Strijders Voor Gelijke Rechten: HTIP 50 Jaar

Human

Met de komst van Turkse gastarbeiders naar Nederland kwam ook de behoefte om op te komen voor hun belangen. In 1974 werd HTIB opgericht door politieke vluchtelingen uit Turkije. Hollanda Turkiyeli Isciler Birligi. Ofwel: de Turkse Arbeidersvereniging Nederland. De organisatie vierde onlangs zijn vijftigjarige bestaan. In die periode heeft HTIB zich sterk gemaakt voor het bevorderen van de integratie, emancipatie en participatie van de Turkse gemeenschap in Nederland.

In de documentaire Strijders Voor Gelijke Rechten: HTIP 50 Jaar (51 min.) blikt Nilüfer Öder met leden van verschillende generaties terug op de roerige geschiedenis van de organisatie, die zich consequent schrap zette tégen racisme en discriminatie en streed vóór democratische rechten. Ze staken daarbij ook hun nek uit voor mensen met wie ze het niet eens waren, vertelt journalist Sinan Can, die opgroeide in een echt HTIB-gezin. Hij is ervan overtuigd dat zijn eigen morele kompas in die omgeving, tijdens de eindeloze debatavonden in het bijzonder, verder scherp is gesteld.

De Turks-Nederlandse belangenorganisatie bemiddelde daarnaast bij taal- en huisvestingsproblemen van gastarbeiders. Die leefden in Nederland vaak in erbarmelijke omstandigheden. Veel meer dan een piepkleine kamer met een bed kregen ze niet. En als ze ploegendienst draaiden, moesten ze die ook nog delen met een collega uit een andere dienst. HTIB boekte daarnaast ook politieke successen: stemrecht voor gastarbeiders bij de gemeenteraadsverkiezingen, gezinshereniging werd vergemakkelijkt voor buitenlandse arbeiders en er kwam amnestie voor witte illegalen.

Soms moesten ze daarbij ook hun eigen grenzen flink verleggen, vertelt Mustafa Ayranci, sinds twintig jaar voorzitter van HTIP. Voor een demonstratie na de racistische moord op Kerwin Duinmeijer (Lucas) in 1983 wilde een vertegenwoordiger van het COC bijvoorbeeld dat er in de gezamenlijke tekst ook een passage werd opgenomen over discriminatie tegen homo’s. Dat kon wel eens verkeerd vallen in de Turkse gemeenschap. ‘In die tijd dacht ik dat homoseksualiteit een ziekte was’, vertelt Ayranci, die afkomstig is uit een klein dorp. ‘Ik was in shock. Wat moest ik doen?’

Hij ging te rade bij toenmalig voorzitter Nihat Karaman. ‘Hij zei: ga naar die tafel en zeg ja’, herinnert Ayranci zich. ‘Als jij zijn rechten niet verdedigt, kan morgen iemand anders jouw rechten niet verdedigen.’ En dat zou, blijkens deze interessante terugblik, een belangrijke leidraad worden voor HTIB, dat zich ging inzetten voor vrouwen- en LHBTIQ+-rechten, de strijd aanbond met huiselijk geweld en eerwraak en zich met hand en tand verzette tegen de extreemrechtse Turkse organisatie De Grijze Wolven, die ook in Nederland voet aan de grond probeerde te krijgen.

Met wijlen Nihat Karaman, die samen met zijn echtgenote Maviye aan de wieg stond van HTIP, is meteen de grote afwezige in deze documentaire genoemd – al wordt niet helemaal duidelijk wat er precies waarom met hem is gebeurd (als dat al helemaal helder is). Via zijn vrouw en zoons Deniz en Saydan, die samen met bijvoorbeeld de voormalige kamerleden Tofik Dibi en Emre Ünver een nieuwe HTIB-generatie vertegenwoordigen, waart zijn geest echter nog altijd rond in de organisatie, die ook in tijden van individualisering onverminderd saamhorigheid blijft prediken.

De Stad Was Van Ons

IDFA

Woningnood en leegstand. Die duivelse combinatie noopt halverwege de jaren zestig tot actie. Het studentenblad Propria Cures roept op tot ‘Red een pandje‘. In 1966 lanceert de protestbeweging Provo bovendien het Witte Huizenplan. Vanuit zulke initiatieven ontstaat gaandeweg ook de Amsterdamse kraakbeweging. Een groep jonge idealisten besluit het recht in eigen handen te nemen en verschaft zich ongevraagd toegang tot lege panden in de hoofdstad. Al snel komt het tot pittige confrontaties met de politie.

In de historische documentaire De Stad Was Van Ons (93 min.) uit 1996 kijkt Joost Seelen met sleutelfiguren uit de kraakbeweging terug op de cruciale jaren 1975-1988. Hun herinneringen komen bovendien tot leven in het beeldmateriaal dat één van hen, Erik Willems, destijds heeft geschoten toen ‘t bij de ontruimingen van illustere kraakpanden zoals De Groote Keijser, De Vondelvrijstaat en De Lucky Luijk tot keiharde clashes kwam met de Mobiele Eenheid en knokploegen van pandjesbazen.

Amsterdam leek het toneel geworden van een burgeroorlog, waarbij er zowaar tanks door de straten reden. Dat was natuurlijk koren op de molen van ideologisch gedreven krakers, zoals bijvoorbeeld de alomtegenwoordige alfaman Theo van der Giessen, die met liefde en plezier het complete politieke systeem omver zou hebben geworpen. Hij lijkt in 1996 nog altijd een onwrikbaar geloof te hebben in zijn eigen uitgangspunten en de nietsontziende manier waarop die in de praktijk moesten worden gebracht.

De gespannen situatie in de hoofdstad kwam tot een gedenkwaardige uitbarsting op 30 april 1980, de dag dat Beatrix haar moeder Juliana opvolgde als koningin. Onder de noemer ‘Geen Woning, Geen Kroning!!‘ versjteerden rellende krakers wat een nationale feestdag had moeten worden. De meningen over die dag lopen ook binnen de beweging uiteen. Hardliners zien de veldslag in het centrum van Amsterdam als de kroon op hun werk, terwijl anderen zich kapot schamen voor de ravage die is aangericht in hun stad.

Tegen die tijd waren de interne verhoudingen al flink verzuurd, getuige deze film waarin een tumultueuze periode in de kraakhistorie in kaart wordt gebracht. Seelen houdt zich daarbij zoveel mogelijk afzijdig en zet simpelweg de verschillende lezingen van wat er zich destijds heeft afgespeeld naast en tegenover elkaar. Van der Giessen en zijn kompaan Jack van Lieshout lijken in elk geval een sleutelrol te hebben gespeeld. Zij zijn duidelijk van de harde lijn. En daar houden ze ook in eigen kring aan vast.

Die periode – een oorlog wordt ’t ook wel genoemd – heeft diepe wonden geslagen. Andere krakers stellen dat ze (fysiek) zijn geïntimideerd door de ‘politiek-militaire eenheid’ Van der Giessen en Van Lieshout, die heel veel – zo niet: alles – geoorloofd vond (en in ‘96 nog altijd vindt) om z’n eigen doelen te verwezenlijken. Een strijd die ooit is begonnen met mooie idealen, laat deze interessante docu zien, is dan allang ontaard in een grimmig gevecht om de macht over wat en van wie de kraakbeweging is.

One To One: John & Yoko

Magnolia Pictures

Eind 1971 verhuizen John Lennon en Yoko Ono van Londen naar New York, waar ze anderhalf jaar lang in een klein appartement in Greenwich Valley wonen, kunstenaars en politieke activisten ontvangen en héél véél televisie kijken. Ze zijn zelf overigens ook vaak op de buis, getuige de documentaire One To One: John & Yoko (100 min.) van Kevin Macdonald en Sam Rice-Edwards, in één van de vele Amerikaanse nieuws-, entertainment- of praatprogramma’s.

Want dat kennen ze dan nog niet buiten de Verenigde Staten: de hele dag door televisie, een permanent venster op de wereld, gewoon in je eigen huiskamer. Waarop bijvoorbeeld is te zien hoe een lid van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis de Amerikaanse president Richard Nixon de mantel uitveegt over de Vietnamoorlog, leden van de tegencultuur zoals Jerry Rubin ongegeneerd hun kans grijpen in talkshows en een opstand in de Attica-gevangenis met brute kracht wordt neergeslagen.

John en Yoko’s Greenwich-periode culmineert in One To One, het énige volledige optreden dat Lennon heeft gegeven ná het einde van The Beatles. Macdonald en Rice-Edwards matchen fragmenten van dit benefietconcert voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, op 30 augustus 1972 in Madison Square Garden, met andere activiteiten van de Britse zanger/gitarist en de Japanse kunstenares, die elkaar hebben gevonden in zowel de liefde als een alomvattend activisme.

Deze archieffilm bevat ook talloze telefoongesprekken van het tweetal. Met vrienden, managers, journalisten en allerlei andere lieden die iets van hen willen. Lennons echtgenote moet zich bijvoorbeeld de vele Yoko-haters van het lijf houden, die haar het einde van Johns eerste huwelijk en van The Beatles verwijten, en probeert zelf, ook via de televisie overigens, de relatie met Kyoko, de dochter uit haar relatie met kunstpromotor Anthony Cox, te herstellen. Haar ex is spoorloos verdwenen met het meisje.

Terwijl de camera zwerft over een replica van het voormalige appartement van Lennon en Ono, komt via de beeldbuis de rest van de wereld binnen. Zowel het segregatie-boegbeeld George Wallace als zijn absolute tegenpool, de zwarte vrouw Shirley Chisholm, stellen zich bijvoorbeeld namens de Democratische Partij kandidaat voor de presidentsverkiezingen van 1972. Het Watergateschandaal rond de Republikeinse president Nixon komt op gang. En intussen zijn er tv-reclames in alle soorten en maten.

Via het iconische duo John en Yoko – en hun optredens, opgenomen belletjes en televisietoestel – brengen Macdonald en Rice-Edwards haarscherp een getroebleerde natie in beeld. Een land dat aan het begin van de jaren zeventig wordt verscheurd door Vietnam, raciale spanningen en maatschappelijke tegenstellingen. Waar Richard Nixon in 1972 een gigantische verkiezingsoverwinning kan boeken, om nog geen twee jaar later, als gevolg van Watergate, roemloos af te druipen als niets meer dan een ‘crook’.

John Lennon en Yoko Ono zijn dan al enige tijd weg uit Greenwich Valley en hebben elders in New York een appartement betrokken.

Boyzone: Life, Death And Boybands

SkyShowtime

Na het eerste televisieoptreden van Boyzone in 1993 – van zingen kwam ’t niet, het bleef bij dansen – kegelde initiatiefnemer Louis Walsh zonder duidelijke reden twee bandleden eruit. Ze pasten er toch niet helemaal tussen, waarschijnlijk. Toen waren er nog maar vier over. ‘Ik moest ze laten weten dat ze op elk moment vervangen konden worden’, legt Walsh uit. De jongens in zijn boyband moesten hongerig en ambitieus blijven en mochten niets voor vanzelfsprekend aannemen.

Nu had de manager alleen nog een nieuw groepslid nodig. Want vijf was volgens hem het ideale aantal voor zo’n jongensband. Als er dan eentje z’n biezen pakte, had ie er nog genoeg over om gewoon door te kunnen gaan. Walsh rekruteerde Michael Graham, die altijd een Fremdkörper zou blijven in de groep. En daarmee was ‘de Ierse Take That’ compleet, klaar om de wereld te veroveren. Tenminste, het vrouwelijke deel. Beter: de meisjes. Daarvan moesten de harten sneller gaan kloppen.

De driedelige docuserie Boyzone: Life, Death And Boybands (145 min.) van Sophie Oliver is een opvallend open, kritische en schrijnende terugblik op de carrière van de vijf Adonissen uit Dublin en hun gehaaide manager Louis Walsh, een man die al net zo rücksichtslos opereerde als Frank Farian, de bedenker van Milli Vanilli, en Lou Pearlman, de manager van Backstreet Boys en *NSYNC, popacts waarover in de afgelopen jaren ook smeuïge documentaireproducties zijn uitgebracht.

Alleen kwam daarin de man die achter de schermen aan alle touwtjes trekt zelf niet aan het woord. Hier wel. En Walsh spreekt niet met meel in de mond. Volgens journalist Paul Martin van de tabloid The Irish Mirror, tabloid, gefilmd in een schemerige parkeergarage, was de Boyzone-manager een geweldige bespeler van de pers. Walsh gaf hen vaak carte blanche en verzon zonder problemen allerlei onzinverhalen over de groep om maar in beeld te blijven, desnoods over de rug van zijn jongens.

Zo kreeg Martins coververhaal ‘Baby Spice & Boyzone Steve are live and kissing’ een wrange nasmaak. Want Boyzone-kanjer Stephen Gately, waarvan menig meisjeshart sneller ging kloppen, was in werkelijkheid homo. In 1999 kwam dat alsnog uit. ‘Iemand verraadde hem’, herinnert Boyzone-voorman Ronan Keating zich, ‘en deed Steo in de uitverkoop.’ Het verhaal bereikte vervolgens showbizzjournalist Rav Singh van The Sun, de concurrent van The Irish Mirror. En die had niet geaarzeld.

‘Boyzone-ster Stephen Gately koos The Sun om z’n moedige mededeling te doen’, leest Keating 25 jaar later voor uit de krant. ‘Flikker op! Hij heeft niet gekozen.’ De hele groep was destijds verontwaardigd over wat er met hun vriend en collega gebeurde. ‘Hij was er niet klaar voor, die arme jongen’, zegt Shane Lynch. ‘Hij was zo bang.’ Manager Walsh kan een glimlach echter niet onderdrukken als hij The Sun onder ogen krijgt. ‘Goed om te zien’, zegt hij tevreden. ‘Hij haalde de voorpagina.’

De tabloids zouden een dubieuze rol blijven spelen in de bandhistorie, in het bijzonder na Gately’s overlijden in 2009. En de verhoudingen in de groep zouden daarna ernstig verzuren, waardoor de verplichte reünietournee, die dit soort docu’s doorgaans aftopt, er in Boyzone’s geval echt niet in lijkt te zitten. Alhoewel? Ronan Keating, Shane Lynch en Keith Duffy zeggen niet direct nee. Alleen Mikey Graham, die altijd twijfels heeft gehouden bij het boybandbestaan, staat vooralsnog niet te springen.

Louis Walsh zou in elk geval helemaal niets veranderen aan de voorbije dertig jaar. ‘Het was misschien niet perfect’, zegt hij triomfantelijk. ‘Maar het was perfect voor mij.’

The Tuba Thieves

SFFILM

Hoe ’t is om slechthorend (of doof) te zijn? De Amerikaanse kunstenares Alison O’Daniel wil de ervaring delen. Hoe geluid alomtegenwoordig kan zijn – of niet. En hoe het samensmelt met beelden, er juist keihard tegenaan botst of gedachteloos langs dendert. In haar eerste film The Tuba Thieves (90 min.), een hybride van docu en drama, zoekt O’Daniel die zintuiglijke, wonderlijke en soms ook vervreemdende ervaring doelbewust op, zodat die ook voor horenden beter invoelbaar wordt.

Ze dwingt haar kijkers om voortdurend af te stemmen: waar kijk/luister ik naar, hoe moet ik dit interpreteren en waar moet ik ’t plaatsen in de rest van de vertelling? De diefstal van tuba’s van middelbare scholen in Los Angeles, in de periode 2011-2013, fungeert daarbij als startpunt. Maar wat dit nu betekent? Jonge muzikanten en hun orkesten die beroofd worden van hun meest dominante en voelbare instrument? De daders worden aan het eind in elk geval niet in de kraag gevat. Daar gaat ’t duidelijk niet om.

The Tuba Thieves is een exploratie van de (niet-)horende wereld. Waar laag over LA heen scherende vliegtuigen en helikopters elk gesprek onmogelijk maken – tenzij het met gebarentaal wordt gevoerd, natuurlijk – en de wereld regelmatig even stilleggen. Waar bezoekers van het laatste concert in The Deaf Club – of een re-enactment daarvan – tijdens het optreden gewoon rustig kunnen bijpraten of discussiëren. En waar Prince tijdens de Purple Rain-tour van 1984 een gratis concert geeft op de dovenschool Gallaudet College.

De hele film is ondertiteld. Fout: de geluiden of muziek zijn via teksten in beeld beschreven. Dat betekent iets wezenlijk anders: een helikopter scheert bijvoorbeeld over de snelweg tussen de bergen door. Het beeld lijkt op z’n kop. En intussen kun je [BEATING HELICOPTER BLADES] horen of lezen. De camera houdt daarna halt bij enkele middelbare scholen, begeleid door [TUBA NOTES…]. Bij de John C. Fremont School, ‘Home of the Pathfinders’, bezweert een elektronisch bord vervolgens: ‘All is not lost’.

[ONE TUBA NOTE PLAYED FOR THIS LONG…] staat er vervolgens bij het exterieur van de South Gate High School, terwijl er vanuit dat gebouw een monotone tuba klinkt. En dan is het, inderdaad, precies op tijd stil. Al die beelden en (uitgeschreven) geluiden, het is een onwerkelijke ervaring. Het is ook moeilijk om vat te krijgen op wat McDaniel er precies mee wil. Behalve een zintuiglijke ervaring bewerkstelligen en nieuwe verbanden in het brein leggen tussen kijken en horen, op het snijvlak tussen fictie en non-fictie bovendien.

Een geënsceneerd verhaal over de dove Afro-Amerikaanse vrouw Nyke, met een voorliefde voor drummen, en haar eveneens dove vader en geliefde Nature Boy vormt het hart van de film. Waarbij het de vraag blijft of de dove acteurs (een versie van) zichzelf spelen. Helder is dat ook niet/slecht horende mensen zich moeten verhouden tot geluid. Zoals ook géén geluid geluid is. Een idee dat is vervat in 4’33”, het ‘silent piece’ van John Cage. Ruim vier minuten gecomponeerde stilte, nu gereconstrueerd.

Met al die los-vast verbonden verhaalelementen en de voortdurende afwisseling van geluid, stilte, lawaai en muziek groeit The Tuba Thieves uit tot een even intrigerend als ongrijpbaar pleidooi voor inclusiviteit.

Architecton

Cherry Pickers

Ooit zijn het wellicht trotse gebouwen geweest – of op z’n minst levendige gebouwen. Nu ogen ze verweesd. Verlaten, afgedankt. Tanks hebben er gaten ingeschoten, bommen een hap uitgenomen. Of een aardbeving is er ongegeneerd z’n gang mee gegaan.

De Russische documentairemaker Victor Kossakovsky (BelovySvyato en Gunda) laat zijn camera zweven over flatgebouwen die de oorlog of het natuurgeweld ternauwernood hebben doorstaan – of niet. Als ze niet meer te redden zijn, worden ze uit elkaar getrokken door een graafmachine. Zo wordt een deel van de stad ontmanteld, waar ergens vast ook nog wel, stiekem, mensen huizen.

Kossakovsky’s impressies van gehavende Oekraïense en Turkse steden behoren tot de meest imposante taferelen van Architecton (97 min.), zijn beeldsymfonie over de verhouding tussen architectuur, natuur en beschaving, in het bijzonder de rol van steen en beton daarin. Hij begeeft zich ook naar eeuwenoude ruïnes en moderne bouwwerken en toont het leven daar – of het ontbreken daarvan.

Met dank aan cameraman Ben Bernhard (All That Breathes), die ogenschijnlijk dood materiaal tot leven kan brengen in grootse shots en close-ups, en componist Evgueni Galperine, wiens soundtrack beurtelings dreiging, schwung of drama meegeeft aan de materie. Zij kunnen rotsblokken bijna letterlijk laten dansen of geven het afvoeren van puin de bedrijvigheid van een nijvere mierenhoop.

Bijzondere aandacht is er voor de Italiaanse architect Michele de Lucchi, die in zijn eigen tuin een ‘magische cirkel’ laat aanleggen. Mensen zijn daarbinnen niet welkom. Het is bedoeld als een les in bescheidenheid tegenover de natuur, die prima aansluit bij Kossakovsky’s pleidooi om duurzamer te bouwen en de aarde niet vol te storten met beton of overal zielloze stenen kolossen op te trekken.

‘Hoe kan ’t dat mensen altijd wisten hoe ze gebouwen moesten maken die duizenden jaren konden blijven bestaan?’ vraagt Victor Kossakovsky zelf, in de epiloog van deze film waarin verder nauwelijks wordt gesproken, aan De Lucchi. ‘En waarom bouwen we nu dan voor slechts een jaar of veertig?’ En waarom, bijt hij door, al die lelijke saaie gebouwen als we ook mooie kunnen ontwerpen?

De architect probeert Kossakovsky’s kritiek niet te pareren. Hij omarmt die. Sterker: Michele de Lucchi schaamt zich zelfs voor een project waarbij hij zelf betrokken is. Hij pleit voor een herbezinning. ‘Als we iets ontwerpen, ontwerpen we geen product, gebouw of ruimte’, zegt hij tegen de filmmaker. ‘We ontwerpen het gedrag van mensen.’

Interplay

Docmakers / Ammodo Docs

Als malariaonderzoeker bewandelt Teun Bousema de omgekeerde weg. Hij begint bij hoe de mug, die later via een beet de mens besmet, zelf besmet raakt met de malariaparasiet. Van daaruit zoekt Bousema naar manieren om de menselijke bescherming tegen malaria te verbeteren. Want de tropische ziekte mag in Nederland dan slechts een beperkt aantal mensen raken. Wereldwijd maakt malaria jaarlijks nog altijd zo’n 600.000 dodelijke slachtoffers.

Alle reden dus voor de Nederlandse epidemioloog besmettelijke ziekten van het Radboud UMC in Nijmegen om onderzoek te doen in allerlei verschillende landen in Afrika, het werelddeel waar malaria van oudsher het meeste slachtoffers maakt. Bousema krijgt daar bovendien met een opmerkelijke uitdaging te maken: de parasieten zijn langzamerhand resistent geworden voor malariamedicijnen. Het middel waarmee de ziekte sinds de eeuwwisseling effectief leek te kunnen worden ingedamd, begint daardoor zijn werking te verliezen.

In de sfeervolle korte documentaire Interplay (20 min.) volgt Sanne Rovers hoe Bousema en zijn promovendus Daniel Ayo in Noord-Oeganda, een potentiële brandhaard voor een nieuwe uitbraak, naar een ingang zoeken om de scheuren in de menselijke bescherming weer te herstellen. Dat is een delicate kwestie, waarvoor een scherpe blik en lange adem nodig is. In een beladen omgeving bovendien. Nog niet zo lang geleden werd daar, bij de grens met Zuid-Soedan, een bloedige oorlog uitgevochten. Ayo heeft pijnlijke herinneringen aan die tijd.

Die lijken echter volledig naar de achtergrond te verdwijnen als de Afrikaanse onderzoeker en zijn Nederlandse mentor door hun microscoop turen, om zo een minuscule, maar zeker zo gevaarlijke vijand in het oog te krijgen. En Sanne Rovers kijkt al even gebiologeerd mee, met een oog voor detail dat ook haar hoofdpersonen kenmerkt. The devil zit zeker hier, in een episch gevecht dat je desondanks zomaar over het hoofd zou kunnen zien, in the detail.

Les Dames Blanches

lesdamesblanche.be

‘Het is een professionele relatie’, antwoordt de docent, als Simeon Severino tijdens een dagje school vraagt of hij ook dingen over zichzelf aan ‘de zorgvrager’ mag vertellen. ‘Het is géén persoonlijke relatie’, benadrukt ze nog maar eens. ‘Dus dat is heel belangrijk, om dat heel goed te bewaken.’

Simeon lijkt het antwoord maar moeilijk te kunnen bevatten. Tijdens zijn stage in woonzorgcentrum De Liberteyt in Gent is dat juist wat er goed werkt: het persoonlijke contact tussen hem als jonge zorger en de oudere dames waar hij zich om bekommert. Als hij zichzelf kan en mag laten zien. Verder heeft de charmante jongeling uit de Domenicaanse Republiek nog heel veel te leren: elementaire zorgtaken, op tempo werken en de taal Nederlands – of een plaatselijke Gentse variant daarop – helemaal meester worden.

Het lijkt de centrale thematiek van Les Dames Blanches (61 min.): terwijl hij met zijn ontwapenende verschijning, open persoonlijkheid en aandacht voor wat een mens mens maakt moeiteloos enkele dames om zijn vinger windt – en zo meteen een ander perspectief biedt op wat ouderenzorg kan (en dus moet) zijn – botst hij ook op tegen de beperkingen van de hedendaagse zorg. Want Simeon zal zich de arbeidsroutines toch echt beter eigen moeten maken en zijn werktempo flink moeten verhogen.

De Vlaamse filmmaakster Camille Ghekiere lijkt zich in eerste instantie te beperken tot het simpelweg observeren van Simeons belevenissen tijdens de stage. Met veel oog voor de poëzie van het alledaagse, in het bijzonder de interactie tussen die intuïtief opererende exotische jongen en het ensemble van dames dat zich gaandeweg rondom hem lijkt te verzamelen. Als zij elkaar vinden in zorgvuldig geënsceneerde (dans)scènes, wordt duidelijk dat ze als maakster ook echt in de situatie heeft ingegrepen.

Simeon Severino blijkt, getuige dit interview, niet zomaar een passant, maar een oude bekende, met wie ze al vaker heeft gewerkt. De vraag is dan bijna onvermijdelijk: zou zijn overleden grootmoeder, waarnaar hij regelmatig verwijst in de centrale voice-over van de film, hem daadwerkelijk ‘als je iemand niet verzorgt met je hart, waarmee dan wel?’ hebben ingefluisterd? Of zijn ook die teksten doelbewust geconstrueerd om de basisgedachte van de film kracht bij te zetten? De vragen stellen is ze vermoedelijk ook beantwoorden…

Via een klassiek verhaal over een vreemdeling die een gesloten gemeenschap opschudt en deze na vertrek voorgoed veranderd achterlaat, houdt Les Dames Blanches in elk geval het westerse zorgsysteem een spiegel voor.

Front Row

Scenery / Banijay / Cinema Delicatessen

Zij vechten de oorlog aan het culturele front, constateert de Oekraïense veteraan Oleksandr Teren Budko, alias Sasha, over zijn landgenoten van de United Ukranian Ballet Company. Het dansgezelschap werd begin 2022 opgericht na de aanval van Rusland op Oekraïne, opereert tegenwoordig vanuit Den Haag en bestaat uit zestig gevluchte dansers.

Stuk voor stuk hebben zij zich te verhouden tot de oorlog, vervat in beelden van het front. De broer van Violetta Hurko lid van het corps de ballet, dient bijvoorbeeld in het leger. Zij is bang dat het verkeerd met hem afloopt. Soms schuilt ze even in zijn soldatenjas. Solodanser Vladyslav Bondar maakt zich zorgen over zijn vader die eveneens voor zijn land vecht. ‘Als ik er niet meer ben’, zegt hij tegen zijn zoon, ‘is het jouw beurt om ons land te verdedigen.’

Eerste solist Alexis Tutunnique voelt zich intussen schuldig: terwijl hij naar het buitenland is uitgeweken om te dansen, stellen leeftijdsgenoten hun leven in de waagschaal. Hij zet de documentaire Front Row (75 min.) definitief in gang. Als Tutunnique ontdekt dat Sasha in de omgeving verblijft, nodigt hij hem uit om de voorstelling Giselle bij te wonen. De voormalige soldaat heeft nog nooit een balletuitvoering bijgewoond.

Vanuit de zaal verbaast hij zich erover hoe hoog de dansers springen. ‘Ik heb nu nog meer waardering voor benen dan vroeger’, zegt Sasha met gevoel voor understatement. Want zelf is hij aan het front zijn beide onderbenen kwijtgeraakt. De voormalige barista en grafisch vormgever is voortaan aangewezen op beenprothesen. Dat weerhoudt Sasha niet van een opvallend idee: hij wil zijn strijd voortzetten op het toneel. Ofwel: meedoen aan een voorstelling.

Daarmee heeft de Nederlandse documentairemaakster Miriam Guttmann het warm kloppende hart voor haar sfeervolle exploratie van de rol en waarde van kunst in tijden van oorlog te pakken. Niet iedereen in het gezelschap is alleen even enthousiast over de toevoeging van een oorlogsveteraan met een lichamelijke beperking. Danseres Iryna Zhalovska, die met haar dochtertje Sofia in Nederland verblijft, vreest dat het een mislukking wordt.

Terwijl de United Ukranian Ballet Company toewerkt naar de première van dat nieuwe werk, waarmee de dansers ‘hun kracht, hun trots, hun vastberadenheid, hun liefde voor Oekraïne en de drang om haar cultuur in stand te houden’ willen uitdrukken, ontstaat er een hechte vriendschap tussen Alexis en Sasha, twee jonge mannen die in andere tijden waarschijnlijk nooit elkaars gezelschap zouden hebben opgezocht en die nu door het lot zijn verbonden.

Tijdens de geladen en fraai vereeuwigde uitvoering van het oorlogsballet, de vanzelfsprekende apotheose van deze krachtige film, komt het vervolgens allemaal samen: de moed, het doorzettingsvermogen en de eendracht. En het verlies, de rouw en het verdriet van Oekraïne. In kunst die schoonheid aan zeggingskracht paart – en met beide benen, prothesen of niet, in de hedendaagse tijd en wereld staat.

Keith Richards: Under The Influence

Netflix

Hij klinkt nog altijd alsof hij flink in de olie of onwaarschijnlijk high is. En dan die lach: alsof er tegelijkertijd slijm en valse lucht uit lang vervlogen tijden mee naar buiten willen. Het is daarom wellicht verleidelijk om Rolling Stones-gitarist Keith Richards niet al te serieus te nemen. Als een oude vos die nu eenmaal zijn streken niet verleert.

Toch is ‘Keef’ allang niet meer de onbetwiste nummer één op rock & rolls te verwachten dodenlijst – al zou dat tegenwoordig, nu hij zowaar al even in de tachtig is, allang niet meer zo vreemd zijn als in pak ‘m beet de eerste vijftig jaar van zijn turbulente bestaan. Toen hij alles deed wat God verboden had. ‘Je bent pas volwassen op de dag dat ze je begraven’, zegt hij er zelf over, ook alweer tien jaar geleden overigens, in Morgan Neville’s documentaire Keith Richards: Under The Influence (82 min.) uit 2015.

Omdat The Rolling Stones weer even in de pauzestand staan, blaast hij dan met z’n vaste kompanen Waddy Wachtel (gitaar) en Steve Jordan (drummer/producer) zijn solocarrière nieuw leven in. De gitarist zingt en speelt enkele nieuwe songs, ontvangt muzikale gasten voor z’n derde album Crosseyed Heart en demonstreert en passant dat ie ook een lekker moppie piano kan spelen (iets wat hij volgens eigen zeggen leerde van Ian Stewart, de pianist die nooit echt tot The Rolling Stones mocht behoren).

Richards blikt verder terug op zijn jeugd in het Engelse Dartford, vertelt hoe de blues van Robert Johnson, Muddy Waters en Howlin’ Wolf zijn leven veranderde en zoomt dan in op de band die van daaruit ontstond – waarvan hij nu al dik zestig jaar het muzikale geweten is, terwijl Mick Jagger als blikvanger fungeert. Dit portret concentreert zich volledig op zijn onbegrensde liefde voor muziek. Seks en drugs, vaste bestanddelen van andere Stones-docu’s, geven ditmaal voorrang aan rock & roll. De muziek dus.

Achteraf bezien is ‘t een gotspe dat er een Brits bandje aan te pas moest komen om al die Amerikaanse blueshelden aan de vergetelheid te ontrukken. Het zorgde wel voor onvergetelijke momenten, die hij duidelijk koestert. En toen Richards’ relatie met Jagger, die in deze film nooit meer dan een onbeduidende figurant wordt, halverwege de jaren tachtig in de ‘Derde Wereldoorlog’ was beland, ontdekte hij via de docu Chuck Berry: Hail! Hail! Rock ‘N’ Roll (1987) dat er een muzikaal leven bestond buiten The Stones.

Want het podium en de studio beschouwt hij als zijn thuis. Verder bezoekt Keith Richards in dit sympathieke portret het Grand Ole Opry in countrymekka Nashville, zingt hij op tegen de dwarse crooner Tom Waits en speelt in Chicago, de bakermat van de elektrische blues, een partijtje biljart met Buddy Guy. Het is, kortom, de liefhebber in Keith Richards die alle aandacht krijgt in Under The Influence. De man ook, de zoon en de grootvader. Zij hebben in werkelijkheid allang de notoire veelgebruiker vervangen. 

‘Een imago dat ik niet kan afschudden’, zegt hij daarover berustend. ‘Het is geen schaduw want het is er de klok rond. Het verdwijnt niet als de zon ondergaat.’

Beelden Uit Tuvalu

Doxy

Ze gaan er eens goed voor zitten. Gewone Nederlanders, in hun eigen woonkamer. Benieuwd naar wat Dylan Werkman hen gaat voorschotelen op hun eigen televisie. ‘Tuvalu?’ zegt een vader even later, bij beelden van een strand waar de golven wild tegenaan klotsen. ‘Ik ga ‘t wel opzoeken’, zegt zijn tienerzoon.

‘Het tropische eiland Tuvalu verdwijnt langzaam in de Stille Oceaan’, leest een man in een andere huiskamer vanaf z’n mobiele telefoon voor aan zijn vrouw en drie kinderen, die tussen hen in op de bank zijn gekropen. ‘Als de klimaatverandering zo doorgaat, komt het nog deze eeuw, over vijftig of zestig jaar, volledig onder water te staan.’

Waarna een jonge man, in alweer een andere Nederlandse kamer, tegen de vrouw naast hem op de bank zegt: ‘ja, dit zal wel weer zo’n zielig verhaaltje zijn, of zo’. Op Beelden Uit Tuvalu (25 min.) is het bedreigde eiland te zien. Het aandoenlijke gezin Nagatalevu in het bijzonder. Vader, moeder, zoon en dochter springen en spelen in het woeste water.

In hun dagelijks leven hebben Tuvaluanen constant te maken met de stijging van de zeespiegel. De straten staan permanent blank, in huis moet alles omhoog gezet worden en aan de kust kan het ronduit gevaarlijk zijn. ‘Het is heel ver van mijn bed’, zegt een Nederlandse vrouw nochtans. ‘Ik kan me niet overal zorgen om maken.’

Zij spreekt uit wat menige Nederlander denkt – áls ie al denkt aan plekken zoals Tuvalu. Die onverschilligheid maakt Werkman treffend zichtbaar. Zijn kijkers hebben al genoeg aan hun eigen problemen. Een enkeling legt nog wel de link met onze dijken. Want zonder zou Nederland wel eens hetzelfde lot beschoren kunnen zijn als Tuvalu.

En dan tovert hij in deze interessante korte film nog een konijn uit de hoge hoed, dat z’n Nederlandse hoofdpersonen bijna dwingt om zich persoonlijk tot die sympathieke Tuvaluaanse familie te verhouden. Kan hij daarmee empathie afdwingen? En wat vinden de Nagatalevu’s eigenlijk van de lui die hen bekijken vanuit ons kikkerlandje?

Zirkuskind

Julia Lemke / Flare Film

Als ‘opa Ehe’ vertelt, hangt Santino aan zijn lippen. Zijn bijna tachtigjarige overgrootvader heeft prachtige verhalen. Over de gloriedagen van het circus. Als vijftienjarige reed hij al tractor. Daarmee trokken ze van Duitsland naar Barcelona. 2700 kilometer. Met zeventien kilometer per uur! En de olifant, apen, slangen en giraffen moesten allemaal mee.

Santino is nu elf. Voor zijn verjaardag heeft het guitige joch een kleine crossmotor gekregen. Hij is er dolblij mee. Het wordt nu zo langzamerhand ook tijd dat hij als Zirkuskind (Engelse titel: Circus Boy, 86 min.) gaat nadenken over hij zelf wil gloriëren in de piste van het circus. ‘Iedereen moet iets doen waarop ie trots is’, zegt opa Ehe bemoedigend.

Zijn achterkleinzoon en hij behoren tot de circusfamilie Frank. Santino’s vader Gitano heeft de verantwoordelijkheid over de dieren van Circus Arena. Kamelen, koeien, paarden, pony’s, lama’s en honden. Zijn moeder Angie is acrobate. Ze is nu alleen zwanger. En Santino’s jongere broer Giordano wordt, net als hijzelf, ingezet voor allerlei klusjes.

Julia Lemke en Anna Koch kiezen in deze observerende film consequent het perspectief van Santino, een jongen die het nomadenbestaan van zijn circusfamilie zonder voorbehoud omarmt. Zo was ‘t, is ’t en zal ’t naar zijn stellige overtuiging ook altijd blijven. Terwijl de hoogtijdagen van het circus toch al enige tijd achter hen lijken te liggen.

Overgrootvader blijft hem intussen nostalgische verhalen voeden, met zo nu en dan een bittere ondertoon. Als de vooroordelen ter sprake komen waarmee ze als circuslui altijd krijgen te maken, bijvoorbeeld. En ook de inktzwarte periode van de nazi’s, toen een groot deel van de familie werd afgevoerd naar de vernietigingskampen, blijft niet onbenoemd.

Zulk drama voert evenwel nooit de boventoon – ook omdat Ehe’s herinneringen worden verbeeld met cartooneske animaties van Magda Kreps en Lea Majeran. Santino’s bestaan kan zich ogenschijnlijk veelal in kinderlijke onschuld voltrekken. Op elke nieuwe school dreunt hij verder netjes op welke dieren ze hebben. En nee, die worden natuurlijk niet mishandeld.

Zirkuskind, verrijkt met afwisselend luchtige en weemoedige accordeonmuziek, richt zich duidelijk op een jonge doelgroep, maar geeft wel degelijk, door de ogen van een kind, een boeiende impressie van een jaar achter de schermen bij Circus Arena, dat met één been in het verleden en het andere toch nog best comfortabel in de tegenwoordige tijd lijkt te staan.

En aan het eind daarvan begint Santino zowaar een idee te krijgen van waar ie later trots op zou kunnen zijn.

The Coriolis Effect

Zindoc

Met een aantal mensen gaan ze het strand opruimen. Verpakkingen, lege waterflessen en aangespoelde visnetten. Zodat zojuist geboren schildpadden niet vast komen te zitten in de troep en, liefst zelfstandig, weer de zee kunnen bereiken. Met vereende kracht lukt het uiteindelijk om alles naar een zelf aangelegde dumpplaats te sjouwen. Niets staat de zeeschildpadjes nu meer in de weg.

De zeeschildpad vormt een terugkerend element in de associatieve documentaire The Coriolis Effect (110 min.) van Petr Lom en Corinne van Egeraat. De schildpad is kind aan huis in Kaapverdië, één van de grootste broedplaatsen ter wereld, en symboliseert de gecompliceerde relatie waarin mens en dier daar terecht zijn gekomen. Want op de eilandengroep voor de kust van West-Afrika worden de gevolgen van onze achteloze houding tegenover de aarde zichtbaar: de zee rukt op, net als vervuiling. Tegelijkertijd is er sprake van aanhoudende droogte. Het heeft er al jarenlang niet meer geregend.

In Kaapverdië doet het zogenaamde corioliseffect zich gelden: doordat de aarde ronddraait krijgt elke beweging er een afwijking. De archipel wordt daarom regelmatig gegeseld door wind en heeft het imago gekregen van een ‘land van wind’, een plek waar orkanen worden geboren. Lom en Van Egeraat proberen deze mythische wereld in al z’n diversiteit, complexiteit én schoonheid te vatten in een non-lineaire vertelling, zonder echte hoofdpersonen, over de verstoorde verhouding tussen mens en natuur, waarin alle verschillende elementen op de één of andere manier met elkaar verbonden lijken te zijn.

The Coriolis Effect vangt dit universum met lange en fraaie scènes, die, ogenschijnlijk intuïtief, met elkaar zijn verknoopt. Een visser geeft zijn boot bijvoorbeeld de naam van z’n overleden vriend Dery en sleept die vervolgens met vrienden de zee in. Een eenzame vis is onder water verstrikt geraakt in een vissersnet. Een krab doet zich tegoed aan een dode aangespoelde vis en maakt zich dan uit de voeten. Vogels proberen via de dop een druppel mee te pikken van aangevoerde flessen water. En een man maakt liefdevol met een tandenborstel en een bakje water de poten van een verminkt vogeltje schoon.

Dat mens en dier niet tegenover elkaar hoeven te staan in tijden van klimaatverandering en milieuvervuiling is tevens treffend vervat in een andere schildpadscène. Enkele jonge Kaapverdianen treffen een dood dier aan, dat gedesoriënteerd is geraakt en vervolgens uitgedroogd. ’s Nachts proberen zij een andere schildpad richting zee te sturen. En als dat maar niet wil lukken, tillen ze hem gewoon op en dragen het tegenspartelende dier naar het strand. Al snel neemt de natuur ’t over. Het dier ruikt de zee en kruipt het water in, om daar vrijwel direct uit het zicht te verdwijnen. Het is een hoopvol tafereel.

Nowhere Man

Doxy

In al hun jeugdige overmoed reden ze in 1998 gedrieën in een grijze deux chevaux naar Frankrijk om een roadmovie te maken over hun vriendschap. Het werd een mislukking, met veel gedol, gekibbel en gedoe. Géén film in elk geval. De 24 tapes verdwenen in een allengs vergeten doosje, met het idee dat ze er nooit meer uit zouden komen.

25 Jaar later is hun vriend Rob overleden en beschikken Jan Willem den Bok en Jaap van Heusden nog altijd over de tapes met opnames van die roadtrip naar nowhere. Wat vertellen die oude beelden over wie ze waren en zijn, hun onderlinge band en de eigenzinnige vriend die ze mettertijd een heel klein beetje uit het oog zijn verloren?

Hij wordt ongetwijfeld bedoeld met Nowhere Man (30 min.), de titel waaronder ze dat oude materiaal nu presenteren. En daarin zingen ze natuurlijk ook even mee met de gelijknamige Beatles-klassieker. ‘Doesn’t have a point of view’, klinkt ‘t dan, rijdend in die eend door de nacht. ‘Knows not where he’s going to. Isn’t he a bit like you and me?’

Rob was zo te zien een excentrieke jongeling. Iemand die worstelde met zichzelf en het leven, zo valt ook af te leiden uit de voicemail-berichten die Den Bok en Van Heusden in het hier en nu uitwisselen en waarmee ze al dat oude materiaal een beetje inkaderen. Een heel klein beetje. De kijker ervan wordt verder grotendeels aan z’n lot overgelaten.

Deze documentaire is de ode aan hun vriendschap geworden die de oorspronkelijke film had moeten zijn. Aan de jeugd ook, waarin ze elkaar hebben gevonden. Voor een buitenstaander is ’t best lastig om daar vat op te krijgen. De gesprekken en activiteiten, met ook enkele voicemails van Rob zelf uit latere tijden, lijken lukraak bij elkaar geklutst.

Dat is natuurlijk niet zo – er vormt zich onderweg wel degelijk een soort verhaal over die reis en daarmee ook een portret van de man die daarvan het neurotische middelpunt was – maar het kost best veel kruim om naar die serie snapshots van jeugdige branie, onbezonnenheid en twijfel te kijken en daaruit de essentie te destilleren.

I Am Martin Parr

Dogwoof

Gniffelen mag. Om de openingssequentie van I Am Martin Parr (52 min.), met iconische beelden van de Britse fotograaf. Om het friet etende gezin op een rood bankje, bij een vuilnisbak die niet op z’n taak is berekend. Om het oudere echtpaar dat elkaar nauwelijks een blik waardig gunt in een sfeerloos restaurant. Om de helblonde hanenkam voor een typisch Britse telefooncel. Om de groep nette heren met een zwarte bolhoed, die ogen als overjarige Daltons. En om de baby die er nog nét bij past in de helemaal volgestouwde winkelwagen.

Typisch Martin Parr. Door regisseur Lee Shulman bovendien opgediend met een snuifje punk: White Riot van The Clash. ‘Hij heeft gedaan wat Charlie Chaplin in de stomme film deed’, stelt Parrs collega Mimi Mollica. ‘Komedie en tragedie ineen. Dat bestond nog niet in de fotografie.’ Martin Parr ziet zichzelf echter niet als een humoristische fotograaf. ‘Het leven is gewoon vreemd en grappig.’ En dus zit zijn werk vol met zowel de schoonheid als de lulligheid van het bestaan. Het duurde alleen even voordat dit op waarde werd geschat: anderen verdachten de fotograaf ervan dat hij gewone mensen te kijk zette.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen hij in de jaren negentig lid wilde worden van Magnum Photos, het toonaangevende fotografencollectief. De helft van de leden zou ermee stoppen als Martin Parr werd toegelaten, de andere helft als er géén plek voor hem zou zijn. ‘Cultuur heeft iets tegen humor, terwijl humor de cultuur juist tempert’, schampert kunstenaar Grayson Perry daarover. ‘Dat wordt zo onderschat. Er zit zoveel performatieve ernst in de kunst. Mensen denken dat ellende belangrijker is in de kunst dan humor. Humor houdt gewichtigdoenerij en fanatisme binnen de perken.’

Terwijl zijn echtgenote Susie Parr, kunstkenners en collega’s zoals Bruce Gilden, Kavi Pujara en Harry Gruyaert hun licht over hem laten schijnen, toont Shulman hoe Parr, die ernstig ziek is geweest en zich geregeld voortbeweegt met een rollator, onvermoeibaar aan het werk blijft. Hij lijkt overal in de publieke ruimte wel wat van zijn gading te kunnen vinden: in restaurants, op de dansvloer, aan het strand, in een speelhal, achter het stuur of op de markt. ‘Niet lachen, normaal kijken’, zegt hij dan tegen de mensen voor zijn camera en legt hen vervolgens op hun paasbest, allergewoonst of ongemakkelijkst vast.

Volgens eigen zeggen wil Parr ‘de vrijetijdsbesteding van diverse klassen in de westerse wereld vereeuwigen’. Zo heeft hij meteen de wegkwijnende arbeidersklasse in Thatchers Engeland te pakken gekregen en later ook de consumptiemaatschappij en het internationale toerisme van onvergetelijke beelden voorzien. Op die manier heeft de onverzadigbare fotograaf, in de woorden van bassist Mark Bedford van de Britse skaband Madness (die natuurlijk niet ontbreekt in de lekker rafelige soundtrack van I Am Martin Parr), de wereld vastgelegd zoals die was. ‘En niet zoals hij ‘m wilde hebben.’

De bonte kermis aan beelden in dit joyeuze portret zorgt er zelfs voor dat het gewone leven, zoals eenieder van ons dat elke dag aantreft als ie z’n huis verlaat, verdacht veel op een Martin Parr-foto begint te lijken.

The Last Truck: Closing Of A GM Plant

HBO

De fabriek gaat dicht. Nee, Rick Wagoner, de CEO van General Motors (GM) heeft op 3 juni 2008 geen leuke boodschap. Het gaat slecht met de auto-industrie. GM moet de broekriem aanhalen. Op 23 december, nét voor Kerstmis, gaat de vestiging in Moraine, Ohio, voorgoed sluiten. ‘Merry fuckin’ christmas’, zegt een medewerker cynisch.

Het leeuwendeel van de 2500 werknemers, die vaak al een half leven bij GM werken, heeft waarschijnlijk gedacht dat ze hier hun pensioen zouden halen. Die vlieger gaat echter niet op. ‘Dit is mijn leven’, vertelt een vrouw. ‘Ik ben een fabrieksarbeider en ik ben daar trots op.’ Die trots is alomtegenwoordig in The Last Truck: Closing Of A GM Plant (41 min.), de korte docu die Julia Reichert en Steven Bognar hebben gemaakt over de fabriek en z’n medewerkers. Jaarlijks leveren ze 280.000 trucks af. En het duurt maar een dag of drie om helemaal uit het niets een voertuig te maken.

De auto-industrie in de Verenigde Staten ligt alleen op z’n gat. Volgens het nieuws zijn Amerikaanse arbeidskrachten simpelweg veel te duur. Ze zouden wel 78 dollar per uur kosten. Daar moeten de GM-medewerkers in Moraine hartelijk om lachen. ‘Dat zou mooi zijn’, reageert een man schaterend. Een vrouwelijke collega kan haar verontwaardiging echter nauwelijks onderdrukken. Ze is al blij als ze aan een derde daarvan komt. ‘En ik daag iedereen uit om een uur of tien per dag te gaan werken in die fabriek’, zegt ze venijnig, ‘en dan te zeggen dat ik geen 25 dollar per uur verdien.’

Via de GM-fabriek in Ohio vertellen Reichert en Bognar het verhaal van de Amerikaanse industrie, die rond 2008 in een ernstige crisis verzeild is geraakt. En dat is een ramp voor de arbeidersklasse. Hele gemeenschappen raken bevangen door een diepgevoelde woede richting politiek en bestuur. Hun teleurstelling – en die van gewone werkemannen en -vrouwen zoals zij – wordt gezien als een mogelijke verklaring voor de verkiezingswinst van Donald Trump in 2016 in de zogenaamde ‘Rust Belt’-Staten en zijn aanhoudende populariteit in gebieden waar oude fabrieken moesten sluiten.

Terwijl de laatste weken voordat de deuren op slot gaan voorbij vliegen, begint het de werknemers te dagen wat dit betekent voor henzelf en de plaatselijke gemeenschap als geheel. ‘Ik moet mezelf op mijn 45e opnieuw uitvinden’, zegt een vrouw geëmotioneerd. Net als veel van haar collega’s kent ze geen ander werk dan een plek aan de lopende band bij GM. Hetzelfde geldt voor de mensen in haar woonomgeving, die vrijwel allemaal bij General Motors of een aanverwant bedrijf in Moraine werken. ‘A GM Town no more’, kopt de lokale krant. De laatste truck dient zich aan.

Toen de GM-fabriek in 2014 werd overgenomen door het Japanse bedrijf Fuyao Glass, zagen Julia Reichert en Steven Bognar hun kans schoon en maakte samen de documentaire American Factory, geproduceerd door Barack en Michelle Obama, die een Oscar voor de beste documentaire won.

Sta Op! En Rust

Doxy

Steeds meer jonge mensen krijgen te maken met een burn-out. Voor Nederlanders met een migratieachtergrond geldt dit in het bijzonder. In Sta Op! En Rust (56 min.) verkent Bibi Fadlalla met enkele Nederlanders van kleur de problemen die zij ervaren en de mogelijke oorzaken daarvan.

Ze spreekt bijvoorbeeld Chichi Zhang, eigenaar van een social media agency. Haar moeder was tandarts in China en heeft in Nederland haar beroep weer opgepakt, Chichi’s vader werd intussen directeur van een ziekenhuis. Als dochter had zij het gevoel dat ze nauwelijks aan de hoge verwachtingen van haar ouders kon voldoen. Met alle gevolgen van dien.

De wortels van student rechten Vida Asaré liggen in Ghana. Haar broers en zussen zijn ook gebleven in hun Afrikaanse geboorteland. Vida’s vader zag in haar echter de persoon die de familie zou kunnen dragen. Dat zorgde voor een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. Ze was jaren alleen bezig met studie en werk – en de angst om vooral maar geen teleurstelling te worden.

Bestuursadviseur Tofik Dibi, oud-Tweede Kamerlid voor GroenLinks, verbaast zich erover hoezeer hij op een gegeven moment in de greep was geraakt van andermans verwachtingen. ‘Dat ik nog aan iemand wil bewijzen dat ik een goeie man van kleur ben’, zegt hij hoofdschuddend. ‘Of een goeie Nederlander, een goeie Marokkaan of moslim, een normale homo…’

Verder heeft ondernemer Manouschka Bottse, die als negenjarige over kwam vanuit Suriname, ervaren dat een vrouw van kleur in Nederland altijd met een achterstand begint. Die ervaring deelt ze met Jessica de Abreu. Als kind van De Bijlmer voelde zij altijd de druk om te presteren. Drie masters volstonden niet om dat gevoel onschadelijk te maken.

Fadlalla maakt dit idee, dat je altijd tekort schiet, voelbaar in deze bijna tactiele film. De persoonlijke verhalen van haar hoofdpersonen zijn omlijst met een wirwar aan flikkerende beelden, pling-geluidjes en statements van influencers, opinieleiders en celebrities. Zij benadrukken het belang van hard werken, jezelf bewijzen, tegenslagen slikken, nét een stapje verder gaan….

En als ze zulke wijze raad niet willen aannemen van pak ‘m beet Kim Kardashian, Denzel Washington of Beyoncé, dan is er nog altijd een ‘inner voice’, ingesproken door Yannick Jozefzoon, die zich persoonlijk tot hen richt. ‘Die opofferingen zijn ’t waard’, houdt ie hen vol overtuiging voor. ‘En je moet niet vergeten: je ouders zijn niet voor niets naar Nederland gekomen.’

Naarmate de film vordert, wordt Jozefzoons toon valser – en zijn venijnige boodschap nauwelijks meer te negeren. Totdat die alles om zich heen leegzuigt. ‘Je wilt niet die luie Marokkaan zijn, hè?’ klinkt hij bijvoorbeeld ronduit sardonisch, met veel echo op zijn stem. ’Of die Surinamer die altijd te laat komt?’ Na een korte stilte: ‘Hell no! You’re gonna miss out.’

Zo maakt Sta Op! En Rust treffend invoelbaar welke druk Nederlanders met een migratieachtergrond, vanuit hun omgeving en zichzelf, kunnen ervaren en hoe ’t uiteindelijk bijna onvermijdelijk kan worden dat ze daaronder bezwijken.

The Promise

Cinema Delicatessen

De beloofde onafhankelijkheid kwam er nooit. West-Papoea werd het slachtoffer van een schimmige deal tussen Nederland en de voormalige Nederlandse kolonie Indonesië, die onder druk van de Verenigde Staten en in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog tot stand was gekomen. In mei 1963 werd de Papoea-bevolking vervolgens opgeschrikt door Indonesische troepen, die de heerschappij in West-Papoea, het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea, met veel machtsvertoon overnamen. Ruim zestig jaar later gaat het Papoease volk nog altijd gebukt onder het juk van Indonesië, dat hen met harde hand regeert en elke vorm van verzet bruut de kop indrukt.

In The Promise (115 min.) reconstrueert Daan Veldhuizen hoe de Nederlandse belofte aan West-Papoea ooit werd gedaan en gebroken. Daarmee wordt deze documentaire een soort zusterfilm van In-Soo Radstake’s Indië Verloren… (2023). Nauwgezet stoft Veldhuizen een vrijwel vergeten hoekje van Neerlands koloniale geschiedenis af. Want hoewel de naar schatting tweeduizend Nederlanders met een Papoea-achtergrond alsmaar aandacht vragen voor het onrecht dat hen is (en door Indonesië nog altijd wordt) aangedaan, krijgen ze die zaak maar niet goed over het voetlicht gebracht, vertellen ze in deze ontluisterende film. Er is altijd een andere, nog nét iets urgentere kwestie.

Met prachtig, gerestaureerd 35 mm-archiefmateriaal toont Veldhuizen intussen hoe die dekselse Nederlanders zich ooit, met al hun superioriteitsgevoelens, in West-Papoea meldden, om de inheemse bevolking – primitievelingen, koppensnellers, kannibalen, als je de verhalen mocht geloven – eens te gaan civiliseren. Hij kan bovendien terugvallen op interviews met Nederlandse politici, diplomaten en goeddoeners uit die tijd. ‘Onze opdracht was om deze mensen op te voeden, ze uit de misère van het stenen tijdperk te halen, waarin zij tot nog toe geleefd hadden’, zegt één van deze ‘white saviors, die zich er ook niet voor schaamden om de schedels van de inboorlingen op te meten.

Het is een wrange geschiedenis die in 1962 tot een pijnlijke conclusie werd gebracht met de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië. De belofte dat er een volksraadpleging zou komen onder de Papoease bevolking bleek helemaal niets waard. Een kleine zestig jaar na dato moet de Nederlandse journaliste Julia Jouwe echt de archieven in om alle achtergronden van die kwestie te kunnen vatten. Duidelijk is dat Indonesië in de optiek van de Verenigde Staten onder geen beding communistisch mocht worden. Anders zouden andere landen, volgens de zogenaamde Dominotheorie, al snel volgen. En dus moest Indonesië’s claim op Nieuw-Guinea blijkbaar worden ingewilligd.

Min of meer tegelijkertijd wierp prins Bernhard zich, namens de illustere Bilderberggroep, op als belangenbehartiger voor westerse bedrijven, die een aardige grijpstuiver dachten te kunnen verdienen aan goud- en koperwinning op het eiland in de Grote Oceaan. Intussen raakten de belangen van de Papoease bevolking steeds verder buiten beeld. Vele generaties later is daarin nauwelijks iets veranderd en lijkt de situatie in West-Papoea nog even slecht als altijd. Papoease Nederlanders spreken zich uit over dit onrecht, dat met The Promise zeer overtuigend wordt geagendeerd. Het wordt tijd dat Nederland zijn oorspronkelijke toezeggingen nakomt, vinden zij. Belofte maakt immers schuld.

Had Dan Nee Gezegd

Nozem Films / BNNVARA

Waarschijnlijk is er niemand zo goed in ‘victim blaming’ als de slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag zelf. De vraag of ze het over zichzelf hebben afgeroepen, dient zich vaak direct aan. Bij de vrouwen zelf of anders via hun omgeving. Na enkele slechte ervaringen durft 3FM-deejay Jamie Reuter in elk geval niemand meer dichtbij te laten komen – óók omdat ze zichzelf eigenlijk niet meer vertrouwt.

In de documentaire Had Dan Nee Gezegd (51 min.), geregisseerd door Leon Veenendaal, gaat Reuter de confrontatie aan met zichzelf en onderzoekt ze, samen met een therapeute, haar eigen ervaringen, de gevoelens die deze nog altijd oproepen en de gevolgen voor haar dagelijks leven. Tijdens EMDR-sessies wil Reuter bovendien haar traumatische ervaringen reframen en ze zo kwijt proberen te spelen.

Die gebeurtenissen, tevens gevisualiseerd met reconstructiescènes, vormen een belangrijk bestanddeel van deze persoonlijke film. Jamie Reuter spreekt verder met lotgenoten, die uiteenlopende ervaringen met grensoverschrijdend gedrag hebben: van een massage die tegen alle afspraken in toch helemaal uit de hand loopt en tijdens je slaap lichamelijk worden overvallen door een oververhitte man.

Ongeveer de helft van alle jonge vrouwen krijgt jaarlijks te maken met een vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag, stelt Willy van Berlo, programmamanager seksueel geweld bij het Rutgers Kenniscentrum Seksualiteit. Met de nieuwe Wet seksuele misdrijven (2024) is het aantonen van dwang niet meer nodig. ‘Als iemand wist of had kunnen weten dat die ander niet wilde, dan is hij strafbaar.’

Tegelijkertijd blijft het bewijzen daarvan lastig en biedt de wet in veel gevallen ook geen soelaas. De meeste mannen voldoen nu eenmaal niet aan het clichébeeld van de gewelddadige verkrachter die een jonge vrouw de bosjes insleurt. Het gaat veelal om gewone mannen, die de situatie verkeerd inschatten of zich, bijvoorbeeld onder invloed van alcohol, een keer misdragen. Het welbekende grijze gebied.

Jamie Reuter gaat ook in gesprek met enkele mannen. Hoe vergewissen zij zich van ‘seksuele consent’ bij de ander? Waar ligt de grens tussen een beetje extra je best doen voor iemand die je aantrekkelijk vindt en over haar grenzen gaan? In het schimmige spel tussen aantrekken en afstonden kan toestemming vragen – om het helemaal moeilijk te maken – door de ander immers ook als een ‘moodkiller’ worden gezien.

En dat vinden Reuter en haar vriendinnen dan weer zeer ongewenst: zonder woorden vraag je dan bijna om problemen. Zo laveert de radiomaakster, onder de hoede van Veenendaal, voorzichtig door het mijnenveld rond seksueel grensoverschrijdend gedrag en kijkt ze wat zou kunnen helpen om gevaarlijke situaties onschadelijk te maken. En dat helpt haar, getuige deze genuanceerde film, in elk geval persoonlijk vooruit.

Trailer Had Dan Nee Gezegd

Facing War

Dox Division

Jens Stoltenberg heeft zijn vrouw Ingrid beloofd dat hij naar huis komt. Na negen jaar als secretaris-generaal van de NAVO, waarbij zijn termijn al driemaal tussentijds is verlengd, vindt hij ’t welletjes. Daarmee neemt de Amerikaanse president Joe Biden echter geen genoegen. Tijdens een persoonlijk onderhoud in de zomer van 2023 vraagt hij hem dringend om langer aan te blijven. Stoltenberg geeft uiteindelijk toe: op wereldschaal valt zijn eigen huwelijk natuurlijk in het niet bij de oorlog in Oekraïne. En met dat extra jaar creëert hij onbedoeld ruimte voor een Nederlandse opvolger: Mark Rutte.

In Facing War (105 min.) krijgt de Noorse filmmaker Tommy Gulliksen een unieke kijk in het werkleven van zijn landgenoot Stoltenberg tijdens een turbulent jaar, waarin hij als NAVO-baas de Oekraïense president Volodymyr Zelensky blijft ondersteunen, zich beijvert om Finland en Zweden ondanks bezwaren van Turkije te laten toetreden tot de NAVO en intussen de rijen gesloten moet zien te houden in de inmiddels 75-jarige alliantie van Noord-Amerikaanse en Europese landen. Een ideale klus dus voor een netwerker pur sang, die bereid is om zijn ego aan de kant te schuiven en tegelijkertijd mee kan doen met de grote jongens.

Stoltenberg is erg aanrakerig, vertelt een medewerker. Hij is zeer gericht op menselijke relaties. En soms pakt hij ineens resoluut door, zoals wanneer de Turkse leider Erdogan dwars ligt. De topdiplomaat is ook een politiek dier, de zoon van een vader die ‘t schopte tot minister van Defensie en een moeder die staatssecretaris was. Als premier van Noorwegen maakte Stoltenberg al in 2000 kennis met zijn huidige Nemesis, Vladimir Poetin, en werd hij later geconfronteerd met een bloedbad op het eiland Utøya, waar Anders Breivik in 2011 bijna zeventig jongeren van ‘zijn’ Arbeiderspartij vermoordde.

Als NAVO-boegbeeld is Jens Stoltenberg duidelijk in zijn element. Gulliksen kijkt mee terwijl hij met zijn team onderhandelingen voorbereidt, stuurt en evalueert, tijdens internationale tops wereldleiders de goede kant op probeert te masseren en steeds z’n ogen op de bal houdt: het verzekeren van de steun aan Oekraïne. ‘We hebben een belofte gedaan waar we ons misschien niet aan kunnen houden’, zegt hij somber, tijdens één van de vele tussendoorinterviewtjes die hij onderweg heeft met de documentairemaker. En zet er vervolgens weer onvermoeibaar z’n tanden in.

Hij voelt zich soms net de hoofdpersoon uit z’n favoriete serie The Sopranos, bekent Stoltenberg op een onbewaakt ogenblik. Net als Tony Soprano – een maffiabaas, is dat nu een handige vergelijking? denkt ie er meteen achteraan – heeft de NAVO-baas het gevoel dat iedereen aan hem trekt en iets van hem wil. Intussen blijft zijn blik altijd gericht op wat wenselijk en haalbaar is. Zo biedt Facing War, verrijkt met een Röyksopp-soundtrack, via deze onverwoestbaar optimistische man een intrigerende blik achter de schermen bij ‘s werelds ultieme ‘old boys network’, waar wordt beslist over oorlog en vrede.