Alreadymade

Tomtit Film

Het begint met een urinoir. In 1917 is dat object, een pispot dus, om in te plassen, anoniem ingestuurd voor een expositie in New York. Een gebruiksvoorwerp, gepresenteerd als conceptuele kunst. Readymeade, juist. Niet geaccepteerd door ‘The Society Of Independent Artists’, overigens. Tenminste, volgens de officiële lezing. Het object zelf is verdwenen. En het verhaal eromheen niet meer te controleren. Het object dat in de openingsscène van Barbara Vissers lekker onnavolgbare documentaire Alreadymade (86 min.) wordt gepresenteerd is een replica van achttien jaar later. Het is gesigneerd door ene R. Mutt en geldt inmiddels als één van de belangrijkste kunstwerken van de twintigste eeuw.

Het kunstwerk, vereeuwigd op een foto van Alfred Stieglitz (waarvan het negatief toevallig ook is verdwenen), wordt doorgaans toegeschreven aan Marcel Duchamp, één van de vaders van het Dadaïsme. Een man die volgens sommige kenners zijn tijd ver vooruit was. Hij liet het schilderen al snel achter zich. Kunst moest volgens hem méér zijn dan een lust voor het oog. Een stimulans voor het brein. Maar was ‘Fountain’ eigenlijk wel de schepping van Duchamp? Kwam het werk niet eigenlijk uit het brein van barones Elsa von Freytag-Loringhoven, een vrouw die altijd was weggezet als excentriek en gek? En was zij dan de moeder van de moderne kunst, waarvan iedereen altijd voetstoots had aangenomen dat die was geconcipieerd door een man?

Het is een discussie waarvan diezelfde kenners, die door Visser binnen een onwezenlijke virtual reality-omgeving zijn geplaatst, maar geen genoeg krijgen. Met zichtbaar plezier baant de documentairemaker zich samen met haar editor Tim Roza intussen een weg door het doolhof dat door (één van) de betrokken kunstenaars is opgetrokken en dat zij nu als een readymeade aan een niets- (of juist alles-)vermoedend 21e eeuws publiek offreert: verdwalen of verdwalen, wat gaat het worden? Want deze joyeuze, oorspronkelijke en filosofische film, over het wezen van kunst en auteurschap, is als een kamer met drie deuren. Zodra je de juiste hebt gevonden, stap je opnieuw een kamer met drie deuren binnen.

Is het niet door de inhoud, dan wel door de vorm van deze film – al ís vorm natuurlijk inhoud, zeker bij deze film. Visser probeert haar tot de verbeelding sprekende barones, de verpersoonlijking van de veronachtzaamde rol van vrouwen binnen de kunst, met onlangs opgeduikelde bewegende beelden, audio-opnamen, een androgyne actrice en allerhande visual effects een nieuw digitaal leven te geven. De vrouw die de mens zelf (ook) als kunstwerk zag. En dan is het uiteindelijk alleen nog de vraag of Fountain haar grote feministische, anti-oorlogsstatement was? Een ‘readymade staaltje misogynie, inclusief nep-handtekening’, van Duchamp? Of toch het geesteskind van onze eigen verbeelding? Al doet het antwoord er in wezen niet toe.

Het gaat weer eens niet om de eindbestemming, maar om de reis ernaartoe.

Whatever Forever: Douwe Bob

BNNVARA

Tien jaar geleden lagen dat ruige imago, al die verwekte kinderen en de alcoholverslaving waarvoor hij onlangs in behandeling ging nog in de toekomst verscholen. De documentaire Whatever Forever: Douwe Bob (38 min.) van Linda Hakeboom en Rolf Hartogensis uit 2013 bevat echter wel degelijk een soort aankondiging van wat er nog zou komen voor de getalenteerde Nederlandse zanger/gitarist. Ik schreef er destijds zelf over op een persoonlijk blog.

‘Als twee ondeugende kleuters zitten ze naast elkaar in de woonkamer’, constateerde ik toen geërgerd over Douwe Bob en zijn vader Simon Posthuma. ‘Stoere verhalen. Over hoe vader sigarettenfilters opat en peuken uitdrukte op zijn hand. Het litteken is nog te zien. Over de eerste snuif van zoonlief. Samen met papa. Toch? En over Korsakov, want dat krijg je niet van drinken, aldus Posthuma senior. Tenminste, niet alléén van drinken.’

‘Singer-songwriter Douwe Bob – de aller-allerbeste van Nederland – en zijn vader Simon, voormalig kunstenaar, muzikant én drankorgel’, schreef ik verder. ‘De intrigerende documentaire Whatever Forever schetst een ontluisterend beeld van de man die als designer ooit met The Beatles werkte en zijn getalenteerde zoon. Ook Douwe Bobs moeder komt aan het woord. Ze is opmerkelijk mild over haar ex-man, die zichzelf altijd voorop stelde. Ten koste van alles en iedereen’, stelde ik destijds ferm, om mijn punt te maken.

‘En Douwe Bob, volgens zijn moeder een leuk maar lastig kind, is inmiddels bij zijn drankzuchtige vader ingetrokken en probeert vooral diens leuke, spannende kant te zien. Dat past ook bij hoe Douwe zichzelf ziet als kunstenaar. Je vader die stomdronken in zijn broek plast is vooral een hilarische anekdote. Geen deerniswekkend beeld van een man die zijn wilde rondedans met het leven duur moet bekopen. Niet doorvertellen, Douwe, gebaarde papa nog. Of beter: doe maar wel. Het draagt bij aan onze mythevorming.’

‘Vanwaar onze fascinatie met de creatieve dronkaards en dopeheads?’ vroeg ik me tien jaar geleden ook nog af. ‘Waarom vergapen we ons zo graag aan verloren helden zoals Shane MacGowan, Courtney Love en Pete Doherty, die en plein public hun talent en leven verkwanselen? Zij weerspiegelen blijkbaar iets in ons dat we van een afstandje willen aanschouwen, maar zelf liever niet aanboren. Is het dat onontgonnen terrein in onze geest waarnaar alle kunstenaars op zoek zijn, een soort El Dorado, waarvan ook Douwe Bob en zijn vader lijken te dromen?’

‘Wij doen wat niemand durft,’ concluderen zij eensgezind aan het eind van de documentaire. ‘Kunstenaars en criminelen. Wij flirten met de onderwereld. En de onderwereld flirt altijd met de kunst.’ Ze zijn buitenmaatschappelijk, volgens Posthuma Senior, duidelijk nog steeds een kind van de sixties. Koorddansers. Romantici. Ze fucken ongegeneerd met ons. En – niet te vergeten – met zichzelf.’

Door al die dronkenmanspraat heb ik me, als echte moralist, toch wat in de luren laten leggen, denk ik nu. Want Douwe Bob zei wel degelijk ook heel andere dingen in dat muzikale portret uit 2013. ‘Ik wil gewoon niet zoals mijn vader eindigen’, bijvoorbeeld. En dat hij, net als zijn pa, geneigd was om over zijn eigen grenzen en die van anderen heen te gaan. ‘Ik wil dat helemaal niet, maar ik ben wel zo.’

Whatever Forever: Douwe Bob is hier te zien.

Teekay, De Salto Koning

Human

‘Salto Koning plundert Jumbo’, staat er op Dumpert, bij een filmpje dat al snel meer dan 100.000 views heeft. ‘Toen begon ik wel achter m’n hoofd te krabbelen van: oh shit man’, vertelt de biculturele jongen uit de Eindhovense probleemwijk Woensel, die het filmpje van de Avondklokrellen in 2021 maakte en vervolgens ook via zijn eigen Instagram-account Teekay040 heeft gepubliceerd. ‘Ik dacht: Ja!’ Dit is het moment om te laten zien wie ik ben, vriend. Zo dacht ik gewoon. Ik ben de King van Eindhoven.’

Deze koning – werkelijke naam: Dennis Kaal – heeft er dan al een veelbewogen leven opzitten, vertelt hij in Teekay, De Salto Koning (51 min.), een film die is vernoemd naar waar je hem eigenlijk van zou moeten kennen: zijn spectaculaire salto’s. Want dat leven laat zich verder samenvatten in een overbekend en tamelijk troosteloos rijtje: géén vader in beeld, verwaarlozing, jeugdzorg, pleeggezin en de gevangenis. Toch wordt tijdens die vier maanden cel vreemd genoeg de basis gelegd voor een soort ommekeer. 

Dennis heeft een goed gesprek met de burgemeester en krijgt daarna zelfs een budget van de gemeente om evenementen te organiseren. Het leven lijkt hem toe te lachen. Hij geeft overal lezingen als ervaringsdeskundige, krijgt volop aandacht in de media en wordt benaderd door familie van zijn vader. Tegelijkertijd probeert Teekay zijn carrière als rapper een kickstart te geven en wil hij ook zijn reputatie als breakdancer bestendigen. En bij al die activiteiten bevindt filmmaker Aiman Hassani zich aan zijn zijde.

Hij filmt hem bijvoorbeeld bij clipopnames in een parkeergarage, volgt zijn verrichtingen tijdens een dancebattle en is erbij op zijn verjaardag, die eigenlijk nooit gevierd wordt. Dennis lijkt oprecht van plan om zijn leven te beteren, maar zijn voorspoed is ook heel fragiel. Kan hij zich werkelijk losmaken van de omgeving, waardoor hij ooit in de problemen is gekomen? En passen Teekays ideeën voor de toekomst – huisje, boompje, beestje en een ‘dikke waggie’ – bij zijn nog altijd penibele financiële situatie?

Hassani opereert als een combinatie van ‘bro’ en biechtvader voor zijn hoofdpersoon, die zich duidelijk gezien voelt, graag zijn verhaal kwijt wil en onbekommerd nieuwe uitdagingen aangaat. Gaandeweg bekruipt je daarbij het gevoel dat Dennis waarschijnlijk niet zomaar in zeven sloten tegelijk zal lopen, maar wellicht wel in vier of vijf. Dat maakt hem overigens niet minder sympathiek en draagt alleen maar bij aan de zeggingskracht van dit toch wat schrijnende portret.

Pretty Sorrow

NTR

Zit depressie in families? En is het ook genetisch bepaald? Op voorhand lijkt het geen heel opwekkende missie die fotograaf en kunstenaar Jasper Abels zichzelf heeft gesteld. Enige tijd geleden is hij vanuit Parijs teruggekeerd naar zijn geboortegrond in Twente. In een schuur bij het huis van zijn oma, waar hij zelf ook een tijdje heeft gewoond, vindt Abels foto’s van de familie van zijn moeder. Hij wil dat verleden opvrolijken – erop tekenen, borduren en kleuren – zodat mensen misschien ook een beetje kunnen lachen om al die droeve en stemmige beelden uit vervlogen tijden.

Jasper Abels heeft zelf ook wel eens de bodem van de put gezien, vertelt hij in de fraaie documentaire Pretty Sorrow (50 min.) van Klaas Hendrik Slump. En zijn broer Jorrit en zus Ilse kennen die zelfs als geen ander. Zij hebben een einde aan hun leven gemaakt. Op de één of andere manier is ‘t hun ouders daarna toch gelukt om verder te gaan. Het leven mag dan nooit meer een tien worden, vertelt vader Henk nuchter, maar soms nog wel een acht. Het is een troostrijke gedachte – al hebben de traumatische gebeurtenissen natuurlijk wel degelijk een rouwspoor door de familie getrokken.

Dat leed is onvermijdelijk ook doorgesijpeld naar Jaspers werk, dat in de afgelopen jaren al een prominente plek heeft geclaimd in modebladen als Vogue, Harpers Bazaar en Vanity Fair en inmiddels ook is doorgedrongen tot musea. En daar komt die persoonlijke thematiek, mede door de sprookjesachtige en kleurrijke aankleding ervan, in z’n volle omvang tot zijn recht. Als zijn moeder Betsy met een vriendin door een expositie van haar zoon loopt, moet ze toch een paar keer slikken. Daar ziet ze, in allerlei verschillende vormen, representaties van de kinderen die hen zo tragisch zijn ontvallen.

Deze documentaire belicht verder de persoonlijke ontwikkeling van Jasper Abels als mens en kunstenaar en laat hem natuurlijk ook aan het werk zien, in weelderige decors met ravissant uitgedoste modellen, maar komt toch steeds weer terug bij de rouwrand rond zijn leven, vervat in twee afzonderlijke uitvaarten die werkelijk alles anders hebben gemaakt. Het heeft de fotograaf dichter bij zijn ouders gebracht, waarschijnlijk omdat ze ’t zich niet kunnen permitteren om ook elkaar nog te verliezen. Zoals zijn moeder Betsy ’t pijnlijk treffend uitdrukt: ‘Op Jasper moeten we extra zuinig zijn.’

Toch is Pretty Sorrow uiteindelijk geen topzware film geworden. Want net als zijn protagonist vindt Slump ook schoonheid in dit verdriet. En dat biedt weer troost en hoop voor de toekomst.

Albert Brooks: Defending My Life

HBO Max

Ze kennen elkaar van de Beverly Hills High School, de maker en hoofdpersoon van deze documentaire. Albert zei toen tegen Rob, die hij ontmoette bij toneelles, dat hij de bekende komiek Carl Reiner kende. ‘Ik ook’, antwoordde Rob. ‘Het is mijn vader.’

Zo zaten er nog wel meer kinderen van bekendheden in de klas. De dochters van acteur Lee J. Cobb en comedian Groucho Marx bijvoorbeeld. De latere topacteur Richard Dreyfuss zat er ook. En Albert natuurlijk. Die eigenlijk geen Brooks heet, maar Einstein. Die voornaam was een grapje van zijn vader, de komiek Harry Einstein (alias Parkyakarkus).

Voor Albert Brooks: Defending My Life (85 min.) nemen de hoofdpersoon en Rob Reiner plaats aan een tafeltje in een restaurant en halen samen herinneringen op. Albert Brooks krijgt alle gelegenheid om smakelijke anekdotes en grappen uit te serveren en mag daarbij rekenen op de gulle lach van zijn gesprekspartner, met wie hij nu al zestig jaar bevriend is.

Hun conversatie wordt gestut met geinige fragmenten uit Brooks’ optredens, talkshows en films en aangevuld door zijn vrouw en kinderen en een heuse sterrencast, bestaande uit Chris Rock, Jon Stewart, Ben Stiller, Larry David, Steven Spielberg, Judd Apatow, David Letterman, Sharon Stone, Conan O’Brien, Sarah Silverman, Brian Williams, Tiffany Haddish en Jonah Hill.

Zij hebben natuurlijk niets dan lof voor de ontregelende punkrocker onder de Amerikaanse comedians, een man die ongemak opzocht, zichzelf daarbij niet spaarde en zijn tijd volgens hen altijd vooruit was. ‘Ik zou liever Alberts carrière hebben gehad dan mijn eigen carrière’, vat David Letterman ‘t in dit veilige, positief ingestoken portret nog even netjes samen.

Rob Reiner, die zelf toch filmklassiekers als This Is Spinal Tap, Stand By Me en When Harry Met Sally regisseerde, is ongetwijfeld dezelfde mening toegedaan. En dat is dan weer een tamelijk wankel uitgangspunt voor een spannend portret, waarin de hoofdpersoon echt wordt ontleed en doorgrond.

Joan Baez: I Am A Noise

Magnolia Pictures

In haar zat een tijdbom verstopt, die ooit moest afgaan. Het gebeurde pas rond haar vijftigste. Sinds haar jongste jeugdjaren had de Amerikaanse zangeres Joan Baez, die inmiddels de tachtig is gepasseerd, echt wel door dat er iets grondig mis was. Op haar achtste had ze al psychische problemen, later volgden fobieën en paniekaanvallen. Vanaf haar zestiende zat ze in therapie. En desondanks brak Baez eind jaren vijftig al op achttienjarige leeftijd door als folkartiest.

Die verhaallijn van Joan Baez: I Am A Noise (113 min.), de film die Karen O’Connor, Miri Navasky en Maeve O’Boyle hebben gemaakt over de zangeres, mag bekend worden verondersteld: ze vond een zielsverwant in de jonge Bob Dylan, werd geraakt door de strijd van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging (Martin Luther Kings I Have A Dream-speech in het bijzonder, waarbij ze ‘t nog altijd niet droog houdt) en ontwikkelde zich vervolgens tot een belangrijk gezicht van het verzet tegen de oorlog in Vietnam. Op die kurk kon ze ruim een halve eeuw blijven drijven.

Daarachter bleef echter altijd die andere levenslijn verborgen: van een neurotische vrouw die al een leven lang lijdt aan slapeloosheid, zich maar heel moeilijk langdurig kan verbinden met andere mensen (ook niet met de vader van haar zoon, Gabe) en het gemakkelijkst contact legt met haar publiek, een gezichtsloze mensenmassa. Nu het einde van haar carrière en leven naderen, vertelt ze daar openhartig over. Baez’s intieme relaas wordt gestut met dagboekfragmenten, animaties, opnames van therapiesessies, tekeningen en brieven.

In de levensfase, waarin de populariteit die ze altijd als vanzelfsprekend had ervaren toch wat terug begon te lopen, kreeg Joan Baez wat ze zelf een ‘internal freak-out’ noemt. Ze wilde niet zijn wie en waar ze was. Er zat ‘iets monsterlijks’ in haar verstopt, constateerde haar moeder Joan. En toen die meer zicht kreeg op wat er aan de hand was, schreef ze in haar dagboek scherp over haar middelste dochter: ‘Ze heeft de normale wereld verlaten.’ Want haar ouders zaten bepaald niet te wachten op waarmee Joanie tijdens die crisis zoal op de proppen kwam.

Tijdens therapie had zij pijnlijke herinneringen hervonden – of zichzelf aangepraat, meenden anderen  – die bijvoorbeeld ook haar jongere zus Mimi parten hadden gespeeld. ‘Ik zou zijn gestorven als ik het eerder had gezien’, meent Joan Baez nu. In die realisatie zit ook het hart van dit uitstekende psychologische portret. Niet zozeer in haar persoonlijke inzichten over Dylan, King en Vietnam, maar in de geest van een gecompliceerde vrouw, die altijd iets ongemakkelijks heeft, ook in deze documentaire, en daarover nu ogenschijnlijk vrij lijkt te vertellen.

Stamped From The Beginning

Netflix

Het is een ongelijke strijd. Zwarte Amerikanen zijn Stamped From The Beginning (91 min.), volgens schrijver en historicus Ibram X. Kendi in zijn gelijknamige bestseller, die nu door de toonaangevende Afro-Amerikaanse documentairemaker Roger Ross Williams op virtuoze wijze is verfilmd. Ze zijn vanaf hun aankomst in de Verenigde Staten, op één van die vermaledijde slavenschepen op de Transatlantische route, geframed als nauwelijks te onderscheiden van beesten.

In die periode is volgens Kendi sowieso het concept ‘zwart’ ontstaan. Van tevoren beschouwden de tot slaaf gemaakten zichzelf nog gewoon als lid van een bepaalde Afrikaanse stam. Zij voelden zich helemaal geen onderdeel van één en hetzelfde ras. Hun slavenhouder kon zijn handel, naar zichzelf en de rest van de wereld, echter alleen verantwoorden als hij aannemelijk kon maken dat het om een minderwaardige mensensoort ging. Zwart dus. Als roet, de nacht en al wat sowieso het daglicht niet kan velen. En al die verschillende mensen hadden zich maar naar dat idee te voegen.

Het concept ‘wit’, zo betogen Kendi en de andere zwarte denkers die Williams in zijn puntige filmessay aan het woord laat, stamt zelfs van nog later datum. Toen ze zich wilden onderscheiden van arbeiders met een kleurtje konden Polen, Italianen en Ieren lekker schuilen onder wat activiste Brittany Packett Cunningham ‘een paraplu van witheid’ noemt. De twee bevolkingsgroepen zaten allebei onder de knoet bij een kleine, natuurlijk witte, elite en werden daardoor lekker tegen elkaar uitgespeeld. Drie keer raden welke groep zich uiteindelijk van dit juk wist te bevrijden.

Zulke inzichten hadden gemakkelijk tot een dor en tamelijk breedsprakig vertoog kunnen leiden waarin de witmens met allerlei, nauwelijks te betwisten, feiten om de oren wordt geslagen en intussen ook de ‘Black is beautiful’-gedachte wordt uitgedragen. Roger Ross Williams richt zich echter vooral op het wild kloppende hart uit Kendi’s boek en dient dit nu op met een caleidoscopische mixture van speelfilmfragmenten, animatie, nieuwsreportages, literatuur en kunst, waarbij een stuwende soundtrack er wel voor zorgt dat het tempo en de schwung erin blijven.

Te midden van Afro-Amerikaanse iconen zoals Frederick Douglass, Maya Angelou en Barack Obama houdt Williams echt even halt bij de baanbrekende vrouwen Harriet Jacobs (die als eerste haar eigen slavenverhaal op papier zette), Ida B. Wells (een burgerrechtenactiviste die het aantal lynchpartijen in kaart bracht) en Phillis Wheatley (de eerste zwarte vrouw met een dichtbundel). Na de publicatie van Wheatleys boek werd er overigens een commissie van wijze mannen – herstel: witte mannen – ingesteld. Want zulke poëzie kon toch niet zijn geschreven door ‘slechts een zwarte vrouw’? 

Zwierig slalomt Roger Ross Williams, aan de hand van het onderzoek van Dr. Ibram X. Kendi, zo door de historie van Zwart Amerika. Met prominente vertegenwoordigers als schrijfster Angela Davis, influencer Lynae Vanee en congreslid Cori Bush, langs de pijnlijke symbolen Willie Horton, Rodney King en King Kong (!), via zwarte hyperseksualiteit en -criminaliteit, dwars door witte iconen zoals Thomas Jefferson, Jefferson Davis en ‘white savior’ Abraham Lincoln, op weg naar George Floyd. Want Black Lives Matter blijkbaar nog altijd niet evenveel als die van witte Amerikanen.

Er is niets mis met zwarte mensen, concludeert Kendi. Maar alles met hoe we naar zwarte mensen kijken.

Ongewoon Gewoon: Sheila Gogol

EO

Deze film begint met een opening zoals je die tegenwoordig wel vaker ziet in documentaires: in een minuut of twee wordt een voorschot genomen op wat het komende uur zoal heeft te bieden. Bij Ongewoon Gewoon – Sheila Gogol (45 min.) passeren in dat intro bijvoorbeeld Martin Luther King, Marilyn Monroe en de Oscar-winnende film De Aanslag de revue.

Daarmee krijg je als kijker natuurlijk ook meteen een beeld van de vrouw die door Saskia van den Heuvel zal worden geportretteerd. Maar wie Sheila Gogol (1942-2022) nu precies was? Behalve de moeder van schrijver Robert Vuijsje en de ex-echtgenote van journalist Bert Vuijsje, welteverstaan. Die vraag blijft eigenlijk de gehele film in de lucht hangen – en daarmee ook de noodzaak en urgentie van de documentaire.

Uit de herinneringen van de sprekers in deze film – familieleden, vrienden, kennissen en Joodse geestelijken – komt een vrouw naar voren die tot menig hart is doorgedrongen. Sheila werd geboren in New York, leefde enige tijd in Israël en belandde uiteindelijk in Amsterdam. Ze was atheïstisch opgevoed, deed onderweg onvervalste hippie-idealen op en bleef van daaruit onvermoeibaar de dialoog opzoeken met anderen.

Een ontwikkelde vrouw, een lieve vrouw en volgens diverse intimi ook een heel mooie vrouw. Maar Ongewoon Gewoon maakt toch niet helemaal duidelijk waarom er (nu) een film over haar moest worden gemaakt, ook doordat Saskia van den Heuvel die documentaire tamelijk associatief heeft opgebouwd en de verwikkelingen rond haar hoofdpersoon slechts beperkt inkadert of in hun context plaatst.

Van mensen die Sheila Gogol nooit hebben gekend vraagt het dus het nodige inlevingsvermogen en schakelwerk om haar, via deze tv-docu, alsnog te ontmoeten en in het hart te sluiten.

Squaring The Circle: The Story Of Hipgnosis

Splendid Film

Even popquizzen: wat hebben Pink Floyd, T.Rex, Led Zeppelin, Genesis, Paul McCartney, Wishbone Ash, Electric Light Orchestra en 10cc met elkaar gemeen? Een beetje kenner antwoordt dan meteen: Hipgnosis. In Squaring The Circle: The Story Of Hipgnosis (101 min.) zoomt de vermaarde Nederlandse fotograaf/filmmaker Anton Corbijn in op het Britse designduo Aubrey ‘Po’ Powell en Storm Thorgerson (1944-2013) en daarmee ook op de tijd dat elpeehoezen nog het werk van kunstenaars waren. Het artwork kreeg in de jaren zestig en zeventig nog, letterlijk, de ruimte om een verhaal te vertellen.

In kenmerkend zwart-wit, waarbij alleen de hoezen en performances van de betrokken artiesten in kleur worden getoond en er dus lekker uitspringen, geeft Corbijn nu ook Po alle ruimte om zijn relaas te doen en tot in detail stil te staan bij de klassieke albumcovers die ze maakten voor acts zoals Pink Floyd, Led Zeppelin en Wings. Hij wordt in de rug gedekt door medewerkers, collega’s en bekende klanten zoals Paul McCartney, David Gilmour en Roger Waters (Pink Floyd), Robert Plant en Jimmy Page (Led Zeppelin), Peter Gabriel (Genesis) en Graham Gouldman (10cc). Zij verhalen over onmogelijke mensen (de dwarse Storm in het bijzonder), ambitieuze plannen en oneindige budgetten.

Want Hipgnosis maakte naam in de jaren dat rockmuziek definitief doordrong tot stadions en een gigantische moloch werd, die vervolgens wel lomp moest worden neergehaald door punk (hier vertegenwoordigd door Sex Pistol Glen Matlock). In 1983 viel dus ook het doek voor het befaamde ontwerpbureau en raakten de twee oprichters meteen gebrouilleerd. Ze waren uit de tijd geraakt, ingehaald door een nieuwe ‘jeugd van tegenwoordig’ die alles anders wilde (al zou Oasis-gitarist Noel Gallagher maar wat graag het budget hebben gehad om die Hipgnosis-lui te kunnen inhuren, stelt hij in deze stijlvolle en stevig doortimmerde kunst/muziekfilm tegelijkertijd grappend en niet-grappend).

En omdat we toch aan het popquizzen waren nog een slotvraag: welke favoriete groep van Anton Corbijn, waarmee hij ooit naam maakte als fotograaf, waarover hij veel later ook een speelfilm (Control) maakte en waarvan hij hier de hoesontwerper Peter Saville nog maar eens opvoert, zou z’n artwork nooit laten ontwerpen door Hipgnosis?

Queendom

IDFA

Als performancekunstenaar past Gena Marvin perfect in deze tijd. De non-binaire jongeling oogt als een androgyne android. Een queer-versie van Marilyn Manson, die zich niets gelegen laat liggen aan maatschappelijke normen over hoe mannen en vrouwen eruit zien en zich behoren te gedragen. Op hakken bovendien, hóge hakken.

Daarvan moeten ze in Rusland, zo is al telkenmale aangetoond, he-le-maal niets hebben. En ook aan z’n grootouders, bij wie hij in de havenstad Magadan in het uiterste Oosten van Rusland is opgegroeid, heeft ‘Gennadiy Chebotarov’ (22) heel wat uit te leggen. Waarom gaat ie niet gewoon werken, een vrouw zoeken en een huis kopen? vraagt opa, die op zich het beste met z’n kleinkind voorheeft, zich herhaaldelijk af. Zou het leger misschien uitkomst kunnen bieden?

Gena wil weg uit haar geboorteplaats in de Goelag. Letterlijk: uit die pastorale omgeving, waar vroeger bannelingen van het Sovjet-regime naartoe werden gestuurd en waar nog altijd hard moet worden gewerkt voor een karig belegde boterham. En figuurlijk: uit het beknellende keurslijf van al wat als ‘normaal’ wordt betiteld door gewone Russen. In extravagante drag-kostuums zoekt en vindt Gena steeds weer de confrontatie met hen – en de aandacht die ze vast ook nodig heeft.

In Queendom (102 min.), de indrukwekkende film die Agniia Galdanova maakte over de geboren provocateur, kan dit bijvoorbeeld zomaar tot verwijdering uit een supermarkt of, natuurlijk, botte agressie leiden. In de observerende beelden die Galdanova’s cinematograaf Ruslan Fedotov van haar protagonist heeft geschoten is die dreiging permanent voelbaar. Elk ogenblik kan de één of andere onverlaat toeslaan – of het Russische regime bruut ingrijpen.

De hoofdpersoon lijkt dat zelf op de koop toe te nemen of zelfs als noodzakelijk kwaad te beschouwen. Gena is een entiteit geworden, die zich tijdens een demonstratie tegen de opsluiting van oppositieleider Aleksej Navalny bijvoorbeeld hult in een wel erg nauwsluitend pak van duct tape, in de kleuren van de Russische vlag. ‘Niemand, zelfs in Rusland, kan me bang maken’, zegt Gena, die van school dreigt te worden gestuurd, er zelf over. ‘Ik ben als een ridder in z’n harnas.’ 

Wat er in de persoon achter al dat uiterlijk vertoon omgaat probeert Agniia Galdanova te vatten met indringende gestileerde sequenties waarin Gena Marvin, op hoge hakken natuurlijk, haar geestestoestand, of die van haar land, uitspeelt op camera. In zulke ravissante scènes versmelten kunst en film met elkaar. In een vlammende documentaire over het verstikkende LHBTIQ+-klimaat in Rusland, een land dat door zijn leiders ondertussen ook nog een brute oorlog is ingetrokken.

En Gena heeft zowel het lef als de moed om zich daartegen, in stijl natuurlijk, te verzetten.

Tehachapi

IDFA

Rechtvaardigt de magie van JR’s kunst nóg een documentaire? Ná de weldadige roadmovie Visages Villages (2017), waarin de fotograaf met nouvelle vague-pionier Agnès Varda door het Franse platteland reisde, gewone mensen tot iconische proporties opblies en vervolgens in en aan hun directe omgeving liet zien. En ná het joyeuze portret Paper & Glue (2022) waarin de opkomst van die biculturele jongen uit een Parijse achterstandswijk als alom gevierd straatkunstenaar werd gedocumenteerd en enkele signatuurprojecten, bijvoorbeeld in een Braziliaanse favela en op de Amerikaans-Mexicaanse grens, nog eens goed werden uitgelicht.

In die film was ook al te zien hoe JR met veertig langgestraften van de Californische gevangenis Tehachapi  (93 min.) in de weer ging om de binnenplaats te bedekken met een enorm groepsportret. Deze vervolgfilm concentreert zich volledig op dit hartveroverende project, dat natuurlijk nog verder wordt uitgebouwd en uitgediept. JR zoomt tevens in op enkele gedetineerden – bendeleden, ‘white supremacists’ en huurmoordenaars – die hun persoonlijke relaas delen en de beschadigde relatie met hun achterban proberen te herstellen. Zijn initiatief doet hen allen duidelijk goed.

En daar zit hem ook meteen de kneep bij deze film, die wel heel nadrukkelijk de zegeningen van JR’s (inderdaad onweerstaanbare) kunst telt. Tehachapi dreigt in de tweede helft soms nét iets te vaak een ongebreidelde goed nieuwsshow of verlengstuk van JR’s promocampagne te worden, die alleen nog even flink dwars wordt gezeten door het Coronavirus. Iets meer duiding, distantie en wellicht ook gewoon tijd – om te zien hoe ‘t zijn protagonisten op de wat langere termijn vergaat – hadden deze derde JR-docu beslist goed gedaan.

Dit laat onverlet dat ook Tehachapi weer ‘gewoon’ een onweerstaanbaar pleidooi voor (mede)menselijkheid is geworden, waar droefsnoeten, zwartkijkers en treurwilgen even moed uit kunnen putten. Zo bezien: graag elk jaar een nieuw JR-project met film – al mag ie die dan ook door een ander laten regisseren.

David Holmes: The Boy Who Lived

HBO Max

Misschien was hij wel net zoveel Harry Potter als acteur Daniel Radcliffe. Hij haalde als ‘stunt double’ immers de halsbrekende toeren uit in de Potter-films. David Holmes vloog op een bezemsteel, viel zo ongeveer overal vanaf en vocht met elk denkbaar monster. Althans, in de eerste zes films. Tijdens de opnames voor nummer zeven, Harry Potter And The Deathly Hallows – Part 1 (2010), in januari 2009 werd David bij de repetities voor een episch gevecht met een slang met gigantische snelheid tegen een muur gesmeten. Er bleef een zielig hoopje mens achter.

‘Hij zei letterlijk meteen: ik heb mijn nek gebroken’, herinnert zijn vriend en collega Marc Mailley zich geëmotioneerd. ‘Hij kon ’t zelfs aanwijzen met zijn hand: híer, ik kan ’t voelen.’ En hij kon volgens Harry Potters stuntcoördinator Greg Powell, die kampt met een fiks schuldgevoel, ook zijn benen niet meer voelen. ‘Hij had meteen door wat er aan de hand was.’  De stuntman wilde de waarheid liever meteen onder ogen zien, vertelt hij in David Holmes: The Boy Who Lived (86 min.). Tegen de artsen zei Holmes: ik ben vanaf mijn middel verlamd en word nooit meer beter. Dat klopt toch?

Op dat moment lijkt deze documentaire van Dan Hartley nog een zeer optimistische film te worden. Over een man die, letterlijk, niet kapot is te krijgen. Een levenskunstenaar, die uiteindelijk alle malheur van zich af kan laten glijden. Dave is dan bijvoorbeeld al ‘een jongen zonder angst‘ genoemd door zijn ouders Andy en Sue. En gekenschetst als ‘een ideale vriend’ door zijn (stunt)collega’s bij de Harry Potter-films. Zij zien echter ook dat Holmes’ gezondheid alleen maar slechter wordt. Volgens Daniel Radcliffe noemt hij zijn aandoening inmiddels ‘the gift that keeps on taking.’ 

‘Verlamming is net een gevangeniscel’, legt de hoofdpersoon zelf uit. ‘Zo claustrofobisch. En voor mijn gevoel wordt die cel steeds kleiner en kleiner. Totdat het lijkt alsof ik zit opgesloten in een doodskist.’ Dat gevoel ontneemt zelfs een rasoptimist het laatste restje levenslust, zou je zeggen. Dat is echter buiten David Holmes gerekend. In het ontroerende portret The Boy Who Lived wordt hij stapsgewijs gebroken, zowel fysiek als mentaal, totdat er weinig meer van hem over lijkt en probeert hij tóch, op de één of andere Godsonmogelijke manier, heel te blijven.

Robbie Williams

Netflix

Er ging in 1997 een memo rond bij zijn platenmaatschappij, stelt Robbie Williams (149 min.). Het was slechts een kwestie van tijd voordat ze hem zouden dumpen. Een ‘hasbeen’ van net 23. Nadat Williams Take That had verlaten, de populaire boyband waarin hij als zestienjarige terecht was gekomen, ging het steeds slechter met de Britse zanger. Eerst was Robbie ernstig verslaafd geraakt aan drank en coke. En toen hij daar eindelijk vanaf was, sloeg zijn solodebuut volkomen dood.

Op zulke momenten is de muziekbusiness bikkelhard: als de investeringen niet snel terug worden verdiend, volgt een gedwongen exit. Williams had echter nog een troef achter de hand: Angels, zijn allereerste wereldhit als soloartiest. En vanaf dat moment gold hij als een onomstreden popster – al zorgde ook dat niet voor het zelfvertrouwen, de stabiliteit en het levensgeluk waarnaar hij hunkerde. ‘Er zit een gebroken tiener in mij die in de toekomst de puinhopen van het verleden zal moeten opruimen’, zegt de publiekslieveling als hij voor deze vierdelige docuserie een selectie uit de duizenden uren beeldmateriaal terugkijkt, die in de afgelopen dertig jaar van hem zijn gemaakt.

Hij doet dat in deze productie van Joe Pearlman (Bros: After The Screaming Stops / Lewis Capaldi: How I’m Feeling Now) liggend in zijn eigen bed, zo nu en dan vergezeld door één van zijn vier kinderen. Williams is open over zijn antipathie en rancune richting Gary Barlow (de spil van Take That), zijn veelbesproken relaties met Nicole Appleton en Gerri Halliwell en de breuk met zijn vaste songschrijfpartner Guy Chambers. Aan het begin van de derde aflevering van deze vermakelijke autobiografie heeft de hoofdpersoon – die zeer openhartig lijkt, maar natuurlijk wel alle teugels in handen houdt – er alleen even geen zin meer in. ‘Ik ga iemand zien die een zenuwinzinking heeft.’

Pearlman werkt geduldig naar dat moment toe, als zijn protagonist in 2006 tijdens een concert in Leeds, voor het oog van 90.000 fans, een paniekaanval krijgt, die van geen wijken wil weten en resulteert in donkere episodes die hem waarschijnlijk regelmatig aan datzelfde bed hebben gekluisterd. Daarmee is het verhaal van deze miniserie een heel eind verteld – ook al heeft Robbie Williams dan nog dik vijftien jaar, inclusief de verplichte Take That-reünie, te overbruggen naar het hier en nu, als hij, een brave huisvader van bijna vijftig die zijn zegeningen telt, afstevent op wat hij zelf een ‘happy end’ noemt. En daarbij lijkt zowaar niet eens een nieuwe plaat of tournee te horen.

Sly

Netflix

In de jaren tachtig ontwikkelde Sylvester Stallone zich tot de ultieme actieheld, op de voet gevolgd door Arnold Schwarzenegger. De krachtpatsers beconcurreerden elkaar met eendimensionale blockbusters. Van wedijver tussen de twee, die later samen deel uitmaakten van het sterrenensemble The Expendables, is allang geen sprake meer. Waar Sylvester onlangs warme woorden wijdde aan zijn voormalige rivaal in de driedelige serie Arnold, steekt Arnie nu de loftrompet over Sly (96 min.) in deze film van Thom Zimny (die eerder Bruce Springsteen, Elvis Presley en Johnny Cash portretteerde).

Verder is het vooral Stallone zelf die aan het woord komt in dit aangeklede zelfportret, met kleine bijrollen voor zijn broer Frank, cinefiel Quentin Tarantino, zijn collega’s Henry Winkler en Talia Shire, regisseur John Herzfeld en filmcriticus Wesley Morris. Sly is het verhaal van een geboren loser, die natuurlijk toch een winnaar is geworden. Dat personage heeft Stallone ook naar het witte doek gebracht, in de vorm van de tweederangs bokser Rocky die nooit opgeeft. De acteur/filmmaker heeft zelfs nóg een iconische Hollywood-held uit zijn mouw geschud: de larger than life-vechtjas Rambo.

Gedurende zijn lange carrière is hij nooit meer helemaal losgekomen van deze personages, die steeds weer een nieuwe sequel verdienen en gaandeweg ook steeds karikaturalere trekjes krijgen. Het lijken waarheidsgetrouwe afspiegelingen van de man zelf, een in wezen tamelijk eenvoudige vechter die even goed kan uitdelen als incasseren. ‘Jij, ik, niemand slaat zo hard als het leven’, laat hij zijn alter ego Rocky Balboa zeggen in een door en door Amerikaanse peptalk. ‘Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom hoe hard je geslagen kunt worden. Hoeveel je aankunt en dat je toch door blijft gaan.’

In wezen heeft deze biografie, die zich concentreert op Stallones professionele leven, niet zo heel veel meer te bieden dan zulke platitudes, waarmee Zinmy chronologisch ‘s mans carrière doorloopt en intussen allerlei filmfragmenten met elkaar verbindt. Alleen komen die oneliners nu uit de mond van de oudere acteur/filmmaker persoonlijk, in plaats van een moegestreden bokser of een schietgrage Vietnam-veteraan. Stallone herleidt daarbij zowat alles wat hij ooit heeft gedaan of misdaan naar zijn pa Frank, die zo weinig liefde gaf dat zijn zoon er een heel leven lang, veelal tevergeefs, naar bleef hengelen.

Dat vadercomplex is het toch wat tragische fundament onder een verder weinig opzienbarende documentaire over één van de meest beeldbepalende figuren van de Amerikaanse film van de afgelopen halve eeuw.

The Promise: Architect BV Doshi

Magnet Film

‘Architectuur is storytelling, dialoog, een reis en de ontdekking van wie je werkelijk bent’, doceert de Indiase architect Balkrishna Doshi, die begin 2023 op 95-jarige leeftijd overleed, in deze film van Jan Schmidt-Garre. Verder is het leven toch echt datgene wat je overkomt terwijl je druk bezig was met andere plannen maken. De ontmoeting met de vermaarde Franse architect Le Corbusier bijvoorbeeld. Of de samenwerking met zijn Amerikaanse collega Louis Kahn. Inmiddels wordt Doshi zelf beschouwd als één van de groten in zijn vak. In 2018 ontving hij de prestigieuze Pritzker Architecture Prize voor zijn geheel eigen combinatie van brutalisme en Indiase architectuur.

In The Promise: Architect BV Doshi (52 min.) loopt de kwieke architect, trots en toch zonder eigendunk, zijn imposante loopbaan en belangrijkste projecten langs. Met zijn ontwerpen voor scholen, theaters, overheidsgebouwen en een groot sociale woningbouwproject – waarmee hij een zelf opgelegde belofte wilde inlossen aan landgenoten, die altijd zo arm zijn gebleven als hij werd geboren – heeft hij mede het aangezicht van zijn land bepaald. Schmidt-Garre brengt dat fraai in beeld, met lange, statige rijders van en naar, door en langs enkele van Doshi’s belangrijkste projecten, waarbij de man zelf inkijkjes geeft in zijn werkwijze en filosofie.

Onderweg ontmoet hij ook enkele mensen wiens leven hij heeft aangeraakt. In Ahmedabad spreekt hij bij de architectuuropleiding CEPT, de school die hij ooit zelf startte en waar hij ruim een halve eeuw doceerde, bijvoorbeeld twee voormalige protegés. Uit hun ogen en lach spreekt niets dan respect. En hij geeft hen ruimhartig de credits voor hoe ’t daar nu gaat. Goedkeurend beziet Doshi hoe zijn levenswerk wordt voortgezet. Óók in zijn eigen onderneming Vastu Shilpa, waar tegenwoordig zijn dochter Radhika en kleindochter Khushnu de familienaam hoog houden. Zodat hij, de eminente architect Balkrishna Doshi, ongetwijfeld met een gerust hart heeft kunnen afzwaaien.

Moeder Suriname

Mokum

Via één enkele wasvrouw vertelt Tessa Leuwsha in Moeder Suriname (70 min.) de geschiedenis van haar land: van de afschaffing van slavernij in 1863 tot de onafhankelijkheid in 1975. Het relaas van Fansi, gebaseerd op het levensverhaal van Leuwsha’s grootmoeder Fancelyne Cummings (1905-1979), heeft eerder al z’n weg gevonden naar het boek Fansi’s Stilte, Een Surinaamse Grootmoeder En De Slavernij (2015) en dient nu als uitgangspunt voor deze archieffilm, een soort Surinaamse tegenhanger van Ze Noemen Me Baboe, een soortgelijke film over een Indisch kindermeisje. 

Zangeres Denise Jannah neemt de hoofdrol voor haar rekening. Met een persoonlijke, typisch Surinaamse voice-over stuurt zij de collage van archiefbeelden, veelal niet eerder gebruikt en soms ingekleurd, waarmee Fansi’s leven en tijd worden verbeeld. Nadat ze door haar witte moeder en zwarte vader wordt afgestaan, werkt zij als huisslaaf in een klein dorp in het Nickerie-district. Daar wordt ze op jonge leeftijd ook voor het eerst zwanger. Het duurt echter niet lang voordat haar geliefde Prince de benen neemt en Fansi als alleenstaande moeder verder moet. Ze vertrekt dan, via de Surinamerivier, naar de hectische hoofdstad Paramaribo.

De beelden van het dagelijks leven in de voormalige kolonie, zo nu en dan begeleid door weemoedige Surinaamse liederen, brengen een vreemde en vergeten wereld tot leven, die ook toen al mijlenver stond van dat kouwe kikkerlandje aan de andere kant van de Oceaan. Toch probeerden de Hollanders er wel degelijk de dienst uit te maken. In de kantlijn van Fansi’s levensverhaal wordt bijvoorbeeld de antikoloniale Surinaamse schrijver Anton de Kom de mond gesnoerd en tijdens de Tweede Wereldoorlog roept koningin Wilhelmina onderdanen in de overzeese gebieden ferm op om één te zijn met het bedreigde moederland.

De roep om een onafhankelijk Suriname wordt nochtans steeds sterker, terwijl sommige Surinamers juist naar Nederland vertrekken. Als ook haar eigen kinderen – die ze, zoals het een echte moeder betaamt, een beter leven toewenst dan ze zelf heeft gehad – de oversteek maken, kan Fansi niet achterblijven. Haar verhaal is dan al vervloeid met dat van haar land. Kleine en grote geschiedenis zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden geraakt, in een knap gemaakte film die is doordesemd met Surinaamse taal, cultuur en muziek.

Sur L’Adamant

Cherry Pickers

In een boot in hartje Parijs is Dagcentrum Adamant gevestigd, het decor voor de nieuwe film van Nicolas Philibert, de Franse documentairemaker die in 2002 met Être Et Avoir, een hartveroverend portret van een plattelandsschool, een absolute voltreffer afleverde. Deze boot op de Seine, onderdeel van de afdeling psychiatrie van het Saint Maurice-ziekenhuis, blijkt eveneens een geschikte locatie voor een kalme, observerende film, boordevol liefde voor de mens en zijn kwetsbaarheden. Philibert beziet de bezoekers van die boot met geduld en compassie, geeft hen de gelegenheid om hun verhaal te doen en luistert mee tijdens de gesprekjes die ze hebben met elkaar of een begeleider. Bijna ongemerkt ontstaat zo een teder portret van een veilige wereld, waar iedereen zichzelf mag zijn.

‘Geesteszieken hebben vaak geen familie of hebben er een slechte band mee’, zegt François bijvoorbeeld, terwijl hij een sigaretje staat te roken op het dek van de Adamant. ‘Ik wil niet generaliseren, maar dat is zo.’ Is dat bij jou ook zo? wil zijn gesprekspartner Guillaume weten. ‘Ja’, beaamt François, een man van middelbare leeftijd met een opvallend slecht gebit. ‘Ik wilde op mijn krachtige vader lijken, maar ging op m’n bek. Hij was de regisseur Gérard Gozlan.’ Op een gegeven moment heeft François, die vanaf zijn achttiende psychische problemen heeft, ‘t maar gewoon uitgesproken: ‘Pa, ik weet dat ik de mislukking van jouw leven ben. Hij zei: hou op. Straks maak je je moeder weer aan het huilen.’

François is één van de terugkerende personages in Sur L’Adamant (105 min.). In de openingsscène heeft hij al indruk gemaakt met een hartverscheurende versie van het lied La Bombe Humaine van de groep Téléphone. ‘Het kon hem niet rotten dat ik ziek was. Hij wilde dat ik gelukkig was’, vervolgt hij het gesprek met Guillaume over zijn vader. ‘Was je ziek toen je dat zei?’ vraagt die. ‘Ik bén ziek’, corrigeert François, terwijl hij zo nu en dan zenuwachtig aan zijn peuk trekt en het verleden aan hem voorbij lijkt te trekken. ‘Nog steeds. Alleen dankzij zware medicatie flip ik niet en kan ik met je praten, Guillaume. Anders zou ik denken dat ik Jezus was, omgeven door vogeltjes in de hemel.’

Uit ‘s mans woorden en houding spreekt berusting: dit is wie hij nu eenmaal is. Elke bezoeker van het dagcentrum heeft met zulke thema’s te dealen. Ondanks allerlei pogingen om te veranderen, zijn ze nog steeds wie ze zijn. Of ze zijn niet meer – en worden ook nooit meer –  degene die ze ooit waren. Met schilderen, fotografie, musiceren, schrijven of gewoon een spelletje krijgen de bezoekers van de Adamant de gelegenheid om zich op hun eigen wijze uit te drukken. ‘In een wereld waarin men geacht wordt aan de norm te voldoen en afwijkend gedrag onderdrukt wordt’, stelt Nicolas Philibert daarover aan het eind van zijn liefdevolle film, ‘zijn er nog plekken waar de poëtische kant van mens en taal mag bestaan.’

Zo’n plek, betoogt hij, zou er voor iedereen moeten zijn.

In 2024 bracht Nicolas Philibert maar liefst twee vervolgen uit op Sur L’Adamant. Averroès & Rosa Parks, nog niet gezien, lijkt een volwaardige opvolger. La Machine A Écrire Et Autres Sources De Tracas heeft echter weinig om het lijf. Daarin bezoekt de Franse filmmaker, in het spoor van enkele klusjesmannen van de instelling, bekende personages van de eerste film. Het wordt uiteindelijk niet meer dan een verzameling lange deleted scenes, die weinig toevoegen aan Sur L’Adamant.

F For Fake

Janus Films

Deze film wordt opgeleverd met een disclaimer: ‘Everything in this film is strictly based on the available facts’. En daarvan is geen woord gelogen – of elk woord. In deze klassieke hybride van docu en drama uit 1973 exploreert Orson Welles de schijn van het zijn. Of het zijn van de schijn, dat kan ook. Fakery, zoals de filmlegende ’t zelf noemt. Een hoax. Alles in deze film is spel. Fake. Ofwel: F For Fake (88 min.)

Centraal in deze film staat de Hongaarse meestervervalser Elmyr de Hory. Een schilder die zo goed anderen kan kopiëren dat zelfs de schilders zelf beginnen te twijfelen. Het leidde, volgens Orson Welles, tot een geinige situatie met de Nederlandse kunstenaar Kees van Dongen. ‘Van Dongen bestudeerde het schilderij nauwkeurig,’ aldus Welles. ‘En bezwoer toen dat hij ’t zelf had geschilderd.’

‘Als je ze in een museum hangt, in een collectie met andere geweldige schilderijen, en ze hangen er maar lang genoeg, dan worden ze vanzelf echt’, stelt De Hory. Volgens zijn biograaf Clifford Irving kan de man zelf desondanks feilloos zijn eigen schilderijen onderscheiden van de echte kunstwerken – als er al zoiets als een verschil bestaat. Alleen kun je Irving niet op zijn woord geloven. Tenminste, volgens Welles.

Trots laat Irving in een catalogus een verkochte Modigliani zien. Gemaakt door De Hory, natuurlijk. Die reageert met een omtrekkende beweging. ‘Hij werkte vrij weinig, hij stierf op jonge leeftijd’, zegt hij over de Italiaanse schilder. ‘Dus als er een paar schilderijen of tekeningen worden toegevoegd, verknalt dat zijn oeuvre heus niet.’ En, voegt er dan aan toe: ‘Ik vind ’t niet vervelend voor Modigliani, het is vooral fijn voor mij.’

En als Elmyr de Hory daarmee wegkomt, wie houdt dan eigenlijk wie voor de gek? De vervalser of de kunstkenner die zich in de luren laat leggen? Zo speelt deze film voortdurend met wat waar/niet waar is en speelt Orson Welles intussen met, welja, Orson Welles. Met veel bombast, theater en tongue-in-cheek humor laat de geboren verhalenverteller eenieder via een lachspiegel naar de (kunst)wereld kijken.

Dit was trouwens ook in 1973 al geen nieuwe documentaire over De Hory en zijn – had ik dat al verteld? – gevallen biograaf. Toen Clifford Irving vanwege een gefingeerde biografie van de verknipte biljonair Howard Hughes in opspraak raakte, nam Welles het beeldmateriaal van de kunstenaar en zijn biograaf, dat hij eerder samen met François Reichenbach had gemaakt, nog eens grondig onder handen voor deze docu.

Binnen zo’n vertelling – noem het gerust een filmessay – passen ook Welles’ eigen omzwervingen rond de waarheid. Hoe hij zichzelf de kunst- en filmwereld inloog, bijvoorbeeld. En ook het hoorspel The War Of The Worlds, waarmee hij Amerika de stuipen op het lijf jaagde, en de speelfilmklassieker Citizen Kane – over een gefictionaliseerde versie van, jawel, Howard Hughes – dealen natuurlijk met bedrog.

En dan brengt Welles met een verborgen camera ook de ‘buitensport meisjekijken’ nog in beeld en schudt hij en passant tevens een smakelijk verhaal over Pablo Picasso uit zijn mouw in deze joyeuze, virtuoos gemonteerde verhandeling die langs tegenstellingen als nep en echt, kunst en kopie en de waarheid en een leugen slalomt.

En, jawel mensen, toeschouwers (o)verbluft achterlaat.

In The Court Of The Crimson King

Pink Moon

‘De samenvatting van mijn persoonlijke betrokkenheid bij King Crimson is dat die ongelooflijk ongelukkig is geweest’, zegt bandleider Robert Fripp met een stalen gezicht in de documentaire In The Court Of The Crimson King (85 min.). ‘In één woord ellendig, laat ik zeggen van 1969 tot 2013.’ Dat is zo’n negentig procent van de halve eeuw die de Britse progrockgroep er dan al op heeft zitten.

In King Crimson is het ’verboten’ om een fout te maken, stelt een oud-bandlid in dit banddocument van Toby Amies. Alles moet precies zoals Fripp ‘t wil. En daarvoor heeft hij een hele stoet – stronteigenwijze – groepsleden moeten ontslaan. ‘Natuurlijk ben je onvervangbaar’, zeggen ze volgens leadzanger en tweede gitarist Jacko Jakszyk tegen elkaar. ‘Net als de vorige kerel.’

Jakszyk heeft eerder ook gespeeld in The 21st Century Schizoid Band, een groep met enkele voormalige King Crimson-leden. Het was volgens hem de ellendigste periode van zijn leven als muzikant. ‘Wat mensen niet volledig beseffen, is dat de originele bezetting van King Crimson een stel eikels bevatte’, zegt hij in een entre nous met Toby Amies. ‘En de grootste eikel was…’

Precies op dat moment snijdt Amies weg, de naam blijft achter op de montagetafel. Het tekent de filmmaker, die in gesprek gaat met Fripp, al zijn (ex-)leden, hun technici en enkele fans. Hij prikt hier en daar, vraagt flink door en permitteert zich dus ook wel eens een grapje. ’s Mans humor sluit aan bij de zelfspot die hij bij veel bandleden vindt en contrasteert met Fripps dodelijke ernst/ironie (*)

King Crimsons boegbeeld filosofeert graag over de betekenis van muziek en bakkeleit misschien nog wel liever over hun (gebrekkige) wisselwerking of over wat er tijdens concerten allemaal valt te winnen en verliezen. Wat zijn de gevolgen als het niet lukt om van een optreden een gebeurtenis te maken? vraagt Amies. ‘Hartzeer’, antwoordt Robert Fripp bloedserieus. ‘Alsof mijn moeder is overleden.’

De documentaire gaat ook persoonlijke onderwerpen niet uit de weg. ‘Ik ga je vragen naar jouw unieke omstandigheden’, zegt Amies bijvoorbeeld tegen drummer Bill Rieflin. ‘Je hoeft niet te antwoorden. Je mag me ook vertellen hoe ik het zou kunnen gebruiken en je kunt me ook zeggen om op te rotten, hoe je ’t ook wilt.’ Waarna een indringend gesprek over Rieflins penibele gezondheid volgt.

In The Court Of The Crimson King heeft de gemiddelde bandjesdocu, die schaamteloos de succesnummers van een act op een rij zet en daardoor vooral interessant is voor de achterban, dan allang achter zich gelaten. Dit is een dwarse, openhartige en grappige film over het leven in/met/voor een onmogelijke man en zijn al even onmogelijke band, waarvan alleen niet duidelijk is of ie nog bestaat.

‘Verandering is waar deze band om draait’, stelde oud-drummer Bill Bruford niet voor niets. ‘Verandering is essentieel. Anders verander je in The Moody Blues.’

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

Stranger In My Own Skin

Federation Studios

Grofweg zijn er twee varianten: documentairemakers die afstand houden en zo het complete terrein rond hun onderwerp proberen te overzien. En filmers die er juist zo dicht mogelijk op kruipen, om ‘t als het ware van binnenuit te kunnen laten zien. Katia deVidas behoort, in elk geval bij deze documentaire, overduidelijk tot de tweede categorie. Ze kan ook niet anders: Katia is de echtgenote van hoofdpersoon Pete Doherty.

Dit is dus niet de film waarin chronologisch en met een zekere distantie wordt gevolgd hoe Doherty eind jaren negentig, als één van de twee frontmannen van The Libertines, wordt binnengehaald als een nieuwe held van de Britse popmuziek, waarna hij zich al snel helemaal verliest in een destructieve drugsverslaving en uitgroeit tot de Keith Richards/Sid Vicious/Shane McGowan van zijn generatie. Dit is sowieso geen muziekdocumentaire – ook al bevat deze rauwrommelige film natuurlijk genoeg songschrijfpogingen, repetitiemomentjes en concertfragmenten van Doherty, The Libertines en zijn latere outfit Babyshambles.

Dit is een film over Peter Doherty: Stranger In My Own Skin (93 min.), een eeuwige jongen die volledig verslingerd is geraakt aan dope – of het nu heroïne, crack of meth is – en die daar nodig vanaf wil. Of, althans: die zégt dat hij daar vanaf wil. DeVidas filmt en bevraagt de Engelse zanger en gitarist gedurende tien jaar van zeer dichtbij terwijl hij, zoals Connie Palmen dit zo treffend heeft uitgedrukt, een vriendschap zonder vriend heeft. En ze geeft hem, een vurige adept van schrijvers als Fjodor Dostojevski, Oscar Wilde en James Joyce, tevens de ruimte om zijn diepste zielenroerselen of literaire uitspattingen te delen.

Zo vangt DeVidas talloze treffende brokstukken uit het leven van haar beschadigde man. Een concert in Frankrijk bijvoorbeeld, dat vanwege vertraging met de trein (!), steeds wordt uitgesteld en vervolgens wordt afgelast. Waarna Doherty alsnog optreedt in een naburige pub. Hoe haar echtgenoot voor de reünieconcerten van The Libertines in 2010, waar hij blijkbaar enorm tegenop ziet, letterlijk voor de camera een terugval heeft. En dat magische moment waarop Pete Doherty’s vader, een beroepsmilitair met wie hij een lastige relatie heeft, op het podium stapt bij zijn band Babyshambles en zijn song What A Waster woord voor woord blijkt te kunnen meezingen.

Het ontbreekt Stranger In My Own Skin alleen regelmatig aan structuur of context. DeVidas heeft er een vergaarbak van sferen en stijlen van gemaakt. Tegelijkertijd is dat waarschijnlijk ook een aardige afspiegeling van hoe haar ‘Peter’ zijn leven leidt: in een soort waas of roes, waardoor hij zo nu en dan een hoogte- of dieptepunt beleeft, plotseling crasht en zich dan weer lui in gang zet of juist voortvarend doordendert. ‘Het talent hoort bij de man en de artiest en komt niet van de drugs’, vindt Doherty zelf. ‘En dat is ook nooit gekomen van de drugs. Een deel van de lol en de uitdaging zit zelfs in het creëren óndanks de omstandigheden. Of ik nu verslaafd ben of clean, ik zal creëren.’