Lost Soul: The Doomed Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau

Severin Films

Het verhaal moet nu eindelijk maar eens recht gedaan worden. De jonge ambitieuze regisseur Richard Stanley, die alleen de low budget-films Hardware (1990) en Dust Devil (1992) op zijn naam heeft staan, wil H.G. Wells’ klassieke roman The Island Of Doctor Moreau verfilmen. Het boek uit 1896 is al meermaals naar het witte doek gebracht, maar in zijn ogen nog nooit op de juiste manier. Stanley heeft een soort arty sciencefictionfilm voor ogen.

New Line Cinema, dat eerder David Fincher en Paul Thomas Anderson al de kans heeft gegeven, besluit toe te happen. Alleen de suggestie om Marlon Brando, die sinds het thematisch verwante Apocalypse Now te boek staat als een ongelooflijke lastpak, te casten als dokter Moreau valt niet in goede aarde. Stanley dreigt vervangen te worden door Roman Polanski. Daarom zet hij een opmerkelijke stap: hij neemt zijn toevlucht tot hekserij.

Dit lijkt zowaar effect te hebben: Stanley mag blijven als regisseur, Brando wordt vastgelegd en ook Bruce Willis en James Woods tonen serieuze interesse. En daarna gaat alles mis wat er mis kan gaan, niet in het minst door Richard Stanley zelf. Als Willis toch afhaakt, omdat hij na zijn scheiding van Demi Moore, niet maandenlang in een afgelegen stuk Australië wil zitten, maakt de filmmaker volgens eigen zeggen ‘een strategische fout’: ik ontmoette Val Kilmer.

De Amerikaanse acteur is op dat moment, na het succes van The Doors, Batman Forever en Heat, op het hoogtepunt van zijn roem en begint zich al snel als een arrogante klootzak te gedragen. Vanzelfsprekend ontbreekt hij ook in de documentaire Lost Soul: The Doomed Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (99 min.) uit 2014, waarin Stanley en andere medewerkers aan de film terugblikken op een ronduit rampzalig productieproces.

Daarmee past deze blik achter de schermen van David Gregory in een fijne traditie van docu’s over onmogelijke filmshoots: Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse (over Francis Ford Coppola’s Apocalypse Now), Burden Of Dreams (over Werner Herzogs Fitzcarraldo) en Lost In La Mancha (over Terry Gilliams The Killing Of Don Quixote). Botsende ego’s, gecombineerd met pure gekte. Constant praktische en logistieke problemen. En seks, drugs & rock n’ roll.

De sfeer op locatie in Cairns, Australië is vanzelfsprekend om te snijden. Illustratief is het citaat uit de film dat de filmcrew op z’n T-shirts laat afdrukken: ‘You don’t have to obey these bastards’, staat er te lezen. ‘They’re not Gods!’ Het eindresultaat, The Island Of Dr. Moreau (1996), kan alleen maar ondermaats zijn en wordt natuurlijk ook een gigantische flop, maar blijkt wel de ideale voedingsbodem voor een zeer vermakelijke filmdocu.

Elizabeth Taylor: The Lost Tapes

HBO Max

Ze was een filmster, zo was haar door de bobo’s meermaals te verstaan gegeven. Géén actrice. Hoewel ze zeker twintig jaar één van Hollywoods grootste sterren was, werd Elizabeth Taylor (1932-2011) lang nauwelijks serieus genomen. Zij was ‘eye candy’ voor bioscoopbezoekers en ‘arm candy’ voor de ene na de andere (oudere) man uit de business. Een naam die in koeienletters op zowel filmposters als tabloidcovers kon worden geplaatst, om zo het grote publiek te behagen.

En toen, in het voorjaar van 1961, won ze eindelijk een Oscar (vijf jaar later overigens gevolgd door een Academy Award voor Who’s Afraid Of Virginia Woolf). Voor haar rol in BUtterfield 8, haar vierde nominatie op rij. Zelf was Liz Taylor er overigens van overtuigd dat ze de prijs niet voor haar acteerprestatie had gekregen. ‘Ik won de award voor mijn tracheotomie’, zegt ze in de documentaire Elizabeth Taylor: The Lost Tapes (98 min.) van Nanette Burstein (The Kid Stays In The Picture, Gringo: The Dangerous Life Of John McAfee en Hillary).

Even daarvoor, tijdens de opnames voor het epische historisch drama Cleopatra, was Taylor namelijk geveld door een levensbedreigende longontsteking. ‘Het moet uit medelijden zijn geweest’, constateerde ze. ‘Want ik vind die film gênant.’ Op de archiefbeelden van de Oscar-uitreiking neemt ze de Academy Award nochtans deemoedig in ontvangst. ‘Ik weet niet hoe ik mijn dankbaarheid kan uiten voor dit voor en alles’, zegt de filmster met nauwelijks ingehouden emotie, als een volleerde actrice. ‘Ik kan alleen zeggen: dank jullie wel.’

De Amerikaanse diva doet de ‘bekentenis’ over haar eerste Oscar aan journalist Richard Meryman, tijdens interviewsessies voor wat een boek had moeten worden. De gesprekken begonnen in 1964, toen Liz Taylor op het hoogtepunt van haar roem was. De opnames zijn onlangs pas teruggevonden en vormen nu het fundament onder deze (auto)biografie, waarin ook intimi als acteur/vriend Roddy McDowall, Taylors agent Marion Rosenberg en haar vijfde/zesde echtgenoot Richard Burton (op een totaal van acht huwelijken) nog een kleine bijdrage leveren.

Dit is echter eerst en vooral het relaas van Taylor zelf, één van de beroemdste vrouwen van haar tijd, die tegelijkertijd vastzat in wat er van haar als vrouw, ster en – zelf verfoeide ze de term, getuige de gesprekken met Meryman – ‘seksgodin’ werd verwacht. Voortdurend moest ze balanceren op het slappe koord tussen schijn en zijn. Nanette Burstein concentreert zich ondertussen vrijwel volledig op Taylors glorieperiode en lardeert de bespiegelingen van haar hoofdpersoon natuurlijk met filmfragmenten, b-roll beelden én talloze foto’s.

Want Elizabeth Taylor kreeg als geen ander, zeker toen ze verzeild raakte in een bijzonder turbulente relatie met Burton, te maken met de opkomst van een nieuw fenomeen: paparazzi. ‘Het ging niet meer om de glamour’, stelt collega-acteur George Hamilton daarover. ‘Ze wilden de glamour vernietigen.’ Taylor en Burton leverden daaraan zelf ook een aanzienlijke bijdrage. In de apotheose van deze boeiende film toont Burstein nog even gauw – maar doeltreffend – hoe de twee de ander en zichzelf en plein public te gronde richten.

Waarna ze op de valreep toch nog een sterrol in petto heeft voor Elizabeth Taylor: als beschermvrouwe van de Amerikaanse homogemeenschap, die aan het einde van de twintigste eeuw wordt aangevallen door een nietsontziende killer, AIDS, en daarbij grotendeels aan haar lot wordt overgelaten. In die rol – geïnspireerd door haar vriendschappen met de acteurs Rock Hudson en Montgomery Clift, die een groot deel van hun leven (noodgedwongen) in de kast bleven – steelt Taylor nog eenmaal, ongegeneerd en toch oprecht, de show.

In Elizabeth Taylor – Rebel Superstar, een driedelige serie over de filmster, komt ook Taylors familie aan het woord.

I Knew It Was You: Rediscovering John Cazale

HBO

Voor cinefielen is het waarschijnlijk een appeltje-eitje: wie speelde in slechts vijf speelfilms, die wel stuk voor stuk werden genomineerd voor de Oscar voor beste film? John Cazale, natuurlijk. In slechts zeven jaar nam de man prachtige bijrollen in The Godfather I en II, The Conversation, Dog Day Afternoon en The Deer Hunter voor zijn rekening. En toen begon plotseling, véél te vroeg, de aftiteling te lopen.

De Amerikaanse acteur stierf op 13 maart 1978, op slechts 42-jarige leeftijd, aan de gevolgen van longkanker, maar zou via zijn gedenkwaardige filmpersonages – Fredo Corleone, de schlemielige oudere broer van Al Pacino’s Godfather, in het bijzonder – gewoon blijven voortleven. Zijn getormenteerde gelaat, priemende ogen en wijkende haarlijn hadden zich allang in het collectieve bewustzijn geëtst.

In I Knew It Was You: Rediscovering John Cazale (40 min.) uit 2009 probeert Richard Shepard vat te krijgen op de jong overleden karakteracteur, die zelf nooit een Oscar in de wacht zou slepen. De titel van deze krachtige korte documentaire refereert overigens aan een klassieke scène uit de tweede Godfather-film, als maffiabaas Michael Corleone z’n broer Fredo op de mond kust en te verstaan geeft dat hij weet dat die hem wilde laten vermoorden. ‘Je brak mijn hart.’

Vóórdat hij in de jaren zeventig in Hollywood naam maakte als ultieme loser, zenuwpees en/of linkmiegel had John Cazale zich al in de kijker gespeeld in het theater. Hij zou bijvoorbeeld in tien stukken spelen van de toneelschrijver Israel Horovitz, die nog altijd zweert bij ‘s mans intensiteit en tragiek. Verder steken collega’s zoals Al Pacino, Robert De Niro, Gene Hackman, Philip Seymour Hoffman en Steve Buscemi, aan de hand van concrete filmfragmenten, de loftrompet over hun begenadigde vakbroeder.

Nadat John Cazale heeft gefloreerd onder de hoede van de filmmakers Francis Ford Coppola en Sidney Lumet, die ook allebei hun steentje bijdragen aan deze ode, kan hij nog ternauwernood een bijdrage leveren aan Michael Cimino’s The Deer Hunter (1978). Cazale is dan al ernstig ziek en dreigt zelfs uit de cast verwijderd te worden, uit angst dat hij tijdens de opnames alsnog de pijp aan Maarten moet geven. Hoofdrolspeler Robert de Niro stelt zich daarom garant voor de verzekeringspremie.

Cazale, van wie geen interviews bewaard lijken te zijn gebleven, weet dan al dat het einde nadert. Tussen de opnames wordt hij verzorgd door zijn geliefde, de actrice Meryl Streep, op wie hij halsoverkop verliefd raakte toen ze samen in het theaterstuk Measure For Measure speelden. Zij zal hem – uiterst liefdevol, volgens Al Pacino en Cazales broer Steve – naar een veel te vroege dood begeleiden. John Cazale sterft voordat The Deer Hunter, een film die uiteindelijk vijf Oscars zal grijpen, is afgerond.

Sindsdien leeft hij voort als één van de meest karakteristieke gezichten van een tijd, waarin eigengereide filmmakers de macht grepen in Hollywood en hij samen met de grootste acteurs van zijn generatie kon gloriëren.

Quad Gods

HBO Max

Als de kolossale krachtpatser Titus O’Neil staat hij beslist zijn mannetje in de worstelring. In werkelijkheid zit de Afro-Amerikaanse dertiger Richard Jacobs in een rolstoel. Een kleine tien jaar geleden heeft zijn leven een dramatische wending gekregen en liep hij een dwarslaesie op. ‘Niet zo’, dacht hij nog, toen het noodlot zich aandiende, in de vorm van twee mannen met een wapen. En, denkend aan zijn vrouw en kinderen: ‘God, niet nu!’

Met teamgenoten zoals Repnproof, Mongo Slade en Whiplash247 behoort Richard, onder de noemer Breadwinner1007, tegenwoordig tot de Quad Gods (83 min.), een e-sportsteam dat volledig uit Amerikanen in een rolstoel bestaat. In videogames proberen ze hun tegenstanders te verslaan en zichzelf te overwinnen. Want videogamen kan heilzaam zijn. Dat is tenminste de stellige overtuiging van Quad Father, ofwel dokter en neurowetenschapper David Putrino.

De arts van het Abilities Research Center van het New Yorkse Mount Sinai Hospital wil het idee onderuit halen ‘dat biologie je lot bepaalt’. Concreet: dat iemand die ruggengraatletsel heeft opgelopen, de gevolgen ondervindt van een hersentrauma of een beroerte heeft gehad zich maar moet schikken in z’n lot. Putrino is ervan overtuigd dat ook mensen zoals zij zich kunnen blijven ontwikkelen en dat gamen daarin een essentiële rol kan spelen.

Deze straffe film van Jess Jacklin volgt hoe enkele Quad Gods zich staande proberen te houden in zowel de echte als de virtuele wereld. Het zijn mannen, door het lot met elkaar verbonden, die weten hoe ’t is om gevangen te zitten in je eigen lichaam en die tegelijkertijd het leven ten volle willen aangaan. Kun je bijvoorbeeld autorijden als je verlamd bent? Een baan als etensbezorger voor Über aanhouden? Lekker daten? Of toch weer ‘gewoon’ lopen?

Bij elkaar vinden ze steun, kameraadschap en humor. En deze documentaire, waarin Jacklin met animaties hun vorige levens en de games verbeeldt, toont hen zoals ze nu zijn: mensen van vlees en bloed die nog altijd balen als ze verliezen, kunnen ruziën over het ontbreken van winnaarsmentaliteit bij de ander of een blowtje roken, omdat daarmee zenuwpijn op de lange termijn misschien wel beter is te bedwingen dan met reguliere, doorgaans zeer verslavende pijnstillers.

De Quad Gods werken in dit groepsportret toe naar een all-adaptive esportstoernooi, waar maar liefst 50.000 dollar aan prijzengeld is te verdelen, maar zijn uiteindelijk vooral onderweg naar zelfacceptatie. ‘Ik ben trots op mezelf’, stelt Blake Hunt, aka Repnproof, bijvoorbeeld aan het einde. ‘Ik ben trots op m’n rolstoel. Ik hoef niet te lopen. Dat betekent niets meer voor me. Ik heb één identiteit verloren en mijn echte ik gevonden. Het was een hergeboorte. Ik ben wie ik moest zijn.’

Herman Brood: Kunst… Begin Drrr Niet An

VPRO

Hij was fan van Little Richard, Blondie én Koningin Beatrix. Zelf wilde Herman Brood (1946-2001), uut Zwolle, ook een idool zijn. Het liefst zou hij de hele dag een camera op zich gericht hebben, bekent Neerlands oer-rock & roller in Herman Brood: Kunst… Begin Drrr Niet An (76 min.). En dat dan live uitzenden in de Amsterdamse Kalverstraat. Hij is nu eenmaal, daar doet ie zelf helemaal niet moeilijk over, ‘aandacht-süchtig’.

Deze film van Gwen Jansen concentreert zich op Broods werk als beeldend kunstenaar – al is de rock & roll, zowel de muziek zelf als de bijbehorende leefstijl, nooit ver weg. De basis van deze documentaire uit 2015 wordt echter gevormd door beelden die tussen 1992 en 2000 werden gemaakt bij kunstliefhebber en galeriehouder Ivo de Lange in Broods geboorteplaats Zwolle. Hij ging daar een paar dagen per maand heen om te schilderen. Volgens kunstenaar Rob Scholte waren zulke schilderbezoekjes een noodzakelijke tegenhanger voor ‘dat maffe leven wat ie als publieke persoonlijkheid in Amsterdam moest leven’.

De kunstenaar Brood had als kind een lui oog en was ook nog kleurenblind, maar werd uiteindelijk net zo’n begrip als het rock & roll-beest Brood. Scholte beschouwt hem zelfs als een geestverwant van Banksy. Uit dit postume portret, waarin verder bijvoorbeeld ook jeugdvriend Hans La Faille, muzikant Bertus Borgers en Frank Black van de Amerikaanse rockband The Pixies aan het woord komen, rijst het beeld van een mediapersoonlijkheid die zijn eigen kunstwerk werd. ‘Ook al gooi ik er met de pet naar, is het nog altijd een Herman Brood’, zegt hij over zijn eigen werken, waarmee hij soms ongegeneerd de spot drijft. ‘En daar heb ik keihard voor gewerkt.’

De showman Brood manifesteert zich ook tijdens een ontmoeting met Desi Bouterse in Suriname. ‘Jij krijgt veel over je heen’, zegt hij tegen de legerleider/politicus die verantwoordelijk wordt gehouden voor de Decembermoorden. ‘Dan moet je wel heel sterk zijn dat je daar niet aan onderdoor gaat.’ Bouterse laat het zich graag aanleunen: ‘Part of the job’, zegt hij schouderophalend. Het is een ongemakkelijk tafereel. Zeker als Brood het Surinaamse kopstuk ook nog een schilderij van een naakte vrouw aanbiedt. ‘Deze doos’, zegt hij erbij. ‘Getiteld: Artiesteningang.’ Tot afgrijzen van zijn vrouw Xandra. ‘Ik vind dat vreselijk. Mijn maag draait ervan om.’

Het is eigen aan het eeuwige joch Herman Brood, zo blijkt opnieuw in deze film over zijn kunstenaarschap. Altijd balancerend op het slappe koord tussen ‘larger than life’ en zelfparodie. Een man ook uit een andere tijd, wiens seks, drugs & rock & roll nu ongetwijfeld als ‘grensoverschrijdend’ zou zijn betiteld. Hij schaamt zich nergens voor – of doet op z’n minst heel overtuigend alsof. Hoewel Brood graag serieus genomen wil worden als kunstenaar, noemt hij zichzelf bijvoorbeeld tegelijkertijd ook een ‘souvenirfabrikant’. Hij legt uit, quasi-serieus: ‘Als je driehonderd schilderijen per week maakt kun je moeilijk overal je ‘soul’ in leggen.’

Typisch Brood: ontwapenend, irritant én goed getroffen in dit liefdevolle portret.

Diane von Furstenberg: Woman In Charge

Disney+

Ze leefden als prins en prinses. Het huwelijk van Diane Halfin met de Duitse prins Egon von Fürstenberg leek eind jaren zestig letterlijk een sprookje. De relatie met de flamboyante Egon, die ’t alleen niet al te nauw nam met de huwelijkse trouw en zich ook aangetrokken voelde tot mannen, liep echter binnen enkele jaren spaak. Zij bleef niettemin haar hele leven in contact met hem – tot het bittere eind, tijdens de AIDS-crisis – en behield ook zijn achternaam. En onder die noemer zou Diane in de jaren zeventig naam maken als modeontwerper, met haar signatuur-wikkeljurk.

In Diane von Furstenberg: Woman In Charge (97 min.) blikken Trish Dalton en Sharmeen Obaid-Chinoy met de influencer avant la lettre, haar broer, echtgenoot en kinderen, en prominenten zoals Hillary Clinton, Oprah Winfrey, Gloria Steinem, Fran Lebowitz, Seth Meyers, Deepak Chopra en Anderson Cooper terug op een leven in de spotlights. Na haar glamoureuze jaren aan de zijde van Egon werd de Belgische ontwerpster, kind van getraumatiseerde Joodse ouders, een graag geziene societyfiguur. Ze ging bijvoorbeeld behoren tot de vaste clientèle van de New Yorkse ons-kent-ons club Studio 54.

Von Furstenberg veroorloofde zich daarbij een (seksuele) vrijheid die doorgaans alleen was voorbehouden aan het andere geslacht. ‘Ik leefde een mannenleven in een vrouwenlichaam’, herinnert Diane von Furstenberg, inmiddels dik in de zeventig, zich niet zonder trots. ‘Jawel! God, ja!’ Zo sliep ze volgens eigen zeggen in één weekend met zowel Ryan O’Neal als Warren Beatty. Uitdagend: ‘Wat vind je daarvan?’ Ze rommelde daarnaast met Richard Gere. En ze had waarschijnlijk een triootje kunnen hebben met Mick Jagger en David Bowie, maar besloot daar op het laatste moment toch maar van af te zien.

Diane von Furstenbergs liefdesavonturen behoren tot de smeuïgste delen van dit gedegen portret, waarin verder netjes alle pieken en dalen van haar leven en loopbaan worden doorgenomen en de relatie met haar getroebleerde moeder, een overlevende van het vernietigingskamp Auschwitz, voor een soort emotionele onderlaag zorgt. Want van een bevallige prinses mag de ontwerpster dan zijn uitgegroeid tot een soort koningin van de modewereld, daaronder zit nog altijd het kind van een oorlogsslachtoffer verborgen – en een vrouw die op haar geheel eigen wijze het feminisme blijft verbreiden.

Stevie Van Zandt: Disciple

HBO Max

Hij is één van de weinige frontmannen die ook genoegen kan nemen met een rol als rechterhand van The Boss – of als consigliere van een lokale maffiabaas. Zelfs in dit verrukkelijke portret van Steven Van Zandt komt eerst Bruce Springsteen en pas daarna de hoofdpersoon zelf aan het woord. Tony Soprano, de licht ontvlambare Jersey-boss van Stevies personage Silvio Dante, meldt zich pas na ruim één uur en drie kwartier, als de carrière van de Amerikaanse zanger, gitarist en producer al over hoge toppen en door diepe dalen is gegaan en dan nog een nieuwe dimensie krijgt via een prominente rol in één van de beste televisieseries aller tijden, The Sopranos.

‘s Mans leven lijkt in Stevie Van Zandt: Disciple (140 min.) sowieso op een zorgvuldig gearrangeerde productie. Soms letterlijk. Als hij in het huwelijk treedt met Maureen Santoro, wordt dit ingezegend door één van zijn helden, Little Richard. Bruce is natuurlijk getuige, de band uit The Godfather verzorgt de muziek en soulzanger Percy Sledge komt nog even When A Man Loves A Woman zingen. En dan stapt Van Zandt begin jaren tachtig uit Springsteens E Street Band. ‘Toen hij z’n eerste plaat maakte, nam hij afstand van Bruce’, vertelt scenarioschrijver en recensent Jay Cocks. ‘Ze hielden van elkaar. Het was niet de grote broer van wie hij afstand nam. Hij wilde zich niet langer het kleine broertje voelen.’ De man die tot dan bekend heeft gestaan als ‘Miami Steve’ begint zich ‘Little Steven’ te noemen. Zijn band dubt hij ‘The Disciples Of Soul’.

Eenmaal solo (her)ontdekt Van Zandt zijn maatschappelijke betrokkenheid. Hij begint de rock & lol die hij sinds jaar en dag aan de mens bracht met Springsteen en die andere band uit New Jersey, Southside Johnny & The Asbury Jukes, te injecteren met een fikse dosis politiek activisme. Stevie neemt bijvoorbeeld het voortouw in de strijd tegen Apartheid in Zuid-Afrika. Voor de hitsingle Sun City (1985), zijn eigen militante variant op de benefietsongs Do They Know It’s Christmas? en We Are The World, verzamelt hij een opvallend diverse en inclusieve groep artiesten, die publiekelijk uitspreken dat ze nooit zullen gaan spelen in het Las Vegas van Zuid-Afrika. Met zijn activisme schildert hij zichzelf alleen in een hoek, waar uiteindelijk verdacht weinig geld valt te verdienen. Een lange loopbaan lijkt begin jaren negentig tot een halt te komen.

Volgens eigen zeggen houdt Steven Van Zandt zich dan een jaar of zeven vooral onledig met ‘het uitlaten van de hond’. Totdat Southside Johnny hem vraagt voor een productieklus, Bruce zijn inmiddels ontmantelde band weer opstart en showrunner David Chase de non-acteur cast in The Sopranos. Het is een mooi rond verhaal over onmetelijke liefde voor muziek, hechte vriendschap en het vinden, verliezen en weer heruitvinden van jezelf. Dat wordt verteld door de man zelf, prominente vakbroeders (Paul McCartney, Bill Wyman, Jackson Browne, Bono en Eddie Vedder) en Sopranos (David Chase, Vincent ‘Pussy Bonpensiero’ Pastore en Maureen Van Zandt, alias Silvio’s echtgenote Gabriella Dante). De documentaire concentreert zich volledig op Van Zandts artistieke carrière. Zijn persoonlijke leven blijft vrijwel volledig buiten beeld.

In bijna tweeëneenhalf uur, volgepropt met een eindeloze serie (bijna) hits, moet regisseur Bill Teck nochtans alle zeilen bijzetten om alle aspecten van zijn kleurrijke protagonist te belichten. Want behalve artiest, acteur, producer en onmisbare schakel (inmiddels opnieuw 25 jaar!) binnen Springsteens gereanimeerde E Street Band heeft Steven Van Zandt zich met de radioshows Little Steven’s Underground Garage en Outlaw Country ook ontwikkeld tot een soort Leo Blockhouse, een rock & soul-professor die Amerika’s jeugd de juiste weg wil wijzen: richting muziek. Valse of kritische noten ontbreken verder vrijwel volledig in deze film, die daarom, met enige kwade wil, een hagiografie kan worden genoemd. Een mensch moet alleen wel een hart van steen hebben om géén discipel van Stevie te worden.

Outstanding: A Comedy Revolution

Netflix

‘Is het Witte Huis bekend met deze epidemie, Larry? Het wordt de ‘gaypest’ genoemd.’

– gelach

‘Echt’, probeert de journalist weer. ‘Het is heel ernstig. Één op de drie patiënten sterft. Is de president daarvan op de hoogte?’

‘Ík heb het niet’, reageert de woordvoerder van de Amerikaanse president Reagan. ‘Jij wel?’

‘Je hebt het niet. Dat is goed om te horen, Larry. Ziet het Witte Huis dit als een grap?’

Het lachen is Amerikaanse gays dan, in 1982, allang vergaan. AIDS ontwricht hun complete gemeenschap. Het zal niettemin nog tot drie jaar duren voordat president Ronald Reagan het woord ‘AIDS’ voor het eerst in de mond neemt.

Getuige de documentaire Outstanding: A Comedy Revolution (99 min.) van Page Hurwitz zijn ‘t tevens zware jaren voor queer-comedians, die worden geconfronteerd met bepaald niet homovriendelijke performances van collega’s zoals Eddie Murphy, Sam Kinison en Andrew Dice. Met hedendaagse ogen bekeken is het nauwelijks voor te stellen dat er destijds geen haan kraaide naar hun lompe en smakeloze grappen.

Dat is en blijft natuurlijk ook de vraag bij humor: wanneer houdt simpelweg de draak steken op en begint bijvoorbeeld queerhaat? Hoe moeten bijvoorbeeld de transgrappen van Ricky Gervais, Bill Maher en Dave Chapelle worden geduid? En kan en mag je daarbij het verband leggen met geweld tegen de LHBTIQ+-gemeenschap? ‘Er bestaat niet zoiets als: just kidding’, stelt Robin Tyler, die in de jaren zeventig als één van de eerste vrouwen uit de kast kwam. ‘Dus als iemand homofobe grappen maakt, menen ze het.’

Met comedians van verschillende generaties zoals Lily Tomlin, Sandra Bernhard, Scott Thompson, Margaret Cho, Rosie O’Donnell, Wanda Sykes, Tig Notaro, Eddie Izzard en Hannah Gadsby loopt Hurwitz in deze vlotte film belangrijke ijkpunten uit de geschiedenis van de Amerikaanse queerhumor door. Het pionierswerk van Moms Mabley en Christine Jorgensen bijvoorbeeld, de bikkelharde ‘truthin’ van Richard Pryor bij een homorechten-benefiet en Ellen DeGeneres’ coming out op televisie.

‘Comedy geeft mensen de kans om de wereld door de ogen van een ander te zien’, betoogt Judy Gold. ‘En een goede komiek laat je lachen en zet je aan het denken. En verandert misschien zelfs hoe je denkt.’ Dat lijkt tevens de boodschap van deze film, waarin iedereen ‘t wel heel erg eens is met elkaar. Outstanding had enkele stoorzenders kunnen gebruiken om de discussie over wat wel en niet kan nog wat verder op scherp te zetten en samen de eventuele grenzen aan de vrijheid van meningsuiting verder af te tasten.

An American Bombing – The Road To April 19th

HBO Max

Zoals wel vaker bij een terroristische aanslag valt de verdenking vrijwel meteen op buitenlanders. Na de bomaanslag op het Alfred P. Murrah Federal Building in Oklahoma City, waarbij in totaal 168 doden vallen, denkt menigeen dat de daders in het Midden-Oosten moeten worden gezocht. En het is dat er in 1995 nog geen sociale media waren, anders waren de speculaties over hun ras, nationaliteit en religie ongetwijfeld direct ’viral’ gegaan op het wereldwijde web.

Vanwege de datum van de aanslag, 19 april, denkt FBI-agent Danny Coulson echter aan andere verdachten: dit zijn vermoedelijk ’bubba’s’, kinkels uit het Amerikaanse hartland. Precies twee jaar eerder, op 19 april 1993 vond namelijk de belegering van de Branch Davidians van sekteleider David Koresh plaats in het Texaanse Waco. Die dag geldt sindsdien als een ijkpunt voor extreemrechtse milities. Vanuit ‘Waco’ loopt er via pak ‘m beet Ruby Ridge, Oklahoma, 9/11, de ‘birther movement’ en QAnon een rechtstreekse lijn naar de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021.

Ook de Amerikaanse president Bill Clinton vermoedt bij ‘Oklahoma’ daders uit eigen land. Sterker: hij ziet een link met Arkansas, de staat waarvan hij jarenlang gouverneur was. Kerry Noble, een voormalig lid van de militie The Covenant, The Sword And The Arm Of The Lord (CSA) uit Noord-Arkansas, bevestigt in An American Bombing – The Road To April 19th (99 min.) dat zij inderdaad bezig zijn geweest met voorbereidingen voor een aanslag op het Murrah Building. Vanwege een ongeluk, dat werd opgevat als een teken van God, staakte CSA echter z’n pogingen. 

Het idee is daarna opgepikt door een gefrustreerde Golfoorlog-veteraan met anti-overheidssympathieën. Timothy McVeigh parkeerde op 19 april 1995 een met explosieven volgeladen truck voor het overheidsgebouw en wordt zo een extreemrechts icoon. Toevallig (?) zou Richard Wayne Snell, één van CSA’s kopstukken, op die dag ter dood worden gebracht, vanwege de moord op een zwarte agent, Louis Bryant. En 19 april is natuurlijk ook Patriots’ Day, de dag waarop in 1775 het eerste schot van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog zou zijn gelost.

Voer voor complotdenkers, zou je zeggen. Of beter: voor complotmákers, leden van een samenzwering om de Amerikaanse regering omver te werpen. Marc Levin en Daphne Pinkerson, de makers van deze boeiende en urgente film, plaatsen hen binnen de filosofie van ‘leiderloos verzet’, waarbij zogenaamde ‘lone wolves’ het vuile werk opknappen. Zónder dat ze nadrukkelijk worden aangestuurd door de leiders van de beweging. Tegelijkertijd zijn hun daden wel degelijk een resultante van het gedachtengoed en de modus operandi van deze bijzonder radicale beweging.

Die wordt met behulp van diverse direct betrokkenen, waaronder een jeugdvriendin van Timothy McVeigh en zijn advocaat, in kaart gebracht en binnen z’n context geplaatst. Het boek The Turner Diaries bijvoorbeeld, de Bijbel van elke rechtgeaarde rechtsextremist. Er is speciale aandacht voor de handlangers van de ‘homegrown terrorist’, Terry Nichols en Michael Fortier. McVeigh ontmoette hen na zijn uitzending in de Golfregio op Fort Benning. Kazernes lijken sowieso ideale plekken om nieuwe voetsoldaten te rekruteren. Genoeg woede en oorlogskennis om serieuze schade aan te richten.

‘Er is zoveel veranderd sinds onze strijd in de jaren tachtig’, stelt Kerry Noble, die afstand heeft genomen van zijn extremistische verleden. ‘Extremisme is zo normaal geworden. Daar hoopten wij op. Nu zie ik dat en het beangstigt me.’ Tijdens de bestorming van het Capitool leek de geest van Timothy McVeigh rond te waren, vindt ook Bill Clinton. ‘De woorden en argumenten die hij destijds gebruikte zijn nu doorgedrongen tot de mainstream’, stelt de voormalige president. ‘Alsof hij toch gewonnen heeft…’

Turning Point: The Bomb And The Cold War

Netflix

Zonder Koude Oorlog geen Vladimir Poetin, betoogt aflevering 1 van Turning Point: The Bomb And The Cold War (619 min.). Zo bezien is de Russische inval in Oekraïne een logisch gevolg van de geopolitieke ontwikkelingen sinds grofweg de Tweede Wereldoorlog. Dat punt hamert regisseur Brian Knappenberger, die in 2021 ook de ambitieuze vijfdelige serie Turning Point: 9/11 And The War On Terror afleverde, er steeds in. Elke aflevering van deze nieuwe serie begint in het hier en nu en daalt vervolgens af in het verleden.

Op die manier bestrijkt Knappenberger de gehele Koude Oorlog: van hoe de communistische ideeën van Marx en Engels aan het begin van de twintigste eeuw het fundament vormen onder de Sovjet-Unie tot het uiteenvallen daarvan begin jaren negentig, het vermeende eindpunt van de oorlog. Turning Point is dan zeven afleveringen onderweg en heeft alle bekende thema’s van de Koude Oorlog behandeld: Oppenheimers atoombom, het genadeloze Stalinisme, de angst voor een nucleaire oorlog, het IJzeren Gordijn, de Berlijnse muur, het McCarthyisme, stress rond de Cubacrisis, de wapenwedloop, Nixons détente en Reagans ‘evil empire’, Sovjet-dissidenten, ‘Star Wars’, de kernramp in Tsjernobyl, de Poolse vakbond Solidariność, glasnost en perestrojka, het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing en de val van de Muur.

Het zijn onderwerpen waarover al uit en te na is gepubliceerd, maar die nu nog eens netjes op een rij worden gezet, zijn verlevendigd met archiefbeelden en worden uitgediept door een uitgelezen verzameling historici, beslissers en direct betrokkenen. Het interessantst wordt de serie als de grote geschiedenis gewone mensen raakt. Overlevenden van Hiroshima en Nagasaki. De zoon van Julius en Ethel Rosenberg, het Amerikaanse echtpaar dat vanwege hoogverraad ter dood is gebracht. De achterkleindochter van de Russische leider Nikita Chroesjtsjov, Nina. Een Oscar-winnende actrice, Lee Grant, die vanwege communistische sympathieën in de ban wordt gedaan. Pentagon Papers-klokkenluider Daniel Ellsberg. En de dappere Litouwse man die tijdens de onafhankelijkheidsstrijd een Russische tank weerstaat.

Als Brian Knappenberger de Sovjet-Unie uiteindelijk heeft laten verschrompelen, blijven er nog twee afleveringen van Turning Point over om de opkomst te schetsen van een nieuwe leider die, gefrustreerd over het uiteenvallen van het grote Russische Rijk en vastbesloten om die historische fout met alle mogelijke middelen recht te zetten, de verhoudingen tussen Oost en West weer ouderwets op scherp zal zetten. Deze lijvige serie brengt daarmee niet zozeer nieuw terrein in kaart, maar probeert vooral verband aan te brengen tussen allerlei verschillende verhaallijnen die gezamenlijk de verhoudingen in de hedendaagse wereld hebben bepaald.

Our Nixon

CNN Films

Hoezeer Richard M. Nixon ook beweerde dat ie geen ‘crook’ was, hij ging wel degelijk de geschiedenisboeken in als schurk. De eerste Amerikaanse president die dreigde te worden afgezet en er toen maar zelf de brui aan gaf. Met de staart tussen de benen en twee handen in de lucht, die een volledig misplaatst Victorieteken maakten, stapte hij op 9 augustus 1974 in een helikopter en verliet voorgoed Het Witte Huis. De grootste schandvlek uit de recente Amerikaanse politieke historie. Tenminste, tot de komst van Donald Trump, die zelfs ‘Tricky Dick’ Nixon in de schaduw plaatste.

Ruim veertig jaar lang had hij nauwelijks fans – al nam Trumps ‘dirty trickster’ Roger Stone nog wel een tatoeage van de Republikeinse president (1969-1974) die hij als jongeling diende. De naam Richard Nixon werd vereenzelvigd met een immorele politicus, die stiekem al zijn gesprekken begon op te nemen, tapes waarop hij overkwam als een rancuneuze en vuil gebekte manipulator, en zo zichzelf vernietigde voordat hij het land kon vernietigen. Toch zijn er ook medewerkers van zijn regering, die hem al die tijd door dik en dun zijn blijven steunen. 

Nixons stafchef H.R. ‘Bob’ Haldeman, Nixons rechterhand en ‘son of a bitch’, adviseur binnenlandse zaken John Ehrlichman en speciale assistent Dwight Chapin gingen bijvoorbeeld alle drie naar de gevangenis voor hun rol in het Watergate-schandaal dat ook hun baas de kop kostte. Dat is echter nooit ten koste gegaan van hun loyaliteit aan Richard Nixon. En ze hebben de beelden om dat te bewijzen: ruim 500 banden met zelfgemaakte Super 8-films, die eerst veertig jaar in een kluis lagen en nu het hart vormen van Our Nixon (85 min.).

Hun terugblik op de Nixon-jaren, waarvan regisseur Penny Lane in 2013 een tragedie heeft gemaakt, gunt de kijker zo’n veertig jaar later een blik achter de schermen bij één van de meest turbulente presidentschappen in de Amerikaanse geschiedenis. De documentaire, die tevens audio-opnamen en interviews met de drie Nixonites bevat, begint hoopvol tijdens de inauguratie van hun president in 1969, als de nieuwe Republikeinse regering een conservatieve comeback hoopt te bewerkstelligen en Nixon nog zonder enige twijfel de juiste man voor de job lijkt.

Richard Nixon mag vervolgens als president de eerste man op de maan begroeten, slaat zijn vleugels uit richting China en worstelt intussen met de grootste uitdaging van die jaren: de oorlog in Vietnam. Zelfs als hij de muziekgroep The Ray Conniff Singers in het Witte Huis ontvangt voor een optreden – lekker burgerlijk, aldus de man die graag Amerika’s ‘silent majority’ aansprak – wordt dat nog begeleid door protest. Nixon lijkt zich niettemin senang te voelen in zijn rol en wordt in 1973 dan ook moeiteloos herkozen voor een tweede ambtstermijn als president.

En dan, een half uur voor het eind van deze boeiende archieffilm, valt voor het eerst het woord Watergate en wordt de ondergang van Dick Nixon en de zijnen, in elk geval met een hedendaagse bril op bekeken, volstrekt onvermijdelijk. De leider van de vrije wereld raakt steeds meer in de verdrukking, begint achter elke boom een vijand te zien en ontdoet zich uiteindelijk, om zijn eigen hachje te redden, ook rücksichtslos van de mannen die hem als ‘onze Nixon’ zijn gaan beschouwen.

Once Upon A Time In Northern Ireland

BBC

Ruim 25 jaar geleden, op 10 april 1998, werd het Goedevrijdag-akkoord gesloten. Daarmee kwam er een eind aan ‘The Troubles’, die Noord-Ierland sinds eind jaren zestig in vuur en vlam hadden gezet. Katholieken en protestanten stonden in die dertig jaar recht tegenover elkaar. Republikeinen, die zich los wilden maken van Groot-Brittannië, tegenover loyalisten, die zich daar juist tegen verzetten. Het resultaat was een aaneenschakeling van conflicten, schietpartijen en bomaanslagen.

In de ijzersterke vijfdelige docuserie Once Upon A Time In Northern Ireland (275 min.) brengt James Bluemel de menselijke tol van deze bloedige burgeroorlog in kaart met gewone Noord-Ieren. Van leden van het ondergrondse Republikeinse leger, de IRA, en hun aartsvijanden van de privémilitie Ulster Defence Association (UDA) – fanatiekelingen die de strijd doelbewust hadden opgezocht – tot burgers die ongewild betrokken raakten bij Bloody Sunday, de geruchtmakende hongerstakingen of de zoveelste dodelijke actie.

Zeker de verhalen van willekeurige mensen die plotsklaps werden getroffen door het noodlot, maken diepe indruk. Michael McConville en zijn familie verkeerden bijvoorbeeld dertig jaar in onzekerheid over wat er met zijn moeder Jean was gebeurd. De alleenstaande moeder van tien kinderen werd in 1972 ontvoerd door de IRA. Of het verhaal van June, de vrouw van politieman John Proctor van The Royal Ulster Constabulary. Hij werd in 1981 geliquideerd toen hij in het ziekenhuis naar zijn pasgeboren kind kwam kijken.

En dan zijn er nog de voetsoldaten die veelal met gemengde gevoelens terugkijken op hun eigen betrokkenheid bij The Troubles – en hun partners en kinderen die daar maar mee hadden te leven. Ricky O’Rawe werd bijvoorbeeld gearresteerd tijdens een bankoverval voor de IRA toen zijn vrouw hoogzwanger was. Of Bernadette McDonnell, de tienjarige dochter van de overtuigde Republikein Joe McDonnell. Als kind voelde zij zich verplicht om zijn zaak te bepleiten. Totdat hij na 61 dagen hongerstaking bezweek en een IRA-icoon werd.

‘Als je er nu naar kijkt, is het gestoord’, constateert de ‘vredelievende loyalist’ John Chambers. ‘Maar niet als je geboren bent in een stammenstrijd en je leven wordt bepaald door The Troubles.’ Katholieken zagen er niet uit, stonken en waren voor hem dus de natuurlijke vijand. Chambers liep alleen met een geheim rond: zijn eigen moeder was katholiek. Zo’n detail kon iemand ten tijde van de onlusten in Ulster zomaar fataal worden – al waren er wel degelijk ook Noord-Ieren voor wie religie of politieke voorkeur er niet toe deed.

En toen de Noord-Ierse bevolking zich steeds massaler begon te verzetten tegen het alomtegenwoordige sektarisch geweld – van een aanval op een uitvaart tot een moordaanslag op de gehate Britse premier Margaret Thatcher in een hotel te Brighton – ontstond er zelfs bij de meest geharnaste strijders draagvlak voor een wapenstilstand. In de slotaflevering van deze aangrijpende miniserie reconstrueert Bluemel hoe de verschillende partijen uiteindelijk stapvoets, met zo nu en dan ook een flinke stap achterwaarts, af koersten op vrede.

Die houdt nu al ruim 25 jaar, met veel pijn en moeite, stand.

God Save Texas

HBO Max

Zestien jaar en 265 executies later keert de Amerikaanse filmmaker Richard Linklater (Boyhood en de trilogie Before Sunrise/Sunset/Midnight) terug naar zijn geboortegrond, waar hij in 2003 het protest tegen de executie van Delma Banks Jr. bij de gevangenis van Huntsville bijwoonde. Er zijn tegenwoordig maar liefst zeven gevangenissen in dit deel van Texas. Gedetineerden zijn de drijvende kracht achter de plaatselijke economie geworden. In Hometown Prison (87 min.), onderzoekt Linklater de impact van het gevangenissysteem en de doodstraf op Texas, dat inmiddels meer dan honderd penitentiaire inrichtingen telt.

Het eerste deel van het drieluik God Save Texas, dat is geïnspireerd op het gelijknamige boek van Lawrence Wright (die overigens in elke aflevering als klankbord voor de filmmaker van dienst fungeert), verbindt de speelfilms die Linklater heeft gemaakt, zijn eigen levensverhaal en gesprekken met de mensen die hij in zijn Texaanse jaren heeft leren kennen. Stuk voor stuk hebben ze te maken gekregen met het justitiële systeem in de Lone Star State: als gedetineerde, bewaarder, advocaat of lid van het executieteam. Het levert een genuanceerde film op – de blikvanger van de drie – waarmee de bekende regisseur uiteindelijk toch duidelijk stelling neemt tegen de gevangenisindustrie in Texas.

Linklaters collega Alex Stapleton probeert in deel 2, The Price Of Oil (55 min.), het zwarte verhaal van Zwart Texas te vertellen – en de rol van de olie-industrie daarin. Ook zij gebruikt daarvoor haar eigen achtergrond en familie. In dat kader keert ze terug naar de periode van de slavernij. Ook toen die officieel werd afgeschaft, bleef de positie van Afro-Amerikanen in Texas penibel. Zo werden zij, in het midden van de twintigste eeuw, door de racistische Jim Crow-wetten bijvoorbeeld nog altijd buiten reguliere woonprojecten voor Amerikanen met een middeninkomen gehouden. Pas toen in 1948 initiatieven zoals Pleasantville ontstonden, leken de kansen voor zwarte Amerikanen te keren.

Juist deze wijken zouden echter met vervuiling door de fossiele industrie te maken krijgen. In haar eigen familie zijn er mensen ernstig ziek geworden, constateert de filmmaakster. Socioloog Robert Bullard van de Texas Southern University noemt het een typisch geval van ‘environmental racism’ door Big Oil. En dat staat volgens Stapleton dan weer niet op zichzelf. ‘Heb je je ooit afgevraagd waarom je nog nooit een zwarte JR Ewing hebt gezien?’ stelt ze, met een verwijzing naar de schurk uit de populaire tv-serie Dallas, in deze degelijke docu een retorische vraag, waarop het antwoord voor de hand ligt. ‘Dat komt omdat alle grote Amerikaanse oliebedrijven een witte CEO hebben.’

In La Frontera (54 min.), het afsluitende deel van deze Texas-trilogie, belicht Iliana Sosa de problematiek in haar geboorteplek El Paso, waar de grens van oudsher een enorme aantrekkingskracht heeft op immigranten uit Midden-Amerika. Sosa’s ouders zijn ook ooit vanuit Mexico overgekomen en hebben daar twee kinderen op de wereld gezet, die zich eerder Amerikaans dan Mexicaans voelen. Prikkeldraad en een heuse muur moeten tegenwoordig voorkomen dat ‘gelukszoekers’ zoals haar ouders de Verenigde Staten bereiken. Het is de weerslag van een tamelijk vijandige houding tegenover immigranten, die in 2019 ook z’n weerslag heeft gekregen in een ‘mass shooting’, waarbij een witte racist ruim twintig mensen doodde in een Walmart in El Paso.

Gezamenlijk schetsen deze drie televisiedocu’s, vanuit het persoonlijke perspectief van drie plaatselijke en toch gerenommeerde filmmakers, een aardig portret van het moderne Texas, dat zich maar moeilijk los kan maken van zijn beladen historie en ook in het heden nog z’n pregnante issues heeft.

Lastpak: Noa Lang

Prime Video

In zekere zin komt deze docuserie als mosterd na de maaltijd. Want als er nu één ding is verbeterd bij Noa Lang sinds hij bij PSV speelt, dan is het zijn imago. Daar is deze serie niet voor nodig.

De aanvaller die bij zijn terugkeer naar de Nederlandse Eredivisie in de zomer van 2023 nog een ‘milde TBS-patiënt’ werd genoemd, is sindsdien al getypeerd als iemand met een ‘grote bek, klein hartje’, nadat hij uitgebreid de tijd nam voor enkele fans met een verstandelijke beperking, en door zijn huidige trainer Peter Bosz zelfs bestempeld als leider, een potentiële aanvoerder. En dan ligt alsnog Lastpak: Noa Lang (150 min.) op de digitale deurmat en rakelt allerlei oude controverses op. Bovendien is Lang al enige tijd geblesseerd en nog enkele maanden uit de roulatie.

De vierdelige serie van Bart van den Aardweg start aan het begin van het seizoen 2022-2023 als Noa Lang na twee succesvolle seizoenen bij de Belgische topclub Club Brugge ondanks een enkelblessure geselecteerd hoopt te worden voor het wereldkampioenschap in Qatar, een toernooi dat in deze productie wordt teruggebracht tot de kwartfinale van het Nederlands elftal tegen Argentinië. Vanuit Nederland zien zijn zwangere vriendin Blossom, moeder Manon en een groep fanatiek meelevende vrienden hoe hun held zijn allereerste speelminuten maakt en vervolgens wordt uitgeschakeld.

Eenmaal terug in Europa gaat het bij Club Brugge allengs slechter en slechter, komt de geboorte van zijn eerste kind steeds dichterbij en begint Lang zich af te vragen waar hij zijn carrière wil vervolgen. Tegelijkertijd blikt Van den Aardweg samen met de hoofdpersoon, diens ‘tough love’-vader Jeffrey en zijn voormalige trainers Leen Boer (Feyenoord), Erik ten Hag (Ajax) en Alfred Schreuder (Club Brugge) terug op Langs roerige loopbaan, die natuurlijk wordt geïllustreerd met fraaie voetbalbeelden van de buitengewoon getalenteerde blonde krullenbol die gaandeweg uitgroeit tot een lefgozer pur sang.

Daarbij passeren de bekende verhalen de revue: dat zijn vader in de gevangenis zat toen hij nog maar een jongetje was, dat hij als speler van de jeugdopleiding van Feyenoord geen geheim maakte van zijn liefde voor Ajax en dat hij als jong broekie bij Ajax, voor de camera, zijn trainer Erik ten Hag en aanvoerder Dusan Tadic brutaal weerwoord gaf. Mensen op straat in België herkennen hem als ‘dat vervelende mannetje van de tv’, stelt Noa Lang zelf, die een onbegrensd zelfvertrouwen lijkt te hebben en, zo geeft ie grif toe, inderdaad het bloed onder iemands nagels vandaan kan halen.

Die Noa Lang doet zich ook in deze miniserie gelden. Op de parkeerplaats van zijn auto ligt een lege kartonnen doos met piepschuim. Hij weigert hem op te ruimen en parkeert steeds gewoon zijn auto overheen. Totdat hij er toch aan moet geloven. Lang bekvecht ook ongegeneerd voor de camera met Blossom en rijdt terwijl hij wordt gefilmd bovendien nog even zijn auto in de kreukels, nadat hij eerder al een rijverbod heeft gekregen in België. ‘Dit is zo lomp!’ zegt hij dan, enigszins ongemakkelijk kijkend. En maakt er daarna maar het beste van: ‘Het staat wel op camera. Dat is altijd lachen.’

In Lastpak doen ook de internationals Memphis Depay, Denzel Dumfries en Jurriën Timber hun zegje over hun collega met altijd, ook als het niet uitkomt, dat hart op de tong – al laat hij tegelijk zelden écht het achterste daarvan zien. Het blijft bij een enkele persoonlijke ontboezeming, bijvoorbeeld als hij net vader is geworden. ‘Ik denk dat ik oprecht pas echt gelukkig kan zijn als alles voorbij is en ik terugkijk op mijn carrière, echt trots kan zijn op wat ik heb bereikt en ik dan mijn rust heb’, zegt hij met z’n pasgeboren kind in zijn armen. ‘Maar tot die tijd heb ik geen reden om gelukkig te zijn.’

Ook hij, de ogenschijnlijk zo onverschillige handenbinder, worstelt soms met alle druk van die dekselse voetballerij. Dat wordt bijvoorbeeld zichtbaar tijdens zijn persoonlijke gesprekken met prestatiecoach Joost Leenders over de aanhoudende malheur bij Club Brugge. Of de ellenlange transferonderhandelingen tussen Club en PSV, waarvan hij volgens eigen zeggen ‘helemaal parra’ wordt. Dan laat Noa Lang even het schild zakken, dat hem in zijn loopbaan net zo vaak heeft gediend als dwarsgezeten, en wordt de man achter de voetballer zichtbaar, het joch achter de branieschopper.

Een typisch kind van een adorerende moeder en een vader die zijn gevoelens nauwelijks kan laten zien, zou je als buitenstaander op basis van deze aardige miniserie zeggen. Minder aaibaar dan de jongen die zoveel lof kreeg toegezwaaid omdat hij op de foto ging met fans met een beperking, maar ook minder onhandelbaar dan de al dan niet milde TBS-patiënt waarvoor hij regelmatig is versleten. Een lastpak, zoveel is zeker, die toevallig héél goed kan voetballen.

The Queen

Kino Lorber

Jennie Livingstons documentaire Paris Is Burning (1980) geldt als een ijkpunt in de LHBTIQ+-historie. Een vitaal portret van de extravagante ballroom-scene van New York, een subcultuur waarbinnen homo’s, travestieten en transgenders een veilige wereld hebben gecreëerd voor zichzelf.

Twaalf jaar eerder was er echter al The Queen (65 min.), waarin filmmaker Frank Simon organisator en master of ceremonies Flawless Sabrina van de Miss All-America’s Camp Beauty Contest van 1967 en enkele deelnemers aan de schoonheidswedstrijd volgt. De drag queens worden ondergebracht in een hotel, waar ze alvast kunnen gaan werken aan hun voorkomen, uitdossing en performance. Tussendoor spreken ze met elkaar over uiteenlopende onderwerpen zoals (zelf)acceptatie, de oproep om te dienen in het leger en nut en noodzaak van een geslachtsoperatie.

Terwijl de queens zich prepareren voor een grootse avond loopt de spanning op. Lukt het bijvoorbeeld om al te opzichtige baardgroei weg te werken? Hoe kunnen de ‘ladies’ overtuigend een decolleté suggereren? En krijgt Richard, inmiddels verwend met overwinningen, nog op tijd een geschikte pruik geregeld? Als de bevallige Mario Montez met de onvermijdelijke Marilyn Monroe-pastiche Diamonds Are A Girl’s Best Friend de avond heeft geopend, verdwijnen al die issues echter subiet naar achtergrond en kan de missverkiezing van start.

Met een stijlvolle impressie van de verschillende onderdelen maakt Simon er een viering van ieders eigenheid van – al valt op dat het deelnemersveld veel witter is dan de ballroom-scene van Livingstons klassieke film. Daarna is het aan de jury om één van de missen te kronen tot ‘Thé Queen’. Als die geëmotioneerd alle felicitaties in ontvangst heeft genomen mag ze op een imposante troon plaatsnemen. En daarmee roept de winnaar, in een inmiddels klassiek geworden slotscène, de toorn over zich af van een andere deelnemer, Crystal Labeija.

Labija, die ook aan de basis zou staan van het House Of Labeija (waarvan een afvaardiging ook is te zien in Paris Is Burning), had zichzelf een veel betere koningin gevonden en laat dat op niet mis te verstane wijze weten.

The Jewel Thief

Disney+

Voor sommige hedendaagse documentaires lijken ze misdaad zonder slachtoffers te hebben uitgevonden. The Jewel Thief (99 min.) is weer zo’n schelmenverhaal, waarin de held, de Canadese meesterdief Gerald Daniel Blanchard, James Bond-achtige allure wordt toegedicht en eigenlijk iedereen met een zekere bewondering naar ‘s mans criminele activiteiten kijkt. ‘Dit is een waargebeurd verhaal’, waarschuwt filmmaker Landon Van Soest nog. ‘Althans, grotendeels.’

Want Blanchard zelf maakt al zijn strapatsen soms nét iets spectaculairder dan ze al waren. Zijn bloedeigen moeder Carol Phegly relativeert die verhalen dan weer. Nee, als kind stal hij helemaal geen melk omdat ze zich dat niet konden veroorloven. Kleine Danny had ’t vooral op snoep voorzien. Een klein half uur later zal Blanchards vader Richard Fedoruk, de zelfverklaarde ‘Canadese Chuck Norris’ die pas op latere leeftijd kennismaakte met zijn zoon, zich nochtans doodleuk voorstellen als ‘de biologische vader van Gerald Blanchard, crimineel meesterbrein van de wereld’.

Op de achtergrond klinkt dan een funky deuntje, want Van Soest dient alle verwikkelingen rond zijn briljante boef graag met schwung en humor op. Na een armoedige jeugd, waarin de bank Gerald en zijn moeder meermaals uit hun huis dreigt te zetten, begint die zich als tiener te gedragen als een typische kruimeldief. Hij jat hele winkels leeg. Ook dan gaat Blanchard, volgens hemzelf en lieden die ooit met hem optrokken, al bijzonder inventief te werk. Met slinks bewerkte kassabonnetjes levert hij bijvoorbeeld gestolen spullen weer in en krijgt er dan zowaar keiharde cash voor terug.

Zulke kwajongensstreken groeien al snel uit tot het serieuze werk. Blanchard begint op bijzonder ingenieuze wijze banken, een natuurlijke vijand sinds zijn jeugdjaren, leeg te trekken. Dat levert stapels dollarbiljetten op – meer dan een normaal mens kan verbrassen – maar daarvoor schijnt ie ’t helemaal niet te doen. Hij wil simpelweg de politie te slim af zijn en daagt de agenten die op hem jagen dan ook opzichtig uit: Catch Me If You Can! ‘Hij deed ‘t voor de kick’, meent rechercheur Mitch McCormick. ‘Hij beroofde een bank van 600.000 dollar. Vlak daarna stal hij een broodrooster.’

En dan nadert deze smeuïge heistdocu, na een stief uur, de fase in Blanchards criminele carrière waaraan de luchtige crimefilm zijn titel ontleent. In Wenen wordt in 1998 op klaarlichte dag een ster van de befaamde Oostenrijkse keizerin Sissi gestolen uit het Schönbrunn Paleis. ‘Ik moet voorzichtig zijn met wat ik nu zeg, want als ik zeg dat ik het stal kan ik in Oostenrijk worden aangeklaagd voor diefstal, zegt Gerard Blanchard daarover tegen Van Soest. Hij vervolgt, niet zonder lol: ‘De kranten zeiden dat ik uit een vliegtuig was gesprongen en op het dak van het paleis was geland.’

En dat is natuurlijk weer een leugentje, een poging om het toch al enerverende kat- en muisspel, waarin hij verwikkeld is geraakt met allerlei autoriteiten, nog wat Ocean Eleven-achtige allure mee te geven. Want Blanchard geniet overduidelijk van zijn status en laat in deze docu slechts zelden het achterste van zijn tong zien. Als de informant, waardoor hij uiteindelijk achter de tralies belandt, ter sprake komt bijvoorbeeld. ‘De rechtbank van de straat zal zorgen voor gerechtigheid’, zegt hij dan met een vreemde grimas op zijn gezicht. ‘Ik denk dat hij ergens in een veld zal worden achtergelaten.’

Die kant van het verhaal wordt in kekke schelmendocu’s zoals The Jewel Thief echter met liefde en plezier onder het tapijt geveegd. Daarin hijsen ze een meesterdief liever op het schild, zodat we hem met zijn allen kunnen bewonderen. En dat zou ook wel eens precies kunnen zijn waarnaar Gerald Blanchard eigenlijk ten diepste verlangt. Zo bezien lijkt misdaad voor hem wel degelijk te lonen – ook omdat bij niemand in deze film zichtbaar wordt gemaakt wat die heeft gekost.

Trees And Other Entanglements

HBO Max

Hoe begin je een film over bomen? Met een citaat van de Bengaalse dichter en wijsgeer Rabindranath Tagore bijvoorbeeld: ‘The woodcutter’s axe begged for it’s handle from the tree. The tree gave it.’ Met daarna beelden van een bos, in de omgeving van Portland, begeleid door het geluid van tsjilpende vogeltjes. En dan introduceer je jezelf, filmmaker Irene Taylor. Deze boom leeft al langer, vertel je vervolgens aan je zoon, dan iedereen die jij kent en hun grootouders.

Maar hoe leg je daarna uit waarom die documentaire over bomen zo nodig moest worden gemaakt? Een voice-over misschien? ‘Bomen spreken de waarheid’, begint die. ‘En ze vertellen verhalen. Over een man die een zaadje plant in een donkere periode, een jongen die verstopt is in het bos, een andere jongen die verliefd wordt en een vrouw die bomen onsterfelijk maakt.’ Je vat het nog even samen: ‘Wij bewegen door de tijd, maar bomen staan stil.’

En dan kan Trees And Other Entanglements (109 min.), jouw associatieve tocht langs deze en andere personages en hun bomen, wel zo’n beetje beginnen. Over de verhouding tussen mens en natuur. Richard Furuzawa vertelt z’n zoon Matthew bijvoorbeeld over zijn eigen vader, die als Japanse Amerikaan tijdens de Tweede Wereldoorlog naar een interneringskamp werd gestuurd. Daar plantte hij een zaadje, dat de basis vormde voor een weldadige bonsaiboom.

De hoogbejaarde George Weyerhaeuser, die een houtkapbedrijf runde dat al zeker vier generaties in de familie zit, werd als negenjarige jongen ontvoerd en verstopt in, juist, een bos. Ryan Neil ging in Japan in de leer bij een echte bonsaimeester en kwam uiteindelijk van een koude kermis thuis, maar is de kunstvorm toch altijd trouw gebleven. En de fotografe Beth Moon maakt overal in de wereld portretten van bomen, die nogal eens ten dode opgeschreven blijken te zijn.

Het is een bont gezelschap dat voor jou vanuit allerlei verschillende gezichtspunten de relatie tussen mens en boom kan optekenen. En soms krijgt zo’n persoonlijk verhaal ineens een heel ruw randje, zoals bij de zwarte schrijfster Carolyn Finney. Haar ouders beheerden bijna vijftig jaar een landgoed van vijf hectare. Nadat ze waren vertrokken, werd het gebied tot erfgoed uitgeroepen. Alleen met de kersenboom die Carolyns vader aan haar moeder had gegeven liep ’t niet goed af.

En dat is dan weer de link met je eigen vader. De man die jarenlang als een enorme eik boven jou uittorende, waarover je eerder de persoonlijke films Hear And Now en Moonlight Sonata hebt gemaakt, begint nu door dementie het contact met zijn wortels te verliezen. De man kan ieder moment worden geveld. Waar wordt gehakt, moet echter dringend worden herbouwd. Dat vindt tenminste bomenplanter Dirk Brinkman die al bijna een miljoen bomen op z’n naam heeft staan.

Zo ongeveer, maar toch heel anders, meandert Trees And Other Entanglement langs allerlei bewegende mensen, stilstaande bomen en adembenemende vergezichten, in een film die gaandeweg, bijna tot je eigen verbazing, menig hart verovert.

Citizen Sleuth

IDFA

‘Ik las het onderzoeksdossier: moord, doofpot, what the hell?’ vertelt Emily Nestor, een jonge vrouw uit de Amerikaanse staat West Virginia, die inmiddels wel weet hoe je in oneliners moet spreken. ‘Dat moet focking onderzocht worden. En waarom dan niet door mij?’ Ze besluit om de tragische dood van Jaleajay Davis, op 19 november 2011 op Interstate 77 in Ohio, nader onder de loep te nemen en wordt daarbij gesteund door Jaleajay’s moeder Kim, die al jaren ijvert voor een nieuw onderzoek naar het fatale verkeersongeluk, en haar opa Roger Nolan, die zelfs al een wapen bij de hand houdt.

Nestors inspanningen als amateurdetective monden in 2018 uit in de podcast Mile Marker 181 – vernoemd naar de kilometerpaal waar Jaleajay is aangetroffen – waarmee ze meteen een trouwe schare volgelingen opbouwt. Emily trekt tevens de aandacht van filmmaker Chris Kasick, een protegé van de oervader van het true crime-genre Errol Morris (The Thin Blue Line). Hij besluit om haar te gaan volgen voor een documentaire: Citizen Sleuth (81 min.). Een true crime-docu dus over een true crime-podcast, waarin de hoofdpersoon een true crime-tattoo (hartje ‘true crime’) neemt, de true crime-conventie Crimecon bezoekt en contact legt met kopstukken van andere true crime-producties (Injustice With Nancy Grace en I’ll Be Gone In The Dark). Dat moet wel een metablik op het populaire en omstreden genre opleveren.

En daar lijkt Kasick inderdaad op uit. Hij kijkt mee terwijl Emily, volgens eigen zeggen in opdracht van het slachtoffer, (anonieme) getuigen aan het woord laat, speculeert over de mogelijke motieven van Jaleajay’s vrienden, de fatale autorit nog maar eens reconstrueert en kijkt wat er gebeurt met de scherven als je een autoruit aan diggelen slaat. Voor volgers van het true crime-genre zijn het welbekende taferelen. Mensen worden gereduceerd tot personages, gebeurtenissen krijgen hun eigen plek binnen een narratief en de uitkomst daarvan moet eigenlijk wel een combinatie van crime en cover-up zijn. Anders is er namelijk geen verhaal en lijkt zo’n podcast ten dode opgeschreven. Emily Nestor is echter zeker van haar zaak: negentig procent van haar informatie wijst op moord. Maar is de fulltime podcaster eigenlijk wel gekwalificeerd om zulke ferme conclusies te trekken?

Ze werkte bij een hondenopvang en als serveerster. Emily is vooral een gestaalde crimefanaat. Ze zweert bij de serie Mindhunter, heeft tattoos van seriemoordenaar Richard Ramirez (alias The Night Stalker) en Dexter en wil eigenlijk al haar hele leven Clarice Starling zijn, de FBI-agente uit The Silence Of The Lambs. Want die komt ook uit West Virginia, achtergebleven Hillbilly-gebied waar armoede, werkeloosheid en verslaving al sinds jaar en dag wild om zich heen grijpen. Er zijn hier echt mensen te vinden met tanden in hun mond, stelt Emily’s trotse moeder Jamie Metz. Terwijl haar dochter lezingen geeft, stickers uitdeelt en merchandise aan de man probeert te brengen, ontstaat er echter ook twijfel: was Jaleajay Davis’ dood werkelijk een misdrijf? Kasick begint zich dat af te vragen – en ook waar hij zelf dan mee bezig is. Zelfs voor Emily Nestor wordt die kwestie onontkoombaar.

Intussen werpt de filmmaker ook grotere kwesties op: krijgen true crime-fans in gebieden zoals West Virginia misschien meer ruimte omdat de serieuze journalistiek er nauwelijks meer een rol speelt? En wat betekent het voor de waarheidsvinding als goed (of kwaad)willende amateurs, niet gehinderd door vakkennis en beroepsethiek, zich dan op willekeurige ‘misdaden’ richten? Zij hebben in wezen maar één doel: entertainen. Anders is het publiek snel weg, op zoek naar een nieuwe seks- of moordzaak. Deze juicy film, waarbij de maker ook zichzelf niet spaart, laat tegelijkertijd zien hoe dat nu in de praktijk werkt: true crime, het ideale tijdverdrijf voor brave borsten die ook wel eens iets spannends willen beleven.

De driedelige docuserie Cybersleuths: The Idaho Murders belicht, aan de hand van een viervoudige moord, eveneens de true crime-industrie.

The Enfield Poltergeist

Apple TV+

Het is duidelijk wie de hoofdrolspelers zijn, in dat behekste huis in de Londense deelgemeente Enfield: Janet Hodgson, een meisje van elf met heel veel verbeeldingskracht. En haar moeder Margaret ‘Peggy’ Hodgson, een gescheiden Britse vrouw van 47 met vier kinderen. Omdat een klopgeest regelmatig hun huis bezoekt, worden zij vanaf 1977 twee jaar lang intensief geobserveerd door zakenman en uitvinder Maurice Grosse, die paranormale zaken ‘op een wetenschappelijke manier’ wil onderzoeken, en zijn assistent, geestenexpert Guy Playfair. De twee maken uiteindelijk meer dan tweehonderd uur audio-opnamen in ‘the haunted house’ aan 284 Green Street.

En die vormen nu het fundament onder The Enfield Poltergeist (234 Min.). Want op basis van die tapes heeft regisseur Jerry Rothwell, die enkele jaren geleden de immersieve autismefilm The Reason I Jump maakte, belangrijke gebeurtenissen gereconstrueerd. Acteurs spelen in een ingenieus decor lip sync mee met het oorspronkelijke geluid. Deze vierdelige serie bestaat dus voor een belangrijk deel uit gedramatiseerde scènes, het audio daarbij is echter authentiek en rechtstreeks afkomstig van de geluidsbanden van Grosse en Playfair. Dat is even wennen – in de Nederlandse documentaire Moeders deed Nirit Peled ’t overigens ook al – maar werkt wonderwel.

Rothwell spreekt daarnaast met (directe familie van) de Hodgsons, de woordvoerder van de zogenaamde Society For Psychical Research, medewerkers van The Daily Mirror, de BBC-verslaggever die er destijds op af werd gestuurd en diverse psychologen en (neuro)wetenschappers, die een kijkje gingen nemen bij de Hodgsons of met de wijsheid van nu naar de bizarre gebeurtenissen aldaar kijken. Ook Maurice Grosse’s aanvankelijk erg sceptische zoon Richard komt uitgebreid aan het woord. Hij liet zich gaandeweg verleiden om toch een bezoek te brengen aan het huis. Richard sprak daar toen – hij kan zich er nog altijd nauwelijks toe zetten om het te zeggen – met een geest.

Dat is maar één van de vele vreemde zaken in Enfield: er klinken allerlei sinistere geluiden, objecten vallen om of belandden op een andere plek en er wordt, natuurlijk, volop geklopt. En alles speelt zich af in, om of door de tiener Janet, die als medium lijkt te fungeren voor iets wat zich tussen hemel en aarde beweegt, een overledene wellicht die verleden heeft in dat vervloekte huis. Vanzelfsprekend ontmoet Maurice Grosse ook scepsis als hij verhaalt over zijn bevindingen. De psychologe Anita Gregory komt bijvoorbeeld eens kijken in Enfield en zet daarna in het rapport Problems In Investigating Psychokinesis grote vraagtekens bij de authenticiteit van wat zich daar afspeelt.

En die Enfield Poltergeist is, vanaf enige afstand bekeken, natuurlijk ook ‘too bad to be true’. Soms lijkt ie te citeren uit The Exorcist, een horrorfilm die halverwege de jaren zeventig immens populair is. Op andere momenten is het dan weer alsof de dan wereldberoemde ‘lepeltjesbuiger’ Uri Geller als z’n inspiratiebron heeft gefungeerd. De gebeurtenissen in de Londense deelgemeente trekken in elk geval zoveel aandacht dat zelfs de beruchte Amerikaanse spokenjagers Ed en Lorraine Warren, onlangs nog te zien in de documentaire The Devil on Trial, even poolshoogte komen nemen. En er is ook een Nederlandse connectie: het medium Dono Gmelig-Meyling meldt zich. 

Rothwell neemt dit spraakmakende verhaal krachtig bij de hand en blijft zoveel mogelijk uit de buurt van effectbejag, maar speelt alle ontwikkelingen wel bijzonder slim uit, waarbij hij bijvoorbeeld zeer gedoseerd informatie deelt. Zo valt zijn publiek eerst van de ene verrassing in de andere en wordt daarna ook nog geraakt door personages zoals Janet, Margaret en Maurice, die elk hun eigen issues meebrengen naar dat veelbesproken huis in Enfield. Het resultaat is een absolute tour de force, een bijzonder inventieve, enerverende en toch ook heel menselijke serie die het midden houdt tussen een documentaire- en een ‘based on a true story’-productie en die na bijna vier uur speeltijd nog een flinke tijd nazindert.

To End All War: Oppenheimer & The Atomic Bomb

MSNBC

De tragiek van de man en zijn grootste verdienste is al vaak benadrukt. J. Robert Oppenheimer wilde de westerse beschaving redden en ontwierp vervolgens een wapen waarmee elke vorm van beschaving kon worden vernietigd. En de Amerikaanse wetenschapper, over wie regisseur Christopher Nolan onlangs de groots opgezette speelfilm Oppenheimer maakte, besefte dat zelf als geen ander. To End All War: Oppenheimer & The Atomic Bomb (87 min.) vormt het tastbare bewijs. ‘Nu ben ik de Dood geworden’, zegt hij daarin mistroostig. ‘De vernietiger van werelden.’

Door zijn reputatie als outsider en relatie met een overtuigde communiste, ex-vriendin Jean Tatlock, leek de natuurkundige Oppenheimer niet de meest voor de hand liggende kandidaat  om het nucleaire programma van de Verenigde Staten, The Manhattan Project, te gaan leiden en zo het gevaar van nazi-Duitsland te bezweren. ‘Hij had geen grote verdiensten op zijn naam staan’, stelt Gregg Herken, auteur van het boek Brotherhood Of The Bomb. ‘Een wetenschapper die Oppenheimer kende zei zelfs: hij kan niet eens een hotdogkraam runnen.’

En die man moest er dus voor zorgen dat de race tegen het Duitse bomproject, geleid door zijn concullega Werner Heisenberg, werd gewonnen. Vanuit Los Alamos, in de woestijn van New Mexico, zette Oppenheimer met zijn team alles op alles om Hitler voor te blijven. En toen de Duitsers begin 1945 geen bedreiging meer vormden voor de VS – zo betogen enkele historici in deze breed ingestoken, goed gedocumenteerde en subtiel met animaties aangeklede film van Christopher Cassel – werd er een andere vijand gezocht. Want De Bom moest uitgeprobeerd worden!

‘Hoe kon de wereld anders de kracht ervan ontdekken?’ stelt historicus Richard Rhodes (The Making Of The Atomic Bomb). Met dit afschrikwekkende nieuwe wapen hoopten ze bovendien het aantal Amerikaanse slachtoffers in de rest van de oorlog te kunnen beperken. ‘Mijn vader en moeder zijn veteranen uit de Tweede Wereldoorlog’, zegt tv-wetenschapper Bill Nye daarover. ‘Na vier jaar oorlog was er volgens mijn moeder echt niemand die zich afvroeg of het wel ethisch verantwoord was om een nucleair wapen te gebruiken.’ Alles was geoorloofd om de oorlog te verkorten.

‘We hebben meer dan twee miljard dollar geïnvesteerd in de grootste wetenschappelijke gok in de geschiedenis’, declameerde de Amerikaanse president Harry Truman triomfantelijk, nadat een Amerikaans vliegtuig op 6 augustus 1945 een atoombom had gedropt op de Japanse havenstad Hiroshima. ‘En we hebben gewonnen!’ ’t Was een gotspe! ‘Ik herinner me elke seconde,’ vertelt overlevende Hideko Tamura, die zelf de bom overleefde, maar haar halve familie verloor. ‘Ik heb me nog nooit zo hulpeloos gevoeld.’ Drie dagen later zou ook Nagasaki nog worden geslachtofferd.

Robert Oppenheimer werd het gezicht bij die beruchte paddenstoelenwolk. Een wereldwijde bekendheid, die werd gekweld door schuldgevoelens. ‘Hij had geen spijt van zijn rol en werk tijdens de oorlog’, vertelt zijn kleinzoon Charles Oppenheimer. ‘Maar vrijwel direct daarna begon hij al zijn aandacht te richten op het beheersen van de gevolgen ervan.’ En daarmee werd ‘de vader van de atoombom’, in de hoogtijdagen van het McCarthisme, zowaar het slachtoffer van een heksenjacht. De briljante wetenschapper eindigde zijn carrière als een tragische figuur.