Behind The Curve

U denkt vast dat de aarde rond is. Dat wij van The Flat Earth Society een stelletje doorgedraaide complotdenkers zijn. Omdat wij denken – nee: weten! – dat de mensheid in een enorm terrarium leeft. We zijn in werkelijkheid niet meer dan figuranten in een soort extra large-versie van The Truman Show. En niemand mag dat weten.

Zodat we Hun vaccins accepteren. Hun bloedrituelen overnemen. Hun verzinsel geloven dat er ooit dinosaurussen zijn geweest. Hun chemtrails negeren. Hun ideeën overnemen om van jongens meisjes te maken (en andersom natuurlijk). En Hun pogingen om onze gemeenschap te infiltreren door de vingers zien.

Zij denken dat we complete idioten zijn die nog bij hun moeder inwonen en alles geloven wat ons wordt verteld. Het is juist het tegenovergestelde: wij testen alles. En we kennen trouwens helemaal niemand die bij zijn moeder in de kelder woont. Zoals we ook echt niet allemaal permanent een Aluhoedje dragen.

We hebben wel eigen T-shirts van de Flat Earth-army en -champions. En kentekenplaten, liedjes en horloges. Natuurlijk zijn er ook speciale datingsites. Want je kunt vanzelfsprekend alleen écht ‘bonden’ met andere Flat Earthers. Anders is het paradigmaverschil simpelweg te groot. Misschien zit het leeuwendeel van ons daarom nog in de kast. In de flat earth-kast, welteverstaan.

Zij proberen wat wij zeggen natuurlijk met ‘wetenschappelijk’ bewijsmateriaal te weerleggen. En Ze nemen bij ons – zonder dat wij daarom gevraagd hebben, natuurlijk – het Dunning-Krugereffect waar. Eens kijken wat de deep state daarover schrijft op Wikipedia: een psychologisch effect dat optreedt bij incompetente mensen die ‘het megacognitieve vermogen missen om in te zien dat hun keuzes en conclusies verkeerd zijn’.

Maar zo zit het dus niet. Die aardbol is gewoon een platte pannenkoek. En wij hebben Flat Earth niet gekozen. Die koos ons. Ook al kunt u dat (nog) niet geloven.

Mark Sargent, koning van de Flat Earth Society

PatriCIA Steere

& de andere Flat Earthers in de Daniel J. Clark-documentaire Behind The Curve (95 min.).

P.S. Al die wetenschappers in deze film mogen dan dure titels hebben (astrofysicus, hoogleraar psychiatrie, astronaut, psycholoog of fysicus), maar neem hun woorden gerust met een korreltje zout. Zij worden vast betaald door de CIA, NASA of Bilderberg Groep.

The Two Killings Of Sam Cooke

Netflix

Als één zwarte soulzanger zich grondig heeft laten ‘whitewashen’, dan is het Sam Cooke. Hij leeft voort als de man van gladgestreken popsoulsongs als Wonderful WorldCupid en You Send Me. Een zwarte Sinatra. Zijn vader waarschuwde hem al: ‘Je kunt de wereld winnen en je ziel verliezen.’ Maar Sam wilde van jongs af aan wereldberoemd worden. Pas na zijn vroegtijdige dood in 1964 werd A Change Is Gonna Come uitgebracht, een lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.

In de geoliede popdocu The Two Killings Of Sam Cooke (74 min.) schetsen voormalige vrienden en medewerkers van de zakelijk ingestelde zanger en tijdgenoten als Smokey Robinson, Dionne Warwick en Quincy Jones de opkomst van Cooke, die gaandeweg steeds nadrukkelijker voor zichzelf opkwam en gelijkgestemden vond in politiek activist Malcolm X, acteur Jim Brown en bokser Mohammed Ali. Gezamenlijk stonden ze aan de basis van een nieuw zwart zelfbewustzijn dat Black Power zou gaan heten. Tegen de tijd dat de burgerrechtenbeweging goed op gang kwam, was Sam Cooke echter al dood.

Hij stierf als de eerste de beste ‘nikker’. Onder mysterieuze omstandigheden doodgeschoten in het haveloze Hacienda Motel in de beruchte Watts-wijk van Los Angeles. Theorieën over wat zich daar heeft afgespeeld waren er te over. Had de vrouw die de trekker waarschijnlijk overhaalde zich moeten verdedigen tegen de agressieve dronkenlap Cooke? Was de succesvolle zanger op slinkse wijze beroofd? Of ging het toch om een samenzwering tegen een zwarte artiest die zijn plaats niet wist in een industrie, die van oudsher wordt gerund door louter witte mannen?

Een serieus onderzoek naar zijn gewelddadige dood is er volgens deze documentaire van Kelly Duane nooit gekomen. Als zoiets al met de grote Sam Cooke kon gebeuren, wat had een gewone afro-Amerikaan in de roerige tijden van Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers dan van de autoriteiten te verwachten? Die vraag is, getuige de Black Lives Matter-beweging, verrassend actueel. En zoals er nu grootschalige protesten ontstonden na de gewelddadige dood van Freddie Gray, Eric Garner en Mike Brown, zou het na Cookes dood blijven broeien in Watts, dat in 1965 het toneel werd van serieuze rassenrellen.

The Hitler Chronicles: Blueprint For Dictators

NTR

Hoe portretteer je één van de bekendste mensen van de afgelopen honderd jaar, die tegelijkertijd altijd een enigma is gebleven? Een man bovendien, wiens leven alleen kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de gruwelijke slotsom ervan: de Holocaust. Is er ‘eer’ te behalen aan zo’n hoofdpersoon? De bijzonder ‘gründliche’ documentaireserie The Hitler Chronicles: Blueprint For Dictators (211 min.) van Hermann Pölking-Eiken, met veel nooit eerder vertoond archiefmateriaal, waagt een serieuze poging.

In vier afleveringen behandelt de serie chronologisch het leven van de extreem-rechtse politicus die de onbetwiste Führer van nazi-Duitsland werd. Het gemis aan beelden van Hitlers eerste levensjaren – laat staan bewegende beelden – wordt overtuigend gecompenseerd met een enorme veelheid aan menselijke bronnen; van mensen die Hitler persoonlijk hebben gekend tot tijdgenoten die zich uitspreken over zijn persoonlijkheid, toespraken en activiteiten. En Adolf Hitler zelf natuurlijk, via citaten uit zijn manifest Mein Kampf.

Al die intimi, medestanders, politici, journalisten, beroemdheden en criticasters hebben een eigen stem gekregen en spreken in hun moedertaal. Ze stellen zichzelf ook netjes voor. ‘August Kubizek – Linzer Jugendfreund Adolf Hitlers’, bijvoorbeeld. Of: ‘Oskar Maria Graf – Schriftsteller, Aus Meinem Leben.’ En: ‘John F. Kennedy, Student Travelling In Europe, Diary.’ Met name de overvloedige bronvermelding maakt de serie, die bijeen wordt gehouden door een alwetende verteller, nog eens extra praterig en vertraagt de vertelling bovendien.

Die veelvoud aan perspectieven onderstreept wel het epische karakter van deze historische documentaireserie, die (natuurlijk) geen verrassende nieuwe inzichten biedt, maar een gedegen en compleet beeld schetst van de mens, het tijdperk en de mythe Adolf Hitler, een verhaal dat, met alle beschikbare middelen, verteld moet blijven worden.

Heartbound

Wie profiteert nu eigenlijk van wie? Of is er gewoon sprake van een win-win situatie als een eenzame Deense man en een Thaise vrouw in de penarie elkaar vinden in een gearrangeerd huwelijk? Een eenduidig antwoord valt niet te formuleren aan de hand van Heartbound (90 min.). De fijngevoelige film van Janus Metz en zijn vrouw, de antropologe Sine Plambech, volgt gedurende tien jaar enkele vrouwen en koppels en leent zich niet voor al te gemakkelijke conclusies.

In Thy, aan de Noordwestkust van Jutland, zijn inmiddels ruim 900 Thaise vrouwen neergestreken. Sommai, een voormalige sekswerker die al ruim vijftien jaar is getrouwd met een Deen, heeft als bruggenhoofd gefungeerd. Ze wordt nog altijd regelmatig ingeschakeld als deskundige. Zo vindt de moeder van een 22-jarig Thais meisje met kind het wel een interessant idee als ook haar dochter naar Scandinavië verhuist. ‘En jij Saeng, wil jij een buitenlandse echtgenoot?’, wil Sommai van het meisje zelf weten. ‘Wees er niet bang voor. Ze behandelen ons beter dan Thaise mannen. Ze drinken niet, doen geen drugs en slaan ons niet.’

‘Ik heb een voorkeur voor een ouder iemand boven een jongere man’, stelt de wat naïeve Saeng zonder verdere uitleg. ‘En hij hoeft niet knap te zijn?’, vraagt Sommai, die inmiddels voor talloze meisjes heeft bemiddeld, voor de zekerheid. Het is Saengs moeder die antwoordt: ‘Dat is waar’. Het meisje zelf lacht schaapachtig. In gedachten bevindt ze zich wellicht al in Scandinavië. In werkelijkheid zal ze eerst nog naar Pattaya gaan, een Thaise stad waar sekstoerisme welig tiert.

Want Saeng is te jong om te worden toegelaten tot het Scandinavische land. Daarvoor moet ze minimaal 24 zijn. En pas na een huwelijk van zeven jaar volgt eventueel een verblijfsvergunning. Ze zal dus eerst een man moeten strikken en hem vervolgens ook moeten zien te behouden. Voorwaar geen traject, waarvan de uitkomst in beton is gegoten. Zo wordt ook duidelijk uit de ervaringen van de andere Deens-Thaise koppels in deze overtuigende film.

Met Heartbound brengen Metz en Plambech, die zelf een relatie kregen tijdens het maken van een eerdere film over hetzelfde thema, Fra Thailand Til Thy uit 2007, empathisch en genuanceerd in kaart hoe zo’n verstandshuwelijk met een importbruid tot stand komt én of dat op de lange termijn kans van slagen heeft.

Satudarah – One Blood

De president van het El Gitano-chapter gebaart dat Jack naar voren moet komen. Hij gaat – nietsvermoedend? – voor de groep staan, de getatoeëerde handen netjes over elkaar. Zijn clubgenoten, allemaal in een leren bodywarmer met rang, functie en verdiensten erop, staan met hun armen over elkaar om hem heen. Als een privéleger, dat elk moment kan toeslaan. ‘Een president is een president. Da’s geen koekwous, of wel?’ sneert de leider naar Jack. ‘Wat betekent ‘no contact’? ‘Geen contact’, antwoordt het lid in opspraak bedremmeld, duidelijk op zijn hoede. De president is inmiddels woedend: ‘En wat doe jij?’

Jack heeft nog niet ‘met wie?’ geantwoord of hij krijgt, op aanwijzing van de ‘pres’, enkele ferme klappen toebedeeld. Hij probeert de pijn te verbijten. De boodschap is helder: deze president van motorclub Satudarah laat niet met zich spotten. En wie niet horen wil, moet maar voelen. Jack kan bovendien zijn jack inleveren. ‘Wegwezen!’, voegt El Gitano’s verontwaardigde leider hem nog toe. Het parool ‘Satudarah tetap, tetap Satudarah’ (ofwel: ‘Satudarah voor altijd, voor altijd Satudarah’) geldt totdat de club zelf anders beslist en je in ‘bad standing’ wordt weggestuurd.

Die eerste klappen zijn direct een daalder waard in de openingsscène van de overweldigende documentaire Satudarah: One Blood (83 in.) uit 2015. Joost van der Valk en Mags Gavan, die eerder bij de Nederlandse Crips-gang filmden, portretteren de Molukse motorclub van binnenuit. Ze leggen met gevoel voor drama de welhaast militaristische rituelen vast, tekenen de onderlinge omgang en codes op en zijn erbij als Satudarah met de nodige bravoure zijn werkterrein uitbreidt naar Duitsland, waar de club meteen in botsing komt met de al even beruchte Bandidos. Intussen volgen ze de leiders naar hun geboortegrond in het huidige Indonesië, waar ze nog altijd hopen op een eigen Molukse staat en Satudarah is geworteld.

De filmmakers concentreren zich op enkele hoofdpersonen die gezamenlijk de gehele motorclub representeren, zoals de voormalige bajesklant die zich direct weer wil manifesteren, een brekebeen van twaalf ‘ambachten’ en dertien ‘ongelukken’ en de potentiële nieuwe leider Olla, een kind van een KNIL-militair die zijn eigen bikkelharde opvoeding in de praktijk brengt bij de club. Satudarah vormt een geheel eigen wereld waarbinnen alleen echte mannen zich staande kunnen houden. Vrouwen laten zich in deze testosteronfilm nauwelijks zien en zijn relatief eenvoudig in te delen binnen twee clichématige categorieën: lustobject of moederfiguur.

Satudarah: One Blood is geen documentaire die een oordeel velt – dat zou je op de film tegen kunnen hebben. Van der Valk en Gavan stellen ook geen kritische vragen, maar gaan mee in de belevingswereld van hun subjecten. Alleen nieuwsberichten uit radiobulletins, tijdens de montage toegevoegd, plaatsen de handelingen van de motorclub in zijn maatschappelijke – en strafrechtelijke – context. Verder mag de kijker zelf oordelen: criminele bende, potsierlijke machokliek of gewoon een gezellige vereniging voor motorvrinden? Één conclusie staat op voorhand vast: dit is een ijzersterke film, die de deur openwrikt naar een verboden wereld, aan het spreekwoordelijke eind van de straat. Één keer flink gas geven en je bent er – als je dat zou willen.

De complete documentaire Satudarah – One Blood is hier te bekijken.

The Price Of Everything

Trigon Film

‘Er zijn veel mensen die alles van de prijs weten’, zegt Stefan Edlis. ‘Maar niets van de waarde.’ Het is een opmerkelijke tekst voor een man die fortuin heeft gemaakt met de aan- en verkoop van kunst. Edlis is inmiddels dik in de negentig, plaatst met de nodige zelfspot kanttekeningen bij de kunstwereld en denkt na over de toekomst van zijn eigen indrukwekkende collectie, die werk van toonaangevende kunstenaars als Andy Warhol, Gerhard Richter en Jeff Koons bevat.

In de uiterst vermakelijke documentaire The Price Of Everything (98 min.) belicht regisseur Nathaniel Kahn de musea, galeries en veilinghuizen waar moderne kunst en het grote geld elkaar ontmoeten. De jacht en de deal, daar gaat het om, aldus Amy Capellazzo van Sotheby. ‘Kunst en geld hebben altijd hand in hand gegaan’, stelt veilingmeester Simon de Pury zelfs. ‘Het is belangrijk dat goede kunst ook duur is. Je beschermt alleen iets wat ook waarde vertegenwoordigt. Als iets geen enkele financiële waarde heeft, kan het niemand schelen wat ermee gebeurt.’

Tegenover die benadering plaatst Kahn de traditionele Amerikaanse schilder Larry Poons, die sinds 1971 in zijn eigen atelier werkt aan grote en abstracte doeken, die verdomd lastig zijn te verhandelen. Poons is volgens eigen zeggen kunstenaar tegen wil en dank. Uit pure noodzaak. Geld speelt daarin geen enkele rol. ‘Je kunt ook je ouders niet uitkiezen’, zegt hij uitdagend. ‘Zoals je ook niet kunt bepalen wie je zelf bent.’ In de jaren zestig had Poons rijk en beroemd kunnen worden. Nu leeft en werkt hij in de schaduw van tijd- en vakgenoten.

Kunst is intussen een soort luxeartikel geworden, constateert historica Barbara Rose met een vies gezicht. Puur effectbejag. Neem dat gouden toilet van de Italiaanse kunstenaar Maurizio Cattelan. Dat is toch een belediging voor de goede smaak? Net als dat ‘sensationalisme’ van hedendaagse grootheden als Damien Hirst en Jeff Koons. ‘Ik heb nagedacht over waarom ik maak wat ik maak’, constateert Koons zelf nochtans droog in deze film. ‘Het enige wat ik heb is mijn eigen interesse.’

Met kunstenaars, historici, handelaren, critici en verzamelaars schildert The Price Of Everything, dat is aangekleed met ravissante kunstwerken en weelderige klassieke muziek, zo een gelaagd beeld van de contemporaine kunstwereld, die (vanuit economische motieven) zijn eigen popsterren heeft gecreëerd. Moderne kunst lijkt soms niet meer dan handelswaar, waarbij vraag en aanbod bepalen of de kunstenaar er nog toe doet of niet. Hoe voorkom je als individuele maker dat je wordt verzwolgen door je eigen hype?

Kunstcriticus Jerry Saltz ziet in die economische benadering van moderne kunst nog een ander bezwaar. Al die veilingen vormen in zijn ogen een soort afscheid. Als een kunstwerk voor een enorm bedrag is verkocht, belandt het aan de muur bij een puissant rijke verzamelaar. Waardoor de kunst die oorspronkelijk was bedoeld voor een groot publiek, zo toont deze levendige film feilloos aan, toch weer gewoon bij de elite terecht komt.

Pre-Crime

Science fiction-schrijver Philip K. Dick (1928-1982), verantwoordelijk voor klassiekers als Blade Runner, Total Recall en A Scanner Darkly, kon het zo gek niet bedenken of het wordt vroeger of later werkelijkheid. In het korte verhaal The Minority Report, verfilmd met Tom Cruise in de hoofdrol, creëerde hij bijvoorbeeld een wereld waarin misdaden worden voorkomen doordat de potentiële daders al vóór het vergrijp in de boeien worden geslagen.

Toekomstmuziek? Niet als je het vraagt aan Matthias Heeder, de verteller van de unheimische documentaire Pre-Crime (52 min.). ‘Hollywood is nu echt werkelijkheid geworden’, mijmert hij hardop, zittend op een rotspartij bij een woelige zee. ‘Software die voorspelt waar een misdaad zal plaatsvinden. De politie die eerder ter plaatse is dan de misdadiger. Computers die lijsten maken van toekomstige moordenaars. Pre-crime noemen ze dat.’

Neem de Amerikaanse stad Chicago, waar de politie inmiddels een strategische doelenlijst heeft opgesteld. Allerlei databases zijn gekoppeld. Van arrestaties en sociale contacten tot huisuitzettingen en psychiatrische- en bijstandsdossiers. Daarna is op basis van algoritmes, waarvan natuurlijk niemand weet hoe ze precies werken en wie ze controleert, een lijst met een voorspellende werking samengesteld: van wie kan op basis van zijn contacten en activiteiten worden verondersteld dat hij in beeld komt als dader dan wel slachtoffer van geweld?

Via deze prikkelende insteek, en de bijbehorende science fiction-achtige vormgeving en muziek, buigt deze film van Heeder en Monika Hielscher zich over een inmiddels tamelijk vertrouwd maatschappelijk thema: hoe en door wie worden onze data beheerd? Zitten er bugs in dat systeem? En hoe zorgen we ervoor dat onze gegevens niet in verkeerde handen belanden en zonder onze toestemming – of dat we het überhaupt weten – worden ingezet voor commerciële dan wel ideële doeleinden?

Met datadeskundigen, privacypleiters, politieagenten, advocaten, (misdaad)journalisten, mensenrechtenactivisten en enkele gewone burgers, die ten onrechte in beeld zijn gekomen bij de politie vanwege een ongelukkige combinatie van gegevens, brengt Pre-Crime, een term die overigens ook werd gemunt door Philip K. Dick, de mogelijke gevaren in kaart van al die gekoppelde gegevensbestanden.

Op de achtergrond speelt daarbij steeds de vraag op of we op weg zijn naar de dystopie die die andere onheilsschrijver, George Orwell, al eens op huiveringwekkende wijze schetste? Of zijn we met zijn allen toch in staat om Big Brother een toontje lager te laten zingen?

Inside The Manson Cult: The Lost Tapes

‘Ik ben Charlie’, zegt Thomas Walleman. ‘En als hij sterft, sterf ik.’ Het hippiemeisje Mary Brunner kijkt bewonderend toe als Walleman vervolgt: ‘Ik heb mijn persoonlijkheid opgegeven en ben geworden wat hij me heeft laten zien dat ik kon zijn.’ ‘En dat is wat?’ wil interviewer Robert Hendrickson weten? Walleman, een kerel met een woeste baard, begint gelukzalig te lachen: ‘Totale liefde.’

Wat Charles Manson bij die onvoorwaardelijke liefde voor ogen had, zou gaandeweg glashelder worden: volledige overgave. Aan hem, welteverstaan, de zelfverklaarde leider van The Family, een verzameling losgeslagen hippies die in 1969 uit moorden werd gestuurd. Ze zouden een achttal willekeurige slachtoffers maken, waaronder de hoogzwangere actrice Sharon Tate, en op de muren van de plaatsen delict opruiende, met bloed geschreven teksten als ‘Rise’ en ‘Death to pigs’ achterlaten. Zo hoopte Charlie een onvervalste rassenoorlog te ontketenen. Geïnspireerd door Helter Skelter van The Beatles.

Dat overbekende horrorverhaal, het symbolische einde van de vrijgevochten jaren zestig, werd al veel vaker verteld. En met elke poging was de kleine crimineel en loverboy avant la lettre Charlie Manson, die in 2017 zijn laatste adem uitblies in de gevangenis, nóg nadrukkelijker de verpersoonlijking van Het Kwaad geworden. Een extatisch lachende ‘creep‘ met hypnotiserende ogen, die zijn volgelingen, de meisjes in het bijzonder, werkelijk alles kon laten doen. Op basis daarvan rijst de vraag: is die onverkwikkelijke episode uit de historie van de tegencultuur nu nog niet voldoende uitgemolken?

De documentaire Inside The Manson Cult: The Lost Tapes (85 min.) van Hugh Ballantyne heeft behalve de gebruikelijke vet aangezette voice-over, berouwvolle ex-volgelingen (‘Snake‘ en ‘Gypsy‘) en tamelijk overbodige reconstructies echter één belangrijke nieuwe troef: beelden die werden gemaakt binnen Mansons volledig doorgedraaide sekte, direct na de door hem geïnstigeerde moorden. Documentairemaker Hendrickson filmde en interviewde volgelingen op de beruchte Spahn Ranch en legde daar de blinde adoratie voor de inmiddels gearresteerde leider vast.

‘Ik ben bereid om voor hem te sterven’, zegt sektelid Lynette ‘Squeakie’ Fromme, die samen met twee andere Manson-groupies voor de camera met allerhande wapens in de weer is, zonder ook maar een spoor van twijfel. In zulke beelden zit de meerwaarde van deze zoveelste Manson-documentaire. De complete verdwazing van normale meisjes, die in handen van Charlie onvervalste moordwapens werden. ‘Je moet er de liefde mee bedrijven’, zegt diezelfde Fromme even later, terwijl ze liefdevol de loop van een geweer betast. In 1975 zal ze proberen om de daad bij het woord te voegen met een aanslag op de Amerikaanse president Ford.

Retour Madrid

In een tijd dat voetbal nog volledig in zwart-wit werd gespeeld, de belangrijkste bijzaak van de wereld eigenlijk een veredelde amateursport was en profspelers er dus regelmatig een herenmode- of sigarenzaak op na moesten houden, trad Ajax, net als komende week, ook al eens aan tegen Real Madrid. In 1967, in de eerste ronde van de Europa Cup 1, om precies te zijn. Na een 1-1 gelijkspel in Amsterdam maakte de ploeg van trainer Rinus Michels en spelers als Nuninga, Groot, Keizer, Swart en dat ene ontluikende supertalent uit Betondorp zich op voor een Retour Madrid (20 min.). In de Spaanse hoofdstad moest Ajax spelen tegen ‘De Koninklijke’, de succesvolste Europese voetbalclub van na de Tweede Wereldoorlog.

Nederland stelde destijds op Europees niveau bar weinig voor. Het totaalvoetbal, waarmee het Ajax van de dan inmiddels tot ‘De Generaal’ gebombardeerde Michels en zijn meesterlijke rechterhand Johan Cruijff begin jaren zeventig de wereld zou gaan domineren, stond nog in de kinderschoenen. In deze korte documentaire van Bert Haanstra uit 1968 oogt Michels als een ouderwetse schoolmeester, die bij zijn wedstrijdbespreking natuurlijk gebruik maakt van een traditioneel schoolbord. Het gaat maar om één ding, houdt hij zijn ploeg voor: geen seconde verslappen. En de latere ‘nummer veertien’ draagt intussen nog gewoon numero negen en wordt bovendien consequent ‘Cruijffie’ genoemd.

De commentator van dienst is niemand minder dan Philip Bloemendal. Met zijn deftige dictie en woordspielerei eist de onvergetelijke Polygoon-stem de absolute hoofdrol op. ‘Enfin’, concludeert hij met de gebruikelijke zwier en metalige stem, ‘Ajax is alle bevangenheid kwijt’ in ’de hel van Bernabeu’. Bloemendal, die zijn voice-overs waarschijnlijk echt pas achteraf heeft opgenomen, laat zich niettemin flink meeslepen door de hectiek van de wedstrijd in Madrid, die de hoofdmoot van deze compacte film vormt. ’Schieten, Cruijffie!’, roept hij tijdens de bloedstollende verlenging. ‘Oh, moeder! Oh, wat een kans!’ Hij is ook degene die de gaten moet dichten als de ene cameraman die toentertijd verantwoordelijk was voor de wedstrijdregistratie eens een belangrijk spelmoment heeft gemist.

Hoe groot het sportieve belang van de Nederlands-Spaanse tweekamp toentertijd ook was, Retour Madrid oogt nu bijna als een schoolreisje voor volwassenen, waarbij de Ajacieden zowaar eens met het vliegveld naar het buitenland mogen (en Johan zelfs in de cockpit), de kans krijgen om op het imposante Madrileense veld te trainen (maar niet bij de doelen!) en zich kunnen vergapen aan de goedgevulde bekerkast van de Spaanse club (waarin alleen de zilvervloot ontbreekt). En natuurlijk, zoals toentertijd ook gebruikelijk was in de Polygoon-journaals, wordt er altijd tijd ingeruimd voor hoogwaardigheidsbekleders, in dit geval een bezoek van een lid van de koninklijke familie. Terwijl haar Madrileense echtgenoot natuurlijk de thuisclub steunt, belooft prinses Irene plechtig dat ze voor Ajax zal supporteren.

Dit bijzonder vermakelijke tussendoortje van de grootmeester Haanstra, die in 1958 al een Oscar had gewonnen met zijn film Glas, blaast zo met verve het stof van het Nederland van de jaren vijftig, die hier te lande tot dik in de jaren zestig hebben geduurd. Daarbij komt een nostalgische voetbalwereld tevoorschijn, waarin de zilvervloot nog kan worden gewonnen, rond het veld voortdurend opgewekte marsmuziek klinkt en het publiek ‘boe!’ roept na overtredingen. En juichen gebeurt lekker ouderwets: bij een doelpunt steken ze simpelweg hun armen recht in de lucht en beginnen een heel klein beetje, niet te overdreven, op en neer te springen.

De korte documentaire Retour Madrid is hier in zijn geheel te bekijken.

Goede Buren

Human

Mevrouw Van der Kleij staat af te wassen in haar keukentje. Het hondje Sandy ligt trouw aan haar zijde. Op de radio weerklinkt Rijnmond Nieuws: ‘De vondst van een 74-jarige vrouw, die al tien jaar dood  in haar woning in Rotterdam lag, wekt veel beroering.’ De bejaarde mevrouw Van der Kleij hoort het ogenschijnlijk onbewogen aan. ‘Zo’, zegt ze tegen haar hondje en hangt haar theedoek op. De afwas is klaar.

Na deze openingsscène schakelt regisseur Stella van Voorst van Beest in de documentaire Goede Buren (80 min.) naar een bijeenkomst van de gemeente Rotterdam. In de wijk Groot-IJsselmonde-Noord leeft volgens onderzoek maar liefst 27 procent van de 2400 bejaarden in een sociaal isolement. En dus worden er vrijwilligers opgeleid, die straks op huisbezoek gaan bij eenzame ouderen. Gewapend met pen, papier en een groot hart maken de wijkbewoners Ada Kelder en Wilma Slobbe zich op voor de zogenaamde ‘huisbezoeken 75+’.

De dames spreken de taal van de mensen en komen gemakkelijk achter de voordeur. Zo belanden ze tevens bij mevrouw Van der Kleij, die het in haar eentje heel goed redt met haar hond. Zegt ze. Toch meent Ada dat ze wel een maatje kan gebruiken. Voor als dat hondje onverhoopt het loodje legt. ‘Ik ben bang dat zij d’r eigen glazen ingooit’, werpt Wilma tegen, in plat-Rotterdams en met een typische rokersstem. ‘Ik zou ’t geen drie maanden met ‘r uithouden.’ Samen weten ze toch de juiste snaar te raken bij de oudere vrouw, die blijft volhouden dat ze niet eenzaam is. ‘Ben je gek!’

‘Hoe vaak gaat u nog naar buiten?’, vraagt Ada aan meneer Van Tol, die kampt met allerlei gezondheidsproblemen. ‘Is dat dan dagelijks, wekelijks?’ De man begrijpt het niet helemaal: ‘Per jaar?’ Hij verduidelijkt: ‘Twee keer ben ik geweest in een heel jaar.’ Van Tols voornaamste contacten bestaan uit de verzorgenden die hem ’s ochtends een douchebeurt komen geven. En zijn geliefde muziekinstrument, de accordeon, heeft de broze man er ook al aan moeten geven. Ada en Wilma proberen hem niettemin op sleeptouw te nemen. Binnenkort gaan we de hort op, houden ze hem enthousiast voor. ‘Kijken of we verkering voor u kunnen vinden.’

Door de persoonlijke aandacht, ook van de camera(ploeg), laten de Rotterdamse ouderen hun schild langzaam maar zeker zakken. Achter de façade van ‘wijffie’ Van der Kleij blijkt bijvoorbeeld een beschadigde vrouw te zitten, die zichzelf beschermt tegen verdere teleurstellingen. Dat is ook de verdienste van deze aandoenlijke documentaire, die het spreekwoordelijke menselijke gezicht geeft aan een prangende maatschappelijke kwestie.

Call Her Ganda

‘Als die freak zich heeft voorgedaan als vrouw en daarover niet eerlijk is geweest, dan heb ik geen enkele moeite met de houding van de marine’, stelt Mike Coleman op Twitter. ‘Die transgender-jongen heeft gelogen, zo simpel is het’, vult Kelly Darcy aan. ‘Dit is seksueel misbruik.’ En ene Justin Darling, tweet: ‘Gerechtvaardigde doodslag! Ze moeten die gast met een rode loper onthalen in Amerika. Je speelt nu eenmaal met vuur als je liegt over wie je bent…’

Zomaar wat reacties op het ‘open riool’ Twitter op de gewelddadige dood van Jennifer Laude, een transgender-vrouw uit de Filipijnen. De verdachte is een Amerikaanse marinier genaamd Joseph Scott Pemberton, die in de voormalige kolonie van de Verenigde Staten was gestationeerd. Hij zou er pas tijdens de seks achter zijn gekomen dat hij met een she-male, een vrouw met een piemel, in bed was beland. Dat is het uitgangspunt van de activistische documentaire Call Her Ganda (97 min.), die de navolgende rechtszaak vanuit het perspectief van Laudes nabestaanden benadert.

Regisseur PJ Raval plaatst de gewelddadige dood uit 2014 in een historische context. In het pre-koloniale tijdperk maakten transgenders deel uit van de Babaylan-cultuur en werden ze gezien als spirituele leiders en sjamanen. Na de kolonisatie van de Filipijnen door Spanje deed de katholieke kerk hen echter in de ban. ‘We zijn verdreven naar niche-industrieën, zoals de schoonheidsindustrie en de seksindustrie’, stelt de activiste Naomi Fontanos. ‘De transgender-beweging zelf moet een einde maken aan het idee dat je je lichaam moet verkopen om te kunnen overleven.’

Terwijl Jennifer Laudes radeloze moeder (die niet onder ogen wil zien dat haar kind waarschijnlijk sekswerk verrichtte), haar zus Marilou (die vermoedt dat haar eigen zoontje homoseksueel is) en Jennifers aanstaande Duitse echtgenoot Marc Sueselbeck (die zich gestaag ontwikkelt tot LGBT-activist) Pemberton veroordeeld proberen te krijgen, schermt diens team met het zogenaamde Visiting Forces Agreement. Op basis daarvan vallen Amerikaanse militairen ook als ze in de Filipijnen een misdaad begaan onder Amerikaans recht.

Intussen probeert Pembertons moeder Lisa het beeld van haar zoon als een licht ontvlambare homohater te nuanceren. Zo zit het niet: de negentienjarige soldaat eerste klas uit Massachusetts heeft zelf een lesbische zus. Daarmee legt deze interessante film twee volledig tegengestelde werelden bloot, waarbij de moeders meer met elkaar gemeen hebben dan ze zelf denken: allebei steunen ze onvoorwaardelijk hun eigen kind en zien ze hun eventuele karakterzwaktes het liefst door de vingers. Al blijft er natuurlijk een essentieel verschil tussen dader en slachtoffer…

In The Name Of Your Daughter

‘Als je te hard schreeuwt of problemen maakt, worden er jongens bij gehaald om je benen vast te houden’, waarschuwt een man een groep Tanzaniaanse meisjes, die zojuist in een speciaal Safe House een film over vrouwenbesnijdenis te zien heeft gekregen. ‘Wie wil er nou z’n geslacht laten zien aan jongens van twaalf?’ De voorlichter doet zelfs nog even aan groepsparticipatie in de openingsscène van In The Name Of Your Daughter (52 min.). ‘Wat moet elk meisje houden?’ roept hij de verzamelde kinderen toe. ‘Haar clitoris’, antwoorden die plichtsgetrouw.

En dat alles onder het motto: jongens worden besneden, meisjes verminkt. Want vrouwelijke genitale verminking mag dan officieel verboden zijn in Tanzania, in bepaalde delen van het Afrikaanse land wordt het in onze ogen barbaarse ritueel wel degelijk regelmatig uitgevoerd. Zonder dat de minderjarige meisjes in kwestie om hun mening wordt gevraagd, vanzelfsprekend. Ze kunnen vluchten naar het opvanghuis van Rhobi Samwelli totdat het besnijdenisseizoen weer voorbij is, toont deze degelijke documentaire van de filmmaker/mensenrechtenactiviste Giselle Portenier. Óf de hele procedure lijdzaam ondergaan. Waarna ze waarschijnlijk worden uitgehuwelijkt.

Voor sommige mannen is die hele vrouwenbesnijdenis nochtans geen enkel thema, zo blijkt uit de reacties van enkele kerels op het dorpsplein waar Samwelli haar emancipatoire verhaal komt doen. ‘Meisjes die besneden worden, blijven schoon’, stelt één van hen onomwonden. ‘Want als ze de clitoris houden, wordt de vagina vies.’ Een ander weet bovendien: ‘Een besneden meisje gaat niet vreemd. Als ze niet besneden is, doet ze het met iedereen.’ Een derde dorpeling ziet besnijdenis vooral als een praktische keuze. Een besneden huwelijkskandidate is nu eenmaal meer koeien waard dan een onbesneden meisje. Zeker vijftien of twintig exemplaren!

Of het nu gebeurt uit overtuiging, sociale druk of praktische overwegingen, helder is dat genitale verminking niet zomaar kan worden uitgebannen in Tanzania. Samwelli en de strijdbare vrouwen van het Safe House proberen er nochtans voor te zorgen dat ‘hun’ meisjes het besnijdenisseizoen schadevrij doorkomen. Daarna mogen/moeten ze weer naar huis. Zoals de dappere Rosie Makore, die spoorslags van huis is gevlucht toen ze van haar moeder kreeg te horen dat het nu haar beurt was. Is het gevaar nu echt geweken voor Rosie? ‘Ik wijs jou niet af’, zegt het twaalfjarige meisje, dat als een soort ambassadeur voor vrouwenrechten is teruggekeerd naar haar dorp, tegen haar eigen moeder. ‘Alleen de besnijdenis.’

De Race – Hoe Bouw Je Een Quantum Computer?

‘Als je denkt dat je kwantummechanica begrijpt, dan begrijp je helemaal niets van kwantummechanica.’ Met dit citaat van Richard Feynman, het eerste van een hele serie wijsheden over de onbegrijpelijke wetenschap, trapt David Kleijwegt zijn documentaire De Race – Hoe Bouw Je Een Quantum Computer? (78 min.) af. Is het een waarschuwing?

Kleijwegt volgt de Delftse Nano-wetenschapper Leo Kouwenhoven, een aspirant-Nobelprijswinnaar als we deze film mogen geloven, in zijn pogingen om een kwantumcomputer, die bijvoorbeeld simulaties van levende organismen en gepersonaliseerde geneeskunde mogelijk moet maken, te fabriceren. Zijn team heeft een voorsprong op de internationale concurrentie omdat het als eerste de zogenaamde Majoranadeeltjes heeft waargenomen – als ik het allemaal goed heb begrepen (en daar zou ik zelf geen geld op durven te zetten).

Dat is tevens de grootste uitdaging van deze documentaire: de finesses van de ontwikkeling van de kwantumcomputer zijn verdomd lastig tastbaar te maken én in beeld te brengen. En dus richt Kleijwegt zich tevens op de persoon Kouwenhoven, zijn team van ambitieuze promovendi en ’s mans pogingen om erkenning en financiering te vinden voor hun onderzoeksproject.

Bij de presentatie van zijn nieuwe onderzoekscentrum QuTech moet Kouwenhoven bijvoorbeeld ook de pers te woord staan. ‘Ik heb me nog een beetje verdiept in de kwantumcomputer’, begint een redacteur die een item voorbereidt over die dekselse wondercomputer. ‘En waar voor ons het grootste probleem zou zitten is: is het begrijpelijk voor de kijkers?’ De topwetenschapper maakt van zijn hart geen moordkuil. ‘Dat is het punt. Want wij begrijpen het zelf ook niet, hè?’

’Wat zeg je?’, klinkt het verward aan de andere kant van de telefoonlijn. Kouwenhoven legt het nog één keer uit: ‘Wij begrijpen het zelf ook niet. De principes van de kwantumcomputer zijn onbegrijpbaar, maar als je dat accepteert kun je daar de meest fantastische dingen mee doen.’ Het optimisme van de wetenschapper wordt gaandeweg de film echter flink getemperd. Waar de supercomputer een pronkstuk voor de nabije toekomst leek, blijft hij door tegenslag vooralsnog buiten handbereik.

Die menselijke insteek, van persoonlijke ambities die moeten worden bijgesteld of zelfs worden geknakt, vormt het interessantste element van deze film, waarin Kleijwegt de kijker naar mijn smaak wat meer had mogen gidsen. Nu heeft De Race een behoorlijk hoog instapniveau en zal de film waarschijnlijk vooral ingang vinden bij een publiek dat de ontwikkelingen in de wetenschap sowieso al op de voet volgt.

Inside The Mossad

‘Dat schiet toch niet, hoop ik?’, zegt Ram Ben Barak, de waarnemend directeur van de Mossad, als er in zijn gezichtsveld een camera wordt geïnstalleerd. De interviewer grapt terug: ‘Misschien zijn wij ook een façade voor een operatie van de Mossad waar we niks van weten.’ ‘Of erger nog’, reageert de goedlachse functionaris van de Israëlische geheime dienst weer. ‘Voor de Iraanse geheime dienst. Misschien ga je me vermoorden. Je kunt het niet weten. Je weet het nooit. Het is een smerige sector.’

Welkom in de wereld van de internationale spionage, waarin niets lijkt wat het is. Welkom in het bijzonder bij de beruchtste speler binnen die wereld, de geheime dienst van Israël en de medewerkers die zich namens die schimmige organisatie doelbewust bewegen in het levensgevaarlijke gebied tussen feit en fictie. In de vierdelige documentaireserie Inside The Mossad (197 min.), ook uitgebracht onder de naam The Mossad: Imperfect Spies, bevraagt regisseur Duki Dror talloze kopstukken van Israëls beruchte ‘moordmachine’ over hun werk.

Die gesprekken vormen het leeuwendeel van deze Israëlische variant op de interviewserie Kijken In De Ziel, die is aangekleed met relevant archiefmateriaal, een broeierige soundtrack en abstracte gedramatiseerde scènes. De vier afleveringen zijn thematisch gegroepeerd: politieke moorden, informanten, de persoonlijkheid van Mossad-medewerkers en de maatschappelijke impact van hun werk. Binnen dat kader vallen belangrijke ijkpunten uit de recente Israëlische historie op hun plek, zoals het opsporen van de Duitse oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann in Buenos Aires, de aanslag op Joodse atleten tijdens de Olympische Spelen van München in 1972 en het vredesakkoord met de Egyptische president Anwar Sadat.

Dror focust zich echter vooral op de ethische kant van de zaak. Vragen als: wat doet het met jou om jarenlang zo’n hechte relatie te acteren? Hoe reageerde je toen je hoorde van het vreselijke bloedbad? En: knaagt het niet aan je geweten dat je een informant doelbewust de dood in hebt gestuurd? De Mossad-medewerkers, vooral mannen, spreken opmerkelijk openhartig over hun vak, rationaliseren dat net zo vaak als ze erover twijfelen en besluiten de vragen soms ook te ontwijken of af te kappen. En dat is ook een antwoord. Ik vind deze vraagstelling maar niks, klinkt het dan. Of: doet er niet toe. En, natuurlijk: zo is het mooi geweest (waarna de man in kwestie waarschijnlijk is opgestaan en demonstratief zijn zendermicrofoontje heeft verwijderd). Ik heb al meer gezegd dan ik van plan was.

Het is een kille, cynische en wantrouwende wereld, die in Inside The Mossad onder woorden wordt gebracht. De serie schildert met grauwe kleuren een portret van zowel een beroep als een organisatie. Van een systeem ook en het geloof daarin. En van een type mens, waarvoor een doel, bescherming van het eigen volk en de eigen staat, écht alle middelen heiligt.

Nanook Of The North

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner heeft Nanook Of The North gezien. De film uit 1922 wordt beschouwd als de allereerste officiële documentaire, een filmgenre dat door de Schotse filmpionier John Grierson enkele jaren later werd gedefinieerd als ‘een creatieve behandeling van de werkelijkheid’.

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner, behalve ik. Verder dan enkele scènes uit dit portret van de Inuit Nanook, bijgenaamd ‘de beer’, en zijn schattige gezin uit het noorden van Ungava, nabij de Canadese Hudsonbaai, was ik eerlijk gezegd nooit gekomen. Tot afgelopen week. Uitroepteken. Waar een zelf opgelegd docuregime, dat wekelijks uitmondt in deze nieuwsbrief, al niet toe kan leiden…

Voordat lezers me en masse gaan bedanken, zeg ik nu alvast: graag gedaan! En ik raad iedereen, met enige interesse in filmhistorie en verdwijnende exotische culturen, aan om mijn voorbeeld te volgen. De lotgevallen van de eskimo-familie, die vanaf 1910 regelmatig werd bezocht door spoorwegavonturier Robert Flaherty, zijn vervat in een heus verhaal, waarbij de filmmaker heeft gekozen voor enkele duidelijke hoofdpersonen en de waarheid zo nu en dan ook een handje helpt.

Ten tijde van de filmopnames had Nanook naar verluidt allang een geweer tot zijn beschikking. Voor Flahertys camera wilde hij echter nog wel eens ouderwets met een speer vissen en op jacht gaan naar vossen, zeehonden en walrussen. En ook de iglo die de man besluit te bouwen schijnt speciaal voor de documentaire te zijn gefabriceerd. Sterker: het was een halve iglo. Want anders konden ze met hun logge en weinig lichtgevoelige camera de binnenkant niet filmen.

De documentaire ziet er dan ook prachtig uit, zeker als je bedenkt dat het medium film destijds echt in de kinderschoenen stond. Nanook Of The North stamt uit de tijd dat films zonder geluid en met heel veel, in dit geval ook bomvolle, tekstkaarten werden opgeleverd. Het geheel is daarom dicht gesmeerd met een tamelijk opdringerige soundtrack, die elk gemis van natuurlijk geluid in de kiem moet sporen. Voor hedendaagse oren blijft dat lastig. Zeker als Nanook, in een scène met een hoog kraaltjes-en-spiegeltjes gehalte, een antieke platenspeler, ‘waarmee de witte man zijn stem inblikt’, mag uitproberen.

Toen de documentaire met veel succes werd uitgebracht in de bioscoop, was de vindingrijke hoofdpersoon, volgens regisseur Flaherty, overigens al overleden. Nanook stierf naar verluidt de hongerdood, die hij in deze onbetwiste filmklassieker ruim vijf kwartier, met het nodige kunst- en vliegwerk, op afstand weet te houden. Bijna een eeuw later leeft de Inuit nog altijd voort, als een representant van een uitgestorven leefwijze en als allereerste held uit de documentairegeschiedenis.

Copwatch

‘Wat is je naam?’ De vraag wordt steeds herhaald. Net als het antwoord: ‘9311.’ En: ‘Jij hebt hier niks mee te maken.’ Ramsey Orta stelt de vraag nog maar eens: ‘Wat is je naam?’ Intussen filmt hij stug door met zijn smart phone. 9311 en zijn collega gaan door met de aanhouding van een haveloos uitziend stelletje. De agent die alleen zijn badgenummer besluit bovendien om back-up te vragen.

Het is een surrealistische tafereel: een willekeurige arrestatie die wordt vastgelegd door een willekeurige buitenstaander (die op zijn beurt weer wordt gefilmd voor een documentaire). Het is ook een logisch gevolg van de Black Lives Matter-beweging: gewone bewoners wapenen zich met moderne middelen tegen (vermeend) ongeoorloofd geweld door de politie tegen zwarte Amerikanen.

Wat begon als een logische reactie op schokkende filmpjes van de volledig uit de hand gelopen aanhoudingen van Freddie Gray, Eric Garner (‘I can’t breath’) en Mike Brown, heeft geresulteerd in een heuse tegenbeweging: Copwatch (99 min.). Gewapend met een camera – en Copwatch-petten, -shirts en -jacks – gaan de makers van diezelfde filmpjes de straat op.

Deze boeiende documentaire van Camilla Hall tekent de directe gevolgen daarvan op: in een gemiddelde Amerikaanse stad, waar regulier politiewerk zomaar ineens een mediahype kan worden. Én in het leven van deze bevlogen Copwatchers zelf, die ook niet altijd van onbesproken gedrag blijken en daardoor duchtig onder vuur komen te liggen.

John McEnroe: In The Realm Of Perfection

Je zou kunnen denken dat John McEnroe: In The Realm Of Perfection (94 min.) een standaard portret is van het voormalige enfant terrible van het Amerikaanse tennis. Een overmatig getalenteerd ettertje met krullenkop, vaak in toom gehouden door een zweetband, dat briljante dropshots en vlijmscherpe passeerslagen afwisselde met rondvliegende rackets. Als geen ander kon McEnroe fulmineren naar scheids- en lijnrechters.

Het kutmenneke, inmiddels alweer jaren een gewaardeerd commentator en analist, was echter ook een begenadigde stilist, de ideale uitdager voor het ijskonijn dat tennis in de tweede helft van de jaren zeventig had gedomineerd, de Zweed Björn Borg. Uitgelezen materiaal voor een meeslepende sportdocumentaire, zou je zeggen. Voor een psychologisch portret van een artistieke linkshander, die verdwaald raakte in topsport. Of voor een meeslepende reconstructie van een heroïsche grand slam-finale. Deze film beoogt echter iets anders. En dat weet je binnen enkele seconden.

Trage zwart-wit beelden van een man met een tennisracket, die mechanisch verschillende slagen voordoet. Gevolgd door een curieus muziekje. En een quote van nouvelle vague-held Jean-Luc Godard: ‘Cinema lies, sport doesn’t’. Een enigmatische voice-over mengt zich in de strijd en duidt de man en zijn racket als onderdeel van een instructiefilm uit 1966, A Study In The Basic Techniques Of Tennis. Theorie die weinig met de praktijk van doen had. De maker ervan, Gil de Kermadec, zou zich later specialiseren in portretten van tennishelden van vlees en bloed. Daarvoor filmde hij elk jaar tijdens de Open Franse Tenniskampioenschappen. Zo kreeg hij ook John McEnroe in het vizier.

Terwijl hij het ruwe materiaal van die portretten bekeek, had filmcriticus én tennisliefhebber Serge Daney, die door documentairemaker Julien Farnaut wordt ingezet als verteller, een authentieke brainwave: ‘We waren niet naar John McEnroe aan het kijken. We keken ook niet naar een film over John McEnroe. We waren als de cameramannen op de set van een film die daar werd gemaakt.’ Die filosofische inslag, waarin steeds de raakvlakken tussen cinema en sport wordt gezocht, zorgt voor een atypische en contemplatieve film, die rust, aandacht en een subtiel gevoel voor humor vraagt van de kijker.

McEnroe zelf wordt bijvoorbeeld niets gevraagd. Hij is slechts een object om te observeren. Liefst in slow-motion en begeleid door lekker tegendraadse muziek van Sonic Youth en Black Flag: als hij die gefühlvolle linkerarm laat neerdalen voor een venijnige service. Als hij zijn tegenstander alle hoeken van het centre court laat zien. Of – iconisch beeld – als hij met een ontevreden kop, één hand op het net en de andere wijzend naar een afdruk in het gravel, met veel misbaar verhaal gaat halen bij de wedstrijdleiding. ‘Doe je zonnebril af’, bijt hij een lijnrechter bijvoorbeeld toe. ‘Dan zie je die bal tenminste.’

McEnroe is een absolute winnaar, meent sportschrijver Cédric Quignon-Fleuret. Het gevoel dat iedereen tegen hem is, werkt als een soort drug voor hem. Hij heeft een (imaginaire) vijand nodig. Via een omweg komt Farnaut zo uiteindelijk toch min of meer uit bij dat psychologische portret en dat heroïsche titelgevecht. Niet met Borg overigens, maar met een andere rivaal: het Tsjechoslowaakse krachtmens Ivan Lendl, die de umpire zelf trouwens ook niet spaart. ‘Ben je soms bang voor hem?’, vraagt hij de ref verontwaardigd, terwijl hij naar zijn norse nemesis aan de andere kant van het net kijkt.

Net als zijn hoofdpersoon heeft Jean Farnaut zijn publiek gedurig tegen de haren ingestreken. Ruim een uur. Te langen leste geeft zijn film de toeschouwer met de finale van Roland Garros in 1984 echter tóch wat die wil: een zinderende climax, waarbij de ene matador echt niet onder de andere door wil gaan.

De documentaire McEnroe (2022) is een wat traditioneler portret van de voormalige toptennisser.

Schapenheld

Er zijn dagen waarop de gemiddelde Nederlander niet mijmert over de toestand van de vaderlandse heide. Totdat je dat typische landschap krijgt te zien zoals schaapsherder Stijn Hilgers het dagelijks ziet – of beter: zoals filmmaker Ton van Zantvoort de hei laat zien in zijn meeslepende documentaire Schapenheld (80 min.). Een uitgestrekt landschap, waar de kou nog van de grond opstijgt, de opkomende ochtendzon de lucht blauw-oranje kleurt en een man met een hoed en zijn trouwe metgezel Hekske, een ‘flapdrol’ van een hond, hun kudde naar graasplekken leiden. ‘Dat is mijn werk’, stelt Hilgers in karakteristieke krachttaal met Brabantse tongval. ‘Zorgen dat die schapen hun pens volvreten op de goeie plekkies.’

Zo ongeveer zou een Nederlandse versie van het Wilde Westen eruit zien, met Hilgers als de onverschrokken held die sneller (verwensingen) schiet dan zijn eigen schaduw. Verweerde kop, twee oorringen in en het haar samengebonden in een staartje. Stuurs in de verte starend, zo nu en dan trekkend aan het shaggie in zijn hand. Onversaagd trekt hij ten strijde voor het behoud van de vaderlandse heide en zijn eigen bedreigde stiel. Ondertussen onophoudelijk foeterend op de Nederlandse regeltjeszucht en de, ja, neoliberalisering van het natuurbehoud. Want zelfs een authentieke schaapsherder, een beroep dat toch op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed staat, moet concurreren. Totdat-ie er kapot aan gaat.

‘Openheid, rust, ruimte’, zocht de schaapsherder ooit in het vak, dat hem soms acht tot tien uur per dag alleen op de hei brengt. ‘Vrijheid. Dingen die ik zelf heb gekozen, die me niet opgelegd zijn. Dát. Simpel leven.’ Hilgers – of beter: filmmaker Van Zantvoort – laat een korte pauze vallen. ‘Dacht ik.’ En dan is het weer even stil, totdat Hilgers op zijn bouwradio stevige dansmuziek aanzet en zijn schapen begint te scheren. In die beginquote van de documentaire zit het complete drama van de film verscholen. Want de solitaire herder krijgt nauwelijks meer ruimte om zich te bewegen. Als de schapenheld, met zwarte hoed overigens, zijn kudde van de ene naar de andere wei dient te verplaatsen, moet hij bijvoorbeeld uit de minste van twee kwaden kiezen: door het bos kan een boete van de boswachter opleveren, door het dorp betekent andere mogelijke ellende.

Hilgers kiest overtuigd voor het laatste. Het ziet er ook majestueus uit, zo’n stoet schapen die door het dorp heen trekt. Een beeld uit lang vervlogen tijden. ‘Hadden ze bijna dat gloednieuwe gazon te grazen genomen’, roept de herder grappend naar enkele kijkende bewoners. Niet veel later krijgt hij de politie op zijn dak: de beesten hebben keutels achtergelaten nabij een ijssalon. ‘Het is afgelopen met dit vak, hier in Nederland’, foetert de man in kwestie machteloos. Het is één van de sleutelscènes van deze knarsetandende film, die past in een traditie van vaderlandse documentaires over plattelanders die langzaam maar zeker helemaal vastlopen in het moderne Nederland, zoals De Kleine Oorlog Van Boer Kok of Het Mysterie Van De Melkrobots.

Altijd weer is er het gevecht met de ‘teringlijers’ en de noodzaak om samen met zijn vrouw Anna op de één of andere manier, vraag niet hoe, de eindjes aan elkaar te knopen. De geboren rebel Hilgers – laten we hem een wolf in schaapskleren noemen – moet de tering naar de nering zetten en ziet zich bijvoorbeeld gedwongen om allerlei commerciële activiteiten te ontplooien. Van Zantvoort legt ‘s mans strijd tegen de bierkaai met compassie vast en brengt intussen het verdwijnende, of op zijn minst veranderende, beroep van schapenherder prachtig in beeld. De onontkoombare keuze waar Stijn Hilgers uiteindelijk voor komt te staan wordt ondertussen uitstekend invoelbaar.

Klem Aan De Kade

‘Ik wil vechten’, zegt André Bochem, een oudere, licht ontvlambare woonbootbewoner, vertwijfeld. ‘Ik wil het gevoel hebben dat ik er iets aan heb gedaan. Maar tegen wie moet je vechten?’ Bochem en zijn buren dreigen van hun plek aan de kade te worden verdreven. Eerst werden ze gedoogd, toen zouden ze worden gelegaliseerd en nu moeten ze ineens weg. Want in Ouder-Amstel zal ‘het nieuwe Manhattan van Amsterdam’ verschijnen. De gemeente en projectontwikkelaar zijn het roerend eens: die boten dienen daarvoor te wijken.

Kapster Diana Giannattasio begrijpt er niets van: het huis dat ze al jaren bewoont met haar dochter is nu ineens illegaal? Al die tijd werden ze gedoogd. Ze waren gewoon aangesloten op water en gas, betaalden netjes gemeentelijke belastingen en hadden een eigen huisnummer. Vertrekken betekent volgens haar niets minder dan een persoonlijk faillissement. Intussen is er achter, boven en om de ooit idyllisch gelegen woonark van buurman Jan Griffejoen al een BMW-garage verschenen. Na bijna een halve eeuw dreigt ook hij te moeten verkassen.

De persoonlijke tragiek ligt er soms duimendik bovenop in Klem Aan De Kade (53 min.). Gedurende drie jaar volgen Esther Janmaat en Olaf Schuur de pogingen van de woonbootbewoners om hun plek te zekeren – of op zijn minst duidelijkheid te krijgen over hun toekomst. Van de politiek, een enkel gemeenteraadslid van een oppositiepartij natuurlijk uitgezonderd, hoeven ze niets te verwachten. ‘Die raadsleden zullen best het idee hebben dat ze het goed doen’, aldus de voormalige ambulancemedewerker Bochem. ‘Maar in mijn ogen zijn het allemaal gevulde koeken.’

De filmmakers bestendigen die indruk. Ze gaan bijvoorbeeld geen verhaal halen bij de verantwoordelijke wethouder Rineke Korrel, die het steeds emotioneler wordende bewonersverzet uiterlijk onbewogen aanhoort. Zo ontstaat een typisch David en Goliath-verhaal, waarbij de verenigde woonarkers zich steeds weer stuklopen op de bureaucratische muur die rondom hen is opgetrokken. ‘Nou lees ik het weer en snap ik er nog geen kloten van’, verzucht André Bochem na alweer een onbegrijpelijke brief. En dat allemaal omdat de gemeentekassa zo nodig moet rinkelen.

Het is een gevecht dat overal ter wereld wordt uitgevochten: de particuliere behoeften van mondige burgers tegenover Het Grotere Belang – of wat daarvoor moet doorgaan. De één wordt emotioneel van de strijd, een ander juist woedend. Het gezamenlijk optrekken tegen een gemeenschappelijke vijand zorgt in elk geval voor solidariteit. Dat is de hoopvolle conclusie die uit deze strijdbare televisiedocumentaire valt te destilleren. In tijden van tegenslag worden de mouwen opgestroopt, gaan de neuzen dezelfde kant op en wordt er ook nog goed voor mekaar gezorgd.

Lost Warrior

Hij heeft zijn zoon Yassir nog nooit in het echt gezien. Al drie jaar zit de 23-jarige Mohammed ondergedoken in de Somalische hoofdstad Mogadishu. Daar is hij ook stiekem getrouwd met Fathi, die vervolgens is teruggekeerd naar Londen. Sindsdien onderhouden ze contact via Skype en fungeert hij als virtuele vader voor hun peutertje in Engeland.

Mohammed zou dolgraag terugkeren naar Groot-Brittannië, het land waar ook hij is opgegroeid. Daar is hij echter persona non grata. Hij staat te boek als terrorist. Één impulsieve beslissing is hem fataal geworden: op zijn twintigste werd de rebelse jongeling, na een gevangenisstraf, uitgezet naar zijn moederland. Daar werd hij lid van al-Shabaab, een Somalisch neefje van extremistische moslimorganisaties als IS en Al-Qaeda.

Inmiddels heeft hij de terreurbeweging alweer verlaten. Mohammed wist helemaal niet voor welke organisatie hij was geronseld. Zegt hij nu. Als hoofdpersoon van de documentaire Lost Warrior (57 min.). De spijtoptant is zijn leven bovendien niet zeker in Somalië, beweert hij. Want zijn voormalige vrinden van al-Shabaab hebben nog een appeltje met hem te schillen.Deze observerende film van Nasib Farah en Søren Steen Jespersen volgt zowel de ontheemde vader in Mogadishu als zijn vrouw, kind en familie in Londen bij hun pogingen om een gezinshereniging tot stand te brengen. In het Verenigd Koninkrijk zitten ze echter, net als in Nederland, bepaald niet te wachten op terugkerende islamitische strijders. Alle officiële toegangswegen naar Londen lijken afgesloten.

Terwijl de spijtoptant zoekt naar een sluiproute die hem moet terugbrengen naar zijn vorige en toekomstige leven, komt de relatie van Mohammed en de uitgesproken, in plat-Engels van zich afbijtende Fathi danig onder druk te staan. Ook als ze erin slagen om weer bij elkaar te komen, blijft het in deze interessante documentaire, die een actueel thema behandelt, de vraag of het hen ook lukt om hun huwelijk te lijmen.