Ik Heb Het Niet Gedaan

Waarom, zo vraag je je af na de openingsscène van Ik Heb Het Niet Gedaan (85 min.), corrigeert documentairemaker Elena Lindemans haar hoofdpersoon zo nadrukkelijk als hij zijn eerste brief aan de Nederlandse autoriteiten voorleest? ‘Er staat toch wél Van der Dussen?’, stelt ze scherp. ‘Je vergeet je achternaam.’ ‘Maar dan komt het zo stom over’, werpt Romano tegen. Lindemans wil echter van geen wijken weten. Vanwaar deze prominente rol voor de regisseur zelf? In de tweede helft van de film volgt het antwoord als de filmmaker en haar subject serieus met elkaar beginnen te botsen.

Tot die tijd vertelt deze documentaire het verhaal dat je zou verwachten en blijft Lindemans grotendeels buiten beeld: Romano van der Dussen, in 2016 vrijgekomen nadat hij twaalf jaar onschuldig vastzat in een Spaanse cel, probeert zijn leven weer te op te pakken, de band met zijn vader Rob te herstellen en (financiële) genoegdoening te krijgen van de Spaanse overheid. Intussen weidt hij uit over zijn verleden. Nee, hij was geen lieverdje. En ja, hij is in zijn jeugd regelmatig in aanraking met justitie gekomen. Type ontspoorde ADHD’er. Maar dat is natuurlijk geen reden om iemand vast te zetten voor drie gewelddadige verkrachtingen die hij beslist niet heeft gepleegd.

Het is een schrijnend verhaal, dat vooralsnog echter niet tot een opzienbarende documentaire leidt. Enerverender wordt het als Van der Dussen halverwege de film besluit om een brief te schrijven aan de veroordeelde serieverkrachter en moordenaar Mark Dixie. Zijn DNA is aangetroffen bij één van de verkrachtingszaken waarvoor Romano werd veroordeeld. Die vondst leidde tot de vroegtijdige vrijlating van de Nederlander. Nu wil die hem een gunst vragen: of Dixie nog één keer wil proberen om zich te herinneren of hij ook die andere verkrachtingen heeft gepleegd. Van der Dussen sluit onwerkelijk beleefd af: ‘Bedankt voor wat je voor me hebt gedaan.’

En daarna komt Lindemans zelf in actie en gaat de confrontatie met haar hoofdpersoon aan. Want de puzzel Romano van der Dussen, zoals zijn eigen vader het treffend uitdrukt, blijkt nog enkele ontbrekende stukjes te bevatten. Die wending doet Ik Heb Het Niet Gedaan beslist goed. Het geeft de documentaire spanning en maakt van het hoofdpersonage, dat met enige verhaaltechnische soepelheid had kunnen worden gereduceerd tot een bordkartonnen slachtoffer, weer een man van vlees en bloed. Met zijn eigen karakterzwaktes, frustraties en geheimen. ‘Mensen worden niet zo geboren’, zegt hij er zelf over, als Lindemans hem de duimschroeven aanzet. ‘Mensen worden zo gemaakt door omstandigheden in het leven. En dan later zeggen ze: die is gek!’

Ik Heb Het Niet Gedaan is hier te bekijken.

The Radical Story Of Patty Hearst

CNN

Haar naam is bijna een synoniem voor het Stockholm-syndroom geworden. Patricia Hearst, de steenrijke erfgename van de befaamde Amerikaanse Hearst-familie, werd op 4 februari 1974 ontvoerd door het Symbionese Liberation Army (SLA). Dik twee maanden later pleegde ze, als de gedreven strijder ‘Tania’, samen met haar ontvoerders een overval op de Hibernia Bank in San Francisco. De kleindochter van mediamagnaat William Randolph Hearst, die ooit model stond voor de Orson Welles-film Citizen Kane, had zich volledig vereenzelvigd met de idealen en methoden van een radicale representant van de Amerikaanse tegencultuur, die ook terreurgroepen als The Black Liberation Army en The Weather Underground zou voortbrengen. Was ze gehersenspoeld of gewoon een ‘natuurtalent’?

In de zesdelige serie The Radical Story Of Patty Hearst (240 min.) belicht regisseur Pat Kondelis de opzienbarende wildemansrit van Hearst met de extreem-linkse splintergroep, die in een orgie van geweld zou uitmonden. De SLA-leden stond niets minder dan de revolutie voor ogen. Al bleef volgens auteur Jeffrey Toobin, die de ongeautoriseerde biografie American Heiress schreef waarop deze serie is gebaseerd, onduidelijk wat ze nu precies wilden en hoe ze dat dachten te bereiken. De organisatie schuwde geweldsmiddelen in elk geval niet. Vóór de ontvoering van hun toekomstige strijdmakker, die toen nog een rijkeluisleventje met haar aanstaande echtgenoot leidde, was de organisatie met de zevenkoppige cobra als logo al verantwoordelijk voor de moord op een in hun ogen repressief schoolhoofd, Marcus Foster.

‘Dood aan het fascistische insect dat het volk misbruikt’, stond er pontificaal in de eerste verklaring die de Symbionese Liberation Army na de ontvoering naar de Hearst-familie stuurde. Patty’s vader Randy moest die voorlezen tijdens een persconferentie. Er zouden nog veel boodschappen volgen, waarvan een groot deel ingesproken door ‘Tania’ zelf. Het waren ‘crazy ass communiques’ volgens voormalig SLA-kaderlid Bill Harris, één van de belangrijkste bronnen van Toobins boek en deze serie. Hij praat erover alsof die hele ontvoering niet meer dan een onschuldige jeugdzonde was. En het Symbionese Liberation Army een soort hippiebende van Robin Hood. Soms klinkt er zelfs trots in zijn woorden door, bijvoorbeeld als de afgedwongen voedseldonaties aan arme Amerikanen ter sprake komen. Serieuze zelfreflectie lijkt in elk geval te ontbreken bij de voormalige extremist.

Hearsts voormalige verloofde Steven Weed noemt de SLA-leden daarentegen zonder omhaal van woorden ‘compleet gestoord’. Patty zelf, die binnenkort 65 wordt en al enige tijd oma is, ontbreekt helaas in de serie. Zij had volgens een officiële verklaring ‘geen interesse om deze gewelddadige en pijnlijke periode uit haar leven opnieuw te beleven’ en stelt zelfs dat Toobins boek haar verkrachting en marteling heeft geromantiseerd. Ze is in de serie alleen aanwezig via oude audio-interviews en archiefmateriaal. Als psychologisch portret van een jonge vrouw in zeer uitzonderlijke omstandigheden komt The Radical Story Of Patty Hearst daardoor niet uit de verf. De hoofdpersoon, die zich binnen luttele maanden ontwikkelt van rijkeluisdochter tot de gestaalde guerrillastrijder ‘Tania’, blijft een enigma.

Als historische reconstructie heeft de documentaireserie, die wordt bevolkt door diverse direct betrokkenen, de gehele affaire minutieus doorneemt en is aangekleed met gedramatiseerde scènes en een overdaad aan fraai archiefmateriaal, zeker zijn waarde. Tegelijkertijd voelt de serie minder urgent dan vergelijkbare historische producties als The Clinton Affair en Enemies: The President, Justice & The FBI, waarin duidelijke parallellen met het heden worden getrokken.

Conversations With A Killer: The Ted Bundy Tapes

Netflix

Hij was het type man waarmee je je zus zou laten trouwen, zegt Marlin Lee Vortman, een politiek medewerker die Ted Bundy aan het begin van de jaren zeventig leerde kennen tijdens een campagne van de Republikeinse partij. Enige charme kon Bundy inderdaad niet worden ontzegd, maar of het goed zou aflopen met die zus valt te betwijfelen. De gesoigneerde jongeman met de vlotte babbel zou zich ontpoppen tot de loverboy onder de seriemoordenaars.

Niet dat ze dat begrip al kenden in het Amerika van de seventies. De term ‘seriemoordenaar’ moest nog worden bedacht. Zoals er ook geen profilers waren. Al zouden die werk genoeg overhouden aan de woelige seventies, een decennium waarin de Verenigde Staten op alle mogelijke manieren in brand leken te staan en diverse illustere killers van zich deden spreken: The Son Of Sam, John Wayne Gacy, The Golden State Killer en de bloeddorstige van hen allemaal, Theodore Robert Bundy. Een psychopaat pur sang, een man waarvan het je, ook na zijn dood, nog altijd koud om het hart wordt.

Op 24 januari jongstleden was het precies dertig jaar geleden dat hij, de gewetenloze charmeur die op foto’s soms doet denken aan een jeugdige George W. Bush, ter dood werd gebracht. Vóór het zover was gaf Bundy vanuit de gevangenis zo’n honderd uur aan interviews aan de jonge journalist Stephen Michaud. Waarschijnlijk niet zozeer om openheid van zaken te geven als wel om zijn eigen ‘sterstatus’ te bevestigen. Als hij in de derde persoon mocht praten – zodat hij niet, per ongeluk, allerlei moorden kon bekennen – was Bundy bereid om in zijn inktzwarte ziel te laten kijken.

De audiocassettes van die gesprekken, geduid door Michaud en diens toenmalige mentor Hugh Aynesworth (Newsweek), vormen het hart van de vierdelige documentaireserie Conversations With A Killer: The Ted Bundy Tapes (235 min.) van regisseur Joe Berlinger, die al een indrukwekkend true crime-track record heeft opgebouwd met films als de Paradise Lost-trilogie, Whitey: United States Of America v. James J. Bulger en Cold Blooded: The Clutter Family Murders. De filmmaker sprak verder met kennissen van Bundy, zijn advocaten, rechercheurs, de openbaar aanklager, verslaggevers en een psycholoog die hem beroepsmatig onderzocht. Ook Carol DaRonch komt aan het woord; zij overleefde als bij wonder een attaque van de diabolische moordenaar.

De contouren van Bundys strooptocht door vrouwelijk Amerika zijn voor menigeen wellicht bekend terrein, de details daarvan blijven onverminderd choqueren. Hoe hij er bijvoorbeeld in slaagde om op één dag tweemaal een meisje te ontvoeren bij het drukbevolkte recreatiegebied Lake Sammamish, tart elke verbeelding. Dit is geen roofdier dat louter vanuit zijn instincten te werk gaat, maar een calculerende moordmachine. Berlinger maakt de angst weer voelbaar voor een gezichtsloze killer die op elk moment en elke plek kan toeslaan. Hij zet zijn onrustbarende narratief kracht bij met allerlei (logische) tijdsprongen, vervat Bundys belevingswereld en de tijdgeest in enkele spannende associatieve sequenties en alterneert steeds soepel tussen de gesprekken met de dwangmatige killer, diens persoonlijke historie en dat gru-we-lijke moordpatroon.

Met al deze elementen construeert de documentairemaker een complete en overtuigende narratief over de horrordaden van Ted Bundy, die model stond voor de archetypische hyperintelligente seriemoordenaar die inmiddels in talloze films en televisieseries is opgevoerd. Waarbij de archiefbeelden van hoe die vriendelijke Ted na zijn arrestatie uitnodigend lacht naar de camera, de verzamelde pers te woord staat of dolt met zijn bewakers, er nog steeds genadeloos inhakken en altijd weer dezelfde vraag oproepen: waarom? Was het een afrekening met zijn jeugd als onwettig kind, wraak op zijn ex-vriendin, frustratie over zijn gefnuikte studieloopbaan, het uitleven van gewelddadige seksuele fantasieën, een stem die hem opdroeg om te doden of…? We zullen het nooit helemaal (zeker) weten.

En waarschijnlijk is dat precies de reden dat we nooit genoeg krijgen van de Bundy’s van deze wereld; zij laten een beest los, waarvan we niet wisten dat het in ons kon huizen.

Regisseur Joe Berlinger was na deze fascinerende documentaireserie ook nog niet klaar met Ted Bundy. Op het Amerikaanse Sundance-festival is zaterdag de speelfilm Extremely Wicked, Shockingly Evil And Vile in première gegaan. Zac Efron kruipt in de huid van de onverbeterlijke vrouwenvreter, diens horrorverhaal wordt verteld vanuit het perspectief van zijn voormalige vriendin Elizabeth Kloepfer.

The Atomic Cafe

Beelden ontlenen hun betekenis aan de context waarin ze worden geplaatst, zo bewijst The Atomic Cafe (85 min.) uit 1982 nog maar eens ten overvloede. De film over de manier waarop nucleaire oorlogsvoering na de Tweede Wereldoorlog in de VS aan de man is gebracht, onlangs als belangrijk erfgoed opgenomen in The National Film Registry van The Library Of Congress, is volledig opgebouwd uit bestaand beeld- en geluidsmateriaal: newsreels, propagandafilms, (politieke) speeches, commercials, instructiefilmpjes, interviews en (mars)muziek.

Van al die losse elementen fabriceren de filmmakers Kevin Rafferty, Jayne Loader en Pierce Rafferty, zonder gebruik van een voice-over of verbindende teksten, een geheel eigen narratief over hoe de Koude Oorlog en bijbehorende kernwapenwedloop de Amerikaanse huiskamer is ingestuurd, waarbij de betrokken partijen regelmatig een loopje nemen met de waarheid. Dat leidt tot pijnlijke, angstaanjagende én komische taferelen. Want The Atomic Cafe benadert een op zichzelf topzwaar thema met veel zwarte humor.

Illustratief is in dat verband een Amerikaans propagandafilmpje rond het schrikbeeld dat de Verenigde Staten in handen zouden vallen van “the enemy of freedom’, de Sovjet-Unie. Het dorpje Mosinee in Wisconsin wordt voor 24 uur een communistische dictatuur. ‘U denkt dat dit hier niet kan gebeuren?’ vraagt een bombastische voice-over terwijl een grote groep mensen demonstreert met borden als ‘The communist party is the only party’ en met gebalde vuist verklaart dat Stalin de enige echte leider is. ‘Welnu, zo ziet het eruit.’

Het potsierlijke filmpje komt tot een climax met het Amerikaanse Vrijheidsbeeld, dat tot ontploffing wordt gebracht, waarna een levensgrote Russische vuist het dorpje letterlijk plat slaat. ‘Laten we hopen dat dit nooit gebeurt’, rondt de presentator van dienst de uitzending af, waarna hij linea recta verder gaat met het bedanken van enkele sponsors, twee Californische winkelcentra. ‘Omdat zij concrete voorbeelden zijn van het praktische idealisme waarmee Amerika is gebouwd.’ Je kunt er bovendien gratis parkeren.

Tegelijkertijd is er de knalharde realiteit van de Koude Oorlog, bijvoorbeeld als het lot wordt bezegeld van Julius en Ethel Rosenberg. ‘Don’t fry them’, heeft een demonstrerende man op zijn bord geschreven over het echtpaar dat wordt beschuldigd van spionage. ‘They’ll stink to much. Hang them.’ Op de radio en televisie wordt vervolgens tot in detail verteld hoe de Rosenbergs aan hun einde zijn gekomen. ‘Dat was een verslag van de executie in de Sing Sing-gevangenis van Julius en Ethel Rosenberg’, sluit de omroeper de reportage af. ‘En dan nu The Great Day Show!’

The Atomic Cafe fileert aldus niet alleen een (koude) oorlog, maar ook de cultuur, gemoedstoestand en massamedia van de naoorlogse Verenigde Staten. Dat doet regelmatig surrealistisch aan. ‘Viewed from a safe distance’, stelt een trainingsfilm van het Amerikaanse leger bijvoorbeeld zonder enige ironie, ‘the atomic bomb is one of the most beautiful sights ever seen by man.’ Maar vergeet daarnaast vooral niet om een voorbeeld te nemen aan Bert The Turtle: Duck And Cover.

Matangi / Maya / M.I.A

‘All I wanna do is bang bang bang bang’, rapt M.I.A., terwijl er geweerschoten klinken in haar wereldhit Paper Planes uit 2007. Een kassa rinkelt: ‘And take your money.’ Zo kijken veel westerlingen toch tegen immigranten aan? Nou, dan kunnen ze het krijgen ook, moet de Britse rapper van Sri Lankaanse origine (echte naam: Maya Arulpragasam) hebben gedacht. In 1985 vluchtte ze als tienjarige Aziatische meisje naar een volledig vreemde wereld, Europa. Die verscheurdheid klinkt door in alles wat ze sindsdien heeft gemaakt.

Dat perspectief – van de buitenstaander die bij ‘ons’ en haar eigen moederland naar binnen kijkt – maakt van de biopic Matangi / Maya / M.I.A. (96 min.) méér dan het zoveelste portret van een succesvolle artiest, die nog eens goed in de markt moet worden gezet of wel een extra veer in zijn reet kan gebruiken. M.I.A.’s venijnige songs kunnen niet los worden gezien van hun maatschappelijke context. Dat betekent overigens niet dat filmmaker Steve Loveridge ook kritisch naar de controversiële rapper kijkt. Daarvoor verblijft hij (blijkbaar) al te lang in haar entourage. Hij filmt Maya sinds halverwege de jaren negentig, toen ze allebei op de kunstacademie zaten.

Onplezierige vragen over de aard van M.I.A.’s activisme of haar omstreden vader, een prominent lid van de verzetsbeweging/terreurgroep de Tamil Tijgers, blijven achterwege. ‘Waarom ben je zo’n problematische popster?’, vraagt Loveridge nog wel aan zijn hoofdpersoon. ‘Waarom…’ Ze maakt de zin zelf af: ‘houd je niet gewoon je bek?’. Waarmee de relatie tussen maker en subject aardig is neergezet. Deze film moet het duidelijk niet hebben van kritische distantie, maar van de nabijheid tussen vrager en bevraagde. De documentaire bestaat voor het leeuwendeel uit B-roll video’s die in huiselijke kring, backstage en tijdens reizen naar Sri Lanka zijn gemaakt.

M.I.A.’s leven en dit spannende portret van een strijdbare jonge vrouw komen tot een climax in 2009 als ze, zwanger van haar eerste kind en genomineerd voor zowel een Oscar als een Grammy Award, ziet hoe de oorlog in haar moederland escaleert. Als ‘enige Tamil in de westerse media’ voelt ze zich geroepen om zich uit te spreken over wat zij de genocide op haar volk noemt. Zo komt Maya zelf ernstig onder vuur te liggen, bijvoorbeeld via een venijnig profiel in New York Times Magazine, waarin ze wordt neergezet als een verwend kind, dat flinterdunne politieke statements maakt. Sleutelquote: ‘”I kind of want to be an outsider”, she said, eating a truffle-flavoured French frie.’

M.I.A. (ofwel: Missing In Action) reageert in stijl met een slicke videoclip, waarin ze zogenaamd met een grote zonnebril op aan een zonovergoten buitenzwembad zit. ‘All I wanna do is check my Monet’, concludeert ze, om met de nodige zelfspot te verduidelijken: ‘M.I.A. investing in third world democracy. These shades were made in Sri Lanka. Don’t you dare write anything else funny about me.’ Waarna de geboren provocateur ostentatief een vliegtuigje vouwt van een dollarbiljet en het door de lucht laat dwarrelen…

Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop

Bart Chabot leidt de hoofdpersoon van deze documentaire op geheel eigen wijze in: nee, hij is niet zo bekend als Barry Hay of Herman Brood, maar hij is de beste muzikant van de Nederlandse popscene, iedereen wil met hem werken en toch wordt-ie niet herkend op straat. Heeft u al door over welke Onbekende Nederlander de inmiddels dolenthousiaste Chabot het heeft? Gelukkig worden nu de usual suspects voorgesteld die de man in kwestie verder zullen duiden: Cesar Zuiderwijk, Henk Hofstede, Anton Corbijn, Rinus Gerritsen en Freek de Jonge. Stuk voor stuk hebben ze gewerkt met – tromgeroffel, doodse stilte, trompetgeschal! – Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop (59 min.).

In strandpaviljoen De Fuut in zijn thuisstad Den Haag tovert Stips aan een nieuwe plaat, waarmee hij wil voortborduren op het magische werk van zijn eerste bandje Supersister. Hij laat zich daarbij tevens ondersteunen door vroegere vrienden uit die vermaarde progrockgroep uit de sixties. Ook de ‘simpele rock & roll-muzikanten’ van enkele vooraanstaande vaderlandse bands melden zich voor de opnamesessies. Terwijl de oude kameraden elkaar begroeten en onder leiding van Stips samen gaan musiceren, loopt regisseur Marcel Goedhart de carrière van de multi-instrumentalist door: van Supersister via Golden Earring, Gruppo Sportivo, Sweet D’ Buster en The Nits naar Freek de Jonge.

Het bevalt Robert Jan Stips wel, die rol in ‘de subtop’. Op die manier heb je als muzikant een langer leven, meent hij. Misschien is het ook een manier om enigszins op afstand te blijven, ga je als kijker denken. Zeker als je vervolgens zijn dramatische familieverhaal krijgt te horen (dat Goedhart ondersteunt met enkele fraaie geanimeerde scènes). Met name de relatie met zijn vader, die in zijn hart misschien ook kunstenaar had willen zijn, maar zijn dagen sleet als ambtenaar, speelt Stips nog altijd parten. ‘Het vaderschap heb ik zelf moeten uitvinden. En daar ben ik ook niet altijd even goed in’, zegt hij. ‘Ik vind het lastig om heel warm te zijn naar het gezin toe. Dat zou wel warmer kunnen.’ Zelfs in de muziek is dat zo, constateert hij. ‘Misschien maak ik daarom ook wel andersoortige muziek dan blues of liefdesliedjes.’

Met die muziek heeft hij niettemin vrienden voor het leven gemaakt, in de Nederlandse muzikantenscene, maar ook ver daarbuiten. Met de internationaal vermaarde fotograaf en filmregisseur Anton Corbijn bijvoorbeeld, die zich nog goed kan herinneren hoe hij in 1973 als middelbare scholier een fotoshoot mocht doen met de band waarvan hij al enkele jaren fan was. Als tegenprestatie, vertelt hij met hartverwarmend enthousiasme, stelde Corbijn alles in het werk om vele jaren later de Supersister-evergreen She Was Naked een plek te geven in zijn debuutfilm Control. En dat viel weer in goede aarde binnen de internationale progrockscene, waarbinnen de eerste band van Stips – Arjay voor zijn Amerikaanse fans – nog altijd een cultstatus heeft.

Zo ontvouwt zich een liefdevol portret van een gewaardeerde muzikant, die op een gracieuze manier ouder en grijzer is geworden (al zijn die strakblauwe kijkers gebleven). En daarbij neem je de wat gekunstelde barscène met Bart Chabot, die natuurlijk ook op gedragen toon een punt mag zetten achter de film, over waarom die nederpoptovenaar nooit een Bekende Nederlander is geworden maar voor lief. Zou het misschien kunnen – in de oren van Hay- en Brood-adepten klinkt dat wellicht ongeloofwaardig – dat Robert Jan Stips ‘gewoon’ prettig bescheiden is (gebleven) en ervoor kiest om vooral via zijn instrumentarium te spreken?

The Deminer

Als het wapengekletter allang is verstomd, etteren de meeste oorlogen onverminderd door. Ook als de wonden zijn gelikt en de doden beweend en begraven, herbergt het land vaak nog sporen van de strijd. Met een beetje pech zijn grote delen bezaaid met bommen, IED’s en landmijnen, de botste middelen om een oorlog in je voordeel te beslechten. Zeker als die oorlog wordt uitgevochten in het gebied waar je straks zelf hoopt te leven.

In The Deminer (82 min.) schetst de Iraakse jongeling Abdulla het bloedstollende relaas van zijn vader, de Koerdische officier Fakhir Berwari. Na de Amerikaanse inval van 2003 laat hij zijn vrouw en acht kinderen thuis achter om Irak te bevrijden van explosieven. Met een schaartje, knijptang en gevaar voor eigen leven doet hij zijn werk. Niet alleen de bommen en mijnen kunnen ‘crazy Fakhir’ de kop kosten, ook de lieden die deze hebben geplaatst azen op zijn vroegtijdige dood.

Via homevideo-beelden van de heroïsche militair, gefilmd door secondanten in de periode van 2003-2008, wordt in deze grimmige documentaire van Hogir Hirori het helse werk van de professionele mijnenruimer in beeld gebracht. Met diverse verpletterende ontploffingen en talloze slachtoffers en verwondingen tot gevolg. En dan, nadat het Amerikaanse leger zich heeft teruggetrokken uit Irak, valt Fakhirs geboortestad Mosul in handen van Islamitische Staat.

Inmiddels heeft zich met Shinwar Kamal een professionele cameraman bij de hoofdpersoon gevoegd, die van veel te dichtbij – over onzichtbare helden gesproken – Fakhirs gekkenwerk vastlegt. ‘Als het mislukt, ben ik de enige die sterft’, zegt de idealistische Irakees er zelf over. ‘Maar als het me lukt, kan ik heel wat levens redden.’ Deze film is een passend eerbetoon aan deze dappere man, die zijn leven stelselmatig in de waagschaal stelt.

Paris Is Burning

Janus Films

’Voguing is hetzelfde als twee messen tegen elkaar slijpen, maar dan in dansvorm.’ Voguen, later gepopulariseerd door Madonna, houdt weer verband met shade. ‘Dat is een dans door twee mensen die elkaar niet mogen. In plaats van vechten dans je het uit op de dansvloer. En diegene met de beste moves heeft de beste shade.’ Shade is op zijn beurt dan weer een vorm van reading, de kunstvorm van het beledigen. Zo kun je bijvoorbeeld tegen een ander zeggen: ‘Jij bent niet meer dan een uit de kluiten gewassen orang-oetan.’ Nog erger is echter wat onuitgesproken blijft: ik zeg niet dat je lelijk bent maar dat hoef ik ook niet te zeggen, want je weet dat je lelijk bent.

De wereld die in de documentaire Paris Is Burning (76 min.) uit 1990 wordt geportretteerd bestaat bij de gratie van codes, regels en competitie. Als buitenstaander heb je er niets te zoeken. Toch zou je kunnen betogen dat deze wereld zelf door louter buitenstaanders wordt bevolkt. In het New York van de jaren tachtig hebben homo’s, travestieten en transgenders, veelal afkomstig uit minderheidsgroeperingen, hun geheel eigen subcultuur ontwikkeld. Die wordt gekenmerkt door de zogenaamde ‘balls’, extravagante travestie-feesten waarbij allerlei huizen, met illustere namen als Saint Laurent, LaBeija en Ninja, voor het oog van een lekker vileine jury de strijd met elkaar aanbinden.

Het lijkt allemaal bedrieglijke oppervlakkig. Achter al dat uiterlijke vertoon gaan echter kwetsbare mensen schuil die al heel wat hobbels hebben moeten nemen in hun leven en nog de nodige obstakels op hun pad zullen treffen. De ballroom-scene biedt hen een veilige setting waarbinnen ze hun fantasie kunnen uitleven. Want uiteindelijk lijkt deze klassieke film van Jennie Livingston vooral te gaan over zelfacceptatie en zelfrespect. ’Ik heb drie dingen tegen’, zegt één van de hoofdpersonen nuchter. ‘Ik ben zwart, man en homo.’ Een ander, al even slecht bedeeld, houdt er heel traditionele toekomstdromen op na, over trouwen in het wit met de prins op het witte paard. Tot die tijd verricht het blonde tienermeisje van mannelijke origine, dat zich Venus Xtravaganza noemt, echter escortwerk en wacht ergens in een achterafsteegje het noodlot op haar. Want heeft elke klant door met wie hij te maken heeft?.

Deze documentaire, die werd bedolven onder de prijzen en in 2016 werd opgenomen in de National Film Registry van de Library Of Congress omdat-ie ‘culturally, historically, or aesthetically significant’ is, schildert op treffende wijze de flamboyante New Yorkse ‘drag queen’-cultuur van de jaren tachtig, waarbinnen allerlei veelkleurige paradijsvogels op hun eigen manier, soms met behulp van plastische chirurgie en geslachtsoperaties, hun eigen bereik verkennen en zichzelf proberen te vinden.

In de zomer van 2024 werd I’m Your Venus uitgebracht. In deze fijne nabrander van Paris Is Burning, gaan de broers van Venus Xtravaganza op zoek naar wat er is gebeurd met hun zus.

Fyre: The Greatest Party That Never Happened

Het had een soort Woodstock voor millennials moeten worden. Een zéér exclusief festival op Norman’s Cay, het voormalige eiland van drugsbaron Pablo Escobar op de Bahama’s, waar je een luxueuze villa kon huren, de beschikking zou krijgen over een eigen jacht of speedboot en he-le-maal uit je plaat kon gaan bij wereldberoemde artiesten als Major Lazer en Blink-182. En, o ja, je zou er zo’n beetje non-stop worden gefêteerd door topmodellen als Bella Hadid, Emily Ratajkowski en Rose Bertram.

‘We verkopen een droom aan gewone sukkels’, aldus organisator Billy McFarland, die nooit eerder een festival uit de grond had gestampt. De marketingcampagne voor het Fyre Festival, met al die modellen en de dikbetaalde steun van influencers als Kendall Jenner, was alvast een doorslaand succes. McFarland en zijn zakenpartner, hiphopper Ja Rule, zagen het al helemaal voor zich als ze samen het glas hieven: ‘Leven als filmsterren, feesten als rocksterren en… neuken als pornosterren.’

De snelle jongens hebben maar één probleem: nu moet er ook nog zoiets als een festival komen. Die klus wordt op zijn minst schromelijk onderschat (en is in het slechtste geval onderdeel van een serieus geval van list & bedrog). In de navolgende maanden voltrekt zich een organisatorische ramp, die tot een enorme anticlimax komt in het weekend dat het festival had moeten plaatsvinden. Chris Smith reconstrueert in Fyre: The Greatest Party That Never Happened (97 min.) met zowel medewerkers als festivalgangers hoe eerst een gigantische marketingzeepbel wordt gecreëerd, die vervolgens en plein publique uit elkaar spat.

‘Fyre was instagram dat tot leven kwam’, zegt Jillionaire, deejay van Major Lazer, erover. En daarmee is het festival meteen een uithangbord voor onze tijd, waarin imago regelmatig voor identiteit wordt versleten. Die attitude heeft Fyre eerst op de kaart gezet en vervolgens ten gronde gericht. Want toen het fiasco op de Bahama’s zich aftekende waren dezelfde influencers, die een enorme smak dollars hadden neergeteld om zich bij de happy few van het festival te voegen, er natuurlijk als de kippen bij om het evenement via de sociale media helemaal af te maken. En dat zorgde online natuurlijk weer voor het nodige leedvermaak.

Organisator Billy McFarland, die wordt beschuldigd van oplichting, komt zelf niet aan het woord in de Fyre-documentaire. Enkele dagen voordat de film afgelopen week werd uitgebracht door Netflix, pakte concurrent Hulu echter uit met een andere documentaire over hetzelfde thema (die ik overigens nog niet heb gezien): Fyre Fraud. En wie verschijnt daar wél voor de camera? Juist. De grote vraag daarbij: is McFarland betaald voor zijn bijdrage?

Of Fathers And Sons

‘Hij is geboren op de dag dat het World Trade Center viel’, aait de Syrische vader Abu zijn zoon Mohammad-Omar (vernoemd naar Mullah Omar, de leider van de Afghaanse Taliban) over zijn bol. ‘Op de dag van de aanval vroeg ik God om die dag te zegenen met een kind.’ Abu Osama wil dat filmmaker Talal Derki, die zich in de Noord-Syrische provincie Idlib voordoet als sympathisant van IS en Al-Qaida, ook met zijn andere kinderen kennismaakt. Ze dragen namen als Osama (een verwijzing naar Bin Laden, de voormalige leider van Al-Qaida) en Ayman (vernoemd naar al-Zawahiri, diens opvolger bij de terreurorganisatie) en worden klaargestoomd voor de jihad.

Abu, overtuigd lid van de al-Nusrah-brigade, is een echte gelover. In zijn auto galmt hij enthousiast mee met strijdliederen. ‘Gods volgelingen zullen jullie vermorzelen, hoe lang het ook duurt’, zingt hij de ‘beschermers van Israël’ Hezbollah vol overgave toe. ‘We verspillen ons bloed ruimhartig, want God geeft ons onze kracht.’ Naar zijn kinderen kan Abu, bij wie Derki twee jaar inwoont, liefdevol zijn. Maar hij schuwt de harde hand (en voet) ook niet.

Gaandeweg verlegt de documentairemaker de focus in Of Father And Sons (53 min.) van de volwassen strijder naar zijn opgroeiende kinderen. Naar zijn jongens, om precies te zijn. In de gehele documentaire is nauwelijks een meisje of vrouw te zien. Die doen er niet toe. Het zijn de jongens die de (wan)hoop van het kalifaat vertegenwoordigen. Zij krijgen al op jonge leeftijd een shariastudie en gedegen militaire training, waarin marcheren en de stormbaan natuurlijk niet ontbreken. Zodat ze klaar zijn voor het slagveld.

Talal Derki, die de verwording van Syrië eerder vastlegde in Return To Homs (2013), ziet het met lede ogen en zorgvuldig observerende camera aan. Met bespiegelende voice-overs beschrijft hij ondertussen hoe zijn thuisland, dat hij zelf ooit ontvluchtte ‘om te ontsnappen aan het onrecht en de dood’, een Gouden Eeuw heeft gegeven aan wat hij ‘het salafisten-jihadisme’ noemt. Het stemt de documentairemaker – en de kijker met hem – ronduit somber.

Stuk

VPRO

Met niet al te veel fantasie zou je van dit onderwerp, de patiënten van een revalidatiecentrum, relatief eenvoudig een tranentrekkende documentaire(serie) kunnen maken. Je kiest enkele aansprekende hoofdpersonen die in de komende tijd iets te winnen of verliezen hebben, stelt je vervolgens met de camera enige maanden verdekt op in hun leven en volgt simpelweg hoe het hen vergaat. Succes verzekerd. De moed of/der wanhoop van mensen die verpletterende tegenslag proberen te overwinnen en hun leven weer in handen hopen te krijgen laat niemand met enig gevoel in zijn donder onberoerd.

Met héél veel fantasie (en inlevingsvermogen en creativiteit en verteldrang en beeldend vermogen en joie de vivre en…) maak je van datzelfde onderwerp echter een vierdelige serie, waarmee het begrip documentaire verder wordt opgerekt – of op zijn minst heel eigenzinnig wordt geïnterpreteerd. Stuk (200 min.) is de naam, een levensschets in vier bedrijven van Jurjen Blick. Naar verluidt heeft de man, die eerder de serie De Hokjesman regisseerde, zich laten inspireren door speelfilms, dramaseries en romans. Daarmee zal hij beslist niet de eerste documentairemaker zijn, maar in dit specifieke geval heeft het geresulteerd in een unieke vertelling.

Niet voor niets wordt de ‘docuroman’ Stuk op primetime uitgezonden (en niet aan de randen van de nacht, zoals de meeste documentaires). Dit is een serie die op emotioneel niveau een groot publiek kan aanspreken – zoals bijvoorbeeld de televisieprogramma’s Over Mijn Lijk en Je Zal Het Maar Hebben doen – terwijl fijnproevers zich ongegeneerd kunnen verlustigen aan de literaire vertelvorm, het prachtige camerawerk en de gelaagde personages. Stuk is niets minder dan de Schuldig van 2019, de televisiehype voor Verantwoord Nederland van enkele jaren geleden.

Blick is een verteller met een geheel eigen stem. Letterlijk. Hij kruipt in het hoofd van zijn hoofdpersonen en maakt van hen onvergetelijke personages. De van oorsprong Amerikaanse man Paul bijvoorbeeld, die ’s nachts van de trap viel en na een bijzonder actief leven nu gedwongen pas op de plaats moet maken (terwijl zijn vrouw Suzanne nog een ongelofelijke berg andere sores krijgt te verwerken). Of de optimistische zestienjarige scholier Daan die moest leren leven met een spierziekte, maar nu wellicht tevens een dwarslaesie heeft opgelopen. In het centrum sluit hij vriendschap met de bejaarde vliegeraar Jan.

Ook de begeleiders van de patiënten van het revalidatiecentrum van Heliomare in Wijk aan Zee spreken tot de verbeelding. Zo strijdt de stoere wondverpleegkundige Monique op haar werk bijvoorbeeld onversaagd tegen decubitus bij haar ‘revalidanten’, terwijl ze thuis tegen zwaarmoedigheid vecht. Niet alleen bij zichzelf overigens. Blick, gevoed door researcher/interviewer Soraya Pol, keert hen liefdevol binnenstebuiten in deze prachtige momentopname van een parallelle wereld, die met de fraaie titelsequentie van Erwin Olaf en aangrijpende projecties op de muren van het revalidatiecentrum, met beelden uit de vorige levens van de patiënten, helemaal wordt vervolmaakt.

Stuk is werkelijk te mooi om waar te zijn. Bijna dan.

De vier afleveringen van Stuk zijn hier te bekijken op 2doc.nl.

John & Yoko: Above Us Only Sky

Hoeveel documentaires zitten er in één enkel mensenleven? Willekeurig voorbeeld: Lennon, J.W. Geboren op 9 oktober 1940 in Liverpool, Engeland. Zanger, gitarist, acteur en – vooruit – liedjesschrijver. Gestorven op veertigjarige leeftijd op 8 december 1980 te New York, Verenigde Staten. Laten we eens kijken…

The Beatles: Destination Hamburg concentreert zich op de Duitse puberjaren van zijn popgroepje, The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years brengt daarna de eerste succesjaren in beeld en How The Beatles Changed The World buigt zich over de invloed die dat gezelschap zou hebben gehad. Zo ongeveer elke langspeler van deze muzikanten kreeg natuurlijk eveneens een eigen documentaire: Rubber SoulRevolverThe White Album en – natuurlijk! – Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Zelfs de trouwe secretaresse van de groep, Good Ol’ Freda, werd tot heldin van haar eigen film gebombardeerd.

Na het verscheiden van zijn band leefde Lennon, J.W. overigens nog even door. Zijn periode in New Yorkactiviteiten als anti-oorlogsactivistde moordaanslag die hem het leven kostte en ’s mans allerlaatste interview zijn allemaal geboekstaafd voor de eeuwigheid. Voor de zekerheid verschenen er ook biografieën zoals Imagine over de man die anders, natuurlijk, al lang en breed vergeten zou zijn. U begrijpt dat dit bepaald geen uitputtend overzicht is. Hooguit een zeer willekeurige selectie. Één aspect verdiende in elk geval nog verdere uitwerking volgens regisseur Michael Epstein, die in 2011 al LennoNYC maakte: de totstandkoming van het soloalbum Imagine uit 1971 en de samenwerking met Lennons toenmalige echtgenote. Het resultaat luistert naar de naam John & Yoko: Above Us Only Sky (88 min.).

Met direct betrokkenen en Ono, Y. zelf worden de opnames in Lennons thuisstudio op Tittenhurst Park, onder leiding van producer Spector, H.P., gereconstrueerd, met bijzondere aandacht voor dat liedje over die jaloerse vent, het inmiddels best wel bekende titelnummer en een later uitgebracht klassiek kerstliedje. De invloed van zijn Japanse echtgenote mag daarbij niet worden onderschat, betogen diverse intimi die het wel eens zouden kunnen weten. Dat wordt ook zichtbaar. Het gehele proces is door een alerte cameraploeg en fotograaf vastgelegd. Als Lennon, J.W. een scheet zou hebben gelaten – wat bij een man van zijn kaliber nauwelijks is voor te stellen – dan was die beslist voor het nageslacht vastgelegd.

Zo is ook in beeld gevangen hoe Lennon, J.W. uitgebreid in gesprek gaat met een door hem geobsedeerde Vietnam-veteraan met PTSS, die plotseling aan de poort van zijn landgoed op het Britse platteland staat. ‘Verwar de songs niet met je eigen leven’, houdt Lennon hem voor. Deze Claudio laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan: ‘Weet je nog dat je schreef: je kunt uitstralen en penetreren wat je wilt? Syndiceren wat je wilt.’ J.W. blijft nuchter: ‘Toen speelde ik wat met woorden.’ Sterker: het was Ono, Y. die ooit met de termen ‘radiate’ en ‘syndicate’ op de proppen kwam. De verwarde jongen mag naderhand echter gewoon mee-eten in huize Lennon. De innemende scène tekent het oog voor detail waarmee ook dit tamelijk belangwekkende hoofdstuk uit J.W. Lennons bestaan, en daarmee ook de wereldwijde popgeschiedenis, nu is gedocumenteerd.

Hoeveel documentaires zouden er overigens gaan in de mensenlevens van pak ’m beet J.F. KennedyC.M. Clay of E.A. Presley?

The Mother Of Beauty

Voordat ze hét sekssymbool van de twintigste eeuw werd, Andy Warhol haar beeltenis gebruikte voor een befaamde popart-serie en Marlene Dumas vervolgens van het icoon weer een kwetsbaar mens maakte in het ontluisterende schilderij Dead Marilyn, was Marilyn Monroe zomaar een ontheemd 19-jarige meisje dat roem en succes zocht. Op 2 augustus 1945 meldde ze zich bij het Blue Book Modeling Agency, een modellenbureau uit Hollywood dat ook de ‘blonde bombshell’ Jayne Mansfield zou voortbrengen.

‘Dougherty, Norma Jeane. Getrouwd’, noteerde eigenaresse Emmeline Snively over het toekomstige idool in haar Models Bluebook. ‘1,71 meter, 54 kilo, 91-61-86 cm, maat 42.’ Het aspirant-model betaalde Blue Book 25 dollar als inschrijfgeld, een flinke som geld in die tijd. ‘Ze droeg geen make-up, maar had een goede huid, mooie ogen en een mooi gebit. Zo zag ze eruit: haar haar was moeilijk in bedwang te houden. Haar gezicht wat te rond, maar ze zag er wel gezond uit. Opmerking: blonderen en permanenten aanbevolen.’

De tragische schoonheid Monroe is van een zekere afstand permanent aanwezig in documentaire The Mother Of Beauty (60 min.). Als de onbereikbare schoonheid die ze gaandeweg werd. Óók voor – en tot grote frustratie van – haar voormalige mentor Emmeline Snively. Deze film van Frank van Osch portretteert enkele andere Blue Book-glamourgirls van weleer, inmiddels dames van respectabele leeftijd. Ze zien er ‘voor hun leeftijd’ nog goed uit, constateren ze zelf. En dat willen ze weten ook.

Alles was gebaseerd op uiterlijk, zegt één van de mannelijke modellen uit de documentaire over de glamourwereld waarin hij opgroeide. ‘Als ik dik, klein en lelijk zou zijn geweest, had je me nu niet gefilmd.’ De man is inmiddels 86 en doet er alles aan om ‘handsome’ te blijven. ‘Mijn doel is om op mijn honderdste verjaardag nog steeds gewichten te heffen. Zou dat niet geweldig zijn?’ Hij herhaalt het, alsof hij opnieuw verrukt wordt door het idee, nog maar eens: ‘zou dat niet geweldig zijn?’

De wijsheid dat de werkelijke schoonheid toch echt van binnen zit komt dus niet per definitie met de jaren. Intussen schetst deze fraaie film met verve een wereld die bestaat bij de gratie van uiterlijk vertoon én de vergankelijkheid van schoonheid – van het leven in het algemeen.

Boom For Real: The Late Teenage Years of Jean-Michel Basquiat

Op weg naar een expositie moest je bij wijze van spreken over de lijken heen stappen. Intussen behandelde de kunst in de galerie die je daarna bezocht dan onderwerpen uit een wereld die je volledig wezensvreemd voorkwam. De politieke situatie in een Midden-Amerikaans land. Of de beslommeringen van mensen van middelbare leeftijd.

Het is een herkenbaar beeld dat één van de sprekers in Boom For Real: The Late Teenage Years Of Jean-Michel Basquiat (75 min.) oproept: de kunst van de gevestigde orde representeert op geen enkele manier meer de wereld waarin de volgende generatie leeft en jaagt daarmee automatisch een nieuwe kunststroming aan. Omdat ouwe lullen nu eenmaal weg moeten.

Deze documentaire van Sara Driver zoomt in op het New York van de jaren zeventig, dat met enorme hoeveelheden drugsgebruikers, daklozen en moorden nieuwe dimensies gaf aan het begrip stedelijk verval. De stad zou een ideale voedingsbodem blijken voor punkrock en de bakermat worden voor hiphop, met aanverwante uitingsvormen als breakdance en graffiti.

Binnen die laatste stijlvorm zou ook de neo-expressionistische kunstenaar Basquiat opkomen, dan nog als onderdeel van het duo SAMO, een verwijzing naar ‘same old shit’. Met zijn enigmatische straatpoëzie zou hij zich gaandeweg ontwikkelen tot één van de toonaangevende kunstenaars van het einde van de twintigste eeuw. Voordat heroïne hem definitief in zijn greep zou krijgen…

Deze film concentreert zich evenwel op de jaren dat Basquiat als een getalenteerde krabbelaar op zoek was naar zijn ideale uitingsvorm. Nog meer is het echter een documentaire over de underground-scene waarbinnen hij opgroeide. Filmmaker Jim Jarmusch, kunstenaar/hiphopper Fab 5 Freddy en talloze andere insiders belichten de wereld waarin zij hun stiel vonden.

De kunstenaar waaraan deze documentaire is opgehangen delft daarbij het onderspit. Jean-Michel Basquiat is na vijf kwartier nog altijd een vreemde voor de kijker. En ook zijn kunst en biotoop hebben geen nieuwe dimensie gekregen. Dat is al met al een teleurstellende conclusie. Boom For Real is daardoor vooral interessant voor mensen die sowieso al interesse hadden in de New Yorkse artscene.

The Family I Had

The Thin Blue Line, Paradise Lost, The Staircase, Making A Murderer en The Jinx behoren inmiddels tot het lexicon van de rechtgeaarde true crime-liefhebber. Met nieuwe loten aan de boom als Casting JonBenét en Mommy Dead And Dearest.

Anderhalf jaar geleden ontdekte ik een werkelijk fascinerende documentaire, die beslist niet in dit rijtje mag ontbreken. Het is een film die, als je het mij vraagt, schromelijk wordt onderschat. The Family I Had (73 min.) vertelt het tragische relaas van de alleenstaande moeder Charity uit Texas, die in 2007 een ronduit verwoestend telefoontje krijgt. Ella, haar dochtertje van vier, blijkt te zijn vermoord. De dader? Haar dertienjarige zoon Paris.

De gewelddadige dood van Ella vormt het startpunt van een troosteloos verhaal, dat als een virtuoze thriller wordt verteld. Elke keer als je denkt dat je de bodem van deze familietragedie hebt bereikt en het vervolg nu wel kunt uittekenen, sturen de co-regisseurs Katie Green en Carlye Rubin je een andere richting in en blijkt die bodem slechts een valluik naar een nieuwe laag misère.

Zo geeft The Family I Had je elke tien minuten een gigantische klap voor je kanis. Na bijna vijf kwartier zoek je bont en blauw, en met een niet meer zo gerust hart, je eigen veilige leventje weer op. Familieleden, zoveel is duidelijk, die heb je inderdaad niet voor het uitkiezen.

Transformer

Hij was een gestaalde marinier, werd een succesvolle bodybuilder en ontwikkelde zich ook nog eens tot één van de beste powerlifters van de wereld. Op en top man. Matt Kroczaleski, een spierbundel van jewelste. Kortweg: Kroc. Van jongs af aan wilde hij maar twee dingen: sterk zijn én vrouw zijn.

Dat is best lastig. Zeker als je ook vader bent van drie opgroeiende jongens. Zijn lijf brengt tevens zijn eigen dilemma’s met zich mee. Janae, de nieuwe naam van Kroczaleski, kan zichzelf niet voorstellen als een zeer gespierde vrouw. Als man zou hij echter niet met een ander lichaam kunnen leven.

Het kolossale lijf waarin hij altijd veilig heeft kunnen schuilen belet hem nu om zich door te ontwikkelen. Het uitgangspunt voor de documentaire Transformer (79 min.) is echter spannender dan de uitwerking ervan. Want die is typisch Amerikaans. Behalve zijn ouders is iedereen zo enthousiast over Krocs transitie dat het ongeloofwaardig wordt.

Alsof Kroczaleski zich permanent in een soort plastic realiteit bevindt, waarin al het ongemak bij hemzelf zit en vrijwel alle anderen (voor de camera) alleen maar ondersteunende woorden voor hem hebben. De hoofdpersoon praat de twijfel en onzekerheid dapper van zich af, maar regisseur Michael Del Monte had nadrukkelijker voorbij het sociaal wenselijke gedrag moeten kijken.

Hoewel Janaes achtergrond (white trash), persoonlijk leven (‘transgender dad’), leefomgeving (de powerliftwereld) en ingrijpende keuzes (het ziekenhuis) ogenschijnlijk aanknopingspunten bieden voor een moverende film die wel degelijk wringt, wil Transformer dus nooit meer worden dan het gemiddelde inspirerende Hollywood-drama. Real life, dat wel.

Van Verlies Kun Je Niet Betalen

KRO-NCRV

‘Het is maar stilletjes hier in de straat, hè?’ zegt Adrie Trimpe, vanachter de toonbank van zijn Vlissingse groentewinkel, in de openingsscène van de documentaire Van Verlies Kun Je Niet Betalen (63 min.) uit 2018. ‘Dat is achteruitgegaan, hoor, in vergelijking met vroeger.’ Terwijl Adrie met vaste klant Paul keuvelt, duwt zijn vrouw Francien met onvaste hand enkele boontjes door een snijmachine. ‘Twee stuntelaars, hoor’, zegt ze. Als haar echtgenoot de snijboontjes vervolgens verkoopt, begint zij alvast aardappelen te jassen voor hun eigen maaltijd. Hollandse pot, natuurlijk.

Het echtpaar Trimpe is dik in de tachtig en runt al meer dan een halve eeuw een winkel in de binnenstad van Vlissingen. Dat wordt door hun eigen broze gezondheid steeds moeilijker. Het businessmodel van de Trimpes is sowieso al jaren, decennia misschien wel, over de datum, maar wordt met aandoenlijk kunst- en vliegwerk, en de dagelijkse hulp van Adries jongere zus Ada, ternauwernood overeind gehouden. Nu wil Ada er alleen voor drie maanden tussenuit, naar de camping in Frankrijk, en blijven haar broer en diens echtgenote, beiden slecht ter been, alleen achter in hun winkel.

Daarmee komt het relatieve evenwicht in deze fijne kleine film van Helge Prinsen en John Albert Jansen op de tocht te staan. Ondanks hun voorbeeldige arbeidsethos redden de echtelieden Trimpe, de verpersoonlijking van het Zeeuwse cliché ‘ons bin zuunig’, het eigenlijk niet meer. Stoppen blijft echter een brug te ver. ‘Ik kan niet zonder’, bekent Adrie op een kwetsbaar moment. Hij ziet geen andere optie dan sterven in het harnas. Dat heeft iets tragisch – een man die de lenigheid van geest mist om zichzelf los van zijn zaak te zien – maar is tegelijkertijd ontroerend. Met die groentezaak, zo realiseert Trimpe zich, gaat hij. Dat moment kun je dus alleen maar zo lang mogelijk uitstellen.

Vrienten & Vrienten In Basmannen

Doxy

Henny ontvangt zijn zoon. Xander heeft een nieuwe bas meegebracht. Vader speelt het kenmerkende basloopje van Doris Day en constateert: ‘Ik mis bas.’ Hij probeert nog een stukje. Pesterig: ‘Nou, dan ga ik even een bas pakken.’ Even later, als Henny zijn eigen instrument bespeelt: ‘Hoor je hem? Dit is bas.’ Nu is het de beurt aan Xander om te stangen. ‘Dat is toch totaal over de top’, zegt hij tegen zijn vader. ‘Jij doet alsof het daarom gaat.’ Henny legt het nog één keer uit: ‘B.A.S.’ Hij laat een stilte vallen: ‘Bas.’

Ze lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan, vader en zoon Vrienten. Kort door de bocht: Henny is van het gevoel, Xander van de techniek. Wat hen bindt is dat ene snaarinstrument. Vader werd er met Doe Maar een Nederlandse wereldster mee, zoon speelt de exemplarische dienende rol bij Jett Rebel. Want dat kleeft er aan de door hen zo geliefde basgitaar: hij wordt bespeeld door waterdragers, kleurloze types die nu eenmaal niets anders kunnen. Zoals je alleen keeper wordt als je niet kunt voetballen, gelden bassisten als mislukte gitaristen.

De delicieuze documentaire Vrienten & Vrienten In: Basmannen (54 min.), waarin Henny en Xander collega-bassisten zoals Rinus Gerritsen (Golden Earring; men neme bijvoorbeeld de signatuur-baslijn van Radar Love), Herman Deinum (Cuby And The Blizzards), Michel van Schie (Trijntje Oosterhuis), Glen Gaddum Jr. (Anouk), Gino Cochise (Sarah-Jane) en Hein Offermans (Guus Meeuwis) en zijn dochter Jasja (India Askin) bezoeken en met hen spreken over het vak, bewijst het tegendeel. Dit zijn rasmuzikanten. Als kinderen in een zéér exclusieve snoepwinkel bewonderen ze elkaars instrumenten. Soms mogen ze het zelfs vasthouden en eventjes bespelen.

Hoewel ze zich wel eens verliezen in name dropping en vakjargon is de liefde en trots (t-shirt: ‘like most musicians you’re following the bass player’) waarmee deze bassisten van verschillende muziekgeneraties over hun stiel vertellen onweerstaanbaar. Net als de blikken die ze in deze film van Joris Postema uitwisselen tijdens het samen spelen – of de irritatie als dat niet helemaal lekker loopt. Vakmanschap is meesterschap, vat Henny Vrienten, die de afgelopen jaren al in diverse fijne muziekdocumentaires floreerde, het gloedvol samen. Geschraagd door pure liefde voor het vak.

Deze muziekfilm, die thematisch een vervolg lijkt op de documentaire Gitaarjongens van Erik de Bruyn uit 2013, heeft in de wisselwerking tussen vader en zoon Vrienten een sterke troef. Xander had vroeger last van een soort Jordi Cruijff-complex, waardoor hij zich aanvankelijk puur op gitaar richtte. Niet vreemd: zijn vader geldt als één van Neerlands toonaangevende bassisten. Tot overmaat van ramp schreef hij ook nog eens de enorme hit Pa. De puber Xander speelde een bij voorbaat verloren wedstrijd. ‘Kap nou eens met die dad-issues en pak die bas aan’, beet een vriend hem uiteindelijk toe. En zo geschiedde.

Nu kan zoon zich als bassist moeiteloos meten met vader. Al zijn de verschillen gebleven. Als Xander aan Henny een jazzimprovisatie van een bassist en drummer laat luisteren, vraagt die na enige bedenktijd: ‘zouden ze elkaar horen?’ Ook voor zijn zoon heeft pa Vrienten nog wel wat vaderlijk advies: Xander moet gewoon de ‘noodzakelijke basnoten’ spelen, in plaats van ‘snarenfietsen’. En zo steggelen deze gezworen Basmannen vrolijk verder. Met elkaar, hun instrument (de b.a.s.) én de kijker, die onbedaarlijk zit te smullen.

De Beveiligers

KRO-NCRV

Alert kijkt hij in het rond, voortdurend op zijn hoede. Om hem heen is het feestgedruis losgebarsten, maar voor Jory Brenders is het een gewone werkdag. Tot dusver is er nog nooit iets mis gegaan tijdens de Gay Pride in Amsterdam, maar de evenementen- en winkelbeveiliger houdt voortdurend rekening met een terroristische aanslag. ‘Ik heb zelf geen angst dat mij iets overkomt’, zegt hij. Brenders is volgens eigen zeggen alleen maar bezig met de veiligheid voor de bezoekers. ‘Om het zomaar eens te zeggen: je leven geven ervoor.’ Hij moet er zelf een beetje om lachen.

‘Je grootste wapen is je mond,’ stelt hij later. ‘En daar moeten we het mee doen.’ Toch treedt Brenders ook regelmatig handelend op, zoals is te zien bij de aanhouding van een winkeldief. ‘Ik hoop dat jij een kogel krijgt’, voegt die een opgetrommelde politieagent toe. ‘Een kogel in je kwibus.’ Ook de beveiliger zelf krijgt het soms zwaar te verduren, getuige bewakingscamerabeelden van een stevige worsteling met de klant van een supermarkt. De observerende documentaire De Beveiligers (67 min.) van Anneloek Sollart kijkt voortdurend stiekem mee op gewone werkdagen van veiligheidsmedewerkers.

Bij de Rotterdamse metro zijn ze bijvoorbeeld continu verdachte personen op het spoor. ‘Letten wij op mensen met baarden?’, vraagt een beveiliger demonstratief aan zijn collega. ‘Niet specifiek’, antwoordt deze. Dan kunnen ze ook wel op mensen met rood haar letten. Een terrorist kun je toch niet herkennen. Elke aanslag is anders. Zoals ook niet elke ‘spoorloper’ een doodloper wordt. Diezelfde filosofie wordt aangehangen door John de Nooijer, security manager van de kerncentrale Borssele. Hij verafschuwt de Amerikaanse aanpak, waarbij elke beveiliger is uitgerust met een wapen – dat hij/zij vroeger of later dan ook gaat gebruiken.

Persoonsbeveiliger Michael (achternaam onbekend) is echter wel degelijk bewapend. In opdracht van de Nederlandse overheid waakt hij over landgenoten, die wellicht doelwit zouden kunnen worden van een aanslag. Sollart volgt hem tijdens een publiek optreden van PVV-leider Geert Wilders. De scène heeft een hoog Frank Horrigan-gehalte. De lijfwacht uit de film In The Line Of Fire, vertolkt door Clint Eastwood, kon ooit ‘zijn’ president niet redden, een traumatische gebeurtenis die de lijfwacht nog dagelijks achtervolgt. Nederlandse persoonsbeveiligers hebben hun eigen trauma: de moord op Pim Fortuyn. Sindsdien ziet de wereld er totaal anders uit; een politicus taarten zou zomaar de eerste stap kunnen zijn naar een geslaagde liquidatie.

Zo neemt Sollart de kijker mee in de leef- en belevingswereld van Nederlandse beveiligers. Ze doet daarbij alom bekende plekken en activiteiten aan, die door de context waarbinnen ze worden getoond een totaal andere lading krijgen. Het volksfeest wordt een potentieel terroristisch doelwit, een willekeurige winkel de plek voor diefstal of een vechtpartij. Het zit allemaal in de blik waarmee je ernaar kijkt. Zo kan zelfs een licht uitdagende man met een joint, althans in de ogen van een beveiliger in opleiding, een mogelijke bedreiging vormen. De intrigerende film De Beveiligers, waarbij de camera vaak het perspectief van de hoofdpersonen kiest en de beelden extra kleur krijgen met een spannende mixture van geluid en muziek, maakt een essentieel beroep inzichtelijk, dat in een betere wereld overbodig zou zijn.

Missing Allen

Samen maakten ze zeven films. In 2001 zag de Duitse documentairemaker Christian Bauer zich echter genoodzaakt om een film te maken óver zijn Amerikaanse cameraman Allen Ross. Die was ruim vijf jaar eerder, eind 1995, plotseling van de aardbodem verdwenen.

Enkele jaren daarvoor had de zoeker Allen een mysterieuze nieuwe liefde opgedaan, ene Linda Greene (of Jennifer of Genevieve of…), en was hij van zijn geliefde geboortestad Chicago naar Oklahoma verhuisd. Van daaruit stuurde hij de Duitse regisseur ansichtkaarten met tot nadenken stemmende teksten als: ‘I seized the opportunity to seek answers for questions I had not been able to ask’. Of: ‘The masters will shut you up in a pen with others. Then it will be up to you to find a house to enter.’

Na Allens vertrek uit Chicago hadden ze nog een paar keer samen gedraaid, één keer zelfs met diens echtgenote erbij. Tijdens het filmen van een documentaire over de Mississippi-rivier in New Orleans had deze Linda erg opzichtig voor Allens camera gedanst, waarna haar echtgenoot, ogenschijnlijk gegeneerd, zich snel op andere activiteiten had geconcentreerd. Die gezamenlijke draaidag bleek achteraf de laatste keer dat Christian zijn vriend zou zien. Niet lang daarna was Ross weg. Voorgoed, zo leek het.

In Missing Allen (91 min.) probeert Christian Bauer, ondersteund door Allens tweelingbroer Brad, hoogbejaarde vader Laurids en vriendenkring, klaarheid te brengen in de raadselachtige verdwijningszaak. De film is gestructureerd als een zoektocht naar de waarheid. Naar wat er precies is gebeurd met Allen, maar zeker ook naar zijn enigmatische vrouw Linda, die ooit als verpleegster werkte in een hospice, maar liefst vijfmaal eerder getrouwd blijkt te zijn geweest en een eigen religieuze beweging, The Samaritan Foundation, schijnt te leiden.

In de documentaire schakelt Bauer soepel tussen zijn eigen herinneringen aan de cameraman Allen Ross, die daarmee opnieuw tot leven komt, en nieuwe ontwikkelingen in diens zaak, die hem steeds dieper het schaduwleven van zijn vermiste vriend insturen en tegelijkertijd langs enkele schokkende gebeurtenissen in het Amerika van de jaren negentig leiden. Het is een fascinerende tocht, niet voor niets diverse malen in de prijzen gevallen, die stelselmatig weigert om een hijgerige dertien-in-een-dozijn true crime-docu te worden.

Searching For Allen van NBC’s Dateline daarentegen is een typisch Amerikaanse crimestory. De aalgladde reportage uit 2005 geeft wel extra context bij Missing Allen en belicht bovendien wat er na het afronden van Christian Bauers documentaire nog duidelijk is geworden over het lot van Allen Ross. Te bekijken na de documentaire dus.