder die overdaad hebben Von Einsiedel, Houghton en Durán natuurlijk een buitengewoon verhaal in handen, dat enigszins doet denken aan de redding van een Thais jeugdvoetbalteam uit een ondergelopen grot (vereeuwigd in de bloedstollende documentaire The Rescue). Het is zo’n verhaal waardoor het leven bijna een sprookje lijkt, waarin wonderen wel degelijk blijken te bestaan. Totdat de tragiek van de situatie nog eens goed doordringt.
Op Disney+ is Lost In The Jungle, een andere sterke reconstructie van deze miraculeuze redding, te bekijken.
Dertien weken krijgen ze om het monster recht aan te kijken. Via de spiegel. Want het zit in hen. Een verslaving. Niet aan drank of drugs – althans, daarvoor zijn ze hier nu niet. Nee: gokken. Een onzichtbare vijand, die hen langzaam helemaal leegvreet. Totdat ze platzak zijn – en vaak ook elke vorm van krediet bij hun naasten hebben verloren.
In de documentaire Gokkers (57 min.) volgt Wieke Kapteijns vier jonge mannen die bij de stichting SolutionS Verslavingszorg de strijd met het monster gaan aanbinden. Ze worden begeleid door behandelaar en ervaringsdeskundige Bas Brons. Hij leert hen de diepte van hun eigen verslaving kennen en confronteert hen met de wissel die ze op hun directe omgeving hebben getrokken.
Daarover moeten ze brieven schrijven: een schadebrief om op te tekenen hoe een dag met een verslaving er nu werkelijk uit ziet. Een brief aan hun verwanten, waaruit elke vorm van zelfmedelijden is verdwenen, om excuses te maken en vergiffenis te vragen. En een brief aan dat monster om definitief afscheid te nemen – ook al zal dat beslist, in de vorm van een terugval, of twee, nog eens z’n lelijke kop opsteken.
Twee deelnemers aan het therapietraject verschijnen geanonimiseerd in deze film. De andere jonge mannen zijn, ondanks de schuld- en schaamtegevoelen die ook hen parten spelen, wel bereid om herkenbaar te participeren. Pim lijkt eerst nog overtuigd te moeten worden van de ernst van zijn eigen problematiek, terwijl ook zijn vriendin ogenschijnlijk vrij onbekommerd met de situatie omgaat.
Gaandeweg moet hij erkennen dat ook hem een flink gevecht met het monster staat te wachten. ‘Ik ben net zo verslaafd als ieder ander.’ Luuk heeft niet meer de luxe om dat beest te negeren. Z’n ouders zijn bereid om nog eenmaal voor hem in de bres te springen. Voor de allerlaatste keer, volgens z’n moeder. Als hij nu weer de fout ingaat… ‘Dan trek ik ook echt de handen van hem af’, zegt ze. ‘En dat weet ie.’
Via telefoongesprekken met Kapteijns geven de gokverslaafden inzicht in hoe zij hun behandeltraject beleven. Hij deelt dit proces in via thematische hoofdstukken (verwarring, angst en hoop bijvoorbeeld) en verbindt de verschillende therapiescènes met symbolische sequenties die hun persoonlijke ontwikkeling moeten illustreren: kunstwerken, privébeelden en found footage.
Zo benadrukt deze film nog maar eens dat gokkers, net als andere verslaafden, uiteindelijk alles op het spel zetten. Het is een volwaardige verslaving. En dat monster heeft door het legaliseren van online gokken in 2021, een tijd waarin het Coronavirus sowieso al voor verveling en isolatie zorgde, alleen maar meer asem gekregen. Het gebruikt die ideale kans om wild om zich heen te vreten.
Enkele eeuwen geleden zou ze wellicht op de brandstapel zijn beland – in plaats van in een kliniek voor vrouwen die net een kind hebben gekregen.
Na de geboorte van haar zoon, nu drie jaar geleden, raakte Elizabeth Sankey verstrikt in zichzelf. Een stem in haar hoofd vertelde de Britse filmmaakster dat de wereld beter af zou zijn zonder haar. Ze wilde al snel niet meer leven en was bang dat ze haar eigen kind iets zou aandoen. Deze wirwar van inktzwarte gevoelens ging duidelijk verder dan de ‘baby blues’ waarin sommige moeders belanden. Sankey was terechtgekomen in een postpartum psychose. Binnen een maand na de geboorte moest ze worden opgenomen.
In een andere tijd en wereld, betoogt Sankey in het bekroonde video-essay Witches (90 min.), zou ze wellicht zijn beschouwd als een heks. Want zo ontdeden gemeenschappen zich soms van eigenzinnige, kritische én instabiele vrouwen. Die werden tot ‘outcast’ verklaard en uit hun natuurlijke omgeving verwijderd. Dan hoefden anderen ook niet in te gaan op wat ze zeiden of hun klachten serieus te nemen. De geschiedenis kent talloze voorbeelden van zulke ‘heksen’ die worden verstoten – of definitief uitgeschakeld.
Elizabeth Sankey verbindt haar eigen verhaal en dat van enkele lotgenoten met die beladen geschiedenis. Ook in beeld: met talloze fragmenten uit speelfilms, die op een virtuoze manier worden verknoopt met haar persoonlijke relaas – al is die connectie eerder associatief dan letterlijk en soms ook enigszins gekunsteld. Ze wil duidelijk iets kwijt over hoe we naar vrouwen in het algemeen kijken en hoe zij worden opgezadeld met predicaten als maagd, hoer, meisje, moeder en (goede en slechte) heks.
Sankey doet haar verhaal vanuit een klassiek decor, midden in beeld zittend en recht in de camera kijkend. Alsof ze zich rechtstreeks tot de kijker wil richten, in de overtuiging dat die nodig van de ernst van de situatie moet worden doordrongen. Én zodat zij niet kan worden weggezet als de zoveelste hysterica, die het leven nu eenmaal niet aankan. Zo’n houding is namelijk niet zonder gevaar: zelfdoding is één van de belangrijkste doodsoorzaken bij zwangere vrouwen en vrouwen die net een kind hebben gekregen.
Dave Emson, de enige man in deze indringende film, blijft daarvoor waarschuwen. Zijn vrouw Daksha worstelde al langer met haar psychische gezondheid, maar stopte met haar medicatie toen ze zwanger werd van hun dochter Freya. In stilte, bang om te worden gezien als een slechte moeder en haar kinderen kwijt te raken, worstelde Daksha met een postpartum psychose. Met dramatische gevolgen. ‘Ik kan niet toestaan’, stelt Dave, ‘dat mijn meiden, en andere moeders en baby’s, tevergeefs sterven.’
Met voorbeelden van andere moeders die uit het dal wisten te klimmen en hulp van de supportgroep Motherly Love, waarin vrouwen met elkaar praten over de schaduwkanten van het moederschap, vond Elizabeth Sankey de weg terug naar zichzelf en haar kind. De groep heeft mijn leven gered, zegt ze vanachter de camera tegen oprichtster (en ervaringsdeskundige) Milli Richards. Allebei ervoeren ze hoe heilzaam de stilte verbreken en delen – en de angst, schaamte en schuldgevoelens achterlaten – kan zijn.
Witches brengt die boodschap glashelder, en toch op een volstrekt originele en eigenzinnige manier, over het voetlicht: hoe belangrijk ’t is dat moeders in nood serieus worden genomen en professionele zorg krijgen. Ook, of juist, omdat ’t zo’n beangstigende gedachte is dat zij, de vrouwen die doorgaans de veiligste plek op aarde vormen, hun kind iets zouden kunnen aandoen.
Het is geen nieuw verhaal, maar al zo oud als Methusalem. Elk autocratisch regime draait vroeg of laat de vrijheid van meningsuiting de nek om. In Poetins Rusland is dat proces natuurlijk al heel lang aan de gang, maar de aangekondigde aanval op Oekraïne brengt dit proces begin 2022 nog eens in een stroomversnelling.
Hoofdredacteur Dmitri Moeratov van Novaya Gazeta heeft z’n Nobelprijs voor de Vrede in 2021 nauwelijks in ontvangst genomen of ook zijn krant krijgt steeds nadrukkelijker de duimschroeven aangedraaid in Of Caravan And The Dogs (89 min.). Hij had daar in zijn speech al op gezinspeeld: de honden, ofwel de onafhankelijke media, kunnen blaffen wat ze willen, de karavaan trekt verder. Te beginnen op 24 februari 2022, Oekraïne in.
Het Russische agentschap Roskomnadzor begint zich dan steeds nadrukkelijker te bemoeien met hoe onafhankelijke media zoals ook de radiozender Echo Of Moscow en het tv-station Dozhd berichten over de oorlog. Die mogen zich alleen baseren op officiële Russische bronnen en moeten voortaan elk woord op een goudschaaltje leggen. Zo wil het regime bijvoorbeeld niet dat ze de benaming ‘oorlog gebruiken.
Regisseur Askold Kurov en een collega die zich Anonymous1 noemt kijken achter de schermen mee, waar zowel de redacties als geheel als de individuele journalisten moeten kiezen tussen ‘fight’ or ‘flight’ omdat ‘freeze’, de oorlog proberen uit te zitten, steeds minder tot de mogelijkheden lijkt te behoren. De situatie vraagt om moed, onverzettelijkheid en galgenhumor – en dwingt hen soms bijna om eieren voor hun geld te kiezen.
Ook de mensenrechtenorganisatie Memorial, die zich bezighoudt met het in kaart brengen van burgerrechtenschendingen tijdens het communistische bewind in de Sovjet-Unie, wordt het leven langzaam maar zeker onmogelijk gemaakt. Enkele uren nadat Yan Rachinski op 10 december 2022 de volgende Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst heeft genomen namens Memorial, wordt zijn organisatie verder ontmanteld.
‘Één ding zit ons dwars’, zegt Rachinski tijdens de uitreiking. ‘Heeft Memorial de Nobelprijs voor de Vrede eigenlijk wel verdiend?’ Want hoewel ze hebben geprobeerd om misdaden uit heden en verleden te documenteren, is het hen niet gelukt om ‘de catastrofe van 24 februari’ af te wenden. Hij ziet de prijs dan ook niet als een beloning voor geleverde diensten, maar als een vooruitbetaling op wat ze nog gaan doen.
Dat is een loffelijk streven, maar de realiteit stemt vooralsnog weinig hoopvol. Memorial is het werken onmogelijk gemaakt. Dmitri Moeratov en Alexei Venediktov, de onverzettelijke hoofdredacteur van Echo Of Moscow, zijn inmiddels bestempeld als ‘buitenlandse agent’. En Dozhd, ofwel Rain TV, is tot ‘ongewenst’ verklaard in eigen land. Intussen krijgt die catastrofe in Oekraïne steeds weer nieuwe dimensies.
Het tragische verhaal van de onafhankelijke Russische journalistiek heeft in de afgelopen jaren overigens al zijn weg gevonden naar diverse documentaires. Dmitri Moeratovs strijd voor de persvrijheid is bijvoorbeeld verteld in The Price Of Truth, de problemen van Memorial worden uitvoerig belicht in The Dmitriev Affair en de ontwikkeling van de televisiezender Dozhd en het persoonlijke verhaal van voorvrouw Nastasha Sindeeva staan centraal in F@ck This Job.
Tegen de tijd dat de titel van deze miniserie – Breath Of Fire (225 min.) – na ruim vijf minuten in beeld komt, zijn de contouren van wat de volgende vier uur nog gaan brengen al geschetst. Zoals dat tegenwoordig gaat bij Amerikaanse documentaireseries worden alle belangrijke personen, thema’s én strijdpunten alvast geteased. Zodat de rest van de productie, gebaseerd op het artikel The Second Coming Of Guru Jagat van de Amerikaanse journaliste Haley Phelan in Vanity Fair, in wezen nauwelijks meer verrassingen bevat – óók omdat elk sekteverhaal min of meer dezelfde elementen bevat.
Enter Kundalini, een vorm van yoga die op maat lijkt te zijn gesneden voor millennials, met bovendien een bijzonder mediageniek wellness-orakel, Guru Jagat. Zij is zogezegd de favoriete discipel van de Pakistaanse spiritueel leider Yogi Bhajan (1929-2004), de man die met zijn organisatie 3HO behalve een eeuwenoude oude yoga-vorm bijvoorbeeld ook een lekker winstgevend product zoals Yogi Tea in de markt zette. ’s Mans protegé Guru Jagat heet in werkelijkheid Katie Griggs. Deze ‘Kim Kardashian van de spirituele wereld’ ontwikkelt zich tot de charismatische leider van het Ra Ma Institute in Venice, Los Angeles. Ze maakt naam als een bevlogen Kundalini-leraar, succesvol podcaster en CEO van een hele stoet internationale organisaties.
Als een echte yoga-influencer omringt Guru Jagat – een naam die ze in 2012 hoogstpersoonlijk van Yogi Bhajan kreeg, ook al was die toen al gauw acht jaar dood – zich met bekendheden zoals Madonna, Demi Moore, Orlando Bloom, Alicia Keys, Russell Brand, Courtney Love en Kate Hudson. Ze verwerft tevens een groep trouwe volgelingen, steevast getooid met een tulband en in het wit gekleed. Griggs predikt een soort welvaartsreligie, gebaseerd op Bhajans leerstellingen, die op hun beurt dus zijn gebaseerd op eeuwenoude… welnee: gebaseerd op niet heel veel meer dan niets. Yogi Bhajan blijkt in feite weinig meer dan een mediagenieke bedrieger die van ordinaire geldklopperij zijn tweede natuur had gemaakt.
Als voormalige douanier moest Yogi vanwege een lastige situatie ooit zijn eigen land verlaten, betoogt deze miniserie. Hij belandde in de Verenigde Staten en verzon daar werkendeweg een eigen vorm van yoga. Dat punt maken de makers, Hayley Papas en Smiley Stevens, direct aan het begin van deel twee. Is zijn vrouwelijke discipel een soortgelijke charlatan? is dan de vervolgvraag. Daarvoor roepen ze, behalve van oud-medewerkers en volgelingen, ook de hulp in van een jeugdvriendin van Katie Griggs en van haar moeder Nansy Steinhorn-Galloway en stiefvader Rabbit Galloway. ‘Ik kan het nauwelijks over mijn lippen krijgen om haar een sekteleider te noemen’, zegt moeder Nansy. ‘Maar hoe zou ik haar anders moeten noemen?’
Onder de noemer Kundalini Katie heeft haar dochter eerst jarenlang astrologievideo’s gemaakt. Daarna wordt ze ‘ontdekt’ door Harijiwan Khalsa, een vroege volger van Yogi Bhajan. De rijzige ‘sikh’ Harijiwan – van origine overigens een Joodse Amerikaan, met de doodnormale naam Steve – ziet in Griggs de ideale ingang naar millennial-vrouwen en begint haar in te zetten als boegbeeld van de beweging. In die hoedanigheid groeit zij binnen de kortste keren uit tot een icoon van de meditatie- en wellnesswereld. Met onmogelijk gedrag achter de schermen, een categorische ontkenning van alle misstanden binnen de gemeenschap en haar openlijke omarming van QAnon en andere complottheorieën draait ze zichzelf daarna ook weer helemaal vast.
Toch is Breath Of Fire méér dan een poging om Guru Jagat – en in haar kielzog de complete Kundalini-beweging – te ontmaskeren. Waar Yogi Bhajan en Harijiwan Khalsa uiteindelijk op weinig begrip kunnen rekenen van Papas en Stevens, kijken zij, mede door de inbreng van haar openhartige moeder Nansy en stiefvader Rabbit, wel met een zekere compassie naar Katie Griggs, een gecompliceerde jonge vrouw die ’t ooit misschien niet eens zo slecht bedoelde, maar ergens onderweg een verkeerde afslag moet hebben genomen. Toen ze dat zelf in de gaten kreeg – als dat al ooit is gebeurd – was het al te laat en bleek er geen weg meer terug. Deze serie tekent dat tragische verhaal zeer adequaat op, met oog voor zowel de vrouw als het monster in haar.