A Invenção Do Outro

De Bubuia Cinema

De missie is bepaald niet zonder gevaar. Eerdere pogingen om de Korubo, een inheems volk dat geïsoleerd leeft in het westelijke Amazonegebied op de grens van Brazilië, Peru en Colombia, te benaderen, zijn uitgelopen op stevige confrontaties. Zes expeditieleden hebben daarbij het leven gelaten. Het is overigens niet vreemd dat de Korubo in eerste instantie vijandig staan tegenover witte mensen. Hun leefgebied wordt permanent bedreigd door jagers, houtkappers en vissers.

In 2019 onderneemt FUNAI, een Braziliaanse overheidsorganisatie voor de bescherming van de inheemse bevolking, een nieuwe poging. Zij willen contact leggen met de indianenstam, hen voorzien van geneesmiddelen tegen griep en malaria en bemiddelen in de permanente oorlog die zij uitvechten met een ander inheems volk, de Matis. Deze poging lijkt meer kans van slagen te hebben dan eerdere trips. Want het team is ditmaal versterkt met een groepje Korubo-mannen, dat enkele jaren geleden los is geraakt van de hoofdgroep en vervolgens in de bewoonde wereld is beland.

Als de voortekenen niet bedriegen, wordt ‘t een heel bijzonder avontuur, met een zeer gemêleerd reisgezelschap, waaronder dus ook enkele inheemse mannen die zich weer bij hun stamgenoten willen aansluiten. En de Braziliaanse filmmaker Bruno Jorge, die eerder met enkele collega’s het thematische verwante Piripkura (2017) maakte over de twee laatste leden van een Braziliaanse nomadenstam die samen in de jungle leven, heeft zich bij de groep aangesloten voor wat ook wel een heel bijzondere film moet worden: A Invenção Do Outro (Engelse titel: The Invention Of The Other, 144 min.).

Hoewel de FUNAI-vertegenwoordigers onder leiding van Bruno da Cunha Araújo Pereira ‘t beste voor hebben met de Korubo, hebben die wel degelijk wat van hen te vrezen. Een ogenschijnlijk onschuldig griepje zou de indianen bijvoorbeeld fataal kunnen worden. Zij moeten dus zeer omzichtig benaderd worden, óók door de stamgenoten waarvan zij vast dachten dat die allang waren overleden. Die beginnen zich intussen weer duidelijk op hun gemak te voelen in het regenwoud. Ze trekken als vanouds al hun kleren uit, gaan op jacht naar apen om te verorberen en spelen heroïsche gevechten na.

En Jorge kan, als onderdeel van de expeditie, alle verwikkelingen van binnenuit registreren. Hij staat ook op de eerste rij als ‘t inderdaad tot een ontmoeting komt. Dit zorgt voor emotionele taferelen, waarbij het fascinerend is om te zien hoe de Korubo met elkaar communiceren: lawaaierig, erg direct en zeer lijfelijk. De film krijgt daarmee iets zeer intiems en brengt tegelijkertijd een fenomeen in beeld, dat in de allereerste documentaires, een ‘vreemd’ volk ontdekken, nog alomtegenwoordig was en dat allengs, door de globalisering, wel héél uitzonderlijk is geworden.

Voor iedereen die met beide benen in de 21e eeuw staat legt A Invenção Do Outro daarom een ronduit opzienbarende wereld bloot.

Streetwise

Tiny / c: Mary Ellen Mark / Martin Bell

Wat zou er zijn geworden van de hoofdpersonen van Streetwise (92 min.)? begon ik me halverwege af te vragen. Ik – brave burgerman, van een flink eind in de vijftig, met een ongezonde voorliefde voor documentaires – ben van min of meer hetzelfde bouwjaar als zij. Begin jaren tachtig was voetbal al wat telde voor mij, had ik nog nooit met een meisje gezoend en probeerde ik te overleven op de.., ja, HAVO.

Zij hingen ondertussen als dakloze tiener rond in Seattle, alles in het werk stellend om de genadeloze ‘survival of the fittest’ in een Amerikaanse binnenstad daadwerkelijk te overleven. Met een grote mond en bravoure, maar veelal zonder enig vangnet. De film, die werd genomineerd voor een Oscar, was gebaseerd op het foto-essay Streets Of The Lost van Mary Ellen Mark. Dat werd in juli 1983 gepubliceerd in Life Magazine, met een tekst erbij van journalist Cheryl McCall. Marks echtgenoot, filmmaker Martin Bell, was ervan overtuigd dat er ook een documentaire in die kids aan de zelfkant zat en wist de andere twee daarvan ook te overtuigen.

Die ruwe en directe film maakt, ruim veertig jaar later, nog altijd indruk. De tieners hosselen, ruziën, jatten, knokken en verkopen hun lichaam. Ze eten uit vuilcontainers, laten zich tatoeëren en moeten worden behandeld voor een geslachtsziekte. Ze overnachten in een vervallen hotel, maken ruzie met hun ouders of zoeken hen op in de gevangenis. Ze zijn boos over het verleden, dealen met een weerbarstig heden en dromen over de toekomst. Ze sluiten vriendschap, steunen elkaar en vinden zo een soort thuis op straat. En ze raken op hun veertiende zwanger, worden gearresteerd door de politie en maken een einde aan hun leven.

Het doet nadenken over het menselijke bestaan – en hoe oneerlijk de kaarten soms zijn geschud. Als Tom Waits tijdens de aftiteling van Streetwise begint aan zijn tranentrekkende lied Take Care Of All My Children trekt mijn hele leven aan me voorbij – en dat van hen, de Amerikaanse tieners, kinderen nog, die het net zo goed verdienen om oud te worden, kinderen te krijgen en vrede te hebben met het leven dat hen ten deel is gevallen. Een snelle blik op de Wikipedia-pagina van de docu leert echter – en dat is natuurlijk niet heel verrassend – dat ’t voor veel personages in deze indringende filmklassieker toch echt anders is gelopen.

Bell, Mark en McCall waren halverwege de jaren tachtig overigens nog lang niet klaar met enkele hoofdpersonen van Streetwise. Over het veertienjarige meisje Erin ‘Tiny’ Blackwell, dat inwoont bij haar aan alcohol verslaafde moeder en op straat werkt als prostituee, maakten ze achtereenvolgens Tiny At 20 (1990), Erin (2010) en Tiny: The Life Of Erin Blackwell (2019). In 2021 verscheen bovendien Streetwise Rivisited: Rat, een korte docu over Tiny’s jeugdige maatje Rat.

Vergiss Meyn Nicht

Omroep Zwart

De 360 graden-camera waarmee filmstudent Steffen Meyn alle verwikkelingen in het activistische boomhuttendorp in het Hambacher-bos en de pogingen van de Duitse overheid om dat te ontruimen documenteert, legt ook rücksichtslos vast hoe hij zelf tijdens die uitzetting, op 19 september 2018, bij een tragisch ongeval om het leven komt. In de openingsscène van Vergiss Meyn Nicht (Engelse titel: Lonely Oaks, 102 min.) vindt een politieagent de camera, die Meyn op zijn fietshelm had bevestigd. De man raapt hem op en pakt hem in, hij heeft alleen niet door dat ook dit wordt geregistreerd.

In deze boeiende documentaire van Fabiana Fragale, Kilian Kuhlendahl en Jens Mühlhoff brengt diezelfde camera van binnenuit de jarenlange bezetting van de klimaatactivisten van het Hambi-bos, gelegen tussen Keulen en Aken, en hun strijd tegen de vervuiling door de nabijgelegen kolencentrales in beeld. Medebewoners van Steffen Meyn, volgens hen een stadsjongen met hoogtevrees, blikken ondertussen terug op hun woelige periode in het boomhuttendorp, waar ‘t tot stevige confrontaties met de Duitse politie kwam – en ook intern mensen soms recht tegenover kwamen te staan.

Een deel van de autonome bosbewoners doet z’n verhaal anoniem – omdat hun identiteit er volgens hen niet toe doet of simpelweg om uit handen van de Duitse justitie te blijven – en gaat dan ook in op leven (en sterven) voor een groter ideaal, welke methoden geoorloofd zijn om het gemeenschappelijke doel te bereiken en twijfels over hun eigen activisme. ‘Ik vind het belangrijk om in iets te geloven, ook in dingen die belangrijker zijn dan ikzelf’, zegt een oud-bewoonster van het dorp bijvoorbeeld. ‘Maar dit kan ook betekenen dat je je eigen leven wegcijfert ten faveure van het collectief.’

Camera’s fungeren tijdens hun strijd als wapen: om het gedrag van agenten ter plaatse te beteugelen of anders naderhand aan de kaak te kunnen stellen. Die functie hebben ze ook in deze film, waarmee de strijd om het Hambi-bos letterlijk vanuit hun perspectief is mee te beleven. Hoe een eco-activiste die zich aan een boom heeft vastgeketend bijvoorbeeld hardhandig wordt overmeesterd. Ondanks die ene camera laat de documentaire natuurlijk geen 360 graden-blik van de situatie zien. Politiemensen worden bijvoorbeeld grotendeels gereduceerd tot gezichtsloze vijand.

Tegenover zulke domme krachten die, namens een op z’n minst onverschillige overheid, de belangen van het kapitaal verdedigen, zet ‘extreemlinks’ zich schrap, een stel autonomen en outsiders die zich met hand en tand verdedigt tegen de vernieling van de aarde. Tot, in elk geval bij Steffen Meyn, de dood erop volgt – al zou je die ook het gevolg van een stom ongeluk kunnen noemen.

Jerry Springer: Fights, Camera, Action

Netflix

‘Ik wil dat ze na de show zeggen dat ze iets over het leven hebben geleerd wat ze nog niet wisten’, zegt de nieuwbakken talkshowpresentator in 1992 tijdens zijn presentatie aan de Amerikaanse pers. ‘En’, voegt hij er met een serieuze blik aan toe, ‘dat Jerry alle ruimte bood aan het verhaal.’ Met zijn nette bril en verzorgde haar zou de voormalige burgemeester van Cincinnatti en nieuwsjournalist uit Chicago kunnen doorgaan voor een fijnbesnaarde vorser van het menselijke gedachten- en gevoelsleven.

Wie had toen kunnen bedenken dat diezelfde weldenkende man het gezicht zou worden van een onwelriekende kruising tussen een volkstribunaal, de lach of ik schiet-show en een showworsteltoernooi? En dat hele volksstammen zijn voornaam zouden scanderen als een prehistorische strijdkreet, om de gladiatoren in het moddergevecht op zijn podium vooral uit te dagen om zich nóg verder in de stront te werken? Jerry! Jerry!! Jerry!!! Waarna hij de strijd dan voortijdig zou afbreken met een stichtelijk slotwoord over dat ook mensen die met een paard trouwen (en tongzoenen) respect verdienen, dat je sowieso altijd lief moet zijn voor elkaar en dat er morgen natuurlijk weer een show is.

Misschien Jerry Springer zelf wel. Hij zal toen, begin ’92, toch niet in de veronderstelling zijn geweest dat hij een Amerikaanse variant op Rondom Tien of De Ronde Van Witteman ging presenteren? Alhoewel… The Jerry Springer Show begon tamelijk degelijk en saai en dreigde dus vanwege tegenvallende kijkcijfers al snel van de buis te verdwijnen. En toen werd de hulp ingeroepen van uitvoerend producent Richard Dominick, een man die zijn sporen verdiende als koppenmaker bij roddelbladen. Type ‘Man met twee hoofden zingt in stereo’, ‘Mijn affaire met Bigfoot’ of ‘Broodrooster bezeten door de Duivel’. Hij moest Jerry ‘wild en sexy’ (en, o-o, ranzig) gaan maken.

En op een verwrongen manier lukte dat vrijwel direct, getuige deze tweedelige docu over de absolute nummer één van de Amerikaanse trashtalkshow (met op twee, ex aequo, GeraldoRickiSally JessyPhilJennyMontel en Maury). Jerry zelf verdedigde dit destijds met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Hij refereerde zelfs aan Voltaire: ik verafschuw wat neonazi’s en KKK-leden zeggen, maar ik zal hun recht om dat te zeggen… hoofdschuddend aanhoren, vol in de schijnwerper zetten, tot het uiterste oppoken en uitserveren via een door onze beveiligers nét niet in de kiem gesmoord vuistgevecht. Terwijl m’n achterban ‘boooeeeh!’ of mijn eigen naam roept.

Maar goed, verder over de doden, in de geest van Jerry (1944-2023), natuurlijks niets dan goeds. Documentairemaker Luke Sewell laat zijn gasten – oud-medewerkers en gasten – ondertussen lekker leeglopen. Dominick en enkele anderen hebben nog altijd geen enkele wroeging: alles voor de kijkcijfers en het pakken, zakken en verkopen van Oprah. Anderen, zoals producer Toby Yoshimura, lijken toch wel enige gêne te voelen bij de gedachte aan het ‘spelen met de psyche van mensen, totdat je het resultaat krijgt wat je zocht’. En dat inhaken op de allerlaagste sentimenten van mensen die zich vast nauw verwant voelen met Neanderthalers moest uiteindelijk, natuurlijk!, wel fout gaan.

Jerry Springer: Fights, Camera, Action (97 min.) legt een cultuur bloot, waarbinnen het parasiteren op kwetsbare, oliedomme of immorele Amerikanen de regel was. Zolang ‘t maar ‘echt’ was. Ook al werden gasten vanzelfsprekend wel geprept voor de show, zodat ze, in de woorden van studiogast Melanie, ‘ready to fuck it up’ waren. En als ze onverhoopt tóch niet leverden, dreigden de producers gewoon dat ze hun vliegticket naar huis niet meer wilden betalen. Dan móesten ze wel uit hun plaat gaan en kon de uitzending naar een smakelijke climax worden gebracht. Waarna Jerry aan zijn vaste afsluiting kon beginnen: ‘Till the next time. Take care of yourself… and each other.’

Als de aftiteling van deze ontluisterende kijkervaring loopt zou je de medewerkers van The Jerry Springer Show bijna toewensen dat zij nu eens zelf live op televisie de confrontatie moeten aangaan met een grondig voorbereide, boertige, dominante en extréémrechtse groepsverkrachter met een voorkeur voor poep- en plasseks. Terwijl wij, ondertussen opzichtig onze neus ervoor ophalend, als wilden ‘Jerry! Jerry!! Jerry!!!’ brullen.

Blood + Thunder: The Sound Of Alberts

Australia Broadcasting Corporation

In een directievergadering van de firma J. Albert & Son in 1963 bracht het nieuwste directielid, de 25-jarige Ted Albert, een onorthodox idee te berde: zullen we zelf platen gaan produceren en zo een eigen Australische sound creëren?

Ongeveer tegelijkertijd arriveerde er een Schotse arbeidersfamilie in Sydney, met drie geniale gitaristen en songschrijvers in de gelederen: George, Malcolm en Angus Young.

Getuige de tweedelige documentaire Blood + Thunder: The Sound Of Alberts (115 min.) uit 2015 was ‘t onvermijdelijk dat de wegen van Ted Albert en de Youngs elkaar zouden kruisen. Dat gebeurde via The Easybeats, het bandje dat George Young startte met de Nederlander Harry van den Berg, die hij al snel Harry Vanda begon te noemen. Met hits zoals Friday On My MindHello, How Are You en Good Times groeiden zij uit tot een soort Australische Beatles.

Intussen was het oog van de ogenschijnlijk zo nette zakenman Ted Albert ook gevallen op George’s jongere broertjes Malcolm en Angus. Onder de hoede van hun oudere broer en diens maatje Vanda startten zij met AC/DC de Australische rockmachine nog eens goed op. Samen ontwikkelden zij de poepruige pubrock-sound, waarmee de rockwereld een halve eeuw later nog altijd niet klaar is. Australische bands als The Angels en Rose Tattoo, eveneens onder contract bij Alberts, volgden in hun slipstream.

Deze gesmeerd lopende rockdocu van Paul Clarke, met verve aan elkaar gepraat door de Australische acteur David Field, schetst soepel wat de combi Albert-Youngs te weeg heeft gebracht met prachtig archiefmateriaal, enigszins misplaatste reconstructiescènes en terugblikinterviews met insiders en Alberts-artiesten zoals Harry Vanda, Gordon ‘Snowy’ Fleet (The Easybeats), Angus Young (AC/DC), Angry Anderson (Rose Tattoo), Stevie Wright en John Brewster (The Angels).

Het Australische label bleek overigens niet voor één gat te vangen en had bijvoorbeeld ook pop- en discohits met John Paul Young (Love Is In The Air) en Flash & The Pan (Midnight Man), een project dat de succesproducers Vanda en Young voor zichzelf uit de grond stampten. Zo bleven de Alberts-acts de successen aaneenrijgen. Toen Ted Albert in 1990, op slechts 53-jarige leeftijd, plotseling overleed, had hij Malcolm Young net per brief gecomplimenteerd voor het nieuwe AC/DC-album The Razors Edge.

Het is meteen een passend slotakkoord voor een fijne film die een welhaast vergeten rock & roll-akker nog eens lekker afploegt.

Inmiddels zijn overigens, behalve Ted Albert, ook George en Malcolm Young overleden.

Een Oekraïens Dorp In Vlaardingen

Studio New West / BNNVARA

Terugkeer blijft het uitgangspunt voor de 200.000 Oekraïense vluchtelingen in Nederland. Toch start de gemeente Vlaardingen begin 2023 met de bouw van een tijdelijke wijk voor duizend Oekraïners. Hun nieuwe woonomgeving voor de komende drie jaar krijgt de naam Mrija: Oekraïens voor droom.

‘Dit moet slagen, mensen’, zegt burgemeester Bert Wijbenga. ‘We kunnen dit niet niet laten slagen.’ Daarvoor zijn de belangen veel te groot. En daarom geeft Wijbenga documentairemaker Jack Westerlaken ook een kijkje in de keuken bij het bouwproject waarbij nogal wat hoekjes worden afgesneden: wellicht zorgt het filmen nog voor wat extra druk om er met z’n allen écht de schouders onder te zetten.

Met dat project onderscheidt Een Oekraïens Dorp In Vlaardingen (59 min.) zich meteen van andere docu’s over Oekraïense vluchtelingen in Nederland, zoals Alles Goed van Peter en Petra Lataster. Want deze film gaat, meer dan over mensen die in den vreemde een nieuw bestaan opbouwen, toch vooral over Nederland Regelland en vertoont in dat opzicht ook overeenkomsten met de docuserie Droomdorp, over de moeizame verwezenlijking van een ‘dorpslandgoed’ in Almere.

De gemeente Vlaardingen heeft te kampen met een overheid die in de afgelopen jaren, volgens wethouder Ivana Somers-Gardenier, ‘alle kanten op zwabbert’. De ‘beschermvrouwe van Oekraïners in Vlaardingen’ is echter niet van plan om zomaar over zich heen te laten lopen. ‘Want deze gemeenteraad slaapt ‘s nachts, hè?, en niet op de dag’, houdt ze in onvervalst Vlaardingse tongval de andere deelnemers aan een moeizaam overleg voor. ‘Dat kan het rijk wel denken. Maar, nee!’

Intussen wordt er in Vlaardingen zelf gemord over dat bijzondere woonproject. Reguliere woningzoekenden moeten namelijk gewoon op hun beurt wachten. En wie betaalt dat eigenlijk, zo’n wijk voor Oekraïners? zingt ’t rond in Vlaardingen en deze film. Wij dus, het gewone volk. En integreren die lui nog wel, als je ze daar allemaal bij elkaar zet? Terug naar eigen land gaan ze sowieso niet. Voorlopig wordt er daar nog gewoon gevochten. En als hun kinderen hier eenmaal hun plekje hebben gevonden…

Vlaardingen lijkt, kortom, wel Nederland in het klein. Ook in hoe het project wordt aangepakt. Terwijl op het ene moment de deuren van basisschool De Vriendschap opengaan en staatssecretaris Eric van der Burg de wijk officieel komt openen, worden de besprekingen over een exitstrategie voor Mrija alweer opgestart. Want in 2026 moet datzelfde Oekraïense dorp worden ontmanteld. Misschien dat Vlaardingse woningzoekenden er dan nog hun voordeel mee kunnen doen.

‘Als we dit kunnen doen voor vluchtelingen, dan moet je dit ook kunnen doen voor je eigen inwoners’, concludeert wethouder Somers-Gardenier in deze treffende weerslag van het Vlaardingse bouwproject, dat zowel Neerlands goede wil als de bijbehorende regeldrift representeert. ‘Je kan dus gewoon zo’n woonwijk bouwen. Héél snel. Dan zijn we toch met z’n allen gek dat we dat niet doen?’

The Zelensky Story

Leo Fawkes / BBC

Hij weet als geen ander dat een president niet alleen moet handelen als een staatshoofd, maar er ook als zodanig moet uitzien. Sinds het Russische leger begin 2022 zijn land Oekraïne is binnengevallen, draagt Volodymyr Zelensky dus vrijwel permanent legergroene kleding. Een leider in oorlogstijd, daarover kan en mag geen twijfel bestaan.

Als hij voor de driedelige docuserie The Zelensky Story (145 min.) plaatsneemt voor de camera, draagt hij, vast ook niet geheel toevallig, een groen shirt met de tekst ‘I’m Ukrainian’ erop. Zodat ook daarover nooit discussie kan ontstaan. Zelensky heeft ook uitgebreid kunnen oefenen voor de rol van zijn leven. Voordat hij in 2019 daadwerkelijk president werd, speelde de kleine Oekraïner al enkele jaren de leider van zijn land in de tv-serie Dienaar Van Het Volk, tevens de naam van zijn latere politieke partij.

Veel televisiekijkers waren er dus al aan gewend dat hij de toon zette en het voortouw nam in Oekraïne. En in tegenstelling tot die andere bekende acteur die een toonaangevende politicus werd, de Amerikaanse president Ronald Reagan (1981-1989), lijkt dat Zelensky slechts beperkt kwalijk te zijn genomen. Mede door die vervloekte oorlog ontstijgt hij al snel zijn rol – en wordt hem zelfs niet euvel geduid dat hij in 2006 Dancing With The Stars heeft gewonnen met zijn echtgenote Olena.

Als president valt Volodymyr Zelensky meteen met z’n neus in de boter. Hij raakt verzeild in de afzettingsprocedure tegen de Amerikaanse president Donald Trump. Die wil hem pas de beloofde financiële hulp geven als hij roddel en achterklap heeft verzameld over Trumps politieke tegenstander Joe Biden en diens zoon Hunter. Tegelijkertijd is er de permanente dreiging van Vladimir Poetin, die in wezen al jaren oorlog voert tegen z’n buurland en de nieuwe Oekraïense president direct onder druk zet.

Getuige deze interessante productie van Michael Waldman groeit Zelensky pas echt in z’n rol als Rusland zijn land heeft aangevallen. Dan ontwikkelt hij zich, getooid met een heus oorlogsbaardje, tot – volgens één van de sprekers – ‘Winston Churchill met een iPhone’. Zijn bijdrage aan deze miniserie past ongetwijfeld ook binnen het permanente charmeoffensief dat hij namens zijn land uitvoert. Oekraïne kan niet zonder de hulp van andere landen en hengelt voortdurend naar sympathie, financiële steun en wapens.

Verder komen in deze miniserie, waarin eerst Zelensky’s opkomst als komiek/acteur, daarna z’n politieke carrière en tenslotte ’s mans periode als oorlogspresident worden geschetst, ook zijn vrouw, vrienden, collega’s, deskundigen en enkele politieke kopstukken aan het woord. Samen schetsen zij een in wezen positief beeld van een geboren communicator die z’n boodschap heeft gevonden. Een leider die dus ook, geheel naar de filosofie van de nieuwe oude Amerikaanse president Trump, ‘looks the part.

Volodymyr Zelensky, één van de beeldbepalende figuren van onze tijd en tegelijkertijd ook gewoon een man. Die z’n vrouw en kinderen veel te weinig ziet, getroffen wordt door de (menselijke) ravage die in zijn land wordt aangericht en ongetwijfeld ook wel eens speculeert over een leven na dat presidentschap. Hoe zou dit er dan uitzien? wil Waldman weten. Daarover kunnen ze nu helemaal niet nadenken, stelt zijn vrouw Olena. ‘Alle dromen zijn voor na de oorlog.’

This Is Sparklehorse

Sparklehorse

Mark Linkous (1962-2010) stond te boek als een ‘muzikantenmuzikant’, een zanger en songschrijver die wel een potje kon breken bij collega’s. Op de gastenlijst van This Is Sparklehorse (91 min.) prijken dan ook talloze andere prominenten uit de indie-hoek: David Lowery (Cracker), Ed Harcourt, Jonathan Donahue (Mercury Rev), Gemma Hayes, Adrian Utley (Portishead), Jason Lytle (Grandaddy) en John Parish.

Acts voor fijnproevers die, net als Linkous’ artistieke alter ego Sparklehorse, nooit stadions konden vullen, maar zich wel in het hart van menige muziekliefhebber hebben gewurmd. De bekendste naam in deze DIY-film van Alex Crowton en Bobby Dass is zonder twijfel David Lynch. ‘Trieste schoonheid’, noemt de befaamde filmmaker Linkous’ muziek. John Carter (Phantogram) omschrijft die dan weer als ‘gothic country-muziek’.

Sparklehorse-albums klinken als een slecht afgestelde draagbare radio: te midden van ruis en gekraak doemt er ineens een vlijmscherpe rocksong op of meldt zich bijna ongemerkt een gefluisterd melancholiek liedje. Die fluistervorm ontdekte Linkous volgens David Lowery per ongeluk. Als hij ‘s nachts in zijn thuisstudio nieuwe liedjes wilde opnemen, lag zijn echtgenote vaak al te slapen en moest hij zacht te werk gaan.

Zij ontbreekt in dit postume portret. Net als Brian Burton (Danger Mouse), met wie Linkous een compleet album maakte. Zijn broer Matt is wel van de partij. En er is een prominente rol voor singer-songwriter Angela Faye Martin, die deze docu opzette en tevens dienst doet als verteller. In die hoedanigheid richt ze zich af en toe rechtstreeks tot de protagonist. Martin verschijnt soms ook in beeld en claimt zo wel erg veel ruimte.

Hun protagonist blijft intussen een enigma. En dat was vast de bedoeling: een held die net zo ongrijpbaar blijft als zijn muziek. Duidelijk is wel dat Linkous al jong worstelde met het leven. Met allerlei roesmiddelen probeerde hij de depressies op afstand te houden. Daar was soms ook alle reden toe. Nadat hij in 1995 ging touren met zijn debuutalbum Viadixiesubmarinetransmissionplot, sloeg in Londen bijvoorbeeld het noodlot toe.

In een hotel viel hij – beneveld? onder invloed van pijnstillers? – in slaap, met zijn benen onder zich bekneld. Uiteindelijk volgde een hartaanval. Linkous kwam er ernstig beschadigd uit. Een tijd leek ’t alsof hij de rest van zijn leven veroordeeld zou zijn tot een rolstoel. ‘Bij de eerste gelegenheid waarop we alleen waren zei hij: je moet me doden’, herinnert David Lowery zich die donkere periode. ‘Ik kan niet leven met deze pijn.’

Later, toen Mark Linkous met de nodige hulpmiddelen weer kon staan en lopen, bleven de donkere episoden – ook omdat zijn muziek nauwelijks genoeg geld binnen bracht om van te kunnen leven. Toen zijn vriend en collega Vic Chesnutt, daadwerkelijk veroordeeld tot een rolstoel, in 2009 de dood boven het leven verkoos, belandde ook Linkous in een niet meer te stoppen neerwaartse spiraal. Binnen drie maanden was hij eveneens dood.

Deze film veegt een flink aantal brokstukken van Mark Linkous’ leven bij elkaar, van een man zonder beschermingslaag, die ver van waar ’t in de muziekbusiness gebeurt, New York en Los Angeles, waar hij zelf nooit kon floreren, zijn eigen stem vond. Ruw, zacht en breekbaar – en nauwelijks te vatten. Zoals de onnavolgbare slogan van die schoorsteenveger op het T-shirt dat hij soms droeg: we may not be good, but we sure are slow.

Brats

Hulu

De benaming ‘The Class Of 1985’ wilde maar niet blijven plakken. Toen journalist David Blum voor New York Magazine een profiel besloot te maken van Emilio Estevez, één van de jonge acteurs die in de jaren tachtig Hollywood veroverden, muntte hij echter een naam die wél vlam vatte: ‘The Brat Pack’, een vileine verwijzing naar The Rat Pack van Frank Sinatra, Dean Martin en Sammy Davis Jr., die rond 1960 helemaal bon ton was in Hollywood. Dit was de nieuwe generatie: niet meer dan een stel verwende nesten.

Andrew McCarthy, eind vijftig inmiddels, was één van die Brats (93 min.). Hij heeft er altijd een rotgevoel aan overgehouden. De benaming voelde als een diskwalificatie, een sneer ook richting ‘de gouden jaren van de tienerfilm’. De sterren van kaskrakers als The Breakfast Club, St. Elmo’s Fire en Pretty In Pink werden simpelweg weggezet als leeghoofden en lichtgewichten. Hij was lid gemaakt van een club, waarvan ie helemaal geen deel wilde uitmaken. En wie er verder nu precies lid waren, daarover verschilden de meningen: hoorde Tom Cruise er bijvoorbeeld bij? Sean Penn? Of Michael J. Fox?

Uiteindelijk bakent McCarthy de Pack af tot een illuster zevental: Emilio Estevez, Demi Moore, Rob Lowe, Judd Nelson, Ally Sheedy, Molly Ringwald en hijzelf. Terwijl ie met de anderen in contact probeert te komen, wil hij tevens dat tijdsgewricht in kaart brengen. McCarthy spreekt in dat kader af met generatiegenoten, zoals Timothy Hutton (Ordinary People) en actrice Lea Thompson (Back To The Future), die aan het Brat Pack-label ontsnapten, regisseur Howard Deutsch (Pretty In Pink), Susannah Gora (de schrijfster van een Brat Pack-boek) en Bret Easton Ellis (lid van de Literary Brat Pack).

De andere Brat Packers laten zich intussen niet zomaar verleiden om te participeren in zijn documentaire. Een groep waren ze sowieso nooit. Die vormden ze vooral in de ogen van de buitenwacht. En stuk voor stuk lijken ze ook last te hebben gehad van de vooroordelen die gepaard gingen met het Brat Pack-stempel: serieuze filmmakers wilden niet met hen in zee. Uiteindelijk zijn enkelen bereid om hun voormalige mede-tieneridool te ontvangen en ervaringen uit te wisselen. Anderen geven er de voorkeur aan om zich op de toekomst te richten of laten simpelweg niets van zich horen. 

Erg veel komt er niet uit de ontmoetingen die wél plaatsvinden. Ze leveren niet heel veel meer dan de constatering dat dat predicaat inderdaad heel bepalend was voor hun zelfbeeld, imago en toekomstperspectief – al blijft ‘t best aardig om al die oude vertrouwde gezichten, vergezeld van smakelijke filmfragmenten, weer eens te horen over hún jaren tachtig. McCarthy’s zoektocht door het verleden is bovendien opgeleukt met een toffe eighties-soundtrack, met treffende nummers van Joy Division (Love Will Tear Us Apart), Alphaville (Forever Young) en Simple Minds (Don’t You Forget About Me).

Scherpte krijgt Brats echter pas als Andrew McCarthy een afspraak weet te regelen met de man die The Brat Pack ooit van z’n geuzennaam voorzag en daarbij niet over iedereen even flatteus berichtte: journalist David Blum. En die heeft daarvan nog altijd geen spijt.

De Illusie Aan De Macht – 1412 Dagen Kabinet Den Uyl

Joop den Uyl (l), koningin Juliana en Dries van Agt (r) / Aanpak Film

Alles is veranderd – en tegelijk helemaal niets. Zo’n linkse regering als het kabinet Den Uyl (1973-1977) had Nederland nog nooit en (vooralsnog) ook nooit meer. En tegelijkertijd ging ‘t er in de jaren zeventig, getuige de tweedelige documentaire De Illusie Aan De Macht – 1412 Dagen Kabinet Den Uyl (110 min.), niet zoveel anders aan toe dan nu: premier Joop den Uyl en bewindslieden van de partijen PvdA, KVP, ARP, PPR en D66 werden met de ene na de andere crisis geconfronteerd, kregen te maken met aanzienlijke weerstand en vochten elkaar soms, tot diep in de nacht, de tent uit.

Hun gekrakeel speelde zich alleen af in een grotendeels zwart-witte wereld en werd gekenmerkt door vormelijkere omgangsvormen. De uitgangspunten van de grote vormgever, Joop den Uyl, waren echter glashelder: een eerlijkere verdeling van macht, kennis en inkomen. Het PvdA-kopstuk geloofde in een maakbare samenleving, zijn progressieve regering was ‘van en voor gewone mensen’. En dat betekende dan weer vrij schieten voor de oppositie. ‘Sinterklaas bestaat’, kreeg VVD-leider Hans Wiegel, wijzend naar Den Uyl, bijvoorbeeld de lachers op zijn hand. ‘Daar zit ie, achter de tafel.’

Toen André van der Hout en Chris Vos werkten aan deze historische reconstructie, in 1999 beloond met een Gouden Kalf, was die ‘goedheiligman’ al overleden. Andere bekende kabinetsleden zoals de ministers Dries van Agt, Ruud Lubbers, Jos van Kemenade, Henk Vredeling, Jan Pronk, Tjerk Westerterp en Max van der Stoel en de Kamerleden Willem Aantjes, Hans van Mierlo en Frans Andriessen schoven wel aan om terug te blikken op een tijd die in het teken stond van pak ‘m beet de oliecrisis, Surinaamse onafhankelijkheid, abortus, de Lockheed-affaire en Molukse treinkapingen.

En ergens in die aaneenschakeling van kleinere en grotere crises ontstond er een verwijdering tussen de PvdA, geleid door de zuinige calvinist Den Uyl, en de katholieke minister van justitie Van Agt, die in 1977 de lijst zou gaan aanvoeren van het CDA, een nieuwe politieke partij die uit drie christelijke partijen was ontstaan. En die zou er uiteindelijk voor zorgen dat er, ondanks een enorme verkiezingsoverwinning voor de PvdA, géén tweede kabinet Den Uyl kwam. Dries van Agt werd minister-president in een kabinet met de VVD. Met Wiegel had Van Agt duidelijk meer chemie dan met Den Uyl.

Van der Hout en Vos tekenen die geschiedenis zonder al te veel opsmuk op. Ze verlaten zich op de fraaie archiefbeelden, laten die inkaderen door de toenmalige hoofdrolspelers en zorgen zelf voor een hoofdstukindeling en dienende muziek. Het resultaat is een film die de tijdgeest moeiteloos te pakken krijgt en tevens een aansprekend portret wordt van het gezicht daarvan: Joop den Uyl, een zeer principiële, gedreven en polariserende man, die regelmatig gebukt leek te gaan onder de enorme opdracht die hij zichzelf had gesteld: een Nederland van en voor iedereen.

The Invasion

Atoms & Void

Er wordt niets platgeschoten. Er vallen geen bommen. En slechts een heel enkele keer klinkt ergens op de achtergrond het luchtalarm. Toch is die vervloekte oorlog in elk frame van The Invasion (145 min.) aanwezig. De Oekraïense cineast Sergei Loznitsa richt zijn camera in deze observerende film op het leven van alledag in zijn land, dat ondanks die Russische aanval van begin 2022 gewoon doorgaat – en toch ook weer niet.

In de indrukwekkende openingsscène van bijna een kwartier is de oorlog overigens alomtegenwoordig. Zwijgend aanschouwt Loznitsa de uitvaart van vier gesneuvelde soldaten. De camera beweegt niet of nauwelijks en registreert slechts het verlies dat hier gedragen wordt. ‘Helden sterven niet’, zegt één van de sprekers met gedragen stem. ‘Ze leven voor altijd verder in ons hart. Hulde aan de Oekraïense held!’

Vrijwel direct daarna treden Ivan en Viktoria in het huwelijk. Zij in het wit, hij in zijn legeruniform. En zo dansen ze ook buiten op het plein, ten overstaan van familie en vrienden. In vrijwel elke situatie loopt wel iemand in legergroen rond. Een nieuwbakken vader in uniform bezoekt bijvoorbeeld z’n vrouw en kind. Liefdevol koost en verzorgt hij de pasgeboren baby, terwijl het front – dat is tenminste de suggestie – alweer wacht.

Zelfs de vrolijke assistente van de kerstman, die samen met hem cadeautjes uitdeelt aan kinderen, heeft onder haar roze uitdossing een legerbroek en kistjes aan. Haar echtgenoot is krijgsgevangen genomen door de Russen en verblijft slechts enkele tientallen kilometers verderop. Zij vraagt zich intussen af of hij misschien kan worden uitgeruild met gevangen Russische militairen – en welke man ze dan terug krijgt.

The Invasion, in de loop van twee jaar geschoten, kan doorgaan voor de zusterfilm van Maidan (2014), Loznitsa’s weerslag van hoe het gevecht om Oekraïne ruim tien jaar geleden begon. Hij heeft opnieuw meerdere cameraploegen aan het werk gezet, die in verschillende delen van het land miniverhaaltjes hebben opgetekend, waarvan hij met editor Danielius Kokanauskis een steeds van kleur verschietende film heeft gemaakt.

Om te benadrukken dat het leven nog altijd meer is dan schiettrainingen, mijnenvelden en uitvaarten. Ergens in dat geplaagde volk zit nog steeds warmte, vriendschap én humor. In een revalidatiecentrum stapt een man met twee beenprotheses bijvoorbeeld moeizaam van een trapje. Je doet me denken aan die meme met dat aapje, grapt een jonge vrouw, die hem filmt met haar mobiele telefoon. Ze mist zelf ook een been.

Het even pijnlijke als relativerende tafereel tekent de standvastigheid van een land, waar boeken van Russische schrijvers collectief worden afgedankt, bij kapotgeschoten flatgebouwen gewoon de hond wordt uitgelaten en kinderen elke dag naar school moeten (waar ze worden onderwezen over de oorlog, totdat een luchtalarm hen noopt om toch te verkassen naar een schuilkelder). Het dagelijks leven gaat door, móet doorgaan.

Met de camera als stille getuige van hoe de oorlog desondanks doordringt tot de haarvaten van de Oekraïense samenleving.

10 Jaar #JeSuisCharlie

Marec / VRT

Niemand werd gespaard. Hard en grof, niets en niemand ontziend. De redactie van het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo, een zelfverklaard ‘journal irrespondable’, kende geen heilige huisjes. ‘Als iemand zei: je mag dat niet doen, dan deden ze het wel’, vertelt de Vlaamse cartoonist Marec in de tv-docu 10 Jaar #JeSuisCharlie (51 min.). ‘Met het idee: we zorgen dat we met veel zijn, want je kan ons niet allemaal doden.’

Dat was buiten de broers Chérif en Saïd Kouachi gerekend. Op 7 januari 2015 drongen deze zwaarbewapende moslimextremisten binnen bij de redactie en maakten daar twaalf dodelijke slachtoffers. De terroristische aanslag schokte de wereld. ‘Wie vermoordt er nu een clown?’ Cartoonist Monsieur KAK kan er nog altijd niet over uit. ‘Dat doe je niet.’ Ruim drie miljoen mensen gingen de straat om te betogen. Ook ruim veertig regeringsleiders liepen mee in Parijs en riepen vrij en onverveerd: je suis Charlie.

Op de eerste rij was de Israëlische premier Benjamin Netanyahu te ontwaren, even verderop volgde de Hongaarse leider Viktor Orbán. Tien jaar later is duidelijk hoeveel waarde zij in werkelijkheid hechten aan de vrijheid van meningsuiting: nagenoeg niets. Zodra hun eigen imago of belangen in het geding komen, komen zulke heren – of hun politieke vrinden of trollenleger – direct in het geweer en laten ze zien dat ze geen haar beter zijn dan hun Turkse collega Recep Erdogan of andere autocratische regimes.

Sinds Charlie Hebdo lijkt het klimaat voor cartoonisten en politieke tekenaars zelfs alleen maar verslechterd. Als Marec in een Purple Lives Matter-cartoon bijvoorbeeld bestuurlijke perikelen bij de voetbalclub Anderlecht verbindt met de dood van George Floyd wekt dat de woede van de Belgische international Romelo Lukaku en zijn achterban. Zijn collega Lectrr krijgt na een Corona-cartoon zelfs de Chinese overheid achter zich aan. Die eist een publieke verontschuldiging van hem en z’n krant.

‘Het gaat niet over de tekening die je maakt’, concludeert de bekende Vlaamse absurdist Kamagurka, die dertig jaar werkte voor Charlie Hebdo en enkele maanden voor de aanslag in 2015 stopte. ‘Het gaat over degene die ernaar kijkt en de macht van de figuur die ernaar kijkt tegenover de cartoonist. Het is niet de cartoonist die zich iets permitteert, maar wel de macht.’ En dus heeft zijn beroepsgroep zich georganiseerd in belangenverenigingen zoals Cartooning For Peace en Reporters Zonder Grenzen.

Want ook in het vrije westen, waar de persvrijheid altijd min of meer gegarandeerd leek, krijgen individuele tekenaars en hun opdrachtgevers te maken met openlijke vijandigheid en censuur, toont deze boeiende documentaire via via voorbeelden uit alle uithoeken van de wereld. Simpel gesteld: je suis Charlie lijkt op sommige plekken stilaan te zijn vervangen door tu es Charlie.

The Jacket

Jamal (l) en Zreik (r) / Amstelfilm

‘Kijk naar de bergen’, zegt Mohamad ‘Zreik’ al Saghir tegen Jamal Hindawi, terwijl ze samen even genieten van het uitzicht.

‘Zo rustig’, beaamt zijn vriend, met wie hij net tijm heeft geplukt.

‘Het is een mooi land’, constateert Zreik over Libanon.

‘Je houdt ervan?’ vraagt Jamal.

‘Jazeker, ik ben hier geboren.’ De oude man denkt nog even na. ‘Maar ik hou nog meer van Palestina. ‘

‘Natuurlijk’, reageert zijn vriend.

‘Het klopt dat ik daar niet ben geboren’, zegt Zreik. ‘En ik heb er ook nooit gewoond. Maar ik hou ervan.’

Jamal laat dat even indalen. ‘Wat zou je gaan doen als je kon terugkeren naar Palestina?’

Zo filosoferen de twee mannen nog even verder over Palestina, een land dat van hen is en toch nooit is geweest. Intussen steken ze een sigaretje op in Libanon, het land dat nooit van hen zal zijn, ook al werden ze er allebei op de wereld gezet. Dat is nu eenmaal het lot van mensen die in ballingschap zijn geboren. In hun geval: het vluchtelingenkamp Shatila te Beiroet. Daar kwamen hun families terecht na de Nakba in 1948, toen Palestijnen moesten wijken voor de staat Israël.

De Belgische filmmaker Mathijs Poppe heeft het tweegesprek – of moeten we ’t toch een dialoog noemen? – halverwege The Jacket (71 min.) geplaatst. Jamal en zijn vriend en collega Zreik acteren daarnaast samen in een theaterstuk over een jack, waarop Jamals vrouw Mona lapjes in allerlei kleuren heeft genaaid. Dat jasje staat voor de Palestijnse identiteit, de verdeeldheid in hun land van oorsprong en het gewicht dat zij als ontheemden al hun hele leven dragen.

En ergens onderweg, terwijl de inflatie in Libanon de brandstofprijzen helemaal laat ontsporen, raakt Jamal dat jack zomaar ineens kwijt en moet hij ernaar op zoek. Op zoek naar wat hij is kwijtgeraakt, hoe symbolisch. Theater en het echte leven zijn dan al volledig verknoopt geraakt in deze hybride van docu en drama. Op zijn zoektocht heeft Jamal dus ook louter betekenisvolle ontmoetingen, bijvoorbeeld met Syriërs die ooit zijn gevlucht voor de oorlog in hun land.

En Jamals dochter Hanan, met wie hij regelmatig belt, staat ongetwijfeld voor de uitzichtloze positie van Palestijnen in Libanon. Zij is in het buitenland gaan studeren, want in ‘eigen’ land lijkt er voor haar, een jonge intelligente vrouw, weinig te halen. Zo belicht deze ‘documentaire die de tools van fictie gebruikt’ de Palestijnse kwestie vanuit het perspectief van gewone mensen en hoe die hun leven drijft. Als een jack waarvan ze geen afscheid kunnen, mogen of willen nemen.

Marwencol

marwencol.com

In een zelfverzonnen Belgisch dorpje heeft Mark Hogancamp zichzelf teruggevonden. Tijdens een dronken avond op 8 april 2000 werd de 38-jarige Amerikaan door vijf mannen in elkaar geslagen. Hij lag daarna negen dagen in coma en veertig dagen in het ziekenhuis. Zijn zorgverzekeraar was vervolgens niet langer bereid om zijn behandeling te betalen. Hogancamp, die een fikse hersenbeschadiging had opgelopen en bovendien zijn geheugen was kwijtgeraakt, moest z’n eigen boontjes maar gaan doppen.

Met behulp van zijn eigen verbeeldingskracht is de voormalige zuipschuit, die tegenwoordig geen druppel meer drinkt, beland in Marwencol (82 min.), een dorp dat hij in zijn eigen achtertuin heeft gebouwd en laat bewonen door poppen. Hun leven speelt zich af ten tijde van de Tweede Wereldoorlog: stoere G.I. Joe’s, met een verleidelijke Barbie aan hun arm, krijgen ‘t daar geregeld aan de stok met snode SS’ers. In deze zelf gecreëerde wereld kan Mark Hogancamp de liefde beleven of zijn trauma’s verwerken.

Mensen uit zijn directe omgeving in Kingston, New York, kijken er niet meer vreemd van op als ze zichzelf herkennen in een personage, vertellen ze in dit talloze malen bekroonde debuut van documentairemaker Jeff Malmberg (Shangri-La & The Saint Of Second Chances) uit 2010. Hogancamp geeft hen stuk voor stuk een alter ego, zodat hij in dat fictieve dorp in elk geval wordt omringd door vrienden en bekenden. Dan kan hij in het reine komen met zijn verleden en de traumatische avond die hem blijft achtervolgen.

In Marwencol zet de voormalige drinkebroer de werkelijkheid heel nauwgezet naar zijn hand. En met de foto’s die hij van deze geënsceneerde situaties en gebeurtenissen maakt, bouwt Mark Hogancamp zelfs zijn eigen publiek op. In dit delicate portret, rudimentair gefilmd en gemonteerd en met nostalgische muziek aangekleed, registreert Malmberg hoe er zelfs een expositie wordt opgezet. Dit blijkt geen onverdeeld genoegen voor de getroebleerde man, met een verleden dat hij zelf eigenlijk ook liever vergeet.

Deze documentaire toont intussen de kracht van verbeelding. In zijn fantasie kan Hogancamp zijn angsten en frustraties uitleven, dealen met zijn eigen misstappen en zich heel even, in een wereld waarvan hij onmiskenbaar de schepper is, veilig voelen. Dat is een zeer aansprekend idee gebleken. In 2018 heeft regisseur Robert Zemeckis (Back To The Future, Forrest Gump en Who Framed Roger Rabbit?) Marwencol nog gebruikt als uitgangspunt voor een speelfilm met Steve Carrell: Welcome To Marwen.

En Mark Hogancamp heeft er Mark Hogancamp ontdekt: in die dronkenlap – met saillante heimelijke voorkeuren, waarmee hij zijn aanvallers in de kroeg tegen zich in het harnas joeg – bleek zowaar een kunstenaar verborgen te zitten.

Don’t Die: The Man Who Wants To Live Forever

Netflix

Hij heeft zijn biologische leeftijd inmiddels met dik vijf jaar verlaagd. En elke twaalf maanden wordt ie er slechts acht ouder. Bryan Johnson zou dus ernstig tekort worden gedaan als hij, op basis van zijn geboortejaar, simpelweg op 45 jaar wordt ingeschat. In werkelijkheid – althans, volgens de wetenschappelijke modellen van Project Blueprint – is hij veel jonger. En hij wordt dus nóg jonger. Een soort real life Benjamin Button.

Johnson is er de hele dag druk mee. Ook, denk je er als kritisch kijker bij, omdat ie verder toch niets omhanden heeft. De Amerikaanse tech-miljonair – ach ja, natuurlijk! – had z’n schaapjes allang op het droge, was nog op zoek naar een stukje zingeving en heeft zichzelf daarom maar gebombardeerd tot proefkonijn voor een zeer ambitieus anti-verouderingsproject. De ideale hoofdpersoon voor een Chris Smith-docu, zou je zeggen.

En daar is de ongekroonde koning van de streamdocu ‘t mee eens. Ofwel: Don’t Die: The Man Who Wants To Live Forever (90 min.), een documentaire van, jawel, Chris Smith. Over een man die zich heeft overgegeven aan een algoritme dat beter voor hem zorgt dan hij zelf kan. Daarmee heeft Johnson zowaar een punt: het leven zit vol ongezonde verleidingen. In zijn woorden: ‘We vechten voor ons leven tegen onszelf.’

Chris Smith zou Chris Smith echter niet zijn als hij de man niet achter de wijs(neuzig)heden vandaan probeert te halen, kijkt naar het grotere maatschappelijke verhaal rond (anti-)veroudering en zo een vertelling construeert die prikkelt, vermaakt en uitdaagt. En tot een hand voor de ogen slaan en eens mismoedig schudden met het hoofd, dat ook. Want Bryan Johnson is natuurlijk ook gewoon – sst! – een freak.

‘Ik erken dat niet iedereen de tijd, middelen en omstandigheden heeft’, zegt hij er zelf over. ‘Ik probeer aan de uiterste rand van de mogelijkheden te zitten. Ik wil later zien wat er kan.’ En daarvan maakt een entrepreneur zoals Johnson natuurlijk serieus werk. Samen met zijn chief marketing officer Kate Tolo wordt elke scheet – als die tenminste zou bijdragen aan het verwerven van de eeuwige jeugd – met de wereld gedeeld.

Johnson, die opgroeide binnen de Mormoonse kerk, heeft van gezondheid zijn religie gemaakt en opereert daarbij permanent op de grens van wat mogelijk en verstandig is. Veel wetenschappers in deze Chris Smith-film hebben er in geval hun twijfels bij – al stelt hij ook wezenlijke vragen over hoe we omgaan met ons lichaam. ‘Het is een soort tegengif voor hoe de wereld over gezondheid denkt’, stelt journalist Ashlee Vance.

Platgeslagen: levensstijlverandering, om problemen te voorkomen, in plaats van de ouderdomskwalen gewoon maar afwachten en ze dan alsnog proberen te repareren. En die boodschap lijkt aan te slaan: de zonderling Bryan Johnson, waarvan die dekselse Chris Smith zowaar een mens van vlees en bloed heeft gemaakt, heeft inmiddels, samen met z’n tienerzoon Talmage, een heuse Don’t Die-beweging in gang gezet.

Gezamenlijk zullen Johnson en zijn discipelen ook de vraag moeten beantwoorden, die Smith hier, in navolging van bijvoorbeeld Farrokh Bulsara, ook opwerpt: wie wil er eigenlijk voor altijd blijven leven?

Watergate: High Crimes In The White House

CBS

‘Mensen hebben er recht op om te weten of hun president een schurk is’, stelde de Amerikaanse president Richard Nixon, in het najaar van 1973, toen het Watergate-schandaal inmiddels zijn gehele tweede ambtstermijn had overgenomen. ‘Welnu, ik ben geen schurk.’

Het probleem was, stelt Lesley Stahl, destijds een jonge verslaggeefster van CBS News, dik vijftig jaar later in de documentaire Watergate: High Crimes In The White House (89 min.): dat was hij dus wél. Nixon was de man die een smerige lastercampagne tegen zijn politieke rivalen in gang zette, die op 17 juni 1972 uitmondde in de geruchtmakende inbraak bij de Democratische Partij in het Watergate-gebouw. En de man die de ware toedracht daarvan met alle mogelijke middelen probeerde toe te dekken.

Nixon was trouwens ook de man die ondertussen zijn eigen graf groef: hij liet al zijn gesprekken stiekem opnemen en leverde daarmee het bewijsmateriaal voor zijn eigen betrokkenheid bij het schandaal. En de Amerikaanse pers, die hij sowieso al voor een groot deel op zijn persoonlijke ’vijandenlijst’ had staan, rook bloed. Twee jonge verslaggevers van The Washington Post beten zich vast in de zaak en kregen de waarheid uiteindelijk boven tafel. Ze zouden er journalistieke helden mee worden.

Natuurlijk ontbreken Bob Woodward en Carl Bernstein niet in deze gedegen reconstructie van Matthew DeVoe en Adam Goldfried. Behalve uitdagers van ‘Tricky Dick’ Nixon zijn ook medewerkers van de Republikeinse president vertegenwoordigd: zijn persoonlijke assistent Dwight Chapin, stafmedewerker Alexander Butterfield, de boekhoudster van Nixons herverkiezingscampagne Judith Hoback en de financiële topman daarvan Hugh Sloan en zijn vrouw Deborah, werkzaam in het Witte Huis.

Zij verhalen over een tijd waarin de president (nog) niet boven de wet stond. Het verschil met hoe de Republikeinse partij en het Amerikaanse electoraat in de afgelopen jaren de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 terzijde hebben geschoven, zodat Donald Trump onlangs opnieuw kon worden gekozen tot president, is levensgroot. In 1974 waren ‘t zijn eigen partijgenoten die Nixon uiteindelijk tot de orde riepen en hem de keuze gaven om z’n biezen te pakken – of anders hardhandig buiten gewerkt te worden.

Assistent Stephen Bull herinnert zich nog goed hoe hij de spullen van zijn baas moest gaan inpakken. Een muziekdoosje begon spontaan Hail To The Chief te spelen. En voordat Richard Nixon, met een tandpastaglimlach en een al even ongemeend victoriegebaar, de helikopter naar huis instapte, had hij nóg een klassieke oneliner voorhanden. ‘Vergeet nooit: anderen kunnen je haten’, liet hij zich diep in zijn binnenste kijken. ‘Maar zij zullen pas winnen als je hen begint te haten. Dan vernietig je jezelf.’

Avicii – I’m Tim

Netflix

Met Avicii: True Stories (2017) leek eerlijk gezegd het hele verhaal wel verteld. Een jaar na de release van deze achter de schermen-docu van Levan Tsikurshvili maakte de hoofdpersoon een einde aan zijn leven en kreeg die film het karakter van de reconstructie van een tragisch ongeluk: hoe een immens succesvolle deejay en producer al op 28-jarige leeftijd bezwijkt onder het gewicht van zijn eigen beroemdheid.

Zeven jaar na zijn dood is er niettemin Avicii – I’m Tim (97 min.), een tamelijk traditionele popdocu van Henrik Burman over Avicii. Ofwel: Tim Bergling (1989-2018), een introverte en kwetsbare Zweedse jongen, met een bijzonder talent voor het schrijven van onweerstaanbare melodieën. Hij vertelt in deze film zijn eigen verhaal, via audiofragmenten uit één van zijn laatste interviews, en wordt daarbij ondersteund door zijn ouders, vrienden en collega’s.

Die film begint bij het begin. Bijna dan: bij de echo waarbij zijn ouders Klas en Anki horen dat ze een jongetje krijgen. Dit ventje, vervolgens vervat in talloze jeugdfilmpjes, openbaart zich op de basisschool in Stockholm als een pestkop en wordt later een nerdy tiener die te veel gamet. Totdat hij zijn gevoel voor melodie ontdekt, begint samen te werken met Filip ‘Philgood’ Åkesson en een manager krijgt, Arash ‘Ash’ Pournouri, die hem in de vaart der volkeren zal opstuwen.

Met besmettelijke singles zoals Bromance en Levels bereikt Avicii pijlsnel de top van de Electronic Dance Music (EDM). Daar wordt ie al even snel gierend gek. Tim kampt met onzekerheid, angsten en depressieve gedachten, drinkt zich binnen de kortste keren een alvleesklierontsteking en raakt later verslaafd aan pijnstillers. Hij moet daardoor meerdere malen noodgedwongen een flinke pauze inlassen. Geen ramp: de jongeling heeft sowieso een bloedhekel gekregen aan touren.

In de studio is hij wél in zijn element. Daar hervindt Tim zichzelf ook, als hij de pure EDM loslaat en samen gaat werken met ‘muzikanten’. Zo durft hij zichzelf nog altijd niet te noemen. Zijn enige instrument is z’n laptop. Via fraaie studioscènes met Audra Mae (Addicted To You), Sandro Cavazza (Without You) en Incubus-gitarist Mike Einziger en de inderhaast opgetrommelde singer-songwriter Aloe Blacc (Wake Me Up) laat Henrik Burman zien hoe zijn protagonist zichzelf vindt als muzikant.

En die heeft het vermogen om anderen daarin mee te nemen. ‘Dit is zonder enige twijfel het bekendste nummer waaraan ik heb meegewerkt, vertelt Dan Tyminski bijvoorbeeld. Hij liet zich door zijn dochter overhalen om Avicii’s song Hey Brother in te zingen. ‘Ik weet nog dat ik m’n zoon van school ophaalde. Iemand zei: hee, meneer Tyminski. En toen zong een ander kind: hey brother. Drie andere kinderen begonnen mee te zingen.’ Niet veel later is er een spontaan koor ontstaan op het schoolplein.

Dat die nieuwe koers een succes zal worden, staat op voorhand echter niet vast, laat dit gedegen portret zien. Zijn debuut met vocalisten en een live-band in 2013 op het Ultra Dance Festival in Miami lijkt uit te lopen op een fiasco. Danceliefhebbers onthalen hen met boegeroep. Tim is er kapot van, maar Ash ziet zoals altijd mogelijkheden: hij bundelt de ergste Twitter-reacties en publiceert die met een link naar dat nieuwe album: luister zelf waardoor al die commotie is ontstaan. Kat in het bakkie.

Uiteindelijk ziet Avicii zich echter toch genoodzaakt om de regie terug te pakken: hij zegt z’n verplichtingen af, hoopt zichzelf te hervinden tijdens een reis rond de wereld en begint te mediteren. Met een nieuwe band maakt hij zich in 2018 bovendien op voor een muzikale doorstart, op zíjn voorwaarden. Van een tripje tussendoor naar Oman zal hij echter nooit terugkeren. Deze film heeft het antwoord op wat er daar met hem is gebeurd ook niet en doet ook geen echte poging om dat te ontdekken.

Avicii – I’m Tim concentreert zich liever op wat Tim Bergling, behalve een verslagen omgeving, heeft achtergelaten: een muzikaal erfgoed waarmee de wereld nog wel even vooruit kan, getuige ook het door Netflix meegeleverde concert Avicii – My Last Show, dat hij in 2016 gaf op Ibiza.

Night Is Not Eternal

HBO Max

Ook aan deze nacht komt ooit een einde, placht Oswaldo Payá te zeggen tegen zijn dochter Rosa. Night Is Not Eternal (93 min.). Voor haar voelt dat soms wel zo. Ook na de dood van de almachtige leider Fidel Castro in 2016 hield het Cubaanse regime gewoon stand. Haar vader Oswaldo, een bekende pro-democratie activist en criticaster van het communistische bewind, was toen zelf overigens al enkele jaren dood. Hij kwam in 2012 onder mysterieuze omstandigheden om het leven bij een auto-ongeluk.

Zijn dochter is sindsdien bevriend geraakt met de Chinese documentairemaakster Nanfu Wang (One Child Nation, Mind Over Murder en In The Same Breath). De twee ontmoetten elkaar bij een vertoning van Wangs debuutfilm Hooligan Sparrow (2016), raakten in gesprek en ontdekten toen allerlei paralellen. Allebei groeiden ze op binnen een land met een repressief regime. Wanneer Nanfu haar vriendin opzoekt in Cuba als ook zij daar actie voert voor meer democratie, herkent ze direct de beklemming van haar geboorteland. Al snel worden ze geschaduwd door lieden met een camera.

De twee lijken voorbestemd om vriendinnen voor het leven te worden. Uiteindelijk beginnen hun paden echter uit elkaar te lopen als Rosa Maria Payá zich ontwikkelt tot een woordvoerder van de Cubaanse oppositie. Nanfu Wang begeleidt dit proces met een persoonlijke voice-over. De toon daarvan verandert gaandeweg van bewonderend naar confuus, wanneer Rosa in hun nieuwe vaderland, de Verenigde Staten van president Donald Trump, aan de overzijde van het politieke spectrum belandt. Als anticommuniste lijkt ze zich nu aan de zijde van een potentiële autocraat te scharen.

Wang gebruikt haar verbazing daarover om ook haar eigen overtuigingen te onderzoeken en vraagt ze zich af of je als individu überhaupt enige invloed hebt op de loop der dingen. Het is moeilijk om optimistisch te blijven bij die gedachte. Rosa voelt zich daarentegen ‘gefrustreerd, maar niet ontmoedigd’. Zij heeft in haar land, waar in de afgelopen jaren grootschalige protesten tegen de regering zijn opgelaaid en ook weer uitgedoofd, signalen gezien die volgens haar duiden op verandering. ‘Als we zelf beginnen te denken dat we machteloos zijn’, concludeert zij. ‘Dan zijn we dat ook.’

En daarbij zijn al die autocraten alleen maar gebaat.

Het Universum Van Klaas Gubbels

AVROTROS

Bijna een halve eeuw geleden kocht filmmaker Jan Louter z’n eerste schilderij van Klaas Gubbels. In 1988 maakte hij een radiodocu over de Nederlandse kunstenaar, drie jaar later gevolgd door een televisie-item en in 20023 culminerend in de documentaire Stilleven Van Een Schilder. Ruim twintig jaar later is Louter nog altijd niet uitverteld over de inmiddels negentigjarige schilder, getuige Het Universum Van Klaas Gubbels (52 min.).

Intussen waren er gedurende de jaren ook andere documentairemakers te gast bij de aimabele en opmerkelijk vitale Gubbels, die wordt beschouwd als één van de grootste levende Nederlandse kunstenaars. Louter maakt gretig gebruik van hun werk en incorporeert treffende fragmenten in deze nieuwe film, die daardoor het karakter van een retrospectief krijgt. Van een man die overigens volledig in het heden leeft: hij blijft nog steeds dingen maken, benadrukt Gubbels, die voor hem nieuw zijn.

Klaas Gubbels heeft al zestig jaar z’n eigen atelier in een koetshuis nabij Arnhem. Daar gaat hij nog elke dag, tot vreugde van zijn echtgenote en hemzelf, aan het werk. Dat heeft maar één nadeel, vindt hij: binnen vijf minuten maakt hij er een ‘klerenzooi’ van. Tijdens de opnames van dit verzorgde portret werkt Gubbels in die werkruimte toe naar een overzichtstentoonstelling in Arnhem, de stad waarvan hij ereburger is. Schilderen is voor een ‘mierenneuker’ zoals hij overigens lang niet altijd leuk. Want als ’t niet lukt…

Dat werk ontroert z’n vriend, schrijver en documentairemaker Cherry Duyns. Die prijst de ‘ogenschijnlijke eenvoud’ ervan. Al die potten, kannen en tafels. Iets uit niets maken. Met veel meer detail dan menigeen in eerste instantie ziet. En dat blijft niet onopgemerkt. Want Gubbels mag de negentig dan bijna gepasseerd zijn, z’n werk wordt nog altijd op nieuwe plekken ontdekt. Zo meldt zich een Chinese galeriehoudster die het werk van de Nederlandse kunstenaar in Shanghai onder de aandacht wil brengen.

Alleen zijn stem, die z’n oorspronkelijke diepte heeft verloren, verraadt intussen dat Klaas Gubbels inmiddels tegen de tijd schildert. Alle reden dus om zijn werk te vieren. Met een expositie – ‘als ik zeg dat het kunst is, is het kunst’, staat er op de muur bij de tentoonstelling in Arnhem – en een film die zowel de man als de kunstenaar recht doet.

The Body Next Door

Videoland

Vooralsnog is het een whoisit, stelt rechercheur Gareth Morgan. In plaats van een whodunnit, waarin de nadruk ligt op het achterhalen van de dader van een misdrijf. Eerst moet de Welshe politie ontdekken wie het slachtoffer is: de man van middelbare leeftijd die zorgvuldig in plastic is gewikkeld en op 24 november 2015 wordt gevonden bij een appartementencomplex in het dorpje Beddau in Zuid-Wales. Pas daarna kan de vraag worden beantwoord wie hem heeft vermoord en vervolgens als een mummie heeft achtergelaten.

Buurvrouw Leigh Sabine zou het antwoord vermoedelijk wel hebben kunnen geven. Zij is alleen een maand voordat The Body Next Door (138 min.) wordt gevonden zelf overleden. De excentrieke dame op leeftijd spreekt tot de verbeelding van de dorpsbewoners, die in deze intrigerende driedelige true crime-serie van Gareth Johnson hun licht laten schijnen over de raadselachtige zaak. Was Leigh nu verpleegster, zangeres of hondenfokster geweest? En waar kwam zij eigenlijk vandaan? Uit Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika of toch gewoon – niet eens zo ver van Wales – uit Reading?

Kortom: whowasshe? Zou het antwoord op die vraag kunnen bijdragen aan een oplossing van het mysterie rond het lijk dat is aangetroffen bij haar appartement aan Trem-Y-Cwn 57 in het voormalige Welshe mijnwerkersdorp? En hoe zit ‘t met die vijf kinderen waarover Leigh Sabine net voor haar dood ineens terloops had gesproken? Bestaan die werkelijk? Of zijn zij een product van de ongebreidelde fantasie van de oudere vrouw, die altijd rookgordijnen rond zich optrok? De ene vraag is nog niet beantwoord in deze puike productie of de volgende dient zich alweer aan.

Whydunnit bijvoorbeeld. Waarom is die onbekende man door wie gedood? Gaandeweg openbaart zich aan de hand van zulke vragen een opzienbarende geschiedenis, die door Gareth Johnson bovendien fraai is vormgegeven en zeer ingenieus wordt uitgepakt. Als een delicaat geoffreerd cadeautje, dat stukje bij beetje z’n geheimen prijsgeeft – en dat dan vaak nét iets anders uitvalt dan de oplettende kijker zelf al had zitten te bedenken. Niet onbelangrijk daarbij: ook terug redenerend blijft het verhaal rond dat vacuüm verpakte lichaam kloppen. En de daarin opgevoerde personages krijgen intussen alsmaar meer diepte.

Trefzeker stevent The Body Next Door zo af op een even ontluisterende als bevredigende ontknoping. Als er nog één laatste vraag wordt beantwoord: whendunnit?