Sans Soleil

Hij neemt haar mee op zijn wereldreis, waarbij ie met name halt houdt in Japan en het Afrikaanse land Guinee-Bissau. En zij verhaalt daar dan weer over in Sans Soleil (100 min.). Wie zij is? Actrice Alexandra Stewart. En hij? Cameraman Sandor Krasna. Dat is een fictief personage. En zij speelt de rol van verteller in de Engelstalige versie van deze experimentele film van Chris Marker, die de teksten, het concept en de montage voor zijn rekening mee heeft genomen. Wie het nog begrijpt – ik eigenlijk niet – moet vooral doorlezen.

Deze Franse ‘documentaire’ uit 1983 is intuïtief, filosofisch, caleidoscopisch, absurd en pretentieus. Sans Soleil laat ons anders naar de wereld kijken of werkt genadeloos op de zenuwen. Of allebei. Misschien zelfs wel tegelijk. Het is op zijn minst een onconventionele film. Zo neemt ‘Sandor’ Theresa, althans haar stem, bijvoorbeeld mee naar een Japanse ‘combinatie van een museum, kapel en seksshop’, waar levensgrote fallussen worden geëxposeerd als heilige relikwieën en even verderop een naakte vrouw wordt omringd door opgezette dieren, in vechtstand of juist in opgewonden staat. En daarbij zit dan een tekst als: ‘Wie zegt dat de tijd alle wonden heelt? Het is beter om te zeggen: de tijd heelt alles, behálve wonden. Door de tijd verliest de pijn van het gescheiden zijn al z’n beperkingen.’

Wie nog niet volledig is ontmoedigd – ik wel een beetje – kan kennismaken met een soort kermisspel, waarbij de speler steeds de kop van poppetjes terug in hun bakje moet slaan. Zij staan voor de directeur van een bedrijf en de andere leidinggevenden. ‘De man die ik filmde en die met jaloersmakende energie de hiërarchie kapot sloeg bekende me dat het spel voor hem zeker niet allegorisch was’, verwoordt Theresa wat Sandor, alias Chris Marker, aan haar, tenminste in de tekst die Marker voor haar schreef, probeerde uit te leggen. ‘Hij dacht heel specifiek aan zijn meerderen. Geen wonder dat de pop die de direct leidinggevende representeert zo vaak en zo hard is geslagen dat ie buiten bedrijf is geraakt en inmiddels is vervangen door een babyzeehondje.’

Voor wie er – zoals ik dus – eigenlijk geen jota van begrijpt, dan maar even wat feitelijke informatie over Sans Soleil, dat hier en daar wordt geschaard onder de beste documentaires aller tijden. Chris Marker, wat overigens weer een pseudoniem was van Christian François Bouche-Villeneuve (1921-2012), schoot zelf documentairemateriaal voor de film, maar maakt in zijn montage ook gretig gebruik van bestaande beelden: filmfragmenten, clips uit Japanse shows en stockbeelden bijvoorbeeld. Daarmee fabriceert hij een onnavolgbaar narratief dat – ik parafraseer nu: – meer vragen oproept dan er waren (VPRO-Gids), een wereldreis representeert van een onzichtbare held die zich in zijn eigen hoofd afspeelt (Mubi) en een verhaal als een muzikale compositie vormt, met terugkerende thema’s, gespiegelde contrapunten en fuga’s (IFFR).

En daarna flapper ik met mijn oren en knik instemmend.

Mi País Imaginario

Cinéart

De ‘stenen van de Cordillera’ worden losgewrikt uit de straten van Santiago, in stukken gegooid op de grond en vervolgens gebruikt als wapen in de strijd met het leger, dat door de Chileense regering diezelfde straten is opgestuurd.

Documentairemaker Patricio Guzmán, al zo’n halve eeuw woonachtig in het buitenland, heeft ‘de eerste vlam’ gemist van de massale protesten in zijn geboorteland Chili. Die is ontstoken op 18 oktober 2019. Daarmee heeft de filmer ongewild een belangrijk advies van zijn vriend en leermeester Chris Marker in de wind geslagen. Toen Guzmán zijn klassieke drieluik La Batalla De Chile (1975-1979) voorbereidde – over hoe zijn land in de jaren zeventig na het afzetten van de linkse leider Salvador Allende in de greep van dictator Augusto Pinochet raakte – zei Marker: ‘Als je een brand wilt filmen, zorg dan dat je van tevoren op de plek bent waar de eerste vlam ontstaat.’

Patricio Guzmán, een kind van de studentenprotesten van 1973, is nu meer dan een jaar te laat. Zijn land staat allang in vuur en vlam en zou zomaar kunnen afstevenen op een burgeroorlog. De directe aanleiding? Een forse prijsstijging van metrokaartjes. ‘Nooit had ik verwacht dat dit de vonk zou zijn die het land in lichterlaaie zou zetten’, stelt Guzmán in één van de persoonlijke voice-overs, waarmee hij deze revival van de strijdbaarheid van zijn eigen jeugd, en de repressie die daarop volgt, in deze film structureert. Mi País Imaginario (83 min.) is zijn antwoord op de vraag hoe het zover heeft kunnen komen én hoe het nu verder moet.

Guzmán gaat daarvoor te rade bij (veelal jonge) Chileense vrouwen, die in hun eigen leven ondervinden waar het overheidsbeleid tekort schiet en tevens kunnen verhalen over het navolgende geweld. Dat lijkt zich soms specifiek op hulpverleners en verslagleggers te richten. Zo vertelt een idealistische EHBO’er bijvoorbeeld over hoe geschokt ze is door het expliciete geweld en laat een jonge fotografe haar beschadigde oog (!) zien. De filmmaker bekijkt met de strijdbare vrouwen ook hoe het verder moet in het land dat hen allen, ondanks alles, zo dierbaar is. Te beginnen met een nieuwe grondwet, die meer recht doet aan wat gewone Chilenen nodig hebben.

‘Deze stenen vormen nu de fundamenten van een nieuw huis’, concludeert Patricio Guzmán hoopvol, als hij aan het eind van zijn impressie van de volgende Chileense revolutie weer bij de ‘stenen van de Cordillera’ belandt, ‘waarin Chili zijn ramen wijd open zal zetten om de lucht te laten circuleren.’

American Movie

Mark Borchardt (l) en Mike Schank (r)

Zijn hele omgeving moet eraan geloven. Mark Borchardt gaat een film maken. En daarbij kan de Amerikaanse slacker iedereen gebruiken: als acteur, crewlid, figurant óf (kleine) financier. Oom Bill bijvoorbeeld. Die zit alleen nogal op zijn centen. Als iemand hem kan overtuigen om tóch een serieuze donatie te doen, dan is het echter Mark. ‘Je komt op de aftiteling te staan als producer’, zegt de wannabe-filmmaker enthousiast, nadat hij zijn oom ook al lekker heeft proberen te maken met een fles rode wijn. Volgens zijn broer Alex kan Mark praten als Brugman. Erg veel fiducie heeft hij echter niet in diens filmcarrière. ‘Hij kan het beste in een fabriek gaan werken.’

Voor hun American Movie (102 min.) uit 1999 volgen Chris Smith en Sarah Price de gedreven filmfreak gedurende enkele jaren terwijl hij zijn pièce de résistance, een no-budget horrorfilm genaamd Northwestern, van de grond probeert te krijgen. Intussen ligt er ook nog een kleinere productie, Coven, om af te ronden. Borchardt laat zich niet uit het veld slaan door alle tegenslag, het gebrek aan geld en de openlijke twijfel vanuit zijn directe omgeving die het jarenlange productieproces begeleiden. Hij richt zich op de kleine geneugten van het filmbestaan. Een begraafplaats bijvoorbeeld, en de mensen die er liggen, als perfecte setting voor een geweldige scène. ‘Eerlijk gezegd dacht ik vroeger dat hij een stalker of seriemoordenaar zou worden’, bekent zijn broer Alex.

Via hun protagonist, die er ook nog drie kleine kinderen op na blijkt te houden en de kost verdient met stofzuigen bij een uitvaartcentrum, portretteren Smith en Price een kleine morsige gemeenschap in Milwaukee, Wisconsin, waarvan de leden met gemak kunnen worden weggezet als een stelletje losers. Neem bijvoorbeeld Marks jeugdvriend Mike Schank. ‘Als je aan de loterij meedoet, win je de ene keer en verlies je de andere keer’, vertelt de enigszins wereldvreemde ‘stoner kid’, die tevens de soundtrack voor deze documentaire heeft verzorgd en door zijn bijdrage aan American Movie een soort cultstatus zal krijgen. ‘Het is echter beter dan drugs of alcohol. Zeker drugs.’ Hij lacht ontwapenend. ‘Dan verlies je altijd.’

Op hun eigen manier leven Borchardt en Schank hun eigen gemankeerde versie van de ‘American dream’. De één weigert een reguliere baan te nemen en blijft compromisloos in zijn eigen droom geloven (hoe provisorisch die ook in leven moet worden gehouden) en de ander steunt hem door dik en dun, zoals een echte vriend doet. Deze cultfilm, die er op het Sundance Film Festival van 1999 met de Grand Jury Prize vandoor ging, wordt daardoor een tragikomisch eerbetoon aan de spreekwoordelijke ‘loser’ die, waarschijnlijk zonder dat hij ‘t zelf doorheeft, subiet ieders hart steelt.

Pearl Jam Twenty

Voordat Pearl Jam kon ontstaan ‘moest’ eerst Mother Love Bone ter ziele gaan. Om precies te zijn: zanger Andrew Wood. Hij bezweek aan een drugsverslaving. ‘Dat was de dood van de onschuld van de plaatselijke scene’, zegt Chris Cornell, de latere frontman van een andere rockband uit Seattle, Soundgarden, terwijl hij zijn tranen probeert weg te slikken. ‘Niet de dood van Kurt Cobain, die enkele jaren later de hand aan zichzelf sloeg.’ De beelden van Wood in een ziekenhuisbed, in leven gehouden met allerlei apparatuur, zouden niet alleen Cornell, die in 2017 een einde aan zijn leven maakte, altijd bijblijven.

Het overlijden van Andy Wood noopte de andere leden van Mother Love Bone om een nieuwe groep te beginnen: Pearl Jam. Samen met Soundgarden en Cobains Nirvana zou die zich ontwikkelen tot de vaandeldrager van grunge. Pearl Jam moest daarvoor eerst nog wel een nieuwe zanger rekruteren: een verlegen jongen uit San Diego met een machtige stem, Eddie Vedder. De rest is rockgeschiedenis. En die wordt in Pearl Jam Twenty (119 min.) door Cameron Crowe, een voormalige popjournalist die halverwege de jaren tachtig in Seattle kwam wonen en de bandleden ooit nog liet opdraven in zijn speelfilm Singles (1992), uitgeserveerd met een overload aan nieuwe en oude interviews, videoclips en opwindende concertbeelden.

Het klassieke optreden van de band op het Pinkpop-festival in 1992, waarbij Vedder van aanzienlijke hoogte in het uitzinnige publiek springt, krijgt daarbij bijvoorbeeld alle ruimte. Pearl Jams verleden is sowieso uitstekend gedocumenteerd. Dit bandportret uit 2011, gemaakt ter gelegenheid van het twintigjarige bestaan, bevat zelfs beelden van de tweede show van het Amerikaanse vijftal. En ook het catastrofale optreden op Roskilde in 2000, waarbij negen fans worden verdrukt en om het leven komen, mag natuurlijk niet ontbreken. Die dramatische gebeurtenis fungeert als breuklijn in de bandhistorie en deze boeiende weerslag daarvan.

Daarvóór kon Pearl Jam met enige goede wil nog worden beschouwd als een toonaangevende band, die mede richting gaf aan de laatste tien jaar van de twintigste eeuw en die in vrijwel elk land – men neme in Nederland bijvoorbeeld Kane – zijn eigen gladgestreken kloon kreeg. Daarná werd de groep, op eigen voorwaarden, definitief onderdeel van de gevestigde orde. Een onvervalste rockdinosaurus, zo’n band die tegenwoordig ook wel met de kwalificatie ‘dadrock’ wordt opgezadeld. Tegen die tijd hadden Eddie Vedder en de zijnen echter allang hun allergrootste problemen met beroemd zijn achter de rug – of hun eigen manier gevonden om daarmee om te gaan.

Ruim tien jaar zijn sindsdien alweer verstreken. Pearl Jam is inmiddels dik dertig, draait nog altijd mee in de popwereld en weet daarmee ook nog steeds een aanzienlijk publiek aan zich te binden. Dat galmt dat ze nog steeds Alive zijn. Of heerlijk zwelgt in Black.

George Carlin’s American Dream

HBO

Zijn haar was langer geworden, hij had zijn baard laten staan en uit zijn mond kwam ineens subversieve humor, maatschappijkritiek en schuttingtaal. Eind jaren zestig draaide George Carlin (1937-2008) zijn carrière als salonfähige tv-ster rigoureus de nek om. De New Yorkse stand-upcomedian begon te zeggen wat hij écht op zijn lever had en werd zo een controversieel uitgangbord van de tegencultuur. Volgens Stephen Colbert ontwikkelde Carlin zich tot niets minder dan ‘the Beatles van comedy’. En toen moest hij nog beginnen met cocaïne….

Die voorliefde voor coke werd op een gegeven moment wel een probleem in Huize Carlin, vertelt zijn dochter Kelly in het tweedelige portret George Carlin’s American Dream (217 min.) van Judd Apatow en Michael Bonfiglio. Zeker omdat haar moeder Brenda tegelijkertijd een fikse alcoholverslaving had opgebouwd. Tegen de tijd dat alles weer min of meer onder controle werd Carlin bovendien alweer beschouwd als ‘yesterday’s news’, een relikwie van de swingende jaren zestig. Het zou hem vele jaren – en enkele hartaanvallen – kosten voordat hij weer op de bok zat.

Dat welbekende verhaal van opkomst, ondergang en wederopstanding van een gevierde held wordt hier opgedist met oude interviews met de man zelf, zijn veelvuldige bezoekjes aan talkshows en – natuurlijk – talloze bikkelharde, scherpzinnige en grappige fragmenten uit zijn shows. ‘s Mans broer Patrick, jeugdvriend Randy Jurgensen, enkele vaste medewerkers en collega’s zoals Jerry Seinfeld, Chris Rock, Bette Midler, Kevin Smith, Patton Oswalt en Jon Stewart zetten de vertelling luister bij met persoonlijke herinneringen, fijne observaties en kostelijke anekdotes.

Rechttoe rechtaan – maar daarmee niet minder doeltreffend – schetsen Apatow en Bonfiglio hoe Carlin zichzelf steeds opnieuw uitvindt als comedian en uiteindelijk een tamelijk donkere afslag neemt. Hij gaat steeds feller tekeer tegen alles en iedereen, de kerk en conservatieve politici in het bijzonder. Een vlijmscherpe man, moe van de mens, maar desondanks altijd op zoek naar een diepere waarheid. ‘Ze zeggen soms tegen mij: jij probeert mensen aan het denken te zetten’, vertelde hij daar zelf eens over. ‘En dan zeg ik: nee, dat zou de dood in de pot zijn. Ik laat ze zien dat ík denk.’

Een kleine vijftien jaar na zijn dood staat George Carlins zwartgeblakerde visie op Amerika nog steeds recht overeind, getuige een urgente slotsequentie waarin zijn genadeloze ‘rants’ over het land van de hoop en dromen perfect blijken te matchen met actuele nieuwsgebeurtenissen. ‘Het wordt de Amerikaanse Droom genoemd’, sneert die welbekende messcherpe stem, terwijl de film maar een climax toewerkt. ‘Want je moet wel flink zitten te slapen om hem te kunnen geloven.’

Rockfield: The Studio On The Farm

‘Ik herinner me er eerlijk gezegd helemaal niets van’, zegt Liam Gallagher (Oasis), als de eeuwige puber die hij nu eenmaal is, aan het begin van de heerlijke documentaire Rockfield: The Studio On The Farm (92 min.). Zijn band nam nochtans z’n sleutelabums Definitely Maybe en (What’s The Story) Morning Glory op in de plattelandsstudio van de Welshe broers Kingsley en Charles Ward. Zij bouwden het boerenbedrijf van hun familie eind jaren zestig om tot een opnamestudio, waar artiesten tevens, ver weg van het stadse leven, konden verblijven. 

‘Dus je hebt muzikanten genomen als vervangers van de varkens?’ grapt Robert Plant, die zichzelf er na het uiteenvallen van zijn band Led Zeppelin opnieuw uitvond als soloartiest, tegen de aandoenlijke Kingsley. Die moet daar smakelijk om lachen. Zijn broer Charles zou nog tot 1975 gewoon koeien blijven melken op de plek die al snel een populaire studio werd. Op een goede dag kon je er zien hoe Freddie Mercury in een stal de laatste hand legde aan Bohemian Rhapsody, Iggy Pop en David Bowie op het erf rondzwierven, The Stone Roses dertien maanden lang (!) werkten aan een album, de gebroeders Gallagher op de vuist gingen of, dat ook, een koe kalverde.

Hele generaties Britse bands streken in de afgelopen halve eeuw neer bij Rockfield in Wales, werkten er aan hun beste platen en vertellen er nu met zichtbaar plezier over in deze vlotte, grappige en liefdevolle documentaire. En regisseur Hannah Berryman verluchtigt de herinneringen van Ozzy Osbourne (Black Sabbath), Dave Brock (Hawkwind, met destijds nog Motorheads boegbeeld Lemmy Kilmister in de gelederen), Jim Kerr (Simple Minds), Tim Burgess (The Charlatans), Martin Carr (The Boo Radleys), James Dean Bradfield (Manic Street Preachers) en Chris Martin (Coldplay) met videoclips, hartstikke geinige animaties en beelden van de idyllische omgeving. Daarmee vervolmaakt zij deze fijne film over een kostelijk stukje popgeschiedenis op het platteland.

Bad Vegan: Fame. Fraude. Fugitives.

Netflix

Het adagio ‘Good women love bad men’ begint zowaar een eigen plekje te claimen binnen de overvloed aan true crime-documentaire(serie)s. Een jonge, aantrekkelijke vrouw van de wereld (in dit geval: Sarma Melngailis, eigenaresse van het trendy veganistische restaurant Pure Food And Wine in New York) valt halsoverkop voor een mysterieuze kerel (de geheimagent ‘Shane Fox’) en wordt daarna helemaal leeggeschud door hem (een oplichter die in werkelijkheid Anthony Strangis blijkt te heten).

En net als in pak ‘m beet The Tinder Swindler, Love Fraud en The Puppet Master wordt de charade grotendeels verteld vanuit het perspectief van het toch wel erg naïeve slachtoffer, dat zich in de luren laat leggen door de belofte van een leven van overdadige liefde, luxe en, jawel, onsterfelijkheid. Voor haar hond Leon, welteverstaan. Want het ontluisterende proces dat de hoofdpersoon aan het eind ontredderd en berooid zal achterlaten, is ditmaal behalve met kolder over mysterieuze CIA-missies ook omkleed met een totaal bizar new age-verhaal (dat verder nauwelijks begrijpelijk wordt gemaakt).

In de vierdelige docuserie Bad Vegan: Fame. Fraude. Fugitives. (209 min ) pelt Chris Smith die pijnlijke geschiedenis helemaal af met Sarma en haar familie, medewerkers, investeerders en kennissen. Stuk voor stuk kregen ze te maken met de nieuwe man in haar leven, die dat al snel helemaal begon te ontregelen. Met lede ogen moesten ze aanzien hoe Sarma in zijn kielzog alles achter zich liet, inclusief een berg schulden. En daarmee joeg ze meteen haar directe omgeving tegen zich in het harnas, want ook die had zich laten verleiden of dwingen om diep in de buidel te tasten.

Het tweetal zou uiteindelijk tegen de lamp lopen door het bestellen van een pizza in Tennessee. En dat kwam met name Sarma, de bekendste van dit Bonnie & Clyde-achtige duo, op publieke hoon te staan. Zij, de veganistische restauranthouder, de vrouw van het ‘raw food’, was dus blijkbaar toch overstag gegaan voor zoiets banaals als fastfood. De werkelijkheid bleek, natuurlijk, genuanceerder. In meerdere opzichten overigens. En dat probeert Smith eveneens te vangen in deze miniserie, die daarmee tóch geen carbon kopie van al die andere man-kleedt-vrouw(en)-uit producties wordt.

Daar lijkt het alleen behoorlijk lang wél op. Bijna drie uur oogt Bad Vegan, ondanks enkele ingenieuze verhaalvondsten, als het eendimensionale relaas van een ‘good woman’ die er bijna om vraagt om te worden bedrogen door die ‘bad man’, vervolgens inderdaad gigantisch wordt belazerd en zich tenslotte zelfs, als het vleesgeworden Stockholm-Syndroom, ontwikkelt tot een handlanger van de kerel die haar leven kapotmaakt. Al zou ook in dit geval, getuige de twijfel die Chris Smith aan het eind van de miniserie zaait, niets kunnen zijn wat het lijkt. Of juist wel, natuurlijk.

Mrs. F.

Filmboekers

Nadat ze met een aantal vrouwen een zeer uitgesproken straatperformance heeft gegeven op een volgepakt plein in de Nigeriaanse metropool Lagos, neemt Ifeoma Fafunwa een Über-taxi naar de nabijgelegen sloppenwijk Makoko. De chauffeur wil weten wat ze gaat doen in dat ‘getto’. Fafunwa steekt haar vaste riedel maar weer af: als theaterregisseur zet ze zich in voor sociale verandering, via een emancipatieproject voor Nigeriaanse vrouwen. ‘Ik hoop dat u succes hebt want hier werkt het niet zo’, reageert de man achter het stuur sceptisch. ‘De mannen bepalen alles.’

Wat nu, vraagt Ifeoma Fafunwa hem even later, wanneer hij als getrouwde man er een vriendin op na zou houden? ‘Dan zou ik moeten smeken, wat cadeautjes voor haar kopen.’ Tot een breuk zou het echter niet leiden volgens hem. En wat nu, vraagt zij door, als zijn echtgenote een buitenechtelijke relatie zou hebben? ‘Dat is niet toegestaan’, zegt de man direct. ‘Een vrouw mag geen verhouding hebben.’ Dat is hypocriet, constateert zij. ‘De dingen zullen blijven zoals ze zijn’, meent de chauffeur. ‘En dat vindt iedereen prima.’ Fafunwa doet er verder maar het zwijgen toe.

De missie en positie van Mrs. F. (78 min.) zijn meet af aan glashelder in deze documentaire van Chris van der Vorm. In de drijvende sloppenwijk Makoko, die oogt als een Afrikaanse variant op Volendam, moet Ifeaoma Fafunwa ook eerst goedkeuring gaan vragen voor haar plannen. Aan de dorpsoudsten. Mannen, natuurlijk. Die ook nog wat geschenken verwachten. En dan kan de theatermaakster eindelijk met plaatselijke meisjes en vrouwen aan de slag voor de voorstelling Mi Setonu!. Daarvoor laat ze, tot irritatie van enkele vissers, een groot drijvend platform laat bouwen in de haven.

Tijdens de uitvoering voor hun eigen gemeenschap krijgen de vrouwen de kans om zich uit te spreken over hun benarde positie en het seksuele geweld dat ze krijgen te verduren. Van der Vorm volgt hen tijdens de repetities voor deze spannende onderneming, vereeuwigt hun leefomgeving met fraaie (drone)shots en begeleidt dit geheel met gracieuze klassieke muziek. Zo tekent zich een wereld af waarin vrouwen – als partner, moeder of seksobject – volledig ondergeschikt zijn aan mannen, die zich daarbij altijd kunnen beroepen op hun geloof. God heeft het nu eenmaal zo gewild.

Fafunwa probeert een emancipatieproces in gang te zetten. Allereerst bij de vrouwen zelf. En daarna, via hen, ook bij de mannen. Die blijken vaak best bereid om lippendienst te bewijzen aan haar ideaal, maar of ze hun kijk op het andere geslacht ook echt kunnen en willen bijstellen?

Dream Team: Birth Of The Modern Athlete

Paramount

Ze kwamen, zagen en overwonnen. Daar zit dus niet het verhaal van Dream Team: Birth Of The Modern Athlete (205 min.), een vijfdelige serie over de Amerikaanse basketbalploeg die in 1992 een gouden medaille won op de Olympische Spelen van Barcelona. Die eerste plaats stond op voorhand al min of meer vast.

Voor de eerste keer vaardigden de Verenigde Staten de grote sterren van de NBA af. Het zou een kleine schande zijn geweest als Michael Jordan, Earvin ‘Magic’ Johnson, Larry Bird en de negen andere helden van het Amerikaanse basketbal níet hadden gewonnen. Deze productie van de broers Emmett en Brendan Malloy richt zich dan ook vooral op de dynamiek binnen het team: de rivaliteit bijvoorbeeld tussen de oude heerser van de NBA, Magic Johnson, en de nieuwe troonpretendent, Michael ‘Air’ Jordan. Als twee metershoge alfamannetjes bekampen ze elkaar en stuwen zo het team naar eenzame hoogte 

De Malloys baseren hun vertelling op het boek Dream Team van Jack McCallum. Hij bewaarde bovendien audio-opnamen van zijn gesprekken met de leden van de droomploeg, die nu voor het eerst zijn te horen. Deze quotes worden aangevuld met wedstrijdbeelden, achter de schermen-materiaal en actuele interviews met de dreamteamers Magic Johnson, Patrick Ewing, David Robinson en Chris Mullin, aangevuld door enkele insiders. Zij geven heel aardige inkijkjes bij de wonderploeg. Zo besluit Jordan bijvoorbeeld de nacht voor de Olympische finale door te halen voor een spelletje kaart. En de dag van de gouden wedstrijd brengt de sterspeler freewheelend door in het Olympisch stadion en op de golfbaan.

Als ook de laatste tegenstander in Barcelona moeiteloos is verslagen – aan het eind van aflevering 3 al – wacht de prijsuitreiking, waarbij diezelfde Jordan voor een controverse zal zorgen die de totale vercommercialisering van de sport illustreert. Van slachtoffers van (latent) racisme zijn de grote sterren van de NBA in de voorgaande jaren uitgegroeid tot eigen merken, die in de hele wereld weerklank vinden en te gelde kunnen worden gemaakt. Met deze insteek kiest Dream Team slim positie tussen Shut Up And Dribble, de politiek geladen docuserie over de Afro-Amerikaanse basketbalhistorie, en The Last Dance, een meeslepende reeks over het ultieme winnaarstype Michael Jordan en zijn team The Chicago Bulls.

Alleen de laatste episode, over de erfenis van het Dream Team voor het internationale basketbal, voelt wel heel nadrukkelijk als een langgerekte epiloog. De broers Malloy drijven dan erg ver af van hun hoofdrolspelers en het vuur dat hun sport drijft. Als geheel schetst deze serie, over een selecte groep goudhaantjes die alle na-ijver moeten laten varen om samen de wereld te veroveren, echter een treffend beeld van een scharnierpunt in het moderne basketbal.

Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy

Prime Video

In de nasleep van de Rodney King-rellen in Los Angeles startte Guy Torry begin jaren negentig een speciale avond met louter zwarte comedians in The Comedy Story. Dat podium zou een springplank worden voor een nieuwe generatie Afro Amerikaanse stemmen, zoals Martin Lawrence, Chris Tucker en Kevin Hart.

In de driedelige serie Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy (158 min.) kijkt Reginald Hudlin met de fine fleur van de Amerikaanse stand-upcomedy terug op die glorieperiode. ‘Guy stuurde een groep jonge, zwarte professionals aan’, vertelt comedian Dave Chappelle bijvoorbeeld. ‘Er zaten wat gangsterrappers bij, maar het was een eclectisch gezelschap. Zoals het leven van zwarte Amerikanen ook divers is. Het was geen eenheidsworst. De één was naar Harvard geweest, een ander naar de gevangenis.’

Phat Tuesday was voor hen een vuurdoop, vertellen entertainers als Steve Harvey, Tiffany Haddish, Cedric The Entertainer, Snoop Dogg en Regina King. Want Will Smith, Magic Johnson of Prince konden zomaar in de zaal zitten. En een zwart publiek is sowieso geen gedwee publiek. Een beleefd applaus hoef je als halfbakken grappenmaker niet te verwachten. Als het hen niet bevalt, laten ze dit op niet mis te verstane wijze merken. Ze beginnen misprijzend te kijken, draaien zich demonstratief van je af of roepen iets in de trant van: ‘Heb je ook nog wat leuks, gast?’

In de kantlijn worden er af en toe ook min of meer serieuze thema’s behandeld – seksisme, transcomedians en ‘bomben’, de plank helemaal misslaan, bijvoorbeeld – maar deze miniserie is eerst en vooral een ongegeneerde viering van de zwarte humor. Met veel sterke verhalen, popi jopi-gedrag en snelle grappen.

The Bee Gees: How Can You Mend A Broken Heart

Barry Gibb, 75 jaar inmiddels, is de laatste der Bee Gees. De andere twee broers, de tweeling Robin en Maurice, zijn al enige tijd overleden. Met de soundtrack voor de film Saturday Night Fever maakten ze in 1977 het best verkochte album aller tijden. Totdat Michael Jackson hen met Thriller van de troon stootte. Hun muziek leeft echter voort, zoals dat dan zo mooi heet.

Frank Marshall stoft de roerige geschiedenis van de drie gebroeders vakkundig af in The Bee Gees: How Can You Mend A Broken Heart (111 min.). Via interviews met Barry, oude vraaggesprekken met zijn broers, herinneringen van intimi en de verplichte loftuitingen van collega’s (zoals Eric Clapton, Noel Gallagher, Chris Martin en Justin Timberlake; hun bijdragen passen overigens zo in dit hilarische Twitterdraadje) tekent hij hun opkomst, ondergang én wederopstanding op.

Het verhaal moge bekend zijn: hoe de Gibb-broers in de sixties, als een soort Australische surrogaat-Beatles, eerst uiterst succesvol werden, vervolgens ernstig gebrouilleerd raakten en daarna, via het ontdekken van hun eigen falsetstem, de weg omhoog terugvonden in de hoogtijdagen van disco. Met kneiterhits als Stayin’ Alive, How Deep Is Your Love en Night Fever als gevolg – en een positie als pispaal voor alle discohaters.

Intussen raakte hun jongere broer Andy Gibb, die op eigen kracht een tieneridool was geworden, steeds verder in de problemen en begonnen de Bee Gees zich toe te leggen op het produceren van collega’s als Barbra Streisand, Diana Ross en Celine Dion. Totdat de tijd hen definitief inhaalde. Het is een tamelijk stereotiep popverhaal, dat nochtans met veel plezier wordt verteld en natuurlijk helemaal is volgestort met hits.

Myth & Mogul: John DeLorean

Netflix

‘Als je een tijdmachine wilt maken van een auto, dan kun je ‘t maar het beste in stijl doen, niet?’ zegt uitvinder Doc Brown tegen de blitse tiener Marty McFly, gespeeld door Michael J. Fox, in de klassieke speelfilm Back To The Future (1985). Samen gaan ze met de DeLorean, verrijkt met een door Brown ontworpen ‘Flux Capacitor’, terug in de tijd reizen.

Een beter uithangbord kon een nieuwe autofabrikant zich natuurlijk niet wensen. John DeLorean, bedenker en naamgever van het übercoole voertuig, wreef zich ongetwijfeld in de handen: zijn jongensdroom, een eigen sportauto, werd nu definitief onderdeel van de populaire cultuur. En hij, de voormalige ingenieur van General Motors in Detroit, kon intussen doorgaan voor een absolute topondernemer.

‘s Mans luchtfietserij was echter voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door Brits overheidsgeld. Daarom vestigde DeLorean zijn fabriek eind jaren zeventig ook in West-Belfast, waar het Noord-Ierse conflict niet alleen voor doden en gewonden, maar ook voor enorme werkeloosheid had gezorgd. In de autofabriek kwam een aparte ingang voor katholieken en protestanten, die voor het eerst gezamenlijk aan één product gingen werken. Maar of die droom werkelijk levensvatbaar was?

In de gedegen driedelige serie Myth & Mogul: John DeLorean (132 min.) ontrukt documentairemaker Mike Connolly de man en zijn verhaal aan de vergetelheid. De Messiaanse autofabrikant – ziener of toch charlatan? – werd al eerder geportretteerd in een documentaire, DeLorean (1981) van het legendarische direct cinema-duo D.A. Pennebaker en Chris Hegedus. Toen werd hij nog beschouwd als de Elon Musk van zijn tijd. Veertig jaar later is er van dat blitse imago weinig meer over.

Samen met zijn zoon Zach en ex-vrouw Cristina en lieden die gedurende zijn turbulente levenswandel z’n pad kruisten, zoals schrijfster Gail Sheehy, journalist Jeremy Paxman en politicus Michael Heseltine, schetst Connolly de opkomst en (onvermijdelijke) ondergang van de man die zich rustig van slinkse methoden bediende om zijn eigen droom te kunnen verwezenlijken.

Chris The Swiss

Zijn ontzielde lichaam werd op 7 januari 1992 aangetroffen in het Kroatische stadje Karlovac, gesneuveld tijdens de oorlog in het voormalige Joegoslavië. Christian Würtenberg, een gewone Zwitserse jongen. Journalist. Avonturier. En, volgens sommigen, een moedig man. ‘Het was een zelfmoordmissie’, stelt zijn broer Michael. ‘Geen enkele foto, geen enkele zin, niets is het waard om je leven voor te wagen. Geen enkel verhaal is reden genoeg om te sterven.’

De nicht van Chris The Swiss (90 min.), regisseur Anja Kofmel, wil weten wat Christian dreef en reist hem ruim twintig jaar later achterna. Intussen spreekt ze met zijn plaatselijke fixer, andere oorlogsjournalisten en huurlingen. Wat ze via hen te weten komt, verwerkt Kofmel in stemmige zwartwit-animaties die de laatste levensdagen van haar neef, zijn gemoedstoestand en de Joegoslavische burgeroorlog in het algemeen verbeelden. Dat is geen vrolijk stemmend verhaal.

Anja Kofmel is vooral benieuwd naar de onverwachte afslag die Christian in zijn laatste levensfase heeft genomen. In hoeverre zet die alles op zijn kop? vraagt de Zwitserse filmmaakster zich af. Of sluit deze wending juist aan bij de activiteiten die haar neef eerder heeft ontplooid in Zuid-Afrika? De beruchte terrorist Carlos de Jakhals noemt ‘Chris The Swiss’ in elk geval een dubbelagent. Vaststaat dat hij steeds verder is afgedaald in de hel die oorlog is. Totdat de dood erop volgde.

Deze overtuigende hybride van (ego)documentaire en animatiefilm uit 2018 zet dat drama goed in de verf en verdwaalt met hem in het morele mijnenveld van de Joegoslavische burgeroorlog, waarbinnen niets hoeft te zijn wat het ooit was of nu lijkt.

I, Sniper

Vice

‘Je hebt het gevoel dat je de families in de steek hebt gelaten.’ Steve Bailey veegt zijn tranen weg. De Amerikaanse agent heeft destijds de auto van het tweetal, met de spotter achter het stuur en zijn scherpschutter in de achterbak, staande gehouden, maar had niet door wie hij voor zich had. Uiteindelijk liet hij ze toch weer verder rijden. ‘We hadden ze’, constateert Bailey geëmotioneerd. ‘Mijn fout.’

De volstrekte willekeur van de moorden maakte het een stuk lastiger om hen in de kraag te grijpen. Natuurlijk, ze hadden een motief. Vooral hij, de 41-jarige Golfoorlog-veteraan John Muhammad. Lee Malvo, de Jamaicaanse tiener die daadwerkelijk de trekker overhaalde, was niet meer dan een werktuig. De dodelijke slachtoffers die ze samen maakten hadden feitelijk maar één ding gemeen: ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plek.

In het najaar van 2002, ruim een jaar na de aanslagen van 11 september 2001 en enkele maanden voor de Amerikaanse inval in Irak, begon het duivelse duo aan zijn beulswerk. Ze zouden uiteindelijk een hele serie dodelijke slachtoffers maken in de omgeving van Washington. Gewone, volstrekt onschuldige mensen. Op laffe wijze afgemaakt. Tankend bij het benzinestation. Zittend voor hun eigen huis. Of rustig het gras maaiend. Vermoord omdat Muhammad zijn woede op de wereld moest koelen en de outcast Malvo als was in diens handen was.

Vanuit de Red Onion State Prison te Virginia doet die laatste nu, via gesprekken met de gevangenistelefoon van maximaal een kwartier, zijn relaas in I, Sniper (308 min.). Daartegenover staan de huiveringwekkende verhalen van overlevenden, nabestaanden en politiemensen die jacht op hen maakten. De filmmakers, onder leiding van regisseur Ursula MacFarlane, hebben zich bovendien toegang verschaft tot ex-geliefden, familieleden en vrienden van het moordduo. Zij kunnen van binnenuit hun totale ontsporing duiden.

Deze achtdelige documentaireserie schetst hoe de terreurcampagne van Muhammad en Malvo huishoudt in de betrokken gemeenschap. Er ontstaat bijvoorbeeld een massale klopjacht op een man uit het Midden-Oosten en een kleine witte truck, terwijl de verdachten in werkelijkheid zwart waren en rondreden in een donkere Chevrolet Caprice. Schietend, welteverstaan. Alsof ze op een militaire missie waren. Maar tegen wie of wat? En hoe zijn ze gekomen tot hun ogenschijnlijk willekeurige wraakactie? Is er een levenspad denkbaar dat op een logische manier naar dit soort blinde woede leidt?

I, Sniper is groots aangepakt, dramatisch getoonzet en meeslepend gemonteerd. Een tragische geschiedenis die zich stap voor stap ontvouwt, steeds spannender wordt en onderweg ook aan diepte en betekenis wint. Totdat het drama in zijn volledige omvang zichtbaar is geworden. Geen gemakzuchtige trashy true crime dus, maar een gelaagd psychologisch portret van een jeugdige scherpschutter, diens getormenteerde leermeester en de wereld die zij ongenadig opschudden, met talloze verwoeste levens tot gevolg. Een vrijwel vergeten schokgolf die een kleine twintig jaar later hier en daar nog altijd nadreunt.

Operation Varsity Blues: The College Admissions Scandal

Netflix

Prima deal. In ruil voor een aardige donatie krijgt je nageslacht toegang tot een droomschool. Wat is nu een miljoen dollar – of een ietsiepietsie meer – als de toekomst van je kind ervan afhangt? Via een kleine omweg koop je bijvoorbeeld een sportbeurs. Ook al heeft je ‘allesie’ nog nooit een football vastgehouden, een waterpolocap gedragen of op een zeilboot gevaren. En dan staan de deuren van Yale, Harvard of Princeton plotsklaps wagenwijd open en is het kostje van Junior gekocht.

Schoolkeuzecoach Rick Singer was daarvoor jarenlang een perfecte postiljon d’amour. Als geen ander wist hij welk (sport)onderwijsprogramma van een Ivy League-school nog wel wat financiële ondersteuning kon gebruiken. Via hem konden gefortuneerde ouders zo ‘prestige’ inkopen voor hun kroost. Volgens John Reider, voormalig lid van de toelatingscommissie van Stanford University, betekent dat woord in het Frans niet voor niets bedrog. ‘Dat is wat prestige is op de universiteit: het is denkbeeldig, een illusie. En toch geloven mensen erin.’

Regisseur Chris Smith, die in Fyre: The Greatest Party That Never Happened al de gebakken lucht van een gigantisch festivalfiasco blootlegde, ontleedt in Operation Varsity Blues: The College Admissions Scandal (100 min.) hoe Singer zijn schoolzwendel opzette. Dat wordt nooit zo buitenissig of grappig als in Fyre, maar zeker zo pijnlijk. Smith heeft de beschikking over opnamen die de FBI maakte van Singers (telefoon)gesprekken met bereidwillige ouders en schoolmedewerkers. Die heeft hij letterlijk, soms in gecondenseerde vorm, laten naspelen door acteurs, met Matthew Modine in de rol van aalgladde schooladviseur.

Hij, de slinkse ‘coach’, wordt in dit gesmeerde docudrama gepresenteerd als het oliemannetje van een volledig geperverteerd systeem, waarbinnen gefortuneerde ouders, zoals bijvoorbeeld de actrices Felicity Huffman en Lori Loughlin, er geen been in zien om hun kind op onoorbare wijze vooruit te helpen en universiteiten rustig dubieuze donaties incasseren en vervolgens een oogje dichtknijpen als leerlingen onder valse voorwendselen de school worden binnengesmokkeld. Het is al met al een treurige bedoening, de totale verwording van een door en door competitieve maatschappij. 

Die kent natuurlijk ook zijn slachtoffers: behalve alle kinderen die onder de prestatiedruk dreigen te bezwijken gaat het dan ook om bollebozen die door de fraude níet worden toegelaten. ‘Het is gewoon klote om je zo te voelen’, zegt een meisje, dat net heeft gehoord dat ze niet welkom is op de school van haar voorkeur. ‘Maar ik weet zeker dat de iedereen die wel is aangenomen het verdient.’ Daarop introduceert Chris Smith met bijna sardonisch genoegen Olivia Jade, een YouTube-sterretje met miljoenen volgers dat zomaar een plek kreeg toegespeeld in het roeiteam van de prestigieuze University of Southern California. Ze zou nooit aan een training of wedstrijd deelnemen.

In een wereld waarin alleen winnen, of de schijn daarvan, lijkt te tellen kan dat zomaar gebeuren. Uiteindelijk is het wel de vraag of het werkelijk in het belang is van de betrokken kinderen, die vaak overigens niet of nauwelijks op de hoogte waren van de schimmige praktijken van hun ouders, dat ze terechtkomen op een school waar ze eigenlijk niet op hun plek zijn. En wanneer het omkoopschandaal in 2019 plotseling in de openbaarheid komt, nadat de centrale figuur daarvan rücksichtslos dubbelspel is gaan spelen, worden zij bovendien publiekelijk gebrandmerkt als jongeren die het niet op eigen kracht kunnen. Over een slechte deal gesproken.

Fake Famous

‘Do you want to be famous?’ Die oproep levert duizenden reacties op. Een team van social media-experts, castingagenten en stylisten krijgt vervolgens de onmogelijke taak om daaruit drie mensen te selecteren voor een sociaal experiment. Zij gaan wereldberoemd worden – of in elk geval: lijken.

De keuze valt uiteindelijk op actrice @dominiquedruckman (1137 Instagram-volgers), visual creator @chrisvsmyself (1157 Instagram-volgers) en het manusje van alles van een onroerend goed-bedrijf @wylezzz (2528 Instagram-volgers). Eerst krijgen ze een kleine restyling en daarna talloze extra volgers. Voor een kleine honderd dollar kun je namelijk al gauw 7500 bots aanschaffen, met ook nog eens 2500 likes. En dan kunnen de eerste foto’s voor Fake Famous (87 min.) worden gemaakt. 

Bij Ikea kun je bijvoorbeeld doen alsof je een luxueuze vakantie op Bali hebt, met een goedkope wc-bril is het mogelijk om te suggeren dat je vanuit een privéjet naar buiten zit te turen. Zolang de social media-goegemeente maar denkt dat je ‘the lifestyle of the rich and famous’ leeft. Want dat werkt als een ‘selffulfilling prophecy’: met rijk lijken, kun je daadwerkelijk rijk worden. Als druk selfiënde reclamezuil. @kimkardashian schijnt bijvoorbeeld 500.000 dollar te rekenen voor één enkele Insta-post.

Journalist @nickbilton gebruikt het sociale experiment met de drie would be-celebrities om de gekte, decadentie en tristesse van de influencerwereld bloot te leggen. Hoewel de subjecten uiteindelijk heel verschillend reageren op de uitdagingen die op hun pad komen en dus ook een totaal andere status bereiken, levert Fake Famous geen opzienbarende inzichten op. De welbekende leegte van Instaland, waar met ‘roem’ goud geld is te verdienen, wordt nog maar eens uitgelicht.

Rechts In Beeld

Bromet

Je kunt zeggen: zie je wel, de zelfverklaarde ‘linkse kiezer’ Frans Bromet krijgt van de Publieke Omroep weer eens ouderwets de kans om rechtse partijen af te branden. Je kunt ook, zoals Bromets eigen dochter Laura (Tweede Kamerlid voor GroenLinks), op cynische toon tegen hem zeggen: ‘Rechts krijgt zó weinig aandacht in de media dat jij daar nog wat extra aandacht aan moet toevoegen.’

Zie daar de voorspelbare kritiek die de tweedelige interviewfilm Rechts In Beeld (90 min.) ongetwijfeld ten deel zal vallen. Hoe transparant Neerlands oer-camerajournalist ook te werk gaat en hoe open en toch kritisch hij zijn gesprekspartners daarbij tegemoet treedt. Het is spitsroeden lopen – óók voor de ‘linkse kiezer’ die dit stukje over deel 1 tikt – waarbij je het eigenlijk nooit goed kunt doen. Soit. Het zij zo.

Je moet Frans Bromet op zijn minst nageven dat hij, als gewone ‘linkse kiezer’ en relatieve buitenstaander, ‘t over de inhoud probeert te hebben. En het vliegen afvangen, de mannetjesmakerij en het politieke steekspel (zoveel mogelijk) aan zich voorbij laat gaan. Dat is op zichzelf al een verademing. Zoals ook de toonzetting prettig is: geen stemverheffing en/of (gespeelde) verontwaardiging. Gewoon een gesprek tussen twee mensen, met verschillende ideeën over hoe het verder moet.

Het is voor Bromet en zijn redactie overigens nog een hele toer om überhaupt iemand te spreken te krijgen. Ze worden constant aan het lijntje gehouden en moeten uiteindelijk genoegen nemen met mindere goden, zoals ex-leden en trouwe stemmers van de VVD, PVV en Forum voor Democratie. Van de tachtig kandidaten op de kieslijst van regeringspartij VVD is bijvoorbeeld helemaal niemand beschikbaar voor een interview met de man die natuurlijk als geen ander aanvoelt waar het wringt en dat dan genadeloos kan blootleggen.

Noodgedwongen gaat Bromet te rade bij deskundigen als Bas Paternotte (adjunct-hoofdredacteur van de rechtse website The Post Online), Chris Aalberts (die een kritisch boek over Forum voor Democratie schreef) en zijn eigen oud-medewerker Rutger Castricum. Die laatste verbaast zich erover dat politici alleen nog maar met de waan van de dag bezig zijn en nooit meer een serieuze stip op de horizon plaatsen, maar vraagt zich blijkbaar niet af welke rol hij als verslaggever van PowNed daarin zelf heeft gespeeld. Hij wordt er door zijn voormalige leermeester ook niet op bevraagd.

Hoewel de belangrijkste vertegenwoordigers uiteindelijk niet thuisgeven, doet Frans Bromet in Rechts In Beeld een oprechte poging om de standpunten van Rechts Nederland over belangrijke verkiezingsthema’s, zoals het klimaat- en asielbeleid, duidelijk te krijgen en kritisch te bevragen. Dat levert vooralsnog vooral een enigszins pijnlijk beeld op van politici en partijen die weinig te winnen denken te hebben met zo’n gesprek.

Het tweede deel van deze tv-documentaire voegt eigenlijk weinig meer toe. Bromet gaat daarin het gesprek aan met Telegraaf-columnist Rob Hoogland, voormalig PVV’er Richard de Mos en zijn advocaat Peter Plasman (die tegenwoordig de politieke partij Code Oranje vertegenwoordigen), enkele lokale (aspirant)politici en een gefrustreerde linkse kiezer die zich tot de PVV heeft bekeerd. Tot nieuwe inzichten leidt dit echter niet meer en het verteltempo komt soms ook wel erg laag te liggen.

Nog heel even lijkt Frans Bromet zijn tanden te kunnen gaan zetten in niemand minder dan Thierry Baudet, met wie hij begint te bespreken of Nederland vol is. De FvD-voorman neemt echter al snel weer de benen en laat zijn gesprekspartner met vrijwel lege handen achter. Zodat die nog maar eens te rade gaat bij zijn eigen dochter Laura.

Slay The Dragon

Slay The Dragon (104 min.) opent met een citaat: ‘Democracy never lasts long. It soon wasts, exhausts and murders itself. There never was a democracy yet that did not commit suicide.’ Hoe actueel wil je het hebben? Aan het woord is echter John Adams, een van de founding fathers van de Verenigde Staten. De tweede Amerikaanse president, na de legendarische George Washington, sprak deze onrustbarende woorden uit in 1814, toen het Amerikaanse experiment nog geen halve eeuw onderweg was.

Inmiddels zijn er ruim twee eeuwen verstreken en lijkt de democratie in de Verenigde Staten inderdaad op zijn allerlaatste benen te lopen. Republikeinen en Democraten staan elkaar bijna letterlijk naar het leven, de rechterlijke macht is volledig geīncorporeerd in het politieke spel en het grote geld lijkt werkelijk alles te domineren. Stemmen wordt bijvoorbeeld alleen aangemoedigd als het voor de eigen kandidaat of partij is. En anders hebben de politieke partijen altijd nog middelen om ervoor te zorgen dat die stemmen er helemaal niet toe doen.

En daarmee zijn we aanbeland bij het thema van deze documentaire van Barak Goodman en Chris Durrance: gerrymandering. Tijdens het zogenaamde ‘redistricting’, elke tien jaar na de volkstelling, worden de grenzen van kiesdistricten zo getrokken dat er eigenlijk maar één partij kan winnen. In de regel is dat tegenwoordig de Republikeinse partij, die het aloude middel om de zittende macht in het zadel te houden in 2010 geheel nieuwe dimensies heeft gegeven met het project Redmap.

Een gemiddeld district ziet er inmiddels uit als een platgeslagen octopus, waarbij minderheidsgroeperingen doorgaans volledig in hetzelfde gebied zijn gepropt (packing) of juist zijn verdeeld over allerlei districten waarin ze nooit een meerderheid kunnen vormen (cracking). Zodat het uitgangspunt ‘one person, one vote’ gevoeglijk in de prullenbak kan worden gegooid, je met minder stemmen dan de tegenpartij tóch de verkiezingen kunt winnen en er een politieke klasse ontstaat die aan niemand verantwoording schuldig is.

Het gaat daarbij niet om incidentele gevallen, maar om een landelijk gecoördineerde actie, betoogt David Daley. ‘Het start met het trekken van nieuwe grenzen zodat ze alle kiesdistricten kunnen winnen’, zegt de auteur van het boek Ratf**ked. ‘Het tweede deel van datzelfde proces behelst allerlei vormen van ‘voter suppression’, zodat het moeilijker wordt voor Democraten en minderheden om te stemmen.’ Die houding is ook duidelijk zichtbaar in de huidige presidentsverkiezingen, waarbij alles uit de kast wordt gehaald om andersdenkenden te ontmoedigen om gebruik te maken van hun democratische rechten.

Deze boeiende documentaire is niets minder dan een pamflet tegen zulke praktijken. Daarbij volgen Goodman en Durrance de initiatiefnemers van het burgerinitiatief Voters Not Politicians in Michigan, die een handtekeningenactie opstarten om het gerommel met kiesdistricten ongedaan te maken. Daarbij stuiten ze op de gebruikelijke politieke profi’s, die met hun giftige attitude, goedgevulde bankrekening en liefst ook nog een bijbel in de hand mensen die dromen van een eerlijke democratie proberen te dwarsbomen.

Het is moeilijk om niet cynisch te worden van Slay The Dragon. Toch biedt de film, in de vorm van allerlei gewone burgers die opkomen voor hun recht, ook een zekere vorm van hoop. Hun weg leidt in 2018, met de steun van niemand minder dan Arnold Schwarzenegger, naar het Amerikaanse hooggerechtshof, dat moet bepalen of gerrymandering in strijd is met de grondwet.

American Murder: The Family Next Door

Netflix

Ze had een droomleven. Knappe echtgenoot, twee bloedjes van kinderen en een baby’tje op komst. Trots deelde de Amerikaanse dertiger Shanann Watts alle wederwaardigheden van haar persoonlijk leven op de sociale media. Van elke kleine gebeurtenis werd een foto of vlog gemaakt. De hele kennissenkring werd zo op de hoogte gehouden van haar ideale bestaan.

Toen Shanann en haar peuterdochters Bella en Celeste op 13 augustus 2018 plotseling uit hun kast van een huis in Frederick, Colorado verdwenen, kwamen daar beelden van ‘cop cams’, beveiligingscamera’s, verhoren en een rechtszitting bij. Net als chats, voicemails en appverkeer met familie en vriendinnen. Zo kwam een geheel andere Shanann in beeld. En een totaal andere Chris.

Al dat materiaal heeft nu zijn weg gevonden naar de unheimische true crime-documentaire American Murder: The Family Next Door (84 min.), die vrijwel volledig bestaat uit ‘found footage’ uit het leven van de familie Watts. Regisseur Jenny Popplewell heeft alleen zeer effectieve muziek toegevoegd en de chronologie gemanipuleerd, zodat er een heel spannende vertelling is ontstaan.

Als kijker voel je je wel een beetje een voyeur bij zoveel bijeengebracht pseudo-geluk en de doffe ellende die daarachter vandaan komt. Zeker als je bedenkt dat de zaak rond de verdwijning van Shanann en haar twee meiden ook weer tot het nodige (sociale) media-gekrakeel heeft geleid. Daarmee is dit in- en intrieste verhaal tevens een naargeestige weerspiegeling van onze exhibitionistische tijd.

Under The Wire

underthewiremovie.com

Ze moest letterlijk een oog geven voor haar missie. In 2001 te Sri Lanka, tijdens een bloedige burgeroorlog. Een ooglapje zou het handelsmerk worden van de Amerikaanse oorlogscorrespondent Marie Colvin. Net als dat ze voor de Duvel niet bang was en koste wat het kost, ongeacht de omstandigheden, de verhalen van gewone mensen wilde vertellen. Zo zou ze ook aan haar einde komen, bij een raketaanval in de Syrische stad Homs op 22 februari 2012.

Colvin was zo’n vrouw waarover films worden gemaakt: A Private War (het speelfilmdebuut van de gevierde documentairemaker Matthew Heineman, met Rosamund Pike als de onvervaarde journaliste) en de documentaire Under The Wire (93 min.) van Chris Martin. Beide films uit 2018 zijn zowel een eerbetoon aan de vrouw zelf als aan haar stiel, de oorlogsjournalistiek, en vormen tevens een vlijmscherpe aanklacht tegen oorlog in het algemeen.

Waar de speelfilm Colvins complete loopbaan probeert te vatten, inclusief haar trauma’s en drankmisbruik, reconstrueert deze docu alleen de helletocht die zou leiden tot haar dood (en die van haar Franse collega Rémi Ochlik). ‘Er is een vrouw dood’, roept een man op huiveringwekkende amateurbeelden, die de paniek van het moment perfect weerspiegelen. ‘Wie?’ reageert een ander. ‘Marie van The Sunday Times?’ Het antwoord slaat alle hoop de bodem in: ‘Ja, Marie van The Sunday Times. Ze is dood.’

Maar, om een bekende boutade te parafraseren: achter elke succesvolle vrouw staat een sterke man: fotograaf Paul Conroy. Colvins vaste partner in crime is de eigenlijke hoofdpersoon van deze beklemmende documentaire. Die is ook gebaseerd op het boek dat hij schreef over hun werkreis naar Assads Syrië. Nadat ze samen de voorpagina van de krant hadden gehaald en zij dat met de dood moest bekopen, belandde hij weer bij de benauwde kilometerslange tunnel die hen op de plek des onheils had gebracht.

Conroy had nog maar één missie: zijn verhaal vertellen. Hun verhaal. Samen met enkele collega’s die erbij waren op dat fatale moment en in de rug gedekt door een slimme combinatie van reconstructiebeelden en shockerende opnamen van de ‘slachting’ ter plaatse brengt hij de horror tot leven. Dat komt hard binnen. Marie, een ijzervreter van het zuiverste water, zou vast niet anders gewild hebben.