Son Of The Mullah

IDFA

Als Son Of The Mullah (100 min.) kent Ruhollah Zam het Iraanse regime natuurlijk van binnenuit. Zijn vader Mohammed bekleedde jarenlang een belangrijke positie binnen de Islamitische republiek. Als onderdeel van diens entourage leerde Ruhollah diverse kopstukken en hun verwanten kennen. Hij kon al snel niet meer aanzien hoe zij hun positie misbruikten, stiekem baadden in weelde en zich dan ook niets van de strenge religieuze regels aantrokken.

Als de Iraanse filmmaakster Nahid Persson, die vanuit haar huidige thuisland Zweden een gestage stroom kritische films heeft afgeleverd, hem eind 2018 opzoekt in zijn afgeschermde en beveiligde woning in Parijs, geldt Zam inmiddels als één van de bekendste criticasters van het Iraanse bewind. Met zijn eigen Amad News heeft hij een voortrekkersrol gehad bij de grootschalige protesten van 2017/2018 en stelt hij onvermoeibaar misstanden en corruptie in zijn geboorteland aan de kaak.

De Ruhollah Zam die Persson ontmoet maakt desondanks een montere en vrolijke indruk. Hij hangt wel permanent aan de lijn met één van zijn anonieme bronnen. Zij spelen hem onthullende informatie of clandestiene beelden toe. Samen met zijn Mahsa en twee dochters moet hij zich intussen de handlangers van het regime van het lijf zien te houden. Elke nieuwe persoon die aanklopt met saillante nieuwtjes kan een informant of geheimagent zijn, die hem in de val probeert te lokken.

Nahid Persson, die net als in haar vorige film over de Iraanse journaliste en mensenrechtenactiviste Masih Alinejad (Be My Voice, 2021) zelf ook wel erg graag een rol in beeld wil spelen, weet soms niet wat ze ervan moet denken. Hoe zorgvuldig en betrouwbaar is Ruhollah Zam zelf eigenlijk? Is zijn steun en toeverlaat Shirin wel volledig te vertrouwen? En hoe moet de miljonair die zich plotseling heeft gemeld met plannen voor een nieuw televisiestation worden ingeschat?

Ze gaat te rade bij Zams collega Ali Javanmardi, die zich afvraagt of de Zoon van de Mullah nog wel voorzichtig genoeg is. Niemand is immers voor de volle honderd procent te vertrouwen. Zo stevent deze eikenhouten film, die van binnenuit een nog altijd actuele en urgente kwestie behandelt, af op een dramatische apotheose, waarin de arm van het Iraanse bewind toch weer langer blijkt dan al gevreesd – en Ruhollah Zam de zoveelste martelaar voor het vrije woord in zijn land wordt.

Cyberbunker: The Criminal Underworld

Netflix

De setting spreekt natuurlijk tot de verbeelding: een voormalige NATO-bunker, op een heuvel nabij het Duitse plaatsje Traben-Trarbach. Daar heeft een stel vrijbuiters zich verschanst. Ze runnen een uitstekend afgeschermd datacentrum. Als de groep er in 2013 neerstrijkt, hoopt de plaatselijke gemeenschap nog dat ze een Europese variant op Silicon Valley zullen starten. In plaats daarvan beginnen ze echter hun eigen onafhankelijke staat: Cyberbunker: The Criminal Underworld (102 min.).

De Nederlandse darknet-goeroe Herman Xennt fungeert er als koning, zijn libertaire landgenoot Sven Olaf Kamphuis als prins. Hij zou betrokken zijn geweest bij enkele geruchtmakende cyberaanvallen en staat in woord en daad een volledig vrij web voor. Zonder enige vorm van beperking. ‘Er is niets wat ik niet zou hosten’, zegt hij in deze documentaire van Max Rainer en Kilian Lieb. Dat hun Cyberbunker de grens heeft gelegd bij kinderporno en alles wat met terrorisme heeft te maken is volgens Kamphuis alleen toe te schrijven aan Xennt. Die had er overigens dan weer geen problemen mee om in zee te gaan met de beruchte Ierse crimineel George Mitchell, alias The Penguin. En de Nederlander zou zich ook hebben ingelaten met drugshandel.

Geen wonder dat de Duitse politie zint op tegenmaatregelen. Enkele rechercheurs vertellen hoe ze de bunkerbewoners proberen af te luisteren en pogingen wagen om te infiltreren in de hermetisch afgesloten bunker. Het politieonderzoek, dat in deze interessante film met behulp van gereconstrueerde bewakingsopnames wordt ontleed, zal uiteindelijk vijf jaar in beslag nemen en in elk geval tot de arrestatie van de hoofdverdachte leiden. Aan het slot van de docu, verrijkt met de verplichte dystopische sciencefiction-beelden en elektronische muziek, laat Herman Xennt zich in de gevangenis van Trier ‘interviewen’.

Dan ligt er nog één vraag nadrukkelijk op tafel: hoe gaat het verder met zijn ‘dark prince’ Sven Olaf Kamphuis? De bunkerbewoner stelt uitdrukkelijk dat hij niet buiten, maar zelfs helemaal naast de Duitse wet staat. Hij is immers ingezetene, minister zelfs, van een buurstaatje. Afgaande op de reactie van de Duitse politiemannen kunnen zij die redenering toch niet helemaal volgen en moet Kamphuis vooral niet denken dat hij boven de, hún, wet staat. Dit verhaal krijgt dus ongetwijfeld nog een staartje. Binnen en buiten de bunker.

David Holmes: The Boy Who Lived

HBO Max

Misschien was hij wel net zoveel Harry Potter als acteur Daniel Radcliffe. Hij haalde als ‘stunt double’ immers de halsbrekende toeren uit in de Potter-films. David Holmes vloog op een bezemsteel, viel zo ongeveer overal vanaf en vocht met elk denkbaar monster. Althans, in de eerste zes films. Tijdens de opnames voor nummer zeven, Harry Potter And The Deathly Hallows – Part 1 (2010), in januari 2009 werd David bij de repetities voor een episch gevecht met een slang met gigantische snelheid tegen een muur gesmeten. Er bleef een zielig hoopje mens achter.

‘Hij zei letterlijk meteen: ik heb mijn nek gebroken’, herinnert zijn vriend en collega Marc Mailley zich geëmotioneerd. ‘Hij kon ’t zelfs aanwijzen met zijn hand: híer, ik kan ’t voelen.’ En hij kon volgens Harry Potters stuntcoördinator Greg Powell, die kampt met een fiks schuldgevoel, ook zijn benen niet meer voelen. ‘Hij had meteen door wat er aan de hand was.’  De stuntman wilde de waarheid liever meteen onder ogen zien, vertelt hij in David Holmes: The Boy Who Lived (86 min.). Tegen de artsen zei Holmes: ik ben vanaf mijn middel verlamd en word nooit meer beter. Dat klopt toch?

Op dat moment lijkt deze documentaire van Dan Hartley nog een zeer optimistische film te worden. Over een man die, letterlijk, niet kapot is te krijgen. Een levenskunstenaar, die uiteindelijk alle malheur van zich af kan laten glijden. Dave is dan bijvoorbeeld al ‘een jongen zonder angst‘ genoemd door zijn ouders Andy en Sue. En gekenschetst als ‘een ideale vriend’ door zijn (stunt)collega’s bij de Harry Potter-films. Zij zien echter ook dat Holmes’ gezondheid alleen maar slechter wordt. Volgens Daniel Radcliffe noemt hij zijn aandoening inmiddels ‘the gift that keeps on taking.’ 

‘Verlamming is net een gevangeniscel’, legt de hoofdpersoon zelf uit. ‘Zo claustrofobisch. En voor mijn gevoel wordt die cel steeds kleiner en kleiner. Totdat het lijkt alsof ik zit opgesloten in een doodskist.’ Dat gevoel ontneemt zelfs een rasoptimist het laatste restje levenslust, zou je zeggen. Dat is echter buiten David Holmes gerekend. In het ontroerende portret The Boy Who Lived wordt hij stapsgewijs gebroken, zowel fysiek als mentaal, totdat er weinig meer van hem over lijkt en probeert hij tóch, op de één of andere Godsonmogelijke manier, heel te blijven.

L’Affaire Bettencourt: Scandal Chez La Femme La Plus Riche Du Monde

Netflix

Tussen 1997 en 2007 schenkt ‘de rijkste vrouw van de wereld’ Liliane Bettencourt, erfgename en hoofdaandeelhouder van de cosmeticagigant L’Oréal, 917 miljoen euro aan François-Marie Banier, met wie ze innig bevriend is geraakt. Geheel indachtig L’Oréals slogan ‘because you’re worth it.’ Als vervolgens Bettencourts echtgenoot André overlijdt, een bekende politicus met wie ze een tamelijk liefdeloos huwelijk lijkt te hebben gehad, wil de Franse fotograaf dat ze hem ook nog officieel tot erfgenaam maakt. Dat is tegen het zere been van het enige kind van het echtpaar, Françoise Bettencourt-Meyers. Zij komt lijnrecht tegenover haar moeder te staan.

L’Affaire Bettencourt: Scandal Chez La Femme La Plus Riche Du Monde (Engelse titel: The Billionaire, The Butler And The Boyfriend, 149 min.)  is geboren en opent – zoals de driedelige docuserie zelf ronkt – ‘de geheime wereld van de superrijken’. Dat gebeurt alleen op een totaal andere manier dan dochter Françoise, die 21 uur geheime opnamen van haar moeder laat uitlekken, had gedacht. Dit geluidsmateriaal, door een butler gemaakt met een verborgen dictafoon, brengt vooral de pogingen tot belastingontduiking van de Bettencourts, hun verwevenheid met de politieke elite (waaronder de Franse president Nicolas Sarkozy) en het geld dat ze daarnaartoe schuiven onder de aandacht.

De opnamen van dat gebedel om geld en invloed – verrijkt met abstracte, van bovenaf gefilmde scènes met acteurs – vormen het hart van deze miniserie van Baptiste Etchegaray en Maxime Bonnet, waarin ook enkele direct betrokkenen bij de geruchtmakende affaire en volgers van de kwestie tekst en uitleg geven. Gaandeweg komt ook de vraag op tafel of de inmiddels hoogbejaarde Liliane Bettencourt eigenlijk nog wel in staat is om haar eigen geld te beheren en bij de mensen om haar heen het kaf van het koren kan scheiden. Want wie stelt zich daadwerkelijk dienstbaar op voor de rijke dame, goed voor zo’n dertig miljard euro? En wie is alleen uit op een deel van haar fortuin?

L’Affaire Bettencourt brengt dat proces treffend in beeld: hoe de roofdieren zich verzamelen rond een prooi als ze bloed hebben geroken. Because they’re worth it. Aan het rest nog slechts één vraag: komt François-Marie Banier, die de zaak onbedoeld aan het rollen heeft gebracht, werkelijk met de schrik vrij?

Higuita: El Camino Del Escorpión

Netflix

Of hij bevriend is met Pablo Escobar? wil een journalist weten. ‘Ja’, antwoordt René Higuita zonder ook maar een spoor van twijfel.

Higuita geldt als één van de spectaculairste keepers die ooit tussen – nou ja, tussen… – de palen heeft gestaan. Zijn hele loopbaan is samengebald in één enkel beeld uit 1995: met een verbluffende bicycle kick, naderhand ‘de Schorpioen‘ genaamd, voorkomt de Colombiaanse krullenbol tijdens een duel met het Engelse elftal in het Wembley-stadion een potentieel tegendoelpunt. Een andere doelman zou de bal gewoon hebben gevangen en eens rustig om zich heen kijken.

‘El Loco’ is nu eenmaal een man van het spektakel. Hij komt vaak (veel te) ver uit zijn doel, trekt rustig ten aanval op de helft van de tegenstander en scoort regelmatig uit penalty’s en vrije trappen. René Higuita is daarnaast ook topsporter in een land waar een bloedige oorlog woedt tussen concurrerende drugskartels. Die wordt tevens op het voetbalveld uitgevochten via América (van het Cali-kartel) en Higuita’s club Atletico Nacional (gesteund door Escobars Medellin-kartel)

Ergens onderweg is de flamboyante doelman bevriend geraakt met Pablo Escobar, bevestigt diens broer Roberto in Higuita: El Camino Del Escorpión (100 min.). ‘En daar was niets vreemds of aparts aan.’ Dat moge zo zijn, maar niet elke voetballer komt in de positie – of wil in de positie komen – dat hij moet bemiddelen bij de ontvoering van een jong meisje (dat nu, een kleine dertig jaar later als geanonimiseerde volwassen vrouw, haar verhaal doet in deze film van Luis Ara). Deze verhaalwending, met veel drama gereconstrueerd, brengt Higuita ernstig in de problemen.

Het is een verhaal dat exemplarisch lijkt voor de verwording van René Higuita’s land, maar dat hier vooral aanleiding is om de loftrompet te steken over de hoofdpersoon. Dat is sowieso de makke van dit portret (en dit soort sportportretten in het algemeen): wie er ook zijn zegje mag doen – Higuita’s echtgenote Magnolia en de rest van zijn familie of Colombiaanse voetbalcoryfeeën zoals Carlos Valderrama en Francisco Maturana – er valt geen kwaad woord over René.

En serieuze vragen over de verwevenheid van boven- en onderwereld blijven natuurlijk al helemaal achterwege. Deze film is bedoeld als heldenverhaal van de man achter ‘de Schorpioen’, een showkeeper die vanwege ongelooflijke heldendaden en een enkele tragische flater een eigen plek in de sportgeschiedenis heeft verworven.

El Eco

Bantam Film

Toño mag zijn bord op tafel laten staan, zegt zijn vader, die in de stad werkt en daardoor doorgaans weinig thuis is. Afruimen is vrouwenwerk, vindt hij. Zijn vrouw zorgt dus voor het huishouden. Of ze nu wil of niet. Toño’s oudere zus Monse, de hoofdpersoon van El Eco (Engelse titel: The Echo, 102 min.), droomt intussen van een ander leven, buiten dit afgelegen dorp in het Noorden van Mexico. Ze is er opgegroeid en sinds kort, als vanzelfsprekend, ook belast met de zorg voor haar erg broze oma.

Het dagelijks leven in het Mexicaanse dorp El Eco speelt zich grotendeels buiten af, tegen een imposant decor van groene heuvels en dramatische luchten, en wordt gekenmerkt door hard werken. Schapen scheren, hout sprokkelen, mais oogsten en lammetjes halen. De levens van mens en dier zijn er op een vanzelfsprekende manier met elkaar vervlochten. Het is een ogenschijnlijk idyllische wereld, die door regisseur Tatiana Huezo en haar cameraman Ernesto Pardo ook heel fraai is vereeuwigd.

Kalm observeren zij het leven op het Mexicaanse platteland, waar iedereen zijn eigen rol heeft – en ook moet spelen. Bij Monse knelt dat. Met haar paard wil de tiener zich bijvoorbeeld meten met de mannen in het dorp. Haar moeder, zelf op jonge leeftijd getrouwd en gestopt met werken, wil daar niets van weten. En dat noopt het meisje, in haar eigen coming of age-drama, om eindelijk de stoute schoenen aan te trekken. Dit is het dramatische hoogtepunt van een film waarin vaak nagenoeg niets lijkt te gebeuren.

Schijn bedriegt. In de interactie tussen de kinderen onderling, het contact met hun ouders en hoe zij zich verhouden tot al wat leeft in hun omgeving vertellen kleine details grote verhalen over hoe de levens van de kinderen en de generaties die hen voorgingen op elkaar (moeten) lijken. Huezo versterkt dit idee nog met een subtiel dwingende soundtrack en enkele fraaie liederen. Zo bouwt ze een verstilde vertelling, waarin iedereen, die daarvoor de rust in zichzelf kan vinden, volledig kan verdrinken.

Till Murder Do Us Part: Soering Vs. Haysom

Netflix

Wie is de marionet en wie de bespeler ervan? Dat is nog eens een ‘heerlijk’ uitgangspunt voor een true crime-productie. De ouders van de Amerikaanse studente Elizabeth Haysom zijn op gruwelijke wijze vermoord. Heeft zij, als een kille manipulator, haar vriend Jens Söring aangezet tot die gruweldaad (of op zijn minst tot een significante poging om die te verhullen)? Of heeft de nerdy tiener, zoon van een Duitse diplomaat, het oudere echtpaar Derek en Nancy Haysom juist op eigen initiatief afgeslacht om z’n begeerlijke vriendin definitief in zijn greep te krijgen?

Bijna veertig jaar na die fatale dag in Bedford County in Virginia, zaterdag 30 maart 1985, is die elementaire vraag blijkbaar nog altijd niet afdoende beantwoord. De vierdelige serie Till Murder Do Us Part: Soering Vs. Haysom (Duitse titel: Der Fall Jens Söring: Tödliche Leidenschaft, 191 min.) buigt zich opnieuw over het bloedstollende misdrijf en de juridische afwikkeling daarvan, waarbij de voormalige geliefden lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Het hielp hen geen van tweeën: ze zouden uiteindelijk allebei ruim dertig jaar in de cel zitten. 

Zij hult zich tegenwoordig meestal in stilzwijgen als het gaat om de gewelddadige dood van haar ouders. Dat schijnt ze aan haar halfbroers te hebben beloofd. Hij is er nog altijd niet klaar mee. Nadat Jens Söring eerder bijvoorbeeld ook al zijn kant van het verhaal heeft gedaan in de documentaire Das Versprechen (2016), een boek en talloze andere producties, neemt de inmiddels 57-jarige Duitser ook weer plaats voor de camera van André Hermann en Lena Leonhardt. Söring houdt staande dat hij onschuldig is – ook al heeft hij in eerste instantie toch echt een bekentenis afgelegd.

‘Soms kon je niet zeggen waar de leugen begon en de waarheid ophield’, vertelt de plaatselijke nieuwsjournalist Jeff Taylor, die de zaak destijds op de voet heeft gevolgd, in deze miniserie. ‘Het is een gegeven dat één persoon zei: ik wil mijn ouders dood. En dat de ander stelde: liefde is het ultieme wapen. Twee mensen zijn overleden door deze “liefde” tussen hen.’ En omdat maar niet onomstotelijk kan worden vastgesteld wat er nu precies is gebeurd vormt dat ene tragische misdrijf een onuitputtelijke bron voor producties over de destructieve liefde van Jens en Elizabeth.

Till Murder Do Us Part serveert die nog maar eens volgens de welbekende true crime-methode uit: met ‘smeuïge’ verhoren, ‘schokkende’ rechtbankverklaringen, ‘schimmige‘ reconstructiescènes, ‘bizarre’ geschriften, ‘bloederige’ foto’s, ‘spannende‘ geluidseffecten en -muziek, ‘daverende’ cliffhangers en ‘onthullende‘ interviews met politiemensen, advocaten, journalisten en mensen uit de periferie van de twee hoofdrolspelers. Zo worden alle ‘dramatische’ gebeurtenissen nog eens minutieus doorgeakkerd. Totdat er een klassiek stranger than fiction-verhaal is ontstaan.

Daarbinnen houdt iedereen vast aan zijn eigen lezing. En de belangrijkste personages zitten ook vast in dat verhaal. Zeker de marionet en z’n bespeler. Wie dan ook wie is.

In The Rearview

Piotr Grawender / IDFA

Achter hen ligt het land waar ze hun hele leven hebben doorgebracht – en dat verscheurd wordt door oorlog. Voor hen ligt een onbestemde toekomst, vaak in een vreemd land. En naast hen zitten onbekenden, die ze desondanks direct herkennen. Lotgenoten. Jong en oud. Met een huisdier op schoot of een baby in de buik. Complete gezinnen. Of juist heel incompleet. Zonder opa en oma, een geliefd huisdier, manlief in het leger of de dierbare die omkwam in de strijd.

Maciek Hamela, de Poolse chauffeur van het busje en tevens de maker van deze observerende film, zet koers richting de Poolse grens. Over eindeloze wegen, langs militaire controleposten en toch maar niet door een mijnenveld. In The Rearview (84 min.) ziet hij Oekraïne, een onafhankelijke staat die wordt aangevallen door z’n buurland. Daar gaan de gesprekken in de auto natuurlijk ook over – al is niet iedereen in voor een praatje. Één meisje is zelfs helemaal gestopt met praten.

Deze Oekraïners worden geëvacueerd en hebben alles, waaronder een groot deel van zichzelf, moeten achterlaten. En de autoradio houdt hen op de hoogte van wat de Russen nu weer hebben aangericht in hun land. Hamela toont hen zoals hij ze via de achteruitkijkspiegel kan zien zitten: bepakt en bezakt of juist met alleen de kleren aan hun lijf. Kerngezond of ernstig gewond. Voor zich uitstarend of gebiologeerd turend naar het schermpje van hun telefoon.

De wereld – of wat daarvan over is – trekt aan hen voorbij: vernietigde steden, autokerkhoven, verwoeste wegen en kapotgeschoten tanks. Totdat ze dat vervloekte land, voorlopig tenminste, achter zich kunnen laten. Elk tafereel herbergt de sporen van bruut geweld, zonder dat het geweld zelf ooit het evacuatiebusje of deze documentaire bereikt. Ook grote emoties blijven doorgaans achterwege, het verdriet en de ontzetting houden zich schuil tussen de regels.

Juist door z’n eenvoud en soberheid – mensen zittend en pratend in een busje, slechts een enkele keer begeleid door subtiele muziek – maakt In The Rearview indruk. Dit is ook oorlog: vijftien miljoen mensen, ruim een derde van de bevolking, die hun huis hebben moeten verlaten, op weg naar een onzekere toekomst. Net als hun land.

Sur L’Adamant

Cherry Pickers

In een boot in hartje Parijs is Dagcentrum Adamant gevestigd, het decor voor de nieuwe film van Nicolas Philibert, de Franse documentairemaker die in 2002 met Être Et Avoir, een hartveroverend portret van een plattelandsschool, een absolute voltreffer afleverde. Deze boot op de Seine, onderdeel van de afdeling psychiatrie van het Saint Maurice-ziekenhuis, blijkt eveneens een geschikte locatie voor een kalme, observerende film, boordevol liefde voor de mens en zijn kwetsbaarheden. Philibert beziet de bezoekers van die boot met geduld en compassie, geeft hen de gelegenheid om hun verhaal te doen en luistert mee tijdens de gesprekjes die ze hebben met elkaar of een begeleider. Bijna ongemerkt ontstaat zo een teder portret van een veilige wereld, waar iedereen zichzelf mag zijn.

‘Geesteszieken hebben vaak geen familie of hebben er een slechte band mee’, zegt François bijvoorbeeld, terwijl hij een sigaretje staat te roken op het dek van de Adamant. ‘Ik wil niet generaliseren, maar dat is zo.’ Is dat bij jou ook zo? wil zijn gesprekspartner Guillaume weten. ‘Ja’, beaamt François, een man van middelbare leeftijd met een opvallend slecht gebit. ‘Ik wilde op mijn krachtige vader lijken, maar ging op m’n bek. Hij was de regisseur Gérard Gozlan.’ Op een gegeven moment heeft François, die vanaf zijn achttiende psychische problemen heeft, ‘t maar gewoon uitgesproken: ‘Pa, ik weet dat ik de mislukking van jouw leven ben. Hij zei: hou op. Straks maak je je moeder weer aan het huilen.’

François is één van de terugkerende personages in Sur L’Adamant (105 min.). In de openingsscène heeft hij al indruk gemaakt met een hartverscheurende versie van het lied La Bombe Humaine van de groep Téléphone. ‘Het kon hem niet rotten dat ik ziek was. Hij wilde dat ik gelukkig was’, vervolgt hij het gesprek met Guillaume over zijn vader. ‘Was je ziek toen je dat zei?’ vraagt die. ‘Ik bén ziek’, corrigeert François, terwijl hij zo nu en dan zenuwachtig aan zijn peuk trekt en het verleden aan hem voorbij lijkt te trekken. ‘Nog steeds. Alleen dankzij zware medicatie flip ik niet en kan ik met je praten, Guillaume. Anders zou ik denken dat ik Jezus was, omgeven door vogeltjes in de hemel.’

Uit ‘s mans woorden en houding spreekt berusting: dit is wie hij nu eenmaal is. Elke bezoeker van het dagcentrum heeft met zulke thema’s te dealen. Ondanks allerlei pogingen om te veranderen, zijn ze nog steeds wie ze zijn. Of ze zijn niet meer – en worden ook nooit meer –  degene die ze ooit waren. Met schilderen, fotografie, musiceren, schrijven of gewoon een spelletje krijgen de bezoekers van de Adamant de gelegenheid om zich op hun eigen wijze uit te drukken. ‘In een wereld waarin men geacht wordt aan de norm te voldoen en afwijkend gedrag onderdrukt wordt’, stelt Nicolas Philibert daarover aan het eind van zijn liefdevolle film, ‘zijn er nog plekken waar de poëtische kant van mens en taal mag bestaan.’

Zo’n plek, betoogt hij, zou er voor iedereen moeten zijn.

In 2024 bracht Nicolas Philibert maar liefst twee vervolgen uit op Sur L’Adamant. Averroès & Rosa Parks, nog niet gezien, lijkt een volwaardige opvolger. La Machine A Écrire Et Autres Sources De Tracas heeft echter weinig om het lijf. Daarin bezoekt de Franse filmmaker, in het spoor van enkele klusjesmannen van de instelling, bekende personages van de eerste film. Het wordt uiteindelijk niet meer dan een verzameling lange deleted scenes, die weinig toevoegen aan Sur L’Adamant.

F For Fake

Janus Films

Deze film wordt opgeleverd met een disclaimer: ‘Everything in this film is strictly based on the available facts’. En daarvan is geen woord gelogen – of elk woord. In deze klassieke hybride van docu en drama uit 1973 exploreert Orson Welles de schijn van het zijn. Of het zijn van de schijn, dat kan ook. Fakery, zoals de filmlegende ’t zelf noemt. Een hoax. Alles in deze film is spel. Fake. Ofwel: F For Fake (88 min.)

Centraal in deze film staat de Hongaarse meestervervalser Elmyr de Hory. Een schilder die zo goed anderen kan kopiëren dat zelfs de schilders zelf beginnen te twijfelen. Het leidde, volgens Orson Welles, tot een geinige situatie met de Nederlandse kunstenaar Kees van Dongen. ‘Van Dongen bestudeerde het schilderij nauwkeurig,’ aldus Welles. ‘En bezwoer toen dat hij ’t zelf had geschilderd.’

‘Als je ze in een museum hangt, in een collectie met andere geweldige schilderijen, en ze hangen er maar lang genoeg, dan worden ze vanzelf echt’, stelt De Hory. Volgens zijn biograaf Clifford Irving kan de man zelf desondanks feilloos zijn eigen schilderijen onderscheiden van de echte kunstwerken – als er al zoiets als een verschil bestaat. Alleen kun je Irving niet op zijn woord geloven. Tenminste, volgens Welles.

Trots laat Irving in een catalogus een verkochte Modigliani zien. Gemaakt door De Hory, natuurlijk. Die reageert met een omtrekkende beweging. ‘Hij werkte vrij weinig, hij stierf op jonge leeftijd’, zegt hij over de Italiaanse schilder. ‘Dus als er een paar schilderijen of tekeningen worden toegevoegd, verknalt dat zijn oeuvre heus niet.’ En, voegt er dan aan toe: ‘Ik vind ’t niet vervelend voor Modigliani, het is vooral fijn voor mij.’

En als Elmyr de Hory daarmee wegkomt, wie houdt dan eigenlijk wie voor de gek? De vervalser of de kunstkenner die zich in de luren laat leggen? Zo speelt deze film voortdurend met wat waar/niet waar is en speelt Orson Welles intussen met, welja, Orson Welles. Met veel bombast, theater en tongue-in-cheek humor laat de geboren verhalenverteller eenieder via een lachspiegel naar de (kunst)wereld kijken.

Dit was trouwens ook in 1973 al geen nieuwe documentaire over De Hory en zijn – had ik dat al verteld? – gevallen biograaf. Toen Clifford Irving vanwege een gefingeerde biografie van de verknipte biljonair Howard Hughes in opspraak raakte, nam Welles het beeldmateriaal van de kunstenaar en zijn biograaf, dat hij eerder samen met François Reichenbach had gemaakt, nog eens grondig onder handen voor deze docu.

Binnen zo’n vertelling – noem het gerust een filmessay – passen ook Welles’ eigen omzwervingen rond de waarheid. Hoe hij zichzelf de kunst- en filmwereld inloog, bijvoorbeeld. En ook het hoorspel The War Of The Worlds, waarmee hij Amerika de stuipen op het lijf jaagde, en de speelfilmklassieker Citizen Kane – over een gefictionaliseerde versie van, jawel, Howard Hughes – dealen natuurlijk met bedrog.

En dan brengt Welles met een verborgen camera ook de ‘buitensport meisjekijken’ nog in beeld en schudt hij en passant tevens een smakelijk verhaal over Pablo Picasso uit zijn mouw in deze joyeuze, virtuoos gemonteerde verhandeling die langs tegenstellingen als nep en echt, kunst en kopie en de waarheid en een leugen slalomt.

En, jawel mensen, toeschouwers (o)verbluft achterlaat.

In The Court Of The Crimson King

Pink Moon

‘De samenvatting van mijn persoonlijke betrokkenheid bij King Crimson is dat die ongelooflijk ongelukkig is geweest’, zegt bandleider Robert Fripp met een stalen gezicht in de documentaire In The Court Of The Crimson King (85 min.). ‘In één woord ellendig, laat ik zeggen van 1969 tot 2013.’ Dat is zo’n negentig procent van de halve eeuw die de Britse progrockgroep er dan al op heeft zitten.

In King Crimson is het ’verboten’ om een fout te maken, stelt een oud-bandlid in dit banddocument van Toby Amies. Alles moet precies zoals Fripp ‘t wil. En daarvoor heeft hij een hele stoet – stronteigenwijze – groepsleden moeten ontslaan. ‘Natuurlijk ben je onvervangbaar’, zeggen ze volgens leadzanger en tweede gitarist Jacko Jakszyk tegen elkaar. ‘Net als de vorige kerel.’

Jakszyk heeft eerder ook gespeeld in The 21st Century Schizoid Band, een groep met enkele voormalige King Crimson-leden. Het was volgens hem de ellendigste periode van zijn leven als muzikant. ‘Wat mensen niet volledig beseffen, is dat de originele bezetting van King Crimson een stel eikels bevatte’, zegt hij in een entre nous met Toby Amies. ‘En de grootste eikel was…’

Precies op dat moment snijdt Amies weg, de naam blijft achter op de montagetafel. Het tekent de filmmaker, die in gesprek gaat met Fripp, al zijn (ex-)leden, hun technici en enkele fans. Hij prikt hier en daar, vraagt flink door en permitteert zich dus ook wel eens een grapje. ’s Mans humor sluit aan bij de zelfspot die hij bij veel bandleden vindt en contrasteert met Fripps dodelijke ernst/ironie (*)

King Crimsons boegbeeld filosofeert graag over de betekenis van muziek en bakkeleit misschien nog wel liever over hun (gebrekkige) wisselwerking of over wat er tijdens concerten allemaal valt te winnen en verliezen. Wat zijn de gevolgen als het niet lukt om van een optreden een gebeurtenis te maken? vraagt Amies. ‘Hartzeer’, antwoordt Robert Fripp bloedserieus. ‘Alsof mijn moeder is overleden.’

De documentaire gaat ook persoonlijke onderwerpen niet uit de weg. ‘Ik ga je vragen naar jouw unieke omstandigheden’, zegt Amies bijvoorbeeld tegen drummer Bill Rieflin. ‘Je hoeft niet te antwoorden. Je mag me ook vertellen hoe ik het zou kunnen gebruiken en je kunt me ook zeggen om op te rotten, hoe je ’t ook wilt.’ Waarna een indringend gesprek over Rieflins penibele gezondheid volgt.

In The Court Of The Crimson King heeft de gemiddelde bandjesdocu, die schaamteloos de succesnummers van een act op een rij zet en daardoor vooral interessant is voor de achterban, dan allang achter zich gelaten. Dit is een dwarse, openhartige en grappige film over het leven in/met/voor een onmogelijke man en zijn al even onmogelijke band, waarvan alleen niet duidelijk is of ie nog bestaat.

‘Verandering is waar deze band om draait’, stelde oud-drummer Bill Bruford niet voor niets. ‘Verandering is essentieel. Anders verander je in The Moody Blues.’

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

Stranger In My Own Skin

Federation Studios

Grofweg zijn er twee varianten: documentairemakers die afstand houden en zo het complete terrein rond hun onderwerp proberen te overzien. En filmers die er juist zo dicht mogelijk op kruipen, om ‘t als het ware van binnenuit te kunnen laten zien. Katia deVidas behoort, in elk geval bij deze documentaire, overduidelijk tot de tweede categorie. Ze kan ook niet anders: Katia is de echtgenote van hoofdpersoon Pete Doherty.

Dit is dus niet de film waarin chronologisch en met een zekere distantie wordt gevolgd hoe Doherty eind jaren negentig, als één van de twee frontmannen van The Libertines, wordt binnengehaald als een nieuwe held van de Britse popmuziek, waarna hij zich al snel helemaal verliest in een destructieve drugsverslaving en uitgroeit tot de Keith Richards/Sid Vicious/Shane McGowan van zijn generatie. Dit is sowieso geen muziekdocumentaire – ook al bevat deze rauwrommelige film natuurlijk genoeg songschrijfpogingen, repetitiemomentjes en concertfragmenten van Doherty, The Libertines en zijn latere outfit Babyshambles.

Dit is een film over Peter Doherty: Stranger In My Own Skin (93 min.), een eeuwige jongen die volledig verslingerd is geraakt aan dope – of het nu heroïne, crack of meth is – en die daar nodig vanaf wil. Of, althans: die zégt dat hij daar vanaf wil. DeVidas filmt en bevraagt de Engelse zanger en gitarist gedurende tien jaar van zeer dichtbij terwijl hij, zoals Connie Palmen dit zo treffend heeft uitgedrukt, een vriendschap zonder vriend heeft. En ze geeft hem, een vurige adept van schrijvers als Fjodor Dostojevski, Oscar Wilde en James Joyce, tevens de ruimte om zijn diepste zielenroerselen of literaire uitspattingen te delen.

Zo vangt DeVidas talloze treffende brokstukken uit het leven van haar beschadigde man. Een concert in Frankrijk bijvoorbeeld, dat vanwege vertraging met de trein (!), steeds wordt uitgesteld en vervolgens wordt afgelast. Waarna Doherty alsnog optreedt in een naburige pub. Hoe haar echtgenoot voor de reünieconcerten van The Libertines in 2010, waar hij blijkbaar enorm tegenop ziet, letterlijk voor de camera een terugval heeft. En dat magische moment waarop Pete Doherty’s vader, een beroepsmilitair met wie hij een lastige relatie heeft, op het podium stapt bij zijn band Babyshambles en zijn song What A Waster woord voor woord blijkt te kunnen meezingen.

Het ontbreekt Stranger In My Own Skin alleen regelmatig aan structuur of context. DeVidas heeft er een vergaarbak van sferen en stijlen van gemaakt. Tegelijkertijd is dat waarschijnlijk ook een aardige afspiegeling van hoe haar ‘Peter’ zijn leven leidt: in een soort waas of roes, waardoor hij zo nu en dan een hoogte- of dieptepunt beleeft, plotseling crasht en zich dan weer lui in gang zet of juist voortvarend doordendert. ‘Het talent hoort bij de man en de artiest en komt niet van de drugs’, vindt Doherty zelf. ‘En dat is ook nooit gekomen van de drugs. Een deel van de lol en de uitdaging zit zelfs in het creëren óndanks de omstandigheden. Of ik nu verslaafd ben of clean, ik zal creëren.’

The Kyiv Files

VPRO/ Zeppers / Amstelfilm

‘Mijn mooiste herinnering aan Bogdan?’ Regine Chivrac moet er in de woonkamer van haar woning in Bretagne heel even over nadenken. ‘Waarschijnlijk de nacht die we samen doorbrachten in het appartement van een vriend.’ De Française met Oekraïense wortels en de knappe plaatselijke jongen ontmoetten elkaar in de jaren zestig bij toeval in de stad Lviv en werden daar verliefd op elkaar. Althans, zo heeft zij dat toentertijd beleefd.

Even later krijgt de oudere vrouw een KGB-dossier overhandigd. Háár dossier. Nummer 5075, codenaam: Courtisane. ‘Betekent dit dat er een dossier over mij was?’ reageert ze verrast. ‘Heeft Bogdan misschien informatie doorgegeven?’ In de map vindt ze foto’s van hen samen, innig verstrengeld in bed. In het appartement van die vriend, inderdaad. ‘Hij moet dit toch hebben geweten?’ vraagt ze tegen beter weten in. ‘Of werd hij er zelf ingeluisd?’

Het antwoord staat in The Kyiv Files (78 min.): ‘Om te ontdekken wat de echte redenen waren voor Courtisanes bezoeken aan ons land wordt agent Shikula ‘Bogdan’ Nikolayevich ingezet in 1967’, leest een vrouwenstem voor uit het dossier van de geheime dienst van de Sovjets. ‘Hij studeert aan de universiteit van Lviv en spreekt Frans.’ In het dossier zitten ook Bogdans rapporten. ‘Na de gemeenschap gaf ze me haar adres’, schrijft hij bijvoorbeeld. ‘Dat lag al klaar op tafel.’

Sinds Oekraïne in 2017 de KGB-archieven heeft geopend, kunnen geïnteresseerden hun persoonlijke dossier inzien. ‘Lisovaja Vira Pavlovna, bijgenaamd De Stille, kwam in het zicht bij de KGB in 1974’, staat er bijvoorbeeld in het dossier van een kritische Oekraïense docente. De dienst heeft de hand weten te leggen op ‘diverse bewijsstukken waaruit blijkt dat het subject nationalistische overtuigingen heeft en anti-Sovjet documenten bezit en verspreidt.’

Samen met Lisovaja zelf en haar dochter neemt filmmaker Walter Stokman het dossier en de gevolgen daarvan door. Pavlovna’s echtgenoot was in 1972 al tot zeven jaar veroordeeld vanwege ‘nationalistische’ activiteiten. Het gezin kwam uiteindelijk in Siberië terecht en zou zich nooit meer helemaal van de KGB kunnen bevrijden. Want zo ging – en gaat – dat: wie eenmaal in de klauwen van een geheime dienst zit, kan zich daarvan vaak nooit meer helemaal losmaken.

Deze film maakt tastbaar wat ‘t met mensen doet om overgeleverd te zijn aan een autoritair regime en de bijbehoren surveillancestaat. En dat strekt zich in dit geval ook uit tot Nederland. Ineens staat Stokman in Friesland bij een caravan, die volgens een buurman letterlijk ‘groen van ellende ziet’. De bewoner ervan zou de hoogbejaarde Louw de Jager zijn. Zestig jaar geleden belandde hij in een Sovjet-gevangenis, veroordeeld vanwege spionage.

‘Op 15 juli 1961 zijn twee Nederlanders, Evert Reydon en Louw de Jager, in De Jagers auto vanuit Amsterdam via de DDR en Tsjechoslowakije naar de Sovjet-Unie vertrokken’, leest de Russische vrouw weer voor uit het KGB-dossier. ‘Bij de grenscontrole werd ontdekt dat ze dertig filmrollen, vier camera’s, een fotolens, een flitsapparaat, twee verrekijkers, een kompas en een radio bij zich hadden.’ De twee Nederlandse amateurspionnen zijn gezien.

‘Hoe minder je weet, hoe beter je slaapt’, slaat een voormalige KGB-functionaris elders in deze unheimische film, die zich afspeelt tegen de achtergrond van de Russische aanval op Oekraïne en steeds meer onder de huid kruipt, de spijker op z’n kop. Het is alleen de vraag of iedereen die luxe heeft. En wat als je ’t eenmaal weet? Hoe slaap je dan? Slaap je überhaupt nog? The Kyiv Files maakt zulke vragen onontkoombaar – en de antwoorden erg pijnlijk.

The Enfield Poltergeist

Apple TV+

Het is duidelijk wie de hoofdrolspelers zijn, in dat behekste huis in de Londense deelgemeente Enfield: Janet Hodgson, een meisje van elf met heel veel verbeeldingskracht. En haar moeder Margaret ‘Peggy’ Hodgson, een gescheiden Britse vrouw van 47 met vier kinderen. Omdat een klopgeest regelmatig hun huis bezoekt, worden zij vanaf 1977 twee jaar lang intensief geobserveerd door zakenman en uitvinder Maurice Grosse, die paranormale zaken ‘op een wetenschappelijke manier’ wil onderzoeken, en zijn assistent, geestenexpert Guy Playfair. De twee maken uiteindelijk meer dan tweehonderd uur audio-opnamen in ‘the haunted house’ aan 284 Green Street.

En die vormen nu het fundament onder The Enfield Poltergeist (234 Min.). Want op basis van die tapes heeft regisseur Jerry Rothwell, die enkele jaren geleden de immersieve autismefilm The Reason I Jump maakte, belangrijke gebeurtenissen gereconstrueerd. Acteurs spelen in een ingenieus decor lip sync mee met het oorspronkelijke geluid. Deze vierdelige serie bestaat dus voor een belangrijk deel uit gedramatiseerde scènes, het audio daarbij is echter authentiek en rechtstreeks afkomstig van de geluidsbanden van Grosse en Playfair. Dat is even wennen – in de Nederlandse documentaire Moeders deed Nirit Peled ’t overigens ook al – maar werkt wonderwel.

Rothwell spreekt daarnaast met (directe familie van) de Hodgsons, de woordvoerder van de zogenaamde Society For Psychical Research, medewerkers van The Daily Mirror, de BBC-verslaggever die er destijds op af werd gestuurd en diverse psychologen en (neuro)wetenschappers, die een kijkje gingen nemen bij de Hodgsons of met de wijsheid van nu naar de bizarre gebeurtenissen aldaar kijken. Ook Maurice Grosse’s aanvankelijk erg sceptische zoon Richard komt uitgebreid aan het woord. Hij liet zich gaandeweg verleiden om toch een bezoek te brengen aan het huis. Richard sprak daar toen – hij kan zich er nog altijd nauwelijks toe zetten om het te zeggen – met een geest.

Dat is maar één van de vele vreemde zaken in Enfield: er klinken allerlei sinistere geluiden, objecten vallen om of belandden op een andere plek en er wordt, natuurlijk, volop geklopt. En alles speelt zich af in, om of door de tiener Janet, die als medium lijkt te fungeren voor iets wat zich tussen hemel en aarde beweegt, een overledene wellicht die verleden heeft in dat vervloekte huis. Vanzelfsprekend ontmoet Maurice Grosse ook scepsis als hij verhaalt over zijn bevindingen. De psychologe Anita Gregory komt bijvoorbeeld eens kijken in Enfield en zet daarna in het rapport Problems In Investigating Psychokinesis grote vraagtekens bij de authenticiteit van wat zich daar afspeelt.

En die Enfield Poltergeist is, vanaf enige afstand bekeken, natuurlijk ook ‘too bad to be true’. Soms lijkt ie te citeren uit The Exorcist, een horrorfilm die halverwege de jaren zeventig immens populair is. Op andere momenten is het dan weer alsof de dan wereldberoemde ‘lepeltjesbuiger’ Uri Geller als z’n inspiratiebron heeft gefungeerd. De gebeurtenissen in de Londense deelgemeente trekken in elk geval zoveel aandacht dat zelfs de beruchte Amerikaanse spokenjagers Ed en Lorraine Warren, onlangs nog te zien in de documentaire The Devil on Trial, even poolshoogte komen nemen. En er is ook een Nederlandse connectie: het medium Dono Gmelig-Meyling meldt zich. 

Rothwell neemt dit spraakmakende verhaal krachtig bij de hand en blijft zoveel mogelijk uit de buurt van effectbejag, maar speelt alle ontwikkelingen wel bijzonder slim uit, waarbij hij bijvoorbeeld zeer gedoseerd informatie deelt. Zo valt zijn publiek eerst van de ene verrassing in de andere en wordt daarna ook nog geraakt door personages zoals Janet, Margaret en Maurice, die elk hun eigen issues meebrengen naar dat veelbesproken huis in Enfield. Het resultaat is een absolute tour de force, een bijzonder inventieve, enerverende en toch ook heel menselijke serie die het midden houdt tussen een documentaire- en een ‘based on a true story’-productie en die na bijna vier uur speeltijd nog een flinke tijd nazindert.

La Memoria Infinita

Periscoop Film

‘Laten we het samen doen’, zegt Augusto lachend tegen zijn vrouw, tijdens een lunch in een restaurant. ‘Want als ik ‘t alleen ga proberen met mijn Alzheimer, maak ik er een rotzooi van. Ik herinner me helemaal niets meer en zet mezelf voor schut.’ Pauli kijkt hem liefdevol aan. ‘We zijn drie jaar geleden getrouwd, maar het mooie is dat we elkaar al 23 jaar kennen. Dus we zijn pas getrouwd toen we elkaar al twintig jaar kenden.’

Ontspannen proberen ze vervolgens samen hun allereerste date te reconstrueren. Gaandeweg ontwaakt daarbij Augusto’s geheugen en kan hij meteen verwoorden wat zij voor hem betekent. Pauli krijgt zo wat ze wil. Zij is in deze hartverwarmende film van regisseur Maite Alberdi voortdurend in de weer om Augusto’s brein, verleden en hun late liefde levend te houden.

En dat gebeurt in La Memoria Infinita (Engelse titel: The Eternal Memory, 85 min.) in een ontspannen setting die doet denken aan Alberdi’s eerdere films The Grown-Ups (2016) en The Mole Agent (2020). Het leven zoals de Chileense filmmaakster ‘t presenteert in haar films is zeker niet vrij van pijn of verdriet, maar behoudt wel te allen tijde een optimistische grondtoon.

In zijn vorige leven, dat koste wat het kost behouden moet blijven, was Augusto Gongóra televisiejournalist. Hij maakte ’t tot zijn persoonlijke missie om de misdaden tegen de menselijkheid van het regime van dictator Augusto Pinochet te documenteren, zodat die in het collectieve geheugen konden worden opgeslagen. Pauli Urrutia was ooit minister van cultuur in Chili en is nog altijd actrice.

Terwijl ze zorgt voor haar man – en dat zeer intiem vastlegt met een camera – speelt Pauli ook nog gewoon in voorstellingen. In een fraaie scène laat Alberdi zien hoe ze met haar gezelschap een groots opgezette dansscène repeteert. Augusto doet gewoon lekker mee. Zo gemakkelijk, idyllisch bijna, laat de dementie zich echter niet vangen. Die krijgt haar echtgenoot steeds meer in z’n greep.

‘Het is belangrijk dat je me niet vergeet’, houdt Pauli hem, op een wanhopig ogenblik later in de film, huilend voor. ‘Want ik ben altijd bij je.’ En met al wie hij nog is probeert haar echtgenoot, die soms nauwelijks meer weet wie die vrouw in zijn huis is, haar te troosten. Hij voert ook hele gesprekken met zijn beste vriend: de oudere heer die hem vanuit de spiegel bekijkt.

Met impressies van zijn werk als journalist en televisiemaker en familievideo’s van hun gezamenlijke verleden roept Maite Alberdi tevens de man op die hij ooit was en het stel dat ze nog steeds proberen te zijn. Dat is pijnlijk, maar werkt ook vertroostend. Hoewel hij tegenwoordig een schim is van de charmante en onverschrokken journalist in beeld, heeft hun liefde ogenschijnlijk weinig aan kracht ingeboet.

Dat is tenminste de boodschap van deze ontroerende, met lekker weemoedige muziek aangeklede film, die zowel qua toon als inhoud aansluit bij persoonlijke dementiefilms zoals Liefsteling, Dick Johnson Is Dead en Wei. Intussen houdt Maite Alberdi de totale ontluistering nadrukkelijk buiten de deur.

To End All War: Oppenheimer & The Atomic Bomb

MSNBC

De tragiek van de man en zijn grootste verdienste is al vaak benadrukt. J. Robert Oppenheimer wilde de westerse beschaving redden en ontwierp vervolgens een wapen waarmee elke vorm van beschaving kon worden vernietigd. En de Amerikaanse wetenschapper, over wie regisseur Christopher Nolan onlangs de groots opgezette speelfilm Oppenheimer maakte, besefte dat zelf als geen ander. To End All War: Oppenheimer & The Atomic Bomb (87 min.) vormt het tastbare bewijs. ‘Nu ben ik de Dood geworden’, zegt hij daarin mistroostig. ‘De vernietiger van werelden.’

Door zijn reputatie als outsider en relatie met een overtuigde communiste, ex-vriendin Jean Tatlock, leek de natuurkundige Oppenheimer niet de meest voor de hand liggende kandidaat  om het nucleaire programma van de Verenigde Staten, The Manhattan Project, te gaan leiden en zo het gevaar van nazi-Duitsland te bezweren. ‘Hij had geen grote verdiensten op zijn naam staan’, stelt Gregg Herken, auteur van het boek Brotherhood Of The Bomb. ‘Een wetenschapper die Oppenheimer kende zei zelfs: hij kan niet eens een hotdogkraam runnen.’

En die man moest er dus voor zorgen dat de race tegen het Duitse bomproject, geleid door zijn concullega Werner Heisenberg, werd gewonnen. Vanuit Los Alamos, in de woestijn van New Mexico, zette Oppenheimer met zijn team alles op alles om Hitler voor te blijven. En toen de Duitsers begin 1945 geen bedreiging meer vormden voor de VS – zo betogen enkele historici in deze breed ingestoken, goed gedocumenteerde en subtiel met animaties aangeklede film van Christopher Cassel – werd er een andere vijand gezocht. Want De Bom moest uitgeprobeerd worden!

‘Hoe kon de wereld anders de kracht ervan ontdekken?’ stelt historicus Richard Rhodes (The Making Of The Atomic Bomb). Met dit afschrikwekkende nieuwe wapen hoopten ze bovendien het aantal Amerikaanse slachtoffers in de rest van de oorlog te kunnen beperken. ‘Mijn vader en moeder zijn veteranen uit de Tweede Wereldoorlog’, zegt tv-wetenschapper Bill Nye daarover. ‘Na vier jaar oorlog was er volgens mijn moeder echt niemand die zich afvroeg of het wel ethisch verantwoord was om een nucleair wapen te gebruiken.’ Alles was geoorloofd om de oorlog te verkorten.

‘We hebben meer dan twee miljard dollar geïnvesteerd in de grootste wetenschappelijke gok in de geschiedenis’, declameerde de Amerikaanse president Harry Truman triomfantelijk, nadat een Amerikaans vliegtuig op 6 augustus 1945 een atoombom had gedropt op de Japanse havenstad Hiroshima. ‘En we hebben gewonnen!’ ’t Was een gotspe! ‘Ik herinner me elke seconde,’ vertelt overlevende Hideko Tamura, die zelf de bom overleefde, maar haar halve familie verloor. ‘Ik heb me nog nooit zo hulpeloos gevoeld.’ Drie dagen later zou ook Nagasaki nog worden geslachtofferd.

Robert Oppenheimer werd het gezicht bij die beruchte paddenstoelenwolk. Een wereldwijde bekendheid, die werd gekweld door schuldgevoelens. ‘Hij had geen spijt van zijn rol en werk tijdens de oorlog’, vertelt zijn kleinzoon Charles Oppenheimer. ‘Maar vrijwel direct daarna begon hij al zijn aandacht te richten op het beheersen van de gevolgen ervan.’ En daarmee werd ‘de vader van de atoombom’, in de hoogtijdagen van het McCarthisme, zowaar het slachtoffer van een heksenjacht. De briljante wetenschapper eindigde zijn carrière als een tragische figuur.

The Pigeon Tunnel

Apple TV+

Als filmmaker deinst Errol Morris er nooit voor terug om sterke en gecompliceerde persoonlijkheden te portretteren. Of ‘t nu gaat om de omstreden Amerikaanse oorlogsministers Robert McNamara en Donald Rumsfeld, een extreemrechtse stokebrand zoals Steve Bannon of Fred A. Leuchter, de man die beroepsmatig executieapparatuur ontwerpt en in een ‘rapport’ ook de Holocaust nog even ontkent. Het resulteert steeds weer in messcherpe, gelaagde documentaires.

De hoofdpersoon van het intrigerende portret The Pigeon Tunnel (92 min.) – de Brit David Cornwell, alias spionage- en thrillerauteur John le Carré (1931-2020) – is er dus eens goed voor gaan zitten en heeft zichzelf op scherp gezet. Voor een gesprek op niveau tussen twee heren – een ingenieus schaakspel, een enkele keer zelfs een genadeloos steekspel – dat wordt vereeuwigd met talloze camera’s. Zodat Morris ‘t op onnavolgbare wijze kan framen. Letterlijk en figuurlijk.

Hij kleurt de conversatie bovendien in met een dwingende soundtrack en lardeert die met een slimme combinatie van gedramatiseerde gebeurtenissen uit Le Carré’s leven en fragmenten uit verfilmingen van bestsellers zoals The Spy Who Came In From The Cold, Tinker Tailor Soldier Spy en Smiley’s People. Totdat er een geheel eigen wereld is ontstaan, vol verraderlijke valkuilen, dubbele bodems en gelogen waarheden, waarin het weer heerlijk verdwalen is. Ook voor de interviewer.

‘Misschien is dit wel degelijk een verhoor, misschien houd ik mezelf voor de gek’, zegt Errol Morris onderweg (quasi-)vertwijfeld tegen de meester van de spionageroman, die hij, met diens instemming, een ‘verfijnde poëet van zelfhaat’ noemt en een vorm van de waarheid probeert te ontfutselen. De gedistingeerde oudere heer voor zijn camera riposteert echter in stijl: ‘Ik kan me niet voorstellen dat je bij een verhoor of interview voor een deel ook niet op zoek bent naar jezelf.’

En door… verder The Pigeon Tunnel in, een titel die is ontleend aan John le Carré’s autobiografie en meteen als metafoor fungeert voor het leven als een eindeloze gang naar die fractie van een seconde waarop je kop eraf gaat. Naar het moment nu, om precies te zijn, waarop de auteur privédetectives inhuurde om zijn eigen vader, de beroepsoplichter Ronnie Cornwell, te laten onderzoeken. De man die hem als jongetje, voorgoed, binnenleidde in een wereld van dubbelspel, dekmantels en ‘dupes’.

Met zijn kenmerkende humor, scherpzinnigheid en bravoure bouwt Morris zo een getrapte vertelling op over de schrijver die, net als de geheimagenten die hij tijdens zijn jaren bij de Britse inlichtingendiensten MI5 en MI6 leerde kennen, verslaafd is geraakt aan verraad. Cornwell/Le Carré durft Morris desondanks recht in de ogen aan te kijken als hij uiteindelijk, ook aan zichzelf, lijkt te bekennen dat hij leeft door te schrijven. Ik ben een kunstenaar, klinkt ’t bijna verontschuldigend.

The Look Of Silence

Final Cut For Real

Nadat de Indonesische regering in 1965 werd afgezet door het leger, volgde een genadeloze klopjacht op iedereen die werd verdacht van communistische sympathieën. Binnen een jaar bracht het militaire regime ruim een miljoen burgers om het leven. Genocide, zonder twijfel. De daders van deze zuiveringen zijn echter nooit berecht.

Een kleine halve eeuw later geeft regisseur Joshua Oppenheimer deze massamoordenaars de hoofdrol in de overdadig aangeklede documentaire The Act Of Killing (2012). De bejaarde mannen kruipen nog eenmaal in de rol van hun leven, spelen enthousiast hun eigen ‘heldendaden’ na en maken daarvan een in alle opzichten weerzinwekkend schouwspel. Trots delen ze ook enkele fijne kneepjes van het vak, over het zo effectief mogelijk martelen en afslachten van ‘communisten’.

Tegelijkertijd werkt Oppenheimer aan The Look Of Silence (96 min.), een film over dezelfde kwestie, uitgebracht in 2014, met een totaal andere toonzetting. Wat doet het met een samenleving als zulke plegers van misdaden tegen de menselijkheid nooit verantwoording afleggen voor hun daden? En wat betekent dit voor hun slachtoffers en de familieleden en nabestaanden daarvan? Zij worden in hun dagelijks leven en de media nog regelmatig geconfronteerd met deze beulen en hun ideeën.

Op school krijgen Indonesische kinderen bijvoorbeeld gewoon onderwezen dat die communisten ’t helemaal aan zichzelf te danken hadden. Ze waren wreed, geloofden niet in God en maakten zich schuldig aan allerlei gruwelijkheden. ‘Daarom moest de regering ze wel onderdrukken,’ vertelt de onderwijzer. Vind je het gek, wil de man maar zeggen, dat zij en hun kinderen en kleinkinderen nog altijd niet bij de overheid mogen werken of welkom zijn bij het leger of de politie? 

Joshua Oppenheimer volgt in deze bijzonder indringende film de rondreizende optometrist Adi Rukun. Twee jaar nadat zijn broer Ramli in 1966 werd afgeslacht, kwam hijzelf als een soort troostkind ter wereld. Adi spreekt landgenoten die nog altijd dagelijks gebukt gaan onder wat hen ooit is aangedaan of waaraan ze ternauwernood, althans fysiek, zijn ontsnapt. Hij kijkt verder naar Oppenheimers beelden van de beulen en confronteert hen vervolgens met hun inktzwarte verleden.

Dit resulteert in messcherpe confrontaties. Met de 72-jarige Inong bijvoorbeeld, leider van een plaatselijk doodseskader. Hij vindt nog altijd dat je slechte mensen in stukken mag hakken en zweert bij het drinken van het bloed van zijn slachtoffers. Of met M.Y. Basrun van Komando Aksi, de eenheid die Adi’s broer vermoordde. Als Adi dit aan hem voorhoudt, reageert Basrun met een niet mis te verstane vraag: ‘Willen de families van de slachtoffers dat er weer mensen worden vermoord?’

Zodra oudjes zoals hij kritisch worden bevraagd, verliezen ze hun onschuld en wordt de oude slang, krokodil of wezel in hen zichtbaar. En een man als M.Y. Basrun is nog altijd zeer gevaarlijk. Hij bezet lokaal al een kleine halve eeuw een belangrijke politieke functie. Adi’s queeste om de waarheid boven tafel te krijgen is dus niet zonder risico. ‘Neem een vlindermes mee’, spoort zijn moeder hem aan. ‘Of een knuppel, verstopt in een krant. Als iemand je aanvalt, sla hem dan op z’n achterhoofd.’

Het is exemplarisch voor een maatschappij waarin daders niet hoeven te boeten voor hun daden. Hun slachtoffers – of beter: eenieder die waarde hecht aan zijn bestaan en/of de waarheid – stappen noodgedwongen op kousenvoeten door het leven. Want zij weten, zoals Adi ’t treffend formuleert, echt wel wie de moordenaars zijn. The Look Of Silence is daarmee onlosmakelijk verbonden met The Act Of Killing en zeurt ook op een soortgelijke manier na, als een ongenadige stomp in de maag.

Samen vormen de films – waarop Joshua Oppenheimer vooralsnog geen andere films heeft laten volgen, al is er al enige tijd sprake van een musical – een essentieel tweeluik over hoe een grimmig verleden blijft voortwoekeren, zolang het niet afdoende wordt afgesloten.

The Devil On Trial

Netflix

‘Hallo’, zegt een sinistere stem. ‘Jullie gaan eraan.’

‘Wie en wat ben jij?’ antwoordt een vrouw angstig.

‘Gaat je niks aan.’

‘David?’ probeert zij nog eens.

Een onheilspellend gegrom.

‘Mama is er’, doet ze opnieuw een poging. ‘Ga maar staan. Kom, we gaan. Ga weg. Ga m’n zoon uit!’

‘Nééé!’ krijst David.

‘Ik ben je moeder.’

‘Je bent een sukkel.’

Waarna een demonisch gelach klinkt.

Als David Glatzel zelf, zijn broers Carl en Alan en hun zus Debbie en haar echtgenoot Arne ruim veertig jaar later de audio-opnamen terug horen die Davids ouders in augustus 1980 van hem hebben gemaakt, kijken ze toch even ongemakkelijk. Wat ging de elfjarige David tekeer tegen zijn moeder! Alsof hij, inderdaad, bezeten was door de Duivel. 

Ze weten allemaal hoe ’t verder ging: hun ouders schakelden het echtpaar Ed en Lorraine Warren in. Hij noemde zichzelf demonoloog, zij stond bekend als medium. En samen joegen zij op spoken en geesten. Die ze dan ook weer netjes uitdreven. Nou ja, netjes… Exorcisme is geen klus voor tere zieltjes. Een demon laat zich alleen met veel gedoe en geschreeuw verjagen.

Ed en Lorraine hadden hun zaakjes echter netjes voor elkaar. Binnen korte tijd bevrijdden ze, als zelfbenoemde ‘paranormale politie’, die arme David uit de wurggreep van de één of andere Duivel. Toen maakte de daarbij aanwezig Arne Cheyenne Johnson, Debbie’s aanstaande echtgenoot, alleen een cruciale fout: hij daagde ‘het beest’ uit.

Een jaar later zou de ‘demonische bezetenheid’ van David Glatzel, via een kleine omweg, tot een veelbesproken rechtszaak over een onfortuinlijke moord leiden: The Devil On Trial (91 min.). Waarbij Martin Minnella, de advocaat van de verdachte, z’n toevlucht nam tot een wel heel opmerkelijke verdedigingsstrategie: The devil made me do it.

Ideaal verhaal, moet regisseur Chris Holt hebben gedacht, waarbij ik voor de gereconstrueerde scènes in deze documentaire alle denkbare goedkope horroreffecten voor de dag kan halen. Voor alle filmfans die The Exorcist of The Conjuring, gebaseerd overigens op een boek van de Warrens, nog niet hebben gezien of er gewoon nooit genoeg van krijgen.

Voor alle anderen vormt al die griezelarij – of zeg maar gewoon: kletskoek – wel een serieuze barrière naar het slot van de film, waarin de gebeurtenissen in de Glatzel-familie van een andere, uiteindelijk veel aannemelijkere verklaring worden voorzien. Het kwaad is dan alleen al geschied: ook The Devil On Trial is z’n geloofwaardigheid een heel eind verloren.

Terwijl de documentaire toch ook is gesitueerd in een wereld, met name in de Verenigde Staten, waarin de Duivel daadwerkelijk een kracht is om te vrezen en te bestrijden – en om een aardige boterham mee te verdienen, dat ook. De Satanic Panic van de jaren tachtig en negentig, onlangs nog vervat in de docu Satan Wants You, is daar beslist niet los van te zien.

En daar, in de exploitatie van die redeloze angst, vanuit ideologische dan wel commerciële motieven, was voor Chris Holt meer te halen geweest dan in het uitdrijven van al dan niet ingebeelde duivels.

The Longest Goodbye

Madman / Autlook

De techneuten van NASA willen er in eerste instantie niet over nadenken. En de astronauten moeten eigenlijk ook niets van hebben van psychologische onderzoeken. Als de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie echter daadwerkelijk bemenste missies naar Mars wil gaan uitvoeren, dan zullen die mensen toch echt uitgebreid moeten worden getest. Want wie vuur je anders de ruimte in? En (hoe) houden die ‘t samen vol?

Het is de taak van de ervaren NASA-psycholoog Al Holland en zijn multidisciplinaire team om astronauten in spe te screenen. Wie kan er daadwerkelijk een lange tijd zonder zijn familie? Wie houdt zich op een positieve manier staande binnen een klein team? Wie kan er omgaan met de immense druk? En wie heeft er nooit genoeg van om vrijwel permanent te worden gefilmd? Want, ja, Big Brother is watching you in space.

In The Longest Goodbye (87 min.) focust filmmaker Ido Mizrahy zich nu eens niet op het technische vernuft en de grootse ambities van de moderne ruimtevaart, maar op de zwakste schakel ervan: de mens. Hoe voorkom je dat die zich als Lord Of The Flies gaat gedragen in een 1984-achtige wereld? Hoe bereid je mensen voor op zo’n megalomaan avontuur? En hoe kun je min of meer garanderen dat ze ook weer gezond terugkeren?

Cady Coleman verbleef in 2007 bijvoorbeeld een half jaar in een ruimtestation. ‘Toen de raket opsteeg in de lucht, voelde ik me naar de grond gedrukt’, vertelt haar destijds tienjarige zoon Jamey. ‘Op dat moment realiseerde ik me dat mijn moeder echt weg was en zich niet meer op onze planeet bevond.’ In de navolgende maanden maakten ze samen muziek, deden een spelletje en probeerden een normaal ouder-kind contact te onderhouden.

Dat ging echter bepaald niet vanzelf. En op de vlucht naar Mars kan er zelfs helemaal geen real time-communicatie plaatsvinden. Kan virtual reality dan uitkomst bieden? vraagt Hollands team zich af. Hoe zou een avatar ’t doen als partner? Kan Artificial intelligence hier sowieso een rol in spelen? Of moeten de astronauten juist in een medisch coma worden gebracht? En kun je deze ervaringen simuleren, zodat iedereen straks min of meer weet waar ie aan begint?

Want isolatie, daar is iedereen ’t wel over eens in deze straffe, uitdagende film, blijft een ‘motherfucker’. De astronaute Kayla Barron is onderdeel van het zogenaamde Artemis Project en komt wellicht dus ooit in aanmerking voor een mogelijke Mars-missie. Maar kan zij zich er werkelijk op voorbereiden om het leven op aarde – en haar echtgenoot Tom en, wie weet, één of meerdere kinderen – voor maar liefst drie hele jaren achter zich te laten?

Die raket zal ooit Mars wel halen en dan vast ook veilig terugkeren naar aarde, zoveel is duidelijk, maar wat voor mensen brengt ie dan mee? En zijn er nog achterblijvers om hen te verwelkomen?