Oorlogskinderen

WNL

Een vingerhoedje spuug zet hen hopelijk op het spoor naar hun oorsprong. Want wie hun vader was – een Duitse soldaat of toch een bevrijder uit de Verenigde Staten, Frankrijk of Canada – dat is altijd ongewis gebleven. Adri, Marcel, Ans en Trudy zijn de zeventig inmiddels ruimschoots gepasseerd, maar zijn toch altijd Oorlogskinderen (53 min.) gebleven.

Gedefinieerd door de Tweede Wereldoorlog of het einde daarvan, de uitbundig gevierde Bevrijding. Al was dat niet altijd direct duidelijk. Voor henzelf, tenminste. Soms leek iedereen er al vanaf te weten. Iedereen, behalve zij, het product van dat ene moment van geluk of opwinding, nu alweer zo lang geleden. En dus geven ze hun erfelijk materiaal aan een heuse DNA-detective, Els Leijs uit Bussum. Via stamboomonderzoek probeert zij hun familieleden te achterhalen – en de man die hen op de wereld zette en er, soms ongewild, ook weer achterliet.

De filmmakers Eric van den Berg en Bram Endedijk doorsnijden de pogingen van de oorlogskinderen om klaarheid te krijgen over hun wortels met ingesproken getuigenissen van buitenlandse militairen, Duitse soldaten en vaderlandse meisjes over hun ervaringen tijdens de oorlog. Zo wordt het bezette Nederland, het zwart-witte decor van hun conceptie, overtuigend tot leven gewekt. De nadruk ligt echter op de persoonlijke verhalen en zoektocht van de verweesde volwassenen, die stuk voor stuk tot de verbeelding spreken.

In het geval van Adri Goedegebuure uit Middelburg, verwekt rond de Bevrijding van Walcheren, leidt het spoor bijvoorbeeld naar Frankrijk, waar directe familie wacht. Andere participanten zijn minder fortuinlijk. Hun verhalen komen mede daardoor ook wat minder uit de verf. Wat al die lotgevallen van Oorlogskinderen, stijlvol verfilmd en begeleid door gedragen vioolmuziek, echter nog eens heel duidelijk onderstrepen, is hoe belangrijk bloedbanden zijn, ook als je ‘een kind van die rotmoffen’ bent. Want familie, juist omdat je die niet zelf kunt uitkiezen, definieert toch wie je bent.

De Kinderen Van Truus

In de Tweede Wereldoorlog steeg ze boven zichzelf uit. Geertruida Wijsmuller – Meijer (1896-1978). Alias Truus, de Nederlandse Oskar Schindler. Met haar Kindertransporten bracht ze voor en tijdens de oorlog meer dan 10.000 Joodse kinderen in veiligheid. Ze had in 1938 hoogstpersoonlijk met Hitlers rechterhand Adolf Eichmann geritseld dat ze hen mocht evacueren.

‘Ik ben iemand die als er nood was direct voor iedereen klaar stond’, zegt ze zelf, in een audio-interview uit 1967, dat als anker fungeert voor De Kinderen Van Truus (61 min.). Deze documentaire van Pamela Sturhoofd en Jessica van Tijn start met een fraaie animatie waarmee de heldenprestatie van de kordate Truus Wijsmuller, een vrouw die zelf nooit kinderen kreeg, wordt gevisualiseerd. Daarna komen ook haar ‘kinderen’, inmiddels zelf hoogbejaard, aan het woord. Ze werden gered van de nazi’s, maar moesten ook afscheid nemen van hun ouders. De meesten zagen hen nooit meer terug,

Mirjam Baitalmi – Szpiro was één van die kinderen. Ze heeft zich haar hele leven doorzichtig gevoeld, zegt ze. Alsof ze door niemand echt gezien werd. ‘Dat noemen ze het verlaten kind-syndroom, zei mijn psycholoog.’ Ze herinnert het zich nog als de dag van gisteren dat ze besefte dat ze er alleen voor stond. Nadat alle andere kinderen door hun ouders waren opgehaald uit het ziekenhuis van Manchester, dacht ze: ‘Dat is het: er is niemand die mij komt ophalen. En dat klopt. Niemand heeft dat ooit gedaan.’

Tegelijkertijd herinnert Baitalmi – Szpiro zich ook de krachtige knuffel die ze kreeg van Truus, een vrouw die door de andere sprekers in deze stevige film wordt geportretteerd als een vrouw met een missie, die wist wat ze wilde en ervoor zorgde dat ze dat ook kreeg. Met haar daad- en wilskracht streek ze in haar veelbewogen leven regelmatig mensen tegen de haren. Die leverde echter ook een ontzaglijke erfenis op, in de vorm van talloze, ten volle geleefde levens. Mannen en vrouwen die ruim veertig jaar na haar dood getuigen over hun dramatische vlucht en de heldenrol die de vrijwel vergeten Truus Wijsmuller daarin speelde.

Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans

Rudi van Dantzig & Johan Cruijff / NOS Collectie Rudi van Dantzig

Hij oogt als een vis in het water: Johan Cruijff in een balletzaal. Geconcentreerd kijkt de beste Nederlandse voetballer aller tijden toe hoe choreograaf Rudi van Dantzig aan het werk is met Clint Farha, de topdanser van het Nationaal Ballet. Hij herkent de hand van de meester. Van Dantzig geeft het ritme aan en laat zijn protegé zweten. Er wordt urenlang gerepeteerd.

‘En iemand wie keihard traint’, stelt Cruijff op geheel eigen wijze in Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans (59 min.) uit 1988. ‘Dat is bloed, zweet en tranen.’ De toenmalige trainer/coach van Ajax, in die tijd vrijwel altijd met een sigaret in de hand, heeft tegenover Van Dantzig plaatsgenomen voor een tweegesprek onder leiding van Frits Barend, waarin de overeenkomsten tussen voetbal en ballet worden onderzocht. Van Dantzig stelt op zijn beurt dat hij zich regelmatig heeft laten inspireren door het Ajax van Cruijff en Michels.

Voor hedendaagse begrippen zou het dubbelinterview met de twee grootheden soms wel een zetje of wat meer tempo kunnen gebruiken. Het wordt in deze tv-docu, geregisseerd door Piet Erkelens en Pim Marks, echter omlijst door fraaie sequenties van een indrukwekkende solo van Farha (op Bachs Air On G String) en hoogstandjes van topspits Marco van Basten (opgeleukt met lekker campy jaren tachtig-muziek).

Schijnbewegingen wordt bovendien tot een fraaie climax gebracht met een meeslepende parallelmontage van een voorstelling van de excellerende Farha en het Nationaal Ballet en een Europa Cup 2-wedstrijd waarin het Ajax van Van Basten, Menzo en Rijkaard het in de eigen Meer opneemt tegen het Zweedse Malmö FF. Sport en kunst verworden in die apotheose voor heel even tot elkaars evenbeeld.

Naderhand geeft Van Dantzig zijn protegé in de coulissen een welgemeend schouderklopje en wordt in de Ajax-kleedkamer luidkeels ‘Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruuuiiijjjff’ gezongen.

Ons Bier

KRO-NCRV

‘Ik bepaal hier wat er gebeurt’, zegt Johan Nijhof tegen de medewerkers van het reclamebureau AlienTrick dat hij heeft ingehuurd om het imago van Huttenkloas, ‘een misdadig lekker biertje’, een ferme oppepper te geven. ‘Daar ben ik heel duidelijk in.’ Dus of hij zijn compagnon Ruud van der Gevel meeneemt naar de volgende afspraak, kan de Twentse brouwer nog niet zeggen…

De documentaire Ons Bier (55 min.) is nauwelijks een kwartier onderweg en de oplettende kijker weet genoeg: dit kon wel eens gedoe worden. Het twistpunt ligt dan ook al vast: welke plek krijgt de stoel waarop de oorspronkelijke Huttenkloas, een Twentse rover en moordenaar uit de achttiende eeuw, volgens de overlevering is geradbraakt en ter dood is gebracht in het nieuwe logo? Past die stoel überhaupt nog wel bij het tintelfrisse imago van de brouwer?

Huttenkloas, zoveel is duidelijk, moet worden klaargestoomd voor de 21e eeuw, met nieuwe apparatuur en een moderne attitude. ‘Facebooken, dat moeten we ook gaan doen’, constateren Johan en Ruud, die er toch bij is, onderweg naar het kantoor van AlienTrick, waar ze het merk Huttenkloas opnieuw gaan ‘positioneren binnen het bierlandschap’. Dit gaat gepaard met een bijdetijds logo, waarin de veelbesproken stoel een minder prominente plek heeft gekregen.

Het oubollige, ongetwijfeld smakelijke biertje krijgt zo een hipster-imago aangemeten. Documentairemaker Michiel van Erp zou er enkele jaren geleden wel raad mee hebben geweten en van de Huttenkloasen stoethaspels in een kneuterige komedie hebben gemaakt. En Frans Bromet had het meningsverschil ongetwijfeld echt op de spits gedreven. Oliver van der Zee, de maker van deze aandoenlijke tv-film, zoekt echter een, overigens heel vermakelijke, redelijke middenweg.

Waarbij na afloop wel een beetje het gevoel blijft hangen dat het verhaal nog niet is afgerond. Vaart Huttenkloas uiteindelijk wel bij al die vernieuwingsdrift? Een iets langere adem had Ons Bier wellicht goed gedaan.

Samen

Nederland, Amsterdam, 22 november 2019. Carmen Cobos en haar man Kees Rijninks. Foto: Jorgen Caris

Misschien beleven ze ook deze fase in hun bestaan te veel samen. ‘Anderen zeggen dat ik meer mijn eigen leven moet leiden’, zegt Carmen Cobos over haar echtgenoot Kees Rijninks, die sinds enige tijd de ziekte van Parkinson heeft. ‘Maar ik wil me geen weduwe voelen voor ik dat ben.’ Het koppel maakt een film over hoe ze Samen (77 min.) met zijn aandoening omgaan – en hoe dat in de toekomst moet.

In deze persoonlijke film ontmoeten ze ook andere stellen die de verduivelde ziekte in hun leven hebben gekregen. Gezamenlijk representeren zij de verschillende stadia van Parkinson: van een jong koppel dat samen bloembollen teelt tot een ouder echtpaar, waarvan de vrouw eigenlijk niet meer thuis kan wonen. En dan is er nog de alleenstaande man, die enkele jaren geleden plotseling zijn vrouw verloor en alleen is achtergebleven met Parkinson.

Cobos en Rijninks tekenen hun verhalen met veel begrip en nog meer blikken van herkenning op en verweven die met hun eigen stappen op het pad dat de ziekte voor hen uitlegt. Wat de toekomst brengt is voor allen glashelder: de aandoening is ongeneeslijk. Maar hoe en wanneer je dat eindstadium bereikt, ligt in de toekomst verscholen. ‘Die Parkinson kruipt stiekem naar binnen en je weet niet waar en wat er gebeurt’, stelt Ans, die de diagnose alweer zeven jaar geleden kreeg.

Te midden van deze onzekerheid, alle praktische problemen die de aandoening met zich meebrengt en de angst dat hun denk- of communicatievermogen raakt aangetast, proberen deze gewone mensen te bewaren wie ze zijn en waar ze van houden. Samen met hun partner, die natuurlijk ook met zijn eigen angsten en onzekerheden moet zien te dealen. Want Parkinson hebben ze inmiddels echt met zijn twee, zo laat deze fijngevoelige film zien.

Samen brengt al die verhalen liefdevol samen. Van mensen die, ieder voor zich en toch samen, het beste proberen te maken van het lot dat het leven hen heeft toebedeeld.

This Is Me

EO

This Is Me (15 min.), met die woorden wordt Allen Tumusiime in de slotscène het podium opgestuurd in deze korte documentaire van Els van Driel en Imke Renee Slump. Een gestileerde film over een meisje uit Oeganda, dat het gevoel had dat ze daar zichzelf niet kon zijn en dat zich bovendien voortdurend beperkt, en seksueel geïntimideerd, voelde als ontluikende jonge vrouw.

‘Als je alleen loopt kan een man je meenemen en misbruiken’, vertelt ze. ‘Dat overkomt veel meisjes in Oeganda.‘ Allen begon zich daarom te verbergen, te vermommen als jongetje. In Nederland, waar ze inmiddels twee jaar woont met haar moeder, probeert ze nu een nieuw leven op te bouwen en haar gevoelens over heden en verleden uit te drukken in dans.

Of zoals haar coach het treffend uitdrukt: haar innerlijke strijd te verbeelden op het podium en aan anderen te laten zien. Zónder daarbij de controle te verliezen. Dat gevoel van de baas zijn in je eigen leven drukt Allen in dit fraaie miniatuurtje uit in enkele krachtige danssequenties, waarvoor ze zelf de choreografie heeft verzorgd.

Missie NS

KRO-NCRV

‘De reiziger staat op 1, 2 en 3.’ De NS wil voor ‘een 9+ ervaring’ zorgen bij de klant. Zodat de conducteur, ook wel ‘gastheer’ of ‘host’ genaamd, te maken krijgt met louter ‘blije reizigers’. Want de NS gaat voor ‘totale reisbeleving’. Dat is ‘the narrative’. Met een slogan met de onmiskenbare wilde frisheid van limoenen: ‘Proef de vrijheid’.

Elke stiel heeft zijn eigen jargon – al begint die van grote organisaties wel steeds meer op elkaar te lijken. De Nederlandse Spoorwegen laten bijvoorbeeld allang niet meer (alleen) treinen op tijd rijden. Ook op het spoor gaat het tegenwoordig om beleving, waarbij de voormalige reiziger (blijkbaar) iets van zichzelf moet zien te verwerkelijken. Terwijl hij wacht op een trein die niet komt, zich propt in iets wat het meest weg heeft van een veewagon of – in het leeuwendeel van de gevallen – gewoon netjes op tijd op de plaats van bestemming wordt afgeleverd.

Missie NS (82 min.) brengt het totale bedrijf in beeld; van de top in het hoofdkantoor en de omroepers op het operationeel controle centrum tot de mensen die met hun poten door de coupés en balkons banjeren: de conducteurs, machinisten en schoonmakers. Regisseur Catherine van Campen hanteert daarbij een procedé dat inmiddels vertrouwd voelt: ze kiest niet voor duidelijke hoofdpersonen, maar observeert in alle hoeken en gaten van het bedrijf, waarbij de kijker wel enkele vaste gezichten krijgt voorgeschoteld.

De film bestaat uiteindelijk uit een vloeiend gemonteerde collectie snapshots die gezamenlijk een narratief vormen, wellicht zelfs ‘the narrative’ die NS zelf wil uitdragen. In die zin doet de documentaire denken aan vergelijkbare films over de snelweg (Snelweg NL), bouwsector (Jongens Van De Bouw) en aandachtsindustrie (Nu Verandert Er Langzaam Iets). Ook Missie NS, dat wel wat drama ontbeert, registreert hoe gewone mensen onderdeel zijn van een dienst, onderneming of beroepsgroep en legt zo en passant iets van onze volksaard bloot.

Van Campen is er duidelijk niet op uit om iets of iemand te ontmaskeren. Ze houdt ons simpelweg een spiegel voor: dit is de wereld waarin wij leven, van gezichtsloze instituties die wel degelijk door gewone mensen worden bevolkt. Zo bezien zijn er ook nog wel wat spannende organisaties te bedenken, waar de Nederlandse subsidieverstrekkers eens een filmploeg naartoe kunnen sturen: de Belastingdienst, Shell of de NAM. Die kunnen vast ook nog wel aan hun ‘beleving’ werken.

De Dijk – Hou Me Vast

NTR

De knuppel gaat in het hoenderhok. Huub van der Lubbe vraagt zich af of ze het bijltje er niet bij neer moeten gooien. Dertig jaar lang was spelen met De Dijk het allerleukste wat hij deed. Op dit moment kan de zanger echter nog wel een paar andere dingen bedenken, die hij ooit eens wil doen. De rest kan z’n oren nauwelijks geloven: ‘die eikel’ gaat hun band toch niet opblazen?

Deze heikele kwestie vormt het startpunt voor de documentaire De Dijk – Hou Me Vast (83 min.) uit 2011, waarvoor Suzanne Raes de nederpopgroep, aan de vooravond van het dertigjarige jubileum, een veelbewogen jaar lang volgde. In de steeds terugkerende beelden vanuit het spreekwoordelijke tourbusje, waarmee ze het land blijven doorkruisen, ogen de mannen nog steeds als een echt bandje.

Jongens onder elkaar. Van dik in de vijftig. Jongetjes nog, stiekem. Als ze door soullegende Solomon Burke worden benaderd om samen een plaat op te nemen, bijvoorbeeld. Die invitatie leidt onder anderen tot een prachtige scène als de bandleden, los van elkaar, de eerste gezamenlijke opname Hold On Tight terugluisteren. Zo trots als een hond met zeven lullen.

En dan wil de held ook nog met hen gaan optreden. Aan de einder gloort een Amerikaanse tournee. Dat zou een wedergeboorte zijn voor de band, die al zeker zeven levens had. De ogen van de oude rotten beginnen ervan te glinsteren. En dan slaat het noodlot toe en moeten de eeuwige jongens opnieuw schakelen.

‘Je kan de blues wel willen verlaten’, zingen ze zelf in een nummer waaraan tijdens de filmopnames druk wordt gesleuteld. ‘Maar de blues verlaat jou nooit.’ Raes krijgt de interne machinerie van de groep intussen stevig te pakken – de onderlinge concurrentie bijvoorbeeld, die tot de beste liedjes leidt – en kijkt zeer goed om zich heen in de oefenruimte, kleedkamer en studio.

Met die gedegen aanpak legt ze het grote, bloedende en nog altijd wild kloppende hart van De Dijk moeiteloos bloot.

De Dijk – Hou Me Vast is hier te bekijken.

Hart Van De Democratie

NTR

‘Iedereen doet hetzelfde. Want als je iets anders doet, dan mis je iets’, stelt politiek commentator Kees Boonman over zowel de Haagse politiek als de journalistiek die daar bedreven wordt. Hij heeft zich zojuist losgemaakt uit een kluwen verslaggevers, fotografen en cameramensen die een halve cirkel vormden rond de bewindspersoon, die op dat moment ’Het Nieuws’ vertegenwoordigde. ‘Iedereen wil het anders doen’, constateert Boonman. ‘En het wordt steeds moeilijker om iets anders te doen.’

De routinier leidt de kijker als een ervaren gids rond door het Hart Van De Democratie (87 min.). Als tegenpool voeren de filmmakers Suzanne Raes en Liesbeth Witteman de jonge journaliste Charlotte Nijs op, de eerste politieke verslaggever van het SBS6-programma Hart Van Nederland. Via hen gaan ze op zoek naar het antwoord op de vraag of de Nederlandse parlementaire democratie, net als het Tweede Kamergebouw zelf, aan een grondige renovatie toe is.

Boonman spreekt in dat kader prominente politici als Johan Remkes, Khadija Arib en Alexander Pechtold over het veranderde ambt van parlementariër en neemt met hen de staat van ons bestel op. Volgens Pechtold is er bijvoorbeeld geen reden voor ernstige ongerustheid. De democratie heeft gewoon een stevige griep. Maar aan een verwaarloosde griep kun je dood gaan, werpt Boonman tegen. In het volgende shot zit niet geheel toevallig Thierry Baudet piano te spelen in een reportage van Nijs. ‘Weet je wat het is, Charlotte?’ vraagt hij vanachter de vleugel. ‘Een Schuman-kamerconcert ga ik spelen.’ De verslaggeefster kijkt het fragment terug op een montagecomputer. ‘Nou, één soundbiteje lijkt me voldoende’, zegt ze lachend tegen haar editor.

De film telt talloze van zulke lekkere doorkijkjes naar de wisselwerking tussen pers en politiek. Zo is er bijvoorbeeld een prachtige scène waarbij Boonman zuchtend achterblijft nadat hij enkele aalgladde quotes te verduren heeft gekregen van de zojuist gepresenteerde nieuwe fractievoorzitter van D66, Rob Jetten. Daarna werkt hij in zijn eentje een stukje van de bijbehorende feesttaart weg. Even later duidt voormalig kamerlid Gerard Schouw zijn voormalige stagiair Jetten: die jongen is gewoon in en in keurig. ‘Alleen of hij slecht genoeg is… Je moet ook wel een beetje een slecht mens zijn, hè?’ Boonman beaamt. Schouw moet er smakelijk om lachen.

Deze kostelijke documentaire kijkt zo met een antropologische bril naar de Tweede Kamer, waarbij reacties op Twitter de botte, grappige of juist onverschillige respons daarop vanuit de samenleving vertegenwoordigen. Die buitenwereld meldt zich ook letterlijk in het huis van de democratie middels demonstranten, rondleidingen en een reünie van kabinet Den Uyl. De mores en omgangsvormen mogen dan veranderen, het Hart Van De Democratie blijft onverminderd kloppen: soms wild, dan weer lui of onregelmatig.

Hart Van De Democratie is hier te bekijken.

Anne Vliegt

KRO-NCRV

Zelden zal een popsong zo op zijn plek zijn gevallen in een documentaire als Friend Of Ours van Elbow in Anne Vliegt (21 min.). Het gedragen nummer van de Britse groep krijgt een compleet nieuwe lading: van de totale bevrijding van alle zorgen.

Terug naar het begin van deze bijzonder fijne jeugdfilm van Catherine van Campen uit 2010: we maken kennis met de elfjarige Anne, een op het eerste gezicht knap en weinig opvallend meisje. Toch lijkt ze soms helemaal niet lekker in haar vel te zitten.

Anne heeft Gilles de la Tourette, een neurologische aandoening die wordt gekenmerkt door onbedwingbare motorische en vocale tics. ‘Ik heb een stoornis in mijn hersenen’, vertelt ze zelf. ‘En daardoor heb ik dwangen en tics. En dat houd ik mijn hele leven.’

Zo móet Anne bijvoorbeeld rondjes draaien. Altijd naar dezelfde kant. Naar rechts. En daar blijft het niet bij: knipperen met de ogen. Draaien met de ogen. En, sinds kort, een liktic. ‘Mama had laatst geteld en toen had ik in tien minuten 23 keer ergens aan gelikt.’

Met bijzondere empathie observeert Van Campen het getroebleerde meisje op school, bij haar vriendinnen en tijdens therapie. Anne maakt daarbij soms een eenzame indruk. Alsof ze er toch niet helemaal bij hoort. Niet bij dúrft te horen. Bang dat ze wordt buitengesloten of gepest.

Daarom wil Anne vliegen, zegt ze. Zodat anderen haar tics niet kunnen zien. Eenmaal in de lucht, klauterend in palen of op containers, kan ze haar dwangmatige rituelen loslaten. Zichzelf loslaten. Vrijlaten.

En dan valt Elbows majestueuze Friend Of Ours, nadat het diverse keren op subtiele wijze is aangekondigd, met nietsontziende kracht definitief in tijdens een sowieso wonderschone glijbaanscène met Anne en haar vriendje Delano.

Het tafereel fungeert als vliegwiel naar een nieuwe Anne, die de schaamte even achter zich lijkt te hebben gelaten en vrede sluit met zichzelf. Hetgeen, als weldadig slotakkoord, wordt bezegeld met nóg een heel fijn liedje: Kite Strings van Kele Goodwin.

Klanken Van Oorsprong

Scarabee Films

Toen Nederland in de jaren na de Tweede Wereldoorlog het onafhankelijk geworden Indonesië met de staart tussen de benen verliet, nadat we daar eeuwenlang de kolonisator hadden uitgehangen, nam het de revolutie mee naar een huis. Een muzikale revolutie, welteverstaan. Op schepen zoals de Oranje en Willem Ruys bivakkeerde een nieuwe generatie Indische Nederlanders, die rock & roll en hun eigen variant daarop, indorock, introduceerde in het kneuterige Holland.

Daarmee zouden ze niet alleen in eigen land furore maken. In Duitsland werd de ‘Exoten aus Tulpenland’ volgens gitarist Eddy Chatelin van The Crazy Rockers zo opgehemeld dat ze terstond van hun minderwaardigheidscomplex waren verlost. Met indorock viel in heel Europa een goede boterham te verdienen. En die Indische showpikkies zetten echt de toon, getuige de altijd weer opduikende anekdote over The Beatles. Tijdens hun jonge jaren in Hamburg zouden die de kneepjes van het vak hebben geleerd van Nederlandse indobands (*).

De gouden jaren van de indorock, waarbij The Tielman Brothers uitgroeiden tot de absolute vaandeldragers van het genre, zijn eerder opgeroepen in de documentaire Rockin’ Ramona van Hans Heijnen uit 1991. Regisseur Hetty Naaijkens – Retel Helmrich plaatst datzelfde verhaal in Klanken Van Oorsprong (112 min.) uit 2018 binnen een breder perspectief. Als bastaardzoon van de Indische krontjongmuziek en ruige broertje van de zogenaamde indopop, waarmee The Blue Diamonds, Anneke Grönloh en Sandra Reemer (internationaal) succes boekten.

Én als lekker escapistisch vervolg op een ronduit traumatische periode, waarbij Indische Nederlanders, net als eerst de Japanners en daarna de Hollanders, uit Indonesië werden verdreven om aan het andere eind van de wereld een nieuw leven op te bouwen. Ook artiesten zoals Liesbeth List, Boudewijn de Groot en Ernst Jansz grepen in hun oeuvre regelmatig terug op die ervaringen. De Indische invloed vond via de gebroeders Eddie en Alex van Halen zelfs zijn weg naar Amerikaanse hardrock.

Klanken Van Oorsprong neemt de tijd en graaft toch niet héél diep, maar brengt al die verschillende stromingen wel netjes bij elkaar. Zo ontstaat een liefdevol totaalbeeld van het stempel dat Indische Nederlanders in de afgelopen halve eeuw op de vaderlandse muziekhistorie hebben gezet.

(*) En wie staan daar op de foto bij een optreden van The Tielman Brothers? Juist, Paul en John.

Ceres

EO

Het Zeeuwse land wordt in handen van filmmaker Janet van den Brand een geborgen wereld waar mens, dier en plant op natuurlijke wijze samenleven. Van den Brand observeert een beschutte agrarische gemeenschap tijdens het oogstseizoen. Via vier kids die op één van de afgelegen boerderijen opgroeien, met de ambitie om, als vanzelfsprekend, het familiebedrijf op termijn over te nemen.

Elke vorm van moderniteit, op een enkele boerengame en filmpjes van tractor pulling na, blijft achterwege in Ceres (54 min.). Van den Brand, zelf opgegroeid in Zeeland, kijkt mee als de kids appels en peren plukken, een vogel kortwieken of helpen als er een haan moet worden geslacht, die vervolgens gezamenlijk wordt gevild en uitgebeend. Uit alles spreekt een vanzelfsprekende relatie met het land en dit leven.

Door Van den Brands filmische benadering, het weldadige camerawerk van haar vriend Timothy Josha Wennekes (met veel close-up shots en nóg meer oog voor detail) en het levendige geluidsdecor van Tim Taeymans wordt deze film welhaast een zintuiglijke ervaring. Een ode aan de agrarische sector, zou je kunnen zeggen. Zonder een dwingende narratief, maar met een natuurlijke orde waarbinnen nieuw leven en de dood elkaar, als vanzelfsprekend, afwisselen.

Toch sijpelt zo nu en dan door dat die vanzelfsprekendheid niet meer zo vanzelfsprekend is als ooit. De volgende generatie boeren mijmert ook openlijk over de vrijheid van Australië, Canada of Nieuw-Zeeland. Want: ‘hierzo verdrink je bijna in al die regels’. En kan Ceres, de Godin van de landbouw, dus niet meer geheel onbevangen aanbeden worden.

RK Veulpoepers BV, De Hippies Van Beek

‘De naam Veulpoepers?’ vraagt zanger Zjef Naaijkens met Brabantse tongval en kenmerkende humor. ‘Eigenlijk betekent dat de Veulneukers.’ Hij verduidelijkt: ‘Op z’n Bels.’ De hippiegroep uit Hilvarenbeek was volgens hem ‘absurdisties aktivisties.’ Eenvoudiger gesteld: ze wilden ‘de zaak opnaaien’. Voor een ‘socialistische samenleving’ die ze volgens Naaijkens mede mogelijk gingen maken. ‘Vooruit’, voegt hij met twinkelende oogjes aan dat ‘mede’ toe. ‘We gingen het niet alleen doen.’

In RK Veulpoepers BV, De Hippies Van Beek (75 min.) wordt de hele geschiedenis van de Brabantse rebellenclub, die met name in de jaren zeventig stad en land afreisde om op elke demonstratie of festival aan te treden, nog eens uitgebreid uit de doeken gedaan. Van het ontstaan als typische anarchistische folkband tot de verwording daarvan tot een heuse BV, met een eigen woongroep, café en drukkerij. Waarna de groep (natuurlijk) ten onder ging aan precies die dingen waar ze zich jarenlang in het openbaar, met veel bombarie en humor, tegen had verzet.

Deze documentaire van Joris Hendrix en Frank van Osch, die eerder een film maakte over de eveneens stijflinkse generatie- en provinciegenoot Bots, bevat een karrenvracht aan fraai archiefmateriaal (waaruit glashelder wordt hoe populair die Veulpoepers ooit waren), maar heeft wel een erg anekdotisch karakter (met veel heerlijke verhalen, dat wel). Het is en blijft een verzameling herinneringen van een specifieke groep mensen en wordt nooit meer dan dat. Een exposé van Neerlands linkse protestbands uit de jaren zeventig bijvoorbeeld.

Dat gezegd hebbende: het schelmenverhaal van De Veulpoepers, en het aan hen gelieerde ‘actieorkest’ Fanfare Van De Eeuwigdurende Bijstand, biedt ruim voldoende stof voor vijf kwartier vermaak, waarbij de spanningen tussen het ‘Politburo’ en de anderen de groep uiteindelijk op een opvallend kille wijze de das om zullen doen. Die verwijdering, tussen mensen die samen zijn opgegroeid en jarenlang in één huis hebben gewoond, wordt door de filmmakers slim vervat in een actuele uitvoering van de enige echte (bijna)hit die de Poepers ooit hadden: Café Den Egelantier.

Een nummer dat ze destijds, natuurlijk, niet op televisie wilden playbacken. ‘Ja, een tweede huis in Spanje’, grapt Zjef Naaijkens daarover, geheel in stijl. ‘Had-ie kunnen hebben, heeft-ie niet gedaan!’

Het Geheugen Van Auschwitz

EO

Sommige gebouwen staan op het punt van instorten. In zekere zin is dat goed: ze hadden er nooit mogen zijn en werden ook niet voor de eeuwigheid gebouwd. Toch moet Auschwitz-Birkenau, daar zijn alle betrokkenen het wel over eens, koste wat het kost behouden blijven. Om de vreselijke boodschap van de Holocaust door te geven en de authentieke plaatsen en spullen daarvan te kunnen laten zien.

In Het Geheugen Van Auschwitz (50 min.) documenteert Manfred van Eijk de herstelwerkzaamheden in het voormalige vernietigingskamp, zoals de conservering van enkele stenen barakken. Waarbij er geen klusje kan worden uitgevoerd, zónder dat dit indringende beelden of emoties oproept. Zeker als er een vrouw op bezoek komt die het kamp overleefde. Intussen moet ook het prikkeldraad, dat maar een beperkte levensduur blijkt te hebben, weer eens worden vervangen en ligt er nog een blik Zyklon B dat moet worden geconserveerd.

Een buitengewoon indringende aanblik biedt ook de verzameling kinderschoenen die vanuit het kamp bewaard is gebleven. In die schoentjes werd van alles aangetroffen: sokken, krantenknipsels en zelfs een wiskundeproefwerk. In één ervan, laat een conservator zien, staat een handtekening. ‘Je kunt hier lezen dat hij van Eva Mahler was. Uit andere informatie die we vonden, weten we dat ze op haar achtste naar Auschwitz werd gebracht.’

Van Eijk legt het herstelwerk en de bijbehorende verhalen en herinneringen sereen vast en doorsnijdt die met tekeningen en teksten die eveneens bewaard zijn gebleven. Het resultaat is een stemmige film, die de noodzaak om te blijven herinneren nog maar eens onderstreept. ‘Wat heeft mij gemotiveerd om in leven te blijven?’, zegt een vrouw die de tragedie doorstond. ‘Dat ik het de wereld wilde vertellen. De wereld moet de waarheid weten.’

Moonlight Sonata: Deafness In Three Movements

HBO

Toen Beethoven doof begon te worden, componeerde hij de Moonlight Sonate. Juist die stemmige compositie wil de elfjarige Jonas nu instuderen voor een uitvoering. Hij verloor als kleuter ook zijn gehoor, kon toen een tijd helemaal niets horen en heeft daarna met een cochleair implantaat geluid, muziek in het bijzonder, opnieuw een plek gegeven in zijn leven.

Regisseur Irene Taylor Brodsky vertelt in Moonlight Sonata: Deafness In Three Movements (90 min.) zowel het verhaal van haar zoon als dat van haar ouders. Die zijn eveneens doof en werden in 2007 al door hun dochter geportretteerd in de aangrijpende film Hear And Now. Zij hebben sinds enkele jaren eveneens een implantaat, maar daaraan zijn ze nooit helemaal gewend.

Waren ze zonder gehoor niet gewoon beter af? vragen ze zich inmiddels af. Als opa overprikkeld dreigt te raken, zet hij bijvoorbeeld gewoon zijn gehoorimplantaat uit. Dat is wel zo rustig. Zeker omdat zijn brein serieuze slijtage begint te vertonen. Ook hun kleinzoon wil zich soms afsluiten van de horende wereld, bijvoorbeeld tijdens het oefenen van Beethovens meesterstuk.

Taylor Brodsky begeleidt de ontwikkelingen in haar familie met een persoonlijke voice-over en trekt parallellen met de laatste levensfase van Ludwig van Beethoven, verbeeld met fraaie animaties, die steeds meer in zijn eigen hoofd ging leven. Het resultaat is een intieme film, die toewerkt naar een vanzelfsprekend slotakkoord: Jonas’ interpretatie van de wereldberoemde pianosonate nr. 14.

De Puinhopen Van Irak

VPRO

’Ik eet geen vlees en tomatensoep meer’, zegt een grafdelver in de Iraakse hoofdstad Bagdad. ‘Die doen me denken aan de gruwelijkheden. Al die ellende. Onze kleren zaten altijd onder het bloed.’ De man leeft volgens eigen zeggen van brood en thee. En als hij aan al die verminkte lichamen denkt, krijgt-ie helemaal geen hap meer door zijn keel. Hij is helemaal kapot. ‘Ik drink elke dag om te kunnen slapen.’

In de vijfdelige documentaireserie De puinhopen van Irak (125 min.) neemt Sakir Khader de menselijke schade op van de oorlog in het verscheurde land, dat generaties lang met ijzeren vuist werd geregeerd door Saddam Hoessein. De voormalige dictator, in 2003 afgezet door de Amerikanen, is in bepaalde contreien nog altijd populair, constateert de Palestijns Nederlandse filmmaker in één van zijn bespiegelende voice-overs.

En de Amerikanen kunnen bij veel Irakezen nog altijd weinig goed doen. Effenden zij niet gewoon het pad voor Islamitische Staat? ‘We gaan je zo eerst te eten geven’, grapt een man bijvoorbeeld, die door een Amerikaanse scherpschutter een broer verloor, als hij van Khader hoort dat Nederland participeerde in de invasie van Irak door de Verenigde Staten. ‘Daarna maken we je af.’

Hoe dichter hij naar zijn Arabische roots reist, constateert Sakir Khader, hoe groter de conflicten worden. In elke aflevering probeert hij, soms enigszins geforceerd, zijn eigen geschiedenis te verbinden met z’n riskante trips door Irak. Met zijn persoonlijke betrokkenheid, lef en doorzettingsvermogen slaagt hij erin om de tegenstellingen in het land, en het brute geweld dat daaruit voortvloeit, in kaart te brengen via gewone Irakezen.

Net als Sinan Can maakt Khader zo een wereld toegankelijk die we vooral kennen van mistroostige berichten in de media. De boodschap is overigens niet per definitie optimistischer. ‘Misschien ben ik dood wel beter af dan in leven’, stelt de mijnenruimer Hassan bijvoorbeeld mismoedig. Net als veel landgenoten is hij het leven, in elk geval dít leven, moe. Maar hoe kan deze cyclus van geweld worden doorbroken?

Het Beest Van Harkstede

Videoland

‘Ik wou baas over een vrouw wezen.’

‘Dat kon toen die tijd nooit ver genoeg gaan voor me. Liefst met geweld.

’‘Toen was het alleen maar begeren, hebben en vernietigen.’

Was getekend: Willem van Eijk, alias Het Beest Van Harkstede (123 min.). Deze driedelige true crime-serie is gebaseerd op het boek Anatomie Van Een Seriemoordenaar van Sytze van der Zee, die tevens als verteller fungeert, en put regelmatig uit audio-interviews die misdaadverslaggever Peter R. de Vries deed met de beruchte Nederlandse seriemoordenaar.

Regisseur Marc de Leeuw doet de donkere dagen herleven toen Groningen volledig in de ban was van een serie moorden op vrouwen, die op een tippelzone werkten als prostituee. In 2001 kwam Willem van E. in beeld, een man die destijds al jaren TBS achter de rug had vanwege twee lustmoorden in de jaren zeventig en daarna zonder enige vorm van begeleiding weer de nietsvermoedende wereld in was gestuurd.

Met bronnen als zijn ex-vrouw Adrie, familieleden van zijn slachtoffers, een nicht, dorpsgenoten, een maatschappelijk werkster en gedragswetenschappers schetst De Leeuw het beeld van een angstaanjagende man, volgens een psychologisch rapport ‘een antisociale persoonlijkheid met een psychotische kern’. Een toonbeeld van externe attributie bovendien, dat consequent weigert om zich te laten behandelen.

De filmmaker vergezelt de getuigenissen over ‘het beest’ met video-opnames van een politieverhoor, suggestieve archief- en reconstructiebeelden en talloze onheilspellende muziekjes. Een slordige twintig jaar na dato is het nauwelijks te geloven dat hij zo lang ongestoord zijn gang heeft kunnen gaan. Niet in een of andere achterlijke uithoek van de Verenigde Staten. Gewoon hier, in Nederland.

Dat simpele feit geeft deze aardige serie écht extra lading.

Jongens Van de Bouw

BNNVARA

Over 22 maanden moet de woontoren klaar zijn. Een onmogelijke deadline, die eigenlijk niet te halen is met een normale werkweek. Vanaf juni 2017 gaan de Jongens Van De Bouw (87 min.) aan het werk om het onmogelijke tóch klaar te spelen en op tijd 375 huurappartementen in het hart van Rotterdam, Katendrecht, op te leveren.

Geertjan Lassche volgt het project via de mannen – op een enkele toiletjuffrouw na: geen vrouw te bekennen – die het project naar een goed einde moeten brengen. Gewone werkemannen. Die vaak aan een half woord genoeg hebben. En zelf liefst ook niet al te veel woorden vuil maken aan het werk. Aan niks eigenlijk.

Onderweg naar dat werk, tussen het gezwoeg door of gewoon tijdens de pauze, in de onvermijdelijke keet, vertellen ze wat hen bezighoudt: de lichamelijke ongemakken, al die buitenlanders op de bouwplaats of hoe het gaat thuis. Erg persoonlijk wordt het niet. En hoe lang ze ook al met elkaar werken, in het weekend of vakanties spreken ze elkaar nooit. Collega’s zijn ze, géén vrienden.

Zonder opsmuk brengt Lassche hun werklevens en de bijbehorende dilemma’s in beeld. Hoe lang houdt de kwakkelende bouwvakker Gerrit het bijvoorbeeld nog vol? Is de nieuwe leerling-timmerman Stef wel gemaakt voor het vak? Komt werkvoorbereider Carel met zijn exotische nieuwe geliefde nog wel aan zijn werk toe? En lukt het uitvoerder Stan om de klus binnen budget te klaren?

Met timelapse-beelden brengt Lassche ondertussen fraai de vordering van de bouw in beeld, die steeds enkele weken blijft achterlopen op het schema. ‘Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan een gebouw’, concludeert Stan echter, terwijl hij aan het eind van de film het dak van de woontoren controleert. ‘Dat zijn de personen die het uiteindelijk doen en waarmee je het maakt.’

En dat lijkt een uitstekend motto voor deze stevige film, die zonder psychologische poespas doordringt tot een echte mannenwereld.

Van Verlies Kun Je Niet Betalen

KRO-NCRV

‘Het is maar stilletjes hier in de straat, hè?’ zegt Adrie Trimpe, vanachter de toonbank van zijn Vlissingse groentewinkel, in de openingsscène van de documentaire Van Verlies Kun Je Niet Betalen (63 min.) uit 2018. ‘Dat is achteruitgegaan, hoor, in vergelijking met vroeger.’ Terwijl Adrie met vaste klant Paul keuvelt, duwt zijn vrouw Francien met onvaste hand enkele boontjes door een snijmachine. ‘Twee stuntelaars, hoor’, zegt ze. Als haar echtgenoot de snijboontjes vervolgens verkoopt, begint zij alvast aardappelen te jassen voor hun eigen maaltijd. Hollandse pot, natuurlijk.

Het echtpaar Trimpe is dik in de tachtig en runt al meer dan een halve eeuw een winkel in de binnenstad van Vlissingen. Dat wordt door hun eigen broze gezondheid steeds moeilijker. Het businessmodel van de Trimpes is sowieso al jaren, decennia misschien wel, over de datum, maar wordt met aandoenlijk kunst- en vliegwerk, en de dagelijkse hulp van Adries jongere zus Ada, ternauwernood overeind gehouden. Nu wil Ada er alleen voor drie maanden tussenuit, naar de camping in Frankrijk, en blijven haar broer en diens echtgenote, beiden slecht ter been, alleen achter in hun winkel.

Daarmee komt het relatieve evenwicht in deze fijne kleine film van Helge Prinsen en John Albert Jansen op de tocht te staan. Ondanks hun voorbeeldige arbeidsethos redden de echtelieden Trimpe, de verpersoonlijking van het Zeeuwse cliché ‘ons bin zuunig’, het eigenlijk niet meer. Stoppen blijft echter een brug te ver. ‘Ik kan niet zonder’, bekent Adrie op een kwetsbaar moment. Hij ziet geen andere optie dan sterven in het harnas. Dat heeft iets tragisch – een man die de lenigheid van geest mist om zichzelf los van zijn zaak te zien – maar is tegelijkertijd ontroerend. Met die groentezaak, zo realiseert Trimpe zich, gaat hij. Dat moment kun je dus alleen maar zo lang mogelijk uitstellen.