I Am Vanessa Guillen

Netflix

Al snel valt het niet meer te ontkennen: de vermissing van Vanessa Guillen is geen losstaand incident, maar een logisch gevolg van de toxische cultuur binnen het Amerikaanse leger. Als de twintigjarige soldaat op 22 april 2020 van de legerbasis Fort Hood in Killeen, Texas verdwijnt, komt er een keten van gebeurtenissen op gang: eerst is er de zoektocht naar Vanessa zelf, daarna volgt de hashtag #IAmVanessaGuillen waarmee andere vrouwelijke militairen zich uitspreken tegen seksueel misbruik in het leger en tenslotte worden er pogingen ondernomen om een speciale Vanessa Guillen-wet te laten aannemen in Washington.

In I Am Vanessa Guillen (96 min.) blikt documentairemaker Christy Wegener met Vanessa’s moeder, zussen, verloofde, collega’s en Natalie Khawam, de mediagenieke advocaat van haar familie, terug op de dramatische vermissingszaak. Uit hun verhalen rijst een beeld van de zuidelijke legerbasis als een authentieke ‘good ol’ boys club’, waarbinnen vrouwen zich alleen met kunst- en vliegwerk – of, al dan niet vrijwillige, seksuele dienstverlening – staande kunnen houden. En als een vrouwelijke soldaat, zoals Vanessa Guillen blijkt te hebben gedaan, melding maakt van seksueel misbruik, houden ze zo’n klacht het liefst stevig onder de pet.

Dat is een maatschappelijk relevante kwestie, de film erover is alleen nogal glad, lang en voorspelbaar. De tweede helft van I Am Vanessa Guillen speelt zich voornamelijk af in Washington, waar haar familieleden, ondersteund door Democratische congresleden en senatoren, lobbyen voor een nieuwe wet. Zodat klachten over seksueel geweld niet meer binnen het militaire strafrechtsysteem worden afgehandeld – waar de commandostructuur nog altijd heilig is en een overste zomaar kan beslissen om de gebeurtenissen toe te dekken – maar via een normale gang naar de rechter. Dit gaat echter bepaald niet vanzelf.

‘Het leger was één schandaal verwijderd van echte hervorming’, zegt kolonel Don Christensen, voorzitter van de belangenorganisatie Protect Our Defenders, die van het Amerikaanse leger weer een veilige omgeving wil maken. ‘Vanessa was helaas dat schandaal.’

Spector

Showtime

‘Het was een foutje’, zegt de heer des huizes als politieagenten in zijn privékasteel in het Californische Alhambra een dode vrouw aantreffen. ‘Ik begrijp niet wat er in godsnaam mis is met jullie. De revolver ging per ongeluk af. Oh, God!’ Het is 3 februari 2003, de dag waarop het leven van Phil Spector (1939-2021) definitief een dramatische wending zal nemen. De legendarische producer van The Righteous Brothers, Ike & Tina Turner, The Beatles/John Lennon, Leonard Cohen en The Ramones wordt ingerekend en zal de rest van zijn leven in de gevangenis doorbrengen.

Vijf weken voor de dood van Lana Clarkson gaf de excentrieke kluizenaar Spector (207 min.) nog een onthullend interview aan journalist/biograaf Mick Brown. De tapes daarvan, en Brown zelf, fungeren nu als ruggengraat voor deze vierdelige docuserie van Sheena M. Joyce en Don Argott, waarin ook (voor hem ogenschijnlijk inwisselbare) performers die ooit mochten excelleren op zijn imposante Wall Of Sound, zoals Carol Connors (The Teddy Bears), La La Brooks (The Crystals), Nedra Talley-Ross (The Ronettes) en Darlene Love (The Blossoms), een bijdrage leveren.

Behalve mensen uit Spectors directe (werk)omgeving, waaronder ook zijn dochter Nicole, zoomt deze miniserie met haar moeder Donna en allerlei vrienden tevens in op de vrouw die door hem de dood vindt. Van een zielloos slachtoffer, consequent weggezet als ‘B-film actrice’, wordt Lana Clarkson weer een mens van vlees en bloed. Hetzelfde geldt eigenlijk voor Phil Spector zelf, een man die doorgaans wordt geportretteerd als een geniale en gevaarlijke gek. Joyce en Argott vinden in hem een kwetsbaar en labiel mens, dat al op heel jonge leeftijd ernstig werd beschadigd.

De titel To Know Him Is To Love Him, zijn allereerste hit met de groep The Teddy Bears, blijkt bijvoorbeeld gebaseerd op het grafschrift van zijn vader, die een einde aan zijn leven maakte toen Phil negen was. Net als zijn zus Shirley zou hij zelf de rest van zijn leven kampen met serieuze psychische problemen, zoals paranoia en manische en depressieve perioden, en afhankelijk raken van medicatie. Wanneer hij daarbij begint te drinken, zoals in de periode waarin hij Lana Clarkson min of meer dwong om nog even een drankje bij hem te doen, kan het zomaar he-le-maal fout gaan.

Spector richt zich met name op de moord en de navolgende rechtszaak, waarbij er nog een bijzondere rol is weggelegd voor filmmaker Vikram Jayanti die in deze periode de hele fijne documentaire The Agony And Ecstacy Of Phil Spector (2009) maakte. ‘Ik kan me herinneren dat hij zei dat de rechter niet wilde dat hij muziek zou laten horen of zou praten over zijn muziekcarrière tijdens de rechtszaak, omdat dit niets te maken had met die nacht’, vertelt Jayanti over Phil Spector. ‘Tijdens de rechtszaak dacht hij: als deze mensen mijn muziek maar konden horen, dan zou ik hier niet zitten.’

Het is typisch zo’n verhaal geworden dat louter verliezers kent. ‘Zij wordt nog altijd enorm gemist’, zegt één van Clarksons vrienden geëmotioneerd. Tegelijkertijd vraagt Mick Brown zich in deze genuanceerde, afgewogen en uiteindelijk ook aangrijpende miniserie af: ‘Wordt hij herinnerd vanwege You’ve Lost That Lovin’ Feeling en Be My Baby of voor het vermoorden van Lana Clarkson?’ Volgens Spectors dochter Nicole kunnen we gewoon plezier aan zijn oeuvre blijven beleven. ‘Hij bracht muziek vanuit de hemel in onze wereld’, zegt zij. En: ‘Ik kan alleen zeggen is: to know him is to love him.’

Salvar Al Rey

HBO Max

Don Alfonso de Borbón y Borbón stierf in 1956 op veertienjarige leeftijd. Ruim 65 jaar na dato kunnen enkele oudere Spaanse journalisten nog altijd nauwelijks geloven dat in de berichtgeving over prins Alfonso’s overlijden toentertijd niet de ware toedracht werd vermeld.

‘Dood door tragisch ongeluk’, schreeuwt een krantenkop. ‘Er ging een pistool af bij het schoonmaken’, stelt het bijbehorende artikel. Geen woord over wie de fatale kogel heeft afgevuurd: ‘s mans broer Juan Carlos, de latere koning van Spanje. ‘Dit is heel typisch voor de censuur van de dictatuur’, constateren de journalisten eensgezind. De almachtige generaal Franco hield zulke onwelgevallige berichten stelselmatig onder de pet.

Insiders, kenners en critici buigen zich in de scandaleuze miniserie Salvar Al Rey (Engelse titel: Saving The King, 147 min.) over het turbulente leven van de Spaanse vorst Juan Carlos I. Waarbij opvalt dat de monarch zich graag laat fêteren, nooit te beroerd is om naar een extra zakcentje te vragen en een voorliefde heeft voor mooie, jonge vrouwen. Volgens artikel 56 van de Spaanse grondwet is hij nu eenmaal onschendbaar, de enige persoon die werkelijk boven de wet staat.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat het gedrag van Juan Carlos onbesproken blijft. Tijdens zijn regeerperiode stapelen de schandalen zich op. Als hij de actrice Bárbara Rey tegen het bevallige lijf loopt bijvoorbeeld. Zij begint direct opnamen te maken van hun amoureuze ontmoetingen, die natuurlijk ook hun weg hebben gevonden naar deze miniserie van Santi Acosta. Het betere afperswerk dus. Tegen die tijd is er geen dictator meer die elk gerucht met het nodige machtsvertoon afdekt.

En als Bárbara uit beeld is, verschijnt een andere schone. Corinna Larsen schijnt zelfs 65 miljoen euro over te hebben gehouden aan haar contacten met Juan Carlos. Zo blijft de koning tot na zijn min of meer gedwongen aftreden in 2014 steeds onderwerp van gesprek. Want, inderdaad, zelfs mensen zoals hij komen uiteindelijk niet overal mee weg. Salvar Al Rey is desondanks – althans voor diegenen onder ons die niet in sprookjes wensen te geloven – niets minder dan een demasqué van de monarchie.

Anderen zien waarschijnlijk gewoon iemand die zich als een vorst gedraagt.

Trump: Unprecedented

Discovery+

Tijdens de hoorzittingen van het Amerikaanse congres over de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 werd onlangs een explosieve nieuwe getuige gepresenteerd: documentairemaker Alex Holder. Hij bleek enkele maanden achter de schermen opnamen te hebben gemaakt bij de familie Trump tijdens de presidentscampagne van vader Donald, óók op die ene donkere dag waarop de Amerikaanse democratie dreigde te bezwijken voor intimidatie en geweld. Enkele weken later is er zowaar al de driedelige documentaireserie Trump: Unprecedented (148 min.).

‘President Trump, his family and advisors had no editorial control in the making of this series’, meldt Holder voor de zekerheid aan het begin van elke aflevering. Toch krijgt de Trump-clan (Donald, zijn kinderen Donald Jr., Eric en Ivanka en schoonzoon Jared Kushner) behoorlijk wat ruimte in wat al met al toch een tamelijk traditionele familiekroniek, verteld vanuit de tumultueuze campagne van 2020, is geworden. Waarbij de pater familias zo nu en dan een tablet in de handen krijgt gedrukt, om op beelden of uitspraken van zijn kroost te reageren.

Met kritische vragen valt Holder zijn hoofdpersonen, die hij tevens volgt bij politieke bijeenkomsten, verder niet lastig. Dat laat hij over aan enkele onafhankelijke kenners van de familie, die de mooi weer-verhalen van Donald en z’n kids in perspectief plaatsen. Zo ontstaat een gelaagd portret van het politieke familiebedrijf Trump, op smaak gebracht met een soundtrack die niet geheel toevallig refereert aan zowel House Of Cards als Succession. Het zou de documentairemaker alleen wel hebben gesierd als hij zijn subjecten ook persoonlijk het vuur aan de schenen had gelegd.

Het duurt uiteindelijk tot aflevering drie voordat de serie aanbelandt bij woensdag 6 januari 2021. Dan maakt ook vicepresident Mike Pence, de man die toen tot grote frustratie van de familie Trump de verkiezingsoverwinning van zijn Democratische tegenstrever Joe Biden certificeerde en daarna ternauwernood aan Trumps woedende aanhang kon ontsnappen, ineens zijn opwachting. Niet dat hij ook maar iets wil zeggen over de dag waarop zijn baas, die hij jarenlang door dik en dun heeft verdedigd, hem voor de leeuwen wierp. Net als de leden van het familiebedrijf trouwens.

Dat is een enigszins teleurstellende uitkomst voor een serie die de kijker eigenlijk ‘all access’ heeft beloofd. Zoals Trump: Unprecedented sowieso weinig nieuws heeft te melden over de dag waarop datzelfde bedrijf een vijandige overname van ‘Merica probeerde uit te voeren. Wat rest is een heel aardige zedenschets van een man/merk/familie die maar al te graag wil uitgroeien tot een politieke dynastie. Want of vader Donald zich in 2024 nu wel of niet kandidaat stelt voor het presidentschap, de Trump-clan gaat zich ongetwijfeld nog in de nodige politieke campagnes wagen.

Brian Wilson: Long Promised Road

Hij was de ultieme Beach Boy, maar te verlegen om een meisje aan te spreken. Hij schreef allerlei wereldhits over surfen, maar stond zelf nooit op een plank. En hij werd door de hele wereld, zeker na de elpee Pet Sounds (1966), binnengehaald als een muzikaal genie, maar liep ondertussen helemaal vast in zichzelf.

De verhalen over Brian Wilson, de nucleus van The Beach Boys, zijn dan misschien overbekend, ze spreken nog altijd tot de verbeelding. Zeker als de man zelf, in gesprek met muziekjournalist/vriend Jason Fine, echt een kijkje in zijn binnenste geeft. Interviews geven vindt de getroebleerde muzikant, gediagnosticeerd met een schizoaffectieve stoornis, nog steeds spannend. Daarom gaat hij in Brian Wilson: Long Promised Road (93 min.), een titel die zowaar is ontleend aan een liedje dat werd geschreven door zijn broer Carl, regelmatig gewoon een stukje rijden met Fine.

Samen doen de twee de plekken van zijn verleden aan, luisteren naar muziek en eten een broodje. Tussendoor kletsen ze over zijn grillige carrière, de tijdloze muziek die hij heeft gemaakt en zijn persoonlijk leven, waarin hij door diepe, diepe dalen moest. Wilson vertelt bijvoorbeeld over zijn persoonlijke behandelaar Eugene Landy, die hem eerst tegelijkertijd liet afkicken van sigaretten, drank en cocaïne en vervolgens negen jaar in een therapeutische wurggreep hield. Op een gegeven moment moest Wilson volgens eigen zeggen zelfs van de vloer eten. Geen idee waarom.

De ontspannen setting met Fine als bestuurder/gespreksleider en Wilson als zijn passagier geeft deze film een intiem karakter. Documentairemaker Brent Wilson laat daarnaast Elton John, Bruce Springsteen en andere collega’s de gebruikelijke superlatieven over de begenadigde songschrijver en arrangeur verzorgen. Sterproducer Don Was (Bob Dylan, The Rolling Stones en John Mayer) kan zijn oren bijvoorbeeld nog altijd niet geloven als hij de verschillende geluidssporen van de klassieke song God Only Knows krijgt te horen. ‘Ik maak al veertig jaar platen’, zegt hij bewonderend. ‘En ik heb geen idee hoe je dit zou moeten doen.’

Zet Wilson achter zijn piano of in een studio en er hangt nog altijd magie in de lucht. Zeker als hij heel precies aangeeft bij zijn bandleden hoe hij een bepaald instrument wil horen. Het is alsof dan even zichtbaar wordt wat er in zijn hoofd omgaat. Alsof hij, waar wij in eerste instantie alleen het geheel horen, direct alle afzonderlijke elementen kan waarnemen. En als hij, als bijrijder van Fine, muziek luistert of praat over mensen die hem dierbaar zijn, zijn overleden broers Dennis en Carl bijvoorbeeld, is het alsof hij, via die trekkende mond en sprekende ogen, even recht in zijn ziel laat kijken.

En daar zit echt niet alleen een geniale gek, een droogsurfer of een would-be strandwacht. Als deze fijne film één element toevoegt aan de canon over Brian Wilson, dan is het ‘s mans overduidelijke affectie voor zijn naasten. In dat opzicht is ook de titel van de documentaire, Long Promised Road, een logische keuze. Die krijgt bovendien extra cachet met een fraaie slotscène, waarin Brian zijn broer Carl eer betoont.

Tiger King 2

Netflix

Aan larger than life-personages was er al bepaald geen tekort in het eerste seizoen van de trashy bingehit Tiger King. Allereerst was er natuurlijk Joe Exotic zelf, de flamboyante, homoseksuele, country zingende, licht ontvlambare en altijd aandacht zoekende eigenaar van een privédierentuin in Oklahoma. Tussen het knuffelen met tijgers en leeuwen door zou hij een complot hebben gesmeed om Carole Baskin te laten vermoorden. Deze betweterige dierenrechtenactiviste, ook te zien in The Conservation Game, zou zelf dan weer een schimmige rol hebben gespeeld in de verdwijning van haar echtgenoot Don Lewis in 1997.

Rond dit tweetal had zich een bizarre verzameling typetjes verzameld: de kille Allen Glover werd ingehuurd als huurmoordenaar, maar bleek uiteindelijk toch niet op zijn taak berekend. James Garretson, een corpulente entrepreneur met niet al te veel smaak of ethiek, lapte Joe Exotic erbij en zorgde ervoor dat hij achter slot en grendel belandde. En would be-Hells Angel Jeff Lowe en zijn wulpse vriendin Lauren zouden hem dan weer op lafhartige wijze zijn dierentuin afhandig hebben gemaakt.

In Tiger King 2 (212 min.) wordt er nog een hele stoet andere profiteurs, lowlifes en wannabes aan deze dubieuze sterrencast toegevoegd. Terwijl Carole Baskin deelneemt aan Dancing With The Stars krijgt Joe Exotic bijvoorbeeld plotseling steun van ene Eric Love, een aalgladde cowboy die hij nog nooit heeft ontmoet. Met zijn ‘Team Tiger’ begint Love desondanks druk voor gratie te lobbyen bij president Trump. Hij reist op 6 januari 2021, de dag van de bestorming van het Capitool, zelfs in een speciaal vliegtuig, de ‘Exotic 1’, naar Washington om een handtekening onder Exotics gratieverzoek te krijgen.

Intussen krijgen de drie dochters van Don Lewis in hun zoektocht naar wat er bijna 25 jaar geleden is gebeurd met hun vader spontaan ‘hulp’ van privédetective Jerry Mitchell, internetspeurder Ripper Jack en ‘helderziende detective’ Troy Griffin. Schimmige figuren die vooral een plek in deze ranzige docusoap lijken te willen bemachtigen en die daarin ook alle ruimte krijgen van de makers Eric Goode en Rebecca Chaiklin. John Phillips, de advocaat die de nabestaanden van Lewis bijstaat, is de erven Lewis uiteindelijk toch te mediageil. Nadat hij voor zijn diensten is bedankt, gaat hij dus Joe zelf maar bijstaan – en blijft zijn bijrol in Tiger King verzekerd.

Joe Exotic, die alleen via de gevangenistelefoon kan participeren in de serie, krijgt in dit tweede seizoen zelf overigens serieuze concurrentie: zijn dwarse collega Tim Stark, die zich vreemd genoeg volledig vereenzelvigt met Johnny Cash’s A Boy Named Sue, blijkt al net zo’n meester in het veroorzaken van het soort commotie dat Goode en Chaiklin nodig hebben om weer vijf nieuwe afleveringen te vullen. Waarbij steeds nadrukkelijker de vraag opspeelt of Tiger King de weerslag is van wat er sowieso zou zijn gebeurd in de louche wereld van de grote katachtigen of dat al die spannend bedoelde verwikkelingen, al dan niet met medeweten van de makers, speciaal voor de serie in scène worden gezet.

Toneelstukjes of niet, elke vorm van entertainment, spanning en humor, die van dat eerste Tiger King-seizoen nog een ‘guilty pleasure’ maakte, is uit dit bloedeloze vervolg verdwenen. De bekende verhaallijnen voelen uitgekauwd, het nogmaals afspeuren van doodgelopen sporen levert nauwelijks iets op en de nieuwe intriges willen maar niet beklijven. Dan resteert plat kijkvermaak dat niet eens vermaakt.

De Tiger King-franchise heeft inmiddels ook een echte spin off, die zich volledig concentreert op een kwestieus bijpersonage uit de oorspronkelijke serie, de flamboyante eigenaar van Myrthle Beach Safari en het grote voorbeeld van Joe Exotic: Tiger King: The Doc Mantle Story.

A Perfect Candidate

Misschien droomden ze ervan om de Republikeinse James Carville en George Stephanopoulos te worden. Die hadden twee jaar eerder Bill Clinton het Witte Huis in geholpen en waren zelf via de meeslepende weerslag daarvan, de klassieke campagnedocu The War Room, uitgegroeid tot sterren van de Democratische partij. Seniorstrateeg Mark Goodin en communicatiedirecteur Mark Merritt mikten in 1994 op een senaatszetel voor de Amerikaanse staat Virginia.

Ze moesten een al even omstreden kandidaat in het zadel helpen: luitenant-kolonel Oliver North, de centrale figuur van het zogenaamde Iran-Contra-Schandaal. Namens de Regering Reagan had North halverwege de jaren tachtig clandestien wapens geleverd aan de toenmalige aartsvijand Iran. Met de opbrengst werden vervolgens stiekem rechtse Contra-rebellen in Nicaragua gefinancierd. Zijn baas Ronald Reagan werd er ernstig door in verlegenheid gebracht.

‘Ollie’ ziet enkele jaren later niettemin A Perfect Candidate (105 min.) in zichzelf. Een ideale vertolker van het sentiment van de gewone man. En de beide Marks, Goodin en Merritt, halen alles uit de kast om hem namens Virginia naar Washington te brengen. Daarvoor moeten ze één belangrijke horde nemen: de zittende Democratische senator Chuck Robb, een ideale schoonzoon (van voormalig president Lyndon Baines Johnson, om precies te zijn) die de voorgaande jaren echter onder vuur is komen te liggen vanwege een buitenechtelijke affaire met Miss Virginia en vermeend cocaïnegebruik.

Oliver Norths messcherpe huurwoordenaars ruiken bloed. Hoe kunnen ze in debatten en met vileine campagnespots de traditionele ‘liberal’ Robb definitief vloeren en intussen hun eigen populistische kandidaat het beste positioneren om diens plek te confisqueren? Ze kiezen daarbij voor ‘wedge issues’, thema’s waarover veel verschil van mening is, die opvallend modern aandoen: het behouden van de ‘Confederate Flag’, de vooringenomenheid van de mainstream media (MSM) en een verstikkend maatschappelijk klimaat dat we tegenwoordig ‘woke’ zouden noemen.

Terwijl North enthousiast wordt onthaald in het heartland, over zijn persoonlijke band met de Heer spreekt in een kerk en eens lekker gaat schieten (hij zou later niet voor niets president van de NRA worden) laat ook zijn tegenstrever Robb zich niet onbetuigd: ‘Mijn opponent is een documenten-vernietigende, Grondwet-vertrappende, opperbevelhebber-bashende, Ayatollah-liefhebbende, wapenhandelende, misdadigers beschermende, curriculum-verbeterende, Noriega-knuffelende, Zwitsers bankierende, wetbrekende, zwendelende, egoïstische, tweedehands autoverkoper, die het verschil niet kent tussen de waarheid en een leugen.’

Don Baker ziet het allemaal misprijzend aan. De journalist van The Washington Post fungeert in deze fijne campagnefilm van R.J. Cutler en David Van Taylor uit 1996 als de stem van de rede, een man die met dichtgeknepen neus het politieke theater aanschouwt en becommentarieert. Wellicht voelt hij ook een heel klein beetje compassie met North, die bepaald geen natuurtalent lijkt. Geen politicus bijvoorbeeld die zo klunzig een brok in zijn keel kan veinzen als ‘Ollie’. Voor het duo Goodin en Merritt kan hij niettemin een belangrijk voertuig naar politiek sterrendom zijn.

You Don’t Nomi

De critici waren het erover eens: Showgirls was zonder enige twijfel de slechtste film van 1995. Beloond met een recordaantal van zeven Razzies, de anti-Oscars die jaarlijks worden uitgereikt. Voor onder meer slechtste film, hoofdrolspeler én regisseur. De Nederlander Paul Verhoeven ging zijn Award hoogstpersoonlijk ophalen, als eerste filmmaker in de historie. Hij stak nog nét zijn middelvinger niet op naar alle haters.

25 jaar na de première is het gesprek over die omstreden film, blijkbaar toch niet zo’n waardeloze rolprent, nog altijd niet verstomd. In You Don’t Nomi (91 min.) laat Jeffrey McHale allerlei verschillende lezingen los op de film. Van filmcritici die Showgirls destijds helemaal neersabelden, anderen die er een moderne klassieker inzien, een dichter die eindeloos inspiratie vond in de film en hedendaagse drag queens en andere performers die nog altijd op de planken staan met de bijbehorende musical.

Zij claimen voor Showgirls een eigen plek in de (cult)filmhistorie en plaatsen de beoogde blockbuster ook overtuigend binnen het oeuvre van de provocateur ‘Verhooven’ (die zelf overigens niet aan het woord komt). Als logisch vervolg op zijn Nederlandse periode, via fragmenten van Turks Fruit, Spetters en De Vierde Man. En als culminatie van zijn jaren in Hollywood, het (omgekeerde) uitroepteken achter kaskrakers als Robocop, Total Recall en Basic Instinct. In Showgirls zijn bovendien allerlei motieven en stijlvormen te ontwaren, die ook in zijn vroegere films en later werk als Zwartboek en Elle zijn te herkennen.

Ook de morele kritiek op de film – misogynie en homofobie – klonk Verhoeven-volgers vertrouwd in de oren. Net als de beschuldiging dat hij eigenlijk niet van de vrouwen in zijn films houdt. In dat opzicht maakte hij met Showgirls zijn duidelijkste slachtoffer: actrice Elizabeth Berkley, het voormalige sterretje uit de sitcom Saved By The Bell. Na haar rol als stripper in Showgirls kwam ze nauwelijks meer aan de bak. Afgaande op deze intrigerende documentaire had Berkley kunnen weten wat ze zich op de hals haalde. In de film heet ze niet voor niets Nomi Malone. Nomi. Als in: Know me. No me. Of: No… Me.

‘Wie heeft ‘t bij het rechte eind over Showgirls?’, vraagt Adam Nayman, auteur van het boek It Doesn’t Suck: Showgirls, zich af in deze verplichte film over film, waarbij rechtgeaarde cinefielen hun vingers aflikken. ‘De mensen die het een verschrikkelijk slechte grap vinden? Of degenen die het beschouwen als een onbegrepen meesterwerk?’ Nayman geeft zelf antwoord: Showgirls is een ‘masterpiece of shit’. Waarvan acte.

When We Were Kings

‘Het is passend dat ik eindig zoals ik begon, door een monster te verslaan dat iedereen neerhaalt en niemand kan verslaan’, pocht uitdager Muhammad Ali tijdens één van zijn befaamde persconferenties, ditmaal voor het legendarische gevecht tegen wereldkampioen zwaargewicht boksen George Foreman in 1974. Ali heeft duidelijk een lesje voorbereid en komt al snel lekker op stoom: ‘Ik heb iets nieuws gedaan voor dit gevecht: ik heb geworsteld met een alligator. Gestoeid met een walvis. Ik heb de bliksem handboeien omgedaan en de donder in het gevang gegooid. En vorige week heb ik nog een rots vermoord, een steen verwond en een baksteen het ziekenhuis in geslagen. Ik ben zo gemeen dat ik medicijnen ziek maak.’ Gestaag werkt hij zo toe naar de pointe van zijn rijmpje: ‘Ik ben zó snel. Gisteravond deed ik het licht uit in mijn slaapkamer en lag ik al in bed voordat het donker was!’

‘Ik denk dat Ali bang was’, zegt schrijver Norman Mailer, die een boek schreef over het groots opgezette titelgevecht in Zaïre, aan het begin van de documentaire When We Were Kings (83 min.). ‘En hij wist dat hij alleen maar banger zou worden naarmate het gevecht dichterbij kwam.’ Muhammad Ali is intussen nog altijd bezig met zijn showtje: ‘Weet je hoe George vecht?’ vraagt hij aan de camera terwijl-ie als een dolende zombie door de ruimte paradeert. ‘Ik noem hem de mummie.’ Mailer zorgt opnieuw voor duiding: ‘Met zijn ego kon hij zichzelf wijsmaken dat hij Foreman zou domineren, moeiteloos kon verslaan en voor gek ging zetten.’ Maar stiekem wist ‘The Greatest’ volgens Mailer wel beter. Foreman was een absolute geweldenaar, die eerdere titelpretendenten als Joe Frazier en Ken Norton moeiteloos had verpulverd. ‘The Rumble In The Jungle’, gepresenteerd als de grootste bokspartij aller tijden, zou in zijn ogen Muhammad Ali’s zwanenzang worden, de tragische afgang na een glorieuze bokscarrière.

Filmmaker Leon Gast was er met zijn camera getuige van hoe de twee matadoren de strijd met elkaar aanbonden. Op initiatief van de legendarische bokspromotor Don King vond het gevecht plaats in het Afrikaanse land Zaïre, waar hij 10 miljoen dollar voor de twee boksers los wist te peuteren bij dictator Mobutu. In eerste instantie wilde Gast zich volgens dit artikel uit De Filmkrant in de documentaire vooral richten op het bijbehorende muziekfestival, waarvoor onder anderen James Brown, The Spinners en BB King waren ingevlogen. Het kostte hem echter ruim twintig jaar om zijn film gefinancierd te krijgen. In die tijd wijzigde zijn idee over welk verhaal hij wilde vertellen: de muziek werd niet meer dan een smeermiddel voor de grote tweekamp tussen Ali en Foreman. En dat gevecht, en de aanloop ernaartoe, zou de filmmaker laten zien vanuit de underdog met de véél te grote mond, Muhammad Ali. Voor Foreman had hij niet veel meer dan een positie als afschrikwekkende antiheld in gedachten, een bijrol waarmee de man eigenlijk schromelijk tekort werd gedaan.

Gast sprak voor zijn documentaire niet meer met de twee hoofdpersonen zelf, maar voorzag hun lotgevallen in de voormalige Belgische kolonie Congo van context via interviews met de schrijver George Plimpton, de Afro-Amerikaanse filmregisseur Spike Lee en de lokale kunstenaar Malik Bowens. Die laatste schetst overtuigend hoe Ali zich destijds nadrukkelijk positioneerde als een Afrikaanse bokser en zo de plaatselijke bevolking aan zijn kant kreeg. Dat resulteerde zelfs in een soort strijdkreet: ‘Ali, bomaye!’ (Ali, maak hem af!). Dat die andere bokser ook zwart was en eveneens een product van de gesegregeerde Verenigde Staten, deed er even niet meer toe. Dit zou een gevecht worden tussen goed en kwaad. Muhammad Ali liet zich daarin, tussen het uitdelen en incasseren door, opnieuw van zijn patserigste kant liet zien. Toen Foreman de overhand kreeg, fluisterde de man die natuurlijk al met een alligator had geworsteld hem provocerend toe: ‘George, je stelt me teleur. Je slaat niet hard genoeg.’ Waarna zijn opponent ziedend werd en behalve Ali ook zichzelf helemaal naar de kloten sloeg.

Via de nodige om- en zijwegen werkt Leon Gast, die later nog de documentaire The Trials Of Muhammad Ali (2013) zou produceren, uiteindelijk toe naar de apotheose van het genadeloze man-tegen-man gevecht, de vanzelfsprekende climax van deze klassieke documentaire die met diverse filmprijzen, waaronder een Oscar, werd beloond.