All Light, Everywhere

Super LTD

‘Het is een heel duidelijk visueel signaal dat er elk ogenblik iets slechts met je kan gebeuren’, vertelt Steve Tuttle van Axon International, terwijl hij de cameraploeg van de documentaire All Light, Everywhere (109 min.) rondleidt door het bedrijf. Zoals hij het moment beschrijft waarop een politieman één van Axons Tasers richt op een verdachte, heeft dit louter een de-escalerend effect. Het is, kortom, niets minder dan een zegen dat de Amerikaanse politie de beschikking heeft over Tasers.

‘Denk je dat de Axon-body camera’s een vergelijkbaar effect hebben?’ vraagt documentairemaker Theo Anthony. ‘Oh, zeker weten, camera’s hebben datzelfde effect’, antwoordt Tuttle enthousiast. ‘Kijk maar naar het effect dat het nu op mij heeft: ik heb me netjes aangekleed en gedraag me professioneel. Ik gebruik bijvoorbeeld helemaal geen scheldwoorden.’ De vertegenwoordiger van Axon is er zich maar al te zeer van bewust dat hij nu wordt gefilmd. ‘Jouw cameraman stelt zich ook heel professioneel op omdat hij mij moet filmen’, vervolgt Tuttle. ‘Zo doen we allebei ons werk.’

Door de aanwezigheid van een camera gaan mensen zich anders gedragen, wil Axons woordvoerder maar zeggen. En datzelfde geldt voor wapens. Steve Tuttle is ervan overtuigd dat het om een positieve gedragsverandering gaat. Theo Anthony gebruikt ’s mans rondleiding als rode draad voor dit filmische essay over de relatie tussen camera’s en wapens. In Baltimore, één van de meest gewelddadige steden van de VS die als strijdtoneel van de oneindige ‘war on drugs’ werd vereeuwigd in de klassieke serie The Wire, wordt Axons bodycam-systeem geïntroduceerd bij een politieafdeling.

Zulke camera’s werken overigens niet als alziend oog, maar mogen volgens Steve Tuttle alleen vastleggen wat de politieman in kwestie ook ziet. Anders kan achteraf nooit worden beoordeeld op basis van welke beelden de agent heeft gehandeld. Deze zienswijze sluit aan bij wat Anthony met deze film lijkt te willen betogen: ook de camera is een wapen. Om de beeldvorming te sturen, anderen in beeld te krijgen of de wereld in de gaten kunnen houden (zoals bij het surveillancesysteem dat een firma, elders in de film, aan de man wil brengen als een live-versie van Google Earth).

Anthony stut zijn betoog over cameravoering, beeldvorming en framing en de ethische implicaties daarvan, waarin hij tevens toont hoe de film zelf tot stand komt en welke rol hij zelf speelt tijdens de opnames en montage, met een historische bespiegeling door een mechanisch klinkende vrouwelijke verteller. Ligt de macht niet altijd bij degene die het beeld bepaalt – en over de wapens beschikt om dat bij te stellen? En welke impact heeft dat beeld dan op ons? vragen enkele neurowetenschappers zich af. Tijdens een test registreren zij hoe het brein van enkele subjecten reageert op mediacontent.

Zo houdt dit prikkelende en soms ook wat taaie essay, dat zich niet bekommert om vaste hoofdpersonen of een duidelijke verhaalstructuur, tegelijkertijd onze beeldcultuur, de private wapenindustrie, het maken van documentaires én ieders assumpties daarover kritisch tegen het licht.

Nicole Kidman: Eyes Wide Open

Arte

Hoeveel ze ook heeft gepresteerd in haar acteercarrière – veel! – Nicole Kidmans naam blijft voor altijd verbonden met die ene man, glamourboy Tom Cruise. Toen Hollywood’s favoriete koppel rond de eeuwwisseling uit elkaar ging, moesten de twee tijdens tv-interviews tot in detail, op het gênante af, uitleggen wat er was misgegaan. Waar Cruise moeite had om tegenover gesprekspartners zijn irritatie te verbergen (‘denk aan je manieren’, voegde hij één van hen toe), pareerde zij de inbreuk op haar privacy met een grapje. ‘Ik kan nu hoge hakken dragen’, zei ze tegen David Letterman en lachte er eens ondeugend bij. Weg ongemak en ongewenste intimiteit.

Nicole laat zich ook niet in haar kaarten kijken in Nicole Kidman: Eyes Wide Open (53 min.), een traditioneel opgezette tv-docu van Patrick Boudet. Net als haar ex Tom. Of andere mensen uit haar directe omgeving. Het portret moet ‘t doen met enkele regisseurs die met haar werkten (Gus van Sant en John Cameron Mitchell), de verplichte filmcritici en heel veel fraaie filmfragmenten. Dit persoonlijke portret blijft daardoor een beetje aan Kidmans buitenkant steken, waarbij de verteller van dienst wel naar hartenlust mag speculeren over wat er daarbinnen omgaat. Die ontwaart bijvoorbeeld een vast thema in haar filmografie: de vrouw die moet vechten om zich te bevrijden.

Het zal de Australische actrice op de titelrol brengen van kaskrakers als Dead Calm (internationale doorbraak), Days Of Thunder (ontmoeting Tom Cruise), To Die For (eerste grote Amerikaanse hoofdrol), Portrait Of A Lady (artistieke erkenning), Eyes Wide Shut (bezegeling van haar relatie met Cruise door meesterregisseur Stanley Kubrick), Moulin Rouge (haar eerste romantische rol, terwijl haar huwelijk inmiddels aan diggelen ligt) en The Hours (die felbegeerde Oscar voor beste vrouwelijke hoofdrol). Daarna volgt nog de ene na de andere gewaagde rol in auteursfilms en kwaliteitsseries: Dogville, Birth, Big Little Lies, Bombshell en Being The Ricardos.

Hoewel ze de wetten van de filmindustrie bepaald niet altijd naast zich neer heeft gelegd – als het gaat om hoe een vrouw eruit moet zien, bijvoorbeeld – heeft ze Tom dan allang achter zich gelaten. Niet eens zozeer qua succes of roem als wel qua inhoud en, vooral, als mens en als vrouw. Niemand zal haar nog, zoals in de begindagen van hun romance, verslijten voor de willekeurige ‘arm candy’ van een filmster.

The Thief Collector

HBO

Routineus beginnen ze aan het leegruimen van de woning in het kleine Amerikaanse plaatsje Cliff. It’s all in a day’s job voor Dave Van Auker en zijn collega’s van Manzanita Ridge Antiques in Silver City, New Mexico. Ditmaal is alles echter anders. Op een augustusdag in 2017 treffen ze op de slaapkamer van het huis een schilderij aan, dat verdacht veel lijkt op Woman-Ochre, een belangwekkend werk van de befaamde Nederlands-Amerikaanse schilder Willem de Kooning.

Het schilderij is al ruim dertig jaar spoorloos. Op 29 november 1985, de dag na Thanksgiving, werd het door een man en een vrouw gestolen uit het University Of Arizona Museum of Art in Tucson. Toen was het ‘slechts’ drie á vier ton waard. Inmiddels wordt het op een slordige 160 miljoen dollar ingeschat. Ter plaatse, in Nowhereville, USA , hebben ze desondanks weinig op met het schilderij. Dat kan hun kleine broertje ook – of een bonobo, heb je die wel eens zien schilderen?

In de woning van de pensionado’s Jerry en Rita Alter worden tevens manuscripten aangetroffen van de man des huizes. In het korte verhaal The Thrill Seekers beschrijft Jerry bijvoorbeeld hoe de adrenalinejunkies ‘Georges’ en ‘Suzie’ een schilderij stelen. Ze beschouwen zichzelf als ‘masters of victimless crimes’. Moet dit worden opgevat als een bekentenis? Regisseur Allison Otto heeft hun lotgevallen in elk geval met acteurs en een vette knipoog verfilmd voor The Thief Collector (96 min.). 

Er zijn drie soorten kunstdieven volgens Bob Cauthorn, voormalig kunstmedewerker van The Arizona Daily Star. De types die simpelweg de gelegenheid aangrijpen, zij die er dik geld mee willen verdienen en lieden die puur en alleen voor zichzelf stelen. Die laatsten zijn volgens hem het gevaarlijkst. Zij verbergen het ontvreemde werk angstvallig voor de wereld. Behoren de Alters tot die categorie? Of hadden ze misschien een appeltje met De Kooning te schillen? En hebben ze wellicht nog meer op hun kerfstok?

Met familieleden, kennissen, medewerkers van de plaatselijke kringloopwinkel, vertegenwoordigers van het museum, kunstkenners en een agent van het FBI Art Crime Team ontleedt Otto in deze vermakelijke kunstcrime-docu het dubbelleven van Jerry en Rita Alter. Hebben ze al die tijd iedereen in het ootje genomen? Of doelbewust een mythe rond hun eigen levensverhaal gecreëerd? Maar als dat laatste waar is: hoe komen ze dan in Godsnaam aan Woman-Ochre?

Gratie: Het Ware Verhaal Van Frank Masmeijer

Frank Masmeijer / c: Jeroen Nieuwhuis / Viaplay

De man die halverwege de jaren tachtig door de NCRV werd gepresenteerd als een ideale schoonzoon, de laatste showmaster van de oude stempel, is allang keihard van zijn voetstuk gevallen. In 2014, een kleine twintig jaar na zijn vertrek uit Hilversum (dat werd omgeven door geruchten dat hij in De Holidayshow vrienden aan een droomreis zou hebben geholpen), werd Frank Masmeijer in België gearresteerd vanwege betrokkenheid bij het binnenhalen van een enorme lading cocaïne, naar verluidt 467 kilo. Goed voor een straatwaarde van zo’n 25 miljoen euro.

Inmiddels verkeert de voormalige televisiepresentator alweer enkele maanden op vrije voeten en is hij erop gebrand om zijn naam te zuiveren. Daarvoor gaat hij in zee met Roy Dames, een documentairemaker die er zijn handelsmerk van heeft gemaakt om Foute Vrienden (zoals bijvoorbeeld Rob ScholteRudi Lubbers en Emile Ratelband) te portretteren. Is Masmeijer, zoals hij zelf volhoudt, puur op veronderstellingen veroordeeld en bovenal slachtoffer van de omstandigheden? Of was hij altijd al iemand, wat Dames eigenlijk steeds nadrukkelijker begint te vermoeden, die in kringen verkeerde van mensen die het niet zo nauw nemen met de regeltjes en die er zelf ook een handje van heeft om de grenzen op te zoeken?

Gratie: Het Ware Verhaal Van Frank Masmeijer (63 min.) is de weerslag van Dames’ zoektocht naar de waarheid, waarin hij behalve met de hoofdpersoon zelf ook spreekt met diens moeder Fien, ex-vrouw Sandra, dochters Michelle en Charlotte, en huidige vriendin Anita. Samen met Masmeijer bezoekt hij bovendien de plekken van zijn leven. Zijn vorstelijke huizen. De gevangenis, natuurlijk. En zijn horecazaken in het Belgische Wijnegem. ’Frank is altijd zot geweest van geld, hè?’, stelt oud-medewerkster Cindy dan. ‘Da’s waar, hè?’ kijkt ze naar de man zelf. ‘Ja’, bekent die. Waarna zij vervolgt: ‘Dus het had eigenlijk niks te maken met: wat heeft hem verkeerd gedaan? Als Frank morgen rijk kan worden door sokken te verkopen op de markt, dan ga jij sokken verkopen op de markt.’ Masmeijer beaamt: ‘Ja. Dat is zo.’

Het kost Dames intussen moeite om door te dringen tot zijn hoofdpersoon. Al vanaf de openingsscène steggelen ze over van alles en nog wat: de setting van de interviews, de belichting ervan en het geluid. Als voormalig televisiemaker heeft Frank Masmeijer over alles een mening. En ook over wat er nu precies voorafging aan ’s mans arrestatie en hoe dat precies ter sprake moet komen in de docu, kunnen ze het maar moeilijk eens worden. Het zorgt voor wantrouwen. ‘Jij bent aan de ene kant programmamaker, maar in hoeverre ben je mijn vriend?’ zegt Masmeijer tegen Dames. ‘Als je me naait, heb je een probleem.’ Hij wil ‘een realistische film’ maar is volgens Dames vooral bezig met ‘een imago te verkopen’. En als de camera uit is – vertelt de documentairemaker, die zich daarmee enigszins op glad ijs begeeft – hangt ie héle andere verhalen op.

Wanneer Dames door de rookgordijnen die zijn protagonist heeft opgetrokken nauwelijks meer een hand voor ogen ziet, gaat hij in gesprek met journalist Nick Dijkman, die samen met Masmeijer het boek Frank En Vrij heeft geschreven. Zo verzamelt hij steeds meer stukjes van het verhaal over Frank Masmeijers leven en demasqué – al blijft de complete puzzel, zonder diens volledige openheid, moeilijk te leggen. De wrijving daarover tussen de maker en hoofdpersoon van deze documentaire draagt zonder meer bij aan dit lekker hoekige portret. Waaruit een man naar voren komt die het liefst weer gewoon wil gaan zingen en presenteren, maar die als de nood aan de man komt ook zomaar weer de fout zou kunnen ingaan.

Leave No Trace

Disney+

‘Mam, meneer Barnes is geen goede man en hij doet slechte dingen met mij’, zei Stuart Lord als jongetje tegen zijn moeder. Hij had al zijn moed bijeen geraapt en zelfs van tevoren gerepeteerd wat hij zou gaan zeggen. ‘Mijn moeder werd die ochtend wakker’, vertelt Lord, ettelijke decennia later. ‘Ze struikelde en kreeg een beroerte. Mijn moeder stierf en daarmee ook de enige persoon bij wie ik de moed had gehad om het te vertellen. Ik verdween weer in diepe stilte en nam me voor om het aan niemand te vertellen.’

Stuart Lord en enkele andere van de in totaal 82.000 (!) Amerikaanse jongens en mannen die in de afgelopen decennia als padvinder werden misbruikt, doen hun verhaal in Leave No Trace (108 min.). Hun ervaringen staan haaks op het werkelijk onberispelijke imago dat de befaamde schilder Norman Rockwell de Boy Scouts ooit bezorgde in de Verenigde Staten. In zijn werken toonde hij een idyllische wereld, waarin een nieuwe generatie mannen werd klaargestoomd voor nobele taken. Amerika zou op hen kunnen bouwen. ‘Wees altijd vriendelijk en dapper’, luidde een typische scoutingslogan. ‘Een jongen die eerlijk en eervol is, is een eer voor zijn God en zijn land.

Diezelfde organisatie hield er, getuige deze geladen film van Irene Taylor, echter decennialang een doofpotcultuur op na, die alleen vergelijkbaar lijkt met de manier waarop de katholieke kerk wereldwijd seksueel misbruik door priesters probeerde te smoren in stilzwijgen. The cover-up is worse than the crime, zeggen ze dan – al kan daar in dit geval eigenlijk geen sprake van zijn. Het toedekken van het misbruik is eerder te vergelijken met een, ook al zo’n pijnlijke term, ‘second rape’. En de mannen die dat hebben moeten ondergaan worden nu consequent ‘survivor’ genoemd. Omdat ze categorisch weigeren om zich te laten reduceren tot een ‘victim’.

Daar, in die pijnlijke ervaringsverhalen, zit de essentie van Leave No Trace, dat tevens het fenomeen scouting zelf probeert te duiden en dan ook, enigszins onnodig, uitwaaiert naar nevenschade zoals de al jaren afnemende ledenaantallen, de hoge beloning van topfunctionarissen en de verslechterende financiële situatie van de landelijke organisatie. Dat laatste element wordt overigens wel weer relevant als alle OV-dossiers – de administratieve weerslag van de meldingen over stafleden die met een eufemistische term ‘Ongeschikte Vrijwilligers’ worden genoemd – boven tafel komen en er moet worden gesproken over compensatie van de veroorzaakte schade.

Dat wordt dan een zaak van epische proporties – hoewel de ellende die de Barneses, en de scoutingafdelingen die hen de hand boven het hoofd hielden, hebben veroorzaakt, met geld natuurlijk nooit teniet kan worden gedaan.

Netflix heeft met Scouts Honor: The Secret Files Of The Boy Scouts Of America overigens een documentaire over hetzelfde thema uitgebracht.

Arnold

Netflix

Waar een wil is, is een weg. Als je het kunt imagineren, al dan niet met een sigaar in je mond, kun je het dus ook worden. Mister Olympia bijvoorbeeld. Een actieheld. Of – als geboren Oostenrijker – gouverneur van de Amerikaanse staat Californië. Arnold Schwarzenegger, zittend op zijn praatstoel met een sigaartje erbij, kan er smakelijk over vertellen. En Leslie Chillcott, de regisseur van de driedelige serie Arnold (190 min.) geeft hem alle ruimte en vult ‘s mans herinneringen, bekentenissen en bespiegelingen aan met bijdragen van mensen uit zijn periferie: sportvrinden, concurrenten, een ex-vriendin, zijn acteercoach, medespelers, regisseurs, medewerkers en politieke opponenten. 

De indeling van deze aangeklede autobiografie, uitgebracht als er toevallig ook net een nieuwe serie loopt van Arnie (FUBAR), is al even logisch: aflevering 1: bodybuilding, 2: film en 3: politiek. Als een geboren verteller kneedt Schwarzenegger – met drama, humor en een enkel kwetsbaar moment – van zijn opmerkelijke, uitbundig op camera gedocumenteerde levensloop een onderhoudende vertelling. Over de ontmoeting met zijn grote held, bodybuilder en Hercules-acteur Reg Park (wiens zoon Jon Jon acte de présence geeft in deze miniserie) bijvoorbeeld. Zijn rivaliteit met die andere actieheld van eind twintigste eeuw (Sylvester Stallone, die best wil vertellen over zijn voormalige grote vijand). En hoe hij als politieke novice, die overigens wel getrouwd was met een ‘Kennedy’, een succesvolle bestuurder wordt.

Hoewel hij zich soms beslist kwetsbaar opstelt, bijvoorbeeld als het overlijden van zijn broer en vader of zijn huwelijkse problemen aan de orde komen, blijft Arnold in controle. Hij heeft en houdt te allen tijde de regie en verkoopt zijn leven met een enorme hoeveelheid ‘Schmäh’, een combinatie van pure bluf en klinkklare nonsens. Dat roept onvermijdelijk de vraag op: wordt deze miniserie ooit meer dan het narratief dat de inmiddels bejaarde Arnold zelf van zijn leven wil maken? De vraag stellen…. Dit is de Hollywood-versie. Schwarzeneggers heldenverhaal. Waarin beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag tegenover vrouwen en seksuele escapades dus vooral dienen als (fikse) hobbel op de weg naar wie je altijd al wilde worden en een uiteindelijk toch wel happy end.

Je vormt je leven nu eenmaal door het je voor te stellen – vooraf, als de jonge hond die je ooit was – en door datzelfde leven naderhand in een bepaald perspectief te plaatsen – achteraf dus, als de oude leeuw die je bent geworden. Én door het hier en nu, als de epiloog na een enerverende vertelling, nog wat sjeu te geven met ritjes in een tank, mijmeringen bij de aanblik van imposante bergtoppen en het uitlaten van je eigen ezels, pony’s en andere boerderijdieren. Het is tenslotte de Arnold Schwarzenegger Show! Vermaak gegarandeerd, wanneer het gordijn eenmaal is opengegaan. Maar wat er daarachter werkelijk schuilgaat? Arnold zal het uit zichzelf niet vertellen.

Wild Life

Disney+

Hoe kan ze hun gezamenlijke leven het beste eren? Door te blijven rouwen om haar plotseling overleden echtgenoot Doug? Of door hun gezamenlijke levenswerk voort te zetten? Uiteindelijk is het geen keuze voor Kris Tompkins: de Amerikaanse klimaatactiviste blijft zich inzetten voor het behoud van het natuurgebied in Patagonië, dat ze sinds begin jaren negentig in bezit hebben. Als eerbetoon aan haar overleden echtgenoot, ooit een fervente bergbeklimmer, wil Kris bovendien ’hun’ bergtop beklimmen in dit gebied, dat zich uitstrekt over de landen Chili en Argentinië.

En daarbij krijgt ze hulp van Jimmy Chin, die samen met Elizabeth Chai Vasarhelyi bekende klimfilms als Meru en Free Solo heeft gemaakt. Tussendoor vertellen ze in Wild Life (92 min.) het verhaal van Kristine’s leven met Douglas Tompkins (1943-2015). Als ze elkaar ontmoeten, hebben de twee al een heel leven, dat hen in andere relaties en bij de kledingmerken Patagonia en Esprit heeft gebracht, achter de rug. De lokale autoriteiten kunnen intussen maar niet geloven dat die ‘lelijke’ Amerikanen werkelijk land opkopen voor een nationaal park. Er moet wel een addertje onder het gras zitten.

Chin en Chai Vasarhelyi tonen hoe Kris en Doug hun gezamenlijke droom, een beschermd natuurgebied met een hernieuwde biodiversiteit, desondanks blijven najagen. Óók als het noodlot toeslaat en hij bij een tragisch ongeluk om het leven komt. Het is een optimistische vertelling. Over hoe ieder mens, met een lumineus idee en een goedgevulde portemonnee, een positieve bijdrage kan leveren aan de wereld. Dat resulteert alleen niet per definitie ook in een héél spannende film – al maken het verdriet en de wanhoop van Kris na het overlijden van haar zielsverwant beslist indruk.

Net als de vastberadenheid waarmee ze zich daarna toch weer aan hun gedeelde ideaal wijdt in deze degelijke documentaire, die de uitbundige flora en fauna van Patagonië in de etalage zet – en zo meteen de noodzaak van het behoud daarvan nog eens onderstreept.

God Forbid: The Scandal That Brought Down A Dynasty

Disney+

Hoogmoed komt voor de val. Terwijl Jerry Falwell Jr., rector magnificus van de christelijke Liberty University, en zijn vrouw Becki zo’n beetje worden beschouwd als het koninklijke echtpaar van evangelisch Amerika, leiden ze in werkelijkheid een losbandig bestaan. In maart 2012 slaan ze in Miami een twintigjarige ‘pool boy’ aan de haak. Als Becki seks heeft met deze Giancarlo Granda kijkt haar echtgenoot Jerry verlekkerd toe. Ofwel: cuckolding. Een spel waarbij BDSM en voyeurisme elkaar ontmoeten. En deze pikante driehoeksverhouding, die door Jerry overigens wordt ontkend, houdt in totaal zo’n zeven jaar stand.

In eerste instantie richt God Forbid: The Scandal That Brought Down A Dynasty (109 min.) zich vooral op het persoonlijke relaas van Giancarlo Granda. Over hoe hij als bleue Cubaans-Amerikaanse jongeling langzaam maar zeker verstrikt raakt in het web van de christelijke drinkebroer en zijn onverzadigbare ‘cougar’. Hij was geil en naïef, concludeert Granda nu. En Jerry wilde vooral dat Becki gelukkig was, stelt Mark Ebner, de grofgebekte schrijver van het boek Off The Deep End: Jerry And Becki Falwell And The Collapse Of An Evangelical Dynasty. En dat was ze volgens hem met name ‘when Giancarlo Granda was balls deep inside of her’.

Die ferme oneliner – en Ebner schudt er nog veel meer uit zijn mouw – is exemplarisch voor de toonzetting van deze documentaire van Billy Corben, die is opgeleukt met slicke nagespeelde scènes met acteurs en volgestort met catchy deuntjes (waarbij ook orgelwonder Klaus Wunderlich soms een deuntje lijkt mee te spelen). Dit kan evenwel niet verhullen dat het ondeugende tabloidverhaaltje, dat gaandeweg ook nog uitmondt in een schimmige onroerend goeddeal, gaandeweg een veel groter maatschappelijk thema blootlegt: de toenemende invloed van evangelische Amerikanen op de koers van hun land en het grimmige geweld dat daardoor soms loskomt.

Want Falwell is de zoon van één van de bekendste en meest invloedrijke tv-predikanten die de Verenigde Staten ooit hadden. Moral Majority-leider Jerry Falwell Sr. maakte in de jaren zeventig van de strijd tegen abortus een cultuuroorlog, voerde tevens een kruistocht tegen porno en gaf later gays zowaar de schuld van de terroristische aanslagen van 11 september 2001. Als prominente vertegenwoordiger van christelijk nationalisme liet Jerry Sr. volgens historicus Matthew Sutton zien ‘dat je met politiek, demagogie en hysterie geld kon verdienen en meer invloed en macht kon krijgen. Jerry Jr. erkent dit en zet het werk van zijn vader voort.’

En daarmee maakt zowaar ook Donald Trump zijn entree in de film. Eerst als succesvolle zakenman, mediapersoonlijkheid en kennis van de Falwells, later ook als kandidaat-politicus. Als zijn ‘enforcer’ Michael Cohen stuit op ‘persoonlijke foto’s’ van het echtpaar en hun zwembadjongen, worden die rücksichtslos ingezet om christelijk rechts aan Trumps kant te krijgen. En Falwell Jr. zal zich tijdens Donald Trumps campagne en presidentschap inderdaad opwerpen als één van zijn loyaalste medestanders – ook als die zich steeds openlijker gedraagt als een despoot. Zolang hij maar trouw aan de bijbel blijft zweren – of Cohen stiekem aan die foto’s refereert.

De hypocrisie van de Falwells dient in deze smeuïge film uiteindelijk vooral als casus om de wisselwerking tussen conservatieve christenen en met name Republikeinse politici aan te kaarten. Uit principiële of puur praktische overwegingen sluiten zij de rijen. Falwell Sr. en Jr. kunnen daarbij allebei terugvallen op een speciale relatie met hun ‘eigen’ president, Ronald Reagan en Donald Trump. En daartussen zijn, zo laat Corben zien in een spannende parallelmontage, opvallende overeenkomsten. Als deze conservatieve christenen hun zin krijgen, zo toont deze documentaire eveneens, kunnen de VS wel eens uitgroeien tot een theocratie.

God verhoede ‘t, zal menigeen denken.

Het Beest Van Amsterdam

Doxy

Hij is geen schim meer van de imposante man die hij ooit moet zijn geweest. Alzheimer, vasculaire dementie en Parkinson doen hun ontregelende werk bij Jon Bluming (1933-2018) als regisseur Vuk Janic hem begint te filmen voor wat uiteindelijk een postuum portret is geworden. Hij was het die judo, karate, thaiboksen en worstelen ooit in Europa introduceerde. Een free fighter pur sang. Een meester in mixed martial arts. Een Nederlandse samoerai.

Janic probeert Het Beest Van Amsterdam (54 min.) dat nog ergens in dat versleten, broze lijf verscholen zit te vangen met een tekst die hij, op basis van interviews met Bluming en diens autobiografie Van Straatschoffie Tot 10e Dan (1999), met medewerking van Arthur van den Boogaard heeft geschreven. Die woorden zijn vervolgens, als een gekooide leeuw, ingesproken door Matteo van der Grijn en voorzien van stemmige zwart-witte animatie.

‘Onverslaanbaar zijn, dat wilde ik’, zegt die bijvoorbeeld. Of, over hoe hij terugkwam uit de oorlog in Korea: ‘Dood, ik ben wel klaar met je. Een losgeslagen straatschoffie werd ik.’ En over wat hij meenam van zijn traumatische ervaringen als zeventienjarige frontsoldaat. ‘Hij of ik. Altijd weer: hij of ik.’ Dat zou een leidmotief voor de rest van zijn bestaan worden. Zoals die vervloekte oorlog in Korea hem ook voor het leven tekende. ‘Angstig, altijd angstig, om dood te gaan’

Vechtsport was voor Jon Bluming uiteindelijk toch meer gevecht dan sport, vertellen mensen uit zijn directe omgeving zoals Jan de Bruin (voorzitter en kancho IBK Kyokushin Karate), viervoudig wereldkampioen K-1 Sem Schilt en Blumings protegé Chris Dolman, driemaal wereldkampioen sambo en veertig keer nationaal kampioen worstelen, judo of sambo. Jon Bluming was ‘keihard en liefdevol’, zegt één van de sprekers treffend op zijn uitvaart.

Die wordt door Vuk Janic gebruikt als startpunt voor deze wat weerbarstige film, waarin de breekbare oude man die zich slechts een enkele keer nog in zijn ziel laat kijken (‘Je vraagt je soms weleens af waarom je al die jaren gestudeerd hebt op vechten. Nou ja, ’t is niet anders.’) en het gevaarlijke beest dat via de geschriften van diezelfde man tot de wereld spreekt soms wat lastig samenkomen. Alsof het gaat om twee verschillende mensen, twee verschillende stemmen.

Maar misschien is dat gewoon wat het leven doet met tot de verbeelding sprekende vechters zoals Jon Bluming. Indachtig dat oude gezegde: old warriors never die, they simply fade away.

Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur

FX

Zijn naam is voor eeuwig verbonden met het alter ego van die andere vermaarde hiphopper, Christopher Wallace. Tupac Shakur versus The Notorious B.I.G. De Amerikaanse westkust tegenover de oostkust. Een gangsterrapoorlog, die hen allebei het leven kostte. Eerst ‘2Pac’, op 23 september 1996. Ruim een half jaar later ‘Biggie’.

Het is een tragische geschiedenis, die zijn weg ook al heeft gevonden naar diverse documentaires. Na Biggie And Tupac (2002) maakte de Britse filmmaker Nick Broomfield een kleine twintig jaar later bijvoorbeeld ook Last Man Standing: Suge Knight And The Murders Of Biggie & Tupac. En Suge Knight, de platenbaas van Death Row Records die wordt gezien als de aanstichter van de ontspoorde oorlog, kreeg in 2018 ook zijn eigen podium in American Dream / American Knightmare.

Nadat regisseur Emmett Malloy in 2021 al Christopher Wallace achter de zwaarIijvige gangsterrapper vandaan probeerde te halen in Biggie: I Got A Story To Tell, neemt filmmaker Allen Hughes nu bijna vijf uur de tijd om de enige echte Tupac Amaru Shakur te vinden in de patser, die het boegbeeld van ‘thug life’ was geworden. En het duurt in de vijfdelige serie Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur (298 min.) ruim twee uur voordat de naam Biggie voor het eerst valt – en nog een stuk langer voordat de strijd oplaait.

Hughes en Shakur gaan ver terug. Ze werkten samen voor enkele videoclips, maar kregen ruzie over Tupacs bijdrage aan de speelfilm Menace II Society. De rol stond hem niet aan. Het conflict liep hoog op. Geruchten dat hij in elkaar is geslagen door de rapper/acteur verwijst Allen Hughes, die noodgedwongen ook even vóór de camera verschijnt, echter direct naar het rijk der fabelen. Shakur had wel een stuk of tien hardhandige ‘vrienden’ die dat voor hun rekening namen.

Tupac was ‘de intelligentste idioot die ik ooit heb ontmoet’, stelt zijn manager Watani. Zijn latere gedrag is ook nauwelijks te rijmen met de beelden van de zeventienjarige Shakur. Hoe kon deze gevoelige en welbespraakte scholier uitgroeien tot een rapper die steeds verder ontspoorde? Allen Hughes legt in deze miniserie de link met het woelige bestaan van zijn moeder Afeni Shakur. Zij was een prominent lid van The Black Panther Party, zat een hele tijd vast en ontwikkelde een ernstige verslaving.

In Dear Mama, tevens de titel van een song van Tupac over de vrouw die hem in haar eentje opvoedde, alterneert Hughes voortdurend tussen deze twee verhaallijnen. Afeni‘s leven in en rond de militante Panther-beweging, die in de jaren zestig en zeventig in een loopgravenoorlog was verwikkeld met de Amerikaanse overheid, claimt vrijwel net zoveel ruimte als de lotgevallen van haar zoon. Het is alsof ze allebei vast zijn gelopen in een permanente vechtmodus, die hen weinig goeds brengt.

Met familieleden, vrienden en medestrijders van moeder en zoon, alsmede geestverwanten van Tupac zoals Dr. Dre, Snoop Dogg en Mike Tyson, kleurt Allen Hughes die twee getormenteerde, onlosmakelijk met elkaar verbonden levens, vereeuwigd in een overvloedige hoeveelheid fraai beeldmateriaal, verder in tot een dubbelportret van epische proporties. Alleen het gezwollen eind, waarin de betreurde Tupac tot een halve heilige wordt uitgeroepen, is wat veel van het goede.

Als de rapper/acteur – die zijn biologische vader nauwelijks heeft gekend, al draaft de man wél op in deze miniserie – op slechts 25-jarige leeftijd zijn laatste adem heeft uitgeblazen, leeft zijn moeder nog twintig jaar verder. Afeni zal Tupacs woordvoerder, zaakwaarnemer en martelaar worden. Strijdbaar, zoals altijd – net als haar zoon. Maar met een zwaar hart.

Gaby Aghion: The Woman Behind Maison Chloé

AVROTROS

Ook toen ontwerpers een soort rocksterren werden, bleef couturière Gaby Aghion (1921-2014) het liefst op de achtergrond. De oprichtster van het Franse modehuis Chloé, dat ze had vernoemd naar haar vriendin Chloé Huysmans, liet zich zo min mogelijk zien en gunde de aandacht bijvoorbeeld met liefde en plezier aan de jonge ontwerper Karl Lagerfeld, die begin jaren zestig het Chloé-team had versterkt. Samen zouden ze grote successen vieren.

‘Gaby is een aparte figuur in de mode’, vertelt haar kleindochter Mikhaela in de docu Gaby Aghion: The Woman Behind Maison Chloé (53 min.) van Isabelle Cottenceau. ‘Men vraagt me altijd: wat heeft ze ontworpen? Was ze stylist? Was ze artistiek directeur?’ Volgens schilder, fotograaf en huisvriend Peter Knapp was Aghion echter geen ontwerper, maar een doorgever. Ze kon de toekomst aanvoelen en daarbij de juiste mensen kiezen.

‘Vergeef me dat ik pretentieus ben’, vertelde Gaby Aghion zelf tijdens een interview in 2012, waarvan enkele fragmenten voor deze film zijn ingesproken door Keren Ann. ‘Maar ik geloof dat ik door mijn voorbeeld de vrouwen heb bevrijd.’ Daarvoor moest ze dan wel eerst van haar geboorteland Egypte naar Frankrijk verhuizen. Daar schrok ze als geëmancipeerde vrouw van de onvrijheid van Franse vrouwen en startte in 1952 haar eigen modehuis.

Aghion maakte direct naam met shows die ze bijvoorbeeld in het befaamde Parijse Café de Flore organiseerde. Terwijl de pers café au lait dronk en zich tegoed deed aan croissants, liepen de mannequins gewoon tussen de tafels door. Ze richtte zich bovendien op luxe confectiekleding. Ready-to-wear. Ofwel, met een mooie Franse vakterm: prêt-à-porter. Zoals de Embrun, een hemdjurk die z’n weg zou vinden naar de garderobe van elke bijdetijdse dame.

Cottenceau neemt in deze verzorgde film de tijd om zulke ontwerpen eens goed te laten bekijken en beschrijven door enkele begeesterde experts. Daarop ligt zeker zoveel nadruk als op het – voor een buitenstaander minstens zo interessante – leven van Aghion, die Joods was, samen met haar echtgenoot Raymond het communisme aanhing en volgens haar zoon, de bekende econoom Philippe Aghion, alleen de waarheid sprak als het haar uitkwam.

Net als in het echte leven krijgt Gaby Aghion in dit postume portret zo de gelegenheid om zich een beetje te verschuilen achter haar werk.

My Maysoon

EO

Batoul Karbijha laat haar Italiaanse vriendin Alessia de vraag een paar keer opnieuw stellen aan rechercheur Angelo Milazzi: waarom hebben ze niet geprobeerd om de mensen onder de gekapseisde boot vandaan te halen? Ze kan er met haar hoofd niet bij. Naderhand is ook niemand gaan duiken om de lichamen te vinden. Wat Milazzi ook zegt – niet genoeg reddingsvesten, tijd en geld en bovendien niet de verantwoordelijkheid van de Italiaanse overheid – Batoul kan het niet accepteren.

Bij die schipbreuk nabij de Italiaanse kust op 24 augustus 2014, waarbij waarschijnlijk zo’n tweehonderd vluchtelingen vermist raakten, verdween haar zus. My Maysoon (55 min.) is Batoul Karbijha’s poging om haar terug te vinden. Niet letterlijk, dat weet ze ook wel, maar gevoelsmatig. Want over Maysoon wordt nauwelijks meer gesproken binnen het inmiddels in Nederland woonachtige Syrische gezin. Te pijnlijk, niet te bevatten. Hun levens bestaan uit twee periodes: vóór en ná die fatale boottocht.

Tegelijkertijd kan Batoul helemaal niet accepteren dat haar zus, een jonge veelbelovende vrouw, er niet meer is. Ze gaat ook nog in het grensgebied van Tunesië en Libië naar haar op zoek. ‘Als de film een succes wordt zonder dat je Maysoon vindt, voel je je dan schuldig?’ wil haar reisgenoot weten. ‘Ja, want ik maak de film om Maysoon te vinden, maar ook om haar verhaal te vertellen’, antwoordt zij ferm. ‘Ik wil niet stoppen voordat ik een antwoord heb of kan zeggen dat ik alles heb geprobeerd om haar te vinden.’

Deze delicate film – ondertitel: omdat dierbaren ons nooit verlaten – documenteert niet alleen Batouls zoektocht naar Maysoon, maar ook hoe ondertussen binnen de familie het gesprek over haar zus, en daarmee ook de vlucht uit hun door oorlog verscheurde moederland, op gang wordt gebracht. Ben je over het schuldgevoel heen? wil Batoul bijvoorbeeld weten van haar broer Mohammed, die erbij was toen de boot omsloeg en hun zus vermist raakte. ‘Nee. Maar ik denk niet dat Maysoon boos op me is.’

Zo moet elk familielid zich op zijn eigen manier verhouden tot het lot van hun dierbare dochter/zus en de gevoelens van verdriet, spijt en schuld die zich daaraan onvermijdelijk hebben vastgehecht. Kunnen en willen ze daarvan loskomen? Mag dat überhaupt? En hoe ziet het leven daarna er dan uit? Zonder en toch altijd met Maysoon.

Television Event

VPRO

Geen bloed. En geen verbrande lijken. De censoren van de Amerikaanse commerciële zender ABC lijken onverbiddelijk. Het is duidelijk dat zij geen idee hebben van wat de makers van die nieuwe ‘Saturday Night Movie’ proberen te bewerkstelligen. De filmcrew laat zich er in elk geval niet door weerhouden. Regisseur Nick Meyer en z’n team willen Amerika confronteren met de gevaren van een kernoorlog. Hun speelfilm The Day After wordt in 1983 een ongekend Television Event (86 min.) – en een prachtige metafoor voor de collectieve angst voor nucleaire verwoesting van de aarde.

‘In de jaren tachtig hadden Amerika en Rusland genoeg kernwapens om iedere man, vrouw en kind op aarde 54 keer te doden’, stelt Meyer, die even daarvoor nog een Star Trek-film heeft afgeleverd. ‘54 keer!’ Alle reden dus om het land wakker te schudden met een onvervalste ‘what if’-film. Alleen dreigt de licht ontvlambare filmmaker zelf een obstakel te worden. Tijdens het productieproces blijkt steeds weer dat waar Nick Meyer komt, ook ruzie komt. ABC Motion Pictures-onderdirecteur Stu Samuels ontwikkelt een serieuze vorm van ‘Nick-moeheid’ en overweegt om hem van de film af te halen.

Rondom die clashende ego’s ontwikkelt zich een discussie over of die film over gewone Amerikanen voor, tijdens en na een kernaanval er überhaupt moet komen. Is het meer dan ordinaire bangmakerij? Spelen ze grote vijand Rusland ermee in de kaart? De nieuw aangetreden regering van de ‘cowboy’ Ronald Reagan komt in elk geval met dwingende inhoudelijke suggesties. Blijkbaar is het idee van een film over een kernoorlog nog enger dan een echte kernoorlog. Intussen laait de Koude Oorlog, mede door Reagans retoriek over de Sovjet-Unie als ‘evil empire’, begin jaren tachtig ouderwets op. 

Via het voorbeeld van de controversiële kernoorlogsfilm belicht deze hele smakelijke reconstructie van Jeff Daniels intussen treffend de angst voor nucleaire destructie die als een grauwsluier over de jaren tachtig hangt (en die nu, gezien bijvoorbeeld de ontwikkelingen in Oekraïne, opnieuw uiterst actueel is). Totdat de regering Reagan toch maar toenadering zoekt tot de aartsvijand, om de ontspoorde wapenwedloop een halt toe te roepen – al is het de vraag of The Day After daarbij inderdaad zo’n prominente rol heeft gespeeld als Television Event, op toch wel typisch Amerikaanse wijze suggereert.

First Five

HBO Max

Ze vormen een ideaal visitekaartje voor Finland, dat in de afgelopen jaren met de regelmaat van de klok tot gelukkigste land van de wereld is gekozen. De Finse premier Sanna Marin en de andere jonge vrouwen in haar regering, ook wel de First Five (111 min.) genaamd, fungeren als rolmodel voor een hele generatie meisjes met de ambitie om daadwerkelijk door het glazen plafond te stoten. Daarmee oogsten ze internationaal misschien nog wel meer lof dan in eigen land, waar het helemaal niet zo ongebruikelijk is om een vrouwelijke regeringsleider of ministers te hebben.

In deze degelijke driedelige docuserie laat Mia Halme de vijf Finse kopstukken, elk ook leider van een eigen politieke partij, los van elkaar hun verhaal doen. Over inspiratiebronnen zoals Barbie, The Spice Girls en Pippi Langkous. Over hoe hun achtergrond en thuissituatie (met een alleenstaande moeder, gescheiden ouders of twee moeders bijvoorbeeld) mede bepalend zijn geweest voor hoe ze nu in de politiek staan. En over hoe het is om als jonge vrouw een beeldbepalende politicus te zijn: hoe moet je bijvoorbeeld dealen met de voortdurende focus op jouw uiterlijk, kun je een politieke carrière combineren met het (aanstaande) moederschap en hoe ga je om met de misogynie die vrouwelijke politici, wereldwijd vrijwel standaard ten deel valt?

Halme valt haar hoofdpersonen niet lastig met al te kritische vragen, maar laat hen vrijelijk reflecteren en illustreert dit met observerende scènes uit hun persoonlijke en professionele leven. Het lijkt bijna een statement: zo ziet de politiek eruit, letterlijk, wanneer jonge vrouwen doordringen tot het centrum van de macht. De mannen die daarbij aan hun zijde staan blijven grotendeels buiten beeld. De enige kerels behoren tot de oppositie. Als zij de regering aanpakken, zoals bij de rel rond filmpjes van een dansende Sanna Marin op een feestje, ogen ze als stoffige vertegenwoordigers van oude politiek. Vrouwen uit de hele wereld tonen zich vervolgens solidair met Marin en publiceren onder de hashtag #solidaritywithsanna hun eigen dansfilmpjes.

Deze driedelige serie laat verder zien dat ook in een regeringscoalitie met louter vrouwelijke gezichten echt niet altijd alles pais en vree is, al worden die problemen opvallend gemakkelijk opgelost. Zo lijkt het tenminste. First Five krijgt extra lading als Rusland begin 2022 Oekraïne binnenvalt. Finland, dat in het verleden meermaals is aangevallen door Russische troepen, voelt zich ook bedreigd. Als Sanna Marin door president Zelensky is rondgeleid in het getroffen gebied en daar met eigen ogen de massagraven heeft gezien, verbergt ze haar gevoelens bovendien niet. Iets wat haar ongetwijfeld ook weer kritiek en lof oplevert. Als ze haar emotie niet zou hebben getoond, was de Finse premier ongetwijfeld voor een ijskonijn versleten.

Het is de spagaat waarin vrouwelijke politici, ook getuige dit degelijke groepsportret, nog altijd zitten. Waarbij de liefde die ze vanuit eigen kring en de rest van de wereld ontvangen, niet automatisch opweegt tegen de drek die haters over hen uitstorten.

Patti Smith: Electric Poet

Arte

Na een concert met Bruce Springsteen & The E Street Band voelde gitarist Steven van Zandt onlangs de behoefte om met een tweet een recensent te corrigeren: nee, Bruce speelde geen cover van Patti Smith, het was zijn eigen compositie!

Vreemd is het overigens niet dat Because The Night door menigeen vooral wordt geassocieerd met de zangeres, dichter en kunstenares uit New York. Zij eigende zich het prijsnummer volledig toe en maakte er een absolute wereldhit van, haar enige overigens. Smith zelf werd intussen in het collectieve geheugen opgeslagen als een performer die floreerde op het braakliggende terrein tussen poëzie en rock & roll. Ze stond daarbij op de schouders van giganten als Arthur Rimbaud, Brian Jones, James Dean, Albert Camus en Bob Dylan en werd volgens eigen zeggen regelmatig verrast door de kracht van haar eigen verbeelding.

Als outsider had ze haar plek gevonden in het illustere Chelsea Hotel, een bastion van de tegencultuur waar je in de lobby zomaar bohémiens als Janis Joplin, William Burroughs of Allen Ginsberg tegen het lijf kon lopen. En even verderop huisde Andy Warhol’s The Factory, waar The Velvet Underground kind aan huis was. Gedragen door de eerste punkgolf van halverwege de jaren zeventig, waarbinnen ze helemaal op haar plek was, werd Smith zelf ook een icoon van die scene: oorspronkelijk, eigenzinnig en androgyn. Gaat het te ver om haar ‘non-binair avant la lettre’ te dubben? Feit is dat ze speelde met de traditionele man- en vrouwrollen.

Het gedegen portret Patti Smith: Electric Poet (53 min.) van Anne Cutaia en Sophie Peyrard richt zich vooral op het decennium waarin de geboren performer zich openbaarde aan de wereld. Zoals wel vaker wordt de periode daarna, waarin ze ook nog eens bijna tien jaar uit het publieke leven verdween om zich samen met haar echtgenoot Fred ‘Sonic’ Smith (oud-gitarist van The MC5) te wijden aan haar gezinsleven, bijna behandeld als een soort epiloog. Alsof dat latere leven simpelweg kan worden gereduceerd tot de comeback, na Freds vroegtijdige overlijden in 1994, en de blijvende artistieke waardering die haar sindsdien, ook als fotograaf, ten deel is gevallen.

‘Ik ben nooit normaal geweest’, stelt ze zelf, na een leven lang liefdevol laveren tussen punk en poëzie. ‘Maar ik ben een normale excentriekeling.’

Elvis ’56

Media Home Entertainment

‘Terwijl hij onderweg is en in kleine clubs speelt, wil Elvis Presley niets liever dan een grote ster worden’, constateert Levon Helm, de verteller van Elvis ‘56 (58 min.). ‘Die droom lijkt volstrekt buiten zijn bereik. Op één klein detail na: de manier waarop meisjes beginnen te gillen als ze zien hoe Elvis beweegt terwijl hij zingt.’

Aan het begin van 1956 neemt de dan 21-jarige Presley, ingelijfd door de illustere manager Colonel Tom Parker (een pseudoniem van de Nederlandse ritselaar Dries van Kuijk), zijn allereerste nummer op voor het vermaarde platenlabel RCA: Heartbreak Hotel. Daarna zal het leven van de voormalige truckchauffeur uit Memphis, Tennessee, nooit meer hetzelfde zijn. 

Deze documentaire van Alan en Susan Raymond uit 1987 richt zich volledig op het sleuteljaar 1956, waarin Elvis van een ‘rockin’ nobody’ binnen korte tijd de onbetwiste ‘king of rock & roll’ wordt, een contract voor zeven jaar bij Paramount Pictures tekent en de ongevraagde aandacht, torenhoge verwachtingen en scherpe (en bekrompen) kritiek leert kennen die gepaard gaan met plotselinge roem.

Elvis voelt die druk ook, getuige deze film die volledig bestaat uit archiefmateriaal: dampende performances en fraaie zwart-wit foto’s. Voor Hound Dog heeft hij maar liefst dertig takes nodig. Pas dan is hij tevreden. Take 28 zal uiteindelijk de hitlijsten bestormen, in datzelfde jaar nog gevolgd door klassiekers als Don’t Be Cruel en het titelnummer van zijn debuutfilm Love Me Tender.

Met vaste hand schildert Elvis ’56 een jonge, viriele artiest die de duffe jaren vijftig een schop in hun kloten geeft met muziek die hij ‘leent’ van zwarte muzikanten en zulke ‘weerzinwekkende bewegingen’ maakt tijdens optredens dat een rechter ze probeert te verbieden. Hij zal in de navolgende decennia nog véél groter worden, constateert verteller Helm, die zelf furore maakt als drummer en zanger van The Band.

Elvis Presley wordt echter nooit meer zo benaderbaar als in het jaar 1956.

Bama Rush

HBO

Alsof er iemand ruim anderhalf uur lang met zijn nagels over een krijtbord staat te krassen. Met een verkeerde instelling kan Bama Rush (96 min.), de documentaire van Rachel Fleit over het selectieproces voor studentenverenigingen bij de universiteit van Alabama in Tuscaloosa, een absolute bezoeking worden. Als je een ernstige allergie hebt voor zulke clubs en hun rituelen, bijvoorbeeld. Of de tandpastasmiles, plastic diepgang en kirlachjes van alle typisch Amerikaanse meisjes die via de ‘Rush’, een ongekende hit trouwens op TikTok, lid willen worden van een studentensociëteit simpelweg niet kunt velen. 

Je kunt natuurlijk veel beter als uitgangspunt nemen dat de jonge vrouwen in deze gelikte, fraai vormgegeven film door Amerika’s glazen plafond willen breken en daarvoor nu al de benodigde vaardigheden verkrijgen, contacten smeden en hiërarchie leren kennen. ‘Rush is een ritueel voor sociale stratificatie, zonder uitzondering’, vertelt Elizabeth Boyd, schrijver van het boek Southern Beauty: Race, Ritual, And Memory In The Modern South. ‘Stratificatie in de zin van het organiseren van mensen en groepen in lagen van macht, status en prestige. Het is een proeftuin voor competitieve vrouwelijkheid en de hedendaagse uitvoering van de zuidelijke schone.’

Fleit belicht de interne machinerie van de studentenverenigingen, snijdt thema’s als segregatie en uitsluiting aan en zoomt, via portretjes van enkele Potential New Members (PNM’s), in op het selectieproces. Zij zullen worden gescoord op punten als eerste indruk, gespreksstof, normen en waarden en academische potentie. De meiden die hun zinnen hebben gezet op een prestigieuze club zoals Zeta Tau Alpha laten daarbij niets aan het toeval over. Ze zorgen ervoor dat ze een sociëteits-CV hebben en schakelen een heuse Rush-consultant in, zodat ze bij kennismakingsgesprekjes nooit met de mond vol tanden zitten of een gigantische flater slaan.

‘Authenticiteit is mijn kernwaarde’, zegt de gemaakt lachende Makayla Miller in de verplichte videoboodschap, terwijl haar persoonlijke coach streng toekijkt. ‘Verbinding en ware zusterschap vinden lukt alleen door authentiek te zijn. Respect is ook belangrijk.’ Als je van een zekere afstand naar zulke meisjes kijkt, zie je vooral kwetsbare kids die op zoek zijn naar hun plekje in de wereld en in dat kader voor de rode loper naar de elite kiezen. Als gevolg daarvan gedragen ze zich al snel allemaal min of meer hetzelfde, zijn ook uiterlijk nauwelijks van elkaar te onderscheiden en transformeren zo – als je het onaardig wilt zeggen – van huppel…, ja, in tuthola.

Zodra uitlekt dat Rachel Fleit – die zich in deze grillige film ook een aantal persoonlijke en enigszins gezochte terzijdes permitteert – een documentaire maakt over de Bama Rush van 2022, waarin volgens de roddels bovendien gebruik zal worden gemaakt van verborgen microfoons, breekt op de sociale media een soort oproer uit. Al snel zijn er ‘F*ck Your Documentary’-shirts te koop en heeft deze instadocu dus ook zijn verplichte laatste hobbel op weg naar Bid Day, de dag waarop de aspirantleden krijsend horen of, en zo ja waar, ze zijn toegelaten – en kan elke doorgewinterde scepticus de jeuk op ongemakkelijke plekken waarschijnlijk écht niet meer verdragen.

The Murder Of Fred Hampton

MGA

‘Je kunt een revolutionair opsluiten, maar je kunt de revolutie zelf niet opsluiten’, houdt Fred Hampton zijn gehoor voor tijdens een speech. Even later gevolgd door een variant op die strijdleus: ‘Je kunt een vrijheidsstrijder doden, maar je kunt de vrijheidsstrijd zelf niet doden.’

Daarvan is hij zelf een schrijnend voorbeeld geworden. Hampton, leider van het Illinois Chapter van The Black Panther Party, werd in december 1969 op 21-jarige leeftijd, naar verluidt in zijn slaap, tijdens een inval van de politie van Chicago gedood. Net als andere prominente Afro-Amerikaanse stemmen van zijn tijd, zoals Malcolm X, Medgar Evers en Martin Luther King, moest hij zijn bijdrage aan de strijd om burgerrechten op jeugdige leeftijd met de dood bekopen. Hij zou daardoor bijvoorbeeld nooit meemaken hoe een zwarte man ruim dertig jaar later president van zijn land werd. Hampton en zijn strijdmakkers van The Black Panthers hadden dat waarschijnlijk voor onmogelijk gehouden.

Deze observerende zwart-wit film van Howard Alk begint als een collageachtige impressie van ‘s mans strijd, maar wordt gaandeweg een exploratie van The Murder Of Fred Hampton (89 min.). Die heeft als zoveelste scharnierpunt gefunctioneerd in een tijd waarin het Afro-Amerikaanse verzet steeds militanter en openlijk socialistisch wordt, mannen als Bobby Rush, Huey P. Newton en Bobby Seale de harten van Jong Zwart Amerika veroveren en de regering Nixon en het lokale gezag hen maar al te graag een kopje kleiner maken. In het geval van Fred Hampton, een charismatische leider met de gave des woords, gebeurt dit eerst met min of meer legale middelen, in de rechtbank via The Ice Cream Trial, en worden later, in de woorden van de Panthers, talloze ‘pigs’ ingezet om hem definitief het woord te ontnemen.

Intussen nemen zij zelf ook de wapens op en beginnen zich met hand en tand te verdedigen. Moet de dood van Fred Hampton in dat verband worden gezien als – de officiële lezing van de autoriteiten, verwoord door Cook’s County’s officier van justitie Edward Hanrahan – het logische gevolg van een schietpartij tussen zwaarbewapende Black Panthers en de politie van Chicago? Of toch – de haaks daarop staande visie van Hamptons medestanders – als een door het gezag, J. Edgar Hoovers FBI in het bijzonder, slinks georkestreerde moordpartij van een man die de strijd aanbond met de hegemonie van de witte man? Regisseur Alk laat er geen misverstand over bestaan welke mening hij is toegedaan – en het kost een buitenstaander weinig moeite om hem daarin te volgen.

Michael Douglas – The Child Prodigy

Kirk & Michael Douglas / AVROTROS

Als één acteur de Amerikaanse man van eind twintigste eeuw een gezicht heeft gegeven, dan is het Michael Douglas. Of het nu was als een overspelige echtgenoot (de brave borst Dan Gallagher die in Fatal Attraction een affaire heeft met een bijzonder wraaklustige Glenn Close), de Januskop van het kapitalisme (Gordon ‘Greed is good’ Gekko in Wall Street, Oliver Stone’s aanklacht tegen de Reagan-jaren) of een doorgesnoven en seksbeluste thrillseeker (rechercheur Nick Curran die in Paul Verhoevens erotische thriller Basic Instinct jaagt op Sharon Stone), Douglas wist er een gedenkwaardige ‘man you hate to love’ van te maken.

Ook dit portret van de Amerikaanse acteur begint echter weer bij zijn vader Kirk Douglas, één van de grootste Hollywood-sterren van de jaren vijftig en zestig en een man waar je als kind bijna standaard schril tegen afsteekt. Kan Michael binnen de filmwereld ooit meer worden dan ‘de zoon van Spartacus’? blijft lang, niet in het minst voor hemzelf, de vraag. Hij belandt eerst op het televisiescherm (de populaire politieserie The Streets Of San Francisco), wordt daarna succesvol achter de schermen als filmproducent (de klassieker One Flew Over The Cuckoo’s Nest, waarbij hij zijn vader passeert voor de hoofdrol) en breekt tenslotte toch door op het witte doek met ComaThe China Syndrome en Romancing The Stone.

In Michael Douglas: The Child Prodigy (52 min.), een documentaire van Amine Mestari, gaat de hoofdpersoon er eens goed voor zitten om het verhaal van zijn leven en carrière van context te voorzien. Dat vadercomplex blijft daarin alsmaar terugkomen, ook als junior zich al lang en breed op eigen kracht heeft bewezen. ‘Als ik had geweten dat je zo succesvol zou worden was ik aardiger tegen je geweest toen je opgroeide’, zei Kirk, volgens Michael, op latere leeftijd tegen hem. ‘Achteraf bezien was hij héél trots.’ Zoonlief had bovendien inmiddels iets bereikt wat voor zijn vader nooit zou zijn weggelegd: een Oscar. Voor de rol van Gordon Gekko, die hij ruim twintig jaar later nog eens op zich zou nemen in het vervolg Wall Street: Money Never Sleeps (2010).

In de tussentijd was Michael Douglas al indringend geconfronteerd met de man die hij was geworden. Een workaholic, net als zijn vader. En bevattelijk voor verslaving, zoals wel meer leden van de familie. Hij praat er open over in dit verzorgde portret. Douglas zou er ook door rijpen als acteur en andersoortige rollen gaan accepteren, tegenpolen van de typische Amerikaanse mannen die hij eerder in zijn loopbaan van zo’n typisch Douglas-gezicht had voorzien.

Enron: The Smartest Guys In The Room

Magnolia Pictures

‘What’s he building in there?’, gromzingt Tom Waits, met zijn donkerste stem aan het begin van Alex Gibney’s klassieke witte boorden-docu. ‘What the hell is he building in there?’ bromt de Amerikaanse zanger nog eens als het hoofdkwartier van Enron in Houston, Texas, in beeld komt. Wat zit er in godsnaam in de zwarte doos van zo’n energieconcern?

Journalist Bethany McLean van Fortune Magazine, die later samen met Peter Elkind ook het boek The Smartest Guys In The Room zal schrijven, stelt in maart 2001 de vraag waarop niemand eigenlijk antwoord kan geven: hoe verdient Enron precies zijn geld? Het heeft jaren en onnoemelijk veel bravado, schimmigheid en schelmentrucs gekost om de zeepbel tot opzienbarende proporties op te blazen, zodat Enron een plek kan verwerven in de top tien van grootste bedrijven van de Verenigde Staten. Niet veel later zal het echter slechts een luttele 24 uur kosten om hem lek te prikken.

De financiële crisis van 2008, waarbij zakenbank Lehman Brothers onderuit gaat, ligt dan nog jaren in de toekomst verscholen. En Bernie Madoff is nog gewoon bestuursvoorzitter van de NASDAQ als Enron en plein public voor de bijl gaat. In Enron: The Smartest Guys In The Room (109 min.) tekent Alex Gibney de survival of the fittest en bijbehorende machocultuur binnen het bedrijf op, die daaraan ten grondslag ligt. Het is alsof de topmannen denken dat zij een casino hebben gevonden dat alleen uitkeert. En zo nodig schoppen ze stiekem tegen de speeltafel aan.

Zoals wanneer de energievoorziening in de staat Californië schaamteloos wordt ontregeld, om zelf op slinkse wijze extra inkomsten te genereren. Enrons CEO Jeffrey Skilling grapt in die tijd dat er één verschil is tussen de Titanic en Californië: toen de boot ten onder ging, deed het licht het tenminste nog. Geld fungeert als enige motivator bij Enron. En perceptie is alles. Zolang niemand het merkt – of er iets van zegt – mag alles. Totdat de conclusie onvermijdelijk wordt: ook deze keizers, de zelfverklaarde slimste jongetjes van de klas, hebben echt helemaal geen kleren aan.

‘Ik heb nooit iets gedaan dat niet in het belang was van onze aandeelhouders’, beweert Skilling niettemin met een stalen gezicht voor een onderzoekscommissie van het Amerikaanse parlement. ‘Bij de Titanic ging de kapitein ten onder met zijn schip’, riposteert de Democratische senator Byron Dorgan vervolgens ijzig. ‘Bij Enron gaf de kapitein zichzelf en zijn vrienden eerst een bonus, stapte daarna met de andere toplui in een gereedstaande reddingsboot en riep tenslotte tegen de rest: o ja, alles komt helemaal goed!’ Jeffrey Skilling probeert geen spier te vertrekken.

Ook Enrons andere topman Ken Lay, een persoonlijke vriend en donateur van de Republikeinse president George W. Bush, zal nooit verantwoordelijkheid nemen voor de wanorde, het opportunisme en de onvoorstelbare corruptie binnen het bedrijf, waaraan alle ‘usual suspects’ van Wall Street, de banken en accountants, ook weer ongegeneerd hand- en spandiensten blijken te hebben verleend. En als Enron dan over de kop gaat, blijft alleen het personeel op de werkvloer berooid achter. Als nietsvermoedende passagiers op een schip dat wel een Titanic moest worden.

Het bankroet van Enron geldt sindsdien als een exemplarisch voorbeeld voor het failliet van een compleet financieel systeem, dat overigens, ruim twintig jaar later, nog altijd vrolijk voortwoekert. En deze ferme film uit 2005, waarin acteur Peter Coyote als verteller fungeert, Enron-medewerkers worden geportretteerd als subjecten binnen het beruchte wetenschappelijke Experiment van Milgram en allerlei smakelijke muziekjes ervoor zorgen dat het geheel nooit té zwaar op de maag ligt, geldt als het ultieme, nog altijd zwaar ontluisterende bewijsstuk daarvoor.

In dit artikel van Investopedia is overigens te lezen hoe het de belangrijkste betrokkenen bij het Enron-schandaal daarna verging.