Taxi To The Dark Side

THINKfilm

Hij is maar een gewone taxichauffeur. Toch behoort Dilawar blijkbaar tot ‘the worst of the worst’. Hij wordt op 1 december 2002 in elk geval door een Afghaanse krijgsheer overgedragen aan het Amerikaanse leger. Dilawar zou betrokken zijn geweest bij de voorbereidingen voor een raketaanval. Op 5 december leveren de militairen hem af bij de Bagram-gevangenis, een voormalige Sovjet-basis die wordt gebruikt door de Verenigde Staten. Binnen enkele dagen is hij dood.

Het overlijden van de Afghaanse taxichauffeur is door de patholoog van dienst officieel gekwalificeerd als ‘moord’, ontdekt de vanuit Kaboel opererende New York Times-journalist Carlotta Gall. Zij informeert Dilawars familie dat hij bovendien ernstig is mishandeld. De Amerikaanse bewaarders bleven hem net zo lang slaan en schoppen, totdat ze hoorden dat hij luidkeels om Allah riep. Als Dilawar alle ontberingen zou hebben overleefd, hadden zijn benen sowieso geamputeerd moeten worden. De zaak is in de welbekende doofpot gestopt.

In de gevangenissen die de Verenigde Staten, in het kader van hun militaire reactie op de terroristische aanslagen van 11 september 2001, hebben geopend in Afghanistan en Irak, zijn zeker honderd dodelijke slachtoffers gevallen, betoogt Alex Gibney in Taxi To The Dark Side (106 min.), de messcherpe documentaire waarvoor hij in 2007 een Oscar won. Dilawars dood is het logische gevolg van de keuze van de Amerikaanse president George W. Bush om het spel niet langer volgens de regels te spelen en de Conventies van Genève terzijde te schuiven.

De gewone soldaten, die van martelpraktijken worden beschuldigd, die zijn weggezet als ‘rotte appels’ en die hem nu te woord staan, zijn dus niet Gibneys voornaamste mikpunt in deze uitstekend gedocumenteerde film. Hij richt zich op de beslissers. Zij zijn moreel verantwoordelijk. Óók voor de ernstige misstanden in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak en op Guantanamo Bay, de Amerikaanse gevangenis op Cuba waar kopstukken van Osama bin Ladens terreurorganisatie Al-Qaeda en andere PUCs (Persons under US Custody) worden vastgehouden.

Zij worden daar overvallen met kiezelharde muziek, bedreigd door agressieve honden, in stressposities geplaatst, gedwongen om zich uit te kleden, ongezond lang van hun slaap beroofd, seksueel vernederd… Vanuit de gedachte dat ze beschikken over wezenlijke informatie, waarmee de Amerikanen hun ‘war on terror’ kunnen winnen. Terwijl elke deskundige hen kan vertellen – en de gelegenheid in deze docu ook te baat neemt – dat gemartelde mensen vertellen wat ze denken dat de ander wil horen. De aldus verkregen informatie is volstrekt onbetrouwbaar.

Die dringt nochtans vrijwel ongefilterd door tot de hoogste regionen van de Amerikaanse overheid en beïnvloedt de beslissingen over leven en dood die daar worden genomen. Met oorlogsmisdaden, maakt Alex Gibney zonneklaar in dit pijnlijke schotschrift tegen marteling, als onvermijdelijk gevolg.

Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth

Whyaduck Productions

Zijn scheiding van Hot Honey Harlow maakte Lenny Bruce van Lenny Bruce, stelt zijn moeder Sally. Van tevoren zocht de Amerikaanse stand-upcomedian (1925-1966) ook al de grenzen van het betamelijke op, zowel op het podium als in zijn privéleven, maar daarna was de beer pas écht los.

Honey Bruce, hun dochter Kitty en Lenny’s moeder Sally Marr schetsen in Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth (97 min.) een levendig beeld van de branieschopper uit New York. Hij maakte van zijn hart nooit een moordkuil, maar moest zijn mond vervolgens wel talloze malen spoelen. Als een aanstootgevend woord maar vaak genoeg wordt gebruikt, zo leek echter Bruces stellige overtuiging, wordt het onschadelijk gemaakt.

Hij verdient ‘De Bad Taste Award’ schreef een krant toen Lenny Bruce in de jaren vijftig een vaste gast werd op de Amerikaanse televisie. Toen moesten zijn problemen met de wet nog beginnen. Regisseur Robert B. Weide toont in dit postume portret uit 1998 hoe de controversiële comedian zichzelf langzaam in een hoek van de kamer schilderde en daarbij een fiks handje werd geholpen door de Amerikaanse autoriteiten.

Zij begonnen Bruce te vervolgen voor obsceen gedrag en -taalgebruik tijdens optredens en arresteerden hem ook vanwege het bezit van drugs. Al snel durfden clubeigenaren hun vingers niet meer te branden aan de komiek en dreigde zijn carrière uit te doven. Intussen ging de man, die de lusten van het leven nauwelijks kon weerstaan en ervan overtuigd was dat hij geen eerlijk proces had gekregen, naar de gallemiezen.

Hij liet een half afgemaakte zin achter op zijn typemachine, aldus verteller Robert de Niro in deze boeiende film, die met een jazzy soundtrack lekker op temperatuur is gebracht: ‘Conspiracy to interfere with the Fourth Amendment const…’ Het woord ‘constitutes’ zou hij nooit afmaken. Lenny Bruce ging ten onder aan datgene waarvoor hij had gestreden, het vrije woord, in combinatie met het gebruik van harddrugs.

Na hem zou er nooit meer een optredende artiest voor de rechter worden gedaagd vanwege obsceniteiten, constateert Weide tot besluit, alvorens hij voor de aftiteling de kraker I Fought The Law van de befaamde punkband The Clash instart. De boodschap daarvan, vervat in een zin van slechts vier woorden, is onontkoombaar: ‘And the law won.’

The Nightmare Upstairs: What Happened To Ty And Bryn?

Disney+

De ongemakkelijke ‘he said-she said’-kwestie uit The Nightmare Upstairs: What Happened To Ty And Bryn? (83 min.) krijgt in dit typisch Amerikaanse documentaire-tweeluik de vorm van een ‘she said-she said’-twistgesprek. Jessica Zahrt versus haar voormalige schoonmoeder Jolleen Larson. De één spreekt over totaal ongepast gedrag van haar ex naar hun zoon en dochter. De ander over een wraaklustige moeder die haar kinderen heeft opgezet tegen haar voormalige partner. Kindermisbruik versus oudervervreemding.

In maart 2018, zes jaar nadat ze uit elkaar zijn gegaan, heeft Jessica een contactverbod gevraagd tegen haar ex-man. Jolleens zoon Brent Larson mag hun kinderen Ty en Brynlee niet meer zien. Hij zou hen seksueel hebben misbruikt. De kwestie zal in de navolgende jaren ernstig ontsporen. Als hun inmiddels vijftienjarige zoon Ty en zijn jongere zus in 2022 op advies van een sociaal werkster naar een herenigingskamp worden gestuurd om zich te verzoenen met hun vader, waardoor ze hun moeder dan negentig dagen niet zullen zien, besluiten de tieners om hun slaapkamer te barricaderen.

Ze beginnen tegelijk te livestreamen via Twitch, met steun van hun moeder. Jessica begint zelf ook als een bezetene over de zaak te TikTokken. Het is de zoveelste keer dat de camera doelbewust wordt ingezet in deze vechtscheiding. Brent heeft de ontmoetingen die hij onder toezicht heeft met zijn kinderen ook al vastgelegd met een GoPro, om zo aan te tonen dat er helemaal niets mis is. Op één van die opnames roept Ty hem scherp tot de orde. Spontaan? Of toch ingefluisterd door zijn moeder – en haar kindertherapeut JP Lilly, een lid van de Bikers Against Child Abuse?

De documentairemakers Henry Roosevelt en Caitlin Keating zetten de verschillende lezingen van wat er is gebeurd en nu moet gebeuren recht tegenover elkaar en volgen hoe de zaak zich vervolgens door het Amerikaanse rechtssysteem beweegt. Als de strijdende partijen niet voor rede vatbaar zijn, moet de rechter bepalen wie de voogdij krijgt over de tieners en of er dan nog ruimte is voor bezoekrecht van de andere ouder. Hij tast ongetwijfeld net zo in het duister over wat er precies is gebeurd als de gemiddelde kijker van deze pijnlijke docu, maar moet er wel zijn oordeel over geven.

Welke moeder krijgt er gelijk? De vrouw die weigert om haar kinderen uit te leveren aan een man die z’n eigen grenzen niet kent? Of de vrouw die haar zoon, zelf niet in staat of bereid om voor de camera te verschijnen, wil beschermen tegen het volksgericht dat ongetwijfeld volgt op zulke beschuldigingen? Ofwel: she said-she said.

Earth, Wind & Fire (To Be Celestial Vs. That’s The Weight Of The World)

HBO

Met de begeestering en overtuigingskracht van een echte liefhebber is Ahmir ‘Questlove’ Thompson al enkele jaren druk doende om zijn eigen muzikale helden te eren in documentaires. De drummer van de Amerikaanse hiphopgroep The Roots, die tegenwoordig vooral actief is als filmmaker, heeft zich al gebogen over respectievelijk het Harlem Cultural Festival in 1969 in de Oscar-winnaar Summer Of Soul (…Or When The Revolution Could Not Be Televised), de muzikale invloed van het befaamde televisieprogramma Saturday Night Live in Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music en de brille van Sly & The Family Stone in Sly Lives! (Aka The Burden Of Black Genius).

Nu bekommert Questlove zich om de Afro-Amerikaanse soul-, funk- en discogroep die tussen 1971 en 1984 veertig miljoen platen verkocht, dertig hits had en zes Grammy Awards won: Earth, Wind & Fire. En hij geeft ook die film een onnavolgbare ondertitel mee: (To Be Celestial Vs. That’s The Weight Of The World) (119 min.). Centrale figuur is de enigmatische bandleider Maurice White (1941-2016), een man met een enorme geldingsdrang en groter dan grote ideeën, geïnspireerd door spiritualiteit, meditatie en astrologie. Een man ook, die zelden het achterste van zijn tong laat zien – en ook in deze film, waarin hij via archiefbeelden en -interviews aanwezig is, ongrijpbaar blijft.

Maurice White leert zijn groep eerst ongenadig funken, maakt daarna fluks de oversteek naar een top 40-publiek en omarmt tenslotte zeer commerciële disco. De dampende optredens van Earth, Wind & Fire gaan vergezeld van spectaculaire kostuums, uitzinnige decors en uitgekiende podiumchoreografie. Totdat White gaandeweg zijn ‘mojo’ kwijtraakt en de groep zonder aankondiging vooraf plotseling ontbindt. De man die in het openbaar geloof, hoop en liefde predikt, heerst achter de schermen als een verlichte despoot en zet zo behoorlijk wat kwaad bloed bij sommige andere groepsleden. Die hebben sowieso al langer het gevoel dat ze door hem worden behandeld als willekeurige sessiemuzikanten. Totdat ze tóch niet zonder elkaar blijken te kunnen – en willen.

Thompson tekent deze geschiedenis vaardig op met de bandleden Philip BaileyRalph Johnson en Maurices broer Verdine White, andere verwanten van de voorman en Earth, Wind & Fire-medewerkers, zoekt zijn heil tevens bij tijdgenoten zoals Booker T. Jones, Lionel Richie en Stevie Wonder (die tot Questloves grote verbazing bekent dat zijn evergreen I Wish is geïnspireerd op EWF’s eerste hit Shining Star) en geeft de navolgers Flea, Anderson .Paak en H.E.R. alle gelegenheid om de loftrompet te steken over White en consorten. En die maken in de 21e eeuw nog een serieuze revival door als Barack en Michelle Obama, nog altijd fan, in 2009 hun entree maken in Het Witte Huis.

Mede dankzij de eerste zwarte Amerikaanse president en zijn echtgenote hebben hits als FantasyBoogie Wonderland en September een zoveelste nieuw leven gekregen. Deze ferme film, die is volgestort met fraai archiefmateriaal en opgeleukt met animaties, legt alle stukjes van de kleurrijke Earth, Wind & Fire-puzzel nog eens netjes op hun plek. Zodat het totaalplaatje, dat verder niet héél wereldschokkend is, volledig zichtbaar wordt.

Tetra: Acreditar De Novo

Netflix

Achter elke afzonderlijke naam hoort een uitroepteken. Carlos Alberto Parreira! (de coach die het Braziliaanse voetbalelftal in de aanloop naar het WK van 1994 door lastige tijden loodst). Dunga! (zijn onverwoestbare aanvoerder die daar de beslissende strafschop voor zijn rekening neemt). Branco! (de man die met z’n verwoestende linkerbeen dan al hoogstpersoonlijk het Nederlands elftal uit het toernooi heeft geknald). Bebeto! (de ene helft van het beste Braziliaanse spitsenduo sinds Pelé en Garrincha, die tijdens het toernooi vader wordt en al wiegend z’n doelpunten viert). En Romário! (Bebeto’s ongrijpbare aanvalsmaatje en de goaltjesdief onder de goaltjesdieven). In de Verenigde Staten maken ze hun land, na 24 lange jaren, met een zege op Italië eindelijk weer wereldkampioen.

Vrijwel de gehele Seleçao draaft ruim dertig jaar na dato ook op voor de terugblik Tetra: Acreditar De Novo (86 min.), inclusief ook Márcio Santos!, Jorginho!, Raí!, Mauro Silva!, Zinho!, Paulo Sérgio!, Viola!, Aldair! én reservekeeper Gilmar Rinaldi! Hij maakte in ‘94 achter de schermen maar liefst acht uur beeldmateriaal, dat nu als basis dient voor deze documentaire van Luis Ara. Alleen Rinaldi’s concurrent Taffarel! (de doelman die in de finale als overwinnaar uit de penaltyserie kwam) schittert ditmaal door afwezigheid. Zijn voormalige teamgenoten halen verrukt en geëmotioneerd herinneringen op aan een enerverend toernooi, dat even daarvoor extra lading heeft gekregen door het overlijden van hun teamgenoot Dener en de Braziliaanse Formule 1-legende Ayrton Senna.

Uit Rinaldi’s beelden komen smakelijke anekdotes voort, bijvoorbeeld over die ene motivatiespeech in de kleedkamer, nét voor aanvang van de WK-finale, waarin de spelers worden aangespoord om als Japanse Kawasaki-piloten voor de overwinning te gaan. Tot grote hilariteit van zijn medespelers corrigeert spits Romário de spreker direct: hij bedoelt kamikazepiloten! Zo wordt de spanning voor de belangrijkste wedstrijd van hun leven even doorbroken. Ook voormalige tegenstanders van Brazilië (de Zweed Patrik Andersson, de Amerikaan Tab Ramos, de Nederlanders Aron Winter en Ronald de Boer en de Italianen Gianluca Pagliuca, Demetrio Albertini, Alberico Evani) blikken in deze vermakelijke sportdocu terug op het toernooi dat voor hén uitloopt op een teleurstelling.

Inmiddels is het opnieuw 24 jaar geleden dat het Braziliaanse elftal wereldkampioen is geworden, tijdens het WK van 2002 in Zuid-Korea en Japan, en snakt ‘s werelds succesvolste voetballand naar een nieuwe titel – al zou het natuurlijk ook wel aardig zijn als Virgil van Dijk!, Frenkie de Jong! en Memphis Depay! over een jaar of dertig op een soortgelijke manier mogen terugkijken op hun avontuur in de Verenigde Staten, Canada en Mexico in 2026.

Everybody To Kenmure Street

Conic

’Let them go!’ scanderen de demonstranten. ‘These are our neighbours.’ Wat begint als spontaan verzet tegen de poging van de Immigration Enforcement van het Schotse Home Office om twee Indiase buurtgenoten aan te houden, mondt binnen de kortste keren uit in een grootschalige sit-in, die acht uur lang live kan worden gevolgd via televisie, internet en social media. 

De multiculturele wijk Polokshields in Glasgow wordt op 13 mei 2021 het strijdtoneel voor een felle confrontatie tussen ‘gewone’ burgers en de Schotse autoriteiten. Nadat de twee mannen in een busje zijn geplaatst, zodat ze het land kunnen worden uitgezet, duikt er een demonstrant onder het voertuig. Zolang deze ‘van man’ daar ligt, kan dat busje niet vertrekken. Al snel wordt de halve wijk opgetrommeld en verschijnt ook de politie ten tonele. ‘Refugees are welcome here!’ roepen de demonstranten dan, terwijl agenten de orde proberen te handhaven. Zodat die uitzetting toch kan doorgaan. De situatie ontwikkelt zich tot een spannende ‘stare down’ tussen overheid en burgers. 

Interculturele spanningen die al lang onder de oppervlakte leven komen nu tot uiting. ‘Je kunt hier tweehonderd jaar wonen, maar in de ogen van de machthebbers word je nooit Brits’, vertelt Mohammad Asif, één van de leiders van het spontane protest in Everybody To Kenmure Street (98 min). Als hij bijvoorbeeld terugkeert vanuit het buitenland, wordt ie er op het vliegveld altijd tussenuit gepikt door de douane. ‘In 2005 werd me gevraagd of ik wist waar Bin Laden was. Meen je dat serieus? vroeg ik. Als ik wist waar Bin Laden was, dan zou ik nu niet naar Glasgow komen. Dan zou ik naar Downing Street gaan, Tony Blair vertellen waar Bin Laden was en de beloning van vijf miljoen incasseren.’

Samen met andere lokale leiders, demonstranten en bewoners van de kleurrijke wijk blikt Asif in deze reconstructie terug op het moment dat Polokshields een vuist maakt tegen hoe de staat met burgers van kleur zoals hij omgaat. Regisseur Felipe Bustos Sierra ondersteunt hun herinneringen met beelden van deze enerverende dag en vult die aan met enkele bronnen, die alleen anoniem hun verhaal willen delen. Acteurs, geplaatst in een replica van de situatie, vertellen wat er toen door hen heen ging. De ‘van man’ wordt opmerkelijk genoeg gespeeld door een vrouw, de bekende actrice Emma Thompson. Vanonder de bus belicht zij de patstelling waarin de twee partijen elkaar gevangen hebben gehouden.

Terwijl Kenmure Street lijkt af te stevenen op een harde confrontatie, plaatst Bustos Sierra de spanningen op straat met een archiefsequentie, een Fremdkörper halverwege de film, tevens binnen de geschiedenis van Glasgow. De Schotse stad, waar activisme en protest van oudsher welig kunnen tieren, heeft vanwege z’n betrokkenheid bij zowel de slavenhandel als de strijd tegen Apartheid ook een beladen historie. De situatie op 13 mei, tevens de dag dat moslims Eid Mubarak vieren, doet ook denken aan het ijskoude ingrijpen van ICE in de Verenigde Staten en de navolgende protesten – en aan de volledig ontsporende betogingen in Nederland bij plekken waar een asielzoekerscentrum komt.

Om zulke onlusten te voorkomen, roepen de leiders van het protest in Glasgow hun achterban op om zich te onthouden van geweld. ‘The world is watching us.’ Met die gedachte in het achterhoofd koerst Everybody To Kenmure Street af op z’n ontknoping.

Room To Move

Netflix

De Amerikaanse danser en choreograaf Jenn Freeman is al in de dertig als ze antwoord krijgt op de vraag waarmee ze al haar hele leven rondloopt: waarom ben ik anders dan anderen? Op de dag dat Freeman wordt gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis, neemt ook filmmaker Alexander Hammer contact met haar op. Hij wil een documentaire met haar maken.

Room To Move (112 min.) is doorsneden met een stem die mechanisch alle mogelijke kenmerken, uitingsvormen en symptomen van autisme opdreunt, die vervolgens zijn te herkennen in Jenns leven of gestileerde representaties daarvan voor een voorstelling waaraan zij werkt. Daarnaast gaat ze in gesprek met klinisch psycholoog Kimberly Gilbert. Op een gegeven moment nam dans me meer af dan het me gaf, vertelt Freeman dan. Ze is ergens onderweg haar reddingsboei kwijtgeraakt – al weet ze dat doorgaans goed te verbergen bij haar leerlingen en collega’s.

Met geregistreerde scènes, tevens gefilmd door Jenns echtgenoot Ian Stuart, kan Hammer zeer dicht op de huid komen bij zijn hoofdpersoon en de uitdagingen van haar dagelijks leven vangen. Hij klutst al die verschillende verhaalelementen, waaronder ook een hele zwik familiefilmpjes, bij elkaar en probeert zo ‘de neurodivergente ervaring’ te vatten. Gaandeweg komt de documentairemaker zelf ook steeds meer in beeld. Ook hij worstelt gedurig met zijn (psychische) gezondheid en belandt tijdens het maken van de film in diverse crises. Jenn en hij vinden elkaar daarin.

Zij begint hem dan ook te filmen. En Alex gaat eveneens in gesprek met dokter Gilbert. De grenzen tussen maker en subject zijn dan al behoorlijk vervaagd, in een lang uitgesponnen en erg grillige film waarin de uitdagingen en valkuilen van het leven met autisme, alsmede de aanverwante thematiek en diagnoses, worden geëxploreerd. Room To Move dreigt een kamer te worden waarin ze zichzelf in een hoek hebben geschilderd. Met steeds minder bewegingsruimte. Uiteindelijk, na het verplichte vallen en opstaan, volgt echter toch een positieve, lekker Amerikaanse eindconclusie.

Het maken van deze documentaire heeft, daarover zijn Jenn Freeman en Alexander Hammer ‘t aan het eind wel eens, niets minder dan hun leven gered. En die diagnose is een geschenk gebleken.

The Dark Wizard

HBO Max

‘Als ik sterf, film het’, zegt Dean Potter voordat hij de rotswand ‘Heaven’ in het Yosemite Park in de Amerikaanse staat Utah gaat beklimmen. Wanneer The Dark Wizard (236 min.) valt, dondert hij honderden meters naar beneden. Want Potter klimt ‘free solo’, zonder enige vorm van zekering, en zoekt steeds zijn eigen grenzen op. Één fout betekent de dood. ‘Volg me tot op de grond, film het’, instrueert hij zijn vriend Brad Lynch. Die moet er zo’n twintig jaar later nog altijd niet aan denken. ‘Als hij daar valt, ga ik dat niet filmen.’

Het is een cruciaal moment in Potters ontwikkeling en deze vierdelige serie die aan hem is gewijd. Direct daarna, aan het einde van de eerste aflevering, loopt zijn relatie met topklimster Steph Davis op de klippen en heeft hij écht niets meer te verlezen. Graham Potter begint steeds nadrukkelijker met de dood te spotten. En hij beperkt zich niet alleen tot klimmen. De Amerikaanse waaghals houdt zich ook onledig met skydiven, basejumpen én slacklinen, het lopen over een zelf gespannen lijn tussen twee bergen, natuurlijk ook zonder deugdelijke zekering. Dat kan niet goed aflopen.

Als Potter wordt geconfronteerd met een jongere en getalenteerdere rivaal, Alex Honnold (de onverstoorbare hoofdpersoon van de Oscar-winnende documentaire Free Solo), ziet hij zich genoodzaakt om zijn eigen grenzen steeds verder te verleggen. Deze miniserie van Peter MortimerNick Rosen en Josh Lowell documenteert dat proces: met elk record dat hij verliest en elke bokkensprong die ie vervolgens maakt – ‘free basen’ bijvoorbeeld, een combinatie van free solo-klimmen en basejumpen – raakt hij zichzelf verder kwijt. En ook zijn beste vrienden beginnen gaandeweg af te haken.

Uit zijn dagboek, verlevendigd met elementaire illustraties (die voor dit portret tot leven worden gewekt), komt een man naar voren, die letterlijk de hoogste toppen beklimt en door de diepste dalen moet. Volgens zijn oudere zus Elizabeth had Dean van hun ouders, die in een pijnlijke scheiding verzeild waren geraakt, een ‘sad gene’ geërfd. Hij was, zoals één van z’n vrienden ‘t uitdrukt, zowel gezegend als vervloekt. Te midden van alle adembenemende beelden – want elke zelfoverwinning, recordpoging en verplaswedstrijd is natuurlijk gefilmd – openbaart zich een labiele man.

Die emotionele onderlaag kan The Dark Wizard soms ook goed gebruiken, want vier uur springen, balanceren en vliegen (met een wingsuit – en soms ook een hond in wingsuit) wordt toch al snel méér van hetzelfde. Dean Potter lijkt bezig aan een desperate vlucht voor zichzelf. Als een menselijke raaf, de onheilspellende zwarte vogel waarmee Potter zich is gaan identificeren. Die wordt door het filmmakende drietal ook optimaal uitgenut in deze typisch Amerikaanse productie, waarin de alfaman/paria/antiheld uiteindelijk, met ware doodsverachting, afstevent op een ‘glorieus’ slotakkoord.

Woodstock, 3 Days Of Peace & Music

Warner Bros

In 1969 bestaat er nog niet zoiets als een festivalseizoen, met een ruim van tevoren vastgelegde evenementenkalender. De organisatoren van Woodstock, het festival dat de geschiedenis zal ingaan als de hoogmis van het hippietijdperk, betreden nog grotendeels onontgonnen terrein. Hun geesteskind veroorzaakt gigantische verkeersopstoppingen, bezorgt de lokale middenstand zowel een topomzet als kopzorgen en levert gevaren op voor de volksgezondheid, in de vorm van slechte LSD.

Ruim 400.000 ‘freaks’, véél meer dan verwacht, strijken van 15 tot en met 18 augustus neer op een weiland van de melkveehouder Max Yasgur in de Amerikaanse staat New York voor Woodstock, 3 Days Of Peace & Music (224 min.). Deze klassieke festivalfilm van Michael Wadleigh, die Martin Scorsese naar verluidt geen ‘credit’ als coregisseur gunde, ruimt natuurlijk alle ruimte in voor de line-up waarvoor zij naar dit Boomertown avant la lettre zijn getrokken: Richie Havens, The Who, Joan Baez, Ten Years After, Crosby, Stills & Nash, Santana, Jefferson Airplane, Canned Heat, Janis Joplin, Sha-Na-Na en Sly & The Family Stone.

Het levert onvergetelijke concertimpressies op, veelal in zeer effectief split screen uitgeserveerd: Joe Cockers carrière-definiërende uitvoering van With A Little Help From My Friends bijvoorbeeld. De anti-Vietnamoorlog-meezinger The “Fish” Cheer/I-Feel-Like-I’m-Fixin’-To-Die Rag van Country Joe & The Fish (‘Whoopee, we’re all gonna die!’). Of Jimi Hendrixs feedbackversie van het Amerikaanse volkslied. Tussendoor toont Wadleigh het leven in deze ad hoc geformeerde hippiemaatschappij, waar joints van hand tot hand gaan, naakt wordt gezwommen en tijdens onweer spontaan een regendans en modderglijpartijen ontstaan.

‘Ik kan met trots zeggen dat de inwoners van dit land trots kunnen zijn op deze kinderen’, laat de plaatselijke korpschef zowaar monter optekenen. En hoewel sommige omwonenden in Bethel, New York, wel degelijk mopperen, gaat het er doorgaans best beschaafd aan toe in Woodstock. ‘Dokter Jack Maitland, alstublieft, neem al uw hechtmaterialen mee, want u bent hier nodig’, meldt de festivalomroeper bijvoorbeeld. ‘U moet een bevalling doen.’ Luttele minuten later volgt een nieuwe oproep: ‘City McGee, kom onmiddellijk naar de rechterachterkant van het podium. Ik heb begrepen dat je vrouw aan het bevallen is. Gefeliciteerd.’

Het ultieme sixties-festival, een ongegeneerde viering van de tegencultuur, blijkt vaak een kwestie van improviseren. Geen draaiboek te bekennen. Er is te weinig water, nooit genoeg eten en nauwelijks een plek om te ontlasten. En toch blijven de ‘blommenkinderen’, waarvan er ook nog een paar aan het woord komen, alles van de positieve kant bekijken. Woodstock is en blijft daardoor te allen tijde ‘groovy’ – en daarmee ook een ongekend tijdsdocument. Van een periode waarin vrede en (vrije) liefde de wereld leken te gaan veroveren – totdat de ‘squares’, en hun onvermijdelijke ‘pigs’, hem toch weer in hun macht kregen.

We Have To Survive

Taskovski Films

Mick Farkas gelooft niet in klimaatverandering. De verzengende hitte in Coober Pedy, in het zuiden van Australië, is volgens hem simpelweg het gevolg van de evolutie. Ooit stond deze plek toch ook onder water, was het een tropisch gebied en of moest het een ijstijd verduren?

Met al dat geëmmer over de opwarming van de aarde proberen ze gewoon elektrische auto’s en andere producten aan de man te brengen, is zijn stellige overtuiging. Intussen is Farkas zelf, die voor de zekerheid toch maar een fikse watervoorraad heeft aangelegd, druk met het bouwen van ondergrondse woningen. Zelf woont hij met zijn vrouw Irene al twintig jaar in zo’n grot. Het is volgens hem dé manier om aangenaam te kunnen blijven wonen als de temperaturen in zijn deel van de wereld nog verder oplopen.

Elders, in We Have To Survive (101 min.) en de wereld, moeten andere aardbewoners ook dealen met de gevolgen van klimaatverandering – ook al zien ze soms weinig in dat idee en de manier waarop het wordt gepolitiseerd. In Groenland is het ijs inmiddels vaak te dun voor de Inuit om er met sledehonden overheen te rijden, terwijl de Amerikaanse kustplaats Rodanthe steeds meer last krijgt van de stijgende zeespiegel. Woeste golven dreigen strandhuizen te verzwelgen – en soms voegen ze ook de daad bij het woord.

In de Gobi-woestijn te Mongolië heeft Baraaduuz Demchig de strijd aangebonden met de aanhoudende droogte. Hij plant bomen, irrigeert de grond en probeert zo een nieuwe groene oase te creëren – en de toekomst van zijn nageslacht veilig te stellen. Het is een opmerkelijk staaltje omdenken. Vanuit die gedachte belicht de Slowaakse filmmaker Tomás Krupa in deze documentaire ook de gevolgen van klimaatverandering: hoe kunnen we dealen – of ons voordeel doen – met de nieuwe aardse verhoudingen?

Dat vereist wel inventiviteit en aanpassingsvermogen, want een paar kuub zand helpen niet tegen de woeste golven van de Atlantische oceaan, zoals is te zien in spectaculaire beelden van een strandhuis in Rodanthe dat door zijn hoeven zakt. Want op de – ondanks alles: soms nog altijd verblindend mooie – aarde die door Krupa in imposante shots is vervat, blijft de mens niet meer dan een eenvoudige onderknuppel. Zoals één van de hoofdpersonen ‘t uitdrukt: de natuur gaat zich echt niet aan ons aanpassen.

How To Catch A Butterfly

Docmakers

‘De jongen die geloofde dat hij een jager moest zijn om een man te worden’ begint brieven te ontvangen. Ze zijn afkomstig van ‘het meisje dat geloofde dat ze jouw exotische fantasie moest worden’.

Hij is Robert Aaron Long, de man achter de Atlanta Spa Shooting. Op 16 maart 2021 vermoordde de Amerikaan, die was gediagnosticeerd met een seksverslaving, acht mensen, waaronder zes Aziatische vrouwen.

Zij is Kiriko Mechanicus, een Nederlands-Japanse vrouw en de maker van deze flonkerende film over culturele stereotypen rond Aziatische vrouwen en etnische fetisjes – en haar eigen verhouding daartoe.

Ze kennen elkaar niet als zij hem begint te schrijven in de Fulton-gevangenis, waar hij zijn straf uitzit. Is hij zo’n typische eenzame, door anime geobsedeerde jongen? Een man die bevangen is geraakt door ‘yellow fever’?

En wie is zij zelf, een vrouw die zich door diezelfde stereotypen in het keurslijf van de stille en volgzame Aziatische huisvrouw heeft laten wringen? Een exotische trofee voor mannen met een etnische fetisj?

In de korte documentaire How To Catch A Butterfly (26 min.) komen ze samen: mannen zoals hij met een Aziatische kick en vrouwen zoals zij die zich een ‘vlinderkostuum’ (hebben laten) aanmeten.

Mechanicus vertrekt daarbij vanuit Madama Butterfly, Puccini’s opera over een geisha, en gaat naar Japan met haar moeder, die niet meer aan het stereotiepe beeld van de gedweeë Aziatische vrouw wil en kan voldoen.

Het wordt een broeierige, ravissant vormgegeven tocht door een donkere wereld, langs culturele clichés, Aziatische porno en vrouwen die zich als een vlinder laten vangen. Op weg naar een onbegrijpelijke haatmisdaad.

Is haar vernietiging altijd onderdeel van jouw genot? vraagt de ‘exotische fantasie’ onderweg aan ‘de jager’.

How To Die In Oregon

HBO

‘It was easy, folks!’ zegt Roger Sagner, net voor hij zijn laatste adem uitblaast in de openingsscène van de aangrijpende documentaire How To Die In Oregon (107 min.) uit 2011. ‘It was easy.’ Even daarvoor heeft Roger, omringd door zijn naasten en enkele vrijwilligers van de ideële organisatie Compassion And Choices een drankje ingenomen, dat naar verluidt ‘houtachtig’ smaakt, om zijn leven te beëindigen.

Als de Amerikaanse staat Oregon halverwege de jaren negentig de Death With Dignity Act aanneemt, zijn er nog maar twee landen in de wereld – Zwitserland en Nederland – waar euthanasie is gelegaliseerd. Ruim vijftien jaar later hebben inmiddels ruim vijfhonderd ‘Oregonians’ de zachte dood gekregen die zij, gedwongen door de omstandigheden, hebben gezocht. Ze moeten het dodelijke middel uiteindelijk overigens wel zelf innemen. Hun artsen kunnen en willen zich nog niet wagen aan het verlenen van actieve hulp.

In deze film brengt documentairemaker Peter Richardson verschillende aspecten van dit delicate proces in beeld. Hij volgt bijvoorbeeld Cody Curtis, een aimabele 54-jarige vrouw met leverkanker, die is uitbehandeld en een waardig levenseinde nastreeft. Samen met haar echtgenoot Stan en hun volwassen kinderen Jill en zoon Thomas probeert Curtis, voortdurend ondersteund door haar oncoloog Katherine Morris, te genieten van elke goede dag die haar nog is vergund – al voelt ze zichzelf ook een ‘dead woman walking’.

Nancy Niedzielski uit Seattle is intussen vastbesloten om de laatste wens van haar echtgenoot Randy in vervulling te laten gaan. Hij overleed na een lange lijdensweg aan hersenkanker. ‘Zes weken voor zijn dood zei hij: dit wordt een heel lelijk proces’, herinnert ze zich geëmotioneerd. ‘Beloof me dat je je best doet om de wet te laten veranderen.’ Dat wordt vervolgens Nancy’s levensdoel. Pas als de Death With Dignity-wet is aangenomen in de staat Washington, is haar huwelijk echt voorbij – en kan zij eindelijk gaan rouwen.

Tegenstanders noemen zo’n zachte dood consequent ‘assisted suicide’ en bestrijden die te vuur en te zwaard. Richardson is er echter niet op uit om het politieke gevecht rond euthanasie te belichten, maar richt zich op de menselijke verhalen. Zo wil Randy Stroups zorgverzekeraar bijvoorbeeld zijn behandeling voor prostaatkanker niet vergoeden, omdat die te weinig effect zou hebben op z’n levensverwachting. Een ‘doctor assisted suicide’ blijkt wel bespreekbaar. Als Stroup daarmee naar buiten treedt, krijgt ie alsnog zijn behandeling.

Sober, zonder enige vorm van effectbejag, belicht How To Die In Oregon intussen de dagelijkse praktijk in Ohio rond Death with Dignity. Na een onverwachte zomer begint intussen ook de geleende tijd van Cody Curtis op te raken. Ze ziet er nog bedrieglijk goed uit – Curtis volgt een ‘kankerdieet’, zegt ze zelf – maar voelt het einde wel degelijk naderen. Als het zover is, brengt Peter Richardson dit met gepaste distantie in beeld. Als treffend slot van een ingetogen en juist daardoor zo indringende film.

Chuck Berry: The Original King Of Rock ‘N’ Roll

Cardinal Releasing

De stoet vakbroeders die in de documentaire Chuck Berry: The Original King Of Rock ‘N’ Roll (97 min.) eer bewijst aan de Amerikaanse meestergitarist, die dit jaar honderd jaar oud zou zijn geworden, is indrukwekkend:  Steven Van Zandt, George Thorogood, Joe Bonamassa, Nile Rodgers, Steve Jones, Nils Lofgren, Wayne Kramer en Joe Perry. Stuk voor stuk gitaristen van formaat. Één adept die je direct met Berry associeert ontbreekt echter: Keith Richards.

De muzikale leider van The Rolling Stones is natuurlijk tóch aanwezig in Jon Brewers postume portret van de aartsvader van de rock & roll, die klassiekers zoals Johnny B. Goode, Sweet Little Sixteen en Roll Over Beethoven afleverde en de fameuze ‘duck walk’ introduceerde. Ook hij kan niet heen om dat onvergetelijke fragment uit de concertfilm Chuck Berry: Hail Hail Rock ‘N’ Roll (1987), waarin Chuck Berry, terwijl zijn vaste pianist Johnnie Johnson met grote ogen toekijkt, Keith Richards tot gekmakens toe de gitaarriff van zijn hit Carol opnieuw laat spelen.

Behoudens een aantal gereconstrueerde scènes – geheel in zwart-wit met enkele zorgvuldig gekozen elementen, Chuck zelf bijvoorbeeld of de door hem bezongen auto’s, in felle kleuren – wikkelt Brewer met Berry’s echtgenote Themetta, enkele van zijn kinderen en bekende fans zoals Alice Cooper en Gene Simmons verder netjes de hoogte- en dieptepunten uit het leven en de loopbaan van Charles ‘Chuck’ Berry (1926-2017) af. Een baanbrekende zwarte artiest die doorbreekt naar een wit publiek – al gaat dat in de jaren vijftig bepaald niet vanzelf.

Illustratief zijn ‘s mans aanhoudende problemen met de wet. Die hebben ongetwijfeld met Chuck Berry’s gedrag en keuzes te maken, maar kunnen in het gesegregeerde Amerika zeker niet los worden gezien van zijn huidskleur. Ook in de muziekbusiness wordt hij aan de lopende band besodemieterd. Berry’s eerste hit Maybelline wordt bijvoorbeeld alleen gedraaid op de radio, omdat een derde van de royalties stiekem zijn verpatst aan de deejay Alan Freed en de een of andere verkoper van kantoorartikelen. Payola, juist. En dan ontdekken de luisteraars dat Chuck zwart is.

Een half leven later zal hij door de films Back To The Future en Pulp Fiction nog een keer ouderwets furore maken. Berry staat dan bekend als een lastpak, een man die met zijn gitaar, een kam en z’n tandenborstel de wereld rondreist en in elke uithoek optreedt met een plaatselijk begeleidingsbandje, waarna hij erop staat om in keiharde cash te worden uitbetaald. Een muzikant ook, die navolgers graag op hun plek zet, zoals Keith Richards dus aan den lijve ondervindt. En een onverbeterlijke ‘womanizer’ die desondanks ook, als we zijn gezin mogen geloven, een echte familieman is.

Tot op hoge leeftijd zal Chuck Berry zijn signatuursongs blijven spelen en de duck walk doen. Totdat de Duivel de man die hoogstpersoonlijk zijn muziek naar de wereld bracht tóch tot zich roept…

Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem

Ça Tourne Productions

Hij rommelt wat aan in en rond zijn zomerhuis in Caraquet, ontvangt er nieuwe en oude vrienden en probeert vooral in leven te blijven. De befaamde Canadese keramist Léopold Foulem slikt inmiddels zo’n vijftien pillen per dag, om de diabetes in toom te houden en z’n hartproblemen te bezweren. Zijn echtgenoot Richard en zus Marie-Paule fungeren daarbij als zijn linker- en rechterhand. Richard bedient de oven en maakt de foto’s van Léopolds werk. Marie-Paule, opgeleid als verpleegster, verzorgt haar broer en ondersteunt hem in de huishouding.

En nu heeft een dorpsgenoot, Renée Blanchar, het plan opgevat om een portret te maken van de vermaarde kunstenaar. Ze kwam vroeger als klein meisje al in Léopolds cadeaushop Le Royaume Du Cadeau. Voor haar was de winkel, vertelt ze geëmotioneerd aan hem, een eerste venster op wat de wereld verder nog te bieden had. ‘Het was alsof ik Ali Baba’s grot binnenging. Ik zag dingen die ik nog nooit eerder had gezien.’ En achter de toonbank stond een flamboyante jonge man zoals ze die nog niet eerder had gezien. Door hem, weet ze nu, is ze zelf later filmmaker geworden.

Haar film heeft dan allang het karakter aangenomen van een Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem (52 min.). Geen gewone keramist overigens, maar een conceptuele keramist. Hij maakt geen decoraties, maar interpretaties van decoraties. ‘Het lijkt misschien een object’, vertelt Foulem aan galeriehouder John Leroux, die bij hem op bezoek komt. ‘Maar is in feite een abstractie ervan. Het object heeft z’n functie verloren.’ Dit misverstand wordt ook in de hand gewerkt door het materiaal waarmee Foulem werkt, keramiek. Daardoor lijkt het al snel alsof hij simpelweg gebruiksvoorwerpen maakt.

Iemand die beter kijkt, zoals Blanchar met haar camera, ziet echter de ideeënrijkdom, de grotere verhalen en de kleine details over pak ‘m beet religie, macht en seksualiteit. Beelden waarmee hij niet alleen haar raakt. ‘Lieve Léopold’, besluit zij dit kleine en huiselijke portret, als de keramist voor de rest van het jaar naar zijn andere huis in Montréal vertrekt, met een persoonlijke voice-over. ‘Je hebt mijn verbeelding verrijkt. Je voedde mijn eerste intuïtie over het bestaan van een wereld waarin je jezelf kunt uitvinden en kunt creëren op je eigen manier.’

Les Enfants Du Borinage – Lettre À Henri Storck

Patric Jean / RTBF

De meeste bewoners van de Borinage willen me niet te woord staan, schrijft de Belgische filmmaker Patric Jean in Les Enfants Du Borinage – Lettre À Henri Storck (53 min.) aan zijn illustere voorganger, die een kleine zeventig jaar eerder het leven filmde in de Waalse mijnstreek, waar hij zelf opgroeide. Want uiteindelijk, constateert Jean somber, gaan de verachten ook zichzelf verachten. 

In 1933, toen De Grote Depressie ook ongenadig huishield in Wallonië, maakte Henri Storck samen met de Nederlandse cineast Joris Ivens de klassieke stomme film Misère Au Borinage, een vlammend pamflet tegen de beroerde leefomstandigheden van de arbeiders in de steenkoolmijnen. Na een staking in 1932 werd menige werkeman ontslagen en met z’n gezin het huis uitgezet en tot de bedelstaf veroordeeld.

Jeans hommage uit 1999, het jaar waarin Storck op 92-jarige leeftijd overleed, schetst een al even desolaat portret van hun ‘erfgenamen’. Het is een verhaal dat thuis hoort in een andere eeuw – al speelt het zich slechts een kleine dertig jaar geleden af, in het laatste jaar van de twintigste eeuw. Over mensen die nog altijd onder erbarmelijke omstandigheden leven. Sinds Storck er filmde, lijkt er weinig veranderd in de Borinage.

Na de sluiting van de mijnen kunnen armoede, werkeloosheid en analfabetisme als vanouds welig tieren in de grauwe regio. In hun krotwoningen, geplaagd door tocht en vocht, lijken veel Borains te berusten in hun lot. Voor hen is het vanzelfsprekend dat er geen geld is voor een geschikt huis, gezonde voeding of een tandartsbezoek. Hun tristesse en wanhoop lijken volledig verinnerlijkt, onderdeel geworden van wie ze zijn.

Emile, een strijdbare oudere man, leidt Patric Jean naar het huis van een moeder met vier jonge kinderen. Zowel het dak als de ruiten zijn kapot. Een toilet of verwarming is er niet. De vrouw doet niet open. ‘Mama is heel bang’ roepen haar kinderen door het raam. In een ander verkrot huis vertelt een vrouw, te midden van haar gezin, over hoe haar dochter uit huis werd geplaatst en tussen mensen met een beperking terecht kwam.

Het zijn troosteloze verhalen, vanuit een verweesde onderklasse. Van mensen die zich zelf niet kunnen of willen redden en die vast ook moeilijk zijn te helpen. Vroeger moet het ooit – ooit! – beter zijn geweest, maar dat is nergens meer aan af te zien. Kijk naar de kermis, waar vroeger de gehele gemeenschap was te vinden. Nu zwieren er alleen enkele, ogenschijnlijk starnakel dronken, figuren rond op een vrijwel leeg plein.

Wat zou er van deze mensen, hun kinderen en de dorpen waarin ze woonden zijn geworden? vraag je je onwillekeurig af. Zou Patric Jean, een kleine dertig jaar later, niet eens opnieuw de proef op de som moeten nemen in de Borinage? Wat heeft de eenentwintigste eeuw hen tot dusver gebracht?

The Specials – A Message To You

c: Shane O’Neill / NTR

Nee, Jerry Dammers, de muzikale leider van de Britse skaband, oprichter van het illustere platenlabel 2 Tone Records en schrijver van het klassieke protestlied van The Special AKA, Free Nelson Mandela, participeert niet in The Specials – A Message To You (70 min.). En frontman Terry Hall, die later nog furore zou maken met Fun Boy Three, The Colourfield en Gorillaz, is in 2022 op 63-jarige leeftijd gestorven – al is hij, net als de andere leden van The Specials die inmiddels zijn overleden, nog wel te zien in beelden van de reünietournee die de multiculturele groep uit Coventry in 2019 ondernam.

Van de oorspronkelijke zevenkoppige band, die rond 1980 klassiekers zoals GangstersToo Much, Too Young en Ghost Town afleverde, zijn in deze muziekdocu van Joe Connor alleen gitarist Lynval Golding en bassist Horace Panter van de partij. Zij worden bijgestaan door de producer van hun debuutalbum Elvis Costello, hun 2 Tone-familieleden Pauline Black (The Selecter) en Rhoda Dakar (The Bodysnatchers), A&R-manager Johnny Chandler en Damon Albarn (Blur/Gorillaz). Zij besteden verder nauwelijks aandacht aan Jerry Dammers, de onbetwiste spil van de originele band.

Connor had ook duidelijk geen regulier carrièreoverzicht voor ogen bij deze popdocu. Hij start zijn vertelling op vanuit het heden – de Specials-reünie van 2019, aangejaagd door het comebackalbum Encore – en maakt van daaruit uitstapjes naar het verleden, waar hij dan met zevenmijlslaarzen doorheen stiefelt. De hoogtijdagen van de band, in een land dat werd verscheurd door openlijk racisme, worden vooral ingezet om parallellen met de huidige wereld te trekken en wijlen Terry Hall en de laatste incarnatie van de band, met nog drie originele leden in de gelederen, nog eens in het zonnetje te zetten.

Het zit allemaal vervat in dat ene tafereel op het gemeentehuis van Los Angeles uit 2019, waar de impact van de Britse groep, die Amerikaanse bands zoals Rancid, The Mighty Mighty Bosstones en No Doubt inspireerde, officieel wordt erkend. ‘Thank you, Los Angeles’, zegt Horace Panter tijdens z’n speech, als het stadsbestuur 29 mei heeft uitgeroepen tot ‘The Specials Day’. ‘You have great taste in music.’

En, o ja, in de documentaire 2 Tone: The Sound Of Coventry (2021) komt Jerry Dammers wél uitgebreid aan het woord.

Mondri(a)an – En Route To New York

Cinema Delicatessen / Mokum

Dear Holtzman, begint Piet Mondriaan (1872-1944) zijn post aan de Amerikaanse kunstenaar Harry Holtzman, met wie hij in Parijs bevriend is geraakt. Vanaf 1937 stuurt de Nederlandse schilder regelmatig brieven aan zijn geestverwant, die nu als onderlegger fungeren voor de documentaire Mondri(a)an– En Route To New York (72 min.) van regisseur Pim Zwier, die eerder films maakte met een vergelijkbare opzet: O, Eieren Verzamelen In Weerwil Van De Tijd (2021) en Metamofose (2023).

Mondri(a)aan bevat opnieuw een persoonlijke voice-over van het hoofdpersonage, ditmaal ingesproken door de acteur Peter Bolhuis, maar heeft verder wel een geheel eigen toonzetting, ritme en kleurstelling en is eerder te vergelijken met een recente archieffilm zoals Nesjomme. Het dagelijks leven van eind jaren dertig en de grote gebeurtenissen van die tijd, vervat in ‘found footage’ dat geheel in (de) stijl wordt uitgespeeld, lekken door naar de persoonlijke geschriften van de kunstenaar.

‘Dear Holtzman, until now I was able to work quietly in Paris, but now I will probably be chased away from here when war breaks out’, schrijft Piet Mondriaan op 9 september 1938 bijvoorbeeld tamelijk vormelijk aan zijn Amerikaanse vriend. ‘I should like to come to New York and rent a room. A studio would be too expensive. In order to enter America it is necessary for me to have an invitation from a friend there. Therefore I’m asking you to send me this invitation, so that I can show this invitation on entry.’ 

Holtzmans antwoorden ontbreken in deze documentaire. Uit Mondriaans brieven spreekt echter dat hij nog altijd volledig wordt opgeslokt door zijn werk. Dat vertrek naar Amerika wordt dus steeds uitgesteld en zal uiteindelijk pas na een tussenstop in het door de nazi’s geteisterde Londen alsnog gestalte krijgen. Tot 1 februari 1944 werkt Piet Mondriaan in zijn New Yorkse studio. Nadat hij aan een longontsteking overlijdt, fotografeert Harry Holzman daar zijn laatste werk, Victory Boogie Woogie.

Voor Zwier is vorm inhoud in deze gestileerde film. Mondriaans kunst vormt dus een integraal onderdeel van de vertelling, met veel gebruik van split screen, een straffe vlakverdeling en uitgekiend gebruik van lijnen en vlakken in primaire kleuren. Tegelijkertijd is deze film, ondanks ’s Mondriaans opspelende gezondheidsproblemen en de wild om zich heen grijpende Tweede Wereldoorlog, eerder een intellectuele en artistieke exercitie geworden dan een hartveroverend persoonlijk verhaal.

Back To Da Riddim

NTR

‘Reggae gaat over veerkracht en optimisme’, zegt Joost Nauta, de hoofdpersoon van de overrompelende korte docu Back To Da Riddim (25 min.). En daarvan heeft hij zelf méér dan genoeg. Resilience. Zelfbewustzijn. Ondanks – of is het ook dankzij? – zijn lichaam dat steeds meer een hindernis en kerker wordt. Joost heeft de zeldzame spierziekte SMA2 en zit in een rolstoel. Toch houdt ie onmiskenbaar de schwung in z’n leven. Hij leeft op reggae, ‘de drum die je van binnen voelt’.

En dus wil ie ook naar Jamaica, de bakermat van zijn favoriete muzieksoort. Deze reis had hij eigenlijk willen maken met zijn rastavriend Tito. Die is alleen ziek geworden en overleden – en leeft nu in zwart-wit verder in deze film. Intussen zit Joost Zorgt, de thuiszorgorganisatie die Nauta heeft opgericht en bestuurt, in zwaar weer. Als ondernemer strijdt hij al enkele jaren tegen een faillissement. En dat gaat hem natuurlijk ook niet in de koude kleren zitten.

Toch overheersen in deze vlotte, swingende en lekker associatief gemonteerde film van Bouba Dola de ‘positive vibrations’ rond zijn hoofdpersoon. Dat sluit ook aan bij Nauta’s aanstekelijke levensfilosofie, die hij vervat in de na de andere snedige oneliner. ‘Ik heb geen brief van de dokter dat ik hier moet komen, hè?’ zegt Nauta bijvoorbeeld laconiek over zijn bezoek aan het zonovergoten reggaemekka, waar hij zich laat meenemen op de lome beat van het Caribische eiland.

En als hij reggaecracks zoals Earl ‘Chinna’ Smith, Luciano The Messenger en Tony ‘Mr. T’ Owens, die hun sporen verdienden bij grootheden zoals Bob Marley en Jimmy Cliff, om zich heen verzamelt om eens lekker samen te musiceren in de studio, wordt dat voor Joost Nauta méér dan zomaar de vervulling van een langgekoesterde droom. ‘Deze mensen doen het niet voor hun lol, hè?’ zegt Joost trots, alsof hij er de goddelijke voorzienigheid in ziet. ‘Het is een opdracht.’

Zo laat Dola alle stukjes van Nauta’s puzzel, in eerste instantie ogenschijnlijk lukraak in de lucht gegooid, uiteindelijk op hun plek vallen. De man die volgens de oorspronkelijke prognose maar een jaar of vijf zou worden, leeft nu al een kleine halve eeuw in geleende tijd én op zijn eigen beat. En die brengt iedereen om hem heen in beweging.

Predators

MTV

Oprah Winfrey omarmt het Candid Camera-achtige programma. Jon Stewart is eveneens enthousiast over het concept. En Jimmy Kimmel noemt de show gekscherend ‘Punk’d For Paedophiles’. To Catch A Predator is, als onderdeel van Dateline NBC, van 2004 tot en met 2007 een doorslaand succes op de Amerikaanse televisie. Zelden zal ‘trial by media’ bevredigender hebben gevoeld dan bij het te kijk zetten van deze volwassen mannen, die het hadden voorzien op onschuldige kinderen.

In elke aflevering wordt zo’n kerel met behulp van een ‘decoy’, een volwassene die dienst doet als lokaas en zich voordoet als een kind, naar een met verborgen camera’s uitgerust huis gelokt. Daar wacht presentator Chris Hansen al op hem. Hij ontmaskert het ‘roofdier’ voor het oog van de natie en probeert meteen een gesprek met hem aan te knopen. Buiten staat er dan al een arrestatieteam van de plaatselijke politie paraat, dat de pedo vervolgens met veel machtsvertoon in de boeien zal slaan.

Een kleine twintig jaar later probeert documentairemaker David Osit te vatten waarom ook hij destijds aan de buis gekluisterd zat als Hansen een perverseling op heterdaad wist te betrappen. Hij legt deze vraag ook voor aan etnograaf Mark de Rond. Die begint hardop te denken. ‘Hoe kunnen volwassenen zich zo walgelijk gedragen tegenover wat zij denken dat kinderen zijn?’ probeert hij de fascinatie te vatten in Predators (97 min.). En: ‘Waarom genieten wij er zo van dat zij op televisie worden vernederd?

‘Op dat moment stopt de tijd’, stelt De Rond. ‘Wat we in feite zien is hoe het leven van een ander eindigt.’ Via interviews met lokazen, politiemensen en officieren van justitie en met behulp van ruw materiaal van de uitzendingen en het navolgende politieverhoor neemt Osit nu een grondige kijk achter de schermen bij de ontmaskering van deze verdachten en hun confrontatie met presentator Chris Hansen. Politiewerk kwam, zo is al snel duidelijk, in dienst te staan van het maken van spraakmakende televisie.

‘Ik wil niet dat dit de rest van mijn leven ruïneert’, zegt een man bijvoorbeeld, die na zijn ontmaskering om therapie vraagt. Deze opnames hebben de montage niet overleefd, want dat was niet het doel van To Catch A Predator. Het programma wilde hem vooral portretteren als een beest, dat het best uit zijn lijden kon worden verlost. Hansens vaste gespreksopener ‘help me understand’ moest dus niet worden verstaan als een poging om de ander te begrijpen, maar als de start van een volkstribunaal. Tot het fout ging…

Daarmee eindigt de eerste akte van Osits film. In het vervolg sluit hij aan bij een verborgen camera-actie van een erfgenaam van Chris Hansen, een YouTuber die zich Skeet Hansen noemt. Dan maakt de documentairemaker zelf ook vuile handen, een bewuste keuze die nog eens wordt bestendigd met een scène waarin zijn eigen producer Jamie Gonçalves de verdachte een ‘quit claim’ probeert te laten ondertekenen, zodat hij ook in Predators herkenbaar in beeld mag. Skeet stelt die vraag helemaal niet.

In het laatste deel van deze documentaire haalt David Osit tenslotte Chris Hansen zelf voor de camera. Op z’n eigen YouTube-kanaal borduurt die nog altijd voort op zijn succesformule, met alle morele dilemma’s van dien. Osit wil die natuurlijk aankaarten, maar maakt er geen gemakkelijk volkstribunaal van – ook omdat hij als maker van true crime-achtige producties zelf evenmin brandschoon is. Bovendien heeft hij zo z’n eigen reden om juist Hansens programma te onderzoeken. En die geeft deze film extra lading.

Predators is intussen tot tweemaal toe volledig van karakter veranderd en voelt toch als een coherente vertelling, die steeds dieper in de thematiek verdwijnt en die tenslotte op een even logische als dramatische manier wordt afgewikkeld. Zonder gemakkelijke conclusies. Met oog voor zowel de slachtoffers als hun belagers. Een genuanceerde film die prikkelt, wroet en raakt. Één van de beste documentaires, kortom, van het jaar.

Life After

Together Films

Het heeft nogal wat voeten in de aarde als Elizabeth Bouvia in 1983 in haar rolstoel de rechtszaal in het Californische Riverside wordt binnengereden. De 25-jarige vrouw, die in haar dagelijks leven volledig afhankelijk is van de zorg van anderen, eist het recht op om te mogen sterven – om zichzelf, onder begeleiding, te mogen uithongeren. Deze aangekondigde dood zal haar door de rechter echter niet worden gegund.

In 1997 wordt Bouvia, liggend in bed, nog eens voor het televisieprogramma 60 Minutes geïnterviewd door Mike Wallace. Daarna verdwijnt ze van het toneel. Filmmaker Reid Davenport vraagt zich bij de start van Life After (99 min.) af of het boegbeeld van de right-to-die beweging nog leeft, hoe het haar sindsdien is vergaan en wat haar erfenis is. Hij heeft zelf een ernstige lichamelijke beperking en buigt zich in deze scherpe film over het zelfbeschikkingsrecht dat zij zo nadrukkelijk heeft opgeëist.

Davenport gaat de ongemakkelijke issues niet uit de weg. Want is de keuze voor de dood, die Bouvia wilde maken en die andere mensen met een lichamelijke beperking sindsdien hebben willen maken, werkelijk ingegeven door pijn of een gebrekkige kwaliteit van leven? In hoeverre spelen praktische overwegingen daarbij ook een rol? De Canadese euthanasiewet Medical Assistance In Dying (M.A.I.D.) is bijvoorbeeld inmiddels speciaal voor mensen met een lichamelijke beperking opengesteld.

Zorgt dat niet voor (extra) druk op hen? Michal Kaliszan, een man uit Ontario, ziet in euthanasie bijvoorbeeld ‘een uitweg’. Na de dood van zijn moeder lijkt zijn enige alternatief een in zijn ogen uitzichtloos leven in een instelling. Dan verkiest hij toch de dood, zegt hij stellig, de minste van twee kwaden. Voor Michael Hickson, een man die aan een periode in coma ernstige schade overhield, maken zijn artsen die keuze. Zijn vrouw Melissa is het daar helemaal niet mee eens. Ze hoort ’t echter pas een dag later.

De ontwikkelingen rond Dying With Dignity gaan tegenwoordig snel in Canada, vertellen direct betrokkenen, véél sneller dan in traditionele gidslanden zoals Nederland en België. Daarbij wordt er volgens hen ook gecommuniceerd dat zo’n zachte dood tot lagere zorgkosten kan leiden. Over perverse prikkels gesproken. ‘Je kunt geen menselijk lijden verhelpen door mensen te doden’, vindt professor Catherine Frazee van de universiteit van Toronto, die zelf in een rolstoel zit en zuurstof krijgt toegediend. 

Reid Davenport kamt het hele gebied rond euthanasie voor mensen met een lichamelijke beperking uit, waarbij onvermijdelijk ook de eugenetica en de Amerikaanse voorvechter Jack Kevorkian van het honoreren van doodswensen, de revue passeren. Het resultaat is een emancipatoire film, die opnieuw aanzet tot nadenken over ieders (?) recht om te sterven en die eindigt waar ie begon: bij de vrouw met het, volgens sommige Amerikaanse media, ‘useless body’: Elizabeth Bouvia. Waarom wilde zij nu écht dood?