Monsters Inside: The 24 Faces Of Billy Milligan

Netflix

De diagnose meervoudige persoonlijkheidsstoornis – of de hedendaagse benaming: dissociatieve stoornis – kan doorgaans op scepsis rekenen. Zeker als die wordt ingezet als verklaring voor criminele uitspattingen van de patiënt. Dan duurt het nooit lang voordat iemand ‘onzin!’ roept. Of: ‘geweldige acteerprestatie!’

Bij Billy Milligan, in 1977 opgepakt omdat hij enkele vrouwen zou hebben verkracht op de Ohio State-universiteit, ging dat natuurlijk niet anders. Was dit een truc van zijn verdediging of een zinsbegoocheling van nét iets te gewillige zielenknijpers? Of was er daadwerkelijk iets aan de hand met de 23-jarige Amerikaan, die toen al een aanzienlijke psychiatrische historie had? En waren al die persoonlijkheden dan inderdaad onderdeel van een overlevingsstrategie – net als bij de hoofdpersoon van de toenmalige bestseller Sybil – waarmee extreem trauma uit zijn verleden onschadelijk moest worden gemaakt?

In Monsters Inside: The 24 Faces Of Billy Milligan (242 min.) probeert Olivier Megaton door dat woud van persoonlijkheden te waden. Hij maakt die zichtbaar door bij oude interviewfragmenten van Billy te titelen welke persoon er wanneer aan het woord is. Ragen bijvoorbeeld, de agressor met het Joegoslavische accent. De verlegen negentienjarige lesbienne Adalana. Of Engelsman Arthur, die de boel op de één of andere manier bij elkaar probeert te houden. Als al die verschillende figuren, met elk hun eigen functie en risico’s, daadwerkelijk bestaan in één enkele persoon, dan moet die wel ontoerekeningsvatbaar zijn. En in dat geval – logische conclusie – ligt niet gevangenisstraf maar therapie voor de hand.

Megaton ontleedt de zaak rond/tegen Billy Milligan met zijn broer Jim en zus Kathy, jeugdvrienden en juristen, psychiaters en begeleiders die betrokken waren bij het psychiatrische onderzoek, de strafzaak of z’n behandeling. En natuurlijk ontbreekt ook de schrijver niet die als een gier op zo’n bijzonder geval duikt, om het vervolgens helemaal af te kluiven. Om het unheimische karakter van de hele geschiedenis te benadrukken interviewt de documentairemaker hen bovendien stuk voor stuk in een sinister ogende setting. Niet thuis in een ontspannen atmosfeer of juist binnen een professionele context, maar in een lege kerk, een verlaten cellencomplex of een fabriekshal waar de verf van de muren afbladdert.

Het is en blijft tenslotte true crime. Een genre dat ook gedijt bij nét iets te donkere gedramatiseerde scènes, een duistere soundtrack en slim geplaatste cliffhangers. Ook daarin stelt Monsters Inside niet teleur. Deze vierdelige serie melkt alleen de bizarre levenswandel van Billy Milligan soms wel erg opzichtig uit, maar geeft tegelijkertijd ook interessante achtergrondinformatie over de discussie rond de meervoudige persoonlijkheidsstoornis en hoe die zich sindsdien heeft ontwikkeld. Daar zit ook de meerwaarde van deze diepe duik in de valkuilen dan wel doortrapte streken van de menselijke geest.

Dagboek Van Mijn Dwang

EO

Je verdient straf.

Je mag dit broodje niet eten.

Eet. Dit. Broodje. Niet.

Wat denk je wel niet, idioot?

‘Dit is wat mijn dwang doet’, vertelt de 25-jarige Rianne Martinus aan haar dagboekcamera, nadat ze op bezoek is geweest bij Boaz, een jongen die ze toch wel erg leuk begint te vinden. ‘Me continu vertellen wat ik wel of niet mag. Maar ik wil me er niet door laten leiden. Daarvoor voel ik te veel voor hem.’

Boaz heeft zijn eigen problemen: een drugscollectie, om precies te zijn. Met slaapmiddelen en designer drugs houdt hij zichzelf vrijwel permanent verdoofd. Rianne weet dat ze zich op risicogebied begeeft, vertelt ze in de persoonlijke film Dagboek Van Mijn Dwang (40 min.), waarin ze een jaar uit haar leven documenteert. Boaz mag voor haar beslist geen obsessie worden.

Bel Boaz en zeg dat je hem leuk vindt.

Laat hem je afwijzen.

Je hebt duidelijkheid nodig.

Je moet zelf de controle houden.

Die monologue intérieur, die later is ingesproken en de stemmen in haar hoofd verklankt, is een probaat middel om buitenstaanders in deze unheimische film toegang te geven tot Riannes belevingswereld. De getroebleerde studente dreigt zich te verliezen in een relatie die haar, zo waarschuwt een goede vriend al direct, wel in de problemen móet brengen.

Met haar eigen camera documenteert ze van binnenuit hoe de omgang met Boaz en haar eigen gemoedstoestand verder evolueren. Waarbij de knoop waarin ze zich samen vastdraaien, een ongemakkelijk tafereel om te aanschouwen, uiteindelijk nauwelijks meer is te ontwarren. Die moet rigoureus worden doorgehakt. Rianne weet dat, maar kan ze het ook?

Je hebt niet meteen geluisterd.

Je hebt het alleen maar erger gemaakt.

Hij haat je nu, ik haat je

Je bent een vieze, vuile egoïst.

Kutwijf!

The Reason I Jump

Over hen is al zoveel gezegd. Zelf komen ze alleen zelden aan het woord. Ook omdat ze niet altijd in taal kunnen of willen uitdrukken wat hen bezighoudt. In onze taal, welteverstaan. Voor neurotypische mensen is het sowieso erg lastig om zich te verplaatsen in iemand met een autismespectrumstoornis. En zij ervaren de wereld die voor ‘ons’ herkenbaar en vertrouwd voelt dan weer vaak als wezensvreemd en gevaarlijk.

Toen Naoki Higashida in 2007 de bestseller Waarom Ik Soms Op En Neer Spring uitbracht, was dat voor sommige neurotypes dan ook niets minder dan een openbaring. Hier wist een autist, een dertienjarige Japanse jongen nota bene, die in het gewone leven niet of nauwelijks sprak, perfect inzichtelijk te maken hoe hij in elkaar stak en de wereld ervoer. Ineens bleken die vreemde gedragingen eigenlijk volstrekt logisch.

In de documentaire The Reason I Jump (82 min.) gebruikt regisseur Jerry Rothwell passages uit Higashida’s boek, ingesproken door acteur Jordan O’Donegan, als leidraad voor een zinnenprikkelende ontdekkingstocht door de autistische belevingswereld. ‘Wanneer jij een object ziet, lijk je allereerst het geheel te zien’, spreekt hij het neurotype bijvoorbeeld rechtstreeks aan. ‘Pas daarna ontwaar je de details. Terwijl ik in eerste instantie alleen die details zie en pas gaandeweg, detail na detail, het geheel in beeld krijg.

Rothwell portretteert in deze gestileerde film ook vijf niet-sprekende jongeren met een autismespectrumstoornis en hun directe omgeving. Ze komen uit Groot-Brittannië, India, Sierra Leone en de Verenigde Staten en ervaren de wereld elk op hun eigen manier. Want net als bij neurotypische mensen bestaat er ook geen autistische stereotype. Wat ze wel met elkaar gemeen lijken te hebben, is dat de buitenwereld vrijwel permanent hun staat van zijn lijkt te verstoren en moeilijk is in te passen in hun dagelijkse routines.

De documentairemaker laat dit zien en geeft hun verwanten de ruimte om het te verduidelijken, maar laat de neurotypische kijker vooral ook zelf ervaren hoe het is als je vaste gewoonten ruw worden doorbroken of als je plotseling wordt overweldigd door nét iets te opdringerige beelden of veel te harde geluiden. Behalve een mindmap van de autistische wereld wordt The Reason I Jump daardoor ook een zintuiglijke ervaring, die uiteindelijk alleen tot begrip en acceptatie kan leiden. Hoe weerbarstig de praktijk van alledag voor en met autisten soms ook uitpakt.

Crime Scene: The Vanishing At The Cecil Hotel

Netflix

In de openingsscène van deze vierdelige serie ligt ‘t er meteen duimendik bovenop: het Cecil Hotel in Skid Row, een beruchte wijk in het centrum van Los Angeles, is een verdoemde plek. Je kunt er zomaar dope gebruiken of dealen, in de prostitutie verzeild raken of tragisch aan je einde komen. ‘De Cecil is een plek waar seriemoordenaars zich ontspanden’, zegt de plaatselijke historica Kim Cooper over het low-budget hotel waar veelal jonge toeristen terechtkwamen te midden van verschoppelingen die er zo’n beetje permanent hun intrek hadden genomen. Richard Ramirez, berucht geworden als The Night Stalker verbleef er bijvoorbeeld een tijdje.

Heeft Elisa Lam, een jonge Canadese vrouw die eind januari 2013 incheckte bij het hotel, deze duivelse plek ooit nog verlaten? Ze is spoorloos verdwenen. En rechercheurs die de zaak onderzoeken hebben haar op beelden van beveiligingscamera’s alleen naar binnen zien gaan. Lam lijkt nooit meer naar buiten te zijn gekomen. Dat is de uitgangspositie voor Crime Scene: The Vanishing At The Cecil Hotel (219 min.) van true crime-crack Joe Berlinger, die genreklassiekers als de Paradise Lost-trilogie, Cold Blooded: The Clutter Family Murders en Conversations With A Killer: The Ted Bundy Tapes op zijn naam heeft staan.

Een sinistere video van de 21-jarige Elisa Lam, die zich vreemd gedraagt in de hotellift, gaat viral en zet allerlei dubieuze amateurdetectives aan het werk. Ze beginnen de beelden te analyseren en spitten daarna de online-historie van de jonge vrouw door. Op zoek naar aanwijzingen voor wat er kan zijn gebeurd. Daarmee belandt Crime Scene op hetzelfde terrein als de zenuwslopende series Don’t F##k With Cats: Hunting An Internet Killer en Love Fraud. Van dat niveau is deze vet aangezette productie – een bonte verzameling ‘deskundigen’, duistere en suggestieve reconstructiebeelden en een unheimische soundtrack – evenwel niet.

Berlinger geeft opvallend veel ruimte aan wilde speculaties over wat er kan zijn gebeurd en allerlei bizarre complottheorieën over het ‘spookhotel’ Cecil die daar weer uit voortvloeien. De verantwoordelijke figuren – een soort onuitstaanbare combinatie van influencer, ramptoerist en allesweter – vliegen gaandeweg helemaal uit de bocht. Uiteindelijk is het de documentairemaker daar ook om te doen: terwijl deze zelfbenoemde onderzoekers vanachter hun eigen toetsenbord een gruwelijk misdrijf proberen op te lossen, gewoon als aardig tijdverdrijf of als mogelijkheid om zichzelf te profileren, richten ze heel veel schade aan. En het onderzoek naar wat er echt is gebeurd met Elisa Lam wordt er alleen maar door gehinderd.

Deze kanteling van het verhaal – van whodunnit naar schotschrift tegen social media-klopjachten – wordt door Joe Berlinger pas redelijk laat ingezet en plaatst de start van de serie in een verrassend perspectief. En daarna ontstaat er zowaar ruimte om de kwestie rond Elisa Lam écht op zijn merites te beoordelen. Helaas wordt dat effect dan weer een beetje teniet gedaan door het wel erg cheesy einde, waarin de tragische jonge vrouw, op z’n Amerikaans, ineens allerlei héle bijzondere kwaliteiten worden toegedicht. Want zelfs een noodlottige kwestie heeft een echte heldin nodig.

Merlijn En de Rode Appel

Susan Filmt

Voor hetzelfde geld was dit een sombere film geworden over een jongen die al een hele tijd thuis zit. Net als zesduizend andere kinderen in Nederland. Omdat hij op geen enkele school kan aarden. Een probleemgeval van nog geen twaalf, een jongen met een nauwelijks te dragen rugzakje. Zo’n documentaire is Merlijn En De Rode Appel (15 min.) bepaald niet geworden.

‘Dit zijn kinderen zonder autisme’, legt Merlijn Goldsack zelf monter uit, terwijl hij een groene appel laat zien. ‘En dit zijn kinderen met autisme’, vertelt hij met een rode appel in de hand. ‘Deze kinderen doen zo van buiten spelen en zo’, weet hij te vertellen over de groene kinderen. ‘Gewoon naar school. Want ze hebben er geen moeite mee, denk ik. Want ik kan niet in hun hoofd kijken.’

Hij vervolgt, nog steeds op bijzonder opgewekte toon. ‘En dit zijn de kinderen – daar weet ik wel weer meer van – die houden van binnen zijn. En die vinden het moeilijk’, pakt hij er weer een groen exemplaar bij, ‘om met deze appels om te gaan.’ Voor Merlijn is het glashelder: ‘Ik zou nooit een groene appel willen zijn, want, ja, het is best wel een fijn gevoel als je mij bent.’

En zo dartelt Merlijn, en met hem deze heerlijke jeugddocu van Susan Koenen uit 2013, verder door zijn eigen kleine leven. Ravottend met de hond, kletsend met zijn moeder en spelend met het speelgoed dat hij zelf heeft gefabriceerd. Natuurlijk worden in de tussentijd ook zijn problemen aangestipt, maar die krijgen niet de overhand en vertroebelen ook nooit het zicht op wat een heerlijk joch Merlijn is.

Zo wil hij best leren, maar heeft hij dan weer geen zin in school. Een diploma is toch ook maar een stukje papier? En Merlijn zou Merlijn niet zijn als hij niet gewoon zelf een getuigschrift zou maken. ‘Goed gedaan, Merlijn’, staat erop. ‘We zijn supertrots.’ Met kaarsvet zet hij er een officiële stempel op. Deftig: ‘Hiermee verklaar ik dat Merlijn het goed heeft gedaan.’

Het is een prachtig (bijna)slotakkoord voor een onweerstaanbare film, heerlijk op tempo en verluchtigd met lekkere indiemuziek, die een belangrijk maatschappelijk probleem aankaart, zonder het betrokken kind en zijn moeder te problematiseren. Een niet te onderschatten prestatie. Voor hoe Merlijn zichzelf ziet en hoe wij Merlijn, en kinderen zoals hij, zien.

Dat zelfgemaakte diploma vormt tevens het startpunt voor My Journey For Education (43 min.), een documentaire die Merlijn Goldsack in de afgelopen drie jaar zelf heeft gemaakt. Hij onderzoekt daarin waarom er eigenlijk zo’n slechte match was tussen hem en het onderwijs dat hij kreeg aangeboden. In dat kader spreekt hij met een voormalige leerkracht, zijn remedial teacher, de coach die hem bijstond in zware tijden en – jawel! – een docent van de multimedia-opleiding die hij dit moment volgt.

Merlijn, inmiddels een ogenschijnlijk doodnormale jongvolwassene, steekt ook zijn licht op bij scholen in Finland en de Verenigde Staten, waar hij een andere Nederlandse jongen met een autismespectrumstoornis en zijn moeder opzoekt. Het vergaat hen daar aanmerkelijk beter dan in ons land. Wat zouden Nederlandse onderwijsprofessionals van hun lesmethoden en ervaringen kunnen leren?

Merlijn steekt niet onder stoelen of banken dat het maken van deze persoonlijke film lang niet altijd gemakkelijk was: hij werd meermaals geconfronteerd met hoe zijn hersens prikkels (niet) verwerken en de depressies die zijn tevergeefse rondgang langs al die scholen en de bijbehorende teleurstellingen hebben vergezeld.

Ook ditmaal wacht er aan het eind van deze film echter een fraai getuigschrift. Hij spijkert het hoogstpersoonlijk netjes aan de muur. Alleen het officiële stempel van kaarsvet ontbreekt. Goed gedaan, Merlijn!

Crazy, Not Insane

HBO

‘Vraag je je nooit af waarom jij geen moorden pleegt?’, vraagt forensisch psychiater Dorothy Lewis aan het begin van Crazy, Not Insane (117 min.) aan Alex Gibney. ‘Dat doe ik zeker’, antwoordt de Amerikaanse documentairemaker. Diezelfde vraag stelde Lewis aan het begin van haar carrière ook aan zichzelf, toen ze met getroebleerde kinderen werkte. Bij hen ontdekte Lewis steeds weer dat misbruik en mishandeling z’n weerslag hadden gehad op de werking van de hersenen. Dat maakte hun gestoorde gedrag verklaarbaar.

Op basis van die bevindingen was het eigenlijk onvermijdelijk dat ze op het terrein van ernstige misdrijven zou belanden. En toen was ook de stap snel gemaakt naar het summum daarvan, de seriemoordenaar. Lewis ontwikkelde de hypothese dat er bij hen sprake kon zijn van een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Hun gruwelijke daden zouden ze dan hebben gepleegd tijdens dissociatieve episoden (die in deze film zijn verbeeld met duistere animaties).

Dat idee – een kwestie van nurture, in plaats van het toch enigszins geruststellende nature – werd (en wordt) door haar vermaarde vakgenoot Park Dietz direct afgedaan als klinkklare nonsens. Dit soort monsters zijn gewoon ‘born evil’ en kun je dus – als logisch uitvloeisel van dat uitgangspunt – ook rustig ter dood brengen. Dorothy Lewis is daar vanzelfsprekend mordicus tegen en beijvert zich voor behandeling.

Ze zet haar pleidooi in deze film, waarvoor actrice Laura Dern teksten uit de boeken van Lewis insprak, kracht bij met een verwijzing naar de zaak van de ter dood veroordeelde Ricky Ray Rector. Hij was gewend was om zijn toetje voor later te bewaren. Op de dag van zijn executie liet Rector z’n pecannotentaart apart zetten voor ná de executie. ‘Op basis daarvan zou ik zeggen dat hij niet begreep wat het betekende om geëxecuteerd te worden. Maar mijn collega’s zagen er geen been in om de doodstraf te laten uitvoeren.‘ Ze laat een korte stilte vallen. ‘Ik weet niet wie er uiteindelijk dat stuk taart heeft opgegeten.’

Via bekende voorbeelden van beruchte seriemoordenaars en een angstaanjagende ontmoeting met een professionele beul, die in opdracht van de Amerikaanse overheid in heel het land executies uitvoert, belandt de forensisch psychiater in deze boeiende en tamelijk lang uitgevallen documentaire uiteindelijk aan tafel bij de ultieme killer, Ted Bundy. Was dat nou – de traditionele visie – een man die met een zwart hart op de wereld kwam? Of tóch een slachtoffer van zijn jeugd en omstandigheden? Het antwoord van Dorothy Lewis laat zich raden, maar komt toch stevig binnen.

Bedlam

PBS

‘Budi-budi-boop!’, ratelt Johanna. ‘Ik hou van iedereen’, voegt ze eraan toe. ‘Budi-budi-boop! Mijn waarheid zal me vrijmaken.’ Een arts van de psychiatrische Eerste Hulp in Los Angeles probeert haar ondertussen vragen te stellen, maar de 23-jarige vrouw raast in een manisch tempo door. ‘Budi-budi-boop! Ik zag hoe Michael Jackson stierf. Budi-budi-boop. Ik ben niet wie ik ben, begrijp je wel?’

Medicatie wil Johanna echter niet. Als blijkt dat er echt niet met haar valt te praten, krijgt ze uiteindelijk, onder enige dwang, tóch een spuit toegediend. Die brengt haar even onder zeil. De jonge Amerikaanse vrouw is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis en zit midden in een psychotische episode.

Een jaar later oogt dezelfde Johanna een stuk rustiger. Na een periode van in en uit het ziekenhuis is ze nu weer thuis. En flink aangekomen, dat ook. Waarschijnlijk als gevolg van de medicijnen die ze voorgeschreven heeft gekregen. Met die pillen is Joanna nu al enkele maanden gestopt, vertelt ze echter monter aan haar bezorgde vader.

Als de Amerikaanse filmmaker Kenneth Paul Rosenberg, zelf ooit opgeleid tot psychiater, haar weer een jaar later opnieuw thuis opzoekt, zijn de gevolgen daarvan direct zichtbaar: Johanna heeft zichzelf helemaal volgetekend met viltstift, haar woning is een bende en ze dendert weer in een nét iets te hoog tempo door de dag.

Het is een even pijnlijk als vertrouwd beeld, dat enkele malen terugkeert in de documentaire Bedlam (84 min.): van gewone mensen met een psychiatrische aandoening die even lijken op te krabbelen en dan toch weer een terugval hebben. Hun bipolaire stoornis of schizofrenie laat zich nooit definitief de kop indrukken.

In veel westerse landen belanden zulke ‘verwarde mensen’ tegenwoordig eerder op straat of in de cel dan op een plek waar ze echt worden behandeld, stelt Rosenberg. Hij plaatst dat in z’n historische kader: het sociale vangnet dat ooit was opgetuigd, is vanaf de jaren zeventig op een zodanige manier toegetakeld dat het tegenwoordig letterlijk levensgrote gaten bevat.

De filmmaker weet waar hij over praat: zijn eigen zus heeft tientallen jaren met ernstige psychiatrische problemen gekampt. En Rosenbergs gezin met haar. Dat familieverhaal verweeft hij in Bedlam best soepel met pogingen om de psychiatrische zorg te verbeteren en de lotgevallen van enkele doktoren en patiënten die hij gedurende enkele jaren geregeld heeft opgezocht met de camera.

Zoals Johanna, de verpersoonlijking van die bijzonder weerbarstige problematiek. ‘Wat het zo lastig maakt is dat je je een tijd behoorlijk normaal voelt’, zegt ze tegen het eind van de film, weer helemaal bij zinnen. ‘En dan ineens heb je een terugval.’

Het Beste Voor Kees

Henriëtte (l), Kees (m) en Willem Momma (r) / npostart.nl

‘Vieze, vuile teringmof’, schreeuwt Kees Momma in de auto van zijn moeder een andere weggebruiker toe. ‘Schweinhund! Arschloch!’ In de inmiddels klassiek geworden scène uit de documentaire Het Beste Voor Kees (87 min.) uit 2014, die destijds direct viral ging, scheldt hij de onzichtbare bestuurder van een Duitse auto de huid helemaal stijf. Zijn moeder Henriëtte rijdt ondertussen onaangedaan verder en probeert haar briesende zoon tot rust te manen. Tevergeefs. ‘Die gore rotmoffen zouden ze een keer moeten afstraffen’, fulmineert Kees. ‘Een waterstofbom op Mofrica gooien.’

Het portret van de autistische veertiger en zijn bejaarde ouders geldt als één van de populairste Nederlandse documentaires van de 21e eeuw. De hoofdpersoon kreeg zelfs een soort cultstatus, compleet met eigen Facebook-pagina en invitaties voor De Wereld Draait Door. Met zijn opvallende fascinaties, archaïsche taalgebruik en kenmerkende manier van doen zou hij ook moeiteloos kunnen doorgaan voor een typetje van Kees van Kooten. Die populariteit – hoewel ongetwijfeld goedbedoeld – voelt nog altijd wat ongemakkelijk. Omdat Kees de stereotypen die bestaan over een autismespectrumstoornis, onbedoeld en ongewild, behoorlijk bevestigt.

Bovendien is deze documentaire van Monique Nolte, die in 1998 al de docu Trainman maakte over Kees en nu werkt aan het groots opgezette derde deel Kees Vliegt Uit, in wezen een behoorlijk zwaarmoedige film. Over een man die inmiddels tegen de vijftig loopt en nog altijd volledig afhankelijk is van zijn vader en moeder. En over ouders die geen afstand kunnen/durven/willen nemen van hun volwassen zoon. Ze houden hun hart vast bij de gedachte dat er iets met hen gebeurt. Zonder zijn vader en moeder is ‘hun’ Kees, een klassieke autist die in 2004 eens te gast was bij Vinger Aan De Pols, echt reddeloos verloren. Zelfs heel drastische stappen worden in dat verband bespreekbaar gemaakt.

De zoektocht naar een nieuwe woonomgeving, waarin Kees zichzelf én gelukkig kan zijn, verloopt in elk geval weinig voorspoedig. Nolte brengt de tot mislukken gedoemde pogingen van de familie Momma met compassie in beeld en zorgt voor meer dan voldoende tegenwicht, in de vorm van aandoenlijke familietaferelen en fraaie sequenties waarin Kees’ passie voor tekenen en treinen in beeld wordt gebracht, zodat haar film geen moment topzwaar wordt. Dat is, inderdaad, een heel knappe prestatie, die niet voor niets door een groot publiek is (h)erkend. Waarbij het wel de vraag is wat een vervolg, behalve méér van de cultheld Kees, daar nog aan kan toevoegen.

De complete documentaire Het Beste Voor Kees is hier te zien bij 2doc.nl.

Het Voorland Is Back

2doc.nl

Hoe ga je om met de zelfdoding van een dierbare? En ook: hoe leef je daarna zelf verder? Die vragen staan centraal in de korte interviewdocumentaire Het Voorland Is Back (44 min.), een film van Susanne Heering. Haar zus Annemartien maakte op 32-jarige leeftijd een einde aan haar leven.

Coen Verbraak gaat in gesprek met Heering en haar broer en drie zussen over die fatale daad, waarschijnlijk als gevolg van een wild om zich heen grijpende bipolaire stoornis, en de aanloop en afwikkeling daarvan. Over verdriet, onmacht en boosheid – ook op jezelf.

Heering omlijst Verbraaks kenmerkende persoonlijke zitinterviews, die de hoofdmoot van deze film vormen, met familiefilmpjes en figuratieve beelden. Die zijn op hun beurt aangekleed met emotioneel geladen muziek. Het resultaat is een familieportret, dat het rouwproces van een gezin intiem in kaart brengt.

De zussen en broer van Annemartien Heering hebben na haar dood een stichting opgericht die zich sterk maakt voor een ‘bewezen effectieve aanvullende therapie voor mensen met een bipolaire stoornis’.

Het Voorland Is Back is hier te bekijken.

Gioia

Ze werd ooit Aphrodite, de Godin van de liefde. Het was geweldig! Gioia (24 min.) voelde zich mooier en opener dan ooit. Later daalde ze als Persephone af in de onderwereld. Naar ‘de kelder’ van haar psyche. Waar je dingen van jezelf tegenkomt die je eigenlijk niet wilt weten.

Beide ervaringen laten zich nauwelijks in woorden vatten. En ook de officiële karakterisering (psychose) schiet hopeloos tekort. De zinderende danssequenties van Scapino-danseres Mara Hulspas, in een choreografie van Liat Waysbort, in deze debuutfilm van radiomaker Laura Stek maken de wanen van Gioia veel beter invoelbaar. Zo moet het zijn geweest – of had het kunnen zijn geweest.

‘Ik heb nog nooit helemaal precies begrepen: wat is het verschil tussen de mensen die goed kunnen blijven functioneren en die daarnaast een rijke fantasiewereld hebben’, vraagt de hoofdpersoon zelf zich hardop af, ‘en de mensen die de wereld verlaten en in die fantasiewereld willen gaan wonen?’ Is dat dan wat we ‘gekte’ noemen? En wat houdt een normaal leven eigenlijk in? Is dat op de één of andere manier te overleven?

In deze gestileerde korte documentaire slaagt Laura Stek er glansrijk in om ons, gewone huis-, tuin- en keukenkijkers, een klein half uur in de wondere wereld van Gioia Norina Melody Fiorito (34), gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, te laten wonen. Geen lineair verteld levensverhaal dus, maar een louterende, zintuiglijke ervaring, die overrompelende beelden, bewegingen en muziek in je achterlaat. Waardoor je er – een beetje zoals de hoofdpersoon – nét iets anders uitkomt.

Vanuit de achtergrond dringt zich steeds die andere realiteit op – van separeerruimtes, medicijnen en een, gaaaap, regelmatig leven. Als Gioia niet meer opgenomen wil worden, dient ze volgens eigen zeggen voortdurend rekening te houden met ‘de algemeen geaccepteerde werkelijkheid’. In hartje zomer doe je nu eenmaal geen winterkleding aan, ook al ben je van binnen nog zo koud. Die zwierige slalom langs waan en werkelijkheid geeft deze film, die in competitie is voor een Gouden Kalf, een enorme zeggingskracht.

The Devil And Daniel Johnston

Ik herinner het me als de dag van gisteren: ‘I heard the Jews are having a pyjama party at the concentration camp.’ Hij zei ’t echt, tijdens een optreden op het Take Root-festival in Tilburg in 2002. De Amerikaanse singer-songwriter Daniel Johnston. Een dikkige wereldvreemde kerel, die zich met onvaste stem en onbeholpen gitaarspel door zijn eigen oeuvre worstelde. De Holocaust-grap vormde de anticlimax van een sowieso erg ongemakkelijk optreden, waarin hij ook nog verhaalde over een man die de doodstraf had gekregen vanwege een zelfmoordpoging.

Helemaal verbaasd over zijn ontregel(en)de gedrag konden concertgangers niet zijn. De wilde verhalen waren Johnston al vooruitgesneld. En die werden drie jaar later, in 2005, allemaal nog eens bevestigd, van een zeer persoonlijke context voorzien en met ongelooflijk veel verve uitgeserveerd in de overrompelende documentaire The Devil And Daniel Johnston (110 min.) van Jeff Feuerzeig. Het is een portret waarin de hoofdpersoon op alle mogelijke manieren aanwezig is (via zijn muziek, kunstprojecten, familiefilmpjes en archiefmateriaal), maar zelf niet wordt bevraagd. Dat is ook nauwelijks mogelijk.

Behalve een hele stoet liefhebbers en fans komen wel zijn betrokken vader, moeder, broer en zus aan het woord. Daniel zelf laat van zich horen via talloze audiocassettes die hij gedurende de jaren heeft gemaakt. Daarop stort hij zijn hart uit, gaat als een gek tekeer over Satan en legt tevens stiekem situaties in familiekring vast. ’Ik wil niet dat mijn zoon het lachertje wordt’, hoor je zijn moeder Mabel bijvoorbeeld tegen de jonge Daniel tieren. ‘Maar dat is wat je bent.’ De instabiele artistiekeling, gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, blijkt al van jongs af aan het zorgenkindje van een gelovig gezin. Volgens zijn beste vriend David Thornberry noemde zijn moeder hem regelmatig een ‘unprofitable servant of the Lord’. Daniel zelf verbasterde dat op geheel eigen wijze dan tot ‘an unservicable prophet’.

Daniels beeld van de wereld komt gaandeweg steeds meer op gespannen voet te staan met de werkelijkheid van anderen. Op de plaatselijke kunstacademie ontmoet hij bijvoorbeeld de liefde van zijn leven Laurie Allen, die hij op camera braaf ‘I love you, Danny’ laat zeggen. Zij heeft echter geen idee van zijn gevoelens en al wel een vriendje. Meer heeft Daniel niet nodig om in een diepe depressie te raken. In zekere zin geniet hij, volgens zijn vriend David, echter ook van de ontstane situatie: met haar afwijzing heeft hij iets om zich diep ongelukkig over te voelen. Er zullen nog vele inzinkingen volgen, met de bijbehorende waanbeelden, paranoia en verplichte opnames – en onnavolgbare muziek en tekeningen.

Illustratief is een bizar optreden in de New Yorkse undergroundclub Piers Platter, waarbij Daniel het publiek laat meezingen met het bijzonder macabere lied Funeral Home: ‘Funeral home. Funeral home. Going to the funeral home. Got me a coffin, shiny and black. I’m going to the funeral and I’m never coming back.’ Met zulke ziel snijdende performances verwerft hij begin jaren negentig een cultstatus, zeker nadat Nirvana-zanger Kurt Cobain zich laat vereeuwigen met een Daniel Johnston T-shirt. Vanuit een psychiatrisch ziekenhuis onderhandelt de man zelf intussen met platenmaatschappijen. Tot een succesvolle carrière zal het echter nooit komen. Johnston blijft een figuur in de marge, die vanuit zijn ouderlijk huis een gestage stroom songs en tekeningen (die ook worden geëxposeerd en verkocht) op gang houdt.

‘Ik weet zeker dat Daniel straks naar de hemel gaat’, zegt één van de sprekers in deze bijzonder aangrijpende film. ‘Want in de hel is hij al geweest.’

In 2015 verscheen er nog een lekker speelse korte film met de singer-songwriter, getiteld Hi, How Are You Daniel Johnston?, waarin geanimeerde versies van de jeugdige en oudere Daniel met elkaar in gesprek gaan en de filmmaker zelf, Gabriel Sunday, in enkele scènes een jonge Johnston speelt. Met bovendien een fraai nummer van Lana del Rey, Some Things Last A Long Time.