Rudeboy: The Story Of Trojan Records

Toen Bob Marley, de man die het iconische gezicht van reggae zou worden, zich halverwege de jaren zeventig goed en wel internationaal begon te manifesteren, werd Trojan Records gedwongen om de tent de sluiten. De Britse platenmaatschappij had als bruggenhoofd gefungeerd voor de wereldwijde distributie van de muziekgenres reggae, ska en rocksteady en vroege helden als Derrick Morgan, Toots & The Maytals, Desmond Dekker, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff in de vaart der volkeren opgestuwd.

Rudeboy: The Story Of Trojan Records (85 min.) blaast het stof van die essentiële muzikale periode, waarvan het startpunt vrij eenvoudig is te traceren: de onafhankelijkheid van Jamaica in 1962, waarna 100.000 inwoners verkassen naar de voormalige kolonisator Groot-Brittannië. Als bruidsschat nemen ze muziek mee naar hun nieuwe vaderland, die daar wordt omarmd door witte tegenhangers van de Jamaicaanse rudeboys. Deze skinheads, arbeidersjongens met gemillimeterde coupes, bretels en kistjes, maken van ska een multicultureel fenomeen. Later, als ook in het Verenigd Koninkrijk racisme welig begint te tieren, ontstaat echter ook een extreemrechtse variant. 

Regisseur Nicolas Jack Davies probeert die dampende Trojan-periode (1968-1975) daadwerkelijk te laten herleven met acteurs en een overdaad aan gefictionaliseerde scènes. Die zijn wellicht broodnodig – vanwege beperkt beeldmateriaal van enkele hoofdpersonages – maar leggen het qua authenticiteit af tegen het joyeuze archiefmateriaal. Want daarin gebeurt ‘t, met klassieke songs als Rudy, A Message To You, Monkey Man en Wonderful World, Beautiful People. En daaraan, aan loom of juist lustig swingende muziek die een halve eeuw na dato nog altijd uiterst vitaal klinkt en noopt tot ongegeneerd skanken, ontleent deze film zijn aantrekkingskracht.

De Chaque Instant

 

Être Et Avoir is zo’n ‘once in a lifetime’-film, waarbij alles goed valt. De documentaire van Nicolas Philibert over het kleine plattelandsschooltje van onderwijzer Georges Lopez in de Franse Auvergne veroverde in 2002 stormenderhand de wereld. Het was dé film die arthouse-liefhebbers wilden zien. Blijkbaar hadden we – in de nasleep van de aanslagen op 11 september 20011, vul ik zelf maar in – behoefte aan een kleine, veilige wereld waarin het bestaan zich op een logische en voorspelbare wijze voltrekt.

Ruim vijftien jaar later kijkt Philibert opnieuw mee als jonge mensen worden klaargestoomd voor het leven, een leven in de zorg om precies te zijn. In De Chaque Instant (101 min.) begeeft hij zich te midden van de leerlingen en leerkrachten van een opleiding voor verpleegkundigen en verzorgenden in Montreuil. Dat voelt direct vertrouwd: het camerawerk is steady en sober, de montage tot een minimum beperkt en van alle franje ontdaan. Observerende cinema kortom, zoals het ooit is gedefinieerd.

De film is opgedeeld in drie delen. Allereerst krijgen de aspirant-zorgers instructie en praktijkles. Ze steriliseren hun eigen handen, zetten een spuit bij elkaar en reanimeren een pop. Tussendoor krijgen ze dan in een traditionele setting ouderwets les. Na het droog oefenen volgt de stap naar de praktijk: stage in de thuiszorg, een ziekenhuis of de psychiatrie. De confrontatie met (afhankelijke) mensen van vlees en bloed. Tenslotte volgt de verplichte reflectie. In een persoonlijk gesprek met een begeleider blikt de leerling kritisch terug.

Voor die evaluatiegesprekken trekt Nicolas Philibert ruim een half uur uit. Uitroepteken. De tijd staat letterlijk stil als de aankomende beroepsbeoefenaars hun praktijkervaringen delen met enkele bijzonder betrokken begeleiders. Dit levert diverse kleine, menselijke scènes op, die zo in Être Et Avoir hadden kunnen zitten. Er is ook een verschil: De Chaque Instant heeft geen vaste hoofdpersonen, waaraan je als kijker houvast hebt.

Dat zal ongetwijfeld een bewuste keuze zijn: het beroep en de weg daarnaartoe staan centraal, niet de individuele leerlingen en leraren. Toch hadden eigentijdse varianten op het eigenwijze jongetje Jojo of de kwetsbare tiener Nathalie ook niet misstaan in deze film. Of gewoon een alomtegenwoordige, liefdevolle leermeester zoals Georges Lopez. Tegelijkertijd kun je natuurlijk betogen dat het echte leven ook vooral wordt bevolkt door gewone, inwisselbare mensen. Waarom zou je dan in een film wél helden moeten creëren?

Nadat Être Et Avoir een wereldwijd succes was geworden en Georges Lopez zo’n beetje was uitgegroeid tot het toonbeeld van De Leraar, viel diezelfde man overigens alsnog van zijn voetstuk. De bewierookte vaderfiguur spande een rechtszaak aan tegen Nicolas Philibert, omdat hij recht meende te hebben op een deel van de filmrecette. Georges Lopez zou die zaak verliezen.