Life According To Sam

HBO

Hij oogt als een hoogbejaard kind. Sam Berns heeft Progeria, een aandoening waardoor hij vroegtijdig veroudert. In de hele wereld zijn er zo’n 250 kinderen met Progeria. Er bestaat geen remedie. De meeste van hen worden niet ouder dan dertien of veertien. Dan vallen ze ten prooi aan ouderdomskwalen of een hartinfarct.

Sam uit Foxborough, Massachusetts, is inmiddels dertien. Zijn ouders, Leslie Gordon en Scott Berns, zijn allebei arts en runnen hun eigen stichting, The Progeria Research Foundation. Ze hebben inmiddels het gen ontdekt dat Progeria veroorzaakt en het medicijn Lonafarnib gevonden, dat ze willen gaan uittesten op een kleine dertig kinderen uit zestien verschillende landen. De tijd dringt. Ze hopen dat hun kind nog de vruchten van hun inspanningen kan plukken.

Dat is de startpositie voor Life According To Sam (94 min.), waarin het echtpaar Sean Fine en Andrea Nix Fine zes kinderen en hun ouders volgt. Vanuit India, Canada, Italië, Pakistan en de Verenigde Staten participeren zij in het wetenschappelijke onderzoek van Sams ouders. Ze variëren in leeftijd van zes tot en met achttien jaar oud en hopen stuk voor stuk, waarschijnlijk tegen beter weten in, dat ze die dodelijke ziekte achter zich kunnen laten.

Intussen zoomen de Fines ook in op de gedreven Leslie en Scott, hun zoon en de race tegen de klok waarin zij al sinds zijn geboorte zijn verwikkeld. ‘Ik ga heel anders met de dood om dan de meeste andere mensen’, zegt Sam in deze documentaire uit 2013. Hij is in de voorgaande jaren al de nodige vriendjes kwijtgeraakt. ‘Kinderen met Progeria kunnen het gevecht soms niet winnen en komen te overlijden. Daaraan probeer ik niet al te veel te denken.’

Sam is natuurlijk meer dan zijn aandoening. Een gelauwerde leerling, om maar eens wat te noemen. Toch wordt zijn leven wel degelijk gedomineerd door Progeria. Het is bijvoorbeeld mooi en wrang tegelijk om te zien hoe de jongen als een soort eregast wordt ontvangen bij een optreden van zijn favoriete groep, The Dave Matthews Band. Vader Scott, zelf ook fan, zou echter graag afzien van deze voorkeursbehandeling, bekent hij, als dat zou betekenen dat Sam gezond en gewoon kind kon zijn.

In werkelijkheid is de familie Berns, dat maakt deze aangrijpende documentaire heel tastbaar, veroordeeld tot leven met een zandloper die zienderogen door zijn korrels heen begint te raken. En tot de hoop, die je als ouder nu eenmaal nooit mag laten varen, dat er toch nog op tijd een remedie wordt gevonden.

Hoe het Sam Berns en zijn ouders ná Life According To Sam is vergaan, is hier te lezen.

Val

‘Soms voel ik me echt beroerd en heb ik er ontzettend de blues over dat ik het land rond moet reizen’, geeft Val Kilmer halverwege de documentaire Val (109 min.) toe, als hij in Texas is neergestreken voor een publieke vertoning van de bijna dertig jaar oude film Tombstone. ‘Ik zie er niet geweldig uit. In wezen verkoop ik mijn oude zelf, mijn oude carrière. Voor veel mensen is praten over oude films en foto’s verkopen van toen je Batman of The Terminator was zo’n beetje het laagste wat je kunt doen.’ Hij denkt er nog eens over na: ‘Uiteindelijk voel ik me toch eerder dankbaar dan vernederd.’

De stem van de inmiddels 61-jarige Amerikaanse acteur (Top GunBatman Forever en Heat) klinkt robotachtig, het gevolg van keelkanker en de bijbehorende behandeling. Hij maakt daarom noodgedwongen gebruik van een elektrolarynx, een elektronisch spreekapparaat. Als Kilmer zijn levensverhaal vertelt in deze smeuïge autobiografie – samengesteld uit een fikse collectie homevideo’s, auditietapes, speelfilmfragmenten, b-roll beelden, kunstwerken en actuele scènes met z’n ex-vrouw en kinderen – is het in werkelijkheid zijn zoon Jack die de voice-overs voor zijn rekening neemt en de vertelling structureert.

Waar houdt de rol op en begint de acteur af? vraagt ‘Val Kilmer’ zich af. Terugblikkend constateert hij dat hij zichzelf even vaak heeft gevonden als is kwijtgeraakt in een rol. Kilmer was altijd op zoek naar de essentie van zijn werk. Of gewoon een ontzettende lastpost. Daarvan maakt hij in deze persoonlijke film van Leo Scott en Ting Poo ook geen geheim. Hij ging vér voor zijn werk, misschien wel té ver. Dat wordt prachtig zichtbaar in de flink opgetuigde audities die hij deed voor films van Stanley Kubrick en Martin Scorsese. Kilmer gaat ‘all-in’ en reist vervolgens desnoods naar de andere kant van de wereld om zijn pitch kracht bij te zetten.

Beide keren vist hij achter het net. Bij Oliver Stone is het wel raak: met een videocassette waarin hij de songs van The Doors hoogstpersoonlijk zingt, scoort Kilmer de hoofdrol in een film over de beruchte rockband. Als ‘Jim Morrison’ zal hij vervolgens dik een jaar zijn jonge gezin terroriseren. Hoe irritant hij op de filmset kan zijn wordt duidelijk als hij tijdens de geplaagde opnames voor The Island Of Dr. Moreau, stiekem filmend met zijn eigen cameraatje, regisseur John Frankenheimer onder druk zet. De film waarvoor hij eindelijk mag werken met zijn grote held Marlon Brando wordt een fiasco. Val Kilmer heeft zijn reputatie (‘moeilijk om mee te werken’) niet voor niets.

Dat leven ligt ogenschijnlijk achter hem. Sinds hij enkele jaren geleden, tijdens een tournee met een door hem persoonlijk geschreven theaterstuk over Mark Twain, keelproblemen kreeg. Val Kilmer oogt nu oud, afgetakeld zelfs. Een man met aanmerkelijk minder toekomst dan verleden – dat bovendien een echt familiedrama bevat. Toch is dat niet het beeld dat overheerst na dit rake, enerverende (zelf)portret: hier zit een rasacteur die heeft geleefd in zijn films en die voorlopig ook nog wil blijven leven, liefst op een podium of het witte doek.

Life In A Day 2020

YouTube

324.000 video’s uit 192 landen. Allemaal gefilmd op één en dezelfde dag: 25 juli 2020. Op de kop af tien jaar en één dag na 24 juli 2010, het etmaal dat werd vereeuwigd in de eerste Life In A Day-documentaire. En nu is er dus weer zo’n momentopname: Life In A Day 2020 (86 min.), vastgelegd door talloze aardbewoners, samengesteld door filmmaker Kevin Macdonald en mede mogelijk gemaakt door zijn vermaarde collega Ridley Scott.

Dit is zo’n film die in een kluis kan worden opgeborgen, om daar te wachten op toekomstige generaties die het zich nauwelijks meer kunnen voorstellen hoe het was om te leven in 2020, het jaar dat COVID-19 de wereld in zijn greep kreeg. Want het virus steekt steeds weer de kop op in deze hartveroverende weerslag van een collectieve ervaring: mens zijn aan het begin van de 21e eeuw.

Zo laat een moeder beelden zien van hoe ze met haar zoon in de originele film uit 2010 figureerde. Ze probeert de tiener daarin uit bed te krijgen en spoort hem aan om zijn kamer op te ruimen. ‘Dat was mijn zoon tien jaar geleden’, zegt ze. Ze zet de video stil. ‘En hier is mijn zoon nu.’ De vrouw richt haar camera op een urn, midden in de woonkamer. ‘Hij is voor altijd hier, in ons huis.’ Alex is ten prooi gevallen aan het Coronavirus.

Toch is Life In A Day 2020 beslist niet alleen een COVID-document. Het gewone leven gaat immers door. De liefde bijvoorbeeld. In de hele wereld wordt gezoend, de liefde verklaard, een huwelijksaanzoek gedaan (en afgewezen), gevreeën en uit elkaar gegaan. Allemaal voor de camera. Want ook dat is 2020: alles en iedereen filmt of laat zich filmen en is zich daar ook maar al te goed bewust van.

Hoewel deze caleidoscopische docu geen echte hoofdpersonen kent en thematisch is opgebouwd – via afwisselend vrolijke, wonderschone en aangrijpende sequenties – keert een enkeling wel meerdere malen terug in de film. De gedreven treinenspotter die een challenge is aangegaan bijvoorbeeld. Het stel dat dolgraag kinderen wil. Of een Amerikaanse man die noodgedwongen vanuit zijn auto is gaan leven.

Zij worden evenwel nooit meer dan toevallige passanten, vertegenwoordigers van een mensheid die hier, ondanks alles wat er op deze hele gewone julidag misschien tegenzat, een enorme joie de vivre uitstraalt. Life In A Day 2020 werkt zo (on)bedoeld als hart onder de riem en geeft in deze onwerkelijke tijden een zeker vertrouwen voor de komende tien jaar, als ongetwijfeld Life In A Day 2030 op stapel staat.

AC/DC: Let There Be Rock

Nee, dit is geen poging om het raadsel van AC/DC te doorgronden, de Australische rockband die nu al een halve eeuw immens populair is en zojuist weer een nieuwe variant op steeds hetzelfde album (ditmaal Power Up genaamd) heeft uitgebracht.

Geen profiel ook van de familie Young. Van stergitarist Angus en de schromelijk onderschatte riffmeister Malcolm, hun oudere broer en producer George en neefje Stevie (die de gitaar in 2014 heeft overgenomen van Malcolm, toen die begon te dementeren).

Geen onderzoek naar de dood van hun eerste zanger Bon Scott in 1980, een zorgvuldige ontleding van diens liederlijke 33-jarige bestaan of een eerbetoon aan zijn onverwoestbare ‘vervanger’ Brian Johnson, nu al veertig jaar de frontman van de groep. 

Geen doodgewoon carrière-overzicht met alle nog levende bandleden (onder wie de onlangs weer teruggekeerde drummer Phil Rudd, die al z’n problemen met de wet achter zich hoopt te laten), producers, managers, pophotemetoten en de verplichte bekende fans.

En zelfs geen volwaardige tourfilm, waarin de band eindeloos in een aftands busje van stad naar stad reist, in Nowhereville elke pan van het dak speelt en zich daarna overgeeft aan alle excessen die we tegenwoordig associëren met rock & roll.

Natuurlijk, AC/DC: Let There Be Rock (98 min.), een film van Eric Dionysius en Eric Mistler uit 1980, bevat korte intermezzo’s, zoals een race tussen de snelle bolide van drummer Phil Rudd en een vliegtuig met bassist Cliff Williams aan boord op een besneeuwd grasveld, Bon Scott die met de gebruikelijke bravoure poseert op een bevroren meertje en een in zijn eentje voetballende Malcolm Young met een tamelijk tragische fles bier in de hand. En, oh ja, zijn jongere broer tekent verdienstelijk.

Er zijn ook nog wat totaal nietszeggende kleedkamerinterviewtjes tussen geplempt. Waarin de bandleden, gewone jongens zonder uitgebreide filosofie of doordacht verhaal, de interviewer met een kluitje in het riet sturen en zijn ongemakkelijke vragen over Angus in zijn schoolkostuum, vrouwen, seks, zuipen en, jawel, de Derde Wereldoorlog van een beleefd antwoord voorzien.

Het heeft allemaal verdacht weinig om het lijf. Net als Angus Young trouwens, nadat hij op 9 december 1979 in Pavillon de Paris zijn welbekende striptease heeft uitgevoerd en van een schooljongen is veranderd in een volwassen vent – van anderhalve meter, dat wel – die héél even zijn achterwerk heeft laten zien. Ze kunnen allemaal zijn, pardon my French, reet kussen. Zoals vrijwel alle andere rockgitaristen tegelijkertijd zijn schoenveters nog niet mogen strikken. Behalve Malcolm dan.

Dit is eerst en vooral een harde, zweterige, theatrale, grappige en buitengewoon opwindende momentopname van één van de allerbeste rockbands die deze aardkloot ooit heeft mogen aanschouwen. Vanaf het podium, waarop ze gezamenlijk excelleren. Met Bon als de ultieme cocky frontman, een glorieus rockende én rollende ritmetandem en twee continu oerriffs en extatische solo’s opboerende meestergitaristen (waarvan de jongste tussendoor even aan de zuurstoffles moet). Als een bulldozer in overdrive met een onvervalste ‘no one gets out alive’-mentaliteit denderen ze over alles en iedereen heen.

Let There Be Rock, juist.

AC/DC: Let There Be Rock is hier te bekijken.

Love Fraud

Showtime

Een vastgoedman met zijn eigen bedrijf. Piloot bovendien. En katholiek, diep christelijk. Zo’n kerel swipe je op Tinder natuurlijk naar rechts. Zeker als je zelf toch al in de veertig bent en een nieuwe start wilt maken. Hij swipete gelukkig ook naar rechts.

Niet veel later zat Tracy bij Mickey op de motor. De motor waarop, zo bleek later, ook Ellen had gezeten. En Sabrina. ‘God is mijn getuige dat ik zielsveel van je hou’, had hij zelfs ingesproken op Sabrina’s voicemail. Het was niet gemakkelijk om dat voor de camera terug te luisteren. Haar gezicht, en dat van de anderen, spreekt boekdelen. Want hoe zat het dan met Jean? Sandy? Candi? Caroline? Carrie? Lisa? Angela? Christine? En er scheen zelfs een Vanessa in de picture te zijn geweest.

Enfin, Mickey hield er een levendig relationeel bestaan op na, zullen we maar zeggen. Alhoewel Mickey? Scott zul je bedoelen. Of Rick. Hij was trouwens ook professioneel waterskiër, kok of karateka, begreep Tracy. Al naar gelang de behoefte van de op te vrijen dame, die vervolgens werd bedolven onder liefdesverklaringen. Een onvervalste Love Fraud (200 min.), juist. Echte naam: Richard Scott Smith. En, voordat je het goed en wel doorhad, was ie alweer verdwenen. Met alles wat je had, natuurlijk.

En dus roep je, samen met lotgenoten, de hulp in van premiejager Carla, een lekker doorrookte tante die de charlatan moet traceren. En ook de filmmakers Heidi Ewing en Rachel Grady beginnen zich actief met de zoektocht te bemoeien in deze ingenieuze variant op Netflix’s kijkcijferhit van eind vorige jaar, Don’t F##k With Cats: Hunting An Internet Killer, die qua setting, ‘white trash America’, ook wel wat weg heeft van die andere bingeserie Tiger King: Murder, Mayhem And Madness.

Die jacht, op een charlatan die ogenschijnlijk routineus slachtoffers maakt, leidt naar Krab Kingz Seafood in Wichita, Kansas, waar Chris/Scott/Mickey lijkt te zijn neergestreken met ene Karla, die net op stel en sprong haar echtgenoot Jim in de steek heeft gelaten. De vogel is alleen alweer gevlogen voordat je kunt toeslaan. En zo gaat het steeds in deze ravissant vormgegeven miniserie, met verborgen camerabeelden, een lekker op de zenuwen werkende soundtrack en ronduit betoverende animaties.

Terwijl jij en die andere bedrogen vrouwen, lekkere larger than life-personages ook, blijven zinnen op wraak, brengen Ewing en Grady, die eerder al verantwoordelijk waren voor docuklassiekers als Jesus Camp en One Of Us, Love Fraud glorieus aan de kook, naar een peil dat voor slechts weinig true crime-documentaires is weggelegd. Met een enigmatische bad guy, een man die zielsveel van jou hield, van jou alleen, en die tijdens de zinderende apotheose toch nog het achterste van zijn tong wil laten zien. Althans, dat belooft hij plechtig.

Richard Scott Smith zegt ook: ‘I’ll do anything to be somebody’s everything. That’s truly what I want. You just gotta trust me.’

Dirty Money

Netflix

Ze balanceren voortdurend op het slappe koord tussen gewiekste bedrijfsvoering en pure oplichting, de hoofdpersonen van de zesdelige documentaireserie Dirty Money (376 min.). Zolang ze niet worden betrapt – of door de mazen van de wet kunnen glippen – lijkt alles, werkelijk alles, geoorloofd.

En daarmee belanden ze op het vizier van documentairemaker Alex Gibney, die eerder financiële malversaties bij de energiegigant Enron, het pyramidespel van Jack Abramoff en wanpraktijken op Wall Street onder de loep nam. Onder zijn bezielende leiding buigen enkele gerenommeerde regisseurs zich nu over een eigen schandaal in zes, los van elkaar te bekijken afleveringen.

In deel één hard NOx (75 min.) rekent Gibney zelf af met Volkswagen, dat doelbewust sjoemelsoftware inbouwde in zijn dieselauto’s, zodat de werkelijke uitstoot van kwalijke gassen (en Gibney legt daarbij rücksichtslos de link naar een zekere Duitse leider, die ooit mede aan de wieg van het bedrijf stond en ook gedurig wordt geassocieerd met gas) werd versluierd. En als er dan ook nog levende apen blijken te zijn gebruikt om die uitlaatgassen te testen…

In andere afleveringen neemt Dirty Money bijvoorbeeld  de Amerikaanse medicijnenfabrikant Valeant, die de prijzen van cruciale pillen talloze malen over de kop liet gaan om zo de eigen financiële huishouding min of meer op orde te houden, en het bankconcern HSBC, dat zonder enige scrupules enorme geldbedragen aannam van Mexicaanse drugskartels, op de korrel. Als brave burger zie je het afwisselend met open mond, gebalde vuist of steen in de maag aan.

Mijn favoriet? Aflevering 2, Payday (68 min.), van Erin Lee Carr (die ook één van de spannendste films van 2017 maakte: de bizarre true crime-klapper Mommy Dead And Dearest). Zij volgt Scott Tucker tijdens de voorbereidingen op een grote rechtszaak. Deze Amerikaanse Dirk Scheringa werd schathemeltjerijk van zogenaamde flitsleningen en maakte met dat geld vervolgens goede sier met een eigen autoraceteam. De man blijft consequent de vermoorde onschuld spelen terwijl intussen zijn schandelijke modus operandi uit de doeken wordt gedaan.

Elke vorm van schaamte, of zelfs maar de meest basale vorm van zelfreflectie, lijkt te ontbreken bij de linkmiegels die worden geportretteerd in Dirty Money. Één man mag daarom niet ontbreken tussen al die hele en halve witte boordencriminelen: de huidige Amerikaanse president, die tijdens zijn lange carrière als Con(fidence) Man ook – het zal niemand verbazen – de nodige dubieuze deals heeft gesloten. Aan hem, de zelfverklaarde dealmaker, is de laatste aflevering gewijd.