King Bibi – The Life And Performances Of Benjamin Netanyahu

VPRO

Met een gewiekste presentatie over de gevaren van Iran verleidde Benjamin Netanyahu de Amerikaanse president Trump in 2018 om zich terug te trekken uit de nucleaire wapendeal met Israëls aartsvijand. Hoe lukte het de leider van zo’n klein land om de grootste supermacht van de wereld te bewerken? vraagt filmmaker Dan Shadur zich af bij de start van King Bibi – The Life And Performances Of Benjamin Netanyahu (87 min.). En hoe kan het dat hijzelf inmiddels zo onvermijdelijk is geworden dat zowel voor- als tegenstanders zich Israël niet meer kunnen voorstellen zónder hem?

Netanyahu kan binnenkort de langstzittende Israëlische premier worden. Shakur ziet een duidelijk startpunt voor ’s mans politieke carrière: het overlijden van zijn broer Yoni in 1976, tijdens de geruchtmakende bevrijdingsactie bij een gekaapt vliegtuig met Joodse passagiers in Entebbe. Na de dood van zijn broer vertrekt Netanyahu naar de Verenigde Staten en wordt hij uiteindelijk een vaste gast in Amerikaanse talkshows. Tijdens mediatrainingen heeft hij de taal van het volk leren spreken. Dat legt hem geen windeieren. Hij wordt steeds nadrukkelijker gezien als de ‘young and coming man’ van de Israëlische politiek.

Dit kritische portret laat, aan de hand van louter media-optredens, zien hoe ‘Bibi’ een Amerikaanse stijl van campagne voeren, en de bijbehorende spin doctor Arthur Finkelstein, introduceert in zijn eigen land. Shadur schetst Netanyahu als een typische mediapoliticus, die slim appelleert aan het sentiment van de man in de straat, via zijn eigen kanalen rechtstreeks met hem kan communiceren en intussen doelbewust voortdurend oorlog maakt met de ‘linkse’ pers. Daarbij gebruikt hij een insteek, toonzetting en begrippenkader (‘heksenjacht’ bijvoorbeeld), die we inmiddels met een andere politiek leider zijn gaan associëren.

En dat illustreert, volgens Shadur, weer de huidige positie van Benjamin Netanyahu: waar hij ooit zelf in de leer ging in de Verenigde Staten, laven rechtse Amerikaanse politici zich tegenwoordig aan zijn onomstreden knowhow.

Man On Wire

Show Art

In de Oscar-winnende documentaire Free Solo stelt Alex Honnold zijn leven in de waagschaal voor een zelf opgelegd bovenmenselijk doel. Zonder enige vorm van zekering, free solo, wil hij de negenhonderd meter hoge bergwand El Capitan beklimmen. Als hij daarin slaagt, valt hem eeuwige roem ten deel. Anders wacht de peilloze diepte en een roemloze dood.

Ruim veertig jaar eerder wilde Philippe Petit, de hoofdpersoon van de eveneens Oscar-winnende documentaire Man On Wire (94 min.) uit 2008, koste wat het kost een soortgelijke megalomane prestatie leveren. In 1974 probeerde hij als koorddanser de Twin Towers van het New Yorkse World Trade Center te bedwingen. Via een koord tussen de twee torens, op ruim vierhonderd meter hoogte, liep de Fransman van de ene naar naar de andere kant.

Omdat hoogmoed niet altijd voor de val hoeft te komen, kan hij het nog steeds navertellen. ‘Het feit dat koorddansen wordt omringd door de dood maakt het fantastisch’, zegt Petit, een man die zichzelf graag hoort spreken en grote woorden bepaald niet schuwt, in dat karakteristieke Engels met een Franse inslag. ‘Want daardoor moet je het héél serieus nemen. Een heel klein foutje of een fractie van een seconde niet opletten, kan je je leven kosten.’

Behalve de waaghals zelf komen in deze boeiende film van James Marsh ook enkele handlangers aan het woord. Zij faciliteerden ‘de coup’ en riskeerden daarmee problemen met de wet. Want legaal was het natuurlijk niet om van de ene naar de wolkenkrabber te dansen. En wat als het fout zou aflopen? Philippe Petit had echter geen keuze. Hij was voorbestemd voor de Twin Towers – of zij voor hem. ’Hij kon niet meer verder leven als hij niet had geprobeerd om die torens te veroveren’, zegt zijn vriendin Annie. ‘Het voelde alsof ze speciaal voor hem waren gebouwd.’

Marsh reconstrueert Petits briljante/bezopen actie, waarmee hij in de hele wereld verbazing en bewondering oogst. De filmmaker kan daarbij teruggrijpen op een heel arsenaal archiefmateriaal en vult dit aan met nieuw geschoten beelden. Met die bouwstenen, bijeengehouden door weelderige klassieke muziek, fabriceert hij zowel een overtuigend narratief over ‘the artistic crime of the century’ als een fascinerende karakterschets van een man met meer geldingsdrang dan eigenlijk goed voor hem is.

Zo bezien zijn er inderdaad opvallende parallellen tussen Man On Wire en Free Solo. Er is ook een belangrijk verschil: waar Honnold niets te verliezen lijkt te hebben, wil Petit heel nadrukkelijk winnen.

De Vrouwen Van Venserpolder

Human

In de Amerikaanse stad Detroit, jarenlang zo’n beetje het toonbeeld van stedelijk verval, deed het fenomeen al enige tijd geleden opgeld: moestuinen, in het hart van de stad. Ofwel: ‘a holististic approach to neighborhood revitalization’. Het is niet meer dan logisch dat in of vlakbij de Nederlandse Bijlmer een soortgelijk initiatief is ontstaan.

De binnentuin van woonblok tien in de wijk Venserpolder, gebouwd in de jaren tachtig, was vanwege overlast jarenlang verboden terrein. Inmiddels is de tuin weer geopend. Vrouwelijke bewoners, veelal van Surinaamse afkomst en zonder echtgenoot, zijn er een stadstuin begonnen en leren zo de wereld om hen heen en – vooral – elkaar beter kennen. ‘Oma’ Meli heeft bijvoorbeeld nog altijd heimwee naar Suriname, maar bouwt te midden van zelf verbouwde groenten echt een vriendenkring op.

In de observerende documentaire De Vrouwen Van Venserpolder (47 min.) van Eva de Breed spelen mannen nauwelijks een rol. Ze zitten werkeloos achter de geraniums, verblijven in de gevangenis of zijn, gewoon, afwezig. Wijkbeheerder Ulrich Wilson, in een grijs verleden profvoetballer bij Ajax, Ipswich Town en FC Groningen, kan erover meepraten. Hij zat ooit drie jaar thuis. ‘En dat is gewoon niet goed voor je bovenkamer. Daar gebeurt dan niks. En daar word je niet gelukkig van.’

Gaandeweg sijpelt de buitenwereld ook stiekem de tuin in. Van het wegwerken van schulden tot familieleden die het verkeerde pad op dreigen te gaan. Terwijl de vrouwen groenten verbouwen, ontstaan er nieuwe sociale verbanden en krijgt de urban jungle om hen heen weer voorzichtig de kleur groen. Dat is de optimistische boodschap van De Vrouwen Van Venserpolder, dat laat zien hoe een klein initiatief de sociale cohesie in een wijk kan vergroten.

The Legend Of Cocaine Island

Netflix

‘Ken je het verschil tussen een sprookje uit het Noorden van het land en een sprookje hier uit het zuiden?’ vraagt Russell, een goedlachse bewoner van het dorpje Archer in de Amerikaanse staat Florida, bij aanvang van deze kostelijke documentaire. ‘Een noordelijk sprookje begint met: Once upon a time. En een zuidelijk sprookje met: Y’all ain’t gonna believe this shit!’

Voordat Russell daadwerkelijk aan zijn verhaal begint, heeft Theo Love, de maker van The Legend Of Cocaine Island (97 min.), echter nog een disclaimer: ‘We can’t confirm many details of this story.’ Tis maar dat u ’t weet. Waarna Russell nog eens goed op zijn praatstoel gaat zitten en begint te vertellen over zijn buurman Julian: ‘Zijn vrouw runde een schildpaddencentrum in Culebra. Julian liep op het strand op zoek naar schildpadnesten en zo begon het verhaal.’

In de zee bij Puerto Rico heeft de hippie Julian vijftien jaar eerder een tas gevonden, die maar liefst 32 kilo cocaïne bevat. ‘Dus iemand was een hoop geld kwijt.’ Julian weet volgens Russell niet wat hij ermee moet doen. ‘Uiteindelijk zei hij: verrek! Hij begroef het. En daar lag het voor meer dan tien, vijftien jaar.’ Totdat het verhaal dat al tijden rondgaat in Julians nieuwe woonplaats Archer een plaatselijke aannemer bereikt, ene Rodney Hyden.

En die lijkt zo te zijn weggelopen – als ik niet zoveel respect had voor de medemens, zou ik zeggen: weggewaggeld – uit een doldwaze film van Quentin Tarantino of Guy Ritchie. Over kleine kruimelaars die het grote geld ruiken en maar al te graag die verborgen schat willen gaan opgraven – al zijn ze in eerste instantie wel de schop vergeten. Dat klinkt als een karikaturale avonturenfilm en dat is het ook. Een true crime-comedy, met vette humor, kekke muziekjes en kolderieke verhaalwendingen.

En, natuurlijk, talloze larger than life-personages: de nét iets te goedgelovige antiheld Rodney, diens verwende vrouw Jamie, hun schalkse dochter Emily, de plaatselijke ‘stoner kid’ Andy die wel een extra zakcentje kan gebruiken, een kleine naamloze dealer die zich verschuilt achter zijn sjaal met een skelet erop én Carlos, de authentieke Latijns-Amerikaanse drugscrimineel die zo lijkt te zijn weggelopen uit Scarface. Voor een grijpstuiver zijn ze voor zowat alles te porren.

The Legend Of Cocaine Island is zo’n beetje de antithese van de gemiddelde documentaire, waarin een zwaarwegende maatschappelijke kwestie tot achter de komma wordt uitgediept. In deze baldadige film verbindt Theo – zou ’t een artiestennaam zijn? – Love op onnavolgbare wijze humor en elementen uit documentaire en speelfilm met elkaar. Het eindresultaat, waarin de hoofdpersonen met zichtbaar plezier hun eigen lotgevallen naspelen, fladdert vrolijk op en neer tussen waarheid, herinnering en broodje aap en hapt verdacht lekker weg.

Verward

EO

Momentje hoor, daar komt iemand’, zegt Will tegen de camera die hij altijd op zijn buik draagt, ook tijdens het fietsen. Iemand op een brommer komt hem tegemoet gereden in de polder. Zodra die is gepasseerd, hervat Will zijn verhaal. ‘Ik heb hier met groepsstalking te maken, met gangstalking. Met organised harassment. En mind control, of althans een poging daartoe. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik besef dat ik mijn leven lang al gemonitord word en gemanipuleerd.’

Will uit ‘s-Hertogenbosch is de hoofdpersoon van Verward (57 min.), een documentaire van Jos de Jager. Die vermeldt meteen aan het begin van de film dat hij Will bewust niet herkenbaar in beeld heeft gebracht. Tegelijkertijd heeft Will bij het maken van zijn eigen beelden ‘soms een andere keuze gemaakt’. En dat laat De Jager dan wél zien. Zodat we het gezicht van de man die er de wildste complottheorieën op nahoudt gewoon kunnen zien. Een onnavolgbare redenering. Had De Jager Will niet écht tegen zichzelf in bescherming moeten nemen?

De strijd van de Bosschenaar met zijn buren en de plaatselijke woningbouwvereniging Zayaz doet soms denken aan de voortdurende conflicten die Matthijs met zijn directe omgeving uitvecht in De Regels Van Matthijs, de aangrijpende film van Marc Schmidt. Van dat kaliber is Verward niet. De televisiedocumentaire, die voor het leeuwendeel bestaat uit beelden die Will zelf heeft gemaakt (en die hij normaal op YouTube zet), geeft wel op indringende wijze de belevingswereld van iemand met paranoïde wanen weer. Dit is zíjn perspectief op de werkelijkheid, waaraan De Jager met enkele kritische interviewvragen slechts beperkt morrelt.

‘Waaraan heb ik het verdiend dat ik zo behandeld word?’ vraagt Will aan de rechter die zijn verweer tegen een mogelijke huisuitzetting behandelt. Het is allemaal de schuld van de – en dan volgt zijn vaste riedel – fascisten, psychopaten en satanisten, die hem stelselmatig in de gaten houden en intimideren. Totdat, zoals één van zijn buurtgenoten het treffend uitdrukt, de bom barst… Dat fatale moment, waarop bij Will of één van de mensen uit zijn directe omgeving de stoppen doorslaan, lijkt nooit ver weg.

In deze documentaire vindt Will ongetwijfeld weer validatie voor zijn continue strijd tegen alles en iedereen. Anderen zien hoe een actueel maatschappelijk probleem – ruim negentigduizend meldingen over verwarde mensen per jaar – (g)een menselijk gezicht krijgt. ‘Ik ben niet verward’, constateert Will nochtans stellig in deze film, die ongetwijfeld het nodige rumoer zal veroorzaken. ‘Júllie zijn verward.’

The Trial Of Ratko Mladic

De filmbeelden tonen een niet te bevatten waarheid. ‘Nermin, kom hier. Ik ben hier!’, schreeuwt Ramo Osmanovic met zijn handen rond z’n mond naar zijn zoon, die zich buiten beeld in de bossen heeft verstopt. ‘Het is hier veilig. Bij de Serviërs. Kom allemaal hierheen.’ Als ze zich overgeven, zo is Ramo verzekerd, zullen de Serviërs hen sparen. Zijn weduwe kan het afschrikwekkende tafereel bijna twintig jaar later nog altijd nauwelijks aanzien.

Saliha Osmanovic is door het Internationaal Strafhof in Den Haag opgeroepen als getuige. Ze legt een verklaring af tegen de voormalige Servische legerleider Ratko Mladic, die het Bosnische dorp Srebrenica in 1995 zou hebben laten zuiveren van moslims en duizenden moslimmannen en –jongens de dood zou hebben ingejaagd. Waaronder Saliha’s echtgenoot Ramo en hun twee zoons, die hij ongewild met zich mee heeft genomen in het (massa)graf.

In de indringende documentaire The Trial Of Ratko Mladic (113 min.) wordt het proces gevolgd tegen de man die door veel van zijn landgenoten nog steeds wordt beschouwd als een patriottische held, terwijl de rest van de wereld een oorlogsmisdadiger in hem ziet. De filmmakers Henry Singer en Rob Miller hebben vijf jaar gefilmd bij het Joegoslavië-Tribunaal en kregen daarbij toegang tot zowel de aanklagers en slachtoffers van de verdachte als zijn verdediging en familie.

Mladic zelf zwijgt in alle toonaarden, in de rechtszaal en in deze film. Zijn gedrag in archiefmateriaal van de oorlog spreekt echter boekdelen. Hoe hij zijn opponenten intimideert of als een onvervalste oorlogshitser haattaal uitslaat (‘Eindelijk is de tijd gekomen om wraak te nemen op de moslims in deze regio’). Maar ook: hoe hij de leiding neemt bij het regelen van vervoer voor een groep mensen, weg van het strijdgewoel. ‘Wees niet bang en blijf kalm. Laat de vrouwen en kinderen eerst gaan.’

Tenminste, dat laatste beeld willen zijn advocaten over het voetlicht brengen: een rechtschapen man die simpelweg voor zijn land en volk opkomt. Mladic’ belangenbehartigers ontkennen niet dat daarbij doden zijn gevallen, maar stellen dat de generaal zelf daarvoor niet verantwoordelijk was. De aanklagers zetten daar een uitputtende hoeveelheid bewijsmateriaal en schokkende persoonlijke getuigenissen van nabestaanden tegenover.

De gruwelen van de oorlog worden tastbaar in een hartverscheurende scène met een vrouw uit één van de moslimdorpen die tijdens de Joegoslavische burgeroorlog volledig zijn weggevaagd. Na ruim twintig jaar moet Elvira Karagic haar vader identificeren. Zijn lichaam is aangetroffen in een massagraf bij Tomasica, dat tijdens de rechtszaak is ontdekt. Elvira heeft in totaal 32 familieleden verloren, vertelt ze. En nu ziet ze, bij het stoffelijk overschot van haar vader, eindelijk de kogelgaten in diens kleding.

The Trial Against Ratko Mladic verbindt ontwikkelingen tijdens de rechtszaak zo op een logische manier met de onderliggende gebeurtenissen en maakt bovendien een zeer afgewogen indruk. Het is een film die de oorlog in zijn historische context plaatst, geen gemakkelijke tweedeling maakt tussen daders en slachtoffers en toch laat zien dat de waarheid, hoe betwist of ongemakkelijk ook, uiteindelijk altijd moet prevaleren.

Nummer 14 Johan Cruijff

Als Nummer 14 Johan Cruijff (85 min.) één verdienste heeft, dan is het dat de film uit 1973 de beste Nederlandse voetballer aller tijden in volle glorie laat zien. Johan Cruijff dartelt, kapt, draait, passt, protesteert, pingelt, hakt, versnelt, bikkelt, dirigeert, zet voor, provoceert, kopt, wijst, gaat neer én scoort. Natuurlijk. Altijd in beweging, vaak in slow-motion. En steevast begeleid door muziek: zwierige jazz of de lyrische themamuziek van Tonny Eijk (die eigenlijk alles uitdrukt wat er valt te zeggen over Cruijff).

‘Ik heb van mezelf nog nooit van zijn leven een hele goeie wedstrijd zien spelen’, zegt hij tijdens een interview thuis in Vinkeveen, in de taal die zijn handelsmerk zal worden. ‘Dus helemaal één goeie wedstrijd.’ De jonge Cruijff wijdt uit: ‘Je hebt ook heel vaak dat je voor jezelf een goeie wedstrijd gespeeld heb, maar dat niemand ziet dat je een goeie wedstrijd gespeeld hebt. Plus dat veel mensen zeggen: je heb wel goed gespeeld. Terwijl je in wezen niet goed gespeeld hebt.’

Ook prachtig: hoe Cruijff in deze film van sportjournalist Maarten de Vos (en zijn eigen schoonvader/zaakwaarnemer Cor Coster) thuis de Europa Cup 1-finale van Ajax tegen Inter Milan uit 1972 terugkijkt op televisie en (speciaal voor de documentaire) commentaar geeft bij de close-up beelden die van hem en zijn directe tegenstander, de ouderwetse mandekker Gabriele Oriali, zijn gemaakt. Hij spoelt de videoband zelfs even terug om te demonstreren hoezeer hij steeds, met onreglementaire middelen, in zijn spel wordt gehinderd.

De Cruijff van Ajax was dus al vóór zijn vertrek naar FC Barcelona in 1973 (een periode die poëtisch wordt behandeld in de documentaire Johan Cruijff: En Un Momento Dado en de Spaanse film Cruyff: The Last Match) behoorlijk wereldwijs. Een betweter, zoals critici hem nog vaak zullen noemen. In deze klassieke sportfilm schemert daar zo nu en dan nog eens het jongetje Johan doorheen.

Als hij over zijn, jong overleden, vader vertelt, bijvoorbeeld. Of voorgaat in een trip nostalgia door Betondorp, de wijk waar hij opgroeide en nu zijn moeder, pleegvader en jeugdvrienden tegenkomt. En die ene buurman, die nog altijd in zijn tuin zit te wroeten. Hij pakte vroeger regelmatig Johans bal af. Iets waar de Oriali’s van deze wereld hem om zouden gaan benijden.

Natuurlijk, naar hedendaagse maatstaven is Nummer 14 Johan Cruijff een tamelijk trage documentaire, die ogenschijnlijk willekeurig schakelt tussen interviews met de hoofdpersoon, achter de schermen-scènes en overvloedige wedstrijdbeelden. Tegelijkertijd is de film een wezenlijk onderdeel geworden van De Mythe Cruijff, het definitieve beelddocument over zijn Ajax-periode. Een nostalgisch stemmende weerslag bovendien van een tijd, waarin topsporters ineens een popsterrenstatus konden krijgen.

Onverharde Weg Naar Vrede

EO

Als de vrede in Caldono slaagt, dan is er hoop voor geheel Colombia. Ruim een halve eeuw werd er een burgeroorlog uitgevochten in het Zuid-Amerikaanse land. Al die tijd bevond het kleine dorp zich in de frontlinie. Het leverde bovendien talloze strijders voor het rebellenleger FARC, die vervolgens op alle mogelijke manieren schade hebben toegebracht aan hun eigen geboortedorp.

Op 23 november 2016 werd er een vredesakkoord gesloten tussen het FARC en de Colombiaanse regering, zodat alle strijders nu kunnen terugkeren naar huis. Maar hoe ga je om met mensen, die volledig zijn gevormd door de oorlog? Hoe houden zij zich staande zonder ‘moeder FARC’? En, belangrijkste vraag, zijn hun slachtoffers bereid om hen vergeving te schenken en weer op te nemen? Dat is het centrale dilemma van Onverharde Weg Naar Vrede (55 min.).

Terwijl de meeste bewoners van Caldono vooral proberen te vergeten en nog lang niet bereid zijn om te vergeven, wil Farid Julicué de plaatselijke gemeenschap voorbereiden op de terugkeer van de strijders. De bedachtzame en dappere dorpeling legt zijn oor te luister bij zowel FARC-veteranen als hun slachtoffers en hoopt in deze delicate documentaire van Jaap van ‘t Kruis een dialoog tussen hen op gang te kunnen brengen.

Behalve Julicué portretteert Van ‘t Kruis, die zelf volledig op de achtergrond blijft, ook enkele voormalige FARC-strijders, die in een nabij gelegen transitiekamp verblijven en zich opmaken voor een terugkeer naar het dorp dat ze als tiener verlieten. Intussen komen via radio en televisie berichten binnen over steeds verder escalerende conflicten. Want een vredesakkoord betekent niet automatisch ook een einde aan het geweld…

The Inventor: Out For Blood In Silicon Valley

‘One tiny drop changes everything.’ In die soepele slogan zat de complete bedrijfsfilosofie van Theranos verscholen. Met één klein druppeltje bloed zou de startup van Elizabeth Holmes, een idealistische jonge vrouw die het bedrijf op haar negentiende oprichtte en het sindsdien als haar eigen keizerrijk regeerde, vroegtijdig en goedkoop ziektes en aandoeningen kunnen opsporen, waarvoor tot dat moment nog heel duur onderzoek en héél veel bloed nodig was. 

Dat klonk als een revolutionaire vernieuwing. En zo presenteerde Holmes het door haar bedrijf ontwikkelde testapparaat ‘Edison’ ook. Binnen enkele jaren was de startup negen miljard dollar waard en stak Holmes met deze ‘Apple van de gezondheidszorg’ inderdaad haar grote idool Steve Jobs naar de kroon. Ze was net dertig en werd beschouwd als een genie, dat zich net zo gemakkelijk tussen CEO’s van topbedrijven als leden van de regering Obama bewoog. Het leek allemaal te mooi om waar te zijn. En dat was het natuurlijk ook.

In The Inventor: Out For Blood In Silicon Valley (119 min.) ontleedt Alex Gibney, die eerder al ‘vijandige’ portretten maakte van Julian Assange, Lance Armstrong en Steve Jobs, de opkomst van het bewierookte fenomeen Elizabeth Holmes en haar onvermijdelijke neergang in de afgelopen jaren. Gibney fungeert zelf als verteller en verbindt op gewiekste wijze een overload aan archiefbeelden van Holmes en Theranos, verzameld feiten- en bewijsmateriaal en interviews met belangrijke getuigen, journalisten en deskundigen met elkaar. De vormgeving is zoals gebruikelijk even fraai als bombastisch.

Met muziek zet de Amerikaanse regisseur bovendien lekker cynische accenten. Wie deze overtuigende film heeft gezien, zal MC Hammers U Can’t Touch This voortaan associëren met de zorgvuldig geënsceneerde zegetocht van Holmes voor haar eigen personeel, terwijl het water hen allang aan de lippen staat. Zo construeert Gibney een dwingend narratief waarin de hoofdpersoon steeds verder wordt afgeschminkt, totdat het demasqué compleet is en niemand er meer omheen kan: ook deze steevast in zwart geklede keizerin heeft in werkelijkheid helemaal geen kleren aan.

The Disappearance Of Madeleine McCann

Netflix

De uitkomst van deze documentaireserie over Madeleine McCann, die in 2007 op driejarige leeftijd verdween tijdens een vakantie in Portugal, staat op voorhand vast: elke aflevering start namelijk met een oproep om je bij de politie te melden als je informatie hebt over het Britse meisje. Hoewel Maddie sinds haar verdwijning op diverse plekken is gespot of zou zijn begraven, is ze twaalf jaar na dato nog altijd spoorloos. Als ze tóch in leven is – wat erg onwaarschijnlijk lijkt – wordt ze in mei overigens zestien.

Waarom, als er geen BREAKING NEWS!!! is te melden, dan toch een televisieserie? Dat vragen Maddies ouders zich waarschijnlijk ook af. Ze weigerden te participeren in The Disappearance Of Madeleine McCann (415 min.), al zijn ze middels archiefmateriaal, en enkele impliciete woordvoerders, wel degelijk prominent aanwezig in de achtdelige serie. Kate en Gerry McCann keerden zich in een persverklaring zelfs tegen deze nieuwe poging om licht in de zaak te brengen. ‘We zien niet hoe dit programma de zoektocht naar Madeleine kan helpen en zijn bang dat dit het lopende politieonderzoek kan hinderen.’

Los van eventuele belemmering van het onderzoek: mag je eigenlijk tegen de wil van de ouders een serie over hun vermiste kind maken? Tegelijkertijd: áls die ouders zelf verantwoordelijk zouden zijn voor Maddies geruchtmakende vermissing – wat nog altijd een mogelijk scenario is, dat ook in deze docuserie van Chris Smith natuurlijk volop aandacht krijgt – dan is het vanzelfsprekend goed dat elke tegel nog eens wordt gelicht. Zie daar het dilemma van deze lang uitgesponnen true crime-productie.

De strijd rond de serie is sowieso exemplarisch voor de onmogelijke relatie van de McCanns met de media: waar de pers kan fungeren als een megafoon voor de zaak en zoektocht naar Madeleine, pompt ze net zo goed complottheorieën en klinkklare nonsens rond. Nog afgezien van de continue plaag die al die opdringerige verslaggevers en cameramensen, ook als er geen nieuws te melden of te verwachten is, al twaalf jaar voor de ouders en hun twee andere kinderen vormen…

The Disappearance Of Madeleine McCann neemt de tijd om chronologisch de gebeurtenissen te schetsen en de verschillende personages (politieagenten, verdachten, journalisten, communicatiemedewerkers, mensenhandelactivisten, privé-detectives en would be-weldoeners) te introduceren. Anthony Summers en Robbyn Swan, auteurs van het boek Looking For Madeleine, fungeren als gids. Zij loodsen de kijker langs een enorme reeks getuigenverklaringen, bewijsmateriaal en theorieën over wat er gebeurd zou kunnen zijn. Theorieën waarvan je op basis van de oproep voor elke aflevering al weet dat ze (weinig tot) niets gaan opleveren.

Zo verdwijnt langzaam maar zeker alle lucht uit deze documentaireserie, die plichtmatig de ene na de andere onderzoekspiste afwerkt, zonder dat een geloofwaardige verklaring of conclusie in zicht komt. Vooral de beschamende behandeling van Madeleines familie door bepaalde media, die bijvoorbeeld ongevraagd dagboekfragmenten van Kate McCann publiceerden, kan de kijker nog enigszins moveren. Die zorgt tegelijkertijd echter voor argwaan: wat doet deze serie, die overigens zeker niet al te vijandig is naar de McCanns, in wezen anders dan de tabloidpers die in deze serie aan de kaak wordt gesteld? Ook deze true crime-reeks probeert immers te scoren met de mysterieuze vermissingszaak van de schattige Maddie.

Ademloos

Op archiefbeelden uit 1977 benadrukt Jacques Lepoutre, de huisarts van het Vlaamse dorp Kapelle-op-den-Bos, dat kanker als gevolg van asbest een zeer zeldzame ziekte is. ‘Op de 120.000 sterfgevallen in België vorig jaar zijn slechts tien mensen daaraan gestorven.’ Of er een verband is met asbest? ‘Dat weet ik niet. Maar ik kan bevestigen dat ik bij onze arbeiders geen enkel geval van mesiothelioom heb gezien.’

‘Uiteindelijk is ‘m er zelf aan overleden’, zegt Kapelles huidige huisarts Renaat Huysmans over Lepoutre, toentertijd tevens de bedrijfsarts van Etex-Eternit, een plaatselijke fabrikant van dakbedekkings- en bouwmaterialen die veelvuldig gebruik maakte van asbest. ‘Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt’, constateert Huysmans, die in de plaatselijke gemeenschap nog altijd heel veel loyaliteit naar het bedrijf ziet. ‘Ik vrees dat dat zeker en vast van toepassing is geweest.’

Filmmaker Daniel Lambo groeide op in Kapelle-op-den-Bos en zag van dichtbij hoe asbest huishield in zijn directe omgeving. Zijn vader, een vakbondsman die bij Etex-Eternit werkte, moet hebben geweten hoe de fabrikant doelbewust risico’s nam met de plaatselijke volksgezondheid. Hij wilde er tot aan zijn dood echter nooit over praten en vroeg zijn zoon zelfs om het onderwerp te laten rusten. Die slaat het vaderlijk advies met Ademloos (80 min.) overtuigend in de wind.

In zekere zin heeft vader Lambo daar zelf om gevraagd: hij stimuleerde zijn zoon ooit om vakantiewerk te gaan doen bij Etex-Eternit. Met het geld dat hij daarmee verdiende, kocht Daniel zijn allereerste camera. Enkele tientallen jaren later zet hij dat middel nu in voor een onderzoek naar het gebruik van asbest en de gevolgen daarvan. Zijn queeste is persoonlijk van aard, maar niet navelstaarderig of sentimenteel, en uitstekend gedocumenteerd bovendien.

De film brengt de Belgische filmmaker tot ver buiten zijn eigen landsgrenzen. Nadat asbest in de jaren negentig in de ban is gedaan in Europa, is de productie gewoon geoutsourced naar landen als India, waar een tweede Kapelle is ontstaan. In het kwadraat, welteverstaan. Het is een uiterst wrange conclusie. En de asbestindustrie, zo ervaart Lambo tijdens het maken van deze krachtige documentaire aan den lijve, geeft zich nog altijd niet zomaar gewonnen…

Rudeboy: The Story Of Trojan Records

Toen Bob Marley, de man die het iconische gezicht van reggae zou worden, zich halverwege de jaren zeventig goed en wel internationaal begon te manifesteren, werd Trojan Records gedwongen om de tent de sluiten. De Britse platenmaatschappij had als bruggenhoofd gefungeerd voor de wereldwijde distributie van de muziekgenres reggae, ska en rocksteady en vroege helden als Derrick Morgan, Toots & The Maytals, Desmond Dekker, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff in de vaart der volkeren opgestuwd.

Rudeboy: The Story Of Trojan Records (85 min.) blaast het stof van die essentiële muzikale periode, waarvan het startpunt vrij eenvoudig is te traceren: de onafhankelijkheid van Jamaica in 1962, waarna 100.000 inwoners verkassen naar de voormalige kolonisator Groot-Brittannië. Als bruidsschat nemen ze muziek mee naar hun nieuwe vaderland, die daar wordt omarmd door witte tegenhangers van de Jamaicaanse rudeboys. Deze skinheads, arbeidersjongens met gemillimeterde coupes, bretels en kistjes, maken van ska een multicultureel fenomeen. Later, als ook in het Verenigd Koninkrijk racisme welig begint te tieren, ontstaat echter ook een extreemrechtse variant. 

Regisseur Nicolas Jack Davies probeert die dampende Trojan-periode (1968-1975) daadwerkelijk te laten herleven met acteurs en een overdaad aan gefictionaliseerde scènes. Die zijn wellicht broodnodig – vanwege beperkt beeldmateriaal van enkele hoofdpersonages – maar leggen het qua authenticiteit af tegen het joyeuze archiefmateriaal. Want daarin gebeurt ‘t, met klassieke songs als Rudy, A Message To You, Monkey Man en Wonderful World, Beautiful People. En daaraan, aan loom of juist lustig swingende muziek die een halve eeuw na dato nog altijd uiterst vitaal klinkt en noopt tot ongegeneerd skanken, ontleent deze film zijn aantrekkingskracht.

The Disciples – Een Straatopera

Een Amerikaanse documentaire over het maken van een opera met daklozen laat zich vooraf eenvoudig uittekenen: een uit het (hún) leven gegrepen verhaal. Gespeeld en gezongen door acteurs die eerst uit hun schulp moeten kruipen, daarna regelmatig hardhandig bij de les of tot de orde worden geroepen en uiteindelijk, als eigenlijk niemand het meer verwacht, zichzelf volledig ontstijgen. Met als bonus aan het eind, terwijl het ovationele slotapplaus wegsterft: het onvermijdelijke zelfrespect.

The Disciples: Een Straatopera (90 min.) is niet die film. Het is een documentaire over het maken van een voorstelling die speciaal voor de documentaire wordt gemaakt. Een voorstelling van Ramón Gieling, die is vervat in een documentaire van, juist, Ramón Gieling. Over het Droste-effect gesproken. Het is dan ook een weerbarstige film, met een hoofdrol voor de dramatisch getoonzette muziek van componist Boudewijn Tarenskeen. Een film ook, waarin fictie en non-fictie voortdurend worden verweven. Zodat je je als kijker afvraagt: wat is waar? Of had waar kunnen zijn?

‘De dakloze is een icoon van de onrechtvaardige samenleving’, vertelde Ramón Gieling onlangs aan De Filmkrant, over zijn samenwerking met het dak- en thuislozenkoor De Straatklinkers. ‘Ik voel me aangetrokken tot de levens van verloren zielen die de contradicties van het menselijk bestaan verbeelden.’ Hij modelleerde de film volgens eigen zeggen naar Los Olvidados, een speelfilm over een Mexicaanse jeugdbende van Louis Bunuel uit 1950, maar ook het levensverhaal van Jezus Christus en zijn apostelen is (natuurlijk) nooit ver weg.

Gieling volgt het repetitieproces en de uitvoering van de voorstelling en lardeert dit zo nu en dan met een fragment uit de beschadigde levens van de voornaamste spelers. De melodramatische opera zelf beslaat het leeuwendeel van de film. Daar moet je zin in hebben: grootse composities, vol overgave (maar niet per definitie zuiver of oorstrelend) ingezongen. In een Engels dat voor distantie zorgt en tegelijk, door het overduidelijk Nederlandse karakter van de uitvoering ervan, diepmenselijk maakt. Het is een film die tegen de haren instrijkt. Die je hogelijk fascineert – of die je echt moet uitzitten.

Girl In Return

Haar vorige film over geadopteerde Ethiopische kinderen veroorzaakte in eigen land heel wat commotie. In Mercy Mercy (2012) maakte de Deense filmmaakster Katrine Rijs Kjær inzichtelijk hoe een adoptie helemaal fout kan lopen. Met alleen maar slachtoffers: Masho’s biologische ouders in Afrika, haar Scandinavische adoptie-ouders en het verweesde meisje zelf, dat uiteindelijk verstrikt raakte in de jeugdhulpverlening. Ook Kjær zelf kwam onder vuur te liggen: had ze niet moeten ingrijpen?

Enkele jaren later is er nu een soort vervolg, Girl In Return (55 min.). Ander meisje, hetzelfde liedje: het botert niet met de adoptie-ouders, tegen alle afspraken in is het contact met de biologische ouders rigoureus verbroken en ook dit kind dreigt een speelbal te worden van hulpverleners en de bijbehorende instanties. Ze is alleen wat ouder en al flink aan het puberen. Het adoptiekind in kwestie heet Amy Rebecca Steen. Althans, dat is de naam die ze van haar adoptiegezin heeft gekregen. Eigenlijk heet ze Tigist Anteneh. En ze zit gevangen tussen haar biologische, adoptie- en pleegouders.

Haar verhaal is ronduit treurig stemmend: op tienjarige leeftijd samen met haar zusje overgekomen naar Denemarken, slechts twee jaar later alweer uit huis geplaatst, in een pleeggezin terecht gekomen en daar weer weggehaald. Inmiddels is ze terug bij pleegmoeder Hanne, met wie ze een warme band lijkt te hebben, maar haar adoptieouders die de officiële voogdij hebben liggen dwars. Snapt u het nog? En zou het meisje zelf, dat terugverlangt naar Ethiopië en haar biologische moeder en zus, het dan kúnnen begrijpen? Intussen zit haar jongere zusje Buzayo nog gewoon in het adoptiegezin (en niet in deze film).

Kjær volgt Amy/Tigist van haar veertiende tot haar achttiende en filmt ook haar biologische familie in Addis Abeba, die (aan) haar blijft trekken. Waar ze in Mercy Mercy nog een rol als alwetende verteller claimde, blijft de documentairemaakster in deze wederom zeer schrijnende film geheel buiten beeld. Ze stelt alleen zo nu en dan een vraag aan het verweesde meisje, dat zich inmiddels afvraagt of de adoptie kan worden teruggedraaid. Van de Deense autoriteiten mag ze echter niet naar Ethiopië reizen om de band met haar familie te herstellen. Het is een hopeloos stemmende patstelling. Wie voelt zich geroepen, of genoodzaakt, om die te doorbreken?

Losers

Netflix

Bij een serie sportdocumentaires over ‘losers’ ga je automatisch bedenken wat Nederlandse bijdragen aan de reeks zouden kunnen zijn. Even vluchtig nadenken leverder al snel op: de onfortuinlijke debutant in het Nederlands elftal Marcel Peeper, schaatser Hilbert van der Duim die een ronde te vroeg dacht dat hij klaar was (commentator Leen Pfrommer: ‘Hilbert, jongen, je moet doorrijeh!’) en de spelers van het Feyenoord dat in 2010 met 10-0 werd afgedroogd door PSV.

In Losers, een pakkende titel waarbij de vlag de lading niet helemaal dekt, worden acht vergeten sportverhalen opgediept. Niet zozeer over verliezers als wel over sporters die werden geconfronteerd met diepe teleurstellingen of fikse ontberingen. Over een bokser die eigenlijk nooit de ring in wilde (en liever in Hollywood had gewerkt) en tegen een pijnlijke knockout oploopt. Een Brits voetbalteam, dat degradatie uit de allerlaagste divisie probeert te voorkomen en in het allesbeslissende duel wordt geconfronteerd met een bijtgrage politiehond. En een zwarte kunstschaatster uit Frankrijk die de volledig witte ijsdanswereld op zijn grondvesten doet schudden.

Meest in het oog springend is het relaas van de Italiaanse marathonloper Mauro Prosperi. Hij belandt tijdens de Marathon des Sables, een loodzware woestijnrace in Marokko, in een zandstorm, raakt vermist en moet noodgedwongen zijn eigen urine drinken en vleermuizen eten om te overleven. Het kost hem niet alleen bijna zijn leven. ’Met Indiana Jones leven is moeilijk omdat Indiana Jones er nooit is’, zegt zijn vrouw Cinzia met de nodige (zelf)spot. ‘En Indiana Jones denkt dat het hele leven uit avonturen bestaat. Maar het leven zelf is het avontuur.’

Deze achtdelige serie van Mickey Duzyj heeft een opzet die is te vergelijken met Andere Tijden Sport. In afleveringen van ongeveer een half uur wordt een vormende gebeurtenis uitgewerkt met de betrokken sporter, diens directe omgeving en enkele kenners van de desbetreffende sport. Het is een aanpak die bijna niet kan mislukken, al is-ie ook wat voorspelbaar. Alleen de geanimeerde scènes, waarmee herinneringen en gebeurtenissen uit het verleden worden verbeeld, geven Losers een eigen signatuur. In essentie zijn het echter gewoon verhalen, zoals die al veel vaker, soms beter en vaak slechter, zijn verteld. Over (jezelf) overwinnen – of niet.

En daarvan zijn er, zo lijkt het, nooit genoeg.

Weapon Of Choice

Zelfs geen ‘geen commentaar’ wil de Oostenrijkse wapenfabrikant geven aan de documentairemakers Fritz Ofner en Eva Hausberger. Want bij de firma Glock zijn ze officieel natuurlijk helemaal niet blij met het feit dat hun ‘semi-automatische 9mm-pistool met een magazijn van achttien kogels’ de standaard is geworden in wapenland. Geen handvuurwapen accurater en betrouwbaarder dan die oerdegelijke Glock.

Het Weapon Of Choice (89 min.) ziet er met zijn strakke zwarte ontwerp bovendien gelikt uit en ligt lekker in de hand én de mond. Want de Glock is tevens het favoriete vuurwapen van elke rechtgeaarde hiphopper. Het woord combineert ook zo lekker met rijmwoorden als lock, drop, pop en cock. Een beetje gangsterrapper zweert dus bij zijn Glock. En pocht erover: ‘Never leave home without it. Good thing we brought the Glock. Cuz’ I put away the shotgun. Borrow me a Glock’ (Cypress Hill).

Hoewel het Oostenrijkse familiebedrijf zich in de Verenigde Staten het liefst profileert als leverancier van leger- en politiewapens, is volgens Paul Jannuzzo, de voormalige bedrijfsadvocaat van Glock, eigenlijk elke schietpartij gratis reclame. Hij refereert daarbij aan een gruwelijk bloedbad in het Texaanse Killeen, het eerste grote incident waarmee Glock in verband wordt gebracht. ‘Als mensen verder kijken dan de gruwelijke omstandigheden, zien ze dat het wapen werkte.’

‘Het was niet het soort marketing dat je wilt’, zegt Jannuzzo er nog voor de vorm bij. ‘Maar helaas werkte het wel.’ Dat wordt elders in deze aardige film treffend geïllustreerd. Een man uit Chicago, dat hij vanwege het overvloedige geweld consequent Chiraq noemt, vergelijkt het handvuurwapen met niets minder dan een diamant. Een schietinstructrice vertelt zonder gêne dat ze haar holster met Glock thuis op de bank gewoon omhoudt. En een wapenverkoper bekent dat hij zich ronduit onveilig voelt als hij zijn wapen voor de verandering eens níet draagt.

Oprichter Gaston Glock zelf vaart er ondertussen wel bij en koopt met donaties aan doodshoofdaapjes, gehandicapte kinderen en Syrische vluchtelingen zijn eventuele schuldgevoel af. De hoogbejaarde entrepeneur heeft consequent elke interviewaanvraag voor deze documentaire afgewezen en weigert om in het openbaar verantwoording af te leggen voor het perverse businessmodel van zijn firma, die pas sinds begin jaren tachtig vuurwapens produceert. En misschien is dat ook wel het verstandigste: zeker in een vlek die je sloten met geld oplevert, ga je niet uit vrije wil wrijven.

Sergio Leone: Portrait Of An “Outlaw”

Hij is de filmhistorie ingegaan als de man die vanuit Europa de typisch Amerikaanse western opnieuw definieerde; van een clean cut-genre waarin eenzame helden met een witte cowboyhoed afrekenden met snoodaards met zwarte hoofddeksels maakte Sergio Leone een vuile en schemerige wereld waarin geen good guys of moraal bestaan en kogels en galgen(humor) de wet voorschrijven, vervat in klassiekers als The Good, The Bad And The Ugly en Once Upon A Time In The West. Intussen maakte de Italiaanse regisseur van de B-acteur Clint Eastwood een echte Hollywood-ster en lanceerde hij de carrière van één de grootste filmcomponisten aller tijden, Ennio Morricone.

Leone maakte echter ook een essentiële maffiafilm: het (in eerste instantie) onbegrepen meesterwerk Once Upon A Time In America, dat zich kan meten met de ultieme klassieker binnen het genre, de Godfather-trilogie. Het kost hem jaaaren om de epische film van de grond te krijgen, getuige het traditionele televisieportet Sergio Leone: Portrait Of An “Outlaw” (52 min.) van Jean-Francois Giré, waarin de acteurs Clint Eastwood en Claudia Cardinale, filmhistoricus Noël Simsolo en vriend en collega-regisseur Luca Verdone hun licht over de filmer laten schijnen. Want Hollywood vereenzelvigt Leone inmiddels volledig met westerns. En als hij het machtige maffia-epos, dat aanvoelt als een typisch Italiaanse filmopera, uiteindelijk tóch van de grond krijgt, zetten zijn eigen producenten hem alsnog de voet dwars.

De speelfilm wordt volledig verminkt uitgebracht en vervolgens afgemaakt door critici. De virtuoze regisseur, met een geheel eigen visuele stijl (waaronder die kenmerkende extreme close-ups van ogen) zal eraan ten onder gaan, gevloerd door een industrie die met zijn tengels maar niet van zijn kunst kan afblijven. ‘Mijn naam is Sergio Leone’, zegt hij zelf met de nodige zelfspot in dit onderhoudende portret. ‘En ik regisseer films die altijd te lang zijn en daarom worden ingekort.’ Pas als Leone zijn originele flash back-structuur herstelt, mag Once Upon A Time In America alsnog op lof rekenen. De verwikkelingen rond de film zijn hem echter zozeer aan het hart gegaan dat dit bezwijkt. Hij is pas zestig en laat louter klassieke films achter.

De documentaire Sergio Leone: L’Italiano Che L’Invento America is groter opgezet en geslaagder portret van de legendarische Italiaanse filmmaker.

Primary

Elke campagnedocu is eigenlijk schatplichtig aan één film: Primary (53 min.) van Robert Drew, een documentaire uit 1960 die ook wel wordt beschouwd als de allereerste representant van een nieuwe stroming, direct cinema. Deze tintelfrisse benadering van documentaire, waarbij het echte leven als het ware kon worden geobserveerd en geregistreerd, werd mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van mobiele camera- en geluidsapparatuur en zou ook zijn eigen helden opleveren.

In Primary werkten drie toekomstige iconen van de observerende documentaire samen. Regisseur Robert Drew zelf natuurlijk, die in de jaren zestig nog enkele andere belangrijke politieke films zou afleveren. En cameraman Albert Maysles. Met zijn broer David maakte hij in de navolgende decennia klassieke films als SalesmanGimme Shelter en Grey Gardens. En ook editor D.A. Pennebaker leverde nog een gestage stroom aan belangwekkende films af, waaronder klassiekers als Don’t Look Back, The War Room en Kings Of Pastry. Stuk voor stuk zouden ze bovendien tot op zeer hoge leeftijd actief blijven. Sterker: Pennebaker, 93 inmiddels, maakte samen met zijn vrouw en samenwerkingspartner Chris Hegedus in 2016 nog een film: Unlocking The Cage.

Primary leverde nóg een held op. Nee, niet de Democratische presidentskandidaat Hubert Humphrey (aan wie hier het liedje Vote For Hubert is gewijd). Maar zijn tegenstrever in de voorverkiezing van de Amerikaanse staat Wisconsin. Die van de Frank Sinatra-kraker High Hopes. Een relatief onbekende senator uit Massachusetts die, samen met zijn lieftallige echtgenote, zal uitgroeien tot een icoon van zijn tijd. Dat is in deze documentaire al zichtbaar: zodra de man zich op straat begeeft, wordt hij belaagd door (vrouwelijke) handtekeningenjagers. Voor hem zullen drie letters uiteindelijk genoeg zijn: JFK. Hij moet er wel jong voor sterven, op gruwelijke wijze bovendien.

Deze film slaagt er als nooit tevoren in om dicht bij zijn subjecten te komen en hún perspectief te laten zien. De politieke kandidaten zijn in die tijd nog opvallend benaderbaar. Iets wat in de navolgende decennia, mede als gevolg van de toenemende druk vanuit de media, flink onder druk komt te staan. Al zal het, ook in Amerika, mogelijk blijven om politieke kandidaten in de nek te blijven hijgen, getuige recente campagnefilms als Running With Beto en Knock Down The House. En altijd resulteert dat weer in de clichématige verkiezingstaferelen, die ook in Primary al zijn te zien: ‘spontane’ praatjes op straat met gewone burgers, eindeloze reizen door alle uithoeken van het land en gelikte verkiezingsspeeches, die zelfs toen al soms op matige cabaretvoorstellingen leken.

En die overbekende mixture van vaste rituelen mondt dan steevast, ook in Primary, uit in een enerverende verkiezingsdag, waarbij winst en verlies dicht bij elkaar liggen – en uiteindelijk toch iedereen zegt te hebben gewonnen.

I Used To Be Normal: A Boyband Fangirl Story

Mad Man

‘Welkom bij boyband-theorie’, zegt Dara terwijl ze met een stift op een whiteboard begint te schrijven. De Australische Take That-fan wijst op een foto van vier okselfrisse jongens met bloempotkapsels. ‘Dit zal sommige mensen misschien verbazen, maar het fenomeen begon met The Beatles. De vroege Beatles.’ Ze verduidelijkt: hun manager zorgde voor op elkaar afgestemde kleren en liet ze liefdesliedjes en enkele covers spelen. ‘De marketing en hysterie, alles was op en top boyband.’

Dara probeert het fenomeen boybands, het thema van de documentaire I Used To Be Normal: A Boyband Fangirl Story (94 min.), verder te plaatsen. Leeftijd: tussen 17 en 21 jaar oud. ‘Een boyband is een groep jongens. Idealiter drie tot vijf, maar vier is zeker ook mogelijk. En dan hebben we de songthema’s. De voornaamste is, natuurlijk, liefde. Omdat de meisjes die naar de liedjes luisteren moeten geloven dat de jongens die voor hen zingen.’ En seks? wil filmmaakster Jessica Leski weten. ‘Zolang het niet openlijk is.’

Dara, inmiddels een 33-jarige merkstrategist, ontleedt vervolgens nauwgezet de samenstelling van de groepen. Allereerst De Mysterieuze. Ze wijst enkele concrete voorbeelden aan op haar bord: Robbie Williams (Take That), Zayn (One Direction), John Lennon (The Beatles) en AJ (Backstreet Boys) van de groepen die centraal staan in deze film. En dan heeft een beetje boyband nog nodig: Het Schatje, De (Gevoelige) Oudere Broer en Het Sexy Ventje. ‘Daarvan is de kans het grootst dat-ie zijn shirt uitheeft.’ En tenslotte is er volgens Dara – we zouden hem bijna over het hoofd zien – Degene Die Je Altijd Vergeet.

Tenminste eentje van hen moet een instrument kunnen bespelen, stelt de nog altijd overtuigde Take That-fan. ‘Iemand die bij een radio-interview zijn instrument pakt, zodat ze een a capella-liedje kunnen doen.’ Belangrijk is tevens dat de bandleden goed zijn gestyled, in kleren die goed met elkaar matchen. Ook evident: géén baarden, wél gezichtsbeharing. Dara heeft nog meer regels: de groepsleden mogen zichzelf niet te serieus nemen. En vriendinnetjes zijn natuurlijk ook uit den boze! Zelf had ze, net als de andere boybandfans in deze vermakelijke documentaire, een crush op één specifiek lid: Gary Barlow. En dat is achteraf bezien best vreemd: Dara wist als tiener al dat ze op vrouwen viel.

De gemiddelde boyband gaat zo’n vijf jaar mee, constateert de dertiger uit Sidney tot besluit. ‘De hele reden dat dit fenomeen bestaat, los van wereldvrede, is dat het een commerciële onderneming is.’ Waarmee ze haar voornaamste punt heeft gemaakt. Tevreden kijkt Dara nog eens op het bord. In ruim twee minuten, één enkele documentairescène, heeft ze de complete film, die ruim anderhalf uur gebruikt om de impact van boybands op enkele fans te duiden, glashelder uiteen gezet.

De Waarheid Over Mijn Vader

Mijn vader is een held. In zijn geboorteland Liberia probeerde hij jarenlang zijn idealen in de praktijk te brengen. Hij is nu eenmaal een echte wereldverbeteraar.

Tenminste, dat dacht journaliste/columniste Clarice Gargard, die zelf in Nederland opgroeide. Totdat ze ontdekte dat ‘daddy’ onderdeel was van het regime van Charles Taylor. En werd die, sinds de staatsgreep die hem in 1992 aan de macht bracht, niet in verband gebracht met gedrogeerde kindsoldaten, kannibalisme en misdaden tegen de menselijkheid?

Filmmaker Shamira Raphaëla volgt Clarice terwijl ze, bijna tegen beter weten in, klaarheid probeert te krijgen over de rol van haar vader in de voortdurende Liberiaanse burgeroorlog. Is hij werkelijk een man om trots op te zijn? Of heeft haar onvoorwaardelijke liefde als kind een eerlijke beoordeling van Martin Gargard altijd in de weg gezeten?

De Waarheid Over Mijn Vader (52 min.) verstrekt dochterlief geen gemakkelijke antwoorden. En Raphaëla ziet zich soms genoodzaakt om Clarice Gargard ongemakkelijke vragen te stellen. Ze omkleedt de verhalen en ontdekkingen van haar hoofdpersoon bovendien met getuigenissen van slachtoffers over de gruwelen van de Liberiaanse oorlog.

De tone of voice, het unheimische geluidsdecor en de duistere kleurzetting van deze film (Engelse titel: Daddy And The Warlord) zijn opvallend onheilszwanger. Alles wijst erop dat pa Gargard echt wat op zijn kerfstok heeft. De symboliek van een beeld waarin ‘Daddy’ zich achter tralies lijkt te bevinden, is bijvoorbeeld nauwelijks mis te verstaan.

Intussen blijft het de vraag of Clarice de waarheid over haar vader wil zien. Of ze die als dochter eigenlijk wel kán zien.