Mel Brooks: The 99 Year Old Man!

HBO Max

Als ambassadeur van de Amerikaanse comedy doet Judd Apatow zich al jaren gelden. Hij speelde als producer een belangrijke rol bij de Hollywood-hits The Cable Guy, Knocked Up en The 40 Year Old Virgin en behoorde tot de drijvende krachten achter series zoals The Larry Sanders Show, Girls en Love.

En als documentairemaker eert Apatow z’n helden. Met The Zen Diaries Of Garry Shandling (2018) bijvoorbeeld en het dit jaar te verschijnen Paralyzed By Hope: The Maria Bamford Story. Samen met Michael Bonfiglio, met wie hij eerder ook al George Carlin’s American Dream maakte, portretteert hij nu ook een levende legende: Mel Brooks: The 99 Year Old Man! (217 min.), in het jaar, op 28 juni om precies te zijn, waarin die honderd jaar oud hoopt te worden.

De Joodse komiek, regisseur, producer en schrijver Mel Brooks (echte naam: Melvin Kaminsky) scoorde in zijn leven kaskrakers zoals The ProducersBlazing Saddles en Spaceballs, maar leverde zo nu en dan ook flinke flops af. Collega’s zoals Ben Stiller, Conan O’Brien, Jerry Seinfeld, Dave Chappelle en Adam Sandler vinden hem ronduit geniaal. Anderen, ‘de critici’ waarvoor hij graag z’n neus ophaalt, noemen zijn werk dan weer dom en platvloers.

Deze lijvige biografie in twee delen, waarin ook z’n zoons Nicholas, Eddie en Max hun zegje doen, neemt zijn leven van begin tot eind door. Sterke verhalen, smakelijke anekdotes en grappige fragmenten te over. Iemand die zo lang leeft, moet zichzelf nu eenmaal steeds opnieuw uitvinden – als producent van serieuze films, gelauwerd musicalschrijver of ‘wise old man’ van de Amerikaanse comedy bijvoorbeeld – en kan diverse malen in en uit de mode raken.

Te midden van alle (on)gein, gevatheid en wansmaak verschijnt een man die alle tegenslag met humor tegemoet treedt en op de één of andere manier altijd de moed vindt om verder te gaan. Nadat zijn echtgenote Anne Bancroft is overleden, spendeert Mel Brooks bijvoorbeeld elke avond bij zijn beste vriend, collega-komiek Carl Reiner. Hij is ook bij hem als Reiner in 2020 op 98-jarige leeftijd overlijdt. En Brooks blijft ook daarna naar diens woning komen.

‘Maandenlang kwam hij naar het huis, nadat mijn vader gestorven was, om daar te zitten, tv te kijken en te eten’, vertelt Carls zoon Rob Reiner, die onlangs samen met zijn echtgenote Michele op tragische wijze om het leven werd gebracht, aan Apatow en Bonfiglio. Brooks vraagt Rob ook om het hem te laten weten als ze het huis willen verkopen. ‘En toen zei ik: misschien is het beter als we het huis te koop zetten, met jou erin? Wellicht is het dan meer waard.’

Wat er ook zijn levenspad komt – een jong gestorven vader, de Tweede Wereldoorlog of bezoek van Magere Hein – Mel Brooks blijft ogenschijnlijk onverstoorbaar doorwandelen. Nog steeds. Totdat de weg toch doodloopt en even later de allerlaatste lach wegsterft…

The Cult Behind The Killer: The Andrea Yates Story

HBO Max

Als het schokkende verhaal – de Amerikaanse moeder Andrea Yates verdrinkt in 2021 zonder duidelijke aanleiding haar vijf jonge kinderen – nu eens gewoon sec, zonder een overdaad aan opzichtige true crime-clichés, zou worden verteld, dan was de miniserie The Cult Behind The Killer: The Andrea Yates Story (135 min.) vast een stuk beter te verteren zijn geweest. Dat trieste verhaal – de vrouw blijkt onder invloed van een sekteleider te hebben gehandeld – doet er namelijk wel toe.

Toegegeven, de titel van deze miniserie van Julian P. Hobbs en Elli Hakami doet geen al te serieus profiel vermoeden van een kwetsbare vrouw die wordt meegezogen in een religieuze dystopie, maar iets meer terughoudendheid zou al wonderen hebben gedaan. De brokstukken voor een meeslepende vertelling liggen er: Andrea’s echtgenoot Rusty beschermt zijn echtgenote bijvoorbeeld nog altijd en spreekt liefdevol over haar. David De La Isla zat jarenlang vast in dezelfde unheimische wereld als Andrea en kan die dus van binnenuit belichten. En Moses Storm groeide zelfs op in deze ongezonde omgeving.

Storm is tevens een neef van de man – zeg maar gerust: de kwade genius – die achter de schermen aan alle touwtjes trekt: de hel & verdoemenis-straatprediker Michael Woroniecki. Hij rijdt het land rond in een bus die moet doorgaan voor een moderne versie van Noach’s Ark en bindt van daaruit de strijd aan met Satan. Mike’s woord is in feite niets minder dan Gods woord. En hij verkondigt in diens naam natuurlijk ook het Einde der Tijden. Andrea Yates heeft zich door hem laten meeslepen naar de diepste diepten – en naar alle waarschijnlijkheid geholpen door een postnatale psychose.

En dan komt die hectische montage weer op gang, wordt er opnieuw een sinister muziekje ingestart en blijkt het personage Michael Woroniecki tot nóg karikaturalere proporties – tot de verpersoonlijking van, jawel, Het Kwaad – te kunnen worden opgeblazen. De gedachte is tegen die tijd bijna onvermijdelijk: laat maar.

New Order – Power, Corruption & Lies

Mark Fenna-Roberts / NTR

Ze besluiten zowaar om een oujijabord te raadplegen. Zanger Ian Curtis is dood, hun band Joy Division lijkt daarmee wel klaar en nu blijkt al hun apparatuur, na studio-opnames in New York, nog te zijn gestolen ook. Halverwege 1980 is hun situatie tamelijk hopeloos, stelt gitarist Bernard Sumner. ‘Hoeveel erger kan ‘t nog worden?’

‘The band that used to be Joy Division’, aldus drummer Stephen Morris, vindt zichzelf echter opnieuw uit, met Gillian Gilbert (keyboards) als nieuw groepslid en Sumner als nieuwe oude frontman. En ze besluiten meteen om signatuursongs zoals Day Of The Lords, Isolation en Love Will Tear Us Apart niet meer te gaan spelen.

De vraag is wel of er iemand zit te wachten op New Order. In 1981 verschijnt het debuutalbum van de tegendraadse Britse groep. ‘Movement is een Joy Division-plaat met New Order-vocalen’, stelt oud-bassist Peter Hook. ‘Tegen de tijd dat we Power, Corruption & Lies uitbrachten, maakten we New Order-muziek met New Order-vocalen.’

Op die tweede langspeler (1983) heeft de vernieuwde band z’n eigen niche gevonden, op het kruispunt van rock- en dancemuziek, werelden die voorheen strikt van elkaar werden gescheiden. Met de 12 inch-single Blue Monday / The Beach, fraai vormgegeven als een floppydisk, toont New Order nog eens ondubbelzinnig z’n bestaansrecht aan.

In de muziekdocu New Order – Power, Corruption & Lies (72 min.) van David Barnard blikken de vier bandleden, ondersteund door ontwerper Peter Saville en de producers Arthur Baker en Michael Johnson, terug op deze jaren en de totstandkoming van hun tweede album, dat is vernoemd naar een citaat uit George Orwells Animal Farm.

In een aardige archiefscène uit 1983 leggen ze in het Nederlandse tv-programma Countdown bijvoorbeeld uit hoe ze gebruik hebben gemaakt van synthesizers. ‘Wat is New Order?’ wil presentator Erik de Zwart weten. ‘Computerprogrammeurs of muzikanten? ‘Geen van beide eigenlijk’, antwoordt Bernard Sumner. ‘Bankrovers.’

Die attitude is nog altijd zichtbaar in de no-nonsense manier waarop de vier leden in deze gedegen popfilm terugblikken op de formatieve jaren van New Order. Zonder overdadige pretenties of al te nostalgische gevoelens. Tevreden, dat wel. Over al wat ze hebben gepresteerd en de lol die ze daarbij – ondanks alle meningsverschillen – hadden.

Echo’s Van Sobibor

Submarine / BNNVARA

In 2021 wonnen Piet de Blaauw en Jan Pieter Tuinstra een Tegel, de belangrijkste Nederlandse prijs voor journalistiek, met de documentaire De Sobibor Tapes – De Vergeten Interviews Van Jules Schelvis. Vijf jaar later is er de driedelige serie Echo’s Van Sobibor (165 min.). Die neemt opnieuw de getuigenissen die Sobibor-overlevende Jules Schelvis en schrijfster en slaviste Dunya Breur in de jaren tachtig vastlegden van overlevenden van het vernietigingskamp Sobibor als uitgangspunt, maar kijkt ook nadrukkelijk naar de volgende generaties van hun families.

Jetje Manheim van de Stichting Sobibor, een goede vriendin van de in 2016 overleden Schelvis, fungeert daarbij als verbindende schakel. Heel lang wist ze weinig over Sobibor, haar vader wilde er niets van weten. Later vertelde hij dat haar grootouders in het kamp waren vermoord. Het gedenken daarvan is volgens Jetje de laatste tijd echter in een heel ander licht te staan door de oorlog in Israël en Gaza. ‘Die maakt het bijna onmogelijk om puur te herdenken’, constateert ze. ‘De boodschap van het nooit meer laten gebeuren van zo’n verschrikkelijk onheil is al verstoord.’

Miriam en Eran Kahanov, de dochter en kleinzoon van Hella Weiss, ervaren in Israël hoe het leven daar sinds de aanslagen van 7 oktober 2023 is veranderd. Als ze over Weiss vertellen, zijn op de achtergrond acties van het Israëlische leger te horen. Michael en Vadym, de zoons van de Oekraïner Arkady Wajspapir, vragen zich intussen af wat hun vader zou hebben gevonden van de huidige oorlog in hun land. Die wilde beslist niet leven in een totalitaire staat. En Rena Blatt, de dochter van Thomas Blatt, kampt met het permanente gevoel van onveiligheid waarmee ze in de VS is grootgebracht.

Via getuigenissen van de gevangenen die het vernietigingskamp in Polen, al dan niet na de befaamde opstand op 14 oktober 1943, wisten te overleven, schakelen De Blaauw en Tuinstra in deze miniserie soepel tussen heden en verleden. Naar het lange gesprek bijvoorbeeld dat Thomas Blatt in 1983 had met de aangeklaagde kampbeul Karl Frenzel. ‘Ik wil nadrukkelijk naar u uitspreken dat ik niet kwaad op u ben’, zegt Frenzel, die vindt dat hij zelf ook ontzettend heeft geleden. ‘Dat u van alles over mij hebt verteld en ook een zekere haat tegenover ons koestert neem ik u niet kwalijk.’

‘Dit is echt ongelooflijk’, reageert Jetje Manheim verontwaardigd, na het beluisteren van de geluidsopnames. ‘Ik kan niet begrijpen wat ik gehoord heb. Hij zegt ook dat hij Blatt niet kwalijk neemt wat hij vandaag in de rechtszaak gezegd heeft. Dat moest er nog bijkomen. Dit is gewoon de omgekeerde wereld.’ In Brazilië heeft Sobibor-overlevende Stanislav ‘Shlomo’ Smajzner dan allang zijn conclusies getrokken. Als hij in 1978 de SS’er Gustav Franz Wagner uit Sobibor herkent in zijn nieuwe thuisland, wil hij hem het liefst direct doden. In 1980 steekt Wagner zichzelf dood in zijn cel. (Zelf)moord?

Zo blijven de gruwelijke gebeurtenissen in Sobibor hun schaduw werpen over het latere leven van de overlevenden, nabestaanden en hun afstammelingen. Ook achter de voordeur hebben die veel ellende veroorzaakt. Zo spreekt Dena, de weduwe van Thomas Blatt, in het slot van de laatste aflevering van deze miniserie voor het eerst uit hoe onmogelijk ‘t eigenlijk was om met haar man te leven. Blatt, die zich naar buiten toe altijd goed en groot hield, was volgens Dena niet in staat om van anderen te houden en maakte haar en de rest van het gezin gedurig het leven zuur.

Met zulke ontboezemingen brengt Echo’s Van Sobibor, ruim tachtig jaar na dato, alle uithoeken van het oorlogstrauma dat dit ene Duitse vernietigingskamp te weeg bracht nog eens krachtig in beeld.

Happy Clothes: A Film About Patricia Field

Greenwich Entertainment

Zelf maakt Patricia Field het meestal niet moeilijker dan ‘t is: ze zweert bij gelukkige kleding. ‘Ik houd nu eenmaal van gelukkig’, zegt de New Yorkse modeontwerpster en stylist ter verduidelijking. Ze zou dus nooit willen meewerken aan een oorlogsfilm of een horrorfilm. Field maakte als ontwerper naam met de ‘happy clothes’ van de kaskrakers Sex And The City, Emily In Paris en The Devil Wears Prada.

En de sterren van zulke succesproducties betonen de Grieks-Amerikaanse ontwerpster maar al te graag eer in deze vlotte documentaire van Michael Selditch. ‘Toen ik Pat voor het eerst ontmoette, was ik verliefd’, zegt Sarah Jessica Parker, ofwel Carrie Bradshaw uit Sex And The City, bijvoorbeeld. ‘Ik kan me geen betere partner indenken’, stelt haar collega Kim Cattrall, die samen met Field op shoptrips ging om samen het spraakmakende personage Samantha Jones verder te ontdekken.

En toen Pat Field de jeugdige Lily Collins, de hoofdrolspeelster van Emily In Paris, direct omarmde en zelfs een complimentje gaf voor de broek die ze droeg, voelde die zich de koning te rijk. ‘I feel like I’m winning!’ herinnert Collins zich het gevoel dat ze kreeg tijdens deze eerste ontmoeting. Field voelt zich intussen enigszins bezwaard onder alle loftuitingen, zegt ze meermaals in Happy Clothes: A Film About Patricia Field (100 min.) – misschien ook wel een beetje omdat dat zo hoort.

Bij het optekenen van ‘Planet Pat’ legt Selditch Field en haar getrouwen, die zich nog altijd rond haar tafel of in haar kunst- en modegalerie verzamelen, in elk geval geen strobreed in de weg. Ook niet als die ene, typisch Amerikaanse accessoire in de interviews en gesprekken wel héél vaak wordt gebruikt om de ontwerper met het opvallende rode haar, de zwaar doorrookte stem en inmiddels meer dan tachtig levensjaren in de ongetwijfeld fleurige achterzak te duiden: de veer in de reet.

Van de vrouw achter de trendsetter wordt de bewonderaar van haar happy clothes ondertussen niet al te veel wijzer. Want deze film besteedt nauwelijks aandacht aan Fields persoonlijk leven en richt zich vrijwel volledig op haar professionele bestaan en de hippe New Yorkse (queer)scene waarvan haar werk tegelijk de weerslag en een aanjager is.

Life After

Together Films

Het heeft nogal wat voeten in de aarde als Elizabeth Bouvia in 1983 in haar rolstoel de rechtszaal in het Californische Riverside wordt binnengereden. De 25-jarige vrouw, die in haar dagelijks leven volledig afhankelijk is van de zorg van anderen, eist het recht op om te mogen sterven – om zichzelf, onder begeleiding, te mogen uithongeren. Deze aangekondigde dood zal haar door de rechter echter niet worden gegund.

In 1997 wordt Bouvia, liggend in bed, nog eens voor het televisieprogramma 60 Minutes geïnterviewd door Mike Wallace. Daarna verdwijnt ze van het toneel. Filmmaker Reid Davenport vraagt zich bij de start van Life After (99 min.) af of het boegbeeld van de right-to-die beweging nog leeft, hoe het haar sindsdien is vergaan en wat haar erfenis is. Hij heeft zelf een ernstige lichamelijke beperking en buigt zich in deze scherpe film over het zelfbeschikkingsrecht dat zij zo nadrukkelijk heeft opgeëist.

Davenport gaat de ongemakkelijke issues niet uit de weg. Want is de keuze voor de dood, die Bouvia wilde maken en die andere mensen met een lichamelijke beperking sindsdien hebben willen maken, werkelijk ingegeven door pijn of een gebrekkige kwaliteit van leven? In hoeverre spelen praktische overwegingen daarbij ook een rol? De Canadese euthanasiewet Medical Assistance In Dying (M.A.I.D.) is bijvoorbeeld inmiddels speciaal voor mensen met een lichamelijke beperking opengesteld.

Zorgt dat niet voor (extra) druk op hen? Michal Kaliszan, een man uit Ontario, ziet in euthanasie bijvoorbeeld ‘een uitweg’. Na de dood van zijn moeder lijkt zijn enige alternatief een in zijn ogen uitzichtloos leven in een instelling. Dan verkiest hij toch de dood, zegt hij stellig, de minste van twee kwaden. Voor Michael Hickson, een man die aan een periode in coma ernstige schade overhield, maken zijn artsen die keuze. Zijn vrouw Melissa is het daar helemaal niet mee eens. Ze hoort ’t echter pas een dag later.

De ontwikkelingen rond Dying With Dignity gaan tegenwoordig snel in Canada, vertellen direct betrokkenen, véél sneller dan in traditionele gidslanden zoals Nederland en België. Daarbij wordt er volgens hen ook gecommuniceerd dat zo’n zachte dood tot lagere zorgkosten kan leiden. Over perverse prikkels gesproken. ‘Je kunt geen menselijk lijden verhelpen door mensen te doden’, vindt professor Catherine Frazee van de universiteit van Toronto, die zelf in een rolstoel zit en zuurstof krijgt toegediend. 

Reid Davenport kamt het hele gebied rond euthanasie voor mensen met een lichamelijke beperking uit, waarbij onvermijdelijk ook de eugenetica en de Amerikaanse voorvechter Jack Kevorkian van het honoreren van doodswensen, de revue passeren. Het resultaat is een emancipatoire film, die opnieuw aanzet tot nadenken over ieders (?) recht om te sterven en die eindigt waar ie begon: bij de vrouw met het, volgens sommige Amerikaanse media, ‘useless body’: Elizabeth Bouvia. Waarom wilde zij nu écht dood?

The Sadeck Effect

AVROTROS / dinsdag 2 december, om 22.40 uur, op NPO2

Met behulp van een lineaaltje tekent hij zijn choreografieën uit op papier. Zijn werk is in feite geometrie, legt Sadeck Berrabah uit, te vergelijken met de rotaties van een Rubik’s kubus. En hijzelf is dan te beschouwen als de leider van een vlucht vogels, die het tempo en de richting aangeeft. ‘Als we allemaal met elkaar verbonden zijn’, stelt hij in The Sadeck Effect (54 min.), ‘kunnen we magnifieke dingen creëren.

Inmiddels is de Franse choreograaf, die zich ook wel Sadeck Waff noemt en sterk is beïnvloed door hiphop, martial arts, Michael Jackson en manga, een gevierde ster. Via de televisietalentenjacht America’s Got Talent bereikte zijn dansgezelschap enkele jaren geleden een groot publiek. Sindsdien werkt hij samen met wereldsterren zoals Shakira en in opdracht van gerenommeerde organisaties en bedrijven.

Ooit was ie een zorgenkindje, vertelt Sadeck in het gestileerde portret dat Stéphane Carrel van hem maakte. Een stotteraar uit het plaatsje Forbach in het noordoosten van Frankrijk. Zoon van vroeg gescheiden ouders. En een tiener die afhaakte op school. Als achttienjarige werd Sadeck door zowel z’n vader als z’n moeder buitengezet. Hij leefde een tijdje op straat en verkaste daarna naar Montpellier.

Daar haalde Sadeck z’n rijbewijs, begon hij met z’n handen te werken en werd ie voor het eerst vader. Intussen kwam zijn danscarrière op gang. Toen hij in 2017 samen met een vriend een nieuw concept bedacht, gebaseerd op geometrie en menselijke beweging, en vanuit dat idee de video Geometrie Variable maakte, ging die direct ‘viral’. Zijn wereld veranderde compleet. Al snel stroomden de aanbiedingen binnen.

Tijdens deze film werkt Sadeck samen met zijn getrouwen, waaronder enkele broers, aan de theatervoorstelling Murmuration, een show die zich afspeelt op het snijvlak van wiskunde, wetenschap en de natuur. En die begint voor hem, letterlijk, op de tekentafel, met het uitwerken van ideeën op papier. Daarna volgt de vertaling naar een groep dansers die zijn tableaus nauwgezet uitbeeldt.

Zo werkt de gedreven choreograaf toe naar de spectaculaire uitvoering van Murmuration in de Parijse concertzaal Zénith, het eindstation van deze fraaie film die ‘s mans overweldigende werk vol in de schijnwerpers zet. Aan dat succes zit, natuurlijk, ook een keerzijde. Het heeft Sadeck Berrabah weliswaar status en zelfvertrouwen gegeven, maar zorgt ook voor druk, vermoeidheid en afstand tot zijn kinderen.

Want de afstemming tussen zijn bestaan als veelgevraagd kunstenaar en z’n verplichtingen als huisvader luistert eveneens héél nauw.

The Nazi Cartel

SkyShowtime

Vóór Pablo Escobar was er de Boliviaanse drugsbaas Roberto Suárez. Hij wordt beschouwd als de eerste cocaïnekoning van de wereld en zou zelfs model hebben gestaan voor het personage Alejandro Sosa in de ultieme gangsterfilm Scarface.

En als rechterhand van Suárez fungeerde ene Klaus Altmann, een Duitser die na de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Amerika was beland. In werkelijkheid ging het om de oorlogsmisdadiger Klaus Barbie, bijgenaamd ‘De Beul van Lyon’, die ook in Nederland nog ongenadig huis had gehouden. Samen met enkele andere oud-nazi’s speculeerde Barbie eind jaren zeventig nog altijd over een Vierde Rijk.

En er was een Amerikaanse undercoveragent, die zich namens de Drug Enforcement Agency (DEA) al jaren voordeed als dealer. Michael Levine begon zich actief met de handel te bemoeien. Samen met Suárez’s zoon Gary en schoonzoon Gerardo Caballero fungeert deze klassieke ‘tough guy’ nu als voornaamste getuige-deskundige van The Nazi Cartel (145 min.), een driedelige docuserie van Justin Webster.

Die duikt diep in deze onverkwikkelijke geschiedenis, waarin ook het Boliviaanse leger een belangrijke rol zou gaan spelen, en serveert die met veel drama en suspense uit. Webster maakt daarbij gebruik van nieuwsbeelden en reconstructies, spreekt allerlei direct betrokkenen en deskundigen en zet tevens enkele met AI geconstrueerde voice-overs in, die zijn gebaseerd op citaten uit een boek over Suárez.

De kongsi tussen Roberto Suárez en Klaus Barbie leidde in 1980 tot een bloedige staatsgreep, de zogenaamde Cocaïne Coup. Met hulp van het leger en huurlingen van Los Novios De La Muerte werd een linkse regering voorkomen. Onder de nieuwe militaire leider García Meza kon Bolivia vervolgens uitgroeien tot de eerste Zuid-Amerikaanse narcostaat. En de kans dat die Barbie zou uitleveren leek vrijwel nihil.

Dit politieke verhaal, mede verteld door slachtoffers van het regime, beklijft uiteindelijk meer dan de tamelijk routineuze jacht van Amerikaanse DEA-agenten op drugscriminelen. De vraag die daarachter ligt spreekt eveneens tot de verbeelding: was de CIA, die een kleine tien jaar eerder in Chili al de dictator Pinochet aan de macht had geholpen, misschien ook betrokken bij de Boliviaanse coup?

Volgens zijn zoon was Roberto Suárez er in elk geval best trots op dat hij was geportretteerd in Scarface. Hij herkende enkele filmpersonages ook uit zijn eigen omgeving. García Meza bijvoorbeeld. En Pablo Escobar, ofwel het legendarische Al Pacino personage Tony Montana. Suárez zou met Escobar breken, vóórdat die echt helemaal losging en zo aan de basis stond van de narcostaat Colombia.

The White House Effect

Netflix

Mensen die zich druk maken over het broeikaseffect, zegt de Amerikaanse vicepresident en Republikeinse presidentskandidaat George H. Bush tijdens de hittegolf van 1988, vergeten The White House Effect (97 min.). Als president wil Bush namelijk korte metten maken met de opwarming van de aarde, die voor extreem hoge temperaturen en aanhoudende droogte zorgt.

In 1977 is één van zijn voorgangers, de Democraat Jimmy Carter, in een memorandum al gewaarschuwd voor ‘een catastrofale klimaatverandering’ en dringend opgeroepen om over te schakelen naar non-fossiele brandstoffen. Carter houdt een alarmerende speech en neemt concrete initiatieven om de situatie te verbeteren, bijvoorbeeld op het gebied van zonne-energie. ‘Energiebesparing moet een manier van leven worden.’

Niet veel later staan er echter lange rijen bij Amerikaanse tankstations. En die worden Carter aangewreven. Bij de presidentsverkiezingen van 1980 wordt hij verslagen door Ronald Reagan en zijn vicepresident Bush, een echte ‘oilman’ uit Texas. Zij nemen zich voor om bedrijven weer veel meer armslag te geven. Indachtig Reagans fameuze oneliner: Government is not the solution to our problem. Government is the problem.’

Dat blijkt vragen om problemen, laat deze archieffilm van Bonni Cohen, Pedro Kos en Jon Shenk nog eens fijntjes zien. ‘We kunnen óf proberen om onze samenleving aan te passen aan het leven op een warmere planeet’, constateren onderzoekers van oliegigant Exxon al in 1984 in een intern rapport, ‘óf, om dat probleem te voorkomen, het gebruik van fossiele brandstoffen sterk inperken.’ Maar regulering wil Exxon niet.

Hoewel hij volgens zijn Democratische opponent Michael Dukakis behoort tot de ‘milieusloopploeg’, wil George Bush in 1988 wél werk gaan maken van het milieu. Als president geeft hij de natuurbeschermer William K. Reilly een toppositie in zijn regering. Die wordt direct geconfronteerd met een gigantische milieuramp als de olietanker Exxon Valdez op Bligh Reef botst en tientallen miljoenen liters olie in de zee begint te lekken.

Binnen de regering Bush klinken er, via chefstaf John Sununu, alleen ook tegengeluiden. De fossiele industrie fluistert hem in dat hun belangen moeten worden beschermd. In de slotverklaring van de internationale klimaatconferentie in Noordwijk van 1989, geïnitieerd door de Nederlandse milieuminister Ed Nijpels, wordt 2000 als streefjaar voor de reductie van CO2-uitstoot dus geschrapt – en economische groei toegevoegd.

Het blijkt een scharnierpunt in het Amerikaanse klimaatbeleid. De fossiele industrie is zich dan ook in het publieke debat gaan mengen. Tegenover vooraanstaande wetenschappers zoals Stephen Schneider plaatsen zij de klimaatsceptici Richard Lindzen, Patrick Michaels, Fred Singer en Sherwood Idso. Over ‘false balance’ gesproken: échte deskundigen versus door de business betaalde charlatans.

Met bestaand archiefmateriaal en interne documenten vanuit het Witte Huis en de fossiele industrie, aangevuld met onrustbarende statistieken, toont deze docu ondubbelzinnig aan dat die desinformatiecampagne werkt. De wetenschappelijke consensus over de oorzaken van het broeikaseffect is in twijfel getrokken. En intussen is er ook een valse tegenstelling gecreëerd tussen ‘het milieu’ en ‘de economie’.

The White House Effect zet de hele flikkerse boel nog eens op een rijtje. Over hoe door ontzettende kortzichtigheid, ingegeven door financiële, sociale en electorale belangen, elk zicht op de lange termijn wordt ontnomen. Want ook president George H. Bush verkoopt, na lang twijfelen, zijn ziel weer en gooit z’n klimaattsaar Reilly tijdens de zogeheten ‘Earth Summit’ van Rio de Janeiro in 1992 rücksichtslos voor de bus.

De ironie wil overigens dat Bush’ opvolger Bill Clinton, met het uiterst groene congreslid Al Gore als zijn vicepresident, er intern een duidelijk uitgangspunt voor de campagne op nahoudt: it’s the economy, stupid. Uitroepteken.

Secret Mall Apartment

Secret Mall Apartment

Een kunstproject, protestactie, sociaal initiatief en uit de hand gelopen grap ineen. Het idee van Michael Townsend en enkele andere kunstenaars om in 2003 een Secret Mall Appartment (91 min.) te openen krijgt al snel de contouren van een onvervalst en onweerstaanbaar jongensboekverhaal.

De komst van een kolossaal winkelcentrum in het hart van de Amerikaanse stad Providence is hen een doorn in het oog geweest. Providence Place, geopend in augustus 1999, moet de stad weer aantrekkelijk maken voor een koopkrachtig publiek, maar is ook ten koste gegaan van de culturele enclave Fort Thunder, waar jonge kunstenaars en alternatieve muzikanten een thuis hadden gevonden. Een projectontwikkelaar koopt de vrijhaven op en laat die in 2002 slopen.

Een jaar later nemen Townsend en de zijnen wraak. Ze vinden een tussenruimte van zo’n 75 vierkante meter in het protserige winkelcentrum en beginnen daarin te verblijven. Het is zomaar een onbezonnen idee. Langer dan een week zal ‘t niet duren. Dat is echter buiten hun eigen vindingrijkheid gerekend – en het volstrekt onpersoonlijke karakter van zo’n winkelkolos. Het wilde plan wordt gekker en gekker. Ze documenteren de hele onderneming met kleine consumentencameraatjes.

Die totaal onwerkelijke beelden vormen de basis voor deze heerlijke documentaire van Jeremy Workman, waarin de direct betrokkenen met overduidelijk plezier terugkijken op het bizarre avontuur dat ze met elkaar zijn aangegaan. Om dit verhelderen hebben ze zowel een maquette van het winkelcentrum als een levensechte replica van het appartement gemaakt. De ruimte waar ze zo’n vier jaar hebben vertoefd, wordt zo weer tastbaar gemaakt. Want in gelul kan je nu eenmaal niet wonen.

Secret Mall Appartment wordt intussen ook een portret van Michael Townsend, een bevlogen kunstenaar en docent die in de periode van het appartement tevens sociale projecten met tapekunst opzet in zorginstellingen en de dragende kracht van een 911-kunstproject is. Het geheime appartement lijkt zijn meesterzet, een kunstwerk dat is opgebouwd uit allerlei kringloopspullen, een zelfgemaakte muur van betonblokken en de dringende behoefte om een punt te maken.

Tegen gentrificatie en de vercommercialisering van de hedendaagse maatschappij. Voor creativiteit, doorzettingsvermogen en eigenzinnigheid. En over de waarde van kunst.

Trump’s Power & The Rule Of Law

PBS

Zo ziet het Steve Bannon-adagium ‘flooding the zone with shit’ er in de praktijk uit. Vanaf de eerste dag van zijn tweede ambtstermijn, op 20 januari 2025, regeert Donald Trump per decreet. Hij ondertekent, liefst publiekelijk, méér ‘executive orders’ dan al z’n voorgangers. Zo maakt hij als zo’n beetje de eerste Amerikaanse president in de geschiedenis zijn verkiezingsbeloften waar, zeggen zijn medestanders – en draagt hij, volgens al zijn criticasters, de Amerikaanse democratie ten grave. Steve Bannon is vanzelfsprekend enthousiast in Trump’s Power & The Rule Of Law (82 min.). Trump trapt voor de verandering eens het gaspedaal in, zegt hij, in plaats van de rem. Actie!

Als de president ‘t doet, dan kan ‘t eenvoudigweg niet illegaal zijn, stelt Donald Trump zelf al tijdens z’n eerste termijn, in navolging van zijn Republikeinse voorgangers Richard Nixon, die net als Trump in ernstige juridische problemen verzeild raakte, en George W. Bush, die na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 op zoek was naar meer armslag. En dit uitgangspunt wordt in 2024 nog eens bekrachtigd door het Amerikaanse hooggerechtshof, voor een belangrijk deel door Trump zelf benoemd, dat zijn grootste juridische problemen uit de weg ruimt en daarmee ook zijn herverkiezing als president van de Verenigde Staten in dat najaar mede mogelijk maakt.

Niet vreemd dus dat Donald Trump zich onaantastbaar waant bij de start van die tweede ambtsperiode. Hij verleent supporters, die zijn veroordeeld vanwege hun aandeel in de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, algehele amnestie en opent de jacht op iedereen die tegen hem is, was of zou kunnen zijn. Te beginnen met de medewerkers van het ministerie van Justitie, die ‘t ooit hebben gewaagd om strafzaken tegen hem te starten. Geheel terecht, stelt Trumps juridische adviseur Mike Davis in deze docu van Frontline-journalist Michael Kirk, waarin de machtsgreep van Trump 2 in de eerste helft van 2025 wordt gereconstrueerd. Ze hebben ‘t er zelf naar gemaakt.

Het nieuwe ministerie van Justitie, geleid door Trumps vertrouweling Pam Bondi, begint te functioneren als werktuig voor ‘s mans rancune en wraaklust. Daar mogen ze zijn vijandenlijst afwerken: de federale hulporganisatie USAID, eigenzinnige rechtbanken, prominente advocatenkantoren, kritische media, linkse universiteiten en het ministerie van Onderwijs. Trumps dadendrang is zonder precedent, constateren medestanders, journalisten en juristen in deze docu, en wordt niet of nauwelijks gecorrigeerd door de volksvertegenwoordiging en rechterlijke macht. Menigeen houdt z’n hart vast. Een enkeling komt in verzet, waaronder ook enkele oud-advocaten van Trump.

De tussenbalans is vooralsnog duidelijk, stelt Kirk aan het eind van deze grondige ontleding van ‘s mans eerste zes maanden: Donald Trump wint. Bigly.

It’s Never Over, Jeff Buckley

Piece Of Magic

Op z’n 29e verjaardag zegt Jeff tegen z’n vriendin Rebecca: ik ben nu ouder dan mijn vader. De befaamde singer-songwriter Tim Buckley was in 1975 bezweken aan een overdosis heroïne. Zijn zoon, voor wie hij nooit een echte vader zou worden, zal alleen niet héél veel ouder worden. Jeff Buckley gaat op 27 mei 1997 zwemmen in de Mississippi-rivier in Memphis en komt nooit meer uit het water. Hij is slechts dertig jaar oud. Kort daarvoor heeft hij nog vol overtuiging verklaard: ik ga niet eindigen zoals mijn vader, met een label aan mijn teen.

Bij leven en welzijn wil ie alles zijn, behalve ‘de zoon van Tim Buckley’. Want aan de bijbehorende verwachtingen kan hij als kind toch nooit voldoen. Zo lijkt ‘t tenminste. In werkelijkheid zal Jeff zijn illustere vader al snel overvleugelen. Als een interviewer hem vraagt wat hij heeft geërfd van zijn vader, heeft hij dat alleen nog niet door. ‘Mensen die zich mijn vader herinneren’, antwoordt de jonge zanger resoluut. ‘Volgende vraag.’ Buckley zal altijd een moederskind blijven. Net voor zijn dood spreekt hij nog een liefdevolle boodschap in op haar voicemail.

Mary Guibert heeft die ongetwijfeld vaker terug gehoord. Toch raakt ze in de documentaire It’s Never Over, Jeff Buckley (106 min.) weer geëmotioneerd als ze de laatste woorden beluistert van haar zoon, de jongen die zij als tiener op de wereld zette en vervolgens grotendeels alleen opvoedde. Zoals ook die andere vrouwen in zijn leven, Jeffs ex-vriendin Rebecca Moore en zijn verloofde Joan Wasser, bijna dertig jaar na zijn plotselinge overlijden nog altijd bevangen raken door emoties als ze die even kwetsbare als krachtige jongen weer voor hun geestesoog zien.

Met dit postume portret tilt de gelauwerde Amerikaanse documentairemaakster Amy Berg (West Of MemphisThe Case Against Adnan Syed en Phoenix Rising) Buckley weer in het hier en nu. Voorbij Hallelujah, de Leonard Cohen-song waarvan hij uiteindelijk een echte evergreen maakte. Voorbij zijn gelauwerde debuut Grace (1994), het enige album dat hij bij leven uitbracht en dat inmiddels als een klassieker wordt beschouwd. En voorbij het iconische beeld van de ongrijpbare zanger met het enorme bereik, die zich in ieders ziel etste en onderweg menig hart stal en brak.

Jeff wordt weer de jongen die op de middelbare school flink werd gepest. De muzikale veelvraat, die net zo gemakkelijk Edith Piaf als Sjostakovitsj, Nina Simone, Nusrat Fateh Ali Khan of Led Zeppelin verorberde. En de kunstenaar die gedurig twijfelde aan zichzelf. Of Grace toch geen toevalstreffer was en hijzelf een bedrieger? Amy Berg roept hem op met een veelheid aan archiefbeelden en geluidsopnames, animaties die z’n gemoedstoestand verbeelden en – natuurlijk – ’s mans tijdloze composities, waarvan de teksten voor de gelegenheid ook zijn ondertiteld. Zodat eenieder recht in zijn ziel kan kijken.

Deze stemmige, geladen film blijft in elk geval ver uit de buurt van gemakzuchtige popbio’s, waarin willekeurige concullega’s superlatieven uitstrooien over de held van dienst. Berg beperkt zich tot intimi, die daadwerkelijk een kijkje achter het gordijn hebben gekregen bij Buckley en die hem als mens, kunstenaar en artiest kunnen duiden. It’s Never Over, Jeff Buckley wordt daarmee het gelaagde psychologische portret, dat je zowel de hoofdpersoon zelf als zijn achterban, gehoor en muziekliefhebbers toewenst.

Football’s Financial Shame: The Story Of The V11

BBC

Zijn ze gewoon slecht geadviseerd? Of toch keihard voorgelogen en opgelicht? Ooit speelden de leden van The V11 in The Premier League en wonnen ze kampioenschappen, bekers en internationale titels. Nu balanceren de Britse voetballers al jaren op de rand van de financiële afgrond.

Neem Danny Murphy (V7). De middenvelder speelde ruim vierhonderd duels voor clubs zoals Liverpool, Tottenham Hotspur en Fulham en schat in dat hij uiteindelijk zo’n vier tot vijf miljoen pond kwijt is geraakt aan beroerde investeringen. ‘Veel mensen vinden dat ik sowieso te veel betaald kreeg’, stelt de voormalige Engelse international in Football’s Financial Shame: The Story Of The V11 (94 min.). ‘Zo erg kan het dus niet zijn voor mij. Je was bevoorrecht en hebt er zelf een rotzooi van gemaakt, zeggen ze dan. En nu ben je net als wij. En ze denken dat ik nog wel een miljoen of vier heb liggen. Nou, niet dus.’

Murphy is één van de zogeheten V11, een ‘elftal’ oud-profs dat een groep van zo’n tweehonderd betaald voetballers vertegenwoordigt. Op advies van Kingsbridge Asset Management, de investeringsmaatschappij van David McKee en Kevin McMenamin, staken zij hun geld in speelfilms, aandelen en onroerend goed en gingen daarmee gigantisch het schip in. Bekende spelers zoals Michael ThomasRod Wallace en Brian Deane zitten daardoor al jaren op zwart zaad. Niet in het minst omdat ze, opgelicht of niet, daarna ook nog een kolossale aanslag van de belastingdienst ontvingen.

Regisseur Richard Milway volgt de oud-voetballers gedurende enkele jaren, waarin ze hun recht proberen te halen en ondertussen een faillissement – en de bijbehorende huisuitzettingen, echtscheidingen, verslavingen en/of depressies – proberen af te wenden. Zij worden bijgestaan door gedreven juristen en financieel deskundigen, die ervan overtuigd zijn geraakt dat hun cliënten doelbewust zijn getild door lieden die ze jarenlang tot hun dierbaarste vrienden rekenden. Variërend van ‘dit is in orde, teken maar bij het kruisje’ tot slinkse valsheid in geschrifte en doelbewuste oplichting.

Milway maakt zeer aannemelijk dat er inderdaad sprake is van kwade opzet. McKee en McMenamin laten zich daarover echter niet aan de tand voelen. Zij houden ’t bij een schriftelijke verklaring, die als een nogal laf weerwoord steeds terugkeert in deze schrijnende journalistieke docu. Ze werpen daarin alle beschuldigingen ver van zich. En ook de bekende Engelse trainer en oud-bondscoach Howard Wilkinson, die tot 2024 maar liefst 32 jaar voorzitter was van de invloedrijke League Managers Association en in die hoedanigheid warme contacten onderhield met Kingsbridge, geeft niet thuis.

De Britse politie is er intussen eveneens van overtuigd geraakt dat dit zaakje stinkt, maar daarmee is dat nog niet wettig en overtuigend bewezen. En dus staat het water sommige V11’ers – de V staat overigens, een mooi staaltje ‘wishful thinking, voor ‘victors’, overwinnaars – aan de lippen. Als eerste generatie Premier League-spelers, die vermoedelijk dachten dat hun geld nooit meer op zou raken, vielen zij ten prooi aan de haaien die grootverdieners nu eenmaal altijd omcirkelen. Football’s Financial Shame maakt van deze voormalige voetbalsterren weer kwetsbare mensen van vlees en bloed.

Nadat zij voor het oog van de wereld hun jongensdroom hadden waargemaakt, werden ze na hun sportcarrière onder een wel héél koude douche gezet.

First Kill

Lemming Film

Als oorlog niet meer dan de hel zou zijn, dan zouden we snel stoppen met al die oorlogen, stelt voormalig oorlogscorrespondent Michael Herr, die over zijn ervaringen als journalist in Vietnam het boek Dispatches schreef en later meewerkte aan de klassieke oorlogsfilms Apocalypse Now en Full Metal Jacket. Hoewel hij zelf zeker geen ‘John Wayne Jr.’ was, bleek Herr erg gevoelig voor de verleidingen van oorlog. ‘Het was niet saai. Je kreeg nooit de kans om verveeld te raken.’

En daarop, op hoe je volledig verslingerd kunt raken aan oorlog en er vervolgens door wordt opgevreten, richt Coco Schrijber zich in haar indringende film First Kill (73 min.) uit 2001. Voor de Amerikaanse soldaat Billy Heflin doet bijvoorbeeld maar één ding ertoe tijdens zijn tour in Vietnam: ‘the kill’. Het kost hem geen enkele moeite om de trekker over te halen – ook al is het een kind. Het is hij of ik. En hij wil zijn ‘body count’ op peil brengen. Met elke dode gaat Billy zich beter voelen. Hij vergelijkt ’t zelfs met seks.

Behalve met veteranen zoals Heflin, die steeds verder afdaalt in zijn weerzinwekkende jacht op ‘gooks’, spreekt Schrijber ook met de Amerikaanse fotograaf Eddie Addams. Hij maakte in 1968 een inmiddels klassiek geworden foto, waarin de horror van oorlog héél tastbaar wordt. Een Vietnamese man zet zijn pistool tegen het hoofd van een landgenoot en haalt rücksichtslos de trekker over. Addams voelde er echter helemaal niets bij toen hij die foto maakte. Hij leverde het rolletje in, vertelt hij droog, en ging daarna lunchen.

Een (foto)journalist kan zich natuurlijk verschuilen achter zijn werk en heeft daarmee een plausibele reden om de frontlinie op te zoeken. Michael Herr koestert daarover echter geen illusies: ook mensen zoals hij zijn veel meer dan een observator, zij participeren net zo goed in de strijd en kunnen daarvan eveneens ‘genieten’. En dat oorlogsjournalistiek een heilzame werking heeft, wil er bij hem ook niet in. De eeuw waarin massamedia hun entree hebben gemaakt was tevens de bloedigste. Moordlust wordt er bijna sexy van.

Deze zinnenprikkelende trip naar de donkerste hoeken van de menselijke ziel krijgt daarmee een bijzonder ongemakkelijke boodschap: oorlog beschikt over een zekere schoonheid als je ‘m van z’n morele dimensie ontdoet. Als individuele mensen zijn we, in de juiste verkeerde omstandigheden, tot zo’n beetje alles in staat. En dat kan ook nog lekker voelen. Billy Heflin, inmiddels een breekbare man in een rolstoel, is daarvan het sprekende voorbeeld. Hij zou best terug willen naar Vietnam, zegt ie. Hij mist het doden.

Becoming Madonna

Sky

Achteraf lijkt het logisch, voorbestemd bijna, dat Madonna de grootste popster van haar tijd zou worden. Toen ze in 1978 van Michigan naar New York vertrok, lag dat echter nog in de toekomst verscholen. Madonna, dochter van zeer katholieke Italiaanse immigranten, had niet veel meer in haar plunjezak dan geldingsdrang en ambitie. Twaalf jaar later, in 1992, was ze een gearriveerde ster die de ene na de andere hit had gescoord, continu in het middelpunt van de belangstelling stond en net de immens succesvolle Blond Ambition-tour had afgerond. Dat was niet vanzelf gegaan. Falen was geen optie, zegt ze er zelf over.

In Becoming Madonna (92 min.) documenteert Michael Ogden de tussenliggende periode, waarin de gedreven vrouw die is vernoemd naar haar jong overleden moeder haar weg zoekt in de muziekbusiness: als drummer in haar eerste bandje The Breakfast Club, frontvrouw van de Blondie-achtige groep Emma & The Emmy’s en als veilige Pat Benatar-kloon. Totdat ze de juiste mensen tegen het lijf loopt, niet geheel toevallig, en langzaam maar zeker de Madonna wordt die zich enkele decennia zal weten te handhaven in de absolute voorhoede van de popmuziek. Heeft ze ondertussen haar ziel aan de duivel verkocht? vragen mensen uit haar vroegere leven zich dan af.

Ogden reconstrueert de formatieve jaren van deze toonaangevende en beeldbepalende artiest met louter archiefmateriaal, dat buiten beeld wordt ingekaderd door Madonna zelf en intimi zoals haar broer Christopher Ciccone, ex-vriend Dan Gilroy, eerste manager Camille Barbone, clipregisseur Mary Lambert, producer Stephen Bray, videoproducer Sharon Oreck, choreograaf Vincent Paterson en danser Carlton Wilborn. De geschiedenis wordt verder ingekleurd met een soundtrack die behalve uit Madonna-hits zoals Borderline, Like A Virgin, Material Girl, Holiday en Like A Prayer ook uit underground-klassiekers van Talking Heads, The Runaways en Bikini Kill bestaat.

Zo ontstaat niet alleen een compleet overzicht van de wording van het fenomeen Madonna – inclusief haar worsteling met het alomtegenwoordige seksisme in de pers en muziekwereld, turbulente huwelijk met acteur Sean Penn en relatie met de gayscene, die zeker na de AIDS-crisis steeds inniger wordt – maar ook een treffend tijdsbeeld van de jaren tachtig, het decennium waarvan zij een perfecte representant is. Ze topt die onstuimige periode begin jaren negentig af met het scandaleuze boek Sex, misschien wel de ultieme Madonna-productie.

Over Madonna’s Blond Ambition-tour werd in 1991 overigens al de klassieker Madonna: Truth Or Dare uitgebracht. Later volgde de Nederlandse documentaire Strike A Pose (2016), waarin Madonna’s dansers de balans opmaken van hun periode in de entourage van de eigenzinnige wereldster.

Live Aid At 40: When Rock ‘N’ Roll Took On The World

BBC

Je kunt er de klok op gelijkzetten: deze zomer is het veertig jaar geleden dat Live Aid, het grootste benefietconcert aller tijden, plaatsvond. En dus volgt de verplichte publieksdocu, die natuurlijk gevoelens van nostalgie oproept, meer dan genoeg bekende koppen bevat en ook nog eens aandacht vraagt voor de goede zaak. Thomas Pollard serveert het verhaal uit in vier hapklare brokken van dik veertig minuten, die samen de complete geschiedenis omvatten van Live Aid At 40: When Rock ‘N’ Roll Took On The World (168 min.).

Die begint als Bob Geldof, zanger van de Britse band The Boomtown Rats, in oktober 1984 op televisie beelden van de ontzaglijke hongersnood in Ethiopië ziet. Hij benadert een aantal muzikale vrinden en neemt op 25 november een single met hen op, die niet alleen goed voor de wereld maar ook voor hun eigen carrières zal blijken te zijn: Do They Know It’s Christmas? van de gelegenheidsgroep Band Aid. Een geheide kersthit, realiseert ook George Michael zich al tijdens de opnames. Daar gáát de beoogde eerste nummer 1-notering voor zijn eigen groep Wham! met de single Last Christmas (die inderdaad nog veertig jaar zal moeten wachten op de eerste plek in de hitlijsten).

Geldof heeft ook de toppositie toebedeeld gekregen in deze miniserie. Hij wordt terzijde gestaan door popgrootheden zoals Bono (U2), Brian May en Roger Taylor (Queen), Pete Townshend (The Who), Sting, Midge Ure (Ultravox), Gary Kemp (Spandau Ballet), Nile Rodgers (Chic) en Patti Labelle. Zij blikken terug op hoe de Britse benefietsingle, in aflevering 2, een Amerikaans vervolg krijgt: We Are The World van USA For Africa, een hit die relatief weinig aandacht krijgt in deze serie en vooral met archiefbeelden en oude interviews wordt afgehandeld. Niet vreemd: een jaar geleden verscheen een aparte documentaire over de totstandkoming van deze hit: The Greatest Night In Pop (2024).

‘Saint Bob’ is intussen zelf naar Addis Abeba gevlogen om ter plaatse de schade op te nemen. Zijn boodschap is vervolgens even oprecht als eenvoudig: ‘Give us your fucking money!’ Daarna besteedt deze serie aandacht aan Live Aid zelf, ‘het Woodstock van deze generatie’ dat in slechts vijf weken uit elkaar wordt gestampt. Op zaterdag 13 juli 1985 treedt een sterrenparade aan in Londen en Philadelphia, met onder andere Status Quo, Queen, David Bowie, Madonna, Paul McCartney, Led Zeppelin en Phil Collins (die als enige, door een strak geplande vliegreis, zowel in Engeland als de VS optreedt). Zij zijn in totaal goed voor zestien uur live-televisie, uitgezonden in meer dan 150 landen.

Ieder heeft zo zijn eigen herinneringen aan die gedenkwaardige dag. Bono kan het befaamde U2-optreden bijvoorbeeld nog altijd niet aanzien vanwege zijn eigen ‘bad hair day’. In het bijzonder: z’n matje. De andere bandleden konden hem destijds overigens wel schieten: doordat Bono het publiek was ingegaan en zo het optreden had vertraagd, konden ze hun grootste hit Pride (In The Name Of Love) niet spelen. En The Who blijkt niet geheel spontaan weer bij elkaar te zijn gekomen voor Live Aid. Geldof kondigde hen gewoon aan in een persverklaring. Pure chantage, aldus gitarist Pete Townshend. Of zoals zanger Roger Daltrey ’t op z’n Godfathers verwoordt: ‘an offer we couldn’t refuse’.

Twintig jaar later moet overigens ook Geldof zelf gedwongen worden, om in acht afzonderlijke landen Live 8-concerten (2005) te organiseren, onderwerp van de slotaflevering van deze miniserie. Thomas Pollard vergeet intussen niet om ook de achtergronden van de benefietacties te schetsen. Hij spreekt Afrikaanse leiders, westerse politici én de Ethiopische boer Woldu Menameno. Zijn dochtertje Birhan, dat destijds een wisse hongerdood tegemoet leek te gaan, werd het gezicht van de ramp. Als door een wonder ontsnapte zij echter aan Magere Hein. Ze zit nu naast haar vader, een vrouw van in de veertig die ‘t nog altijd moeilijk vindt om beelden van zichzelf te bekijken.

Die onuitwisbare beelden en de navolgende ideële acties vormden tevens de start van het leven als popactivist van Bob Geldof en Bono. Samen en los van elkaar krijgen ze toegang tot de beslissers van deze wereld en worden ze ook zelf een kracht voor het goede om rekening mee te houden. Ze zijn daarbij meteen ontzettend goede vrienden geworden, vertelt Geldof. ‘Hij wil de wereld een enorme knuffel geven, terwijl ik er soms gewoon flink op los wil slaan.’ Als de ‘good cop’ en ‘bad cop’ van de popmuziek hebben ze zo de aanzet gegeven tot een hernieuwd activisme binnen de muziekwereld, met Live Aid als meesterzet.

Lomax: The Songhunter

MM Filmprodukties

John en Alan Lomax hebben zo’n tienduizend veldopnames op hun naam gezet, schat Michael Taft van de Library Of Congress, terwijl hij door het gigantische archief van Amerika’s centrale bibliotheek loopt. Vader en zoon Lomax reisden in de eerste helft van de twintigste eeuw stad en land af, om in elke uithoek van de Verenigde Staten volksliedjes vast te leggen.

Toen pa John besloot om af te gaan bouwen, sloeg Alan Lomax (1915-2002) zijn vleugels uit naar het buitenland en ontwikkelde zich tot een toonaangevende folklorist en etnomusicoloog. Hij wilde de traditionele volksmuziek vastleggen, vóórdat die definitief door de gulzige massacultuur zou worden opgeslokt. Met zijn bandrecorder vereeuwigde Lomax een wereld, eigen en aards, die inmiddels zowat lijkt te zijn weggevaagd.

Als Rogier Kappers hem aan het begin van de 21e eeuw opzoekt in Florida, is Alan Lomax door een hersenbloeding niet meer in staat om hem echt te woord te staan. Met zijn kinderen, medewerkers en muzikanten zoals Pete en Peggy Seeger, Henrietta Yurchenco en Shirley Collins vangt de Nederlandse filmmaker in Lomax – The Songhunter (92 min.) niettemin het leven en werk van de gepassioneerde Texaanse collectioneur.

In een busje reist Kappers bovendien in het spoor van Alan Lomax naar landelijke gebieden in Schotland, Spanje en Italië. Hij grijpt daarbij terug op diens oorspronkelijke dagboekaantekeningen en gaat op zoek naar lokale mensen die ooit door Lomax met zijn recorder werden vastgelegd. Dit resulteert in prachtige scénes van oudere mensen die zichzelf of een dierbare voor het eerst terug horen. Alsof de geesten van een ver verleden tot hen spreken.

De Nederlandse liedjesjager heeft deze innemende roaddocu uit 2004 bovendien verrijkt met prachtig archiefmateriaal. Van illustere singer-songwriters zoals Woody Guthrie en Pete Seeger, maar vooral van gewone (werke)mensen, die hun dagelijks bestaan inkleurden, opluisterden of simpelweg draaglijk maakten met traditionele liederen: wasvrouwen, schaapsherders, spoorweglui, gevangenen, mijnwerkers en vissers.

Voor Lomax had zijn levensmissie, waaronder z’n eigen familieleven overigens flink had te lijden, een enorm maatschappelijk belang. Het ging hem, vertelt hij gepassioneerd in een archiefinterview uit de tijd dat hij zijn ideeën nog heel krachtig kon formuleren, om niets minder dan de vrijheid voor een cultuur om zich uit te kunnen drukken. Deze film van Rogier Kappers, bekroond met een Gouden Kalf, is een weldadige weerslag van die gedachte.

Horen – en zien – is geloven.

Surviving Ohio State

HBO Max

Het is aardedonker. Hij vraagt de worsteltalenten om hun onderbroek uit te trekken. Ze zijn inmiddels helemaal naakt, als de dokter zijn lampje aanzet. Hij klemt hem tussen zijn lippen en kijkt tussen hun benen. ‘En op dat moment pakte hij je penis vast en bewoog hem alle kanten op’, herinnert Dan Ritchie zich. ‘De hele tijd probeer je om geen erectie te krijgen’, vult Mike Schyck aan. Het is tevens een moment waarop je volgens Will Knight je eigen seksualiteit gaat bevragen. ‘Toen we naar buiten kwamen, maakten we grapjes omdat we niet wisten wat we meemaakten.’

Genitale controle blijkt in de jaren negentig de specialiteit van dokter Richard Strauss, de teamarts van de ‘Buckeyes’, het prestigieuze worstelteam van Ohio State University (OSU). Elk lichamelijk onderzoek, dat in deze pijnlijke film van Eva Orner ter sprake komt, loopt erop uit. En ‘Dr. Fun Boy’ gebruikt nooit handschoenen. OSU’s coach Russ Helickson en zijn assistent Jim Jordan, tegenwoordig Republikeins congreslid, weten ervan – daarover kan geen twijfel bestaan – maar zij gaan het ongemakkelijke gesprek stelselmatig uit de weg. Strauss slaat intussen zijn vleugels uit naar andere sporten.

De ervaringen van deze jonge topsporters zijn nagenoeg gelijk aan de verhalen van Amerikaanse turntalenten over sportarts Larry Nassar, die eerder al hun weg vonden naar de docu’s At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal en Athlete A. Het seksueel misbruik in Surviving Ohio State (109 min.) – dat tevens aansluit bij vergelijkbare Surviving-producties over R. KellyJeffrey Epstein en Michael Jackson – vindt alleen plaats binnen een uitgesproken macho omgeving, met jongens die vaak niet hebben geleerd om over hun gevoelens te praten en bij tegenslag gewoon doorbijten.

En als de vrouwelijke schermcoach Charlotte Remenyik, die dus nooit in de jongenskleedkamer komt en er desondanks van hoort, melding maakt van Strauss’ zeer ongepaste gedrag, valt dit in dode aarde bij de verantwoordelijke schoolbestuurders. Die doen alsof er niets aan de hand is of openen de doofpot, de zogeheten ‘second rape’. ‘Toen ik erachter kwam dat ze het wisten, dat de Ohio State University Day wist dat hij de atleten betastte, stond ik versteld’, zegt ijshockeyer Al Novakowski. ‘Tot op de dag van vandaag denk ik: allemachtig, hebben deze mensen geen kinderen?’

Nadat ze zich zo voor de tweede keer miskend en misbruikt hebben gevoeld, volgt nog een derde ontluisterende ervaring, als initiatiefnemer Michael DiSabato en enkele andere slachtoffers in 2018, ruim twintig jaar dato, besluiten om met hun ervaringen naar buiten te treden: de smalende reacties. Worstelaars, zoals de latere UFC-vechter Mark Coleman, die zich als kleine meisjes laten misbruiken? sneren buitenstaanders ongevraagd. Dat geloof je toch zelf niet! En ook dan blijven sommige Buckeyes  – politiek kopstuk Jim Jordan voorop – consequent ontkennen dat ze er iets vanaf wisten.

Met een veelheid aan bronnen pelt Eva Orner de geruchtmakende zaak zo helemaal af. Ze vindt daarbij ook een mogelijke verklaring voor het feit dat OSU Richard Strauss al die jaren uit de wind heeft gehouden: hij speelde een cruciale rol in een clandestien onderdeel van topsportprogramma. Het is de treurig stemmende slotsom van een ontluisterende exegese van hoe grensoverschrijdend gedrag maar kan blijven voortwoekeren.

Het Grote Offensief

September Film

Met een stoutmoedig en meedogenloos plan hoopt de Canadese bevelhebber Guy Simonds in het najaar van 1944 de patstelling in de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog te doorbreken. Hij geeft het bevel om het Zeeuwse eiland Walcheren te laten overstromen, om zo kustbatterijen van de Duitsers uit te schakelen. Naderhand meldt de Britse pers triomfantelijk dat het eiland is gezonken en het nazi-garnizoen aldaar weggespoeld. Het blijkt een enorme misvatting. De strijd is nog lang niet gestreden en zal in de komende maanden nog flink oplaaien.

In Het Grote Offensief (98 min.) belicht het team achter de speelfilm De Slag Om De Schelde en de bekroonde dramaserie De Joodse Raad, de strijd rond de Zeeuwse eilanden. Die moet eerst in het voordeel van de geallieerde troepen worden beslist, voordat zij kunnen doorstoten naar Berlijn, om Hitlers naziregime definitief te breken. De overwinningsroes die de legertop na de doorbraak in Normandië en de bevrijding van de stad Antwerpen even in z’n greep kreeg, is dan alweer geweken. En ook de bevrijdingskoorts in het bezette Nederland heeft plaats moeten maken voor realisme.

Regisseur Victor D. Ponten verlaat zich bij het reconstrueren van deze geschiedenis op een hybride van docu en drama. Hij laat authentiek archiefmateriaal van de oorlog en fraaie visualisaties van het front, met digitale kaarten en maquettes, samenvloeien met gedramatiseerde scènes, zowel van gewone soldaten aan het front als van de militaire beslissers die op zoek zijn naar een winnende strategie. Een sleutelrol is er voor verteller Gijs Scholten van Aschat, die alle ontwikkelingen vaardig inkadert en van context voorziet en de verschillende verhaalelementen en -lagen met elkaar verbindt.

De opmars van de geallieerden wordt intussen ernstig belemmerd door onenigheid en wedijver binnen de legertop, tussen de relatief onervaren Amerikaanse opperbevelhebber Dwight Eisenhower (Michael Krass) en de eigengereide Britse veldmaarschalk Bernard Montgomery (Martijn Oversteegen). Deze strubbelingen zorgen zelfs weer voor hoop in Berlijn, waar een vertrouwd tierende Adolf Hitler (Mike Reus) het uiterste van zijn generaals en hun manschappen blijft eisen. Misschien, heel misschien, kan een in wezen al verloren oorlog toch nog in Duits voordeel worden beslist. 

Via deze historische figuren en de keuzes die zij onderweg maken concentreert Ponten zich in Het Grote Offensief zo op het macroverhaal van dit onderbelichte stuk Tweede Wereldoorlog – de weerslag daarvan op gewone Zeeuwen komt bijvoorbeeld nauwelijks aan de orde – dat is omgevormd tot een aantrekkelijk vormgegeven geschiedenisles.

Mads Mikkelsen, Devil In The Flesh

Druk / c: Alamy / NTR

Zit hij met onze kloten te spelen? Als de Deense topacteur Mads Mikkelsen aan het begin van Mads Mikkelsen, Devil In The Flesh (53 min.) de vraag krijgt of hij druk voelde toen hij werd benaderd voor de rol van slechterik in de James Bond-film Casino Royale (2006), heeft hij zijn antwoord direct paraat. ‘Het geheim was dat ik nog nooit een Bond-film had gezien’, zegt hij met een stalen gezicht en een subtiel lachje. ‘Ik wist niet hoe groot het was.’

Mads Mikkelsens wortels liggen in een arbeiderswijk van Kopenhagen. Hij brengt er een groot deel van zijn jeugd op straat door, te midden van wat met een gerust hart probleemjongeren mogen worden genoemd. Tegelijkertijd is hij bezeten van film, met Buster Keaton en Bruce Lee als grote helden. Mikkelsen durft er alleen niet van te dromen om zelf acteur of – ik noem maar een dwarsstraat – danser te worden. Toch zal hij eerst carrière maken als danser, alvorens hij ook de acteur in zichzelf ontdekt.

En al die tijd zou Mads Mikkelsen dus nooit dat uit duizenden herkenbare 007-gitaarloopje hebben gehoord. Of: ‘shaken not stirred’. Het is nauwelijks voor te stellen. Bij een volleerde acteur weet je echter nooit of hij het achterste van zijn tong laat zien of juist een loopje met de waarheid neemt. Van imposante rollen in kleine Deense arthousefilms groeit Mikkelsen intussen door naar groots opgezette Hollywood-blockbusters, waarin hij vaak de schurkenrollen krijgt toebedeeld.

Toch blijft hij geregeld terugkeren naar z’n land van oorsprong, voor kleinere films zoals Jagten en Druk waarin hij zijn gehele repertoire als acteur kwijt kan. Zoals de verteller van dit enigszins routineuze tv-portret van Jeanne Burel en Florence Ben Saddoun, dat vooral bestaat uit (archief)interviews, backstagebeelden en filmfragmenten, ’t formuleert: ‘In films uit zijn eigen land speelt hij rollen van kwetsbare en gekwelde mannen. Een groot contrast met de masculiene stereotypen van Hollywood.’

Mikkelsen, Mads Mikkelsen, en regisseurs met wie hij werkte, zoals Nicolas Winding Refn (die in 1996 Mikkelsens debuut Pusher en diverse andere films met de Deense acteur maakte), Dogma 95-pionier Anders Thomas Jensen (die Mikkelsen uitdaagde om zichzelf en zijn eigen mannelijkheid te onderzoeken), Jan Kounen (Coco Chanel & Igor Stravinsky) en Arnaud des Pallières (Michael Kohlhaas) geven daarnaast een voorzichtige blik achter de schermen bij een man met duizend gezichten.

Intussen blijft het antwoord op die ene beginvraag in de lucht hangen: is Mads Mikkelsen zo’n beetje de enige filmfreak ter wereld die voor zijn veertigste nooit een James Bond-film heeft gezien? Of heeft de acteur gewoon last van humor, die je door die vele gezichten toch wat moeilijker herkent? Enkele seconden later meldt hij ook doodleuk dat hij geen auditie heeft gedaan voor de rol van slechterik Le Chiffre. ‘Ze waren zo druk met de Bond-meisjes bezig dat ze geen tijd hadden.’