‘Mirte is eigenlijk mijn grote zus’, zegt Shanna (10). ‘Maar het voelt soms als mijn kleinere zus.’ De dertienjarige Mirte heeft het syndroom van Down. En dat begint steeds beter voelbaar te worden. Waar de twee zussen tot dusver grotendeels gelijk opgingen, begint er nu afstand te ontstaan. Shanna denkt soms aan haar toekomst, Mirte leeft volledig in het hier en nu.
Op Ons Eiland (15 min.), een idyllische plek waar ze vakantie vieren, kunnen de twee meiden nog volledig zichzelf zijn. Ze stoeien, vangen vlinders en maken een kampvuur. Filmmaakster Lennah Koster slaat de twee van dichtbij gade. De fraaie omgeving dient intussen als verbeelding van wat een onbekommerde jeugd lijkt te zijn geweest. Totdat Shanna Mirte letterlijk achter zich laat en een moment voor zichzelf wil hebben…
De interactie tussen de twee zussen vormt het hart van deze kleine coming of age-docu, die verder geen interviews of andere personages bevat. Twee meisjes, nu nog samen. Waarbij Shanna, offscreen, hardop nadenkt over wat het leven voor hen in petto heeft. Zo slaagt Koster erin om echt door te dringen tot de belevingswereld van de zussen, die met dromerige muziek bovendien van een nostalgisch tintje wordt voorzien.
Van een jeugd die nooit voorbij gaat – en straks toch voorbij zal blijken te zijn.
‘Mogen we voor je gaat zitten even het achterwerk van het jaar zien?’, vraagt talkshowhost Russell Harty aan zijn gast Suzi Quatro. De Amerikaanse zangeres/bassiste draait zich inderdaad om in haar spijkerbroek, waarna de gastheer haar een ferme tik op de billen geeft. Zijn publiek moet er smakelijk om lachen.
Nee, in de jaren zeventig was het bepaald niet vanzelfsprekend dat je als vrouw serieus werd genomen in de popbusiness en seksisme was werkelijk overal. De hoofdpersoon van Suzi Q (75 min.), type stoere rockchick, kreeg er constant mee te maken. Kerels namen haar niet serieus of beschouwden haar vooral als ‘eye candy’.
Als een echte wegbereider speelde Quatro in de jaren zestig in één van de eerste meidenbands: The Pleasure Seekers, samen met haar zussen Patti en Arlene (met wie ze tegenwoordig een moeizame relatie heeft). Daarna volgde een succesvolle solocarrière. Met een flinke stroom hits, zoals Can The Can, If You Can’t Give Me Love en Stumblin’ In, een duet met Smokie-zanger Chris Norman.
En altijd weer moest ze zich, getuige deze degelijke biografie van Liam Firmager, verantwoorden voor het feit dat ze geen man was. Met die worsteling heeft Quatro wel het plat geplaveid voor vrouwen in de rock & roll, stellen prominente navolgers als Deborah Harry (Blondie), Joan Jett (The Runaways) en Kathy Valentine (The Go-Go’s).
In die invalshoek zit ook de voornaamste meerwaarde van deze tv-docu, die verder trouw het vaste stramien van popdocu’s volgt en netjes chronologisch Quatro’s loopbaan doorloopt met de zangeres zelf, intimi en collega’s.
Vanuit de architectuur wil Arna Mackic de sociale cohesie bevorderen. In dat opzicht kan haar huidige thuisbasis Amsterdam, volgens haar een gesegregeerde gemeenschap, nog wel wat leren van de stad waar ze werd geboren: Mostar in Bosnië-Herzegovina. Mackic was vier toen er in 1992 oorlog uitbrak in het voormalig Joegoslavië. Een jaar later moest ze vluchten. Ze zou uiteindelijk in Zoetermeer terecht komen.
Intussen werd in haar geboorteland het idee van een inclusieve stad aan flarden geschoten: de oude brug, van waar stadsbewoners vroeger de Neretva-rivier indoken. Het was niets minder dan ‘een aanval op de multi-etniciteit van de stad’, aldus Mackic. De ziel moest kapot. In het huidige Mostar heeft ze nu plannen voor een duikmonument, waarmee het oude ritueel nieuw leven kan worden ingeblazen. ‘De meest logische manier om mensen weer met elkaar in contact te brengen.’
Nu is er juist op die plek echter een Kroatisch nationaal theater verrezen, een symbool van alles wat ze wil bestrijden. En dus zal Arna vooral in Nederland bruggen moeten bouwen. Letterlijk. In Groningen bijvoorbeeld, waar ze meedingt naar een prestigieuze opdracht. Deze documentaire van Frederick Mansell en Laurens Samsom kijkt mee Door De Ogen Van Arna: Architect Van Verbinding (55 min.) en laat zien wat zij (voor haar geestesoog) ziet.
Dan worden de tralies van de allang gesloten Bijlmerbajes in Amsterdam, waar de ambitieuze architecte kantoor houdt, bijvoorbeeld ineens veel meer dan een geprononceerd stukje stadsgeschiedenis. Zeker als je bedenkt dat de voormalige gevangeniscellen duidelijk zichtbaar zijn voor de bewoners van een nabijgelegen asielzoekerscentrum. Welke boodschap geef je nieuwkomers in Nederland op deze manier mee?
Mansell en Samsom volgen Mackic terwijl ze stedenbouwkundige plannen ontwikkelt, steden in Nederland en Bosnië bezoekt en op allerlei plekken lezingen geeft. Dat levert zeker interessante observaties op, maar maakt de film ook wel wat praterig. Waarbij het aansprekende persoonlijke verhaal van hun protagoniste bovendien tamelijk rationeel wordt afgehandeld. Haar persoonlijk leven blijft sowieso grotendeels buiten beeld. Door De Ogen Van Arna wordt daardoor een portret, dat vooral aan het hoofd appelleert en slechts een enkele keer het hart beroert.
Ahmad Osman was pas twee toen hij afscheid moest nemen van zijn moeder. Het Syrische jongetje werd geboren met Spina Bifida, een open rug, en zou daardoor altijd aangewezen blijven op een rolstoel. Samen met zijn oudere broer Falamaz en hun vader Kameran vertrok hij daarom naar Europa, op zoek naar passende zorg. Er was onvoldoende geld om ook moeder Khadija en een andere broer en zus mee te nemen. Zij bleven onderweg, in Irak, achter.
De Osmans vestigen zich in Giubiasco, een plaatsje in het Zuid-Zwitserse kanton Ticino, en bouwen daar al snel een uitgebreid sociaal netwerk op. En dan, als ze zich echt hebben gesetteld en het leven hen weer lijkt toe te lachen, komt er een onheilstijding, tevens het startpunt van Ma Quando Arriva La Mamma? (65 min.): vader Osman en zijn beide zoons moeten Zwitserland verlaten. Terug naar Duitsland, het land waar de Osmans zich het eerst als vluchteling hebben gemeld.
Vanuit een asielzoekerscentrum in Baden-Württemberg blijft Ahmad in contact met zijn nieuwe vaderland (?). Z’n oude klasgenootjes bellen ook regelmatig om te vragen hoe het de jongens vergaat in Duitsland. Heeft in de tussentijd nog iemand een tand verloren? wil Ahmad op zijn beurt weten. Tegelijkertijd is er op de achtergrond altijd die vraag, die al het andere eigenlijk onbelangrijk maakt: wanneer komt mama? Ofwel: wanneer kan het gezin eindelijk worden herenigd?
Filmmaker Stefano Ferrari legt van dichtbij vast hoe zijn eigen partner Deborah en enkele vrienden zich ontfermen over de ontheemde Syrische man en zijn twee zoons. Als Ahmad mag worden geopereerd, is de kans groot dat hij ooit zal kunnen lopen. Die kans mogen ze niet laten lopen. Maar kun je een kind zo’n operatie laten ondergaan zónder dat zijn moeder (die haar zoon al jaren alleen van het telefoonscherm kent) daarbij aanwezig is?
De vraag of dit Syrische gezin, uit elkaar gedreven door het noodlot en uit elkaar gehouden door Europese wetten en regels, te langen leste tóch nog bijeen kan worden gebracht stuwt deze fijne Gutmenschfilm, die werd beloond met een Prix Europa, naar een aangrijpende apotheose.
Opa Koos woont driehoog, in een mooie ruime flat met een fijn ‘groen’ uitzicht. Binnenkort gaat hij echter even verderop wonen. Niet in een aanleunwoning of bejaardentehuis. Maar in de tuin. Bij zijn zoon Marco en diens gezin.
‘Is hij er slecht aan toe?’ wil interviewer Frans Bromet weten. ‘Nog niet’, antwoordt Marco lachend. Schoondochter Anita vult aan: ‘Hij is achtentachtig en hij is eigenlijk hartstikke goed.’ Bromet: ‘Gaat dat jullie niet heel veel tijd kosten?’ ‘Zwaaien?’ antwoordt Anita gevat. ‘Nee, dat valt wel mee, denken wij.’
Voorlopig lijkt zwaaien genoeg, maar de familie Korevaar realiseert zich terdege dat ze in werkelijkheid kiest voor een mantelzorg-constructie. In een ontspannen sfeer gaan ze een woning voor Vader In De Tuin (53 min.) aanschaffen. Die stelt zich ogenschijnlijk uiterst schappelijk op. Koos beseft tegelijkertijd: ‘Ik ben afhankelijk van iedereen.’
‘Dit is de laatste reis die ik maak’, zegt hij tijdens de daadwerkelijke verhuizing. ‘En de volgende reis, daar hoef ik me niet mee te bemoeien.’ Terwijl de nieuwe woning zijn beslag krijgt en opa Koos zich daar probeert te settelen, stelt Bromet hem zijn inmiddels welbekende impertinente vragen over verleden, heden én toekomst.
Intussen volgt hij gedurende enkele jaren hoe de man aardt in zijn steeds kleiner wordende wereld en langzaam maar zeker afscheid moet nemen van het leven dat hij ooit had. ‘Afvoeren’, noemt hij dat zelf. Hij zit gewoon te wachten. ‘Waarop zit u dan te wachten?’ vraagt Bromet naar de bekende weg. ‘Op die man met die zeis.’
Toch wordt deze tv-film geen moment topzwaar en verdient die ook weer moeiteloos het Bromet-vignet: dicht op de mens, ongepolijst en nooit sentimenteel. En Frans, zelf inmiddels ook 75 jaar oud, heeft blijkbaar nog altijd een onstilbare honger naar nieuwe verhalen en blijft dus gewoon stug doorgaan met veelfilmen. Híj gaat zelf in elk geval níet zitten wachten op die man en z’n zeis.
Waar houdt Boef op en begint Sofiane Boussaadia? Waren die veelbesproken treitervlogs bijvoorbeeld het werk van een artiest die zich zo nodig moest manifesteren of van een allochtone jongen die zijn oprechte frustraties over de politie uitte? En hoe zat het met die al even omstreden uitspraak over ‘kechs‘, vrouwen die zich als hoeren gedroegen? Doelbewuste provocatie van een slim enfant terrible, verkeerd uitgelegde rant of toch een verbaal slippertje van een oerconservatieve jongen, die per ongeluk het achterste van zijn doorgaans zo vaardige tong liet zien?
In de driedelige serie Gewoon Boef (86 min.) trekt Olivier Garcia ruim een half jaar op met het omhoog gevallen ettertje/de buitengewoon getalenteerde rapper en zoomt daarbij tevens in op de achtergrond van dit vat vol tegenstrijdigheden, zijn stormachtige opkomst en de daaruit voortgevloeide controverses. Net als de docuserie die Videoland eerder uitbracht over generatiegenoot Famke Louise is het geheel snel en puur op inhoud gesneden. De drie afleveringen springen voortdurend in de tijd en wisselend gedurig van locatie; van een optreden in Turkije, Thaise relaxvakantie en rootsreis naar Parijs tot de plek waar Boefs/Sofianes leven zich sinds kort afspeelt: een ontzettend protserige villa.
Zelf ziet hij die als bevestiging van het feit dat hij het inmiddels heeft gemaakt. Al weet ook deze Boef dat geld bepaald niet altijd gelukkig maakt. Dat materialisme zou bovendien wel eens een uitingsvorm van verlatingsangst kunnen zijn, concluderen zowel maker als subject van deze serie in een privésessie psychologie van de koude grond. ‘Iemand die van je houdt kan de volgende dag niet meer van je houden. Dat is gewoon het leven’, stelt de beschadigde jongen/rapper met dollartekens in de ogen. ‘Maar geld… Als je honderd euro naast je bed legt en je wordt wakker, dan ligt er nog steeds honderd euro naast je bed.’
Noem dat gerust plat of cynisch. Hij heeft met die attitude wél de belofte waargemaakt die de tiener Sofiane, ook toen al een Boef overigens, ooit deed aan zijn adoptiemoeder. ‘Please make something of your life’, zei zij op haar sterfbed tegen de jongen, die speciaal voor de gelegenheid enkele dagen uit de gevangenis mocht. ‘Dat is me bijgebleven’, zegt hij nu. ‘Ik dacht: ik moet het maken, begrijp je? En drie jaar later blies ik op.’ Ondanks dat succes is de behoefte aan een thuis gebleven, zo blijkt uit persoonlijke gesprekken met de hoofdpersoon zelf, enkele jeugdvrienden en de bijna onvermijdelijke Ali B. Die krijgen in dit schurende portret bovendien extra reliëf via de omgang met zijn Habiba Selma en ontmoetingen met zowel zijn biologische als zijn stiefvader.
Gewoon Boef schetst zo trefzeker het fenomeen Boef/de (probleem)jongere Soef. Held van de jeugd van tegenwoordig. En tevens de verpersoonlijking van wat je ‘de jeugd van tegenwoordig’ zou kunnen noemen.
‘If it bleeds, it leads.’ Curtis Sliwa, de flamboyante New Yorker die eind jaren zeventig de militante burgerwacht The Guardian Angels oprichtte, heeft een eenvoudige verklaring voor de enorme ophef rond Bernhard Goetz. Net als Sliwa vond deze ‘Subway Vigilante‘ dat het hard nodig was dat de stad veiliger werd gemaakt.
En net als Paul Kersey, het Charles Bronson-personage uit de omstreden Death Wish-speelfilmreeks, besloot hij om het recht in eigen hand te nemen. De man, die enkele jaren daarvoor was overvallen, schoot vier zwarte jongens neer in de metro en groeide zo binnen de kortste keren uit tot het middelpunt van een enorme mediahype. Bernhard Goetz werd zowel gebombardeerd tot ‘poster boy’ voor de National Rifle Association als uitgemaakt voor schietgrage racist, die in koele bloede een stel ‘nikkers’ had afgemaakt.
Trial By Media (367 min.) belicht zes van dit soort spraakmakende true crime-verhalen en brengt ze met direct betrokkenen, aanklagers, advocaten, activisten en politici opnieuw in kaart. Van de tientallen politiekogels die werden afgevuurd op de ongewapende Afrikaanse immigrant Amadou Diallo (door Bruce Springsteen vereeuwigd in American Skin (41 Shots)) en de geruchtmakende groepsverkrachting in een bar (verfilmd met Jodie Foster onder de noemer The Accused) tot de jongen die, nadat hij in de tv-show Jenny Jones werd geconfronteerd met een liefdesverklaring van een andere man, maar één uitweg zag: zijn wapen.
Zulke dramatische gebeurtenissen worden vervat in gedegen reconstructies, met een stevige bronnenlijst en fraai archiefmateriaal. Die leveren verder geen spraakmakende nieuwe onthullingen op en resulteren ook niet in een soort metavisie op de rol van de pers in dit soort zaken (zoals bijvoorbeeld het Nederlandse televisieprogramma Medialogica steeds probeert te vinden). Trial By Media is vooral een hervertelling van spannende en schokkende verhalen die zich stuk voor stuk afspeelden onder het oog van een groot publiek, dat door verschillende partijen slim werd bespeeld en zo ook weer invloed had op de afwikkeling ervan.
Een erg smakelijk voorbeeld daarvan is de gang van zaken rond de strafzaak tegen de protserig rijke zorgondernemer Richard Scrushy (HealthSouth) uit Alabama. Hij wordt beschuldigd van grootschalige fraude en start vervolgens, om de gunst van het volk (weer) te winnen, een soort tweede carrière als tv-dominee. ’s Mans advocaten maken van zijn rechtszaak intussen een onvervalste ‘good ol’ boy-show’. Met smeuïge verhalen houden ze pers en publiek zoveel mogelijk uit de buurt van de feiten. En dat werkt: want een goed verhaal, zo luidt een andere boutade van en over de media, moet je niet dood checken.
Zou voormalig minister van Buitenlandse Zaken, nationaal veiligheidsadviseur van de Verenigde Staten én winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede Henry Kissinger vanwege misdaden tegen de menselijkheid voor het Internationaal Strafhof in Den Haag moeten worden gedaagd? Waarom zou de gelauwerde diplomaat, een graag geziene gast in de media (ook door hemzelf), niet hetzelfde lot moeten ondergaan als pak ‘m beet Slobodan Milosevic en Augusto Pinochet?
Voornaamste verschil: Kissinger is een politicus uit de Verenigde Staten, een land dat zweert bij de internationale rechtsorde. Zolang het zich daar zelf niet aan hoeft te houden. In The Trials Of Henry Kissinger (79 min.) uit 2002, gebaseerd op een boek van Christopher Hitchens, zet regisseur Eugene Jarecki de ‘aanklacht’ tegen de machtspoliticus op een rij. Die is gestoeld op ‘s mans betrokkenheid bij conflicten in Vietnam, Cambodja, Chile en Oost-Timor.
Als aanklagers fungeren historici en goed ingevoerde journalisten zoals Seymour Hersh, daar tegenover neemt Kissingers voormalige collega Alexander Haig de rol van getuige à decharge op zich. De man zelf zwijgt in alle toonaarden, maar is via uitgebreid archiefmateriaal toch prominent aanwezig. Vanuit al die bronnen komt een vrij consistent beeld naar voren: van een meester in ‘plausible deniability’, die geen woorden nodig heeft om te communiceren wat hij wil en dus ook verdomd lastig op woorden is te pakken.
Intussen schetst deze scherpe film, waarin acteur Brian Cox als verteller fungeert, met verve de duistere achterkant van de internationale politiek, waarbij individuele mensen niet meer dan pionnen lijken te zijn op een levensgroot schaakbord – waar ze elk ogenblik ook weer vanaf geslagen kunnen worden.
‘Als we uit vrije wil mensen hadden gedood – en ik heb persoonlijk inderdaad mensen gedood – dan zou dat natuurlijk slecht zijn geweest’, legt een voormalige bewaarder in de S21-gevangenis uit aan enkele van zijn familieleden. ‘Maar we volgden alleen bevelen op. Ze dwongen ons.’ Het kwaad zat volgens hem in de leiders van het Rode Khmer-bewind, dat in de jaren zeventig ongenadig huishield in Cambodja. Zij gaven tenslotte de bevelen. ‘Diep van binnen was ik bang voor de slechtheid. Ik was ook bang om zelf te sterven. Ik ben nog altijd bang.’
Regisseur Rithy Panh laat de ‘bekentenis’ van de S21-medewerker direct volgen door de getuigenis van een man, die de horrorplek als één van de weinigen overleefde. ‘Ik werd gearresteerd in Battambang’, vertelt Vann Nath, terwijl hij een schilderij van identieke, geblinddoekte gedetineerden maakt. ‘Ze verhoorden me en martelden me met stroomstoten.’ De man wist niet wat hij verkeerd had gedaan. Na een week gevangenschap werd hij echter samen met een dertigtal anderen geboeid, in een truck gegooid en naar een andere plek vervoerd: Tuol Sleng, een voormalige school in Phnom Penh, die was omgedoopt tot Bureau S21.
Als de schilder en mensenrechtenactivist, een oude man inmiddels, in de prijswinnende documentaire S21: The Khmer Rouge Killing Machine (101 min.) uit 2003 opnieuw op de plek des onheils arriveert, komt hij daar oog in oog te staan met voormalige bewaarders. Zij waren destijds, in de tweede helft van de jaren zeventig, hooguit begin twintig. Jongens nog. Het wordt een bijzonder unheimische ontmoeting, want ook zij voelen zich slachtoffer van de gevreesde Rode Khmer van broeder nummer één, Pol Pot. ‘Als de mensen die hier gewerkt hebben slachtoffer zijn’, wil Nath weten, ‘hoe zit het dan met gevangenen zoals ik?’ De ongemakkelijke stilte wordt snel doorbroken. ‘Dat zijn secundaire slachtoffers’, antwoordt één van de cipiers. ‘Want als je hier niet gehoorzaamde, ging je er zeker aan.’
Het gesprek vormt de aanloop naar een minutieuze ontleding van de wandaden bij Bureau S21. In de administratie ontdekt Vann Nath de veelal Kafkaëske beschuldigingen waartegen de ‘ondervraagden’ zich moesten verdedigen en de grotendeels verzonnen bekentenissen die ze uiteindelijk deden. Hij stuit tevens op de bijzonder bureaucratische geweldsinstructies voor de S12-medewerkers en de gedetailleerde verslagen die zij maakten van hun martelpraktijken. Gezamenlijk vormen ze de bloedeloze weerslag van een ongekend bloedige periode, die met diepgravende interviews en naargeestige re-enactments, een stijlvorm die later in de thematisch verwante gruwelfilm The Act Of Killing naar bijna onverdraaglijke hoogte werd gebracht, nog eens nauwgezet wordt gereconstrueerd.
The devil is in the detail. Letterlijk, in dit geval. Stapvoets werkt S21: The Khmer Rouge Killing Machine zich door de hel die S21 werd voor alle betrokkenen. Zo maakt Rithy Panh (die de Rode Khmer-tijd in 2013 nog met kleipoppetjes zou reconstrueren in The Missing Picture) de verschrikkingen inzichtelijk en invoelbaar van een onmenselijke regime, dat tot oneindige ‘Killing Fields’ zou leiden.
Het is een ongelooflijk spektakel, dat rechtstreeks afkomstig lijkt uit Star Trek en tevens herinneringen oproept aan hoe de eerste lichting bewoners het Big Brother-huis inging: acht speciaal geselecteerde mannen en vrouwen in hetzelfde uniform maken zich op voor hun intrede in een gigantisch terrarium van glas en staal, waar ze de komende twee jaar zullen verblijven.
Een mensenmenigte kijkt in 1991 ademloos toe als ze via een soort loper daadwerkelijk Biosphere 2 betreden, de door gewone stervelingen samengestelde Hof van Eden met een afgewogen mixture van flora en fauna. ‘The future is here’, declameren de ‘bionauts’ na binnenkomst tegen de camera. Dit kon wel eens de opvolger worden van ‘Biosphere 1’, ofwel moeder aarde.
Het project is een geesteskind van het Amerikaanse ‘genie’ John Allen en zijn discipelen. Een groep wetenschappers, entrepreneurs en theatermakers – een commune of sekte, zeggen critici – die zich zorgen maakt over de toekomst van de aarde en daarom een geheel eigen ecosysteem heeft opgezet, dat straks ook op de maan of mars moet kunnen functioneren.
Op die volledig afgezonderde plek – zichtbaar voor publiek, dat wel – voeren de bionauts tests uit: kun je een boerderij runnen die niet schadelijk is voor het milieu of zoiets als een eigen koraalrif onderhouden? Is dat nu grensverleggende wetenschap? Of toch ‘trendy ecologisch entertainment’? Daarover lopen de meningen uiteen in de documentaire Spaceship Earth (114 min.).
In deze fascinerende film van Matt Wolf, thematisch verwant aan The Raft (over een menselijk experiment uit de jaren zeventig, op een soort Big Brother-boot), blikken enkele voormalige participanten en medewerkers van hun regieruimte, Biosphere 2’s ‘mission control room’, terug op de ambitieuze onderneming, die onder een levensgroot vergrootglas moest worden uitgevoerd.
Met een krachtige montage en dwingende klassieke muziek wekt Wolf het nét iets te mediagenieke project overtuigend tot leven. Hij schetst tevens het veredelde hippiegedachtegoed dat daarachter schuilgaat. En de onvermijdelijke kritiek. Waarbij elk foutje wordt uitvergroot en elk conflict breed uitgemeten. Totdat er weinig meer over lijkt van de grootse idealen waarmee het ooit begon.
Als het team in de identieke uniformen na afloop, opgewacht door opnieuw een enorme mensenmassa, Biosphere 2 weer verlaat, rest de vraag of de proef ook bruikbare kennis heeft opgeleverd. Het project drukte in elk geval een diep doorvoelde zorg over klimaatverandering uit. En een oprecht verlangen naar die betere wereld, waar we nu nog altijd op zitten te wachten.
Het is die lach waarmee de film wordt beëindigd. Een volledig doorrookte variant op de giechel waarmee Sesamstraat’s Ernie elke sketch met Bert afsluit. Van een notoire dronkenlap ditmaal, die om zijn eigen spitsvondigheden lacht. Waarbij het lachen veel mensen in zijn directe omgeving waarschijnlijk allang is vergaan.
Want hij had zoveel kunnen worden: geweldige zanger, ijzersterke frontman en – in het bijzonder – ongenaakbare songschrijver. En, ondanks die godvergeten drankzucht, ís Shane MacGowan dat ook allemaal geworden. Eerst en vooral van de illustere Britse folkpunkband The Pogues, daarna ook van zijn eigen vehikels The Popes en The Shane Gang. Maar er had zóveel meer ingezeten. Als hij niet de onbedwingbare behoefte had gevoeld om altijd en overal de bodem van elke fles te zoeken….
Sarah Share’s portret If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (91 min.) uit 2001 observeert de doorgewinterde innemer, ook van harddrugs trouwens, in zijn dagelijks leven, waarin hij heldere momenten en scherpe statements afwisselt met typische dronkemanspraat en -fratsen. Ze spreekt verder met zijn opvallend nuchtere vader Maurice en moeder Therese, tante Monica en vriendin Victoria Clarke en neemt zijn carrière door met andere Pogues-leden, manager Joey Cashman en collega-poëet Nick Cave. De nadruk ligt daarbij (gelukkig) op zijn onmiskenbare talent als tekst- en songschrijver.
Want een man die zo openlijk zijn talent verkwanselt, wordt onvermijdelijk een parodie op zichzelf. Zijn optredens werden op een gegeven moment de ideale gelegenheid voor een pijnlijk soort ramptoerisme, waarbij een deel van het publiek vooral stond te wachten op hoe Shane dronken zou worden. Zoals die ene keer met The Popes op het Pinkpop-festival van 1995, waarbij hij na enkele nummers van het podium gehaald moest worden. Hij was – en lijkt nog altijd – geen schim meer van de man die hij ooit moet zijn geweest.
Daartegenover staat nog altijd een overweldigend songboek, met tijdloze klassiekers die iedereen, van elke generatie, kunnen aanspreken, zoals A Rainy Night In Soho, If I Should Fall From The Grace Of God en – dat ene kerstliedje dat wél deugt – Fairytale Of New York. Zulke prachtsongs verraden dat onder al die lol en bravoure nog altijd een zeer sensitief jongetje zit dat – stiekem, niet doorvertellen! – lijkt te worstelen met zijn eigen verlegenheid.En dan duurt het nooit lang of die langzaam wegstervende gggggg-lach klinkt weer…
In 1997 maakte de BBC ook al een informatief en tamelijk braaf portret van de gevierde songsmid, The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan, waarin collega’s als Bono, Christy Moore, Sinéad O’Connor, Billy Bragg en wederom Nick Cave hun licht over hem laten schijnen.
‘Papa, weet je hoe de hostie wordt gezegend?’ vraagt de achtjarige Merle. Het Limburgse meisje geeft zelf antwoord: ‘Met een wc-borstel.’
‘O, zo’, zegt vader als hij de hele uitleg van zijn dochter heeft aangehoord. ‘Ja, dat is wijwater.’
‘Wat is wijwater?’
‘Dat is heilig water.’
‘Wat is heilig water?’
‘Dat is ook gezegend.’
‘En wat is gezegend?’
Voor dat antwoord heeft papa wel wat meer woorden nodig. Iets met een tekst, schoonspoelen en magische woorden.
Die verhandeling roept echter weer zijn eigen vragen op bij zijn dochter. Het is duidelijk: Merle neemt die aanstaande Heilige Communie bloedserieus. En Eva Nijsten heeft daarover een hartstikke leuke jeugddocu gemaakt: Heilig Boontje (15 min.).
Haar hoofdpersoon leeft op een lekker ongecompliceerde manier toe naar dat bijzondere moment, dat haar ouders als kind heel intens hebben beleefd. En als je een communiefeest geeft, krijg je veel cadeautjes. Dat weet Merle natuurlijk ook best. Net als haar vriendjes. Of ze nu gelovig zijn of niet.
Nijsten laat Merle zelf haar vader, opa, klasgenootjes en vriendjes interviewen. Dat is een bescheiden meesterzet. Het levert ontwapenende gesprekjes op over het geloof en de eerste communie, waaraan in bepaalde Roomse dorpen blijkbaar nog heel veel tijd en aandacht wordt besteed.
‘Van wie is dit werk hier?’ vraagt kunstenaar Bas van Wieringen aan een suppoost van het Stedelijk Museum in Amsterdam. ‘Nee, dat is gewoon stuk eigenlijk’, antwoordt de man. Toch staan er mensen te kijken bij de plek waar het parket is opengebroken en die officieel lijkt te zijn afgezet. ‘Ik vind het eigenlijk wel mooi’, zegt Van Wieringen. ‘Sommige mensen denken dat het een kunstwerk is’, reageert de suppoost met een brede glimlach.
De kunstenaar besluit bezoekers ermee te confronteren: is dit nu kunst of niet? De meesten denken dat het een gat in de grond is, maar helemaal zeker weten ze het ook niet. Waarmee het thema van de documentaire Vieren Wat Kapot Is (50 min.) meteen goed in de verf is gezet. Want Van Wieringens eigen kunst wordt ook niet altijd als zodanig herkend. In 2017 is een klein minimalistisch schilderij per ongeluk door een medewerker van het Frans Hals Museum overgeschilderd met latex. Dat veroorzaakte nogal wat commotie.
Het voorval was voor Denise Janzée aanleiding om een film te maken over ‘beschadigde kunst’, waarin ze de conceptuele kunstenaar aan het werk laat zien. Met een lamp die kapot wordt geslagen tegen de muur, een klok die op een vaste tijd wordt vastgespijkerd en een brandblusser die vuur en vlam vat, bijvoorbeeld. Intussen speelt op de achtergrond nog altijd de vraag wat er moet gebeuren met het overgeschilderde schilderijtje? Is dat een beschadigd kunstwerk of juist een nieuw werk geworden? Heeft het zijn waarde behouden? En kan er wellicht zelfs nog waarde aan worden toegevoegd?
Zo wordt deze documentaire behalve een aaneenschakeling van vermakelijke experimenten en projecten tevens een interessante gedachte-exercitie over wat nu eigenlijk kunst is of wordt. Én, als aardige uitsmijter, hoe je dat dan exposeert.
Hele generaties zijn ermee opgegroeid: Fame. Eerst was er de film, toen een serie en tenslotte de musical. Het is de ultieme voorstelling over theatertalent dat klaar staat om het he-le-maal te gaan maken. Beter: vóór theatertalent dat klaar staat om het he-le-maal te gaan maken. Een ideale springplank naar een leven op het podium.
Ditmaal komen de aspirant-beroemdheden uit China. Ze studeren aan de Centrale Theateracademie in Beijing. Daar kom je natuurlijk niet zomaar binnen. Alleen de allerbesten worden toegelaten. En die zijn nu klaar om af te studeren, met de eerste voorstelling die wordt gemaakt in samenwerking met Broadway. The Road To Fame (57 min.) dus, vervat in een vermakelijke film van Hao Wu uit 2013.
Standaardverhaal zou je daarover in eerste instantie zeggen. De één haalt het wel, een ander niet. En tussen (het kleine) begin en (verplicht grootse) eind zit heel wat drama. Het pad dat moet eindigen met een staande ovatie begint alleen wel in een land dat jaren een strikte éénkindpolitiek heeft gevoerd. Met succes, zou je kunnen zeggen. Deze jongvolwassen behoren tot de eerste naoorlogse generatie die in relatieve welvaart is opgegroeid.
Én zonder broertjes of zusjes, dat ook. ‘Ze zijn allemaal enig kind’, constateert hoofd musicalopleiding Liu Hongmei. ‘Ouders en vier grootouders. Zes paar ogen op één enkel kind. Dus ze zijn heel erg verwend.’ Je zou ook kunnen zeggen: zij alleen moeten de onvervulde dromen van hun familie verwerkelijken. Of, bij de minder gefortuneerde gezinnen, zorgen voor een stabiel inkomen. En dat is bepaald geen sinecure in een land dat gebukt gaat onder jeugdwerkeloosheid.
Wie van hen een wereldster wordt? En wie voorbestemd is om zijn levensdagen te slijten als slecht betaalde zanger in het barcircuit? Vooralsnog gaat het om een plek in de zogenaamde A-selectie, met talenten die daadwerkelijk in de voorstelling mogen gaan spelen. De ingevlogen Amerikaanse regisseur is alleen niet enthousiast. ‘Puur verstand, geen gevoel’, constateert hij onderkoeld. Zijn collega beaamt: ‘Ja, dat leren ze hier niet.’
Er is dus daadwerkelijk nog een wereld te winnen voor deze ambitieuze jongelingen, die in deze gelaagde documentaire model staan voor een nieuwe generatie opgroeiende Chinezen.
Er is nauwelijks een fenomeen te bedenken dat zo tot de verbeelding van een groot publiek spreekt als seriemoordenaars. Geen fijnere antiheld dan een Norman Bates of Hannibal Lecter. En het Amerika van de jaren zeventig en tachtig heeft een ongelofelijke hoeveelheid van zulke bizarre ‘larger than life’-personages opgeleverd. Een kleine halve eeuw later zijn ze nog altijd goed voor nieuwe boeken, speelfilms én documentaires. Na recente series over Ted Bundy (Conversations With A Killer: The Ted Bundy Tapes) en Henry Lee Lucas (The Confession Killer) is het nu bijvoorbeeld de beurt aan één van de weinige zwarte voorbeelden, Wayne Williams.
Hij grijpt in Atlanta’s Missing And Murdered: The Lost Children (285 min.), over de moord op bijna dertig (!) jongens in de hoofdstad van de Amerikaanse staat Georgia, opnieuw de gelegenheid aan om zijn eigen onschuld te bepleiten – en, ook niet onbelangrijk, om weer eens in de spotlights te staan. Die gedachte dringt zich tenminste op als de man doodgemoedereerd vanuit de cel inbelt bij een bijeenkomst waarin de moorden nog eens worden besproken met nabestaanden en betrokkenen. Williams is echter niet de enige die weigert om de officiële lezing van wat er is gebeurd te accepteren. Camille Bell, de bijzonder uitgesproken moeder van de vermoorde Yusef en woordvoerster van de lokale Dwaze Moeders, noemt hem zelfs ‘het dertigste slachtoffer van de Atlanta-moordpartij’.
Die uitspraak kan niet los worden gezien van de getroebleerde historie van de stad, waarin racisme aan de orde van de dag was en de Ku Klux Klan een dubieuze hoofdrol speelde, óók in het plaatselijke politiekorps. Hoewel dat ten tijde van de moorden toch echt werd geleid door een zwarte commissaris. Zoals Atlanta toentertijd ook werd bestuurd door een Afro-Amerikaanse burgemeester. De bewoners van de zwarte achterbuurten hadden desondanks weinig vertrouwen in de lokale autoriteiten en hechtten nog minder geloof aan hun verklaring voor de kindermoorden (die onlangs ook al centraal stonden in het tweede seizoen van de puike dramaserie Mindhunter, over FBI-agenten die seriemoordenaars profileren).
En getuige deze vijfdelige documentaireserie van Sam Pollard, Maro Chermayeff, Jeff Dupre en Joshua Bennett hadden ze daar ook alle reden toe. Keisha Lance Bottoms, de huidige burgemeester van Atlanta, heeft zich zelfs genoodzaakt gezien om de zaak te heropenen, om te bekijken of Wayne Williams inderdaad de afschrikwekkende moordenaar is die zonder al te veel moeite van hem kon worden gemaakt. De man is ook slechts veroordeeld voor zegge en schrijve twee moorden. Hoe zit het dan met de ruim 25 andere slachtoffers? Heeft hij ook hen van het leven beroofd of zijn die zaken hem simpelweg in de schoenen geschoven, zodat ze nu als opgelost te boek staan (of een nóg ongemakkelijkere waarheid kunnen verhullen)? Kortom: staat er ergens in Atlanta een gigantische doofpot?
De intrigerende miniserie Atlanta’s Missing And Murdered werpt zulke indringende vragen op, zonder daarbij een duidelijke kant te kiezen of te gaan voor goedkoop effectbejag. De filmmakers laten zowel aanklagers en politieagenten als het verdedigingsteam van Williams aan het woord, waarbij de kijker grotendeels zelf zijn weg zal moeten vinden door het doolhof van tegenstrijdige ‘feiten’ en meningen dat zo ontstaat. Het drama wordt bovendien nadrukkelijk geplaatst binnen de ongemakkelijke raciale historie van de stad, waarbij de zwarte inwoners eraan gewend zijn geraakt dat ze niet worden gezien of gehoord. Zelfs als hun kinderen stelselmatig worden vermoord…
Er is overigens alweer een nieuwe docuserie aangekondigd rond een beruchte seventies-seriemoordenaar (en – verkrachter), The Golden State Killer, gebaseerd op het superspannende boek I’ll Be Gone In The Dark van Michelle McNamara.
Op zijn derde liep hij zijn zesde halve marathon. Een jaar later heeft hij er al diverse hele marathons opzitten. Het Indiase jongetje Budhia Singh is een fenomeen in eigen land. Hij moet de beste marathonloper van de wereld worden. Dat lijkt overigens vooral de droom van zijn streberige coach en adoptievader Biranchi Das, die samen met zijn vrouw Gita een weeshuis en judoschool runt.
Dat lopen is ooit begonnen als boetedoening. Nadat Budhia, een kind van de volksbuurt, weer eens grof in de mond was geweest, liet Biranchi hem voor straf rondjes lopen. Toen hij vervolgens zelf wegging, dacht-ie dat het druistige jongetje vanzelf wel zou stoppen. Die bleef echter maar rennen. En de rest is geschiedenis – of moet dat, als het aan de gewiekste (zelf)promoter Biranchi ligt, beslist worden.
De plaatselijke autoriteiten dreigen Budhia echter een loopverbod op te leggen. Volgens hen wordt de Marathon Boy (98 min.), met alle gezondheidsrisico’s van dien, geëxploiteerd door zijn mentor, die vooral op eigen naam en faam uit zou zijn. Waarom leeft het ‘wonderkind’ überhaupt niet meer bij zijn biologische moeder Sulanti in de straatarme sloppenwijk Bhubaneswar? Heeft zij hem daadwerkelijk verkocht?
Zo ontstaat in deze documentaire van Gemma Atwal uit 2010 rond de hoofdpersoon – een klein kind dat niet alleen veel te winnen heeft, maar alles ook weer kan verliezen – een politiek steekspel dat het hele land in zijn greep krijgt. De beurtelings spannende, potsierlijke en dramatische ontwikkelingen volgen elkaar in rap tempo op in deze lekker vette Bollywood-docu, die met korte geanimeerde intermezzo’s een tijdspanne van vijf jaar overbrugt.
Totdat de kwestie echt helemaal uit de hand loopt en het verhaal van Budhia en zijn surrogaatvader Biranchi Das een onverwachte dramatische wending neemt…
Budhia Singh is inmiddels achttien en heeft nog altijd een droom. ‘Ik wil voor India de gouden medaille op de marathon tijdens de Olympische Spelen van 2024’, zei hij in 2018 tegen persbureau Reuters.
Voor Diana Bolan was tante Terry als een moeder. ‘Ze was erbij toen ik gedoopt werd, bij mijn diploma-uitreiking’, vertelt de Canadese vrouw van middelbare leeftijd. ‘Door haar kon ik studeren. Zij luisterde toen ik zei dat ik docent wilde worden. Zonder haar had ik nooit gehad wat ik nu heb. Ik heb alles te danken aan haar. Alleen aan haar.’
Toch ontdekte Diana pas enkele jaren geleden dat tante Terry iets voor haar verborg. ‘Ik leefde als het waren in een leugen’, zegt die nu. ‘Ik zei tegen Pat: als Diana weer komt, vertel ik het haar.’ Dat bleek echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. ‘Na een gezellig etentje had ik het nog steeds niet verteld. Ik werd steeds zenuwachtiger. Ik wilde haar liefde niet kwijt.’ En toen uiteindelijk, te langen leste, bekende ze kleur: ‘We zijn lesbisch.’
Terry en Pat waren op dat moment al ruim zestig jaar bij elkaar, maar open over hun geaardheid waren ze nooit geweest. Met recht A Secret Love (82 min.) dus. Dat was overigens niet zo vreemd: Terry’s broer Tom, de vader van Diana, zei volgens zijn dochter altijd dat tante eens geneukt zou moeten worden door een grote zwarte neger. Dat zou haar wel op het rechte pad brengen. ‘Dat zei hij heel vaak’, herinnert Diana zich. ‘Nuchter, niet dronken.’
Via Pat Henschel en Terry Donahue, die allebei op hoog niveau honkbal speelden en met hun collega’s de inspiratie vormden voor de speelfilm A League Of Their Own, belicht regisseur (en Diana’s zoon) Chris Bolan de emancipatiestrijd van Amerikaanse homo’s en lesbiennes sinds de Tweede Wereldoorlog en de façade die mensen zoals zij in al die jaren moesten ophouden. Nee, ze waren geen geliefden, hoor. Gewoon beste vrienden, collega’s of – leugentje om bestwil – elkaars nicht.
En nu zijn Terry en Pat hoogbejaard en worden ze gedwongen om na te denken over hoe en waar ze hun laatste jaren willen spenderen. Gaat het bijvoorbeeld nog tot een huwelijk komen? Hoe zit het met de homo-acceptatie in woonvoorzieningen voor ouderen? En zijn ze samen überhaupt nog in staat om hele ingrijpende stappen te zetten?
Het aangrijpende A Secret Love legt op pijnlijk intieme wijze vast hoe de twee vrouwen, ondersteund door en soms in conflict met nicht Diana, de allerlaatste fase inrichten van het leven dat ze voor een groot deel in de kast hebben doorgebracht. Zodat ze elkaar eindelijk openlijk kunnen liefhebben.
Ze gingen dwars tegen de tijdgeest in. Terwijl hun generatiegenoten opzichtig rebelleerden tegen alles wat ook maar riekte naar de wereld van hun ouders, gingen de vijf leden van The Band voor hun debuutalbum Music From Big Pink pontificaal op de foto met hun families.
Het bleek de ideale illustratie van hun muzikale attitude: in de hoogtijdagen van de psychedelische pop ging de Canadese groep in 1968 ongegeneerd terug naar de basis. Met zwaar dooraderde muziek, die we sindsdien ‘americana’ zijn gaan noemen. Gemaakt op het tijdloze kruispunt van folk, country, rock, blues en pop.
Ruim een halve eeuw later zijn er nog maar twee leden in leven: toetsenist Garth Hudson én gitarist/songschrijver Robbie Robertson. En die doet in Once Were Brothers: Robbie Robertson & The Band (101 min.) zijn muzikale levensverhaal, dat uiteindelijk tot een climax komt in de veelgeroemde supergroep (die tevens fungeerde als band voor Bob Dylan).
Robertson toont zich een geanimeerde verteller. Hij wordt bovendien in de rug gedekt door zijn vrouw Dominique en diverse medewerkers van zijn band, waarbij dat andere nog levende Band-lid, Hudson, helaas ontbreekt. Ze zijn ook allang geen broeders meer, zingt Robertson in het titelnummer van de film, Once Were Brothers.
Regisseur Daniel Roher geeft deze gedegen popdocu echter extra ‘star quality’ met mannen bij wie alleen de achternaam al volstaat: Clapton, Springsteen en Scorsese. Die laatste documenteerde in 1978 ook het afscheid van The Band, die toen al ten prooi was gevallen aan de verleidingen waarmee elke groep van statuur wordt geconfronteerd.
The Last Waltz vormt ook de vanzelfsprekende apotheose van deze film, die de band recht doet. Zonder tot enorme hoogte te stijgen.
Een vingerhoedje spuug zet hen hopelijk op het spoor naar hun oorsprong. Want wie hun vader was – een Duitse soldaat of toch een bevrijder uit de Verenigde Staten, Frankrijk of Canada – dat is altijd ongewis gebleven. Adri, Marcel, Ans en Trudy zijn de zeventig inmiddels ruimschoots gepasseerd, maar zijn toch altijd Oorlogskinderen (53 min.) gebleven.
Gedefinieerd door de Tweede Wereldoorlog of het einde daarvan, de uitbundig gevierde Bevrijding. Al was dat niet altijd direct duidelijk. Voor henzelf, tenminste. Soms leek iedereen er al vanaf te weten. Iedereen, behalve zij, het product van dat ene moment van geluk of opwinding, nu alweer zo lang geleden. En dus geven ze hun erfelijk materiaal aan een heuse DNA-detective, Els Leijs uit Bussum. Via stamboomonderzoek probeert zij hun familieleden te achterhalen – en de man die hen op de wereld zette en er, soms ongewild, ook weer achterliet.
De filmmakers Eric van den Berg en Bram Endedijk doorsnijden de pogingen van de oorlogskinderen om klaarheid te krijgen over hun wortels met ingesproken getuigenissen van buitenlandse militairen, Duitse soldaten en vaderlandse meisjes over hun ervaringen tijdens de oorlog. Zo wordt het bezette Nederland, het zwart-witte decor van hun conceptie, overtuigend tot leven gewekt. De nadruk ligt echter op de persoonlijke verhalen en zoektocht van de verweesde volwassenen, die stuk voor stuk tot de verbeelding spreken.
In het geval van Adri Goedegebuure uit Middelburg, verwekt rond de Bevrijding van Walcheren, leidt het spoor bijvoorbeeld naar Frankrijk, waar directe familie wacht. Andere participanten zijn minder fortuinlijk. Hun verhalen komen mede daardoor ook wat minder uit de verf. Wat al die lotgevallen van Oorlogskinderen, stijlvol verfilmd en begeleid door gedragen vioolmuziek, echter nog eens heel duidelijk onderstrepen, is hoe belangrijk bloedbanden zijn, ook als je ‘een kind van die rotmoffen’ bent. Want familie, juist omdat je die niet zelf kunt uitkiezen, definieert toch wie je bent.
In Oorlogskinderen ontdekken kinderen van soldaten na 75 jaar in het ongewisse eindelijk wie hun vader is. Trots dat ik met @BramEndedijk aan dit project heb mogen werken. Maandagavond te zien op NPO2 om 18:55! pic.twitter.com/LsZkBvTNrf
Het ogenschijnlijk alledaagse tafereel vormt een hartverscheurend openingsbeeld: twee meisjes, kleuters nog, die lol hebben op de schommel. ‘Bo hield altijd van aardbeien op wafels en slagroom’, vertelt haar zus Kess, inmiddels een ontluikende puber. Er volgen nog meer familiefilmpjes van de kinderen: de eerste stapjes, samen op de glijbaan en lekker wandelend. Bo’s favoriete liedje was De Drie Biggetjes van K3, zegt Kess nog.
Heb je broers of zussen? gaan ze haar straks, na de zomervakantie, ongetwijfeld vragen op de middelbare. ‘En dan weet ik niet goed wat ik dan moet zeggen.’ Want Bo is een Wolkenzusje (16 min.) geworden. Ze overleed toen Kess nog geen vijf jaar oud was. ‘Soms ben ik bang dat ik vergeet hoe ze lachte en praatte’, zegt ze in deze prachtige jeugddocu van Sara Kolster (die zelf op jonge leeftijd een zus verloor).
Alle elementen vallen op hun plek in dit kostbare kleinood: de fraaie inktanimaties van Kolster en Tonke Koppelaar, het weldadige camerawerk van Rogier Timmermans en de sfeervolle muziek van Roald van Oosten en singer-songwriter Liztophe Verhoeven. Ze creëren een vruchtbare bedding voor de gedachtestroom van Kess. Over hoe het leven kan ophouden en toch weer moet doorgaan.
Wolkenzusje is een perfecte weerslag van hoe het Limburgse tienermeisje behalve van de basisschool ook voor de tweede keer afscheid moet nemen van haar zus. Een poëtische korte film, die gedurig de hartspier beroert. Zonder ook maar een moment sentimenteel te worden.