Six Schizophrenic Brothers

Firecracker

In de eerste vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog kregen Don en Mimi Galvin maar liefst tien zoons. Begin jaren zestig werd het Amerikaanse gezin op de valreep ook nog verrijkt met twee meisjes: Margaret en Mary. En die laatste, de jongste dus van in totaal twaalf kinderen, fungeert nu als verteller voor het tragische verhaal van haar familie. Mary Galvin wordt daarbij in de rug gesteund door enkele broers: nummer drie (John), zes (Richard) en acht (Mark). Samen verhalen ze over hun Six Schizophrenic Brothers (168 min.).

Deze vierdelige serie van Lee Phillips is gebaseerd op het indringende boek Hidden Valley Road: Inside The Mind Of An American Family (2020) van Robert Kolker. Over een gezin met een onmogelijk kruis om te dragen. Als na oudste zoon Donald ook nummer twee (Jim) en vier (Brian) als jongvolwassene ernstig gestoord gedrag beginnen te vertonen, wordt duidelijk dat er een genetische kwetsbaarheid zit in de familie Galvin. Uiteindelijk zullen zes zoons ten prooi vallen aan schizofrenie. Ze krijgen last van hallucinaties, horen stemmen en verliezen zich in onwerkelijke angsten.

In de jaren zeventig escaleert de situatie volledig bij het gezin dat z’n intrek heeft genomen in een huis aan Hidden Valley Road in Colorado Springs. De ene na de andere zoon ontspoort, soms onder invloed van het gebruik van softdrugs. Don, docent op de luchtmachtacademie, en zijn zorgzame vrouw Mimi kunnen hun zoons al snel niet meer de baas. Ze worden steeds gewelddadiger, een gevaar voor zichzelf en hun directe omgeving. Totdat het komt tot enkele huiveringwekkende incidenten, die een spoor van verwarring, pijn en verdriet door de Galvin-familie trekken.

Er valt best het nodige aan te merken op Six Schizophrenic Brothers. De miniserie wordt bijvoorbeeld enigszins ontsierd door opzichtige true crime-clichés (cliffhangers, duistere reconstructiebeelden en een onheilspellende soundtrack) en platte horror-esthetiek (gebroken spiegels en brandende foto’s bijvoorbeeld). Ook het idee om de zieke broers Don (één), Matthew (negen) en Peter (tien) te interviewen in een soort duistere parkeergarage, waarmee ze in wezen worden gelijkgeschakeld aan de eerste de beste creep uit een trashy crimedocu, getuigt bepaald niet van goede smaak.

Phillips kijkt in eerste instantie ook nauwelijks over de persoonlijke verhalen van de broers heen. Geen aandacht dus voor de mogelijke (erfelijke) oorzaak van de Galvin-problematiek.  De filmmaker concentreert zich liever op de drama’s en excessen; van mishandeling en seksueel misbruik tot zelfdoding en moord. Methodisch werkt hij die individuele verhalen vervolgens uit tot een familieportret, dat zo schrijnend is dat het toch niemand koud zal laten. En uiteindelijk plaatst hij alle gebeurtenissen weer in hun context, waarbij tevens het grotere verhaal, schizofrenie, in beeld komt.

Hoe tragisch ook, de familie Galvin is een zeer geschikt onderzoeksobject om de wetenschappelijke kennis over deze verpletterende aandoening verder uit te diepen. En dat houdt natuurlijk ook niet op bij de kinderen die Don en Mimi tussen 1945 en 1965 op de wereld hebben gezet. Hoe vergaat ’t bijvoorbeeld hun nageslacht? Deze serie, die ondanks al z’n gebreken tóch een indringende kijkervaring wordt, eindigt dan ook bij Mary Galvins kinderen: wat betekent ‘t voor hen, en hun geestesgesteldheid, om Zes Schizofrene Ooms te hebben?

Mary Galvin was bij nader inzien, getuige dit interview, toch niet zo tevreden over de insteek, toon en de vormgeving van de serie.

Catching Fire: The Story Of Anita Pallenberg

Magnolia Pictures

Ze ruilde de ene Stone in voor de andere, zo wil het verhaal. Toen Anita Pallenberg in 1967 genoeg had van de gewezen bandleider Brian Jones, die zich steeds onmogelijker was gaan opstellen en ook zijn handen niet thuis kon houden, was ze tijdens een autorit van Parijs naar Tanger op schoot gekropen bij Keith Richards. De gitarist had stiekem al een tijd een oogje op haar. ‘Mijn nacht met Keith was een openbaring’, schrijft ze daarover. ‘Zo teder en liefdevol.’

En toen Anita een seksscène met zanger Mick Jagger moest opnemen voor de speelfilm Performance (1970) liep ook die volledig uit de hand. Ze sprak er volgens haar ongepubliceerde autobiografie Black Magic – voor de documentaire Catching Fire: The Story Of Anita Pallenberg (113 min.) ingesproken door de actrice Scarlett Johansson – nooit over met Keith. Als reactie schreef hij wel een nummer: de Rolling Stones-klassieker Gimme Shelter.

En ook zijn bloedsbroeder Mick gaf niet zomaar op. Tijdens een gezamenlijke trip naar Zuid-Amerika vroeg hij de inmiddels zwangere femme fatale – gewoon van Keith overigens – meermaals om er samen tussen uit te knijpen. Toen Anita weigerde, schreef ook hij een Stones-evergreen: You Can’t Always Get What You Want. Enkele maanden voordat ze beviel van een zoon, Marlon, kwam vervolgens haar vroegere vlam Brian Jones te overlijden.

Toch zou het veel te kort door de bocht zijn om Anita Pallenberg (1942-2017) te reduceren tot de archetypische Stones-groupie en -muze. Of tot Keiths drugsmaatje, die andere voor de hand liggende mogelijkheid. Want daarmee wordt zij óók altijd geassocieerd: met een kolossale heroïneverslaving. Samen gingen ze díép – en probeerden ze ook nog twee kinderen groot te brengen, Marlon en zijn jongere zusje Angela ‘Dandelion’ Richards.

Toen Anita nog een derde kind had gekregen, ging ‘t mis. Keith was op tournee met The Stones en trad die avond gewoon op. Zoals wel vaker stond ze er alleen voor. Zij zou nooit één van de jongens kunnen worden. Dat had ze al veel vaker ervaren, betoogt dit portret van Alexis Bloom en Svetlana Zill. Want hoeveel talent ze ook had als fotomodel, actrice en fashionista, zelfs een eigenzinnige vrouw zoals Anita Pallenberg bleef overgeleverd aan mannen.

‘The Bus’ komt altijd eerst, vertelt Marlon Richards over de band van zijn vader. En die was volgens hem bepaald niet gezond. ‘Je moet zorgen dat je op tijd uitstapt.’ Dat zou zijn moeder nog jaaaren kosten – ook al had ze de Halte Keith toen al wel vaarwel gezegd. Om de drugsscene definitief achter zich te laten was nog zo’n klassiek Pallenberg-drama nodig: een jonge man – naar verluidt onder invloed van haar, drugs en The Deer Hunter – die in haar huis een einde aan z’n leven maakte.

Deze film plaatst al die smeuïge anekdotes binnen Anita Pallenbergs levensgeschiedenis. Zoals ze die zich zelf herinnerde. Met daarbij rugdekking van haar kinderen, enkele vrienden en archief-quotes van Keith Richards en de voormalige Jagger-muze, Marianne Faithfull. En omlijst met prachtig beeldmateriaal. Uit de tijd dat zij de zesde Stone was, die van ondeugende jochies toonaangevende kerels maakte. Zoals Richards ruiterlijk bekent: ‘She made a man out of me.’

En zij zou zich uiteindelijk aan hem ontworstelen. Aan zijn band vooral. Al besteedt ook deze doortimmerde film het leeuwendeel van zijn speelduur aan de onstuimige jaren dat Anita Pallenberg, met al haar creativiteit en ‘joie de vivre’, het vuur in en om The Rolling Stones ongenadig oppookte.

99

Prime Video

Drie wedstrijden in tien dagen. Alles of niets. De ‘treble’ of een gigantisch feest van de gemiste kansen. Manchester United kan in mei 99 (168 min.) geschiedenis schrijven. Het kampioenschap, de FA Cup én de Champions League binnenhalen. Of sterven in schoonheid.

Aan het begin van het seizoen ’98-’99 wordt er nog openlijk getwijfeld aan Uniteds manager Alex Ferguson, zijn omstreden sterspeler David Beckham en de nieuwe aankoop, de Nederlandse centrale verdediger Jaap Stam. Het voorgaande seizoen is United genadeloos afgetroefd door Arsène Wengers Arsenal, met de Nederlanders Bergkamp en Overmars in de gelederen. Vlak voor het seizoen heeft Ferguson zelfs nog zijn ontslag ingediend, blijkt nu, 25 jaar later. ‘Dat gesprek had ik niet graag met hem gevoerd’, reageert rechtsback Gary Neville. ‘Dat hoor ik vandaag voor het eerst.’

In deze driedelige serie van het productieteam achter Beckham, geregisseerd door Sampson Collins, zijn eigenlijk alle direct betrokkenen van de partij: van topspelers zoals David Beckham, Ryan Giggs, Paul Scholes, Peter Schmeichel, Andy Cole, Dwight Yorke en Jaap Stam tot coach Ferguson, zijn assistent Steve McClaren en de Nederlandse reservekeeper Raimond van der Gouw. Alleen aanvoerder Roy Keane schittert door afwezigheid. Zijn voormalige teamgenoten spreken over het algemeen niet met meel in de mond en delen de geheimen die doorgaans in de kleedkamer blijven.

Geen enkele chemie tussen de spitsen Cole en Sheringham bijvoorbeeld. De vormcrisis van sterkeeper Peter Schmeichel. Een vechtpartij in de kleedkamer. Het plotselinge vertrek van assistent-trainer Brian Kidd, die als het cement tussen de verschillende stenen wordt beschouwd. Een in de pers breed uitgemeten slippertje van twee spelers. In eerste instantie wijst niets op een superseizoen, waarin ManU geschiedenis gaat schrijven. Zulke verhaallijnen vormen zich natuurlijk ook pas achteraf, als de prijzen zijn verdeeld en ‘gewone’ topspelers blijken te zijn uitgegroeid tot tijdloze helden.

Al wordt de kern van Alex Fergusons ploeg natuurlijk nog altijd gevormd door The Class Of ’92, spelers uit eigen jeugd die zijn klaargestoomd om op absoluut topniveau te presteren. Hun inspanningen komen tot een ongelofelijke climax tijdens de Champions League-finale tegen Bayern München. Voor aanvang staat de Britse topclub nog op achterstand: de middenvelders Roy Keane en Paul Scholes zijn geschorst. Na afloop staat er een bijna Duits uitroepteken achter. De 93 enerverende minuten daartussen vormen de logische apotheose van deze gesmeerd lopende sportserie.

The Beach Boys

Disney+

Terwijl de rest van The Beach Boys (113 min.) halverwege de jaren zestig de wereld rondreizen met hun zonnige popsongs, laat songschrijver, arrangeur en producer Brian Wilson, die ’t niet langer kan opbrengen om te toeren, de eenvoudige surfliedjes waarmee ze zijn doorgebroken definitief achter zich. Uitgedaagd door hun grote Britse rivaal The Beatles stijgt hij in de studio, in de rug gedekt door de gerenommeerde muzikanten van The Wrecking Crew, tot imposante hoogte. Met als resultaat het album Pet Sounds (1966) dat, hoewel niet direct een commercieel succes, inmiddels alom wordt beschouwd als een meesterwerk – en Wilson als een genie.

‘Het probleem was dat Brian werd onthaald als een genie, maar dat de rest van de band eigenlijk nauwelijks waardering kreeg’, stelt zanger Mike Love in deze gezaghebbende documentaire van Frank Marshall en Thom Zimny. ‘Dan was het misschien ook wat gemakkelijker geweest voor Brian om met dat predicaat om te gaan.’ Want het genie achter de schermen legt een enorme druk op zichzelf, worstelt met zijn dominante vader Murray en voelt dat hij niet altijd de onvoorwaardelijke steun heeft van zijn groepsgenoten. Gaandeweg raakt hij verstrikt in de kronkels van zijn eigen geest. Totdat het genie eigenlijk alleen nog maar in bed wil liggen.

Wilsons persoonlijke tocht over hoge toppen en door diepe dalen is onlangs al, met zijn eigen medewerking, gedocumenteerd in Brian Wilson: Long Promised Road (2021). Deze nieuwe film concentreert zich meer op de hoogtijdagen van zijn groep, met hem en de nog levende andere leden Mike Love, Al Jardine, David Marks en Bruce Johnston. Brians overleden broers Wilson, Dennis (1944-1983) en Carl (1946-1988), zijn aanwezig via archiefinterviews. Hun verhalen worden aangevuld door Brian Wilsons eerste vrouw Marilyn, producer Don Was en collega’s/fans zoals Janelle Monáe, Lindsey Buckingham (Fleetwood Mac) en Ryan Tedder (OneRepublic).

Dit levert geen nieuwe inzichten op over de tot Beach Boys gedoopte muzieknerds, die bij de eerste de beste golf al van hun surfboard donderden. Deze documentaire schetst echter wel een compleet en afgewogen beeld van hun gloriejaren en is natuurlijk volgestort met prachtig beeld- en geluidsmateriaal. De harmonieën van de drie Wilsons, hun neef Mike en de vrienden Al, David en Bruce zijn bijvoorbeeld nog altijd onovertroffen en een zegen en inspiratiebron voor iedereen met een pophart – of het verlangen om ook stiekem een ‘surf dude’ te zijn.

Quiet On Set: The Dark Side Of Kids TV

HBO Max / Discovery+

Eigenlijk mag het geen verbazing wekken: in elke kinderrijke omgeving melden zich vroeger of later ook lieden met minder nobele motieven. Zo bezien is het niet meer dan logisch dat de kinderzender Nickelodeon rond de eeuwwisseling enkele mannen met een ongezonde voorliefde voor minderjarige jongens en meisjes in dienst blijkt te hebben. Zij krijgen alleen wel erg veel ruimte in een werkomgeving waar grensoverschrijdend gedrag de norm lijkt.

In de vierdelige serie Quiet On Set: The Dark Side Of Kids TV (177 min.) leggen Mary Robertson en Emma Schwartz de verantwoordelijkheid daarvoor bij de showrunner Dan Schneider, die van bijrolletjes als de ‘fat kid’ gaandeweg uitgroeit tot een man die anderen kan maken en breken – en die ook duidelijk geniet van die macht. Daarna zoomen ze in op enkele concrete gevallen van seksueel misbruik. Zo verhaalt MJ, de moeder van de elfjarige Brandi, bijvoorbeeld over de ervaringen van hun dochter met een pedoseksueel teamlid.

Ook de alom geliefde dialoogcoach, die als ‘Pickle Boy’ tevens een terugkerend personage voor zijn rekening neemt, raakt ernstig in opspraak. De man heeft thuis een zelfportret van seriemoordenaar John Wayne Gacy, met wie hij er ook een levendige correspondentie op nahoudt, aan de muur hangen. Hij ontwikkelt al snel een ziekelijke fascinatie voor Drake Bell, één van de hoofdrolspelers van de jeugdsitcom Drake & Josh, die hierover voor het eerst publiekelijk vertelt. Het is een indringend relaas, dat nog altijd doorwerkt in Drakes huidige leven.

Deze miniserie richt zich tenslotte op hoe (on)gezond het überhaupt is om als kind mee te draaien in de keiharde televisiewereld en dan overgeleverd te zijn aan de grillen van volwassenen die hun eigen ideeën hebben over wat kies is en wat niet. Ogenschijnlijk onschuldige scènes met voormalige kindersterren zoals Amanda Bynes, Jamie Lynn Spears en Ariana Grande krijgen, met volwassen ogen bekeken, ineens een erg ongepast karakter. En er zijn natuurlijk ook legio voorbeelden van beroemde kids die op latere leeftijd serieus in de problemen zijn gekomen.

Quiet On Set zet alle Nickelodeon-verhalen netjes op een rijtje. Dat levert weliswaar geen wezenlijk nieuwe inzichten op, maar vormt een aardige aanvulling op waar documentaires zoals An Open Secret en Showbiz Kids enkele jaren geleden al de schijnwerpers op zetten: Hollywood als zo ongeveer de ongezondste plek op aarde om op te groeien.

Turning Point: The Bomb And The Cold War

Netflix

Zonder Koude Oorlog geen Vladimir Poetin, betoogt aflevering 1 van Turning Point: The Bomb And The Cold War (619 min.). Zo bezien is de Russische inval in Oekraïne een logisch gevolg van de geopolitieke ontwikkelingen sinds grofweg de Tweede Wereldoorlog. Dat punt hamert regisseur Brian Knappenberger, die in 2021 ook de ambitieuze vijfdelige serie Turning Point: 9/11 And The War On Terror afleverde, er steeds in. Elke aflevering van deze nieuwe serie begint in het hier en nu en daalt vervolgens af in het verleden.

Op die manier bestrijkt Knappenberger de gehele Koude Oorlog: van hoe de communistische ideeën van Marx en Engels aan het begin van de twintigste eeuw het fundament vormen onder de Sovjet-Unie tot het uiteenvallen daarvan begin jaren negentig, het vermeende eindpunt van de oorlog. Turning Point is dan zeven afleveringen onderweg en heeft alle bekende thema’s van de Koude Oorlog behandeld: Oppenheimers atoombom, het genadeloze Stalinisme, de angst voor een nucleaire oorlog, het IJzeren Gordijn, de Berlijnse muur, het McCarthyisme, stress rond de Cubacrisis, de wapenwedloop, Nixons détente en Reagans ‘evil empire’, Sovjet-dissidenten, ‘Star Wars’, de kernramp in Tsjernobyl, de Poolse vakbond Solidariność, glasnost en perestrojka, het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing en de val van de Muur.

Het zijn onderwerpen waarover al uit en te na is gepubliceerd, maar die nu nog eens netjes op een rij worden gezet, zijn verlevendigd met archiefbeelden en worden uitgediept door een uitgelezen verzameling historici, beslissers en direct betrokkenen. Het interessantst wordt de serie als de grote geschiedenis gewone mensen raakt. Overlevenden van Hiroshima en Nagasaki. De zoon van Julius en Ethel Rosenberg, het Amerikaanse echtpaar dat vanwege hoogverraad ter dood is gebracht. De achterkleindochter van de Russische leider Nikita Chroesjtsjov, Nina. Een Oscar-winnende actrice, Lee Grant, die vanwege communistische sympathieën in de ban wordt gedaan. Pentagon Papers-klokkenluider Daniel Ellsberg. En de dappere Litouwse man die tijdens de onafhankelijkheidsstrijd een Russische tank weerstaat.

Als Brian Knappenberger de Sovjet-Unie uiteindelijk heeft laten verschrompelen, blijven er nog twee afleveringen van Turning Point over om de opkomst te schetsen van een nieuwe leider die, gefrustreerd over het uiteenvallen van het grote Russische Rijk en vastbesloten om die historische fout met alle mogelijke middelen recht te zetten, de verhoudingen tussen Oost en West weer ouderwets op scherp zal zetten. Deze lijvige serie brengt daarmee niet zozeer nieuw terrein in kaart, maar probeert vooral verband aan te brengen tussen allerlei verschillende verhaallijnen die gezamenlijk de verhoudingen in de hedendaagse wereld hebben bepaald.

Time Bomb Y2K

HBO

In de wetenschap dat die hele millenniumbug niet meer dan een storm in een glas water is gebleken, krijgen de doemscenario’s in Time Bomb Y2K (80 min.) al snel iets komisch. Op 1 januari 2000 zou de wereld met de ene na de andere ramp worden geconfronteerd. Van falende energievoorzieningen en een imploderend financieel systeem tot plotse hongersnood en acute problemen met kernreactoren en -bommen.

En dat allemaal vanwege één kortzichtige bezuinigingsmaatregel: computerprogrammeurs hadden in allerlei systemen alleen de laatste twee cijfers van een jaartal ingevoerd: 99 dus, in plaats van 1999. En dat moest volgens Amerikaanse computerexperts zoals Peter de Jager bij de start van 00 wel tot ernstige problemen leiden. Hij luidde de noodklok. En niet één keer, maar zowat continu. Totdat je er horendol van werd. Het begon verdacht veel op een businessmodel te lijken.

Dat is ook precies de kritiek die De Jager krijgt. Verdien jij niet gewoon de kost met mensen doodsbang maken? vraagt een interviewer van het televisieprogramma Crossfire hem bijvoorbeeld venijnig. Deze docu van Marley Mcdonald en Brian Becker toont nog talloze andere voorbeelden van hoe mensen reageren op de bug: Y2K-survivalists willen terug naar de natuur. Religieuze leiders krijgen een boodschap van God. En gewapende milities zien er munitie in voor hun strijd tegen de overheid.

Het is niet moeilijk om in deze heerlijke archieffilm, op smaak en tempo gebracht met een kleurrijke soundtrack, parallellen te vinden met de Coronacrisis. Van ontkenners (‘hoax van computerprogrammeurs‘) tot gelovigen (‘The End Of The World As We Know It’). John Koskinen haalt na oudejaarsnacht opgelucht adem. Als alles goed gaat, dan zijn ze jou snel vergeten, stelt de door de Amerikaanse regering aangestelde millenniumtsaar. Maar gaat het mis, dan weten ze je te vinden.

Met louter bestaand materiaal hebben Mcdonald en Becker intussen treffend de tijdgeest opgeroepen. Zodra ze bij de start in 1995 beginnen af te tellen naar het nieuwe millennium/Doomsday komt alles terug: de angst- en juichverhalen over computers en het internet, alle pogingen om ook deze ‘good crisis’ vooral niet te verpesten en media die met alle winden meewaaien, om maar in de gunst van hun publiek te blijven. Het was van toen, is ook van nu en wordt ongetwijfeld eveneens van straks.

Uiteindelijk werd het dus een tamelijk geruisloze transitie naar de 21e eeuw, waarin George W. Bush al snel president van de Verenigde Staten werd, de aanslagen van 11 september al in de pijplijn zaten en de mens nog heel veel technologische uitdagingen te verwerken zou krijgen. Tijdens die veelbesproken jaarwisseling kwam er bovendien, bijna ongemerkt, een man aan de macht in Rusland waarvan destijds veel werd verwacht in het westen. Hij zit er nog steeds: Vladimir Poetin, de ramp die niemand zag aankomen.

The Ringleader: The Case Of The Bling Ring

HBO Max

Paris Hilton, Lindsay Lohan, Rachel Bilson, Orlando Bloom, Audrina Patridge, Brian Austin Green, Megan Fox, Ashley Tisdale… Het lijken niet meer dan kerven in haar kolf. Samen met enkele andere Amerikaanse tieners brak Rachel Lee in 2008 en 2009 in bij een hele stoet celebrities. Zij hielden er een geuzennaam aan over, The Bling Ring. En dat is tevens de titel van de speelfilm die Sofia Coppola in 2013 over hen maakte. Die werd vorig jaar gevolgd door de documentaire The Real Bling Ring: Hollywood Heist van Miles Blayden-Ryall. Daarin gaven met name de bendeleden Nick Prugo en Alexis Neiers, die destijds enige bekendheid genoot als realitysterretje, hun versie van de gebeurtenissen.

Want een goed verhaal blijven we vertellen – en kunnen we ook steeds opnieuw horen. Er slingeren ook nog een boek en podcast over de geruchtmakende kwestie in het rond. TikTok is er vast ook al eens op losgegaan. En nu krijgen we dat verhaal dus uit de eerste hand: via de ‘ringleader’, die doorgaans, in tegenstelling tot haar handlangers, buiten beeld probeert te blijven. En het wordt verteld door een gekende true crime maker, die er ook een fascinatie op nahoudt voor de celebritycultuur: Erin Lee Carr (Mommy Dead And DearestI Love You, Now Die: The Commonwealth v. Michelle CarterHow To Fix A Drug ScandalBritney vs Spears en Undercurrent: The Disappearance Of Kim Wall).

Samen met haar vader David (een professionele pokeraar), Eden – géén artiestennaam! – Shizzle (een vriend én slachtoffer van Nick Prugo die alsnog publiekelijk zijn recht wil halen), de onvermijdelijke entertainmentjournalisten (waarbij je een type als Amy Kaufman van The Los Angeles Times ervan verdenkt dat ze zelf ook wel bij die Ring had willen horen) en de officieren van justitie (die de spotlights ook bepaald niet mijden) wil Rachel ‘de Hollywood-versie’ van dat verhaal bijstellen. Zij vertelt liever over haar jeugd – Koreaanse afkomst, gescheiden ouders, niet populair op school, verkeerde vrienden en drugsgebruik – en hoe die haar automatisch naar de woning van een beroemdheid leidde.

In werkelijkheid besteedt deze film natuurlijk vooral aandacht aan de modus operandi, mores en persoonlijkheden van de Californische rijkeluiskinderen. Hoe ze eerst via de website Celebrity Addres Aerial uitzochten waar een beroemdheid woonde. En op de entertainmentsite TMZ dan konden ontdekken wanneer die – vanwege een filmdag, première of feest – niet thuis zou zijn. Hun eerste slachtoffer was Paris: die had zoveel troep dat ze ‘t toch niet zou missen of zelfs maar zou ontdekken dat er iets was gestolen. En haar huissleutel lag – werkelijk waar! – onder de deurmat. Alleen jammer – of toch niet – dat ze op de terugtocht werden gefilmd. Fame by surveillancecamera, zoiets.

Tegenwoordig is Rachel Lee een ander mens. Zegt ze. Geen ‘meestermanipulator’ of ‘sociopaat’ meer. The Ringleader: The Case Of The Bling Ring (95 min.) voelt desalniettemin als een poging om schoon schip te maken – of om, veertien jaar na dato, de regie over het Bling Ring-verhaal terug te pakken. Als ze écht van deze vlek op haar imago af wil, lijkt het misschien toch verstandiger om er niet in te gaan wrijven. Deze docu van Erin Lee Carr voegt ook weinig toe aan The Real Bling Ring – al kan datzelfde net zo goed worden gezegd over Blayden-Ryalls docu, die toevallig een jaartje eerder is uitgebracht. Ze maken allebei goede sier met een mediageniek misdaadverhaal.

AC/DC: Forever Young

Arte

Ooit waren er drie broers. George, Malcolm en Angus. In die volgorde – al was het in de ogen van de wereld precies andersom: Angus Young, de absolute blikvanger van de Australische hardrockband AC/DC. Een gitaarheld, vermomd als eeuwige schooljongen. Zijn grote broer Malcolm Young, de bandleider die voor buitenstaanders op een willekeurige slaggitarist leek. En George Young, hun oudste broer die zelf naam had gemaakt met The Easybeats, vervolgens de Youngsters wegwijs maakte in de muziekwereld en samen met zijn bandmaatje Harry Vanda meteen ook hun eerste platen produceerde.

Samen schreven ze muziekgeschiedenis. Ook doordat ze de flamboyante zanger Bon Scott op de kop wisten te tikken, een ongegeneerd rockbeest dat de krachtige stampers van de gebroeders Young lekker uit de bocht liet vliegen. Totdat hij zichzelf op 19 februari 1980 definitief verslikte in zijn eigen drankzucht. Tegen die tijd had de AC/DC-machine echter allang de Highway To Hell bereikt en kon zijn opvolger Brian Johnson simpelweg aanhaken. Met hem zouden Malcolm en Angus enkele maanden later hun grootste succes boeken, het album Back In Black. Waarna ze de band vier decennia lang met het nodige kunst- en vliegwerk op koers wisten te houden.

De degelijke tv-docu AC/DC: Forever Young (53 min.) van Marie-Claire Javoy en Dominique Mesmin richt zich vooral op de beginjaren van de ogenschijnlijk onverwoestbare groep. De Young-broers komen daarbij niet aan het woord – al is Angus wel te horen in enkele archiefinterviews. De smakelijke anekdotes en inkijkjes, waarmee AC/DC’s nog altijd bijzonder opwindende concertbeelden zijn omkleed, komen van mensen uit de periferie van de band: eerste bassist Mark Evans, oud-drummer Chris Slade, studiomuzikant Tony Currenti, geluidstechnicus Mark Opitz, voormalig manager Michael Browning, fotograaf Philip Morris en biograaf Murray Engleheart.

Intussen is er nog maar één broer over. In oktober 2017 stierf de grote inspirator van AC/DC, George Young. Een kleine maand later overleed ook bandleider Malcolm, nadat hij zijn mannen al in 2014 had moeten achterlaten vanwege gezondheidsproblemen. Alleen Angus is over, ‘the last Young-man standing’. Alhoewel, tegenwoordig zit er ook een neefje in de groep: Stevie.

Ganz Normale Männer: Die “Vergessene Holocaust”

Netflix

Ze hóefden helemaal niet te schieten. Het is een schokkende constatering, bij de start van Ganz Normale Männer: Der “Vergessene Holocaust” (58 min.). De mannen die in 13 juli 1942 in Polen van dichtbij zo’n 1500 Joodse mannen, vrouwen en kinderen doodschoten, hadden dat bevel naast zich neer kunnen leggen. ‘Als je durfde te zeggen: “ik wil niet schieten” werd je misschien gezien als een lafaard en kreeg je een aantekening in je dossier’, stelt historicus Christopher Browning, wiens boek Ordinary Men als onderlegger fungeerde voor deze film. ‘Maar je werd niet zwaar gestraft.’

Wat was dan toch de motivatie van deze gewone Duitse mannen? vraagt de Britse acteur Brian Cox, die dienst doet als verteller van deze pijnlijke en met acteurs aangeklede historische exploratie, namens regisseur Manfred Oldenburg. Het waren géén bloedfanatieke nazi’s, doorgewinterde criminelen of zorgvuldig geselecteerde psychopaten. De killers leken gewoon een onopvallende dwarsdoorsnede van de burgerbevolking van Hamburg en directe omgeving. Zij zouden zich desondanks te buiten gaan aan gruwelijke oorlogsmisdaden.

Nadat hun geliefde majoor Wilhelm ‘papa’ Trapp het bevel had gegeven, dat hemzelf duidelijk zwaar viel, deed hij zijn mannen zelfs nog een aanbod: ‘Als iemand het niet kan opbrengen kun je eruit stappen en hoef je niet mee te doen.’ Slechts een tiental mannen van het reservepolitiebataljon 101 zou daarvan gebruik maken. De rest reageerde niet, ongetwijfeld in een poging om niet uit de toon te vallen. Zij leverden vervolgens een significante bijdrage aan de beruchte dodenlijsten van de nazi’s, die uiteindelijk miljoenen namen zouden bevatten.

Met historici, psychologen, sociologen en de befaamde jurist Benjamin Ferencz (hoofdaanklager bij het zogenaamde Einsatzgruppen-proces in 1947 en 1948 te Neurenberg, waarbij na de Tweede Wereldoorlog leden van de doodseskaders van de nazi’s werden berecht) onderzoekt Oldenburg wat de mannen achter zulke massa-executies, waarbij dader en slachtoffer oog in oog met elkaar kwamen te staan, heeft bezield? Was het groepsdruk, de ‘sociale straf’ die ongetwijfeld zou volgen? Duidelijk is dat hun gruweldaden ook voor hen niet zonder gevolgen bleven.

‘Veel van de schutters zijn getraumatiseerd door het moorden’, stelt verteller Cox en trekt vervolgens een bijzonder wrange conclusie. ‘Dat is een van de redenen dat eind 1941 grote vernietigingskampen zoals Auschwitz ontstonden. Het proces van massamoord moest effectiever en milder zijn voor de daders.’

Scouts Honor: The Secret Files Of The Boy Scouts Of America

Netflix

Natuurlijk, het gaat om andere mensen, herinneringen en voorbeelden, maar uiteindelijk komt het toch neer op hetzelfde thema, vergelijkbaar verdriet en een identieke doofpot. De documentaire Scouts Honor: The Secret Files Of The Boy Scouts Of America (95 min.) van Brian Knappenberger vertelt in wezen precies hetzelfde verhaal als Irene Taylors Leave No Trace, een geladen docu die onlangs werd uitgebracht via de streamer Disney+. En zoals ‘t een rechtgeaarde Amerikaanse productie betaamt, ligt de hele kwestie al in de eerste minuten op tafel. Zodat iedereen weet wat ie kan verwachten – en vooral doorkijkt.

Dat maakt het enorme aantal meldingen van seksueel geweld bij de Amerikaanse scouting overigens niet minder stuitend. In de jaren twintig en dertig werd er in de media al bericht over de zogenaamde ‘red flag list’ van de scouting en seksueel misbruik van kwetsbare jongetjes. Jeugdactiviteiten trekken nu eenmaal lieden met een ongezonde interesse in kinderen aan, stelt journalist Patrick Boyle, die de hand wist te leggen op de zogenaamde ‘perversion files’. Hij schreef ook een boek over de schokkende kwestie, die de officiële scoutingsorganisatie maar al te graag onder de pet hield.

‘Wil je de waarheid of wat me was opgedragen om te zeggen?’ vraagt oud-politieman Michael Johnson, die in 2010 hoofd jeugdbescherming van de Boy Scouts werd, aan het begin van deze film. Knappenberger is duidelijk: hij wil beide versies horen. En dus gaat de beerput helemaal open. Over seksfeesten, kinderporno en suïcide. Bij een organisatie, die er nog niet zo lang geleden ronduit homofobe ideeën op nahield. En over het toedekken van het misbruik, de wrange dwarsverbanden met de kerk en het ontmoedigen van slachtoffers om aangifte te doen.

Melden betekent toch naar de politie gaan? vraagt Brian Knappenberger voor de zekerheid aan Steve McGowan, juridisch adviseur van de Boy Scouts of America. ‘Voor een scout betekent het dat je naar een volwassene gaat’, antwoordt die. ‘Een ouder, een leider.’ En zo is het spoor dus jarenlang doodgelopen. Inmiddels staat de teller op 82.000 meldingen van seksueel misbruik. 82.000 ervaringsverhalen van voormalige scouts, die jarenlang verborgen zijn gebleven achter de verdedigingslinie die de scoutingorganisatie in zulke gevallen optrekt.

Zoals het indringende relaas van Mark Eaton. Hij werd op tienjarige leeftijd gemolesteerd door een begeleider, die vanwege incidenten bij andere scoutingafdelingen al op de lijst van ‘Ongeschikte Vrijwilligers’ was geplaatst. Daarna ging de man echter gewoon elders in de weer met scouts. ‘Ik wil een deel van het stigma wegnemen rond jongens die slachtoffer zijn’, vertelt Eaton over zijn beweegredenen om zich nu uit te spreken. ‘Er rust nog steeds een erg groot taboe op jongens die het slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik door een man.’

Die schaamte laten Eaton en zijn lotgenoten hier collectief achter zich. Voor de tweede keer, in relatief korte tijd. Tegelijkertijd zit er natuurlijk geen limiet aan het aankaarten van onrecht. Het is nooit genoeg. Totdat het, voorlopig althans, de wereld uit is geholpen.

The Secrets Of Hillsong

Disney+

Hij lijkt in niets op zo’n archetypische Amerikaanse kerkleider. Carl Lentz oogt niet vroegoud, heeft geen gebeeldhouwde grijswitte haarhelm en zwaait ook niet voortdurend met een vertoornde vinger. Zijn glimlach is zelfs eerder ondeugend dan vaderlijk. Lentz paart een vlotte babbel, traditionele waarden en een optimistisch verhaal aan een gespierd lichaam, coole tattoos, skinny jeans en leren jacks van Yves Saint Laurent. Als leider van Hillsong New York ontwikkelt hij zich zo tot ‘pastor van de sterren’. Justin Bieber, Selena Gomez, Kylie Jenner en Tyson Chandler scharen zich graag aan zijn zijde.

Elk weekend wordt de megakerk Hillsong in dertig landen door zo’n 150.000 mensen bezocht. Ze staan in de rij voor diensten, die een christelijke mixture van een one man show en rockconcert lijken. Deze bijeenkomsten, en de bijbehorende muziek, lifestyle en merchandise, genereren enorme inkomsten voor de pinkstergemeente. Sterpastor Lentz is echter niet meer dan Hillsongs ‘poster boy’, die via de (sociale) media ook de jeugd weet te bereiken. En dan is het, volgens De Wet Van Religieuze Leiders, niet meer de vraag óf maar wanneer deze man van God, netjes getrouwd natuurlijk, publiekelijk van zijn sokkel dondert – en of/hoe hij de complete kerkgemeenschap met zich meetrekt.

The Secrets Of Hillsong (250 min.), focust zich in eerste instantie grotendeels op de zondeval van Carl Lentz, maar krijgt een andere wending als de voormalige pastor en zijn vrouw Laura, vergezeld door zo’n beetje hun hele familie, voor de camera verschijnen. Zij zullen in deze vierdelige docuserie van Stacey Lee hun hart luchten, schoon schip maken over misstanden binnen de kerk en menig (krokodillen?)traantje wegpinken. Hun statements, ondersteund door diverse andere insiders, klokkenluiders en enkele journalisten die zich in de historie van Hillsong hebben verdiept, worden begeleid door dramatische sequenties die het duistere karakter van deze onverkwikkelijke geschiedenis moeten benadrukken.

Gaandeweg komt zo steeds nadrukkelijker de échte kwade genius van dit verhaal in beeld: Hillsongs Australische oprichter Brian Houston. En hij is dan weer een waardige erfgenaam van zijn vader Frank Houston (1922-2004). Die is als kerkleider meermaals beschuldigd van kindermisbruik. En zijn zoon zou dat jarenlang hebben verdoezeld. Zo’n beetje elke Hillsong-medewerker heeft een geheimhoudingsverklaring moeten tekenen. Zodat de ‘bedrijfsgeheimen’ binnenskamers blijven. Uiteindelijk komen Hillsongs lijken toch úit de kast en ín deze wel erg lijvige documentaireserie, waaraan Brian Houston vanzelfsprekend geen medewerking heeft verleend.

De aard daarvan mag, gezien een andere Wet Van Religieuze Leiders, geen verbazing wekken: iets met seks, macht en geld. Het blijft tegelijkertijd verbazingwekkend dat die Leiders er steeds mee weg (denken te) komen. Intussen heeft Carl Lentz – althans de geheel gereviseerde versie daarvan, die door zijn vrouw en gezin weer in genade is aangenomen – blijkens het zoete outro van The Secrets Of Hillsong na z’n breed uitgemeten ‘pastorale burnout’ toch nog zijn ware roeping gevonden.

Patti Smith: Electric Poet

Arte

Na een concert met Bruce Springsteen & The E Street Band voelde gitarist Steven van Zandt onlangs de behoefte om met een tweet een recensent te corrigeren: nee, Bruce speelde geen cover van Patti Smith, het was zijn eigen compositie!

Vreemd is het overigens niet dat Because The Night door menigeen vooral wordt geassocieerd met de zangeres, dichter en kunstenares uit New York. Zij eigende zich het prijsnummer volledig toe en maakte er een absolute wereldhit van, haar enige overigens. Smith zelf werd intussen in het collectieve geheugen opgeslagen als een performer die floreerde op het braakliggende terrein tussen poëzie en rock & roll. Ze stond daarbij op de schouders van giganten als Arthur Rimbaud, Brian Jones, James Dean, Albert Camus en Bob Dylan en werd volgens eigen zeggen regelmatig verrast door de kracht van haar eigen verbeelding.

Als outsider had ze haar plek gevonden in het illustere Chelsea Hotel, een bastion van de tegencultuur waar je in de lobby zomaar bohémiens als Janis Joplin, William Burroughs of Allen Ginsberg tegen het lijf kon lopen. En even verderop huisde Andy Warhol’s The Factory, waar The Velvet Underground kind aan huis was. Gedragen door de eerste punkgolf van halverwege de jaren zeventig, waarbinnen ze helemaal op haar plek was, werd Smith zelf ook een icoon van die scene: oorspronkelijk, eigenzinnig en androgyn. Gaat het te ver om haar ‘non-binair avant la lettre’ te dubben? Feit is dat ze speelde met de traditionele man- en vrouwrollen.

Het gedegen portret Patti Smith: Electric Poet (53 min.) van Anne Cutaia en Sophie Peyrard richt zich vooral op het decennium waarin de geboren performer zich openbaarde aan de wereld. Zoals wel vaker wordt de periode daarna, waarin ze ook nog eens bijna tien jaar uit het publieke leven verdween om zich samen met haar echtgenoot Fred ‘Sonic’ Smith (oud-gitarist van The MC5) te wijden aan haar gezinsleven, bijna behandeld als een soort epiloog. Alsof dat latere leven simpelweg kan worden gereduceerd tot de comeback, na Freds vroegtijdige overlijden in 1994, en de blijvende artistieke waardering die haar sindsdien, ook als fotograaf, ten deel is gevallen.

‘Ik ben nooit normaal geweest’, stelt ze zelf, na een leven lang liefdevol laveren tussen punk en poëzie. ‘Maar ik ben een normale excentriekeling.’

The Stones & Brian Jones

Cherry Pickers

Toen het songschrijversduo Jagger/Richards zich begon te manifesteren, stopten The Rolling Stones langzaam maar zeker met het spelen van covers en verdween Brian Jones, tot dan toe de leider en het muzikale geweten van de Britse groep, stilaan naar de achtergrond. Totdat hij in 1969, overbodig en gefrustreerd, op de ultieme rock & roll-leeftijd van 27 in zijn eigen zwembad verdronk en The Stones definitief de band werden van zanger Mick Jagger en gitarist Keith Richards, de mannen die inmiddels klassiekers zoals (I Can’t Get No) Satisfaction, Jumpin’ Jack Flash en Sympathy For The Devil op hun naam hadden staan.

Hoewel hij als multi-instrumentalist essentieel was voor de initiële sound van de band – probeer Little Red Rooster (slidegitaar), Paint It, Black (sitar), Ruby Tuesday (fluit), Lady Jane (dulcimer) of Under My Thumb (marimba) bijvoorbeeld maar eens voor te stellen zónder zijn muzikale bijdrage – ging Brian Jones toch vooral de geschiedenis in als ‘De overleden Stone’, de man die ten onder ging aan een fatale combinatie van roem, drugs en de swingin’ sixties. Een voetnoot hooguit, goed voor het nodige drama in de beginhoofdstukken, in het verhaal van ‘the greatest rock & roll band in the world’. Het is alsof hij dat bij leven en welzijn al begon te vermoeden. Terwijl Jones, bijvoorbeeld tijdens dat legendarische concert in het Scheveningse Kurhaus dat in 1964 he-le-maal uit de hand liep, nog centraal op het podium stond en Mick, jaloers op Brians aantrekkingskracht op vrouwen, en Keith, die ‘s mans muzikale capaciteiten bewonderde, simpelweg als zijn secondanten oogden.

De befaamde Britse documentairemaker Nick Broomfield (Aileen Wuornos: The Selling Of A Serial Killer, His Big White Self en Tales Of The Grim Sleeper) maakte als veertienjarige jongen een treinreis en ontmoette daarbij een opmerkelijk open en vriendelijke Brian Jones, die een overtuigde treinspotter bleek en zijn favoriete traject, The Great Western, nog maar eens had opgezocht. Ruim zestig jaar later richt Broomfield zich in The Stones & Brian Jones (92 min.) volledig op de man die toen nog het middelpunt was van één van de belangrijkste rockgroepen van de wereld. Zoals er in de voorbije jaren ook films zijn gemaakt over gitarist Ronnie Wood (Somebody Up There Likes Me) en oud-bassist Bill Wyman (The Quiet One). In de vierdelige serie My Life As A Rolling Stone ging de aandacht onlangs bovendien niet alleen uit naar Mick en Keith, maar waren er ook aparte afleveringen over één van Brians opvolgers, Ronnie Wood, en de inmiddels overleden drummer Charlie Watts.

Met fraai archiefmateriaal en de mensen die ertoe deden in zijn leven (waarbij Bill Wyman, die als ‘historisch adviseur’ aan deze documentaire is verbonden, zich opwerpt als enthousiast pleitbezorger) schetst deze film een intiem portret van de getormenteerde man en muzikant Brian Jones. Nadat hij door zijn ouders was buitengetrapt – een beslissing die vader Lewis, getuige een emotionele brief aan zijn zoon, z’n hele leven dwarszat – trok Jones in bij zijn toenmalige vriendin Pat Andrews en hun zoontje Julian Mark. ‘Dit werd een patroon in Brians gedrag’, stelt Broomfield in één van zijn uit duizenden herkenbare voice-overs. ‘Een andere familie omarmen, de dochter bezwangeren en dan ertussen uitknijpen. Dat zou zeker vijf keer gebeuren.’ Al die vriendinnen leken in zekere zin ook op hem. ‘Hij had een hekel aan zichzelf’, vertelt de Franse zangeres/actrice Zouzou, één van de vele exen, waaronder ook Marianne Faithfull en Anita Pallenberg, die aan het woord komen in dit portret. ‘Tegelijkertijd wilde hij vrouwen die op hem leken.’

Dat was Brian Jones ten voeten uit: onuitstaanbaar en toch onweerstaanbaar. Purist, (zelf)twijfelaar én enigma. Een kluis die met deze definitieve (?) biografie alsnog een heel eind wordt gekraakt – al is het de vraag of ie ooit helemaal kan worden geopend.

The Quiet One

Gizmo Films

Mandy Smith maakt duidelijk wat elke lezer van Bill Wymans autobiografie Stone Alone (1990) allang weet: de (voormalige) bassist van The Rolling Stones houdt er jarenlang een tamelijk ongezonde voorliefde voor vrouwen/meisjes op na. In een dagboek legt hij nauwkeurig al zijn veroveringen vast en die komen vervolgens allemaal, als tastbaar bewijs van zijn mannelijkheid, in dat boek terecht. Totdat Wyman meer dan duizend kerven in zijn kolf heeft staan: groupies die achter het net vissen bij Mick, Keith of Brian of die de voorkeur geven aan The Quiet One (98 min.).

‘Eerlijk gezegd werd het een gewoonte door eenzaamheid en de behoefte aan affectie’, vertelt Wyman, die verder niet dronk en ook geen drugs gebruikte, in deze documentaire van Oliver Murray uit 2019. ‘Het is waarschijnlijk te vergelijken met een seksverslaving.’ Die ontwikkelde hij in de swingin’ sixties, de tijd dat een Britse krant kopte met de vraag ‘Would you let your daughter marry a Rolling Stone?’. Mick, Keith, Brian en die ondoorgrondelijke bassist, tevens bijgenaamd Stone Face, werden toentertijd beschouwd als een gevaar voor de jeugd, meisjes in het bijzonder.

Vanuit zijn eigen heiligdom, een enorm privé-archief waaruit deze film rijkelijk kan putten, blikt Bill Wyman terug op die turbulente jaren, de werkemansjeugd in Zuid-Londen die daaraan voorafging (toen hij nog gewoon William George Perks heette) en de decennialange muzikale carrière die nog zou volgen, binnen én buiten The Stones. Bezien door de ogen van een observator, verzamelaar en documentalist in hart en nieren krijgt de wereld van ‘the greatest rock & roll band in the world’, waarover al in alle toonaarden is bericht, toch weer nieuwe kanten en dimensies. 

De man die door collega’s wordt geroemd als een meesterbassist – al vindt hij zichzelf niet goed genoeg voor zijn grote held Ray Charles, zoals blijkt uit een zwaar ontwapenende scène – wordt bovendien, buiten beeld, terzijde gestaan door enkele zorgvuldig gekozen bronnen, waaronder Stones-drummer Charlie Watts, oud-bandmanager Andrew Loog Oldham en de stergitaristen Eric Clapton en Buddy Guy. Tezamen kleuren zij de geschiedenis in die Murray met Wymans foto’s, filmopnames en memorabilia en tamelijk overbodige animatiescènes tot leven wekt.

En dan, halverwege de jaren tachtig, komt Mandy Smith in Bill Wymans leven. Een prachtige blondine. Van dertien, dat wel. Terwijl Bill toch echt op het punt staat om de vijftig aan te tikken. ‘Het kwam vanuit mijn hart’, zegt hij tamelijk gratuit, als de documentaire bijna tachtig minuten onderweg is. ‘Het was geen lust.’ En Murray vraagt niet kritisch door. Het huwelijk wordt geen succes. Zoals ook de relatie tussen zíjn zoon Stephen en háár moeder Patsy (!), die verder helemaal niet wordt benoemd in deze autobiografie, gedoemd blijkt om te mislukken.

Pas als hij The Rolling Stones in 1993 na 31 jaar achter zich heeft gelaten, zijn het normale leven waarnaar hij blijkbaar al een hele tijd heeft verlangd en zoiets burgerlijks als echtelijk geluk daadwerkelijk weggelegd voor Bill Wyman, de stille Stone die inmiddels best wat heeft te vertellen.

My Old School

Dogwoof

Zijn klasgenoten kunnen het zich een kleine dertig jaar later nog goed herinneren. In 1993 kwam er een nieuwe jongen in hun klas op de Bearsden Academy, gelegen in één van de betere wijken van Glasgow. Het was een bijzondere, vroegwijze figuur, opgegroeid in Canada als zoon van een operazangeres. Toen zijn moeder overleed bij een auto-ongeluk, ging hij als zestienjarige bij zijn grootmoeder in Schotland wonen.

En nu zat Brandon Lee dus naast hen in de schoolbanken. Ze vonden dat overigens wel een opvallende naam. De zoon van karatelegende Bruce Lee heette toch ook Brandon? En was die niet net om het leven gekomen bij een schietongeluk tijdens de opnames van de film The Crow? Pas later begonnen ze er echt over na te denken: Brandons personage in The Crow stond op uit de dood. Zou hij nu aan een tweede leven zijn begonnen op – of all places – Bearsden Academy?

Brandon wil tegenwoordig best terugblikken op zijn tijd op My Old School (109 min.). Hij wil alleen niet in beeld. Daarom verschijnt acteur Alan Cumming, die ooit in de running was om de rol van Lee op zich te nemen in een uiteindelijk nooit gemaakte speelfilm, nu voor de camera om te lip syncen bij het audio-interview met de voormalige scholier. Die had van klasgenoten destijds al snel de bijnaam ‘Thirty-Something’ gekregen. Want in zekere zin leek hij veel ouder – en wijzer – dan zij.

Met zichtbaar plezier kijken ze, gezeten in een schoolbank, terug op de mysterieuze figuur die hun formatieve jaren op de middelbare school inkleurde, een periode die door regisseur Jono McLeod met cartoonachtige animaties is verbeeld. McLeod, die zelf ook op Bearsden in de klas zat bij Brandon, neemt erg veel tijd om dat ‘stranger than fiction’-verhaal op te zetten, maar knoopt in de tweede helft van de film alle losse eindjes aan elkaar en lost ook de eerder afgegeven clous netjes in.

My Own School komt dan zowel mooi rond als achter de façade van Brandon Lee, een jongen met een onverwoestbare droom: dokter worden. Een man ook met een dubbelleven dat hem uiteindelijk, voor het oog van de natie, flink zal opbreken. Dat schandaal wordt hier nog eens met verve, van binnenuit en met bijpassend beeldmateriaal, tot in detail uit de doeken gedaan. Want deze schooltijd vergeet niemand meer.

The Rolling Stones: Crossfire Hurricane

Na het succes van The Beatles werden ze door manager Andrew Loog Oldham doelbewust gemodelleerd tot anti-Beatles. Elk goed verhaal heeft immers helden en antihelden nodig. Goeieriken en slechteriken. En The Rolling Stones waren begin jaren zestig best bereid om zich het imago van ‘bad boys’ aan te meten en eens lekker rotzooi te gaan trappen.

In de audio-interviews die documentairemaker Brett Morgen, ter gelegenheid van het vijftigjarige jubileum van de band in 2012, had met alle groepsleden, inclusief voormalig gitarist Mick Taylor en oud-bassist Bill Wyman, halen ze met liefde en plezier herinneringen op aan hoe concerten steevast uit de hand liepen, tienermeisjes daarbij soms van opwinding in hun broek plasten en ze zelf na afloop regelmatig moesten rennen voor hun leven. Intussen gaven met name Mick Jagger en Keith Richards hun ogen goed de kost bij (zwarte) Amerikaanse vakbroeders, zodat ze al snel artistiek geheel op eigen benen konden staan. De basis voor een lange, lánge, carrière was daarmee gelegd.

Ruim een halve eeuw later laat The Rolling Stones: Crossfire Hurricane (111 min.) de permanente beroering van die beginjaren herleven – terwijl ook meteen helder wordt dat The Stones nooit een serieuze bedreiging voor de gevestigde orde zijn geweest. Deze film, waarvoor Brett Morgen de beschikking kreeg over een enorme collectie (nog niet eerder opgediept) archiefmateriaal, concentreert zich volledig op de eerste twintig jaar uit de bandhistorie, waarbij ijkpunten zoals hun steeds terugkerende problemen met het gezag vanwege drugsbezit, de tragische dood van oprichter Brian Jones en het gigantische debacle van Altamont natuurlijk niet mogen ontbreken. Die brengen de band ook langzaam maar zeker naar de rand van de afgrond.

Totdat, zo wil in elk geval het verhaal, nieuwe gitarist Ron Wood halverwege de jaren zeventig de boel revitaliseert en Richards, jarenlang op nummer 1 in rock’s dodenlijst, zijn inname van dope besluit in te perken. Dan begint de machine weer op volle kracht te draaien. ‘The Stones waren van de meest gehate band de meest geliefde band geworden’, zegt Mick Jagger over de remonte die zijn groep heeft doorgemaakt. ‘Van onacceptabel tot totaal acceptabel.’ Voor ‘the greatest rock n’ roll band on earth’ is zo’n constatering eigenlijk de dood in de pot. Gelukkig heeft Brett Morgen tegen die tijd – met fraai en straf gemonteerd concertmateriaal, waaronder klassiekers als Jumpin’ Jack Flash, Sympathy For The Devil en het onvermijdelijke (I Can’t Get No) Satisfaction – allang de daadkracht, energie en opwinding van de band in z’n absolute hoogtijdagen weten te vangen.

The Big Conn

Apple TV+

Zou het hartveroverende personage Saul Goodman, de lekker louche advocaat uit de gelauwerde series Breaking Bad en Better Call Saul, misschien geënt zijn op Eric C. Conn? De advocaat uit Pikeville, Oost-Kentucky, oogt net zo goedkoop, houdt er al even dubieuze methoden op na en schaamt zich ook niet voor een Goodman-achtige commercial, compleet met country- of rapsongs, koddige dansjes en bevallige dames, onder wie de bekende pornoster Raven Riley. En Conn laat rustig, dat ook, een standbeeld van Abraham Lincoln, à 400.000 dollar, bij zijn privéparkeerplaats plaatsen.

In de mijnstreek heeft ‘Mr. Social Security’, een ‘Appalachian’ kruising tussen Robin Hood en Rudy Giuliani, aan het begin van deze eeuw een uitkeringsfraude van ruim een half miljard opgezet. Bijna honderd procent van de aanvragen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering die hij indiende namens zijn cliënten, doorgaans slecht opgeleide en al enige tijd werkeloze werkemensen, werden toegewezen door één en dezelfde rechter: David Daugherty uit Huntington, West-Virginia. En daarvan kreeg de doorgewinterde – opgelet! – Connman dan weer een heel fijn percentage, dat werd geïnvesteerd in zo ongeveer een week vakantie per maand.

The Big Conn (232 min.), de vierdelige serie van James Lee Hernandez en Brian Lazarte (McMillions) over die kwestie, profiteert intussen van een heuse sterrencast: via passages uit zijn ongepubliceerde autobiografie, ingesproken door Boyd Holbrook, wordt de Conn-artiest zelf opgevoerd. Hij zal ook nog op andere manieren van zich laten horen. Daarnaast is er bijvoorbeeld Mason Tackett, een lochte hillbilly-variant op Eminem. Jennifer Griffith en Sarah Carver, klokkenluiders bij de Sociale Zekerheidsadministratie, fungeren als de tweekoppige Erin Brockovich, terwijl Damian Paletta, de Woodward & Bernstein voor hetzelfde geld van The Wall Street Journal, de zwendel uiteindelijk publiek maakt.

In de handen van Hernandez en Lazarte, die hun sappige schelmenverhaal opleuken met erg dik aangezette reconstructiescènes, losse humor en ludieke muziekjes (waaronder de kraker Little Green Bag van George Baker, dat sinds Quentin Tarantino’s Reservoir Dogs toch echt als een afgelikte boterham geldt), wordt Conn een nóg larger than larger than life-personage. Hoe vaak hij is getrouwd, daarover verschillen bijvoorbeeld de meningen. Ergens tussen de zes en veertig keer. ‘De vent heeft gewoon geen moreel kompas’, stelt Conns goedlachse advocaat Scott White. ‘Je kunt een slang niet verwijten dat ie zich als een slang gedraagt.’

Te midden van Conns kolder dreigt de achterliggende problematiek – van de gewone mensen met een haperend lichaam, die zich ook bij Kentucky’s eigen Goodman hebben gemeld – verloren te gaan. Want als de Amerikaanse overheid begint terug te slaan en toegekende uitkeringen ineens stopzet, worden zij geacht om de klappen op te vangen. Als deze kwetsbare Amerikanen in aflevering drie letterlijk in beeld komen, verandert deze miniserie even rigoureus van toon. Die plotselinge aandacht voor Conns slachtoffers blijft alleen een beetje een fremdkörper. Al snel vervolgt The Big Conn z’n weg weer als het type vermakelijke real life-misdaadkomedie, dat tegenwoordig per strekkende meter wordt afgeleverd.

Phoenix Rising

HBO

Er gingen al jaren verhalen rond over de ongezonde interesse van filmproducent Harvey Weinstein in actrices. In de omgeving van Jeffrey Epstein werd er openlijk gegrapt over zijn voorkeur voor veel te jonge meisjes. Maar Brian Warner had, getuige Phoenix Rising (149 min.), echt de ideale deal met de duivel gesloten. Via een alter ego genaamd Marilyn Manson kon hij als rockartiest al zijn bedorven fantasieën kwijt aan de wereld. Intussen mocht hij die achter de schermen, als een horror-variant op R. Kelly, daadwerkelijk botvieren op enkele zorgvuldig geselecteerde slachtoffers, onder wie zijn voormalige vaste vriendin en de protagonist van deze tweedelige documentaire, de Amerikaanse actrice Evan Rachel Wood. Volgens haar broer Ira is Manson niets minder dan een wolf in wolfskleding.

‘Ik was geen fan van zijn muziek, maar ik mocht hem en waar hij voor stond’, schreef Evan Rachel Wood (Thirteen, The Wrestler en Westworld) na hun ontmoeting in 2006 in haar dagboek. ‘Hij houdt mensen een spiegel voor en wijst ze op hun hypocrisie en domheid.’ Zij was achttien, hij zevenendertig. Wood, een kwetsbaar meisje uit een gebroken gezin, raakte al snel volledig in de ban van de bekende rockster. Volgens haar was het een typisch geval van ‘grooming’: hij maakte haar volledig afhankelijk van hem, isoleerde haar van haar directe omgeving en begon haar vervolgens als zijn privéslaaf te behandelen. Tot er helemaal niets meer van haar over was. ‘Ik begon te beseffen dat ik daar zou sterven’, zegt ze in deze film van Amy Berg, die heel dicht bij haar komt. ‘Ik wist niet hoe ik weg kon.’

Zeker in het tweede deel daalt Evan Rachel Wood daadwerkelijk af in de hel die Marilyn Manson ruim viereneenhalf jaar van haar leven heeft gemaakt, inclusief brandmerken, elektroshocks en zweepslagen (met een nazizweep, natuurlijk; ze was tenslotte Joods). Haar getuigenissen zijn gelardeerd met schrijnende details, komen overeen met de ervaringen van andere ex-vriendinnen en maken daardoor een zeer geloofwaardige indruk. Om het helemaal pijnlijk te maken verwerkte hun agressor de vernederingen ook in zijn werk. Zoals een ander slachtoffer het verwoordt: misbruik als kunst. Soms ook letterlijk: tijdens de opnames voor een videoclip, die tot frustratie van de #IStandWithEvan-crowd overigens nog altijd online staat, zou Manson tegen haar wil seks hebben gehad met Wood. Verkrachting, gewoon voor de camera.

Marilyn Manson heeft inmiddels gereageerd op de beschuldigingen met een aanklacht vanwege smaad. In de documentaire is hij veelvuldig te zien – via zijn werk, dat door deze nieuwe bijsluiter een nog naargeestiger karakter heeft gekregen – maar komt hij zelf niet aan het woord. Via citaten uit zijn autobiografie The Long Hard Road Out Of Hell probeert Amy Berg toch vat te krijgen op de beschadig(en)de persoon Brian Warner. ‘Ik kreeg de kans om herboren te worden’, schrijft hij daarin. ‘Marilyn Manson was de perfecte hoofdpersoon voor een gefrustreerde schrijver als ik. Een personage dat vanwege z’n minachting voor de wereld om hem heen en vooral voor zichzelf er alles aan doet zodat mensen hem aardig vinden. Als hij hun vertrouwen eenmaal heeft gewonnen, maakt hij ze kapot.’

Dat lijkt een adequate beschrijving van de handelswijze waarvan hij nu wordt beticht door ‘survivors’ zoals Evan Rachel Wood. Een kleine tien jaar na het einde van hun relatie is de actrice nog altijd doodsbang voor hem. De weg die zij met Manson heeft afgelegd – van onschuldig meisje naar beschadigde vrouw – wordt door Berg geïllustreerd met animaties die Disney-achtig beginnen en gaandeweg een steeds naargeestiger karakter krijgen. Dat is een wel erg Amerikaanse inkleuring van de loop der dingen, maar op basis van deze doeltreffende film is er zeker alle reden om Brian Warner, die jarenlang achter zijn Antichristus-achtige personage heeft kunnen schuilen, indringend te bevragen over de verontrustende #metoo-beschuldigingen aan zijn adres. Phoenix Rising zou daarbij wel eens als breekijzer kunnen fungeren.

Brian Wilson: Long Promised Road

Dogwoof

Hij was de ultieme Beach Boy, maar te verlegen om een meisje aan te spreken. Hij schreef allerlei wereldhits over surfen, maar stond zelf nooit op een plank. En hij werd door de hele wereld, zeker na de elpee Pet Sounds (1966), binnengehaald als een muzikaal genie, maar liep ondertussen helemaal vast in zichzelf.

De verhalen over Brian Wilson, de nucleus van The Beach Boys, zijn dan misschien overbekend, ze spreken nog altijd tot de verbeelding. Zeker als de man zelf, in gesprek met muziekjournalist/vriend Jason Fine, echt een kijkje in zijn binnenste geeft. Interviews geven vindt de getroebleerde muzikant, gediagnosticeerd met een schizoaffectieve stoornis, nog steeds spannend. Daarom gaat hij in Brian Wilson: Long Promised Road (93 min.), een titel die zowaar is ontleend aan een liedje dat werd geschreven door zijn broer Carl, regelmatig gewoon een stukje rijden met Fine.

Samen doen de twee de plekken van zijn verleden aan, luisteren naar muziek en eten een broodje. Tussendoor kletsen ze over zijn grillige carrière, de tijdloze muziek die hij heeft gemaakt en zijn persoonlijk leven, waarin hij door diepe, diepe dalen moest. Wilson vertelt bijvoorbeeld over zijn persoonlijke behandelaar Eugene Landy, die hem eerst tegelijkertijd liet afkicken van sigaretten, drank en cocaïne en vervolgens negen jaar in een therapeutische wurggreep hield. Op een gegeven moment moest Wilson volgens eigen zeggen zelfs van de vloer eten. Geen idee waarom.

De ontspannen setting met Fine als bestuurder/gespreksleider en Wilson als zijn passagier geeft deze film een intiem karakter. Documentairemaker Brent Wilson laat daarnaast Elton John, Bruce Springsteen en andere collega’s de gebruikelijke superlatieven over de begenadigde songschrijver en arrangeur verzorgen. Sterproducer Don Was (Bob Dylan, The Rolling Stones en John Mayer) kan zijn oren bijvoorbeeld nog altijd niet geloven als hij de verschillende geluidssporen van de klassieke song God Only Knows krijgt te horen. ‘Ik maak al veertig jaar platen’, zegt hij bewonderend. ‘En ik heb geen idee hoe je dit zou moeten doen.’

Zet Wilson achter zijn piano of in een studio en er hangt nog altijd magie in de lucht. Zeker als hij heel precies aangeeft bij zijn bandleden hoe hij een bepaald instrument wil horen. Het is alsof dan even zichtbaar wordt wat er in zijn hoofd omgaat. Alsof hij, waar wij in eerste instantie alleen het geheel horen, direct alle afzonderlijke elementen kan waarnemen. En als hij, als bijrijder van Fine, muziek luistert of praat over mensen die hem dierbaar zijn, zijn overleden broers Dennis en Carl bijvoorbeeld, is het alsof hij, via die trekkende mond en sprekende ogen, even recht in zijn ziel laat kijken.

En daar zit echt niet alleen een geniale gek, een droogsurfer of een would-be strandwacht. Als deze fijne film één element toevoegt aan de canon over Brian Wilson, dan is het ‘s mans overduidelijke affectie voor zijn naasten. In dat opzicht is ook de titel van de documentaire, Long Promised Road, een logische keuze. Die krijgt bovendien extra cachet met een fraaie slotscène, waarin Brian zijn broer Carl eer betoont.