My Life As A Rolling Stone

Videoland / BBC

Interessant idee: de geschiedenis van The Rolling Stones aan de hand van portretten van de individuele bandleden. Eerst Mick, daarna Keith, Ronnie en (wijlen) Charlie. Maar, zo vraag je je dan meteen af, loopt dan ook niet langzaam de lucht uit de serie? De kern zit immers bij het songschrijversduo The Glimmer Twins: zanger Jagger en gitarist Richards. Welnu, the proof of the pudding is in the eating: de vierdelige miniserie My Life As A Rolling Stone (236 min.).

Allereerst: die portretten zijn eigenlijk heel aardig, ook al graven ze niet enorm diep. Ze bevestigen vooral de oerbeelden die je al hebt van de bandleden en voegen hier en daar saillante details toe: Mick als zakelijke hart van de band, Keith als muzikale geweten. ‘Nieuweling’ Ronnie die halverwege de jaren zeventig de lol terugbrengt, Keiths gitaarbroertje wordt en een echte verbinder blijkt. En Charlie, de onverstoorbare jazzdrummer die per ongeluk ruim een halve eeuw in een rock & rollband verzeild is geraakt.

Oud-bandleden komen er intussen bekaaid vanaf in deze serie van Sam Anthony: oprichter en zelfverklaard bandleider Brian Jones duikt hier en daar zijdelings in het verhaal op, tweede gitarist Mick Taylor komt vooral via zijn vertrek ter sprake en de naam Bill Wyman, toch een slordige dertig jaar bassist van The Stones, valt zelfs (vrijwel) helemaal niet. Hetzelfde geldt voor de tweede helft van de zes decennia die de Britse rockband nu al actief is. Die heeft muzikaal natuurlijk ook niet al te veel opgeleverd.

Verder loodst actrice Sienna Miller de kijker geroutineerd door de vier levensverhalen heen. Ze wordt, buiten beeld, in de rug gedekt door grootheden als Tina Turner, Rod Stewart, Jon Bon Jovi, Sheryl Crow, Lars Ulrich, Tom Waits, Chrissie Hynde en Brian Johnson. Aardiger nog zijn de bijdragen vanuit de entourage van de band, zoals achtergrondzanger Bernard Fowler, geluidstechnicus Glyn Johns, Richards’ gitaartechnicus Pierre de Beauport en de designer van het befaamde tonglogo, John Pasche.

Gezamenlijk voegen zij kleur en detail toe aan het welbekende bandverhaal, bijvoorbeeld over Mick Jaggers vermarkting van de groep, zijn bittere conflicten met Richards en Ronnie Woods aanhoudende drank- en drugsproblemen. Die nopen uiteindelijk nota bene Keith Richards – zelf jarenlang nummer één op de lijst van verwachte rockdoden – om in te grijpen. Wel een kwestie van ‘de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’, aldus de gitaargod die echter weigert om zijn maatje verloren te laten gaan.

En het laatste deel, een eerbetoon aan de vorig jaar overleden Charlie Watts (1941-2021), is zowaar inderdaad een prima afsluiting, waarvoor de deuren letterlijk opengaan. Bij ‘s mans kleermaker, in Watts’ hoofd (waarin gedurig dwangstoornissen opspeelden en een midlifecrisis hem op latere leeftijd nog opzadelde met een heroïneverslaving, die volgens Keith niet bij hem paste) en van zijn imposante privéarchief (een opslagruimte met gewilde drumattributen, die ooit een museumcollectie moeten gaan vormen).

My Life As A Rollling Stone wordt zo een alleraardigst (zelf)portret van ‘the greatest rock n’ roll band on earth’, die nu toch zo langzamerhand echt, écht!, is aanbeland in de eindfase van zijn periode op aarde. En daarna zijn er nog altijd de verhalen en – natuurlijk, ook in deze miniserie niet te versmaden en met smaak opgediend – dat imposante songboek.

The Rossellinis

In zekere zin leven ze, ruim veertig jaar na ‘s mans overlijden, nog altijd in zijn schaduw. Daar, bij de uitvaart van Roberto Rossellini, begint ook deze documentaire van zijn oudste kleinzoon Alessandro. Al zijn nazaten begeleiden de grote regisseur, die sinds de film Roma Città Aperta (1945) werd beschouwd als een genie, in 1977 naar zijn laatste rustplaats. Volgens Alessandro lijden ze stuk voor stuk aan dezelfde aandoening: Rossellinitis.

‘Mensen zeiden tegen me: jij bent een Rossellini. Met jouw achternaam kun je geen ober worden’, vertelt Alessandro’s oom Robertino, ooit één van de meest begeerde mannen ter wereld, bijvoorbeeld treffend. ‘Ik mocht eigenlijk alleen maar een genie zijn.’ Tegenwoordig heeft hij zich teruggetrokken op een idyllische plek aan de Zweedse kust, in een huis dat ooit toebehoorde aan zijn moeder Ingrid Bergman, de befaamde actrice en tweede vrouw van zijn vader.

‘Wij waren bij onze geboorte al losers’, zegt Alessandro’s tante Ingrid, die het liefst buiten beeld blijft. ‘Hopeloos!’ Haar tweelingzus Isabella lijdt ogenschijnlijk nog het minst aan de familieziekte. Zij heeft een geslaagde carrière opgebouwd als fotomodel en actrice en voelt zich ook wat ongemakkelijk bij de vragen die haar neef in The Rossellinis (98 min.) op haar afvuurt en de onaantastbare status die hij haar, als rechtgeaarde opvolger van zijn grootvader, toedicht.

Tijdens zijn boeiende rondgang langs verschillende familieleden, doorsneden met filmfragmenten van de patriarch, komt Alessandro gaandeweg tot de conclusie dat hij, de zoon van Roberto Rossellini’s gedroomde opvolger Renzo en een zwarte vrouw, de kleinzoon die opzichtig worstelde met een drugsverslaving, de man ook van twaalf ambachten en dertien ongelukken, misschien wel het meest gebukt is gegaan onder die vermaledijde familienaam en de verpersoonlijking daarvan: zijn grootvader.

Dat familiesysteem heeft hen elk op hun eigen manier gevormd. Daarom kan deze boeiende film eigenlijk ook slechts op één manier tot een (bevredigend) einde worden gebracht: met een gestileerde groepsfoto waarop elk afzonderlijk familielid zijn eigen plek binnen de Rossellinis probeert in te nemen. Zodat in één beeld zichtbaar wordt wat hen bindt én wat hen van elkaar onderscheidt. Alsof stamvader Roberto ze van gene zijde nog eenmaal netjes op hun plek heeft gezet.

Jacinta

Jacinta (l) en Rosemary (r) / Hulu

Rosemary vindt het verschrikkelijk dat de gevangenisstraf van haar 26-jarige dochter Jacinta (105 min.) erop zit. Zelf heeft ze nog een jaar of drie te gaan. De twee vrouwen werden allebei op zeer jonge leeftijd moeder en kampen met een hardnekkige drugsverslaving. Is Jacinta Hunt nu wel in staat om van de heroïne af te blijven en bovendien een bestendige relatie op te bouwen met haar eigen tienjarige dochter Caylynn?

De vooruitzichten zijn ronduit slecht: de jonge vrouw is al eerder de fout ingegaan en heeft thuis in de Amerikaanse staat Maine een wel heel wankele basis om op terug te vallen. Want Jacinta is een telg van de lokaal beruchte familie Geisinger. Onvervalste ‘deplorables’, altijd in de weer met dope en/of criminaliteit. Haar halve familie – van haar broer tot de vader van haar kind – zit inmiddels in de bajes of is hard op weg om daarnaar terug te keren.

Filmmaker Jessica Earnshaw sluit drie jaar lang met haar camera aan bij Jacinta en haar verwanten en legt van zéér dichtbij hun strubbelingen met drugs, elkaar en het leven in het algemeen vast. Balancerend tussen hoop en wanhoop, tussen clean, helemaal van de wereld en ‘cold turkey’, lijken ze stuk voor stuk inwisselbare onderdelen van een volstrekt disfunctioneel familiesysteem, dat zichzelf al generaties lang in stand houdt.

Terwijl ze in de periode na haar vrijlating steeds twee stappen vooruit en één achteruit zet (of andersom), probeert Jacinta op de één of andere manier een relatie te onderhouden met Caylynn. ‘Heb ik nu de keuze gemaakt om high te worden, in plaats van mijn kind te zien?’ zegt ze op een ontmoedigend moment, ergens halverwege haar trip naar de uitgang/draaideur. ‘Ja. Maar dat gaat volledig tegen mijn eigen gevoel in.’

Haar dochter fungeert sowieso afwisselend als licht aan het einde van de tunnel en – als dit uit het zicht raakt – als onuitputtelijke bron voor wéér een periode duisternis. Jacinta’s pogingen om voor haar dochter een betere versie van zichzelf te vinden vormen daardoor een bij vlagen ronduit deprimerend verhaal, waarbij het nog maar de vraag is of ze zich uiteindelijk weet te ontworstelen aan het verwachtingspatroon dat anderen – en zijzelf – van haar hebben.

Help Me

BNNVARA

De ene na de andere beller meldt zich tijdens de Corona-periode bij de medewerkers van het crisisinterventieteam Hart van Brabant in Tilburg. Met al dan niet expliciet geformuleerde hulpvragen rond suïcidale gedachten, drank- en drugsverslaving of complotten. En de dreiging van agressie lijkt ook alomtegenwoordig in of rond de eigen woning: van een ontspoorde zoon of dochter, de verwarde buurman of een gewelddadige (ex-)partner.

Het leeuwendeel van de duizenden meldingen van noodsituaties die jaarlijks binnenkomen bij het team, is terug te brengen tot een eenvoudig verzoek: Help Me (46 min.). Voor de camera van Hetty Nietsch staan casemanager Sietske Martens en haar collega’s zulke bellers empathisch te woord. Ze proberen ondertussen vast te stellen hoe hoog de nood is en of ingrijpen noodzakelijk lijkt. Soms overleggen ze ook even met een collega of blazen stoom af bij elkaar. Want sommige telefoontjes gaan ook hen niet in de koude kleren zitten.

Deze tv-docu bestaat vrijwel volledig uit zulke gesprekken, waarbij de hulpvragen consequent zijn geanonimiseerd en de bijdragen van de bellers opnieuw zijn ingesproken door acteurs (en dat is, helaas, meestal ook voel- en hoorbaar). Dit geheel wordt door Martens, buiten beeld, van context en duiding voorzien. Zo wordt het leven achter Neerlands voordeur, waar de spanning gedurende lange tijd of zomaar ineens flink kan oplopen, treffend inzichtelijk gemaakt. Net als de pogingen van betrokken en gedreven hulpverleners om de lont, al is het maar tijdelijk, uit het kruitvat te krijgen.

17 Blocks

Als je één en hetzelfde gezin gedurende twintig jaar filmt – of zichzelf laat filmen – ontdek je onvermijdelijk iets over het leven. Over hoe het de één optilt en een ander op zijn plek houdt. Over hoe het je lam kan slaan, uit het lood of gewoon, keihard, op je bek. En over hoe de plek waar je wordt geboren – de familie, buurt en stad – kan bepalen wie je bent en wordt, of juist helemaal niet.

Als filmmaker Davy Rothbart in 1999 op Emmanuel Sanford-Durant (9) en z’n oudere broer Smurf (15) stuit, hun zus Denice ontmoet en alleenstaande moeder Cheryl leert kennen, kan hij op geen enkele manier vermoeden wat de toekomst in petto heeft voor hen. Of toch wel. Het samengestelde gezin woont immers in het zuiden van Washington D.C., een frontlinie in de Amerikaanse ‘war on drugs’ die slechts 17 Blocks (98 min.) verwijderd is van het Capitool.

Duizend uur beeldmateriaal wordt daar verzameld, die voor deze doorleefde documentaire moest worden teruggebracht tot dik anderhalf uur. Hele en halve levens, verteld in luttele minuten. Hoogtepunten, dieptepunten en het ‘gewone’ leven. Emmanuel heeft bijvoorbeeld een studerende vriendin en wil brandweerman worden. Smurf hangt rond op de beruchte straathoeken, zit zo nu en dan vast en zet ondertussen enkele kinderen op de wereld. En Denice wordt eveneens op jonge leeftijd (alleenstaande) moeder.

Als het noodlot toeslaat – en dat lijkt het onherroepelijk te doen in dit soort levens – en letterlijk overal in huis bloedspatten achterlaat, nemen de zaken in de familie Sanford een dramatische wending. Waarbij Cheryl, de vrouw die haar kinderen een stabiele basis wilde meegeven, worstelt met schuldgevoelens en haar toevlucht zoekt tot middelen die de situatie alleen maar kunnen verergeren. Rothbart slaat dit proces van zeer dichtbij gade en documenteert tevens hoe de Afro-Amerikaanse familie het tij probeert te keren.

Het is nu twintig jaar geleden dat de baanbrekende tv-serie The Wire het rauwe leven rond de ‘corners’ in grote Amerikaanse steden en de zieke drugseconomie die daaromheen is ontstaan op indringende wijze agendeerde. Dit jaar verscheen bovendien het ‘vervolg’ We Own This City, over de bijbehorende politiecorruptie. Een documentaire zoals 17 Blocks brengt diezelfde ontwikkelingen terug tot menselijke proporties en laat treffend zien hoe drugs en geweld een spoor van vernieling kunnen trekken door een gewone familie.

Waarbij het natuurlijk nog maar de vraag is of de tijd wel alle wonden kan helen. Want zo is het leven: een aaneenschakeling van losse gebeurtenissen die pas achteraf, bezien vanuit de achteruitkijkspiegel, een verhaal blijken te vormen. En als er al een happy end komt, staat dit op voorhand zeker niet vast.

Life Of Crime 1984-2020

HBO

Voor de documentaireserie Foute Vrienden volgt Roy Dames al ruim 25 jaar enkele figuren uit de Amsterdamse penoze. Hoewel ze heel wat uitvreten – diefstal, oplichting en (huiselijk) geweld bijvoorbeeld – houdt het leven van deze mediagenieke bloedgabbers heel lang een soort romantiek. Totdat in de laatste toevoeging, 25 Jaar Foute Vrienden, ook bij hen blijkt dat misdaad toch echt niet loont.

De Amerikaanse tegenhanger van Foute Vrienden, Life Of Crime 1984-2020 (121 min.) is nog een stuk grimmiger van karakter. De Verbrande Herman, Rooie Jos en Jantje van Amsterdam van Newark, New Jersey heten Rob Steffey, Freddie Rodriguez en Deliris Vasquez. Voor de camera van Jon Alpert, die met One Year In A Life Of Crime (1989) en Life Of Crime 2 (1998) al twee documentaires over hen maakte, lijken ze elk moment te kunnen verzuipen in de eindeloze draaikolk van misdaad, drugsgebruik en gevangenisstraf waarin ze ooit terecht zijn gekomen.

Het is een ronduit ontmoedigende geschiedenis. Gedurende een periode van 36 jaar maken de drie de ene na de andere herstart, maar slagen ze er maar niet in om hun leven op de rails te krijgen. Alpert blijft al die tijd aan hun zijde. Gaandeweg spoort hij hen ook steeds nadrukkelijker aan om hun leven te beteren – al is het alleen voor de kinderen die ze op de wereld hebben gezet. Tegelijkertijd legt hij het ook rücksichtslos vast als ze toch weer een spuit zetten, zich prostitueren of de verleiding van het snelle geld niet kunnen weerstaan. Elk sprankje hoop kan op die manier plotseling teniet worden gedaan.

Life Of Crime 1984-2020 wordt daardoor een deprimerende bedoening, over mensen die klem zijn komen te zitten in de draaideur en die, al hun goede bedoelingen ten spijt, geen kant meer op kunnen.

Dagboek Van Mijn Dwang

EO

Je verdient straf.

Je mag dit broodje niet eten.

Eet. Dit. Broodje. Niet.

Wat denk je wel niet, idioot?

‘Dit is wat mijn dwang doet’, vertelt de 25-jarige Rianne Martinus aan haar dagboekcamera, nadat ze op bezoek is geweest bij Boaz, een jongen die ze toch wel erg leuk begint te vinden. ‘Me continu vertellen wat ik wel of niet mag. Maar ik wil me er niet door laten leiden. Daarvoor voel ik te veel voor hem.’

Boaz heeft zijn eigen problemen: een drugscollectie, om precies te zijn. Met slaapmiddelen en designer drugs houdt hij zichzelf vrijwel permanent verdoofd. Rianne weet dat ze zich op risicogebied begeeft, vertelt ze in de persoonlijke film Dagboek Van Mijn Dwang (40 min.), waarin ze een jaar uit haar leven documenteert. Boaz mag voor haar beslist geen obsessie worden.

Bel Boaz en zeg dat je hem leuk vindt.

Laat hem je afwijzen.

Je hebt duidelijkheid nodig.

Je moet zelf de controle houden.

Die monologue intérieur, die later is ingesproken en de stemmen in haar hoofd verklankt, is een probaat middel om buitenstaanders in deze unheimische film toegang te geven tot Riannes belevingswereld. De getroebleerde studente dreigt zich te verliezen in een relatie die haar, zo waarschuwt een goede vriend al direct, wel in de problemen móet brengen.

Met haar eigen camera documenteert ze van binnenuit hoe de omgang met Boaz en haar eigen gemoedstoestand verder evolueren. Waarbij de knoop waarin ze zich samen vastdraaien, een ongemakkelijk tafereel om te aanschouwen, uiteindelijk nauwelijks meer is te ontwarren. Die moet rigoureus worden doorgehakt. Rianne weet dat, maar kan ze het ook?

Je hebt niet meteen geluisterd.

Je hebt het alleen maar erger gemaakt.

Hij haat je nu, ik haat je

Je bent een vieze, vuile egoïst.

Kutwijf!

Demi Lovato: Dancing With The Devil

YouTube

Nu gaan ze, zangeres Demi Lovato en de mensen uit haar directe omgeving, wél de waarheid vertellen. Hand op het hart. Niet zoals in die nooit uitgebrachte documentaire, waarin Demi werd gefilmd tijdens haar wereldtournee van 2018 en iedereen nog netjes de schijn ophield. Totdat dit – doordat Demi op 23 juli wereldnieuws werd via een bijna fatale overdosis – met geen mogelijkheid meer was vol te houden en het filmen rigoureus werd gestopt. Einde tourfilm.

Welkom échte documentaire: Demi Lovato: Dancing With The Devil (88 min.). Alhoewel, écht? Deze serie van regisseur Michael D. Ratner, bestaande uit vier handzame delen, komt gewoon uit de koker van Team Demi. We mogen nu toch wél over de heroïne vertellen? vraagt één van de sprekers halverwege de eerste aflevering voor de zekerheid. Het antwoord luidt bevestigend. Welke verhalen echter niet in het gekozen narratief passen en dus toch nog binnenskamers worden gehouden, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Als we dat al zouden willen.

Niet dat er op het eerste oog veel onbesproken blijft in dit onthullende portret: seksueel misbruik, eetstoornissen, verslaving, automutilatie en psychiatrische problematiek. Behalve de hoofdpersoon zelf komt ook Demi’s complete entourage aan het woord: haar moeder, zussen, stiefvader, beste vrienden en een hele zwik medewerkers: een personal assistent, business manager, hoofd beveiliging/stafchef, case manager, choreograaf/creatief directeur en ook nog een ‘gewone’ manager. Voor de zekerheid komt Demi er nog wel even naast zitten of spoort ze hen vooraf aan om vooral de complete waarheid te vertellen – en, waar nodig, hun eigen naam te zuiveren.

Dat voelt allemaal heel Amerikaans: elk dieptepunt blijkt uiteindelijk vooral een aanloop naar een moment van diep inzicht. Het probleem is alleen: die diepere inzichten, zo blijkt uit archiefmateriaal, heeft ze al eerder gehad. En die hebben uiteindelijk dan toch weinig effect gesorteerd. In dat verband zou het interessant zijn geweest als ook Lovato’s vorige management, dat haar ten tijde van die overdosis in 2018 aan strikte regels onderwierp en dat sindsdien aan de kant is geschoven, spreektijd had gekregen. Wat zou dit voor effect hebben gehad op dat roestvrijstalen narratief van in de diepste put vallen en er weer geheel gelouterd uitklimmen?

Échte reflectie – op hoe een leven in de spotlights, vanaf heel jonge leeftijd, jou en je omgeving tekent – ontbreekt evenwel in deze échte documentaire, die uiteindelijk toch eerst en vooral weer een promotool lijkt. Want Demi Lovato: Dancing With The Devil wordt natuurlijk opgeleverd met een gelijknamige hitsingle. En in de bijbehorende videoclip speelt ze, ter leering ende vermaeck, haar eigen overdosis nog eens vol overgave na. Dat kun je dapper noemen. Of smakeloos.

Not A Game

Netflix

Voor alle mensen die consequent weigeren om het spel mee te spelen wordt er in deze gedegen documentaire een compleet nieuw heelal geopend: de gamewereld. Waar jonge ventjes vanuit hun slaapkamer internationale toernooien en grote geldbedragen kunnen winnen. Waar andere kinderen juist wegzinken in een parallel bestaan en steeds verder verwijderd raken van de realiteit. En waar, om nog maar eens een ander clichébeeld te gebruiken, een enkeling zijn primitiefste instincten botviert, die wel tot geweldsuitbarstingen in de echte wereld moeten leiden.

Al wordt dat laatste idee in Not A Game (98 min.) direct grondig onderuit gehaald door een professor van de Universiteit van Essex. ‘Als ik een romantische roman lees, word ik dan romantisch?’ vraagt Richard Bartle van de faculteit computergamedesign. ‘Of lees ik een romantische roman omdat ik een romanticus ben?’ Uit studies blijkt volgens hem het tweede: degenen die gewelddadig blijken te zijn waren dat altijd al. Natuurlijk kunnen games volgens Bartle geweld veroorzaken. Net als pak ‘m beet televisienieuws, films of politiek.

Met insiders en wetenschappers graast documentairemaker Jose Gomez, die Brendan McDonnell heeft gestrikt als verteller, het complete gameterrein af. Waarbij voor de hand liggen deelthema’s als verslaving, gokken en geldklopperij aan de orde komen, professionele gamers en hun families vertellen hoe het ooit is begonnen en ook enkele onverwachte invalshoeken, zoals bijvoorbeeld diversiteit in de gamewereld, worden belicht. Juist in de bijzondere voorbeelden zit de meerwaarde van deze soms wat brave film.

Als na de dood van Eric ‘I can’t breathe’ Garner, doodgedrukt door Amerikaanse politieagenten, bijvoorbeeld een Call Of Duty-toernooi wordt georganiseerd om de kans op rellen te verkleinen en ook de politie zelf besluit om een vertegenwoordiging te sturen. Als een man met een zware lichamelijke beperking laat zien hoe hij in games alles kan zijn wat in het echte leven niet voor hem is weggelegd. En als voor een doodzieke jongen in aller ijl een speciale gameplay wordt gefabriceerd. Zodat hij één keer al zijn fantasieën kan uitleven, voordat hij zijn laatste adem uitblaast.

Dan is gamen ineens écht geen spelletje meer.

SanPa: Luci E Tenebre Di San Patrignano

Netflix

San Patrignano mocht dan in de geest van de jaren zestig zijn opgericht en bovendien een commune worden genoemd, oprichter Vincenzo Muccioli was toch eerst en vooral een man van de ‘tough love’. Hij schroomde niet om de ‘gasten’ van zijn afkickcentrum in het Italiaanse Rimini in het openbaar te vernederen, te laten aframmelen of dagenlang vast te ketenen in hun eigen isoleercel. Ze moesten en zouden stoppen met het gebruik van heroïne en/of cocaïne. Goedschiks dan wel kwaadschiks. Zonder hulpmiddelen bovendien. Gewoon ‘cold turkey’.

Veertig jaar na dato heeft de veelbesproken ‘goeroe’, die inmiddels al 25 jaar dood is, nog altijd fervente voor- en tegenstanders. In de vijfdelige serie SanPa: Luci E Tenebre Di San Patrignano (298 min.) krijgen ze alle ruimte om hun kant van het verhaal te doen: Muccioli’s zoon Andrea en broer Pier Andrea, een journalist en tv-presentator die verslag deden van de kwestie SanPa, de rechter die bij de zaak betrokken raakte en diverse ex-verslaafden, onder wie de huidige therapeutisch directeur van de instelling. Voor de één is Muccioli nog altijd een onomstreden rolmodel, voor de ander een machtswellustige charlatan.

Bijna vijf uur speeltijd is alleen wel erg ruim bemeten voor een in essentie tamelijk eenduidig verhaal over een man met een missie – met grootheidswaanzin, zou je voor hetzelfde geld kunnen zeggen – die hard in aanvaring komt met de autoriteiten en gaandeweg steeds meer onder vuur komt te liggen. Regisseur Cosima Spender neemt echt te veel tijd om allerlei deelonderwerpen uit te werken, die ook met een enkele pennenstreek hadden kunnen worden afgedaan.

Daardoor verdwijnt de in wezen interessante thematiek van San Patrignano – hoe hard je mag/moet zijn in de omgang met verslaving en verslaafden – in een brei van uitgebreide beschrijvingen, brisante onthullingen en maatschappelijke ontwikkelingen. Strengere selectie en een hoger verteltempo hadden van SanPa (internationale titel: SanPa: Sins Of The Savior) een véél betere productie gemaakt. Van een uurtje of anderhalf. Hooguit twee.

El Father Plays Himself

Herrie

‘Dus je ziet hem in de scène zelf niet drinken?’
‘Klopt’
‘Dan kan hij net doen alsof hij dronken is.’
‘Nee, doen alsof werkt niet. Dat zou er verschrikkelijk uitzien.’
‘Maar wat dan, Jorge?’
‘Daarom moeten we het echt doen.’
‘We gaan hem dus laten drinken voor de scène?’
‘Ja, laat hem drinken.’
‘Verdomme, man!’

Jorge Thielen Armand is onverbiddelijk. De fles zal er aan te pas moeten komen. De man die zich dadelijk aan de rum gaat overgeven ligt nu nog rustig in een hangmat, te wachten totdat hij weer aan de bak moet. Alle aanwezigen weten hoe Jorge Thielen Hedderich dan wordt. Jorge’s vader, die hij uit het oog was verloren en die hij nu heeft gevraagd als hoofdrolspeler voor zijn nieuwe speelfilm La Fortaleza, heeft een kwaaie dronk. Straks is het gedaan met de rust.

Die film, die onlangs in competitie werd vertoond tijdens het International Film Festival Rotterdam, is gebaseerd op Hedderichs leven en zijn worsteling met een alcoholverslaving. Vader speelt dus zichzelf. En in deze observerende documentaire van Mo Scarpelli moet hij ook nog eens zichzelf zíjn. El Father Plays Himself (105 min.) wordt daarmee een gelaagd dubbelportret van de twee Jorges, die zich op drie verschillende manieren tot elkaar moeten verhouden; van vader tot zoon, van regisseur tot hoofdrolspeler en van het ene documentaire-personage tot het andere.

Het is onvermijdelijk dat de grens tussen feit en fictie daardoor vervaagt. Zeker als ze voor de opnames naar de Venezolaanse jungle vertrekken, waar ontsnappen (aan elkaar) onmogelijk is, de druk om te presteren behoorlijk oploopt en drankgebruik elke scène kan verpesten – of, misschien nog wel gevaarlijker, juist kan redden. Binnen die prikkelende setting zoekt Jorge soms doelbewust de furie op die in ‘el father’ huist en probeert hij tegelijkertijd de banden met hem aan te halen. Dat proces, intiem en pijnlijk, vormt de basis voor deze indringende karakterschets van een kind en de ouder van wie hij vervreemd was geraakt.

The Pharmacist

Netflix

Het leven van zijn zoon Danny kwam tot een eind op de kruising van Forstall en Dauphine Street, zomaar een drugshoek in een willekeurige zwarte buurt van New Orleans. Apotheker Dan Schneider kan zich niet voorstellen wat een jongen uit een witte buitenwijk had te zoeken in The Lower 9th Ward. Totdat hij hoort dat Danny crack gebruikte.

De onheilstijding zet The Pharmacist (215 min.) aan om uit te pluizen wat er precies met zijn zoon is gebeurd, in de aanloop naar en tijdens dat fatale ogenblik waarop zijn leven op 22-jarige leeftijd eindigde. Die persoonlijke zoektocht, volledig gedocumenteerd met video- en audiotapes, zet hem uiteindelijk op het spoor van OxyContin en een plaatselijke arts die de zeer verslavende pijnstiller wel héél gemakkelijk voorschrijft.

Deze vierdelige serie van Julia Willoughby Nason en Jenner Furst reconstrueert hoe Schneider vervolgens een persoonlijke kruistocht opstart tegen deze dokter Cleggett en daarna ook Purdue Pharma, de onderneming die het opiaat met nét iets te veel enthousiasme aan de man heeft gebracht, in het vizier krijgt. OxyContin heeft dan al talloze overdoses op z’n geweten. De apotheker wil koste wat het kost erger voorkomen.

‘s Mans desperate pogingen om het ongeoorloofde medicijngebruik aan het begin van de 21e eeuw een halt toe te roepen vormen op zichzelf een boeiend verhaal, een soort vooraankondiging van The Opioid Crisis die de Verenigde Staten nu al enkele jaren in zijn greep houdt. Schneider wordt alleen wel erg gemakkelijk tot held gebombardeerd, terwijl zijn strijd echt iets te lang wordt uitgesponnen. The Pharmacist wordt daardoor soms wat clichématig en langdradig.

On The President’s Orders

Frontline

‘Adolf Hitler slachtte drie miljoen Joden af. Wij hebben drie miljoen verslaafden. Die zou ik met liefde en plezier afslachten.’ Was getekend: Rodrigo Duterte, president van de Filipijnen. Een man die ook niet schroomt om de daad bij het woord te voegen en van de ‘war on drugs’ daadwerkelijk een oorlog te maken.

Hoe dat gevecht tegen drugsgebruikers en -dealers er in de praktijk uitziet, wordt glashelder in de huiveringwekkende documentaire On The President’s Orders (55 min.). De business loopt als een tierelier, vertelt een plaatselijke uitvaartondernemer. Zijn houding is exemplarisch voor de totale ontmenselijking van alles en iedereen die met drugs te maken heeft. Ze worden opgejaagd door doodseskaders, die er met hun skeletmaskers uitzien als de schurken in een slechte horrorfilm.

‘Veel schietpartijen ogen heel professioneel’, constateren de filmmakers James Jones en Olivier Sarbil als ze de commandant van een gemilitariseerde politie-eenheid confronteren met de enorme hoeveelheid dodelijke slachtoffers. ‘U kunt zich vast voorstellen waarom mensen denken dat de politie erbij betrokken was?’ Ja, antwoordt Octavio Deimos, met een mitrailleur in de hand. ‘Het kan best zijn dat mensen dat denken, maar in werkelijkheid klopt dat niet.’

Even later: ‘Natuurlijk doodt de politie mensen als ze terug vecht.’ Deimos schiet er spontaan van in de lach. ‘Als de politie dat doet, is het geoorloofd. Wij zijn nu eenmaal de politie. En wij handhaven de wet.’ Waarna de man zijn flinterdunne verdedigingslinie helemaal laat vallen. ‘Drugsgebruikers of -dealers hebben hier helemaal niks te zoeken. Zij willen gewoon niet leven. Ze leven al in de hel, dus kunnen wij ze er net zo goed ook echt naar toesturen.’

Zelden zal de zondeboktheorie zo openlijk en zonder enige vorm van verontschuldiging in de praktijk zijn gebracht als tijdens Dutertes schrikbewind in de Filipijnen. Het gevolg, daadkrachtig vervat in deze onrustbarende film, is doodeng: een duistere politiestaat, waarin de absolute leider zijn domme krachten, geanonimiseerd en zwaarbewapend, rücksichtslos op de bevolking loslaat en uiteindelijk – dat valt vrij eenvoudig te voorspellen – niemand veilig zal blijken te zijn.

The Hydra

De beeldspraak is bijzonder treffend: de georganiseerde misdaad als een hydra, een veelkoppige gifslang. Zodra er een kop wordt afgehakt, steekt er elders een nieuwe de kop op. Alleen vuur kan ervoor zorgen dat het monster wordt gedood, aldus Volodymyr Tymoshenko, een voormalige KGB-officier en werknemer van de Oekraïense veiligheidsdienst. Hij bedoelt: als de vraag naar harddrugs, XTC en (meth)amfetamine, in de rest van de wereld opdroogt. Anders is de wildgroei van The Hydra (73 min.) op geen enkele manier te stoppen.

Deze slicke documentaire van Ram Devineni reconstrueert met medewerkers van veiligheidsdiensten en hun informanten hoe begin jaren negentig, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, in Oekraïne een crimineel netwerk ontstond rond de massaproductie van en grootschalige handel in synthetische drugs. Dit drugskartel vertakte zich al snel naar de rest van Europa. Alle reden dus om een grootschalige operatie op touw te zetten, teneinde die hydra de nekken om te draaien.

Het verhaal van die campagne, onderkoeld verteld zoals alleen typische Oostblokkers dat kunnen, wordt door Devineni met de nodige zwier en humor uit de doeken gedaan. Tarantino-achtige scènes met acteurs, een lekker aanstekelijke synthesizersoundtrack en de nodige wisecracks leuken de boel behoorlijk op. ‘Hee, aan de linkerkant zit je plaksnor los’, grapt Tymoshenko bijvoorbeeld tegen één van zijn contacten uit de tijd dat hij de onderwereld een kopje kleiner probeerde te maken.

De twee mannen ogen tegenwoordig als oude kameraden, die met veel plezier herinneringen ophalen. Écht spannend wordt The Hydra daardoor nooit. Al maken de oude kameraden van de toenmalige operatie wel een vermakelijk schouwspel. En uiteindelijk leidt het spoor naar – hoe kan het ook anders – ons eigen Nederland, waar vertegenwoordigers van de hydra in labs het eindproduct fabriceren en de distributie daarvan naar de rest van Europa in gang zetten. Ruim 25 jaar na dato laat die impuls zich nog altijd niet zomaar… de kop indrukken.

Murder Mountain

De vergelijking met Deadwood dringt zich op: een vrijstaat aan de rafelranden van de Verenigde Staten, waar outlaws kunnen ontsnappen aan de wet. Terwijl eind negentiende eeuw de zoektocht naar goud figuren als de louche kroegeigenaar Al Swearengen, sheriff Seth Bullock, cowgirl Calamity Jane en revolverheld Wild Bill Hickok, die er zijn laatste kogel zou vinden, naar de zwarte heuvels van South Dakota lokte, zorgt marihuana er nu al jaren voor dat vrijbuiters, klaplopers en tweederangs criminelen verkassen naar Humboldt County in Californië.

Het begon in de jaren zestig met een groep hippies, die in ‘The Emerald Triangle’ een woongemeenschap startte en illegale wietplanten ging verbouwen. Daar bleek, behalve heel veel rookgenot, ook goed geld in te zitten. En daarvan ging, natuurlijk, een aanzuigende werking uit. Een halve eeuw later is het uitgestrekte, bosrijke gebied uitgegroeid tot een soort moderne variant op het wilde westen, waar plaatselijke bendes de dienst uitmaken en de politie niks heeft te vertellen. Humboldt heeft zelfs zijn eigen ‘ghost town’: Alderpoint, ook wel bekend als Murder Mountain (248 min.), tevens de titel van deze zesdelige documentaireserie.

Sinds 1975 raakten er maar liefst tweehonderd mensen vermist in Humboldt County. Of ze bewust van de radar zijn verdwenen of een handje werden geholpen, blijft de vraag. Regisseur Joshua Zeman werkt één van deze casussen verder uit: de zoektocht naar de 29-jarige Garret Rodriguez, die zijn geluk ging beproeven in de softdrugs-business, in de hoop daarna te kunnen gaan rentenieren op zijn eigen visplek. Rodriguez’s verdwijning zet een serie van steeds verder escalerende gebeurtenissen in gang, die uitmondt in bot en dom geweld. Die ene zaak, boordevol simpele schurken, gesjeesde Vietnam-veteranen en schietgrage burgerwachten, wordt vet uitgeserveerd met spannende slow-motion reconstructies en dreigende muziekjes.

De true crime-achtige verhaallijn, die zich voor het leeuwendeel in 2013 afspeelt, slorbt zeker de helft van deze serie op en wordt enigszins geforceerd samengebracht met een portret van het hedendaagse Humboldt County. De ‘white trash’-variant op ons eigen Ruigoord heeft onlangs te maken gekregen met nieuwe ontwikkelingen. Vanaf 1 januari 2018 is recreatief marihuanagebruik gelegaliseerd in Californië, nadat eerder al medicinaal gebruik van cannabis werd toegestaan. Dat zou de zwarte handel en bijbehorende problematiek tot een halt moeten brengen, maar kunnen én willen de op hun vrijheid gestelde telers wel aan de bijbehorende regels voldoen? Het is in elk geval even aanpassen. De doorgewinterde stoner Jason Dookie van de firma Dookie Brothers neemt na elke bedrijfsbeslissing bijvoorbeeld nog steeds een flinke ‘bong hit’ met zijn waterpijp.

Zo blijft het behelpen in Humboldt County, met telers en handelaren die binnen en buiten de wet willen opereren. Één van de kleine zelfstandigen in Humboldt trekt niet voor niets de vergelijking met de drooglegging, toen de Amerikaanse maffia via dranksmokkel groot kon worden. Zoals ook het Nederlandse softdrugsbeleid aantoont, laten mensen zich nu eenmaal niet zomaar vertellen welke genotsmiddelen ze wel of niet mogen gebruiken en is er op de grens van legaal/illegaal goud geld te verdienen. Intussen is er een behoorlijke kans dat de rechtstaat danig wordt ontwricht. Met alle gevolgen van dien, zo bewijst deze wat onevenwichtige serie, voor gewone burgers die liever aan de zijlijn zouden blijven staan.

Zoals Al Swearengen het ooit, heerlijk profaan, verwoordde in de fictieserie Deadwood (waarvan binnenkort zowaar een speelfilm uitkomt): ‘Every fuckin’ beatin’, I’m grateful for. Every fuckin’ one of them. Get all the trust beat out of you. And you know what the fuckin’ world is.’

Cartel Land


Als het aan de huidige Amerikaanse president ligt, had er allang een muur gestaan in Cartel Land (94 min). Betaald door Mexico, vanzelfsprekend. Deze geweld(dad)ige documentaire uit 2015 dateert echter nog van ruim voor Trumps (imaginaire) afscheiding tussen de Verenigde Staten en zijn zuiderbuur, als in Mexico en het grensgebied met de Verenigde Staten ook al een bloedige drugsoorlog wordt uitgevochten.

Regisseur Matthew Heineman, die sindsdien de huiveringwekkende IS-documentaire City Of Ghosts en het vijfdelige drugsepos The Trade (een soort verdere uitwerking van Cartel Land) maakte, begeeft zich als een vlieg op de muur in het heetst van de strijd en belandt zo in hachelijke omstandigheden. Dat resulteert in talloze onvergetelijke scènes, zoals bijvoorbeeld de hardhandige arrestatie van Chaneque, de leider van het uiterst bloeddorstige Tempeliers-kartel, die ondertussen woedende dorpsbewoners van zich af moet zien te houden.

Heineman vindt ook diverse kleurrijke personages. Amerikaanse vigilantes, die het recht in eigen hand nemen en bij de grens doodgemoedereerd burgerarrestaties verrichten. En aan de andere kant van diezelfde grens volkshelden zoals de enigmatische Mexicaanse arts José Manuel Mireles en zijn rechterhand ‘Papa Smurf’, die als leiders van de Autodefensas-burgermilitie terugvechten en dorpen proberen te veroveren op het Tempeliers-kartel. Ook in deze oorlog is echter niets wat het lijkt.

Cartel Land brengt zo behalve de hardheid van de drugsoorlog ook het ambigue karakter ervan op weergaloze wijze in beeld: wie zijn eigenlijk de good guys in dit vuile gevecht om de ziel van het land? En wanneer worden de middelen om de kartels uit te roeien erger dan de oorspronkelijke kwaal?

Laila At The Bridge


In een busje gaat Laila de verschoppelingen hoogstpersoonlijk ophalen. De mannen en vrouwen liggen onder een brug, in hun zelfverkozen roes of helemaal naar de kloten. Laila Haidari, de ‘moeder van de verslaafden’, en haar broer Hakim, die zelf dertig jaar verslingerd was aan heroïne, nemen ze mee naar hun verslavingscentrum in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Eenmaal in het moederkamp worden de junks direct ontsmet en kaalgeschoren. Hun nieuwe leven kan – nee, moet! – beginnen.

Sinds de Amerikaanse inval in 2001 bloeien de poppyvelden als nooit tevoren in Afghanistan. Heroïne is spotgoedkoop in het land, dat geldt als de grootste opiumproducent van de wereld. Een dagelijkse dosis is ongeveer net zo duur als enkele broden – en voor menige Afghaan, geraakt door de eeuwig durende oorlog in het land, bovendien minstens zo aantrekkelijk. Vol overtuiging blijven Laila en de haren echter met de kraan open dweilen. Al zouden ze er maar één mensenleven mee redden…

Op zoek naar financiële steun banjert de daadkrachtige powervrouw in Laila At The Bridge (52 min.), een schrijnende documentaire van Elizabeth en Gulistan Mirzaei, intussen als een vrouwelijke olifant door een verder vrijwel geheel mannelijke porseleinkast. Ze raakt daarbij regelmatig de weg kwijt in de volledig gecorrumpeerde Afghaanse bureaucratie. En zo nu en dan krijgt ze anonieme telefoontjes. Van de plaatselijke drugsmaffia? Laila doet er niet moeilijk over, scheldt haar bellers ongegeneerd de huid vol en vervolgt haar missie. Intussen neemt ze de kijker voor zich in.

Recovery Boys

Netflix

Bedremmeld staan ze aan de rand van de dansvloer. Niemand zit toch op hen te wachten? Het hele dorp Aurora kijkt vast op hun neer. Zij, de bewoners van Jacob’s Ladder, een boerderij waar verslaafden definitief een streep onder hun woelige verleden willen zetten. Met de zorg voor dieren, noeste arbeid en de onvermijdelijke groepsgesprekken proberen ze terug te keren bij zichzelf.

Op het feest in het Amerikaanse heartland, West Viginia om precies te zijn, moeten ze wel uit de buurt van drank en drugs zien te blijven. Uiteindelijk laten Jeff, Rush, Adam en Ryan zich toch overhalen. Aan de arm van een plaatselijke vrouw zwieren ze, broodnuchter, over de dansvloer. Intussen verschijnt op hun gezicht een glimlach, die ze allang kwijt geraakt dachten te zijn.

De mannen zijn al enkele maanden clean als ze op het plattelandsfeest verzeild raken en werken gestaag aan zichzelf op de boerderij van Kevin Blankenship, die zelf een zoon heeft die ooit verslaafd was. Hun vertrek uit het veilige Jacob’s Ladder nadert. Ze hebben vertrouwen in de toekomst. Sobriety rocks my socks!, staat er ferm op de deur van één de slaapkamers.

Halverwege de indringende documentaire Recovery Boys (90 min.) van Elaine McMillion Sheldon, die eerder het voor een Oscar genomineerde Heroin(e) maakte, lijkt de toekomst de mannen eindelijk toe te lachen. Vergeten zijn het misbruik en de misère van hun jeugd en het eenzame gevecht met heroïne en coke. Ze lijken klaar voor de rest van hun leven. Maar de film is dan nauwelijks over de helft…

Over de Amerikaanse Opioid Crisis zijn in het afgelopen jaar al diverse documentaires gemaakt. McMillion Sheldons Heroin(e) focust zich bijvoorbeeld op de hulpverleners, terwijl Warning: This Drug May Kill You kijkt naar de verslaafden zelf, gewone mensen die door een wrede speling van het lot (vaak een ziekte of ongeluk) in de hoek zijn beland waar de klappen vallen.

En als je echt diep in de materie wilt duiken, de problematiek aan den lijve wilt ervaren als het ware, ga dan op zoek naar de geweldige vijfdelige documentaireserie The Trade van Matt Heineman (Cartel Land), een soort real life mash-up van Narcos en The Wire waarin alle aspecten van de drugsepidemie aan bod komen.

Eric Clapton: Life In 12 Bars


Nog voordat John Lennon verklaarde dat The Beatles toch echt groter waren dan Jezus en The Stones de Duivel probeerden aan te roepen, werd gitarist Eric Clapton hoogstpersoonlijk uitgeroepen tot opperwezen. De fameuze ‘Clapton Is God’-muurschildering, die in 1965 op een station in Londen verscheen, moet als een molensteen om zijn nek hebben gehangen. Want God werd – in tegenstelling tot die andere legendarische gitaarheld, Jimi Hendrix – gewoon oud. Als een doodnormale sterveling.

Hij is inmiddels in de zeventig, de rockgod van weleer. Sadder & wiser ook. In de geautoriseerde biografie Eric Clapton: Life In 12 Bars (133 min.) van confidant Lili Fini Zanuck, die door Het Uur Van De Wolf in twee delen wordt uitgezonden, wordt zijn glorieuze carrière, en het getormenteerde leven daarachter, afgepeld tot de kern: de moeizame relatie met zijn moeder, die hij tot z’n negende beschouwde als zijn oudere zus. Zij heeft nooit een serieuze poging ondernomen om een relatie op te bouwen met haar zoon. Die hechtingsproblematiek is hem een leven lang blijven achtervolgen.

Van daaruit legt Zanuck (of is het Clapton zelf?) met een weldaad aan archiefmateriaal en off screen-interviews met alle relevante passanten uit Claptons leven een direct verband met diens verdoemde liefde voor Pattie Boyd, de vrouw van boezemvriend en Beatles-gitarist George Harrison, en zijn afhankelijkheid van drugs en drank (die in 1976 tot deze pijnlijke rant over een Blank Engeland zou hebben geleid). Vanuit ongeluk zoop en snoof hij zich een ongeluk, naar de onvermijdelijke catharsis die je de hele film ziet aankomen.

En als Clapton eindelijk vrede met zichzelf en zijn leven lijkt te hebben gesloten, slaat het noodlot opnieuw toe. Het zal hem, in een tragische speling van het lot, zijn allergrootste hit opleveren: Tears In Heaven, tevens het emotionele hoogtepunt van deze krachtige film, die de afgelopen twintig jaar in het bestaan van deze maar al te menselijke man afdoet met enkele zoetsappige ‘eind goed al goed’-constateringen. En dat ‘Clapton is God’ zou trouwens wel eens een publiciteitsstunt kunnen zijn geweest, bekende hij onlangs in een interview. Of was die uitspraak opnieuw een poging om zichzelf tot menselijke proporties terug te brengen?

Faithfull


‘I sit and watch as tears go byyy-hyyy-hyy-hyyy.’ Dat catchy refrein, speciaal voor haar geschreven door Mick Jagger en Keith Richards, raakt ze nooit meer kwijt. Marianne Faithfull, de onwillige (?) hoofdpersoon van dit traditioneel opgezette en met veel fraai archiefmateriaal aangeklede portret, zingt ’t ruim een halve eeuw later nog steeds.

Van het bevallige en brave meisje, dat in 1964 werd gelanceerd door de gewiekste Rolling Stones-manager Andrew Loog Oldham, is echter weinig meer over. De tranen hebben een spoor door haar leven en gezicht trokken. De gemakkelijke verklaring daarvoor is Mick Jagger, de man aan wie ze eerst vol-le-dig verslingerd raakte en daarna he-le-maal kapot ging. Totdat ze als de eerste de beste junk op een hoek van de straat belandde.

Sister Morphine, het nummer dat zij schreef en dat The Stones bekend maakten, is echter niet autobiografisch, zo bezweert ze in het wat brave Faithfull (61 min.) van de Franse actrice/regisseuse Sandrine Bonnaire. Na Jagger raapte ze zichzelf bij elkaar en vervolgde haar pad als een vrouw van het leven, met zwaar doorrookte stem en meer dan genoeg levenservaring voor een interessant muzikaal oeuvre.