Under The Wire

underthewiremovie.com

Ze moest letterlijk een oog geven voor haar missie. In 2001 te Sri Lanka, tijdens een bloedige burgeroorlog. Een ooglapje zou het handelsmerk worden van de Amerikaanse oorlogscorrespondent Marie Colvin. Net als dat ze voor de Duvel niet bang was en koste wat het kost, ongeacht de omstandigheden, de verhalen van gewone mensen wilde vertellen. Zo zou ze ook aan haar einde komen, bij een raketaanval in de Syrische stad Homs op 22 februari 2012.

Colvin was zo’n vrouw waarover films worden gemaakt: A Private War (het speelfilmdebuut van de gevierde documentairemaker Matthew Heineman, met Rosamund Pike als de onvervaarde journaliste) en de documentaire Under The Wire (93 min.) van Chris Martin. Beide films uit 2018 zijn zowel een eerbetoon aan de vrouw zelf als aan haar stiel, de oorlogsjournalistiek, en vormen tevens een vlijmscherpe aanklacht tegen oorlog in het algemeen.

Waar de speelfilm Colvins complete loopbaan probeert te vatten, inclusief haar trauma’s en drankmisbruik, reconstrueert deze docu alleen de helletocht die zou leiden tot haar dood (en die van haar Franse collega Rémi Ochlik). ‘Er is een vrouw dood’, roept een man op huiveringwekkende amateurbeelden, die de paniek van het moment perfect weerspiegelen. ‘Wie?’ reageert een ander. ‘Marie van The Sunday Times?’ Het antwoord slaat alle hoop de bodem in: ‘Ja, Marie van The Sunday Times. Ze is dood.’

Maar, om een bekende boutade te parafraseren: achter elke succesvolle vrouw staat een sterke man: fotograaf Paul Conroy. Colvins vaste partner in crime is de eigenlijke hoofdpersoon van deze beklemmende documentaire. Die is ook gebaseerd op het boek dat hij schreef over hun werkreis naar Assads Syrië. Nadat ze samen de voorpagina van de krant hadden gehaald en zij dat met de dood moest bekopen, belandde hij weer bij de benauwde kilometerslange tunnel die hen op de plek des onheils had gebracht.

Conroy had nog maar één missie: zijn verhaal vertellen. Hun verhaal. Samen met enkele collega’s die erbij waren op dat fatale moment en in de rug gedekt door een slimme combinatie van reconstructiebeelden en shockerende opnamen van de ‘slachting’ ter plaatse brengt hij de horror tot leven. Dat komt hard binnen. Marie, een ijzervreter van het zuiverste water, zou vast niet anders gewild hebben.

Bosnian Girl

EO

Ze zitten dicht bij elkaar. Harm en Tea. En Frank en Tea. Ze proberen te praten. Te luisteren. Echt te communiceren. Een hele nacht lang. Ze moeten wel. De afspraak is dat ze niet weggaan. Uit dat lege, verduisterde theater. Tussen hen in staat echter een muur: Srebrenica. Bijna achtduizend moslimmannen werden daar gedood. Op 11 juli 1995, de grootste massamoord in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Door Servische troepen onder leiding van generaal Ratko Mladic. En onder het toeziend oog van Nederlandse soldaten.

Zij was toen een zevenjarige Bosnian Girl (58 min.). Zij waren uitgezonden vanuit Nederland. Als onderdeel van Dutchbat III, de Nederlandse legereenheid die het allemaal liet gebeuren. Toen ze weggingen, bleef er een graffiti-tekst achter op hun compound. ‘Geen tanden, een snor, ruikt naar stront, Bosnisch meisje’, leest Harm voor. Het beeld beklijfde in de plaatselijke gemeenschap. ‘Werden wij echt zo gezien?’ wil Tea weten. Harm: ‘Dat geloof ik niet. En ik snap echt niet waarom iemand dit zou schrijven en het ook echt zo bedoelt.’

In haar documentairedebuut blijft theatermaakster Tea intussen dicht bij haar eigen stiel. Deze film voelt als een soort real life-voorstelling voor tweemaal twee mensen, die door de omstandigheden worden gedwongen om samen (of juist niet) een emotionele reis aan te gaan. Confrontaties, begrip en ongemakkelijke stiltes wisselen elkaar daarbij af. Net als indringende close-ups, spannende two shots en soms gewoon zwart beeld. De geheel geconstrueerde werkelijkheid die zo ontstaat probeert een diepere waarheid te onthullen, maar oogt soms ook gewoon als een sfeervol uitgelichte variant op het televisieprogramma 24 Uur Met.

En dan maakt de duisternis weer plaats voor daglicht en gaat ieder, verrijkt dan wel getergd, zijns weegs…

Shut Up & Sing

Terwijl het Amerika van president George W. Bush zich in het voorjaar van 2003 opmaakt voor een bijzonder omstreden militaire inval in Irak, geeft het populaire countrytrio The Dixie Chicks uit zijn thuisbasis Texas een optreden in Londen. ‘Wij zijn tegen deze oorlog, dit geweld’, zegt zangeres Natalie Maines daarbij. ‘En we schamen ons dat de president van de Verenigde Staten uit Texas komt.’ Ze moet er zelf om lachen. Het was geen vooropgezet plan. De woorden zijn haar per ongeluk ontsnapt.

Na afloop van het concert lijkt er geen vuiltje aan de lucht. De drie vrouwen en hun management zijn tevreden over de show. Ze hebben geen idee dat half Amerika, het patriottische deel, straks over hen heen zal vallen. Regisseur Barbara Kopple registreert vervolgens van dichtbij hoe Maines en de zussen Martie Maguire en Emily Robison reageren als de conservatieve countrywereld z’n favoriete dochters in de ban doet, hun cd’s publiekelijk worden vernietigd en de algehele sfeer rond de dames ronduit bedreigend wordt.

’Ze schaden onze mannen overzee’, zegt een gast in een praatprogramma. ‘Dit zijn de domste bimbo’s die ik ooit heb gezien’, stelt een ander. En de beruchte talkshowhost Bill O’Reilly concludeert dat iemand die meiden eigenlijk eens alle hoeken van de kamer moet laten zien. Shut Up & Sing (92 min.) documenteert hoe The Dixie Chicks in de drie jaar na Maines’ slip of the tongue de storm proberen te trotseren, hun persoonlijk leven verder gestalte geven én de weg terug naar het hart van Amerika hopen te vinden.

Het is uiteindelijk een klein en menselijk verhaal over hoe je in tijden van nationale eenheid ineens helemaal uit de gratie kunt raken en hoe moeilijk het dan is om in zo’n storm, ook al raast die slechts in een glas water, echt bij jezelf te blijven. En dan, als die oorlog in Irak maar blijft voortduren en slachtoffers blijft maken, verandert zowaar de ‘you’re either with us or with the terrorists’-attitude in het land en worden de moed en standvastigheid van The Dixie Chicks (die sinds kort overigens door het leven gaan als The Chicks) alsnog beloond.

For Sama

Het is een scène die je nooit meer vergeet. Een gewonde vrouw wordt binnengebracht in een noodhospitaal in Aleppo. Ze is hoogzwanger. Het is onduidelijk of de aanstaande moeder kan overleven. De artsen besluiten tot een spoedkeizersnede. Het grijze jongetje dat zo ter wereld wordt gebracht oogt levenloos.

Ze beginnen het kind te reanimeren, schudden hem door elkaar en wrijven zijn ruggetje warm. Wat ze ook doen, het jongetje wil de geest maar niet krijgen. Burgerjournalist Waad al-Kateab staat er met haar camera bovenop en vangt zo een sleutelscène voor haar film: nieuw leven in het hart van de oorlog. Heeft het een kans?

In de persoonlijke film For Sama (95 min.), die de ene na de andere filmprijs wint en op het IDFA nog werd gekozen tot dé publieksfavoriet, richt de jonge Syrische filmmaakster zich in haar verbindende voice-over tot het kind dat in haar eigen buik tot volle wasdom is gekomen. Ze vertelt Sama haar levensverhaal en toont het werk van haar activistische echtgenoot Hamza, die als arts in het hospitaal werkt.

Intussen probeert al-Kateab, samen met co-regisseur Edward Watts, bewijsmateriaal te verzamelen van de vernietigende burgeroorlog in Syrië, die ook haar prille gezin steeds verder in het nauw brengt. Ze stelt zichzelf daarbij pijnlijke vragen: heeft een kind een kans op een normaal leven als rondom haar een bloedige burgeroorlog woedt? En: ben je een egoïst of zelfs een lafaard als je in die omstandigheden je huis ontvlucht?

Het zijn de elementaire dilemma’s die oorlog losmaakt in gewone mensen en die ook al in talloze andere documentaires over Syrië aan de orde zijn gesteld. Het decor voelt ook vertrouwd: een belegerde en inmiddels volkomen kapot geschoten stad, die van alle kanten wordt aangevallen. Totdat er écht geen leven meer inzit. Toch went de bijbehorende mengeling van (wan)hoop, paniek en galgenhumor nooit.

Zeker niet als de bijbehorende mensen echt tot leven komen en hun relaas van binnenuit wordt verteld. Zoals in het verpletterende For Sama, een documentaire die – naast Last Men In Aleppo, City Of Ghosts en The Cave – een plek verwerft in het rijtje essentiële Syrië-films, dat eigenlijk verplicht moet worden gesteld voor iedereen met een gemakkelijke mening over oorlogsslachtoffers en vluchtelingen.

On The President’s Orders

Frontline

‘Adolf Hitler slachtte drie miljoen Joden af. Wij hebben drie miljoen verslaafden. Die zou ik met liefde en plezier afslachten.’ Was getekend: Rodrigo Duterte, president van de Filipijnen. Een man die ook niet schroomt om de daad bij het woord te voegen en van de ‘war on drugs’ daadwerkelijk een oorlog te maken.

Hoe dat gevecht tegen drugsgebruikers en -dealers er in de praktijk uitziet, wordt glashelder in de huiveringwekkende documentaire On The President’s Orders (55 min.). De business loopt als een tierelier, vertelt een plaatselijke uitvaartondernemer. Zijn houding is exemplarisch voor de totale ontmenselijking van alles en iedereen die met drugs te maken heeft. Ze worden opgejaagd door doodseskaders, die er met hun skeletmaskers uitzien als de schurken in een slechte horrorfilm.

‘Veel schietpartijen ogen heel professioneel’, constateren de filmmakers James Jones en Olivier Sarbil als ze de commandant van een gemilitariseerde politie-eenheid confronteren met de enorme hoeveelheid dodelijke slachtoffers. ‘U kunt zich vast voorstellen waarom mensen denken dat de politie erbij betrokken was?’ Ja, antwoordt Octavio Deimos, met een mitrailleur in de hand. ‘Het kan best zijn dat mensen dat denken, maar in werkelijkheid klopt dat niet.’

Even later: ‘Natuurlijk doodt de politie mensen als ze terug vecht.’ Deimos schiet er spontaan van in de lach. ‘Als de politie dat doet, is het geoorloofd. Wij zijn nu eenmaal de politie. En wij handhaven de wet.’ Waarna de man zijn flinterdunne verdedigingslinie helemaal laat vallen. ‘Drugsgebruikers of -dealers hebben hier helemaal niks te zoeken. Zij willen gewoon niet leven. Ze leven al in de hel, dus kunnen wij ze er net zo goed ook echt naar toesturen.’

Zelden zal de zondeboktheorie zo openlijk en zonder enige vorm van verontschuldiging in de praktijk zijn gebracht als tijdens Dutertes schrikbewind in de Filipijnen. Het gevolg, daadkrachtig vervat in deze onrustbarende film, is doodeng: een duistere politiestaat, waarin de absolute leider zijn domme krachten, geanonimiseerd en zwaarbewapend, rücksichtslos op de bevolking loslaat en uiteindelijk – dat valt vrij eenvoudig te voorspellen – niemand veilig zal blijken te zijn.

The Cave

Als reusachtige roofvogels cirkelen Assads en Poetins bommenwerpers boven Damascus. Hun bommen zaaien dood en verderf op de grond, waar de wijk Oost-Ghouta al ruim vijf jaar wordt belegerd. Meer dan 400.000 inwoners zitten als ratten in de val. Ze zijn gereduceerd tot bommenvoer en leven van de ene naar de andere verpletterende inslag.

Onder de stad is een netwerk van grotten aangelegd. Er wonen mensen, hele gezinnen zelfs, en er is een klein noodhospitaal. Daar zwaait de 29-jarige Amani Ballour de scepter. De jonge, idealistische vrouw stuurt in The Cave (107 min.) enkele doctoren en verpleegsters aan, die in barbaarse omstandigheden werk verrichten dat letterlijk van levensbelang is. Intussen proberen ze iets van menselijkheid te behouden.

De oudere arts Salim zweert tijdens het opereren bijvoorbeeld bij klassieke muziek, terwijl kokkin Samaher altijd in is voor een geintje. Tijdens het bereiden van de maaltijd moet ze alleen regelmatig even bij haar pannen weg om een veilig plekje op te zoeken. Amani luistert ondertussen naar voicemail-berichtjes van haar vader. Hij is trots op zijn dochter, maar wat zou haar leven eenvoudig zijn als ze een jongen was geweest! Vrouwen horen volgens veel Syrische mannen nu eenmaal thuis, achter het aanrecht.

Tegelijkertijd worden er steeds nieuwe slachtoffers binnengebracht, soms zelfs per kruiwagen. Ernstig gewonden, mensen die helemaal in de war zijn en – niet alleen Amani’s hart breekt – beschadigde kleine kinderen. De ellende is met geen mogelijkheid te bezweren, zelfs niet door Amani en haar dappere team. Angst, gevaar en pure chaos nemen het hospitaal langzaam maar zeker over. Totdat ook de artsen zelf de wanhoop nabij zijn en een beslissing moeten nemen over hun eigen lot.

Nadat hij eerder in het bijzonder aangrijpende, voor een Oscar genomineerde Last Men in Aleppo (2017) een groepje hulpverleners portretteerde, dat na gevechten en bombardementen slachtoffers vanonder het puin probeerde te halen, heeft filmmaker Feras Fayyad opnieuw een ontzettend urgente film gemaakt over een klein groepje Syriërs, dat de gekmakende oorlog in hun land – tegen beter weten in – het hoofd blijft bieden.

Het resultaat is niets minder dan een eerbetoon aan menselijke moed. Een blijk van vertrouwen in de elementaire goedheid van de mens – of, op zijn minst, van sommige mensen. En een even onontkoombare als verpletterende film. The Cave is zonder enige twijfel één van de beste documentaires van het jaar 2019.

Crazy

IDFA

De troostende en helende werking van muziek. Zelden zal ie zo tastbaar zijn gemaakt als in de documentaire Crazy (99 min.), waarmee Heddy Honigmann zowel de publieksprijs van het IDFA als een Gouden Kalf won. Zodra de camera zich vastzet op het gezicht van een Nederlandse militair die zijn oorlogservaringen herbeleeft tijdens het beluisteren (nee: ondergaan) van zijn lijflied uit die tijd, verdwijnt elke mogelijke weerstand en krijgen zelfs overbekende hits van Elvis, U2 en – God betere ’t – Paul de Leeuw een geheel nieuwe lading.

Via die muziek dringt Honigmann in deze film uit 1999 door tot de kern van de soldaten tegenover haar. Veteranen van vergeten VN-missies in Cambodja, Libanon, Rwanda en Joegoslavië. Ze delen tevens hun verhalen, herinneringen en persoonlijke brieven en foto’s met haar, maar houden hun kaarten soms ook tegen hun borst. Want: een man mag niet huilen, zoals een getormenteerde Brabantse soldaat het uitdrukt. Zeker een militair niet. Zodra het intro van hun favoriete nummer klinkt – in zijn geval Knockin’ On Heaven’s Door van Guns N’ Roses – is er echter geen houden meer aan. Die muziek maakt weerloos.

Soms moet de filmmaakster verdomd hard werken om tot haar hoofdpersonen door te dringen. Rwanda-veteraan Niels Verheul wuift tijdens het gesprek bijvoorbeeld consequent elke vorm van emotie weg. ‘Ik zie mezelf niet in een hoekje gaan zitten huilen hoor’, vertelt hij nadat Honigmann diverse malen heeft doorgevraagd. Voor de zekerheid vraagt ze het nóg een keer: ‘Heb je dat nooit gedaan?’ ‘Nee’, bezweert hij. Zijn vrouw vult aan: ‘Daar niet, denk ik.’ Even later zit het stel samen op de bank zachtjes mee te zingen met De Figuranten van Stef Bos.

Ik ben in een gehaktmolen gegaan, zegt Peter Jan Dullaert over zijn uitzending naar Bosnië. ‘Daaruit is weer een ander mens gekneed. En ben ik wie ik nu ben.’ Hij specificeert: ‘bier drinken, roken en elke seconde leven. Niet elke dag, maar van seconde op seconde leven.’ Hij oogt als een gespannen veer, die op knappen staat. PTSS, denk je dan als leek, maar daar was toentertijd nog niet zoveel aandacht voor bij de Nederlandse krijgsmacht. In de afgelopen twintig jaar is er op dat gebied veel veranderd. En wellicht heeft de klassieke Nederlandse documentaire Crazy daarin nog een bescheiden rol gespeeld.

Hondros

Netflix

Het is gemakkelijk om oorlogsfotografen te reduceren tot een eenvoudige stereotype: de ‘thrill seekende lone wolf’. Een man van weinig woorden, die zich met zijn camera staande weet te houden in een machowereld waarin veel gelegenheid is voor bravado en – wellicht uit puur zelfbehoud – heel weinig ruimte voor introspectie.

‘Het probleem van oorlogsfotografie is dat je het nu eenmaal niet vanaf een afstandje kunt doen’, zegt Chris Hondros droog in deze aan hem gewijde film van zijn vriend en collega Greg Campbell. Hondros (92 min.) kwam uiteindelijk toch te dichtbij: hij overleed tijdens een mortieraanval in Libië in 2011.

In de voorafgaande decennia struinde de Amerikaanse fotograaf alle mogelijke oorlogsgebieden af. Hij maakte in die periode zeker twee klassieke foto’s: een uitzinnige Liberiaanse kindsoldaat (2003), die zojuist een raket heeft afgevuurd, en een huilend meisje in Irak (2005) waarvan de ouders even daarvoor een bevel om met hun auto te stoppen hebben genegeerd en vervolgens door het Amerikaanse leger zijn doodgeschoten.

Campbell exploreert in deze film niet alleen het leven en werk van zijn dierbare vriend, die volgens zijn eigen moeder in 41 jaar meer meemaakte dan menigeen in dubbel zoveel jaren, maar gaat ook op zoek naar de hoofdrolspelers van zijn klassieke foto’s en kijkt met hen wat er daarna gebeurde. Dat geeft dit postume eerbetoon aan de gelauwerde oorlogsfotograaf echt meerwaarde.

Tijdens de aanval die Chris Hondros het leven kostte stierf ook de Britse fotograaf Tim Hetherington, die de Oscar-winnende documentaire Restrepo maakte. Over hem werd eveneens een documentaire gemaakt: Which Way Is The Frontline From Here?: The Life And Time Of Tim Hetherington.

Het turbulente leven van oorlogsfotografen leent zich sowieso goed voor een documentaire. Zo zijn er al films gewijd aan ‘war photographer’ James Nachtwey, Kevin Carter (lid van de beruchte Bang Bang Club) en James Foley, de fotojournalist die werd onthoofd door IS.

Ook interessant (en bovendien online te bekijken): de documentaire Underfire: The Untold Story Of Pfc. Tony Vaccaro, een Amerikaanse soldaat die de Tweede Wereldoorlog van binnenuit vastlegde.

City Of Ghosts


Het zou me niet hebben verbaasd, zo schreef ik in mijn jaaroverzicht voor 2017, als Matthew Heineman de Oscar voor beste documentaire zou winnen met City Of Ghosts (92 min.), een onontkoombare film over Syrische burgerjournalisten die met gevaar voor eigen leven berichten over de gruwelen van IS. De prijs zou echter gaan naar Icarus, een fascinerende documentaire over het Russische dopingprogramma.

In 2016 was Heineman al eens dichtbij een Oscar met Cartel Land (nog steeds te zien op Netflix), een geweldige film over de drugsoorlog die op de grens van de Verenigde Staten en Mexico wordt uitgevochten (en die onlangs een krachtig vervolg kreeg met de miniserie The Trade). Zijn volgende film City Of Ghosts is opnieuw een mokerslag die je nog dagen op je bakkes voelt: actueel, urgent en superspannend. Niet eerder werd de nefaste ideologie van Islamitische Staat, dat alles wat het Kalifaat voor de voeten loopt letterlijk de kop probeert af te hakken, zo pregnant in beeld gebracht.

De Amerikaanse filmmaker volgt de burgerjournalisten van het collectief Raqqa Is Being Slaughtered Silently, die met gevaar voor eigen leven, en dat van hun dierbaren, proberen te berichten over de dagelijkse dreiging van het leven met/onder IS. Zelfs in het buitenland zijn deze onbekende helden, die de Duivel brutaal in de bek hebben gespuugd, niet meer veilig als IS-cellen worden ingezet om hen met grof geweld uit de weg te ruimen.

De angst die hen begeleidt bij elke stap die ze zetten, elk stuk dat ze schrijven en elke misstand die ze fotograferen of filmen – en de moed die ze ergens diep van binnen toch steeds weer vinden om hun missie te vervolgen – wekt evenveel bewondering als verbazing. Hoe blijf je mens in dit genadeloze kat- en muisspel? Gaandeweg dringt in deze doodenge docu echter het besef door dat ze helemaal geen keuze meer hebben: ‘Of we winnen of ze doden ons allemaal.’

The Vietnam War

PBS

In de epische documentaireserie The Vietnam War (990 min.) vertellen Ken Burns en Lynn Novick, het definitieve verhaal van Amerika’s meest traumatische oorlog.

Ken Burns is een levende legende binnen de Amerikaanse filmwereld. Als een soort filmende evenknie van Geert Mak heeft hij de recente historie van de Verenigde Staten toegankelijk gemaakt voor een breed publiek; van grote politieke thema’s als The Civil War, de drooglegging en de Amerikaanse bijdrage aan de Tweede Wereldoorlog tot de geschiedenis van honkbal, jazz en de Amerikaanse natuurparken.

The Vietnam War is de nieuwste loot aan de boom. In tien afgewogen afleveringen van in totaal zo’n 16,5 uur (!) diepen Burns en zijn vaste partner in crime, producer/regisseur Lynn Novick, werkelijk alle aspecten van ‘Nam uit. Ze laveren daarbij duivels knap tussen het grote, geopolitieke verhaal en de ‘kleine’ menselijke verhalen van gewone Amerikanen en Vietnamezen, zowel Vietcong-strijders als handlangers van de Verenigde Staten.

Acteur Peter Coyote fungeert intussen als alwetende verteller die de kijker met zijn pregnante stem majestueus door ruim vijftien jaar dood en verderf loodst. The Vietnam War is sneller gemonteerd en moderner vormgegeven dan Burnes’ oude werk, waarbij met name de spannende soundtrack van Atticus Ross en Trent Reznor (van de industrial metalband Nine Inch Nails) echt iets toevoegt aan toch wat uitgekauwde Vietnam-evergreens als Paint It, Black, Bad Moon Rising en The “Fish” Cheer / I-Feel-Like-I’m-Fixin’-To-Die-Rag.

Het hart van The Vietnam War wordt echter als vanouds gevormd door een indrukwekkende verzameling bijzonder archiefmateriaal, gestut door krachtige, verhelderende en ontroerende getuigenissen van direct betrokkenen. Zodat die oorlog waarvan je alles wel dacht te weten toch nog onvermoede kanten blijkt te hebben.

Je kunt overigens nóg verder inzoomen op de oorlog in Vietnam. De televisiedocumentaire My Lai belicht bijvoorbeeld de oorlogsmisdaden die een groepje Amerikaanse militairen in 1969 beging bij het gelijknamige Vietnamese dorp, terwijl Last Days In Vietnam van Rory Kennedy, dat voor een Oscar werd genomineerd, zich volledig concentreert op de smadelijke aftocht van de Amerikanen en het verpletterde land dat ze achterlieten.

Aleppo’s Fall

Aleppos-fall-1170x680

 

Hoeveel films over de oorlog in Syrië kan een mens verdragen? Of, nog banaler, is er na pak ‘m beet Oscar-kanshebber Last Men In Aleppo, The White Helmets en City Of Ghosts (mentale) ruimte voor nóg een documentaire over de alles verwoestende strijd in Syrië?

Misschien heeft die metaalmoeheid te maken met het feit dat oorlog voor ons, westerlingen, slechts een schouwspel is geworden, dat zich altijd elders, in een donkere uithoek van de wereld of gewoon op het scherm voor ons, afspeelt. We kennen het niet meer van binnenuit. De Syrische filmmaker Nizam Najjar, al jaren woonachtig in Noorwegen, doet met Aleppo’s Fall (52 min.) opnieuw een dappere poging om de westerse kijker voor even participant te maken in het gevecht dat de halve wereld ontwricht.

Na de Arabische Lente is Najjar naar zijn geboortestad vertrokken, om daar vast te leggen hoe de rebellen dictator Bashar al-Assad van zijn troon proberen te stoten. Hij belandt daarvoor bij een afdeling van het Vrije Syrische Leger, waar nog enkele andere cameramannen rondlopen. Want dat is moderne oorlogsvoering: de camera is overal. De betrokken partijen strijden niet alleen om hun land, maar ook om de beeldvorming. Wie slaagt erin om zijn eigen kameraden als helden te portretteren en tegelijkertijd de misdaden tegen de menselijkheid van de tegenpartij vast te leggen?

Het Vrije Syrische Leger is een bonte verzameling van verzetsstrijders, die met moeite de rijen gesloten weet te houden. Interne tegenstellingen zetten de verhoudingen op scherp en verzwakken tegelijkertijd de eigen positie. De genuanceerde commandant Omar, die vindt dat hij in zijn functie niet in het openbaar mag twijfelen aan de goede afloop van hun strijd, probeert de verschillende facties bij elkaar te houden. Intussen lacht Assad in zijn (ijzeren) vuistje.

‘Welk verhaal denk je dat ik probeer te vertellen?’, wil regisseur Najjar van Omar weten in deze film, die uiteindelijk toch weer ‘gewoon’ onder de huid kruipt. ‘Hoe gaat dit aflopen?’ De commandant lacht ongemakkelijk terwijl hij met zijn mobiele telefoons speelt: ‘Het wordt één van de twee: óf ik word gedood óf we behalen de overwinning.’

Watani – My Homeland


Als de zevenjarige Farah beschrijft hoe ze zag dat een bevriende man werd onthoofd toen de bom die hij maakte voortijdig ontpofte, lopen de koude rillingen over je rug. De horror van oorlog, door de ogen van een kind. Dat went nooit. Ook de andere kinderen van het Syrische gezin, dat enkele jaren wordt gevolgd in Watani: My Homeland (51 min.), krijgen nauwelijks de kans om gewoon kind te blijven.

Het duurde acht jaar voordat ze kinderen konden krijgen, vertelt hun vader Abu Ali aan het begin van de documentaire. En nu, constateert hij vertwijfeld, brengt hij zijn zoon en drie dochters zelf in gevaar omdat hij zo nodig moet vechten in het (gematigde) Vrije Syrische Leger. Als niet veel later het noodlot toeslaat en Abu Ali in handen valt van IS, verlaat zijn gezin huis en haard voor een onzeker bestaan als vluchteling.

Regisseur Marcel Mettelsiefen doet verslag van hoe het hen daarna vergaat in deze boeiende film, die eerder dit jaar was genomineerd voor een Oscar voor beste korte documentaire. In Europa proberen moeder Hala en haar vier kinderen een nieuw leven op te bouwen. Intussen wachten ze, met stijgende ongerustheid, op nieuws van/over vader Abu Ali…

Five Broken Cameras


Er lag een enorme berg beeldmateriaal. Zonder begin of einde. De Palestijnse cameraman Emad Burnat zag door de bomen allang het bos niet meer. Totdat hij toch een logische structuur vond: de vijf camera’s waarmee hij al die beelden had geschoten. Elk exemplaar vertelde zijn eigen verhaal. En met die vijf verhalen had Burnat zijn film.

En Five Broken Cameras, waarvan de televisieversie (53 min.) is terug te bekijken op 2doc.nl, is een ronduit verpletterende film geworden. Een diep menselijke aanklacht tegen Israëls nederzettingenpolitiek, verteld vanuit Palestijns perspectief. Burnat legt vast hoe zijn dorp Bil’in op de westelijke Jordaanoever, van oudsher Palestijns terrein, langzaam maar zeker wordt ingesloten door oprukkende Joodse kolonisten en het Israëlische leger dat hun komst faciliteert.

Het verhaal van Bil’in begint gaandeweg te lijken op een soort navrante variant op dat ene dorpje uit de Asterix en Obelix-strips, dat zich met de moed der wanhoop blijft verzetten tegen de grote overheerser. Een dorpje met zijn eigen heethoofden, diplomaten en martelaren. Binnen die explosieve atmosfeer probeert filmer én vader Emad Burnat, ondersteund door zijn Israëlische co-regisseur Guy Davidi, het hoofd enigszins koel, zijn camera enigszins steady en zijn gezin enigszins veilig te houden.

Behalve de voorspelbare kritiek – mag een Palestijn samenwerken met een Jood bij een film over zo’n precair onderwerp? – bezorgde hem dat ook de publieksprijs op het IDFA van 2012, de allereerste Palestijnse Emmy Award én een Oscar-nominatie. In de aanloop naar die uitreiking, waarbij Searching For Sugar Man er met de prijs vandoor ging, werd Burnat nog een tijd vastgehouden op het vliegveld van Los Angeles. Hij zou niet de juiste papieren bij zich hebben gehad. Zou hij zijn zesde camera toen thuis hebben gelaten?

My Own Private War

Taskovski

Drie generaties van haar familie zijn in Nederland beland. Haar zoontje Sergej is er geboren en weet niet beter. Haar ouders Vesna en Vojo, in eigen land chemicus en professor, zijn nu respectievelijk vrijwilliger bij vluchtelingenwerk en lid van de schaakclub. Zelf kan Lidija Zelovic zich maar niet losmaken van haar geboorteland. Ze wil de ultieme film maken over de oorlog die hen van huis en haard verdreef.

Zelovic kwam ruim twintig jaar eerder alleen over vanuit het voormalige Joegoslavië, twee jaar later werd ze in Nederland herenigd met haar ouders. In de egodocu My Own Private War (56 min.) uit 2015, die woensdag wordt herhaald op NPO2, haalt ze samen met hen bitterzoete herinneringen op aan haar onbezorgde jeugd in Sarajevo en onderzoekt wat de burgeroorlog bij de mensen uit haar omgeving heeft aangericht (en wat die mensen intussen zelf hebben aangericht).

In haar voormalige ouderlijke huis vindt Zelovic bijvoorbeeld oude liefdesbrieven van haar ouders, relikwieën van een verloren tijd en leven die droef en weemoedig stemmen. En op een onbewaakt ogenblik loopt ze haar neef Zeljko tegen het lijf, die tijdens de oorlog dienst heeft gedaan als Servische sluipschutter. Niemand zit eigenlijk op zijn verhaal te wachten, zo constateert zijn nicht. Voor de buitenwereld is hij ‘gewoon’ een agressor.

Via haar persoonlijke familiegeschiedenis schetst Zelovic zo de verschillende kanten en gevolgen van een oorlog, die natuurlijk louter verliezers kent. Toch is My Own Private War uiteindelijk geen deprimerende film. Te midden van de persoonlijke drama’s vindt de filmmaakster, die confrontaties niet uit de weg gaat, voldoende aanknopingspunten voor een enigszins hoopvolle slotconclusie: ook als je veel (van jezelf) kwijtraakt, is er reden genoeg om te leven.

Defending Brother No. 2

VPRO

Broeder nummer een, de beruchte Pol Pot, heeft zich nooit hoeven te verantwoorden voor zijn daden als leider van de Cambodjaanse Rode Khmer. De nummer twee van het schrikbewind, dat halverwege de jaren zeventig twee miljoen landgenoten slachtofferde voor een communistisch ideaal, moet wél voor een VN-tribunaal verschijnen.

De Nederlandse advocaten Michiel Pestman en Victor Koppe worden ingevlogen om de inmiddels hoogbejaarde Nuon Chea te verdedigen. Het moet de zaak van hun leven worden, een moderne variant op de Nazi-processen in Neurenberg. In een land dat nog altijd opzichtig worstelt met zijn verleden.

Niet veel later keert Pestman alweer gedesillusioneerd huiswaarts. Koppe wil van geen wijken weten. Hij besluit zelfs definitief naar Cambodja te vertrekken. Kalm maar vastberaden volgt regisseur Jorien van Nes in Defending Brother No. Two (90 min.) gedurende enkele jaren zijn pogingen om de (vermeende) oorlogsmisdadiger ter zijde te staan.

Tijdens het groots opgezette proces tegen Chea, waarin de hele verdorven historie van het Rode Khmer-tijdperk nog eens minutieus wordt doorlopen, hangt intussen voortdurend de vraag boven de markt of Cambodja eigenlijk wel klaar is voor een eerlijke blik in de spiegel.

Blood Road


Op weg naar haar overleden vader leert ze zichzelf kennen. Dat had zomaar de tagline van de documentaire Blood Road (95 min.) kunnen zijn. In deze groots opgezette film van Nicholas Schrunk rijdt de Amerikaanse mountainbiker Rebecca Rusch de beruchte Ho Chi Minh Trail in Vietnam, op weg naar de plek waar in 1972 het vliegtuig van papa Steve crashte.

Ruim 1200 mijl door onherbergzaam terrein moeten Rebecca en haar Vietnamese gelegenheidspartner Huyen Nguyen, die natuurlijk ook haar eigen verhaal van liefde en verlies meebrengt, afleggen tijdens hun ontdekkingstocht. Die wordt vanuit alle hoeken en gaten vastgelegd, onder andere met prachtige droneshots vanuit de lucht.

De ontberingen van de twee tegenpolen worden door Schrunkversneden met de geschiedenis van de oorlog in Vietnam en het persoonlijke verhaal daarin van de Amerikaanse piloot Steve Rush, dat wordt verteld via interviews met familie, vrienden en collega-militairen en zijn eigen brieven naar vrouw en kinderen.

Terwijl zijn dochter, bijgenaamd ‘the queen of pain’, ruim twintig jaar na zijn dood haar lijf helemaal leeg trekt op de zogenaamde ‘blood road’, bloeit haar hart weer open. Intussen wordt er in deze overtuigende, hoewel licht voorspelbare film ook nog even een dikke streep gezet onder die verwoestende Vietnam-oorlog.

When The Guns Go Silent

VPRO

Hoe beëindig je bijna een halve eeuw oorlog? Met héél veel praten, masseren én soms ook gewoon toegeven, zo blijkt in When The Guns Go Silent (57 min.), een journalistieke documentaire van Natalia Orozco over het vredesproces dat een einde moest maken aan de gruwelijke burgeroorlog in Colombia.

Deze film zou zo uit de schoot kunnen komen van het befaamde Britse productiehuis Brook Lapping, dat er zijn handelsmerk van heeft gemaakt om moeizame (geo)politieke processen of onderhandelingen, zoals bijvoorbeeld de vredesonderhandelingen in Noord-Ierland of de oorlog in Irak, te ontleden met vertegenwoordigers van de strijdende partijen.

Dat is meteen ook het voornaamste minpunt van deze documentaire: veel, heel veel pratende hoofden. Maar wel pratende hoofden die ertoe doen: kopstukken van de regering, die er zijn eigen paramilitaire moordcommando’s op na scheen te houden, en van het FARC-guerrillaleger, dat steevast werd geassocieerd met drugshandel.

Pratende hoofden dus met vuile handen en de bereidheid om die tijdens de onderhandelingen nog vuiler te maken (of schoon te wassen, zo je wilt). In de hoop dat er een permanent staakt het vuren kan worden bewerkstelligd.

De Strijd Om Het Srebrenica Museum

KRO-NCRV

Ruim twintig jaar na dato zorgen de verwikkelingen rond de genocide in Srebrenica, en de rol van de Nederlandse Dutchbat-militairen daarin, nog altijd voor verhitte discussies. Bij het dorp in het voormalige Joegoslavië werden in 1995 zeker 8000 moslimmannen vermoord door Bosnisch-Servische troepen. En Nederland voelt zich daarvoor (mede)verantwoordelijk.

Kamp Westerbork en PAX hebben de opdracht gekregen om de ‘wiedergutmachungssteun’ die Nederland sinds de volkerenmoord heeft gegeven ter plaatse tot een passend eind te brengen met een expositie. Daarmee begeven ze zich in een politiek mijnenveld, waarbij er elk moment een explosief kan afgaan.

Want recente historie laat zich niet zomaar terugbrengen tot geobjectiveerde feiten. Elke belangengroep, van ‘de weduwen van Srebrenica’ tot Dutchbat-veteranen, heeft zijn eigen visie op die werkelijkheid. Binnen dat spanningsveld proberen de historici een verantwoorde expositie samen te stellen.

Dat betekent politiek bedrijven. De bewogen documentaire De Strijd Om Het Srebrenica Museum (54 min.) van Kay Mastenbroek laat zien dat dit, om Von Clausewitz nog maar eens te parafraseren, gewoon een voortzetting van oorlog kan worden. Met geheel andere middelen, verklarende teksten en illustratief beeldmateriaal bijvoorbeeld, dat wel.

The Child Soldier’s New Job


De ijzersterke documentaire The Child Soldier’s New Job (67 min) duikt in de schimmige business achter ’s werelds private legers. Waar oorlogen van oudsher werden uitgevochten door soldaten die voor volk en vaderland streden, bestaat er in de 21e eeuw de mogelijkheid om via een beveiligingsfirma ‘gewoon’ een legertje huurlingen te contracteren. En daarmee is, blijkbaar, goud geld te verdienen.

Zeker als je zo min mogelijk betaalt. Het is wachten op mensen die ’t voor kost en inwoning willen doen, merkte Michael Thibault, de co-voorzitter van een speciale commissie die onderzoek deed naar zogenaamde ‘wartime contractors, al op in 2011. Voordat hij zelf eieren voor zijn geld koos…

Het is dus niet vreemd dat bedrijven als Aegis of GardaWorld uitkomen bij voormalige kindsoldaten die, om het bot te zeggen, de juiste opvoeding hebben gehad. En zo kan het gebeuren dat de jongetjes die vroeger ogen uitdoofden en handen afhakten in Sierra Leone nu als huurling met een doorgeladen machinegeweer door Irak of Afghanistan lopen om daar de Westerse belangen te verdedigen.

The Child Soldier’s New Job (ook wel Child Soldiers Reloaded genaamd) van Mads Ellesoe roept een angstaanjagende wereld op, die een erg nare smaak in de mond achterlaat.

Last Men In Aleppo

 

Dichter bij de oorlog in Syrië, en de mensen die door die oorlog dreigen te worden vermorzeld, dan in de verpletterende documentaire Last Men In Aleppo kun en zul je niet komen.

In deze direct cinema-film van Feras Fayyad, die de Grand Jury Prize voor Best World Cinema Documentary won op het Amerikaanse Sundance-festival, zit de camera voortdurend in de spreekwoordelijke nek van drie White Helmets, vrijwillige hulpverleners die na gevechten en bombardementen slachtoffers vanonder het puin proberen te halen.

Khalid, Subhi en Mahmoud wagen daarbij geregeld hun leven. Tegelijkertijd zijn het ook drie gewone mannen die lekker dollen met elkaar, een normaal gezinsleven proberen te onderhouden en tussen de loodzware klussen door zelfs de gelegenheid vinden om een vijvertje te maken voor hun goudvissen. Intussen vragen ze zich af of het toch niet verstandiger zou zijn om hun eigen ‘kom’ te ontvluchten en naar het buitenland te vertrekken.

Die menselijke insteek, van gewone mannen die gedwongen door de omstandigheden uitgroeien tot helden, zorgt ervoor dat je je als kijker onvermijdelijk gaat identificeren met de hoofdpersonen van deze kaakslag van een film (104 min.). En dat komt je bij de hartverscheurende apotheose duur te staan.

Eerder dit jaar verscheen er overigens nog een andere film over de Syrische hulpverleners met de witte helmen. De ontroerende film The White Helmets, die nog altijd is te zien op Netflix, werd met een Oscar voor beste korte documentaire bekroond.