Aaron Carter: The Little Prince Of Pop

ABC News

In de slipstream van zijn oudere broer Nick, één van de blikvangers van de immens populaire Amerikaanse boyband The Backstreet Boys, wordt ook Aaron Carter een beroemdheid. Hij mag als negenjarig joch mee op tournee met de groep van zijn broer. In 2000 scoort hij als aaibaar kindsterretje de ene na de andere hit en staat daarmee model voor een nieuw soort tieneridool, waaronder ook Justin Bieber en Shawn Mendes kunnen worden gerekend.

Carter doet denken aan de ‘King Of Pop’ Michael Jackson. Die dubt hem hoogstpersoonlijk Aaron Carter: The Little Prince Of Pop (56 min.). ‘Hoe is het om als twaalfjarige groupies te hebben?’ vraagt een televisiepresentatrice vervolgens met droge ogen aan het blonde jongetje, dat opvallend nuchter reageert. ‘Dat zijn geen groupies, dat zijn gewoon fans.’ Vanaf dat moment kan het, tragisch genoeg, alleen maar bergafwaarts gaan voor de zanger die nooit zo populair zal worden als zijn broer Nick, met wie hij bovendien ernstig gebrouilleerd raakt.

Want net als Jackson en allerlei andere Hollywood-kinderen moet Carter, gestimuleerd door overambitieuze ouders, veel te jong volwassen worden en betaalt hij daar de rest van zijn leven, dat uiteindelijk maar 34 jaar zal duren en bijzonder tragisch eindigt, de tol voor. De getroebleerde en ernstige verslaafde man die zijn carrière heeft proberen te reanimeren via de realityshow House Of Carters, Dancing With The Stars en de therapeutische talkshow The Doctors lijkt dan in niets meer op het guitige kindsterretje dat ooit de wereld leek te gaan veroveren.

Deze tv-docu zoekt ondertussen het braakliggende terrein op tussen Showbiz Kids (20209, waarin documentairemaker en voormalige kinderster Alex Winter spreekt met lotgenoten, en The Boy Band Con: The Lou Pearlman Story (2019), waarin de voormalige manager van The Backstreet Boys en *NSYNC wordt geportretteerd en Aaron Carter zelf ook nog aan het woord komt. Pearlman maakte zijn jongens wereldberoemd en zoog hen vervolgens helemaal leeg. Toen hun populariteit terugliep, werden ze keihard geconfronteerd met zichzelf.

AJ McLean, één van de Backstreet Boys, weet hoe dat voelt. Hij kampt eveneens met ernstige verslavingsproblematiek en kan het tragische verhaal van Aaron, die hij al sinds diens kleutertijd kent, verder inkaderen. ‘Een prachtige tragedie’, noemt hij diens leven. Omdat naast de tristesse, heel begrijpelijk overigens, ook de vreugdevolle tijden moeten worden benoemd. Carters verloofde Melanie Martin, zijn beste vriend Taylor Helgeson en een (blijkbaar) onvermijdelijk gezelschap van journalisten, (tv-)therapeuten en deskundigen doen ook een duit in het zakje.

Wat beklijft is echter Aaron Carters screentest voor de sitcom Group, die slechts één maand voor zijn dood op 5 november 2022 werd opgenomen. In beeld zit een menselijk wrak, dat zich in zijn rol en tussen de opnames door nog behoorlijk staande houden, maar de camera uiteindelijk niet kan bedriegen: gewonde ogen, ingevallen gezicht, overwoekerd door (gezichts)tatoeages. De man die als jongetje de wereld aan zijn voeten had liggen, als tiener een relatie zou hebben gehad met zowel Hillary Duff als Lindsay Logan en als dertiger vooral ‘voorheen Aaron Carter’ is geworden.

Ed Sheeran: The Sum Of It All

Disney+

Waarom Ed Sheeran en zijn echtgenote Cherry zoveel van zichzelf en hun privéleven laten zien voor de camera? Daarvoor hebben ze volgens eigen zeggen een goede reden, die tegen het einde van de eerste aflevering van de vierdelige serie Ed Sheeran: The Sum Of It All (129 min.) wordt onthuld. ‘Anders zou ik hiermee nooit akkoord zijn gegaan’, benadrukt Cherry nog maar eens. Die reden zou inderdaad een goede motivatie kunnen zijn om alles te vast te leggen, maar of ‘t dan ook meteen logisch is om dit met de hele wereld te delen? En zouden Ed en Cherry zónder de camera ook zijn gaan actionpainten, de activiteit die het verhaal achter deze reden lijkt los te wrikken?

Waar Sheeran ook gaat, er is een camera, zo lijkt het. En dat resulteert in allerlei leuke scènes. Als de Britse singer-songwriter tijdens de Oktoberfesten in Frankfurt bijvoorbeeld spontaan aanbiedt om zelf, met een ondeugende glimlach en natuurlijk in Lederhosen, ook een liedje te spelen. Als de gearriveerde ster ouderwets op straat gaat spelen in Ipswich en naderhand een willekeurig tienjarig jongetje uit het publiek zijn gitaar en versterker in de handen drukt (zodat hij, net als de Ed van elf ooit, zichzelf kan leren spelen). En als hij, toch nog dat rossige joch, met zijn jeugdheld Eminem mag optreden tijdens de introductie van de rapper in de Rock & Roll Hall Of Fame.

Regisseur David Soutar toont verder allerlei geinige filmpjes uit Sheerans (muzikale) verleden en puike concertimpressies, geeft Ed en Cherry vrijelijk het woord en is er natuurlijk ook bij als er nieuwe songs worden geschreven, opgenomen en uitgevoerd, waarvoor dan ook nog videoclips moeten worden geschoten. Intussen sluipt er drama in het leven van de populaire zanger, dat zo lang op rolletjes leek te lopen. Begin 2022 overlijdt plotseling zijn vriend Jamal Edwards, de man die mede aan de basis stond van Sheerans doorbraak. En deze tragische gebeurtenis vindt natuurlijk ook weer z’n weg naar diens muziek, de nieuwe langspeler Subtract om precies te zijn.

Dat album wordt zowat tegelijkertijd uitgebracht met deze miniserie, die daardoor toch weer het karakter krijgt van een bijsluiter. Zodat Eds (potentiële) publiek zijn nieuwe muziek op waarde weet te schatten. Daarbij blijft het dan wel de vraag of hier een geretoucheerde versie van Sheerans werkelijkheid wordt gepresenteerd. Zou hij bijvoorbeeld echt alleen verdrietig zijn geweest om Edwards’ dood? Of misschien ook een héél klein beetje kwaad? Geen spoor daarvan in The Sum Of It All. Dat zou de emotionele boodschap van wat hij wil zeggen alleen maar vertroebelen. Zoals de afwikkeling van de kwestie die alle ‘openheid’ veroorzaakte zich ook wel laat voorspellen.

Het past allemaal in de manier waarop Ed Sheeran ‘leeft’ voor de kunst – en zich niet schaamt voor het vermarkten daarvan.

Whores’ Glory

Kino Lorber

Ze bidden voor een goede dag. Lopen taakbewust naar binnen. Klokken daar in met een heuse prikkaart. Vrezen voor slappe business. Worden desondanks helemaal mooi gemaakt. Nemen daarna plaats in een soort vitrine. Krijgen net als alle andere poppetjes een nummer. Laten zich als exclusieve waar monsteren. Lachen intussen verleidelijk naar potentiële klanten. Worden enthousiast aangeprezen en ‘all-incusive’ aangeboden. Horen vervolgens hoe hun nummer officieel wordt omgeroepen. En stappen, nadat er bij een officiële kassier is afgerekend, met een gelukkige consument de lift in. Onderweg naar (maximaal twee uur) dagelijkse arbeid – of, voor de betaler, even heerlijk ontspannen.

‘Ik beloof je prachtige lichamen en goede service’, heeft een bedrijfsleider van The Fishtank in Bangkok die klant nog toegeroepen. Het eerste deel van het drieluik Whores’ Glory (119 min.) krijgt daarmee een onwerkelijk karakter. De wereld die doorgaans in de schemering blijft wordt hier vol in het licht gezet. Zonder schaamte presenteren de prostituees, hun pooiers en de hoerenlopers zich. Alsof het regulier werk is. Ómdat het regulier werk is – of daar tenminste verdacht veel op lijkt. En om het verhaal helemaal af te maken spenderen sommige meisjes (al) hun geld dan weer aan ‘barjongens’, die in een club op hen zitten te wachten en daar weer hun brood mee verdienen. Het lijkt een soort circulaire sekseconomie.

Vergeleken met het welhaast glamoureuze lopende bandwerk in Thailand gaat het er bij The City Of Joy in Bangladesh, de tweede pleisterplaats van deze film over het oudste beroep ter wereld van de Oostenrijkse documentairemaker Michael Glawogger, tamelijk ambachtelijk aan toe. De vrouwen zijn minder opgedirkt, ontvangen hun cliënten op een kamertje van een rudimentair bordeel en worden aangestuurd door een madam die zelf ook uit het vak komt en flink van leer kan trekken. Sommige van de werkende vrouwen zijn in werkelijkheid gewoon meisjes. Héél jonge meisjes. Véél te jonge meisjes zelfs. Die gewoon verhandeld worden. Soms zelfs door hun eigen moeder. Alleen aan orale seks doen ze niet. Dat is tegen hun geloof.

De meeste klanten lijken zich niettemin helemaal niet te schamen voor hun ‘hobby’. Terwijl hij een klant knipt, vertelt een jonge kapper bijvoorbeeld trots dat hij zeker één of twee keer per dag naar de dames van plezier gaat. ‘Zonder de rosse buurt van Faridpur zouden vrouwen niet op straat kunnen komen, zonder dat ze worden lastiggevallen’, zegt hij. ‘Mannen zouden zo geil zijn dat ze hen gewoon zouden verkrachten. Zonder die meisjes zouden ze zich vergrijpen aan koeien en geiten.’ In het bordeel zijn desondanks genoeg deerniswekkende taferelen op te tekenen. ‘Waarom moeten vrouwen zoveel lijden?’ vraagt één van de meiden zich bijvoorbeeld wanhopig af. ‘Is er echt geen andere manier voor ons?’

Voor het nóg grimmigere derde deel van deze bijna twee uur klokkende afdaling in de krochten van de seksindustrie, die wordt aangedreven door een indie-soundtrack met songs van onder andere PJ Harvey en CocoRosie, neemt Glawogger de wijk naar La Zona in het Mexicaanse grensstadje Reynosa, waar auto’s met potentiële klanten af en aan rijden om de markt te verkennen: schaars geklede vrouwen, die voor een luttel bedrag ieders stoutste dromen waarmaken. Levend in het hellehol tussen sekswerk, crack en – ook hier – God. ‘Ze hebben schrik voor die grote paal van mij’, pocht een man die roepend en wuivend rondrijdt in zijn auto. Morgen gaat hij helemaal los, zegt hij. Tegen de camera en tegen zichzelf, zo lijkt het.

Waarna deze somber stemmende film uit 2011, onderdeel van Michael Glawoggers World Of Work-trilogie, aanstuurt op een 18+-scène die werkelijk anti-sexy oogt en geen enkele opwinding te weeg brengt. Alleen ongemak, walging zelfs. En de vraag of dit wel in beeld moest – en of het misschien geënsceneerd is. Whores’ Glory is dan allang een deprimerende ervaring geworden, een kouwe film die in je botten gaat zitten. Over een liefdeloze wereld, boordevol werktuiglijke seks. En dat lijkt ook precies Glawoggers bedoeling.

Praying For Armageddon

UpNorth Film

‘Nooit eerder in de geschiedenis van de wereld hebben alle spelers zich op het toneel gemeld’, houdt televisiedominee John Hagee van Cornerstone Church zijn gehoor voor. ‘Iran, Rusland, China, Europa, Amerika… Alles is helemaal perfect. Het eindgevecht om wereldheerschappij zal de moeder aller oorlogen worden. Armageddon.’

En om dat laatste gaat het de oprichter van de belangengroep Christians United For Israel (CUFI), een organisatie die maar liefst tien miljoen leden heeft en zo’n honderd miljoen evangelische Amerikanen, dertig procent van het totale electoraat, tot zijn natuurlijke achterban mag rekenen. De staat Israël is een voorwaarde om te komen tot de grote eindstrijd, liefst zo snel mogelijk, die in de Bijbel wordt aangekondigd en de terugkeer van Jezus Christus mogelijk maakt. Op ‘Judgment Day’ zullen evangelische Amerikanen en Israëlische Joden vervolgens recht tegenover elkaar komen te staan. En John Hagee heeft er geen enkele twijfel over wie er dan zal – en moet – zegevieren.

Tot die tijd is er een logisch verbond tussen de twee partijen. Vanuit conservatief en christelijk Amerika krijgt Israël dan ook vrijwel ongelimiteerde steun, zowel in moreel als financieel opzicht. Naar verluidt werd in 2021 door CUFI bijvoorbeeld 3,3 miljard dollar verzameld voor militaire steun aan Israël. Net als Maya Zinshteins ‘Til Kingdom Come (2020) verdiept Praying For Armageddon (97 min.) zich in de wereld daarachter. Van conservatieve religieuze leiders zoals Hagee en Robert Jeffress tot de op een Harley rondreizende dominee Gary Burd, die oogt als een Hells Angel en een soort ridderorde om zich heen verzamelt voor de bloedige strijd die is aangekondigd.

Tegenover deze ‘Evangelical Christian Zionists’ plaatst documentairemaakster Tonje Hessen Schei criticasters zoals de Israëlische rabbi en mensenrechtenactivist Arik Ascherman, de voormalige evangelische prediker Frank Schaeffer en de oud-militairen Lawrence Wilkerson en Michael Weinstein (die de Military Religious Freedom Foundation runt). Weinstein laat zien hoe christelijke symboliek, Bijbelverzen of de merknaam Crusader Arms bijvoorbeeld, inmiddels letterlijk op wapens is terug te vinden. En dat lijkt hem koren op de molen van wervers voor Amerika’s ideologische tegenstanders, zoals Islamitische Staat, Boko Haram en de Taliban.

Journalist Lee Fang van The Intercept fungeert als verbindende factor in deze unheimische film. Hij probeert in gesprek te gaan met de belangrijkste spelers uit het invloedrijke verbond tussen christelijke Amerikanen, die van hun land best een theocratie willen maken, en Israeli’s, die in hun eigen natie niets minder dan het beloofde land zien. Via hen schetst deze dramatisch getoonzette documentaire een volstrekt twijfelloze wereld, waarin roestvrijstalen religieuze idealen samenkomen met ongebreidelde geweldsfantasieën. Het is een angstaanjagend perspectief, dat zonder al te veel moeite kan – of, dramatischer gesteld: wel moet – leiden tot een bloedige oorlog.

De Amerikaanse generaal Jerry Boykin, nog niet zo lang geleden onderminister van Defensie, verwoordt het in een eigen interpretatie van het Bijbelboek Openbaringen en het daarin geschetste Armageddon als volgt: ‘Als de Heer terugkeert, komt hij als een strijder. Rijdend op een wit paard, in een met bloed bevlekt wit gewaad, met een zwaard in zijn hand. En ik geloof dat het zwaard dat hij dan draagt een AR-15 is.’

De Jurk En Het Scheepswrak

NTR

Het lijkt zowaar een maagdelijk scheepswrak, dat nog nooit door andere duikers of jutters is bezocht. De leden van duikclub Texel kunnen hun ogen in 2014 nauwelijks geloven. Ze treffen het zogenaamde ‘Palmhoutwrak’ aan in de Waddenzee. Al snel vinden ze in het wrak een kist. ‘Een inbreker wil in de kluis kijken’, legt Hans Dijker uit. ‘En wij willen in de kist kijken. Dat is het schat zoeken, zeg maar.’ De Texelse duikers vinden er boeken, porselein, zilver én een puntgave jurk uit de zeventiende eeuw. En die gaat, net als al die andere spulletjes, gewoon mee naar huis. Bizar, vindt clublid Annet van Boven dit, als ze eraan terugdenkt. ‘Ik had ‘m aan kunnen doen!’

‘Heb je dat wel eens gedaan stiekem?’, vraagt Arnold van Bruggen, maker van de puike driedelige docuserie De Jurk En Het Scheepswrak (142 min.). ‘Nee’, reageert Annet direct. ‘Heel jammer.’ Ze zoekt even naar woorden. ‘Ik weet nog dat de jongens op een gegeven moment zeiden: doen hem eens an.’ Die kans laat ze echter toch maar lopen. Later realiseren de duikers zich pas hoe bijzonder dat is: een jurk die vierhonderd jaar onder water heeft gelegen. Directeur Corina Hordijk van het plaatselijke museum Kaap Skil weet meteen: dit is ónze Nachtwacht, één van de mooiste archeologische onderwatervondsten ter wereld.

De hele wereld duikt er inderdaad bovenop en begint ook meteen kritische vragen te stellen: mag je je zulk cultureel erfgoed bijvoorbeeld zomaar toe-eigenen? De eilanders vinden dat de vondst beslist bij Texel hoort, maar dat krijgen ze aan ‘overkanters’ bijna niet uitgelegd. Jenny Tiramani, directeur van de London School of Historical Dress, kan eerst bijvoorbeeld moeilijk geloven dat de jurk echt is, maar wil ‘m later toch maar al te graag onderzoeken. Zonder de Texelse amateurs waren alle vondsten uit het schip verloren gegaan, realiseert ze zich, maar tegelijkertijd is ze als wetenschapper ‘absoluut ontzet’ over de manier waarop ze naar boven zijn gebracht.

Daarmee tekent zich rond Het Palmhoutwrak en z’n lading een klassieke cultuurclash af, tussen archeologen, kunstkenners, historici en ambtenaren enerzijds en de Texelse vrijbuiters en hun pleitbezorgers anderzijds. Die scheiding der geesten loopt ook dwars door De Jurk En Het Scheepswrak en maakt de miniserie zo aantrekkelijk. Met vaste hand, oog voor detail en gevoel voor sfeer schetst Van Bruggen twee afzonderlijke werelden – allebei op hun eigen manier intrigerend en visueel aantrekkelijk, bevolkt bovendien door kleurrijke personages – die met elkaar moeten communiceren, ook al spreken ze verschillende talen en hangen ze ook andere waarden aan.

En als de jurk dan toch huiswaarts lijkt te komen – naar Texel dus, museum Kaap Skil – dringt de vraag zich op: kun je zo’n eeuwenoud kledingstuk eigenlijk wel exposeren, zonder het onherstelbare schade toe te brengen?

Eind 2025 verscheen er een vervolg op deze miniserie: De Redders Van Het Scheepswrak.

Kingdom Of Dreams

HBO Max

Hij bestaat het om Anna Wintour, de alomtegenwoordige hoofdredactrice van de Amerikaanse Vogue en een onvervalste spin in het web binnen de internationale modescene, buiten in haar limousine te laten wachten bij zijn show in New York. Haar ‘ogen en oren’ André Leon Talley komt poolshoogte nemen en kan het nauwelijks geloven. Ook hij komt niet binnen bij Alexander McQueen. ‘Sorry!’ lacht de Britse modeontwerper naderhand, ogenschijnlijk zonder al te veel spijt. Hij weigert om de status quo in de modewereld te accepteren.

Het enfant terrible krijgt ‘t snel daarna voor het zeggen bij het Franse modehuis Givenchy. Daar volgt hij zijn landgenoot John Galliano op, die van de gefortuneerde eigenaar Bernard Arnault de artistieke leiding heeft gekregen over een ander modehuis, het prestigieuze Dior. De verwachtingen voor hun eerste modeshows in 1997 zijn hooggespannen: de twee Britten worden in het mondaine Parijs met argusogen bekeken. Intussen laat Arnault Louis Vuitton grondig vernieuwen door ontwerper Marc Jacobs en aast hij op Gucci, het zieltogende modehuis dat nieuw leven is ingeblazen door creatief directeur Tom Ford. De Franse modetycoon heeft daarbij echter een geduchte concurrent in entrepreneur François Pinault, die tevens het merk Yves Saint Laurent opkoopt.

Daarmee zijn de voornaamste spelers en merken geïntroduceerd voor wat een drama, vol haat en nijd, in vier bedrijven zal worden: Kingdom Of Dreams (192 min.). De regie van deze miniserie, geproduceerd door het team achter de barokke biopic McQueen, is in handen van Nick Green. Met een keur aan insiders, fraai archiefmateriaal, volop visuele bravoure en bombastische klassieke muziek laat hij de titanenstrijd tussen Arnault en Pinault herleven, waarbij de ijzige Wintour, die zichzelf journalist noemt en tegelijkertijd maar al te graag aan de touwtjes trekt, een centrale positie inneemt. Te midden van de opspelende rivaliteit moeten de topontwerpers Galliano, McQueen, Jacobs en Ford zich persoonlijk staande houden en ook nog eens hoogstaand werk afleveren.

Die constante competitie, gecombineerd met de alsmaar toenemende aandacht voor marketing en imago in de mode-industrie en het massale gebruik van cocaïne, zal hen stuk voor stuk boven het hoofd groeien, met ronduit tragische gevolgen. Trefzeker legt deze krachtige serie de ravage achter alle schone schijn bloot. Een wereld, waarin ‘wie’ je draagt net zo belangrijk is als ‘wat’ je draagt – en ‘die’ de weelde/druk van ‘dat’ lang niet altijd kan dragen.

A Bunch Of Amateurs

MetFilm

Sinds 1932 komen ze elke maandagavond bij elkaar. A Bunch Of Amateurs (93 min.), een klein gezelschap van gedreven cinefielen uit Bradford in Noord Engeland. Andere clubs van amateur-filmmakers zijn allang ter ziele, maar zij houden het hoofd nog steeds boven water. Al is het met moeite. De huur van het krakkemikkige pand, waarin ze sinds jaar en dag samen naar hun eigen en andermans producties kijken, is nauwelijks op te brengen. En ook de Bradford Movie Makers worden langzaam maar zeker met uitsterven bedreigd.

Colin Egglestone, een gepensioneerde timmerman, is tegenwoordig bijvoorbeeld slecht ter been en kan nauwelijks de trap meer op naar hun eigen filmzaaltje. Zijn vrouw Shirley heeft bovendien dementie en zit in een verpleeghuis. Mary, al zo’n zestig jaar de vrouw van Harry Nicholls, ligt op haar beurt al tijden apathisch voor zich uit te staren in bed. De lekker amateuristische filmclub geeft hun mannen een doel en een thuis. Dat clubgevoel, met zijn verplichte lach en traan, sijpelt ook moeiteloos door naar deze aandoenlijke, typisch Britse film van Kim Hopkins.

Harry heeft het daarin in zijn hoofd gehaald dat hij een remake wil maken van de openingsscène van de musical Oklahoma, waarin een cowboy te paard het onvergetelijke Oh, What A Beautiful Morning zingt. Het was de eerste film die hij ooit samen met Mary heeft gezien. De nieuwe versie, waarin hij zelf ook de hoofdrol voor zijn rekening neemt, moet een soort eerbetoon worden aan hun liefde. Een ervaren ruiter is de geblokte Harry echter niet. En ook met acteren voor een ‘green screen’ – en op een denkbeeldig paard – heeft hij nauwelijks ervaring.

Tijdens de opnames komt Harry Nicholls regelmatig in botsing met het enige jongere clublid, Phil Wainman, die behalve manusje van alles bij zo’n beetje elke filmopname ook mantelzorger is voor zijn gehandicapte broer. Phil kan vaak niet mét Harry, maar zeker ook niet zónder hem. Hun gesteggel kleurt de familiaire sfeer in de club, die allerlei initiatieven onderneemt om weer wat leven in de brouwerij te krijgen – en geld in het laatje, dat ook. Hun pogingen zijn sympathiek – een dansmiddag in The Old Cock (!) bijvoorbeeld – maar lijken vaak gedoemd om te mislukken.

Als het Coronavirus zich ook in Bradford meldt, heeft dit groepsportret zich dan ook allang in de hartstreek genesteld. Zoals overal zorgt de pandemie voor consternatie: als de club nu een pauze inlast, houdt ze dan definitief op te bestaan? Vreemd genoeg blijkt het virus, via een kleine omweg, echter een zegen voor de amateurfilmers, die zich misschien toch nog mogen opmaken voor dat honderdjarige jubileum in 2032. Tot die tijd vertoont hun projector ongetwijfeld nog talloze films van twijfelachtige kwaliteit en blijven zij met elkaar verbonden. Tot de dood erop volgt.

Klaas de Jonge, De Prijs Van Vrijheid

Moondocs

Niet de wereld zelf of het leven van een personage als decor, maar echt, daadwerkelijk, een decor. Het is opvallend hoe vaak Nederlandse documentairemakers de laatste tijd een eigen arena of theater creëren voor hun films. Van de huiskamer van Johannes Post (in Geertjan Lassches De Erfenis Van Een Verzetsheld) en de uitgeleefde woning van een drankzuchtige vader (Kelly Klingenbergs Alleen Met Jenever) tot de vervreemdende grijze kamers voor nieuwkomers in Nederland (Al Wat Je Ziet van Niki Padidar) en een oude fabriekshal als passende entourage voor een vluchtverhaal in de familie (Biserka Surans Scènes Met Mijn Vader).

En als er eenmaal een decor is ontworpen, volgen het acteren vanzelf, zoals in Vincent Boy Kars’ Drama Girl, voor Abdiwahab Ali’s nagespeelde herinneringen in een door oorlog verscheurd Mogadishu (Douwe Dijkstra’s Buurman Abdi) en bij Het Zit In Mijn Hart, waarin Saskia Boddeke via een aantal spelers van KamaK, een theatergroep bestaande uit acteurs met een beperking, de ruimte tussen fictie en non-fictie verkent. Noem het een hybride tussen docu en drama of kruisbestuiving van documentaire en theater. Feit is dat deze makers de werkelijkheid graag een handje helpen en zo de grenzen van het genre documentaire opzoeken.

In de openingsscène van Klaas de Jonge, De Prijs Van Vrijheid (66 min.) laat Marlou van den Berge letterlijk zien hoe dat decor wordt gefabriceerd. En als alle stukken op hun plek staan, kan de hoofdrolspeler z’n entree maken. ‘Hier heb ik dus zesentwintig maanden in gewoond’, zegt De Jonge, oud-strijder tegen Apartheid, als hij zich achter de typemachine aan zijn bureau heeft geïnstalleerd. ‘Zonder die machine had ik het vast veel moeilijker gehad.’ Hij leest voor: ‘Vandaag, vrijdag 19 juli 1985, om precies vier uur, ben ik door de Zuid-Afrikaanse veiligheidspolitie bij de Nederlandse ambassade in Pretoria afgeleverd. De ambassadestaf heeft een kamer voor me vrijgemaakt.’

En in die kamer is Klaas de Jonge, een kleine veertig jaar later, opnieuw verzeild geraakt, althans in een replica daarvan, om het verleden te herbeleven. Door het Apartheidsregime beschuldigd van verboden wapenbezit en terrorisme, min of meer veilig op dat kleine stukje Nederlands grondgebied. Daar ontvangt hij nu zijn zoons, voormalige stiefkinderen en de vrouw en dochter van een gesneuvelde medestrijder. Samen onderzoeken zij hun geschiedenis. De clandestiene activiteiten en gewapende strijd van Klaas en zijn ex-vrouw Hélène Passtoors, die nog een tijd in de gevangenis doorbracht, hebben gevolgen gehad voor het leven van alle betrokkenen.

Tussen de gesprekken door neemt De Jonge plaats op de hometrainer, worden er aardappels gejast en is er ook gelegenheid voor een dansje bij de transistorradio. Dan blijkt ook meteen het gevaar van deze hybride aanpak: dat die enscenering tot een soort toneelstuk leidt – of, erger, tot toneelstukjes. Daar tegenover staan De Jonge’s confrontaties met een bewaker van de Nederlandse marechaussee, officier van de Zuid-Afrikaanse veiligheidspolitie en slachtoffer van een autobom van zijn organisatie. Dan wordt hij gedwongen tot (zelf)reflectie – al had de navolgende bedscène, waarin hij tijdens zijn slaap wordt belaagd door boze stemmen, achterwege mogen blijven.

De vraag of het doel, hoe nobel dat streven ook is, werkelijk alle middelen heiligt ligt dan al lang en breed op tafel in die geïmproviseerde kamer en zal in de venijnige climax van deze film nog tot schrijnende confrontaties leiden.

Dicht Bij Vermeer

Cinema Delicatessen

Gregor Weber maakt buiten even een ommetje. De conservator van de grootste Vermeer-expositie ooit, in het Rijksmuseum te Amsterdam, moet laten bezinken wat hij zojuist te horen heeft gekregen. ‘Ik was zo onder de indruk van dit schilderij en nu hoor ik dat jullie twijfelen’, zegt Weber even later, als hij weer wat is bedaard, tegen conservator Betsy Wieseman van The National Gallery Of Arts in Washington D.C. Met haar team heeft zij die dag een presentatie gehouden over het schilderij ‘Meisje met de fluit’. Dat is volgens hen niet van Vermeer. ‘Dit is iets nieuws en dat moet ik slikken’, bekent Weber. Hij maakt er maar een grapje van: ‘Als een grote kikker.’

De Duitse conservator, een kunstwetenschapper die overduidelijk ook met hart en ziel van deze specifieke kunstenaar houdt, fungeert als kloppend hart voor de documentaire Dicht Bij Vermeer (78 min.), waarin Suzanne Raes de aanloop naar de onlangs geopende en direct uitverkochte Vermeer-expositie vereeuwigt. Behalve het verzamelen van zoveel mogelijk werken van de enigmatische Delftse kunstenaar Johannes Vermeer (1632-1675), aan wie in totaal slechts zo’n 37 schilderijen worden toegeschreven, en het inrichten van de tentoonstelling behoort daartoe ook het gesprek over wat een ‘Vermeer’ kenmerkt en hoe zo’n kunstwerk is te herkennen.

Dat vereist in eerste en laatste instantie héél goed kijken. En dat is precies wat Raes in deze kalme, ingetogen en oogstrelende film ook doet: ze laat liefhebbers en kenners met een timmermansoog naar het werk van Vermeer kijken en dit inhoudelijk duiden. En ze daagt haar publiek vervolgens uit om met behulp van die kijkwijzer volledig op te gaan in wereldberoemde kunstwerken, die toch steeds weer nieuwe geheimen prijsgeven. Daarmee ontstaat ongetwijfeld ook meteen iets van begrip voor het feit dat kenners zoals Gregor Weber en schilder Jonathan Janson zomaar kunnen volschieten als ze Vermeers schilderijen zien of de impact daarvan proberen te beschrijven. 

Én dat ze ’t ook niet zomaar willen en kunnen accepteren als een ‘Vermeer’ ter discussie wordt gesteld, dat ook. De twee komen los van elkaar tot dezelfde conclusie: dat ‘Meisje met de fluit’ is wél van Vermeer. Binnen hun omgeving lijkt – nee: is – dat een zaak van levensbelang. Via gedreven kunstminnaars zoals zij legt Dicht Bij Vermeer, net als eerder bijvoorbeeld Oeke Hoogendijks Mijn Rembrandt, de mores bloot van een wereld, die zich volledig lijkt te onttrekken aan de waan van de dag en van nature op zoek is naar een stukje eeuwigheid.

The Mission

Autlook

Het is een soort dienstplicht. Geen militaire of maatschappelijke, maar een religieuze dienstplicht. Alle jongeren van de Amerikaanse Church Of Jesus Christ Of Latter-Day Saints (LDS) moeten eraan geloven. Ze moeten zich minimaal achttien maanden vrijmaken om de heilige boodschap van The Book Of Mormon te verspreiden.

Deze documentaire van Tania Anderson volgt de Elders Pauole en Davis en de Sisters Field en Bills – ze mogen elkaar niet bij hun voornaam aanspreken – tijdens The Mission (95 min.), die hun jonge levens moet vormen. Ze worden naar het andere eind van de wereld gezonden: Finland. De Missie Helsinki is een behoorlijke uitdaging: van de ruim vijfeneenhalf miljoen Finnen zijn er nog geen vijfduizend lid van de Mormoonse kerk.

Eerst gaan ze echter naar het Missionary Training Center in Utah, waar ze elkaar leren kennen en een stoomcursus Fins krijgen. Eenmaal in Scandinavië worden de missionarissen geïnstrueerd over de regels (hooguit eenmaal per week contact met familie) en krijgen ze een partner toegewezen. Alleen vanwege ‘redenen van persoonlijke hygiëne’ mogen ze elkaar de komende tijd uit het oog verliezen. Na negen weken krijgen ze een andere Elder Of Sister toegewezen.

Het wordt een periode die hun geloof versterkt of hen juist aan het twijfelen brengt. Want die Finnen zitten niet bepaald op hen te wachten. ‘Get a fucking life’, roept een jongen met opgestoken middelvinger twee Elders toe, als ze in hun nette pak en met hun stichtelijke boodschap op pad zijn. Het serieuze gesprek over religie en zingeving van twee Sisters bij een aardige familie thuis levert uiteindelijk al even weinig op: géén bekeerde zielen.

Anderson observeert de LDS-jongeren zonder te oordelen en kan zo diep doordringen in hun (belevings)wereld. Daarin speelt niet alleen geloof een belangrijke rol, maar ook hoe ze zich in den vreemde, zonder hun ouders en vrienden, staande houden. Als één van hen psychische problemen begint te ontwikkelen, dringt de vraag zich op of de missionaris moet worden teruggeroepen naar huis. Want dat voelt als immens persoonlijk falen.

En als de Missie Helsinki er dan officieel opzit en Kai Pauole, Tyler Davis, Mckenna Field en Megan Bills gelouterd naar huis zijn teruggekeerd, het vanzelfsprekende eindstation van deze serene film, wacht het volwassen bestaan: trouwen en kinderen krijgen? Of toch een ander leven, al dan niet in dienst van de Heer?

Murder In Big Horn

Showtime

‘Voor ons zijn dit geen true crime-verhalen’, zegt journalist Luella Brien, waarvan in 1977 tante DeeDee verdween, met ingehouden emotie. ‘De slachtoffers komen uit onze families.’ Al decennia zijn de ‘native Americans’ van Big Horn County, Montana, zich er maar al te zeer van bewust dat er jonge vrouwen, meisjes nog, uit hun midden verdwijnen. Verder kraait er echter geen haan naar deze MMIW (Missing/Murdered Indigenous Women).

Totdat Henny Scott in 2018 plotseling verdwijnt na een feestje op The Northern Cheyenne Reservation. Het veertienjarige meisje wordt enkele weken later dood aangetroffen in de sneeuw. Omdat ze op het indianenreservaat zelf is gevonden moet het Bureau of Indian Affairs (BIA) van Lame Deer in actie komen. En die kan de hulp inroepen van de FBI. Zoals de sheriff van Big Horn County dan weer verantwoordelijk is voor een ander deel van het grotere gebied, The Crow Reservation. Afhankelijk van het slachtoffer, de (onbekende) dader, plaats delict en de plek waar het lichaam wordt aangetroffen. Dat probleem speelt direct op als ruim een half jaar later een ander indiaans meisje, Kaysera Stops Pretty Places, dood wordt gevonden. Er zijn aanwijzingen dat ze wellicht is vermoord. En dan raakt op 1 januari 2020 ook de zestienjarige Selena Not Afraid nog vermist.

Dat juist het leefgebied van de Cheyenne- en Crow-stammen juridisch braak ligt, is natuurlijk geen toeval. ‘Native Americans’ werden aan het einde van de negentiende eeuw aan hun lot overgelaten, in de hoop dat ze stilletjes zouden opgaan in de ‘gewone’ bevolking of zouden uitsterven. Reservaten groeiden uit tot plekken van werkeloosheid, armoede, gokken en verslaving. Door Big Horn County loopt bovendien nog de Interstate 90, die als doorvoerroute van en naar Canada kan fungeren voor drugs, vrouwen en andere illegale handel. Zo wordt de traditionele angst gevoed voor de witte man, die zich van oudsher op indianenvrouwen richt om via hen de complete gemeenschap te ontwrichten, zo is het algehele gevoel. Neem bijvoorbeeld Pocahontas. Van haar romance met kapitein John Smith is een prachtige Disney-liefde gemaakt, maar in werkelijkheid was ze waarschijnlijk slachtoffer van mensenhandel.

Die geladen geschiedenis en maatschappelijke context zorgen ervoor dat Murder In Big Horn (157 min.) nooit een routineuze true crime-productie wordt. Zeker omdat er ook nog een andere kant aan datzelfde verhaal zit: de misstanden binnen het reservaat zelf, waar huiselijk geweld en seksueel misbruik schering en inslag lijken. Veel meer dan een zoektocht naar de daders van de tientallen ‘native women’ die in de afgelopen decennia zijn verdwenen is deze sfeervolle driedelige docuserie van Razelle Benally en Matthew Galkin een portret van een getroebleerde gemeenschap, die in z’n hart – de vrouwen en meisjes – wordt getroffen. ‘Every child matters’, stelt een leus over de MMIW. Dat moet het uitgangspunt worden, vinden strijdbare vrouwen zoals Luella Brien. In plaats van ‘another dead indian’.

McCurry: The Pursuit Of Colour

Afghan Girl / Steamroller Media

In India kreeg de wereld kleur. Na enkele jaren buffelen voor een kleine krant in Philadelphia vond fotograaf Steve McCurry er in 1978 zijn stem. Hij ging voor het eerst met kleurfilm werken en ontdekte de bloemrijkste taferelen. Via buurland Pakistan belandde de Amerikaanse fotograaf vervolgens in Afghanistan, waar toen een bloedige oorlog met de Sovjet-Unie woedde. McCurry was er gek genoeg helemaal op zijn plek. ‘Hij koos de oorlog niet’, zegt Anthony Bannon, oud directeur van het George Eastman Museum of Photography, daarover. ‘Die koos hem.’

Daar, in dat jarenlange conflict, zou Steve McCurry in 1984 ook zijn beroemdste foto schieten: Afghan Girl, een portret van het twaalfjarige meisje Sharbat Gula dat in een Pakistaans vluchtelingenkamp was beland. Vanaf de cover van het tijdschrift National Geographic leek ze, met haar felgroene ogen, de wereld met een mengeling van wanhoop en verwijten aan te kijken. Pas toen hij enkele maanden later thuis zijn materiaal ging bekijken, ontdekte McCurry wat hij had gemaakt: een soort moderne Mona Lisa, een symbool voor alle slachtoffers van de oorlog.

‘Ik heb mijn leven gewijd aan het najagen van kleur’, zegt hij zelf in McCurry: The Pursuit Of Colour (53 min.). ‘Om de schoonheid van diversiteit uit te drukken.’ Samen met mensen uit zijn directe omgeving, zoals z’n zus Bonnie en vriend/schrijver Paul Theroux, loopt de fotograaf zijn loopbaan door en probeert intussen z’n filosofie onder woorden te brengen. Tegelijkertijd toont regisseur Denis Delestrac hoe de kwieke zeventiger nog altijd als een fotograferende nomade naar alle uithoeken van de wereld afreist, om te laten zien hoe kostbaar het leven is.

Aan het eind van de film komt ook de controverse aan de orde die ooit rond McCurry is ontstaan: in de nabewerking van zijn foto’s zou hij de waarheid nét iets te veel naar zijn hand hebben gezet. ‘Ik ben zeer dankbaar dat iemand dat heeft ontdekt en onder de aandacht heeft gebracht van mij en de wereld’, zegt hij onderkoeld tegen Delestrac. ‘Ik wil ze daar oprecht voor bedanken.’ Die kan zijn oren niet geloven. ‘Dat meen je niet, toch?’ Zijn gesprekspartner begint te lachen. ‘Nee, dat is bullshit.’

Steve McCurry is van mening dat hij als ‘visuele verhalenverteller’ meer artistieke vrijheid heeft dan een willekeurige fotojournalist. ‘Ik fotografeer niet voor jou’, zegt hij ferm. ‘Ik fotografeer ook niet voor iemand anders. Ik fotografeer voor mijn eigen plezier en hoop dat mijn foto’s communiceren. Punt.’ Wie niet beter weet – of gewoon heeft gezien: in de talloze foto’s waarmee dit verzorgde portret is aangekleed – zou bijna gaan denken dat die hele wereld hem gestolen kan worden.

The Soul Of Steffen Morrison

NTR

Zoals elke documentairemaker probeert Marcel de Vré in The Soul Of Steffen Morrison (55 min.) onder de oppervlakte te komen bij zijn hoofdpersoon. Als het goed is, kan hij daarbij uitgaan van zijn eigen visie op de Nederlandse soulzanger en de mens die daarachter schuilgaat. Die wordt dan uitgewerkt in een coherente vertelling, waarbinnen alle losse puzzelstukjes bijdragen aan het grotere geheel. Dit portret van Steffen Morrison wordt alleen nooit meer dan een verzameling losse puzzelstukjes.

Vrijwel alle belangrijke elementen uit het leven en de carrière van Morrison worden aangestipt, alsof ze moeten worden afgevinkt: zijn Surinaamse achtergrond, de relatie met zijn oma Hilda, de Bijlmervliegramp, z’n liefde voor soulmuziek, ’s mans doorbraak via The Voice Of Holland, dat hij zijn carrière sindsdien op eigen voorwaarden heeft vormgegeven, de opmerking daarbij dat dit nog geen vetpot is, het verbond met zijn (begeleidings)Band Of Brothers, de constatering dat hij als zwarte man in een wit land en binnen een witte industrie opereert, hoe hij als vrijwilliger muziekles geeft op de school van zijn zoontje, zijn laatste album Soul Revolution en dat hij als artiest steeds meer een eigen smoelwerk begint te krijgen.

Verder is Morrison joggend en fietsend te zien, doet hij enkele stukjes van zijn theatervoorstelling The Art Of Being Human op camera en brengt hij alle mogelijke podia en festivals aan de kook. De Vré lijkt ook hierbij een ogenschijnlijk tamelijk willekeurige greep in de Morrison-grabbelton te doen. Wat hij daar uithaalt wordt steeds becommentarieerd door gitarist en bandleider Alvin Lewis, producer Tjeerd Oosterhuis en Michiel van Elk van de soul-, funk- en jazzradiozender Sublime (die zich als een enthousiaste promotor van de zanger opwerpt). Een typisch geval van ‘more is less’, zo lijkt het, waarbij de ontwikkeling van Morrisons eigen muzikale identiteit en zijn identiteit als zwarte man als constanten fungeren.

Steffen Morrison is volgens eigen zeggen een ‘blaku rosoe’, een zwarte roos, die stilaan tot bloei aan het komen is. Deze tv-docu volstaat als nadere introductie daarvan, waarbij ‘s mans lekkere soulstrot en de gestaalde band aan zijn zijde de aandacht er wel bijhouden. Iedereen die daadwerkelijk onder de huid wil komen bij de zanger en zijn muziek loopt echter al snel op tegen de beperkingen van de film, in het bijzonder de vluchtigheid ervan.

The Most Hated Man On The Internet

Netflix

Als The Most Hated Man On The Internet (162 min.) van Rob Miller een klassieke Hollywood-actiefilm zou zijn geweest, dan was die waarschijnlijk aangeprezen met een smeuïge tagline in de trant van: ‘one woman’s mission to detroy The King Of Revenge Porn’.

Die vrouw heet Charlotte Laws en krijgt te horen dat er illegaal een topless foto van haar dochter Kayla is gepubliceerd op de schmutzige website IsAnyoneUp.com. Charlotte, een voormalige ‘partycrasher of the rich and famous’ die wordt ondersteund door echtgenoot/advocaat Charles, zet alles in het werk om die website uit de lucht te krijgen en de kwade genius daarachter, de cynische internetpiraat Hunter Moore, een kopje kleiner te maken.

Een typisch heldenverhaal dus: goede vrouw pakt slechte man aan. Een thema dat Netflix in de afgelopen jaren al op diverse manieren heeft aangegrepen voor aantrekkelijke true crime-achtige producties: van The Tinder Swindler en Bad Vegan tot Don’t F**k With Cats en The Puppet Master. Een gecompliceerde – en wellicht ook enigszins genuanceerdere – werkelijkheid wordt daarbij aangeboden in een hap-slik-weg verpakking.

Hoe komt Moore aan de foto’s? Met die vraag kan deze formule-achtige film, waarin alle betrokken netjes de rol spelen die hen is toebedeeld, wel even vooruit. Hij zal zijn slachtoffers toch niet hebben gehackt? Charlotte laat zich de hoofdrol van onverschrokken heldin intussen maar al te graag aanleunen. Zoals ook de bijrollen goed bezet zijn: haar dochter is overtuigend als onschuldig slachtoffer en de schurkenrol blijkt Moore op het lijf geschreven.

Hij verschuilt zich met liefde en plezier achter het argument dat hij slechts de beheerder van het ranzige platform is. Wat daarop wordt geplaatst is natuurlijk niet zijn verantwoordelijkheid – al verdient hij er wel een aardige zakcent mee. Intussen doet deze driedelige docuserie min of meer hetzelfde: het treurige relaas van een jonge vrouw die zich als ‘Butthole Girl’ publiekelijk heeft ‘laten’ vernederen, wordt bijvoorbeeld nauwelijks meer dan clickbait.

Echte interesse voor haar verhaal – of voor dat van de andere gekleineerde, misbruikte en soms zelfs volledig geknakte vrouwen – is er niet in deze typisch Amerikaanse productie. Zoals ook Hunter Moore nooit meer wordt dan een verachtelijk personage, waarbij eenieder zich moreel verheven kan voelen. En aan het eind, ook al zo bevredigend, wordt de slechterik natuurlijk ingerekend en, op zijn minst in gedachten, geboeid afgevoerd.

Toch is het niet ondenkbaar dat diezelfde kijker na afloop ook achterblijft met een ongemakkelijk gevoel, dat wel aardig wordt samengevat met de boodschap die IsAnyoneUp steevast stuurde als iemand stiekem naaktfoto’s had geüpload: ‘Thank you for being evil.’

Keep Sweet: Pray And Obey

Netflix

Hoe meer vrouwen, hoe meer kinderen, hoe meer aanzien en hoe dichter bij God. Vandaar dat de Profeet Warren Jeffs, zijn persoonlijke vertegenwoordiger op aarde, een hele harem om zich heen verzamelde. Daarvoor gold: hoe jonger, hoe beter. Kindbruiden. En hij arrangeerde meteen ook de huwelijken van andere mannen van de Fundamentalist Church of Jesus Christ of Latter-Day Saints (FLDS): wie kreeg welke echtgenotes? En hoeveel vrouwen in totaal?

Vrouwen als vee, vat zijn jongere broer Wallace het bondig samen in de vierdelige serie Keep Sweet: Pray & Obey (192 min.), waarin de mormoonse kerkgemeenschap uit Utah kritisch wordt doorgelicht. De Jeffs werden met polygamie opgevoed. Hun vader Rulon was tot zijn dood in 2002 geestelijk leider van FLDS, had ruim zestig kinderen en bleef tot aan het eind nieuwe vrouwen aan zijn g/heilige collectie toevoegen. Ze zagen er stuk voor stuk uit alsof ze rechtstreeks afkomstig waren uit Little House On The Prairie.

Inmiddels is zijn zoon Warren nu alweer twintig jaar geestelijk leider van de kerkgemeenschap. En dat zal hij naar eigen overtuiging ook blijven tot ‘het einde van de wereld’, dat inmiddels talloze malen door hem is aangekondigd. Zonder tastbaar resultaat, vooralsnog. Intussen heeft Jeffs de gemeenschap verder uitgebouwd tot een karikaturale sekte, waar zijn wil natuurlijk wet is, elke vrouw (lees: elk minderjarig meisje) de zijne kan worden en alle geldstromen toevallig ook zijn kant op worden gedirigeerd.

Rachel Dretzin en Grace McNally schetsen met (voormalige) leden, insiders en critici hoe de situatie binnen FLDS, in de naam van de Heer, steeds verder ontspoort. Zeker als Warren Jeffs in een verdorven meesterzet zo’n beetje alle belangrijke mannen, waaronder zijn eigen broers, verdoemt tot ‘Zoon des Verderfs’ en vervolgens uit de kerk zet. Daarmee zijn ze, volgens die geheel eigen Latter-Day Saints-logica, meteen ook hun vrouwen en kinderen kwijt. En de Profeet wil zich daar natuurlijk best over ontfermen.

Het is een typisch sekteverhaal, degelijk verteld met veel persoonlijke getuigenissen, dat op een tamelijk voorspelbare wijze ontspoort. Zoals nu eenmaal steevast gebeurt als één man alle macht naar zich toetrekt en vervolgens steeds extremere middelen nodig heeft om zijn positie te behouden. Totdat zijn parochianen in een nieuw onderkomen in Eldorado, Texas – hun eigen hemel op aarde waar je je ergste vijand nog niet naartoe zou sturen – volledig geīsoleerd zijn geraakt van de wereld en de realiteit van alle andere aardbewoners.

Als politie en justitie interesse beginnen te krijgen voor hoe Warren Jeffs FLDS in z’n greep houdt en minderjarige meisjes dwingt tot geslachtsgemeenschap, slaat de Profeet zowaar op de vlucht. Hij zal op de Top Ten Most Wanted-lijst van de FBI belanden, samen met onder anderen Osama Bin Laden, en uiteindelijk toch worden gedwongen om zich te verantwoorden voor de rechter.

Social Media Murders: The Murder Of Molly McLaren / The Murder Of Grace Millane

ITV

Ze leefden het social media-bestaan. Zij had overduidelijk lol in haar leven, was het middelpunt van elk feest. En hij deed daar nauwelijks voor onder, met zijn coole looks en stralende glimlach. Toen Molly McLaren en Joshua Stimpson elkaar tegenkwamen op een datingsite, was er duidelijk sprake van een match. En toen begon het echte leven…

Molly had een angststoornis en kampte met boulimia, Josh leverde strijd met mentale problemen. Volgens eigen zeggen was hij bipolair – en ontoerekeningsvatbaar toen het echt helemaal misging tussen hen. Op 29 juni 2017 doodde hij Molly met ruim vijftig messteken, twaalf dagen nadat zij de relatie beëindigde die in totaal zeven maanden had geduurd. Josh wachtte daarna op de politie.

In het eerste deel van het Britse tweeluik Social Media Murders (92 min.), geregisseerd door respectievelijk Angus Cameron en Natasha Cox, reconstrueren Molly’s ouders, vriendinnen en allerlei deskundigen de toxische relatie tussen de twee geliefden. Die wordt verder inzichtelijk gemaakt met hun online-conversatie, die uiteindelijk uitmondt in laster, chantage en stalking.

Deel twee van de true crime-serie concentreert zich op de gewelddadige dood van de Engelse backpacker Grace Millane in Nieuw-Zeeland. Als zij tijdens haar wereldreis in Auckland arriveert, komt ze via social media in contact met ene Jesse Shane. Een dag later, op 2 december 2018 viert Grace haar 22e verjaardag. Op de felicitaties die binnenkomen reageert ze echter helemaal niet. Grace is vermist.

Met behulp van chatberichten, telefoongegevens en beveiligingscamera’s weet de politie te deduceren hoe het Britse meisje de laatste uren voor haar verdwijning heeft doorgebracht, wat er in die periode met haar kan zijn gebeurd en hoe het daarna verder is gegaan. Was het een koelbloedige moord? Of toch een Fifty Shades Of Grey-achtige fantasie die helemaal uit de hand is gelopen?

Deze twee tragische kwesties vestigen de aandacht op de gevaren van de online-wereld: dat iemand die je ontmoet niet hoeft te zijn wie hij zegt dat hij is en dat we allemaal steeds beter zicht- en vindbaar zijn, ook voor de politie, door de sporen die we achterlaten op het web. Intussen voelt de kijker van deze twee crimedocs zich ook een beetje een voyeur. Van levens die op hun kwetsbaarst vanuit allerlei hoeken en gaten zijn vastgelegd. Ter leering ende vermaeck.

Rules Of War

VPRO

‘Verkrachting’, houdt Albert de verzamelde militairen voor. ‘Is dat een taak voor soldaten?’ De Nederlander laat een stilte vallen. ‘Hoe komt het dan dat dit gebeurt?‘ Daarna komt er mondjesmaat reactie vanuit de groep. Die is kortweg samen te vatten met de dooddoener: dat gebeurt nu eenmaal in oorlog. En de ontkenning dat zij zich daaraan schuldig maken laat natuurlijk ook niet lang op zich wachten.

Albert, zelf oud-militair, confronteert Zuid-Soedanese (onder)officieren namens het Rode Kruis met de internationale Rules Of War (52 min.), die zijn vastgelegd in de Conventie van Genève. ‘Het is jullie taak om ervoor te zorgen dat burgers gespaard blijven’, houdt hij zijn gesprekspartners voor. ‘Dat is het enige doel van de oorlogsregels.’ Dit lijkt misschien een open deur, maar stuit toch op onbegrip en soms zelfs verzet. Want spelen die burgers niet onder één hoedje met de vijand? En staan internationale organisaties zoals het Rode Kruis dat dan niet oogluikend toe?

Regisseur Guido Hendrikx maakte eerder lekker dwarse films als Stranger In Paradise en A Man And A Camera en kijkt nu mee als Albert, die met een speedboot het Zuid-Soedanese binnenland doorkruist, heel elementaire uitgangspunten voor oorlogsvoering voorlegt aan gestaalde mannen die nauwelijks een wereld zonder strijd of oorlog kennen. Voor hen lijkt vooral ‘Befehl ist Befehl’ te gelden – of anders op zijn minst het recht van de sterkste.

De film bestaat vrijwel volledig uit socratische gesprekken waarin de ethiek van de doorgewinterde vechtjassen diepgaand wordt bevraagd, door een man uit een heel andere wereld. Waardoor ook culturele verschillen onvermijdelijk een rol gaan spelen in deze interessante botsing van normen, waarden, woorden en daden, waarbij het machinegeweer voor eenmaal is ingeruild voor een spervuur van woorden.

Crooked Lines Of Beauty – My Grandfather The Architect Carl Nyrén

AVROTROS

‘s Man gebouwen interesseerden hem eerlijk gezegd weinig, bekent Sven Blume. Hij herinnert zich zijn opa vooral als middelpunt van uitbundige familiefeesten in de gerieflijke villa die hij samen met oma Marianne bestierde. Die werden nogal eens afgesloten met een potje pingpong, waarbij opa zich een geduchte tegenstander betoonde. Hij liet zijn kleinzoon echt niet zomaar winnen. En die betaalde hem vervolgens met gelijke munt terug en sprak nooit met hem over architectuur. Ook omdat hij daar als jongen maar geen vat op scheen te krijgen.

Carl Nyrén (1917-2011) was nochtans een toonaangevende architect. In heel Zweden staan huizen, kerken, scholen, kantoren, fabrieken, musea en treinstations van zijn hand. Wat kunnen zijn gebouwen Blume nu vertellen over opa ‘Calle’? ‘Ik snap de architecturale grootheid er niet van’, constateert hij tijdens een eerste wandeling door het voormalige hoofdkwartier van Pharmacia op een industrieterrein bij Uppsala. ‘Het lijkt alsof niemand van dit gebouw houdt.’ Voor de mensen die er tegenwoordig actief zijn, constateert Sven enigszins somber, is het niet meer dan hun werkplek.

Terwijl hij in Crooked Lines Of Beauty – My Grandfather The Architect Carl Nyrén (58 min.) via oude interviews, 8mm-filmpjes en bezoeken aan allerlei gebouwen door het leven en werk van zijn grootvader struint, leert Sven Blume de man daarachter, een kind van het landschap Småland (dat ook Ikea voortbracht) veel beter kennen. Gaandeweg begint hij in zijn gebouwen echt Calle’s oog en hand te ontwaren, lukt het ook om de schoonheid daarvan te ontdekken en krijgt hij vat op diens architectonische erfenis. Achter elke afzonderlijke creatie zit echt een gedachte, een ideaal zelfs.

‘Als een gebouw klaar is, heb ik, de architect, er in mijn hoofd al jaren gewoond’, schreef zijn opa eens heel treffend. ‘De weg naar het eindresultaat is echter lang en bochtig. Als je daaraan begint, weet je nooit hoe en waar het eindigt.’

The Conquest Of Everest

Waarom moet iemand de Everest beklimmen? ‘Omdat hij er is’, antwoordde de vermaarde Britse klimmer George Mallory ooit in stijl. Samen met Andrew Irvine zou hij de berg in 1924 proberen te bedwingen. Tevergeefs. Geen van beiden kwam terug. Het zou nog bijna dertig jaar duren voordat een expeditie, bij de elfde poging, daadwerkelijk de top bereikte. Op 29 mei 1953 plantte (Sir) Edmund Hillary, terzijde gestaan door de sherpa Tenzing Norgay, zijn vlag op de bergtop. ‘De top van de wereld was bereikt.’

Waar hedendaagse klimdocu’s zoals Free SoloThe Alpinist of 14 Peaks: Nothing Is Impossible zich vooral richten op zulke glorieuze verrichtingen van een select groepje alpinisten en de ontberingen die zij daarbij moeten doorstaan, benadert de klassieker The Conquest Of Everest (75 min.) deze beklimming van de hoogste berg ter wereld, op de grens van Tibet en Nepal, eerder als een groepsprestatie, met tevens aandacht voor de antropologische en wetenschappelijke dimensies ervan.

Regisseur George Lowe had destijds natuurlijk ook geen drones, minieme cameraatjes of mobiele geluidsapparatuur tot zijn beschikking om elke stap omhoog tot in ijzingwekkend detail te vereeuwigen. Hoewel zijn documentaire uit 1953 daardoor qua spanning en dramatiek nooit kan wedijveren met hedendaagse topfilms, lukt het hem wel degelijk om het hachelijke karakter van de onderneming over het voetlicht te brengen – en wat er toentertijd allemaal nodig was om zo’n expeditie op te zetten.

Cameraman Tom Stobart, die zijn ongetwijfeld loodzware apparatuur ook mee naar boven moest zeulen, verricht daarbij fabuleus werk. Verteller Meredith Edwards krijgt tevens een sleutelrol toebedeeld. Hij voorziet de gebeurtenissen in het hooggebergte voortdurend van duiding, drama en achtergrondinformatie. En de alomtegenwoordige klassieke muziek maskeert tenslotte effectief dat de activiteiten van de helden ter plaatse zonder audio zijn vastgelegd. De film won niet voor niets een BAFTA en werd genomineerd voor een Oscar.

Enkele dagen na de verovering van Mount Everest werd overigens, om het Britse feest helemaal compleet te maken, Elizabeth tot koningin van het Verenigd Koninkrijk gekroond. Het waren de dagen van Brittannia rules the waves – ook al was het dan via een Nieuw-Zeelander (Hillary) en kind van de Himalaya (Norgay).

Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy

Prime Video

In de nasleep van de Rodney King-rellen in Los Angeles startte Guy Torry begin jaren negentig een speciale avond met louter zwarte comedians in The Comedy Story. Dat podium zou een springplank worden voor een nieuwe generatie Afro Amerikaanse stemmen, zoals Martin Lawrence, Chris Tucker en Kevin Hart.

In de driedelige serie Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy (158 min.) kijkt Reginald Hudlin met de fine fleur van de Amerikaanse stand-upcomedy terug op die glorieperiode. ‘Guy stuurde een groep jonge, zwarte professionals aan’, vertelt comedian Dave Chappelle bijvoorbeeld. ‘Er zaten wat gangsterrappers bij, maar het was een eclectisch gezelschap. Zoals het leven van zwarte Amerikanen ook divers is. Het was geen eenheidsworst. De één was naar Harvard geweest, een ander naar de gevangenis.’

Phat Tuesday was voor hen een vuurdoop, vertellen entertainers als Steve Harvey, Tiffany Haddish, Cedric The Entertainer, Snoop Dogg en Regina King. Want Will Smith, Magic Johnson of Prince konden zomaar in de zaal zitten. En een zwart publiek is sowieso geen gedwee publiek. Een beleefd applaus hoef je als halfbakken grappenmaker niet te verwachten. Als het hen niet bevalt, laten ze dit op niet mis te verstane wijze merken. Ze beginnen misprijzend te kijken, draaien zich demonstratief van je af of roepen iets in de trant van: ‘Heb je ook nog wat leuks, gast?’

In de kantlijn worden er af en toe ook min of meer serieuze thema’s behandeld – seksisme, transcomedians en ‘bomben’, de plank helemaal misslaan, bijvoorbeeld – maar deze miniserie is eerst en vooral een ongegeneerde viering van de zwarte humor. Met veel sterke verhalen, popi jopi-gedrag en snelle grappen.