Staat Van Verzorging

VPRO

Zij woont op Caeciliastraat 45a in Leiden, hij op 43a. Hun levens zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden geraakt. Zij, mevrouw Versteegen (65), verleent mantelzorg aan hem, meneer Neuteboom (89).

Hij wil absoluut niet naar een bejaardentehuis. Dan is ie naar zijn stellige overtuiging binnen veertien dagen dood. En dus heeft zij, na veertig jaar werken als werkster, inmiddels een dagtaak aan de dagelijkse zorg voor haar hoogbejaarde onderbuurman. Ze regelt ook een stok en looprek bij de kruisvereniging, plakt de banden van zijn rolstoel en blijkt zelfs bereid om samen met hem in een woning te trekken – ook om op de huurkosten te besparen.

In de Nederlandse documentaireklassieker Staat Van Verzorging (59 min.) van het duo Maarten Schmidt en Thomas Doebele uit 1987 worden de twee buren gevolgd terwijl ze samen het hoofd boven water proberen te houden en tegelijk een rondgang maken langs allerlei instanties, om steun of voorzieningen te verkrijgen. De broze charmeur op leeftijd en zijn jongere en ogenschijnlijk zeer onbaatzuchtige mantelzorger ogen als een geoliede machine.

Gaandeweg blijkt echter dat het niet altijd rozengeur en maneschijn is tussen de twee buurtjes, die meteen de erbarmelijke stand van zaken in de Nederlandse verzorgingsstaat van de jaren tachtig representeren. Gewone mensen zoals zij proberen het leven te nemen zoals het komt. Zij, de archetypische oma met een hoofddoekje. En hij, de versleten man die wel eens een sigaartje te veel rookt en vast een leven lang roofbouw heeft gepleegd op zijn lijf.

De twee willen een andere woning, maar ervaren aan den lijve dat je in gelul, zoals het eikenhouten PvdA-icoon Jan Schaefer al zo treffend stelde, inderdaad niet kunt wonen. En in het NOS Journaal wordt hen, vanwege de Kernramp bij Tsjernobyl, ook nog eens afgeraden om spinazie te eten. Zo roept deze observerende film zonder opsmuk, alleen een stemmige soundtrack, een bedompt en grijsgrauw land op, dat van de ene naar de andere crisis strompelt.

Toen geluk nog vooral heel gewoon… leek.

Kho Liang Ie – Ontwerper Van Zijn Tijd

Lex Reitsma / AVROTROS

Op het getuigschrift dat Kho Liang Ie (1927-1975) op 6 juli 1954 kreeg uitgereikt van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs te Amsterdam, de latere Rietveldacademie, staat dat hij het eindexamen ‘binnenhuiskunst’ met goed gevolg heeft afgelegd. Zijn zoon Eng Tie Kho is er ruim zeventig jaar later nog altijd verguld mee. Kunst. Géén architectuur. ‘Ik denk dat hij juist een kunstenaar was, in wie hij was.’

De man die zou uitgroeien tot een toonaangevende industrieel ontwerper en interieurarchitect was in 1949 van Jakarta naar Nederland gekomen, volgens zijn dochter Mira met het idee dat hij snel zou terugkeren naar huis en dan een Chinese vrouw ging trouwen. Na zijn afstuderen werd hij echter al snel benaderd door Artifort uit Maastricht, de start van een bloeiende carrière als architect die uiteindelijk alleen slechts een jaar of twintig zou duren. Op 47-jarige leeftijd overleed Kho Liang Li, de designer van talloze meubels, interieurs en kantoortuinen, waaronder het interieur van het stationsgebouw van Schiphol.

Ruim vijftig jaar later is Kho Liang Ie – Ontwerper Van Zijn Tijd (52 min.) in de vergetelheid geraakt en beijvert met name zijn zoon Eng Bo zich voor een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam, de plek waar zijn vader bij leven en welzijn al eens exposeerde. Regisseur Lex Reitsma (Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel / Rietveldhuizen: Een Meubel Om In Te Wonen) volgt Ie’s kinderen tijdens de samenstelling van dit retrospectief en zoomt intussen, samen met collega’s en kunsthistoricus Ineke van Ginneke, in op de carrière en het levenswerk van de begenadigde ontwerper.

Hij behandelt diens ontwerpen ook daadwerkelijk als kunstwerken, zorgvuldig uitgestald en gestileerd vereeuwigd, die op geen enkele manier zijn te vergelijken met zielloze gebruiksvoorwerpen en die bovendien de tand des tijds doorgaans glansrijk hebben doorstaan. Zo wordt dit postume portret, in combinatie met de expositie die op dit moment in het Stedelijk Museum is te zien, een waardig eerbetoon aan leven en werk van Kho Liang Ie.

Tetra: Acreditar De Novo

Netflix

Achter elke afzonderlijke naam hoort een uitroepteken. Carlos Alberto Parreira! (de coach die het Braziliaanse voetbalelftal in de aanloop naar het WK van 1994 door lastige tijden loodst). Dunga! (zijn onverwoestbare aanvoerder die daar de beslissende strafschop voor zijn rekening neemt). Branco! (de man die met z’n verwoestende linkerbeen dan al hoogstpersoonlijk het Nederlands elftal uit het toernooi heeft geknald). Bebeto! (de ene helft van het beste Braziliaanse spitsenduo sinds Pelé en Garrincha, die tijdens het toernooi vader wordt en al wiegend z’n doelpunten viert). En Romário! (Bebeto’s ongrijpbare aanvalsmaatje en de goaltjesdief onder de goaltjesdieven). In de Verenigde Staten maken ze hun land, na 24 lange jaren, met een zege op Italië eindelijk weer wereldkampioen.

Vrijwel de gehele Seleçao draaft ruim dertig jaar na dato ook op voor de terugblik Tetra: Acreditar De Novo (86 min.), inclusief ook Márcio Santos!, Jorginho!, Raí!, Mauro Silva!, Zinho!, Paulo Sérgio!, Viola!, Aldair! én reservekeeper Gilmar Rinaldi! Hij maakte in ‘94 achter de schermen maar liefst acht uur beeldmateriaal, dat nu als basis dient voor deze documentaire van Luis Ara. Alleen Rinaldi’s concurrent Taffarel! (de doelman die in de finale als overwinnaar uit de penaltyserie kwam) schittert ditmaal door afwezigheid. Zijn voormalige teamgenoten halen verrukt en geëmotioneerd herinneringen op aan een enerverend toernooi, dat even daarvoor extra lading heeft gekregen door het overlijden van hun teamgenoot Dener en de Braziliaanse Formule 1-legende Ayrton Senna.

Uit Rinaldi’s beelden komen smakelijke anekdotes voort, bijvoorbeeld over die ene motivatiespeech in de kleedkamer, nét voor aanvang van de WK-finale, waarin de spelers worden aangespoord om als Japanse Kawasaki-piloten voor de overwinning te gaan. Tot grote hilariteit van zijn medespelers corrigeert spits Romário de spreker direct: hij bedoelt kamikazepiloten! Zo wordt de spanning voor de belangrijkste wedstrijd van hun leven even doorbroken. Ook voormalige tegenstanders van Brazilië (de Zweed Patrik Andersson, de Amerikaan Tab Ramos, de Nederlanders Aron Winter en Ronald de Boer en de Italianen Gianluca Pagliuca, Demetrio Albertini, Alberico Evani) blikken in deze vermakelijke sportdocu terug op het toernooi dat voor hén uitloopt op een teleurstelling.

Inmiddels is het opnieuw 24 jaar geleden dat het Braziliaanse elftal wereldkampioen is geworden, tijdens het WK van 2002 in Zuid-Korea en Japan, en snakt ‘s werelds succesvolste voetballand naar een nieuwe titel – al zou het natuurlijk ook wel aardig zijn als Virgil van Dijk!, Frenkie de Jong! en Memphis Depay! over een jaar of dertig op een soortgelijke manier mogen terugkijken op hun avontuur in de Verenigde Staten, Canada en Mexico in 2026.

Mama’ku – Van Jakarta Tot De Molukken

Cinema Delicatessen

In de afgelopen jaren lijkt de Nederlandse documentairewereld, oneerbiedig gezegd, een vruchtbare nieuwe afzetmarkt te hebben ontdekt. De grootste bioscoopsuccessen – en documentaires hebben het doorgaans moeilijk in filmtheaters – lijken te komen van films die een specifieke bevolkingsgroep aanspreken: Chinese Nederlanders (Meer Dan Babi Pangang), Papoease Nederlanders (The Promise), Surinaamse Nederlanders (Moeder Suriname) en – vooral – Nederlanders uit de voormalige kolonie Nederlands Indië (Kleinkinderen Van De OostIndië Verloren… en Anak Indië).

Op dit terrein beweegt ook Sven Peetoom zich als filmmaker. In 2025 regisseerde hij samen met Juliëtte Dominicus, die eerder al de korte film Indisch Zwijgen (2022) had gemaakt, de intieme documentaire Tussen Wal En Schip – Geruisloos Indisch. Nu volgt Mama’ku – Van Jakarta Tot De Molukken (57 min.). Peetoom is door danseres Cheroney Pelupessy uitgenodigd voor een reis naar Indonesië. Zij wil de plekken bezoeken die haar moeder Laura als kind hebben gevormd. Intussen wil ze werken aan haar lastige relatie met de vrouw die ze nog altijd consequent met ‘u’ aanspreekt.

Deze geladen roadmovie is gelardeerd met gestileerde danssequenties, waarmee Cheroney, alleen of samen met haar moeder of mensen die ze onderweg ontmoet, haar impressies en gevoelens uitdrukt. In het land van hun voorouders stuiten ze samen op pijn uit het verleden: huiselijk geweld, een gedwongen huwelijk en smokkel naar Nederland. Dit leidt overigens niet direct tot toenadering tussen ouder en kind. ‘Als de camera uitstaat, komt de dynamiek van vroeger weer terug’, constateert Cheroney Pelupessy gefrustreerd. ‘Mama sluit zich af, duwt mij weg en keurt alles af.’

Als dochter wil ze gehoord worden. Dat gaat echter niet vanzelf. Daarvoor zijn haar familiegeschiedenis, die zowel in Nederland als op Java en de Molukken ligt, en het intergenerationele trauma dat daardoor is ontstaan wellicht ook te complex. Cheroney en Laura Pelupessy moeten ervoor werken om echt thuis te komen, het, ja, Indische zwijgen achter zich te laten en zich met elkaar te verzoenen, in een broeierige trip down memory lane, waar zowel moeder als dochter natuurlijk een héél klein beetje veranderd uitkomt.

Helden Van De Galaxy

VPRO

Het bericht dat hij samen met zijn moeder en twee broertjes een huis toegewezen heeft gekregen, zorgt bij Abdulatif voor een belangrijke vraag: is er wel een voetbalclub in de buurt? De dertienjarige Syrische jongen is eraan gewend geraakt dat er altijd voetbalvriendjes in de buurt zijn. Hij woont al meer dan twee jaar op de Galaxy, een voormalig cruiseschip dat in de Amsterdamse haven ligt en dat al enige tijd wordt ingezet als asielzoekerscentrum. Er wonen inmiddels zo’n 1500 mensen uit landen als Syrië, Eritrea en Somalië.

Op dat schip volgt Mirjam Marks nog vier Helden Van De Galaxy (64 min.): het elfjarige Libische meisje Nour, Laila (10) uit Jemen en de broers Basel en Mohammad, kinderen die al op jonge leeftijd op drift zijn geraakt met (een deel van) hun familie. Onderweg van daar naar hier en God weet waar proberen ze er het beste van proberen te maken, op een schip dat nog steeds alle ruimte biedt voor vertier. Voetballen op het enorme parkeerdek, bijvoorbeeld. Maar ook: rolschaatsen in de lange gangen, verstoppertje spelen of zelf slijm maken in de Moonlight Bar.

Tussendoor laat Marks hen in deze vierdelige jeugdserie vertellen over hun eigen levens, die ze kleur geeft met metaforische verhaaltjes over respectievelijk een vogelkoning, klein visje, vriendelijke djinn en kleurrijke papegaai, opgedist door verteller Hajar Fargan en geïllustreerd met vrolijke geanimeerde figuurtjes. Zo worden de lotgevallen van de individuele kinderen in een sprookjesachtige context geplaatst, alsof ze simpelweg van het ene in het andere avontuur tuimelen. De levens van de jonge helden krijgen daardoor ook nooit een mistroostig karakter.

Er zit soms ook beweging in: van de Galaxy naar een doodgewone woning, waar het leven in Nederland opnieuw begint – of past echt. Van het schip mist Abdulatif daar eigenlijk niets, bekent hij enkele maanden later, als ie toch nog even op bezoek komt. Behalve: Mohammad. Want vrienden zijn voor deze vindingrijke kids, getuige de hartverwarmende verhalen die Mirjam Marks in vier vlot vertelde afleveringen optekent, in deze onzekere tijden letterlijk van levensbelang.

Verweesd Eigendom

The Film Kitchen / Max

Ruim tachtig jaar later zijn ruim drieduizend objecten, persoonlijke bezittingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd van Joodse families en kunsthandelaren, nog altijd verweesd.

Tegenwoordig zijn de schilderijen, kasten, tapijten en andere spullen in bewaring bij de Nederlandse staat. Een groot deel bevindt zich in het depot van het Collectiecentrum Nederland te Amersfoort. Researchers gaan vier jaar lang onderzoek doen om deze ‘verweesde objecten’ te koppelen aan nabestaanden van de oorspronkelijke eigenaren, die de Tweede Wereldoorlog doorgaans niet hebben overleefd.

In de geserreerde documentaire Verweesd Eigendom (50 min.) volgen Piet de Blaauw en Frénk van der Linden dit proces aan de hand van twee concrete voorbeelden. De casus Van Son bijvoorbeeld. Als de Joodse familie uit Hilversum in 1940 met de boot naar Engeland is vertrokken, trekt een NSB’er in hun huis. Na de oorlog blijkt het meubilair en de kunstverzameling te zijn verdwenen.

Het schilderij Lezende Vrouw van de kunstenaar Jan Sluijters uit 1911 is bijvoorbeeld weg. Enkele jaren later duikt het werk ineens op bij de Biënnale in Venetië, waarna het wordt aangekocht door Het Van Abbemuseum in Eindhoven. Namens de jongste zoon Mischa van Son, wiens gezondheid inmiddels erg broos is, probeert familievriend André Broers het schilderij nu terug te krijgen.

De zussen Renée en Denise Citroen krijgen intussen bericht dat er servies is getraceerd van hun grootouders, die zijn vermoord in het vernietigingskamp Auschwitz. Of ze een claim willen indienen? Dat idee haalt emotioneel heel wat overhoop. In de praktijk blijkt het echter bijzonder lastig om de borden van het echtpaar, dat in Amsterdam een juwelierszaak runde, daadwerkelijk te verkrijgen.

Want hoewel alle betrokken functionarissen en organisaties welwillend zijn om geroofde spullen terug te bezorgen, zit de bureaucratie hen danig in de weg. Tot grote frustratie van de nabestaanden, die het gevoel krijgen dat ze blij zijn gemaakt met een dode mus. Tegelijk wordt de ‘culturele shoah’, constateren de zussen Citroen verontwaardigd in deze ingetogen pijnlijke film, niet gecorrigeerd.

De Nederlandse autoriteiten hebben te veel een ambtenarenmentaliteit om zich emotioneel in te kunnen leven, stelt ook Andre Broers bozig. Het aanvragen van restitutie blijkt steeds weer een mijnenveld waarin het gemakkelijk verdwalen is – en gewond raken bijna onvermijdelijk lijkt. Met als gevolg dat sommige rechthebbenden niet eens meer aan de pijnlijke en dure procedure beginnen.

De Adviescommissie-Asscher adviseerde onlangs overigens aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: maak Joodse roofkunst uit depots zichtbaar.

Foute Erfenis

Pink Moon

Zijn opa werd begin jaren dertig al ontslagen bij Vroom & Dreesmann vanwege zijn steun voor het gedachtegoed van de NSB. De grootouders van Xander Beks hebben ook nooit afstand gedaan van hun dubieuze sympathieën – al zouden ze op latere leeftijd nog wel spijt hebben betuigd. ‘In alle eerlijkheid’, zegt hun kleinzoon, ‘in de processen-verbaal staat van mijn oma ook dat ze verklaard heeft dat ze baalt dat de Duitsers de oorlog hadden verloren. Wij hebben verder niks feitelijk kunnen ontdekken dat ze enige gruweldaad hebben gepleegd.’

Xander Beks, Nederlands militair en mede-initiatiefnemer van deze documentaire, vertelt ogenschijnlijk gemakkelijk over de Foute Erfenis (50 min.), die de kinderen en kleinkinderen hebben gekregen van opa en oma. Over hoe hun oudste zoons als kind bijvoorbeeld actief waren binnen de Jeugdstorm en later ook nog hebben gediend in de SS. Ook andere afstammelingen van ‘foute’ Nederlanders delen hun persoonlijke relaas in deze interviewfilm van Klaas van Eijkeren, die hun verhalen aankleedt met nieuwsbeelden, persoonlijke foto’s en stemmige animaties.

Zulke herinneringen zijn al eerder opgetekend – ook uit de eerste hand, zoals in de bekroonde documentaire Zwarte Soldaten (2011) van Joost Seelen. Deze docu voegt daar vooral een aantal ervaringsverhalen aan toe, verteld vanuit het perspectief van de derde en vierde generatie. Over hoe er keihard werd afgerekend met de Nederlanders die de verkeerde kant kozen. En over de gevolgen daarvan voor hun kinderen, die in tehuizen en heropvoedingskampen belandden en die samen met hun eigen kinderen moesten dealen met hardnekkige gevoelens van schuld en schaamte.

Het interessantst wordt Van Eijkerens film als de erfgenamen vertellen hoe het verleden ook hun eigen persoonlijkheid heeft gevormd. Ze schetsen zichzelf als mensen die willen pleasen, conflicten vermijden en moeite hebben om grenzen te stellen. Als mensen, kortom, die zeker niet in oude fouten willen vervallen. Slechte keuzes maken zit helemaal niet in je DNA, relativeert Isa Drion dan weer. Haar overgrootvader heeft dan misschien slechte keuzes gemaakt. Dat betekent niet dat haar opa, haar moeder of zijzelf datzelfde zouden doen. Het is, kortom, niet hun schuld.

De Indische Tafel: Jongens Van De Japanse Kampen

Pieter van Huystee Film / NTR

Nadat hij met een belletje heeft geklingeld, spreekt Hans Rasker de andere genodigden aan de Indische tafel toe. ‘Hartelijk welkom bij deze laatste maaltijd voor de zomervakantie’, zegt hij tegen de leden van de tamelijk chique mannenclub, waarna ie even recht in de camera kijkt. ‘En Pieter, jij ook van harte welkom en je medewerkers.’

Pieter is documentaireproducent Pieter van Huystee, de maker van Als Ik Mijn Ogen Sluit (2024), een persoonlijke film over de ervaringen van zijn eigen moeder en oma en andere Nederlandse vrouwen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp zaten. Nu laat hij de mannen, bij wie zijn vader ooit aan tafel zat, de ogen sluiten en speelt dan in op wat er bij hen bovenkomt, verhalen die ze verder alleen met elkaar delen.

Verhalen ook die ze, vanwege hun jonge leeftijd, soms alleen uit de overlevering kennen – hoewel hun ouders er lang niet altijd happig op waren om ze na de oorlog te vertellen. De inmiddels gepensioneerde ‘jongens’ verlaten zich op hun prille geheugens en op wat er bewaard is gebleven van hun levens in het voormalige Nederlands Indië: dagboeken, brieven, foto’s, tekeningen, boeken, knuffels en andere herinnerdingen.

De Indische Tafel: Jongens Van De Japanse Kampen (70 min.) is hun gezamenlijke relaas over een kindertijd die een kwestie van overleven werd. Dat lukte niet iedereen. Zoals ook sommige moeders zouden bezwijken aan de ontberingen van het kamp. Honger, ziekte en geweld werden menigeen te veel. Intussen raakte hun vader, met wie ze na de oorlog herenigd hoopten te worden, steeds verder op de achtergrond.

Van Huystee omlijst de herinneringen van deze ontheemde mannen, die zich tachtig jaar later nog steeds niet altijd thuis voelen in Nederland, met een uitgebreide collectie archieffoto’s en -beelden en versterkt de dramatische loop van zijn vertelling met een uitgesproken soundtrack. Zo roept hij de klamme hitte, zoemende krekels en geur van kretek-sigaretten op van een verloren wereld, die maar niet vergeten kan worden.

Als ze tien worden – halverwege deze geladen film – moeten de jongens het kamp verlaten, weg bij hun moeders. Ze hebben geen idee waar ze naartoe gaan. ‘Niemand huilde’, herinnert één van hen zich. ‘De vrouwen hielden zich allemaal goed. En wij waren ook stil. Ik geloof niet dat er één jongetje huilde.’ Op de dag vóór zijn vertrek wordt er, bij gebrek aan foto’s, een tekening van hem gemaakt. En dan wacht het onbekende…

Holland Gate – De Vlucht Uit Kabul

KRO-NCRV

Niemand had zien aankomen dat de Taliban de macht in Afghanistan in augustus 2021 zo snel zouden kunnen overnemen. Behalve iedereen die op de hoogte was van de situatie ter plaatse.

Voor de medewerkers van de Nederlandse ambassade in Kabul kwam dit volgens plaatsvervangend ambassadeur Ceel Roels in elk geval helemaal niet als een verrassing. Toch hield de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Sigrid Kaag, in de Tweede Kamer staande dat het tempo van de opmars van de Taliban de hele internationale gemeenschap had overvallen. Zij is ook de grote afwezige in het vierdelige docudrama Holland Gate – De Vlucht Uit Kabul (123 min.) over Nederlands vertrek uit Afghanistan, waarin haar ministerie flink onder vuur wordt genomen.

Er was nóg een opvallend meningsverschil: de ambassade wilde alle zestig lokale medewerkers evacueren, Den Haag slechts drie. Daarnaast is er het verhaal van het ambassadeteam, dat al was vertrokken toen de nood aan de man kwam op het vliegveld van Kabul en ‘burger’ Janno Cazemier, die hier z’n verhaal doet, verantwoordelijk maakte voor de evacuatie van tolken en andere Afghaanse ondersteuners van Nederland. Over wie, via de ‘leave no man behind’-regeling, wel en niet in aanmerking kwamen voor evacuatie, ontstond daarna ook nog politieke discussie.

Die keuze kon letterlijk van levensbelang worden, zo wordt nog eens bevestigd door het verhaal van de Afghaanse vriendinnen Aziza en Mursal, met behulp van acteurs gedramatiseerd, en een aantal plaatselijke medewerkers, die op hun onderduikadres in Afghanistan zijn geïnterviewd. Uit veiligheidsoverwegingen zijn zij stuk voor stuk, soms met behulp van AI, geanonimiseerd. Ze voelden zich aan hun lot overgelaten door de Nederlanders. En dat zorgt bijna vijf jaar later nog altijd voor schaamte bij een aantal direct betrokkenen in Nederland.

Via een gat in een hek konden ‘special forces’ op het vliegveld uiteindelijk de veilige plek creëren waaraan deze miniserie, naar een idee van Els van Driel en geregisseerd door Joey Boink en Annemieke Ruggenberg, zijn naam ontleent – al verwijst die titel ongetwijfeld ook naar Watergate en alle andere Gate-schandalen. Want de politici, diplomaten en experts in Holland Gate zijn duidelijk ook van mening dat Nederland z’n ‘ereschuld’ naar Afghaanse medewerkers niet heeft ingelost en de kastanjes bovendien uit het vuur heeft laten halen door vrijwilligers.

Het was een ‘clusterfuck’, aldus CDA-kamerlid Derk Boswijk, tegenwoordig staatssecretaris van het Ministerie van Defensie. Samen met partijgenoot en oud-minister Ank Bijleveld, het kritische kamerlid Salima Belhaj (D66) en voormalig staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Ankie Broekers-Knol (VVD), die met de suggestie dat er mogelijk 100.000 Afghanen naar Nederland zouden komen nog flink olie op het vuur gooide, verzorgen zij de politieke terugblik op een affaire, waarbij letterlijk mensenlevens op het spel stonden.

Dit gaat consequenties hebben voor militaire missies in de toekomst, concludeert Boswijk aan het eind van deze ontluisterende ontleding van Holland Gate. ‘Wie wil er nog voor Nederland werken als je weet dat, als het fout gaat, je in de steek wordt gelaten?’

Klantreis

Newton Film

Aan het begin van de Klantreis Inburgering van de gemeente Breda hebben de Somalische zussen Fotoon en Khulud Alsomali, gevlucht vanuit Saudi-Arabië, en de Syrische familie Barakat geen idee van waar die trip hen zal brengen. Als nieuwkomers in Nederland zijn deze statushouders voor hun inburgering vrijwel volledig aangewezen op de gemeente. En de reis begint, min of meer dan, bij de Vogeltjesdans, een hilarische scène in een woonzorgcentrum. Iedereen doet mee. Dus zij ook.

Documentairemaker Ton van Zantvoort volgt van dichtbij hun Klantreis (85 min.) door regel(tjes)land Nederland, waarin ze bij de hand worden genomen door talloze professionals en soms waarschijnlijk toch het gevoel krijgen dat ze aan hun lot zijn overgelaten. Want onderweg worden de nieuwkomers werkelijk doodgegooid met ge- en verboden. Wat mag er wél en – vooral – wat niet. ‘Dat is heel belangrijk.’ Of, zoals een gevatte medewerker van de gemeente Breda ’t treffend uitdrukt: ‘Je wordt één groot excelbestand.’

Als ze een woning krijgen aangeboden, zorgt dit bij de jonge zussen Alsomali voor blijdschap. De familie Barakat wil het huis in eerste instantie echter weigeren. Te klein voor zo’n groot gezin. Erg veel keus hebben ze alleen niet. En daarmee lijkt de toon gezet voor het vervolg: Fotoon en Khulud gaan alles wat er op hun pad komt ogenschijnlijk vol goede moed aan, terwijl de blikken van de Syrische nieuwkomers met elke nieuwe brief en elk nieuw gesprek, gevoerd met behulp van een tolk of vertaalapp, alsmaar wanhopiger worden.

Van Zantvoort zet de twee casussen steeds tegenover elkaar. De Somalische zussen als voorbeeld van nieuwelingen die snel hun weg weten te vinden door het bureaucratische doolhof dat, vaak met de beste bedoelingen, rondom hen wordt opgetrokken. En hun Syrische lotgenoten die er hopeloos in verdwalen en vervolgens in conflict komen met de instanties en elkaar. Voor hen blijft die Nederlandse samenleving en de ‘kernwaarden’ die daarbinnen gelden een ver van hun bed-show. Alleen staat hun bed tegenwoordig wel degelijk in die show.

En die wordt gerund door casemanagers, klantregisseurs en budgetcoaches. Zij kunnen weliswaar zorgen voor inrichtingskrediet, buddy’s en een uitkering, maar bepalen ook de route van de klantreis, langs niveautoetsen, taallessen en allerlei andere hoepels om doorheen te springen. Het is een buitengewoon taai proces, dat in deze observerende film afwisselend op het gemoed en de lachspieren werkt. Tegelijkertijd stemt die lange weg ook tot nadenken: hoe reëel is ‘t dat nieuwkomers kunnen aarden in een wereld die hen soms volkomen vreemd lijkt?

Als Klantreis na een kleine anderhalf uur – en zo’n twee jaar inburgeren – wordt afgerond, is er echt wel wat bereikt, maar valt er ook nog héél veel te wensen. Het doorzettingsvermogen van Fotoon en Khulud heeft hen redelijk op koers gehouden voor het leven in vrijheid dat ze nastreven, maar de Barakats hebben nog een lange weg te gaan om volledig onderdeel te worden van Nederland en intussen, dat maakt deze film pijnlijk duidelijk, ook de familie bij elkaar te houden.

Bagasi – Wat We Meedragen 

Emma Lesuis / Docmakers / Human

Enkele jaren geleden heeft Opa Hans een koffer gegeven aan zijn schoondochter Emma Lesuis. Die vormt nu het startpunt van haar film Bagasi – Wat We Meedragen (55 min.). In de koffer zitten spullen van de grootvader van Hans, die ruim dertig jaar hoge functies bekleedde in de voormalige Nederlandse kolonie Suriname. En daarvan wil theatermaakster Emma, die zelf wortels heeft in Suriname en die inmiddels ook zwanger is van een kleinkind van Hans, nu eindelijk wel eens meer weten.

Opa geeft haar nog wel mee om alles wat ze ontdekt goed te checken en in z’n context en tijdgeest te plaatsen. Intussen waarschuwt de bevriende kunstenaar Raul Emma juist om vooral geen ‘zijden handschoentjes’ aan te trekken. Ze hoeft volgens hem geen leuke multicultifilm te maken. ‘Het is 2025 en je hebt de kans om een film te maken en kolonialisme anders te framen, in al z’n geweld – ook al is het de voorvader van je man.’ Hij laat een korte stilte vallen. ‘Be honest.’

Met deze adviezen in de achterzak gaat Lesuis op pad, om via de betovergrootvader van haar ongeboren kind Suriname’s koloniale verleden te ontrafelen. Maarten de Niet was als rechterhand van de beruchte Nederlandse gouverneur Kielstra bijvoorbeeld betrokken bij de aanhoudingen van de Surinaamse schrijver en verzetsstrijder Anton de Kom en vakbondsleider Louis Doedel. Volgens de overlevering was hij een ‘maka’, een doorn. Als hij je te pakken had, liet hij niet meer los.

De Surinaamse historica Mildred Caprino noemt De Niet zelfs ‘een neerhaler in het kwadraat’. Zulke kwalificaties zou ze destijds overigens nooit hebben durven uitspreken. ‘Ik zou het zeggen en hard wegrennen.’ Praten over het koloniale verleden is nog altijd ellende, stelt de taxichauffeur Rasta, die Emma Lesuis en enkele van haar familieleden, zowel van de Nederlandse als van de Surinaamse tak, rondrijdt door het land dat hen nog altijd met zoveel lastige vragen opzadelt.

Was Suriname voor Nederland inderdaad niet meer dan een schatkist om te plunderen? Is het land door de kolonisator ook nog beroofd van een generatie leiders? En hebben Surinamers in Nederland hun eigen cultuur verloochend? Bagasi – Wat We Meedragen gaat geen vraag uit de weg, maar zoekt ook geen gemakkelijke antwoorden. Een genuanceerde film, met enkele fraaie theatrale toevoegingen, over een verleden dat nog altijd tot het heden behoort.

How To Die In Oregon

HBO

‘It was easy, folks!’ zegt Roger Sagner, net voor hij zijn laatste adem uitblaast in de openingsscène van de aangrijpende documentaire How To Die In Oregon (107 min.) uit 2011. ‘It was easy.’ Even daarvoor heeft Roger, omringd door zijn naasten en enkele vrijwilligers van de ideële organisatie Compassion And Choices een drankje ingenomen, dat naar verluidt ‘houtachtig’ smaakt, om zijn leven te beëindigen.

Als de Amerikaanse staat Oregon halverwege de jaren negentig de Death With Dignity Act aanneemt, zijn er nog maar twee landen in de wereld – Zwitserland en Nederland – waar euthanasie is gelegaliseerd. Ruim vijftien jaar later hebben inmiddels ruim vijfhonderd ‘Oregonians’ de zachte dood gekregen die zij, gedwongen door de omstandigheden, hebben gezocht. Ze moeten het dodelijke middel uiteindelijk overigens wel zelf innemen. Hun artsen kunnen en willen zich nog niet wagen aan het verlenen van actieve hulp.

In deze film brengt documentairemaker Peter Richardson verschillende aspecten van dit delicate proces in beeld. Hij volgt bijvoorbeeld Cody Curtis, een aimabele 54-jarige vrouw met leverkanker, die is uitbehandeld en een waardig levenseinde nastreeft. Samen met haar echtgenoot Stan en hun volwassen kinderen Jill en zoon Thomas probeert Curtis, voortdurend ondersteund door haar oncoloog Katherine Morris, te genieten van elke goede dag die haar nog is vergund – al voelt ze zichzelf ook een ‘dead woman walking’.

Nancy Niedzielski uit Seattle is intussen vastbesloten om de laatste wens van haar echtgenoot Randy in vervulling te laten gaan. Hij overleed na een lange lijdensweg aan hersenkanker. ‘Zes weken voor zijn dood zei hij: dit wordt een heel lelijk proces’, herinnert ze zich geëmotioneerd. ‘Beloof me dat je je best doet om de wet te laten veranderen.’ Dat wordt vervolgens Nancy’s levensdoel. Pas als de Death With Dignity-wet is aangenomen in de staat Washington, is haar huwelijk echt voorbij – en kan zij eindelijk gaan rouwen.

Tegenstanders noemen zo’n zachte dood consequent ‘assisted suicide’ en bestrijden die te vuur en te zwaard. Richardson is er echter niet op uit om het politieke gevecht rond euthanasie te belichten, maar richt zich op de menselijke verhalen. Zo wil Randy Stroups zorgverzekeraar bijvoorbeeld zijn behandeling voor prostaatkanker niet vergoeden, omdat die te weinig effect zou hebben op z’n levensverwachting. Een ‘doctor assisted suicide’ blijkt wel bespreekbaar. Als Stroup daarmee naar buiten treedt, krijgt ie alsnog zijn behandeling.

Sober, zonder enige vorm van effectbejag, belicht How To Die In Oregon intussen de dagelijkse praktijk in Ohio rond Death with Dignity. Na een onverwachte zomer begint intussen ook de geleende tijd van Cody Curtis op te raken. Ze ziet er nog bedrieglijk goed uit – Curtis volgt een ‘kankerdieet’, zegt ze zelf – maar voelt het einde wel degelijk naderen. Als het zover is, brengt Peter Richardson dit met gepaste distantie in beeld. Als treffend slot van een ingetogen en juist daardoor zo indringende film.

Eeuwige Liefde

Janita Sassen / MAX

Bijna zestig jaar zijn ze nu bij elkaar. Boerendochter Jo en timmerman Jan uit Haaksbergen. Het Amsterdamse stel Gerard en Johan. En Fenny en haar Molukse echtgenoot Mesach uit woonoord Schattenberg in Drenthe. In deze uit het leven gegrepen documentaire van Geertjan Lassche getuigen ze, in de aanloop naar hun diamanten bruiloft, van hun Eeuwige Liefde (79 min.).

Die begon bij Jo en Jan met jarenlang verkering zonder ‘handtastelijkheden’. Dat deed je niet. Ze pasten ook wel op. Gerard kon intussen gewoon blijven slapen bij Johan, die van zijn hospita immers alleen ‘geen damesbezoek’ mocht ontvangen. En Fenny moest thuis flink ruziën over haar nieuwe liefde. Geen zwarten over de vloer, hadden haar ouders gezegd. Zij liet zich daardoor echter niet afschrikken.

Sindsdien is er veel veranderd en toch relatief weinig. Ze hebben geluk gekend en tegenslag. Ze zijn ouder geworden en kwetsbaarder. En ze hebben (klein)kinderen gekregen – of juist niet. En al die jaren, waarin ook het leven in Nederland veranderde, zijn ze samengebleven. Tot de dag, nu niet meer ver weg, waarop de burgemeester op bezoek komt om hen te feliciteren met hun zestigjarige huwelijk.

Die feestelijke gelegenheid vormt het vanzelfsprekende eindstation van een fijne film, waarin deze door de wol geverfde koppels, die elk een ander perspectief op liefde en leven belichamen, (proberen te) doen wat ze al zolang doen en ondertussen levenswijsheden delen, hun zegeningen tellen en een intiem inkijkje geven in wat het betekent om samen oud te worden. Tot de dood ook hen ooit zal scheiden….

De Wilde Noordzee

MN Media / EO

Zijn passie voor de onderwaterwereld werd ooit in gang gezet door de films van de befaamde Franse ‘oceanaut’ Jacques Cousteau. En gaandeweg wist de Nederlandse duiker en natuurfilmer Peter van Rodijnen van zijn hobby zowaar z’n beroep te maken. Het duurde alleen even voordat hij ook in zijn eigen omgeving begon rond te kijken, naar De Wilde Noordzee (89 min.).

Hij start deze groots opgezette natuurfilm, geregisseerd door Mark Verkerk, dicht bij huis, in zijn eigen biotoop Zeeland. Daar observeert hij bijvoorbeeld hoe een mannelijke zeedonderpad wekenlang tussen de oesters waakt over z’n eitjes. ‘Na al die weken zorg voor hem en zo’n tien koude duiken voor mij komen de eitjes uit’, vertelt Van Rodijnen erbij. ‘Ja, je krijgt echt een band! Nou ja, of het echt wederzijds is…’

Zo begeleidt hij de verwikkelingen in en om het water van persoonlijk, veelal luchtig commentaar. Bij de reuzenhaai bijvoorbeeld, ‘formaat stadsbus’, die hij zowaar ook in die good old Noordzee aantreft. Voor de mens vormt die geen gevaar. Want deze haai mag dan gigantisch groot zijn, volgens de Nederlandse Cousteau eet hij piepklein. ‘Hij zwemt met zijn muil open’, windt hij er geen doekjes om, ‘en filtert er plankton uit.’

Peter van Rodijnen is natuurlijk geen Jacques Cousteau – of ‘een’ David Attenborough – maar zeker een verdienstelijke verteller, met ook oog voor de rol van de mens: van vissers uit Urk tot de aanleg van windmolens. Hij benoemt de schade die zo wordt aangericht, maar zoomt ook in op initiatieven om de biodiversiteit te stimuleren, zoals Deense pogingen om de zalm te laten terugkeren in z’n oorspronkelijke leefgebied.

Van Rodijnens verhalen strekken zich uit tot alle landen rond de Noordzee en worden begeleid door treffende Cousteau-citaten, een weelderige soundtrack van Sven Figee en – natuurlijk – zinnenprikkelende beelden van het waterleven, zowel (extreme) close-ups van al wat leeft onder de zeespiegel als epische droneshots van de wereld daaromheen. Ernaar kijken betekent ook bij De Wilde Noordzee er waarde aan hechten.

En, citeert Peter van Rodijnen tot besluit ene Jacques-Yves Cousteau: mensen beschermen waar ze van houden.’

Life After

Together Films

Het heeft nogal wat voeten in de aarde als Elizabeth Bouvia in 1983 in haar rolstoel de rechtszaal in het Californische Riverside wordt binnengereden. De 25-jarige vrouw, die in haar dagelijks leven volledig afhankelijk is van de zorg van anderen, eist het recht op om te mogen sterven – om zichzelf, onder begeleiding, te mogen uithongeren. Deze aangekondigde dood zal haar door de rechter echter niet worden gegund.

In 1997 wordt Bouvia, liggend in bed, nog eens voor het televisieprogramma 60 Minutes geïnterviewd door Mike Wallace. Daarna verdwijnt ze van het toneel. Filmmaker Reid Davenport vraagt zich bij de start van Life After (99 min.) af of het boegbeeld van de right-to-die beweging nog leeft, hoe het haar sindsdien is vergaan en wat haar erfenis is. Hij heeft zelf een ernstige lichamelijke beperking en buigt zich in deze scherpe film over het zelfbeschikkingsrecht dat zij zo nadrukkelijk heeft opgeëist.

Davenport gaat de ongemakkelijke issues niet uit de weg. Want is de keuze voor de dood, die Bouvia wilde maken en die andere mensen met een lichamelijke beperking sindsdien hebben willen maken, werkelijk ingegeven door pijn of een gebrekkige kwaliteit van leven? In hoeverre spelen praktische overwegingen daarbij ook een rol? De Canadese euthanasiewet Medical Assistance In Dying (M.A.I.D.) is bijvoorbeeld inmiddels speciaal voor mensen met een lichamelijke beperking opengesteld.

Zorgt dat niet voor (extra) druk op hen? Michal Kaliszan, een man uit Ontario, ziet in euthanasie bijvoorbeeld ‘een uitweg’. Na de dood van zijn moeder lijkt zijn enige alternatief een in zijn ogen uitzichtloos leven in een instelling. Dan verkiest hij toch de dood, zegt hij stellig, de minste van twee kwaden. Voor Michael Hickson, een man die aan een periode in coma ernstige schade overhield, maken zijn artsen die keuze. Zijn vrouw Melissa is het daar helemaal niet mee eens. Ze hoort ’t echter pas een dag later.

De ontwikkelingen rond Dying With Dignity gaan tegenwoordig snel in Canada, vertellen direct betrokkenen, véél sneller dan in traditionele gidslanden zoals Nederland en België. Daarbij wordt er volgens hen ook gecommuniceerd dat zo’n zachte dood tot lagere zorgkosten kan leiden. Over perverse prikkels gesproken. ‘Je kunt geen menselijk lijden verhelpen door mensen te doden’, vindt professor Catherine Frazee van de universiteit van Toronto, die zelf in een rolstoel zit en zuurstof krijgt toegediend. 

Reid Davenport kamt het hele gebied rond euthanasie voor mensen met een lichamelijke beperking uit, waarbij onvermijdelijk ook de eugenetica en de Amerikaanse voorvechter Jack Kevorkian van het honoreren van doodswensen, de revue passeren. Het resultaat is een emancipatoire film, die opnieuw aanzet tot nadenken over ieders (?) recht om te sterven en die eindigt waar ie begon: bij de vrouw met het, volgens sommige Amerikaanse media, ‘useless body’: Elizabeth Bouvia. Waarom wilde zij nu écht dood?

Leven Na De Dictatuur

TMD Media / NTR / zondag 14 en 21 december, om 16.25 uur, op NPO2

In 2014 stemde Thaeer Muhreez bij de presidentsverkiezingen nog op de Syrische leider Bashar al-Assad, een jaar later ontvluchtte hij zijn land en de oorlog die daar woedde. In de tweedelige docu Leven Na De Dictatuur (51 min.) kijkt hij terug op zijn eigen vluchtverhaal, dat hem tien jaar geleden naar Nederland heeft gebracht. Helemaal loskomen van de wereld die hem heeft voortgebracht is moeilijk gebleken. ‘Zonder dictator raak je verdwaald’, constateert Thaeer in de voice-over waarmee hij zijn persoonlijke relaas richting geeft. ‘Je voelt eenzaamheid die moeilijk te beschrijven is.’

Vluchten is ‘alsof je opnieuw bent geboren’, stelt zijn beste vriend en collega-filmmaker Jamil Makhoul zelfs. Thaeer heeft hem destijds overgehaald om uit Syrië te vertrekken. Samen legden ze hun reis naar Europa ook vast. In de herfst van 2015 kwamen de twee in Nederland aan, waar ze werden opgevangen in een tent. Al snel ontmoetten ze daar de filmmaker Robert van Tellingen, die vriendschap met de Syriërs sloot en bijvoorbeeld Sinterklaas met hen vierde. Later kwam er een ruis op de lijn tussen de Nederlander en Jamil, die ook z’n weerslag had op de relatie tussen de Syrische vrienden.

Tien jaar later kijkt Thaeer Muhreez met hen terug op deze periode en hoe hun leven in het ‘vrije’ westen sindsdien is verlopen. Robert en Jamil hebben geen contact meer – al wordt niet helemaal duidelijk wat er precies is gebeurd. Ook de gesprekken tussen Thaeer en zijn Syrische vriend daarover blijven tamelijk omfloerst. Duidelijk is dat hun achtergrond in een wereld waarin alles voor hen werd bepaald daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Zo’n dictator bepaalt niet alleen ieders hele leven, maar kruipt ook onder de huid. Hij wordt ongemerkt onderdeel van wie iemand is of denkt te zijn.

‘Eigenlijk ben je eerst uit de oorlog gekomen’, zegt Robert tegen Thaeer, als zij tijdens een wandeling hun vriendschap bespreken. ‘En de afgelopen tien jaar is de oorlog uit jou gekomen.’ Dat proces van vasthouden wie je bent en tegelijk loskomen van wat je belemmert is tevens vervat in fraaie animaties van Studio Yoko. Terwijl hij veel dogma’s van zijn oude wereld, waarin achter zich heeft gelaten, maakt Thaeer Muhreez zich in deze bespiegelende film intussen zorgen over de roep om een sterke leider zoals Geert Wilders. Weten Nederlanders wel hoe ’t is als je niet hardop mag denken?

50 Jaar Hiphop In Nederland – Iemand Moet Het Doen

VPRO

‘Er is een nieuwe rage overgekomen uit Amerika: electric boogie en breakdance’, vertelt de presentator van dienst in één van de eerste Nederlandse televisie-uitzendingen over hiphop. ‘Dat gebeurt daar op straat. Nou, het is niet voor iedereen weggelegd, want je moet er verschrikkelijk lenig voor zijn.’ Waarna, jawel, Ivo Niehe – ere wie ere toekomt – voor Mien uit Assen begint uit te leggen wat ‘scratching’ en ‘rappen’ is.

Vanaf eind jaren zeventig, de hoogtijdagen van punk, hadden jongeren in de grote steden, in het bijzonder de kids met wortels buiten Nederland, allang kennis gemaakt met hiphop en aanverwante stijlvormen zoals graffiti, breakdance en human beatboxen. In de eerste twee afleveringen van 50 Jaar Hiphop In Nederland – Iemand Moet Het Doen (180 min.) belichten Sacha Vermeulen en Ivan Barbosa met enkele sleutelfiguren uit die beginperiode, zoals Niels ‘Shoe’ Meulman, Jeffrey Roberts (The Electric Boogiemen), Badboyz Posse, Extince en Shy Rock, hoe er vervolgens op straat en in buurthuizen ook een eigen Nederlandse variant ontstaat.

Deze zesdelige serie heeft zich dan al op de kaart gezet als een vaderlandse variant op Fight The Power: How Hip Hop Changed The World (2023), de docuserie die de ontwikkeling van hiphop in de Verenigde Staten plaatst binnen z’n maatschappelijke context. In Nederland is dat met name de weerstand, het onbegrip en de discriminatie die jongeren van kleur ontmoeten als ze zich in het openbaar manifesteren. De Nederlandse schrijver Professor Soortkill, van de door hemzelf bedachte Smibanese University, fungeert daarbij als verteller. Hij verbindt de verschillende gebeurtenissen met elkaar en plaatst ze zo nu en dan ook in perspectief.

Vermeulen en Barbosa verbinden de muziek ook steeds aan de bijbehorende attitude, lifestyle, kunst en podia. Behalve ruimte voor muzikale vaandeldragers zoals U-Niq, DuvelDuvel, Opgezwolle, The Opposites, Brainpower, Winne, Fresku, Ronnie Flex, Boef, Ray Fuego, Noell3, Rijck en Kevin is er dus ook volop aandacht voor opiniemakers zoals Sylvana Simons, Andrew Makkinga en Akwasi, de streetwear van Patta, platenlabel Top Notch, modemerk Daily Paper en de online platforms Puna.nl en 101 Barz. Want in die slordige halve eeuw is hiphop, ondanks de tegenwerking die menigeen daarbij heeft ervaren, allang uitgegroeid tot misschien wel de dominante (jeugd)cultuur van Nederland.

Deze rijk gedocumenteerde, vlot gemonteerde en altijd vermakelijke serie fietst soepel door die vijftig jaar heen en doet daarbij alle essentiële tussenstations aan. Zoals die presentator van z’n eigen TV Show, Ivo Niehe.

Monikondee

Cinema Delicatessen

Met zijn motorboot bevaart Boggi Josef Adijontoe, alias ‘Boogie’, de Marowijne-rivier. Die markeert de grens tussen Suriname en Frans Guyana. Boogie bevoorraadt inheemse en Marron-gemeenschappen, die al sinds mensenheugenis aan de rivier wonen. Zij hebben het kapitalisme heel lang op afstand weten te houden, maar worden door overstromingen, droogte en vervuiling alsmaar afhankelijker van de aanvoer van elementaire goederen.

Bootsman Boogie is onderdeel van deze dynamiek. Met zijn korjaal van achttien meter voert hij bijvoorbeeld ook olievaten aan voor goudzoekers. Die kwamen enige tijd geleden en masse vanuit Brazilië. Zoals eerder Amerikaanse missionarissen en Chinezen al aanmeerden in het Marron-gebied. En deze nieuwkomers jagen, vissen, kappen bomen, zoeken vertier en dumpen afval in het water. Het regenwoudgebied is veranderd in ‘Geldland’, Monikondee (103 min.). ‘Sinds we geld zijn gaan gebruiken’, zegt een plaatselijke vrouw treffend, ‘delen we minder met elkaar.’

Tolin Alexander, Lonnie van Brummelen en Siebren de Haan volgen Boogie tijdens z’n tochten naar het Surinaamse binnenland, als hij zijn boot door het verraderlijke water stuurt. Onderweg ontmoet hij vertegenwoordigers van plaatselijke gemeenschappen, voert met hen tamelijk vormelijke onderhandelingen en luistert naar hun monologen en liederen. Zo ontstaat een fraaie synthese van documentaire, poëzie en theater. Een logische voortzetting ook van hun vorige film Stones Have Laws (2019), die eveneens in nauwe samenwerking met de hoofdpersonen is gemaakt.

Tussendoor laat de nijvere bootsman, een plaatselijke variant op de pakketbezorger of truckchauffeur, zijn gedachten de vrije loop over het heden en verleden van zijn gemeenschap. Boogie beschouwt zichzelf als een ‘Fiiman’, een vrije man. Zijn voorouders sloten in 1760 als eerste vrede met de Nederlanders die zich in Suriname hadden gemeld. ‘Maar je weet hoe de witte mannen zijn: een overeenkomst duurt net zo lang als dat zij er voordeel van hebben’, zegt hij mismoedig. ‘Toen er goud werd gevonden, vergaten ze de overeenkomst.’

Kalm en trefzeker ontsluiten Alexander, Van Brummelen en De Haan via Boogie de leefwereld van de volkeren in het Surinaamse regenwoud, waarbij de interactie van de bootsman met de mensen die hij onderweg ontmoet soms wel erg geënsceneerd aandoet. Dit geldt overigens ook voor het plot waarmee de oogstrelende film naar z’n climax wordt gestuurd: Boogie wordt door zijn clanleiders opgeroepen om in Diitabiki, bij de Tapanahony-rivier, te verschijnen. Daar gaan zij een conflict afhandelen waarin zijn goud winnende neef verzeild is geraakt.

De boodschap van Monikondee is dan allang helder: van deze ‘vooruitgang’ wordt lang niet iedereen beter. 

Paikar

Baldr

‘Verhuizen naar een veiligere plek is geen ontsnapping aan de omstandigheden’, constateert Dawood Hilmandi aan het einde van deze zeer persoonlijke film. ‘Het is een strijd om te overleven. Misschien is in leven blijven mijn enige daad van verzet, in een tijd waarin het leven goedkoop is.’

Die sombere conclusie is de slotsom van een geladen zoektocht naar verbinding. Met het land van zijn geboorte (Afghanistan), het land waar hij opgroeide (Iran) en het land waar hij tegenwoordig woonachtig is (Nederland). En met zijn familie, die verspreid is geraakt over de hele wereld. Zijn autoritaire vader Mohammad Yousef Amin Hilmandi, kortweg ‘Baba’ genoemd, in het bijzonder.

Een man met een onbuigzaam karakter. Ooit een bekende strijder en commandant van de Moedjahedien, inmiddels schrijver en geestelijke. Met Dawoods moeder, zijn derde vrouw, heeft Baba zeven kinderen. En veertien in totaal. Hij is geen gemakkelijke vader. Als zijn zoon hem na een tragisch verlies in de familie opzoekt in zijn huidige thuisbasis Iran, zit hij bepaald niet te wachten op moeilijke vragen.

Paikar (97 min.) – ofwel: krijger – zet echter door. Dawood wil Baba dwingen tot reflectie. Contact. Nabijheid. De hardvochtige oude man laat zich alleen niet zomaar ontdooien. ‘Ik zag onderdrukking en tirannie en hoorde vloeken vanaf mijn vroegste kinderjaren totdat ik een jonge man was met een baard en snor’, legt ie uit. Ofwel: hij weet niet beter, kan niet anders en wil dat ook helemaal niet.

Baba laat zich uiteindelijk wel verleiden tot een reis naar hun land van herkomst. ‘Ik hield van dit land’, zegt Baba als ze door Afghanistan trekken. ‘Maar dit land heeft nooit van mij gehouden.’ Vader moet soms zelfs een hoofddoek omdoen, want dat land is nog altijd vol gevaren voor hem. Tegelijk is er wel degelijk toenadering tot zijn zoon. Samen bezoeken ze ook Dawoods geboortehuis in Qala-I-Naw. 

Daar krijgt vader zelf even de camera in de hand gedrukt. Hilmandi begeleidt de tocht die hij met hem aflegt, ook mentaal, verder met een poëtische, bijna gefluisterde voice-over. Zo overbrugt hij tevens de afstand tussen de verschillende verhaalelementen, vult andere scènes aan en zorgt voor houvast als Baba terugkeert naar Iran en z’n zoon met zijn moeder achterblijft in Afghanistan.

COVID-19 begint dan ook hun wereld in een ijzeren greep te krijgen en zet de afwikkeling van deze schrijnende film in gang. ‘Ik ben een zwerver geworden in deze wereld, Baba’, constateert Dawood Hilmandi dan. ‘Ik heb alleen de kracht niet om te vertrekken en ontbeer de wil om te blijven.’

Marlou Fernanda – Waar Ga Ik Heen?

AVROTROS

In haar werk is ze op zoek naar krachtige beelden die écht raken. ‘Simplicity, maar tegelijkertijd superveel impact’, legt de Rotterdamse kunstenares Marlou Fernanda uit in het portret Marlou Fernanda – Waar Ga Ik Heen? (53 min.), in die typische mengelmoes van Nederlands en Engels.

Ze wordt voorgesteld als een ‘walking work of art’ tijdens de presentatie van de nieuwe editie van het tijdschrift Harper’s Bazaar, waar zij op de voorkant prijkt. ‘Dit geeft je een ‘snippet’ van wie ik ben’, voegt het covermodel daar vervolgens zelf nog aan toe tijdens de bijbehorende speech. ‘Ik ben een hart dat ondanks alles in mezelf blijft geloven, met een intens bevragende ‘mind’ die daar soms op achterloopt.’

Wat is mijn ‘purpose’? vraagt Fernanda zich ook regelmatig af, in deze associatieve film van Denise Janzée, die langs allerlei onderwerpen uit haar leven meandert, op een wijze die aansluit bij de manier waarop de hoofdpersoon zelf ook lijkt te denken en opereren. In haar werk als multidisciplinaire kunstenares, die zich uitdrukt in kleurrijke schilderijen, performances of videokunst, komen verschillende werelden samen.

En soms lijkt Marlou Fernanda ook een vat vol tegenstrijdigheden. Ze kroop als kind bijvoorbeeld regelmatig weg achter haar zus, maar wilde tegelijkertijd ook gezien worden. Die ‘dualiteit’ is er nog altijd. Ze wil opgemerkt worden – geliket ook – maar vraagt zich evengoed af waarom ze dat eigenlijk wil. Het is alsof ‘Nu-Nu’, haar hart, en ‘Marlou’, de bijbehorende ‘mind’, continu met elkaar vechten om voorrang.

Janzée geeft Fernanda in deze documentaire alle gelegenheid om te presenteren waar ze voor staat. Openhartig spreekt ze bijvoorbeeld over waar ze vandaan komt: uit een gebroken gezin dat, toen ze zelf nog maar vier jaar oud was, van Curaçao naar Nederland verhuisde. Haar Braziliaanse vader verdween uit beeld, maar kan zich ook zomaar, onverwacht, weer melden. En haar moeder kreeg een ernstige spierziekte.

Deze pijnlijke ervaringen zetten hun dochter al op jonge leeftijd aan tot creëren. En dat doet ze, getuige deze collageachtige film, inmiddels altijd en overal. In eigen land of – om maar een dwarsstraat te noemen – in New York. En al die ‘snippets’ van wie ze is en wat ze doet zoeken naar hun plek in Fernanda’s leven en deze grillige, met smaakvolle muziek aangeklede weerslag daarvan. Zodat alles ‘sense’ maakt.