Un Hijo Propio

Netflix

‘Ik ontmoette haar vijf maanden geleden in het ziekenhuis’, verklaart Eleonor Alejandra ‘Ale’ Marín Mendoza na haar arrestatie aan de toegesnelde pers. ‘We raakten aan de praat… zij en ik. Ze was een alleenstaande moeder. Dit was haar tweede kind van een andere vader. En ze wilde de baby niet. Ze zei dat ze een abortus wilde of het kind wilde weggeven.’

En dat komt goed van pas. Alejandra en haar echtgenoot Arturo verlangen al enige tijd naar een kind, maar dat wil maar niet lukken. De Mexicaanse vrouw, toevalligerwijs ook werkzaam in een ziekenhuis, sluit een deal met deze Mayra: na de bevalling neemt ze in stilte haar baby over. Tot die tijd zal ze alleen geloofwaardig zwanger moeten zijn, ook voor Arturo. Hij weet van niets. Ale begint zich dus vol te vreten – en werkt zich zo, vanaf haar roze wolk, flink in de nesten.

Dat is de intrigerende startpositie van Un Hijo Propio (Internationale titel: A Child Of My Own, 96 min.), de nieuwe film van de Chileense maakster Maite Alberdi die in de afgelopen jaren danig van zich deed spreken met de documentaires The Grown-UpsThe Mole Agent en The Eternal Memory. Deze film oogt in eerste instantie, wanneer die gefingeerde zwangerschap nogal zoet wordt gereconstrueerd, als een typisch dik aangezet Latijns-Amerikaans drama.

Gaandeweg geven Ana Celeste en Armando Espitia, de acteurs die van Ale en Arturo een tragikomisch koppel hebben gemaakt, in deze ‘based on a true story’-productie echter steeds vaker ruimte aan de echte personen en krijgt de film een meer traditioneel documentair karakter. Dan laat Alberdi ook de werkelijkheid achter de geacteerde scènes zien en wordt duidelijk wat de gevolgen van Ales onbezonnen actie – of is het toch een slinks misdrijf? – zijn geweest.

Het uitgangspunt van Un Hijo Propio lijkt op een andere recente Netflix-documentaire over schijnzwangerschap. Terwijl Jessica Dimmock van Maternal Instinct een typische true crime-docu heeft gemaakt, heeft Alberdi duidelijk geen rechttoe rechtaan-benadering voor ogen. Met de gesuikerde eerste helft van de film, voor een enkeling wellicht een dealbreaker, presenteert ze Ales rozige versie van de gebeurtenissen, die in de tweede helft in perspectief wordt geplaatst.

Alle puzzelstukjes vallen dan in elkaar en tonen, aan de hand van een opmerkelijke casus, de immense druk waaronder sommige vrouwen staan om moeder te worden en nageslacht te produceren. De drang om een kind te krijgen kan er zelfs toe leiden dat ze er zelf in gaan geloven dat ze in verwachting zijn. Arturo wil intussen nog altijd een biologisch kind, een zoon natuurlijk. En zijn echtgenote, ‘sadder but wiser’, zal zich met deze blauwe droom moeten verzoenen.

My Grandfather Charles Manson

Disney+

De jonge Amerikaanse actrice, filmmaakster en babysitter Sophia Maddox kent hem volgens eigen zeggen alleen als sekteleider en moordenaar van Wikipedia. Totdat haar vader, de sappelende acteur en filmmaker Daniel Arguelles, via de genealogiewebsite Ancestry een halfbroer vindt. Hij blijkt een zoon te zijn van die beruchte sekteleider en moordenaar. En dus krijgt Sophia er een illuster familielid bij: My Grandfather Charles Manson (106 min.). Dat is even slikken.

Sophia lijkt zich in deze persoonlijke film, die ze heeft gemaakt met Alexandra ‘Allie’ Orton, soms ook te wentelen in haar rol als kleindochter van de man die door menigeen als de belichaming van de Duivel wordt gezien, de diabolische leider die z’n volgelingen in 1969 aanzette tot moord en zo de sixties hoogstpersoonlijk de nek omdraaide. ‘Ik ben m’n opa niet’, zegt Sophia tegen zichzelf, met betraande ogen. Zij lijkt haar positie als kleindochter soms daadwerkelijk als een rol te benaderen. Als ze geëmotioneerd bij haar therapeut zit, raadt die haar aan om het kaf van het koren te gaan scheiden: wat is er werkelijk gebeurd en wat is vooral onderdeel van het sensatieverhaal Charlie Manson?

Daarvoor bezoekt Maddox de tuchtschool waar haar grootvader zat, spreekt ze met de Family-leden Lynette ‘Squeaky’ Fromme, Dianne ‘Snake’ Lake en Stephanie Schram en ontmoet openbaar aanklager Stephen Kay. Ze gaat ook te rade bij de Manson-‘vrienden’ George Stimson, Nikolas Schreck en ‘Black Wolf’. Zij leerden hem doorgaans pas decennia na de Tate/LaBianca-moorden kennen, maar hebben er desondanks nog wel een boek uit weten te persen. Nadat hij Manson in 2007 een brief heeft geschreven, heeft ’Wolf’ in de navolgende tien jaar bijvoorbeeld bijna achthonderd keer met hem gebeld. Alle gesprekken staan op een USB-stick, die hij grootmoedig aan Sophia overhandigt.

Maddox’s ontmoeting met ‘Beach Boys-fotograaf’ Ed Roach, onlangs overleden, krijgt een zéér unheimisch karakter. Met dubbelzinnige opmerkingen werpt hij zich op als een archetypische ‘vieze ouwe vent’, de ideale figurant in het sensationele Manson-verhaal, dat de berichtgeving is gaan beheersen. Jeff Melnick benadrukt juist de andere kant: van Charlie als getroebleerde buitenstaander, die nooit heeft geleerd om in vrijheid te leven en ernstige mentale problemen ontwikkelt. ‘Hij past precies in het plaatje’, legt de historicus uit. Manson is ‘de vervulling van de nachtmerrie die is voorspeld’. Ga maar na: hij heeft een wilde baard en wild haar, nog wildere ogen en een hakenkruis in z’n voorhoofd gekerfd.

Sophia Maddox vindt het gaandeweg steeds lastiger om haar vader, een man met zijn eigen demonen, los te zien van die man. Sterker: om ze überhaupt van elkaar te kunnen onderscheiden. Zijn het allebei niet meer dan onverbeterlijke narcisten, die haar hebben opgezadeld met een loodzwaar kruis om te dragen? Er ontstaat tevens frictie met coregisseur Allie. Over wie zij zelf is – ondanks, of juist dankzij, die bedenkelijke vader en grootvader – en hoe ze zich tot hen moet verhouden. Een persoonlijkheidstest met inktvlekken moet uitkomst bieden, waarbij forensisch psycholoog Robert Schug haar resultaten vergelijkt met die van de sekteleider en moordenaar van Wikipedia.

Deze egodocu heeft dan een wel erg Amerikaans randje gekregen: van een zoektocht, met z’n verplichte eurekamomenten en existentiële crises, die hoe dan ook tot verlossing moet leiden: de kleindochter, die vrede heeft gesloten met de grootvader die ze nooit heeft ontmoet en die toch zo’n enorme plek claimt in haar leven.

Bang My Box: The Robin Byrd Story

HBO Max

In het hoardershuis dat ze samen met haar echtgenoot Shelly bewoont in New York, is al twintig jaar niemand meer te gast geweest, vertelt Robin Byrd. Haar hele leven ligt er uitgestald, waaronder meer dan zeshonderd videotapes van het erotische programma dat ze een half leven lang had op de Amerikaanse kabeltelevisie. Met The Robin Byrd Show werd de oud-deelnemer aan Miss Bare America, zelfverklaarde orgiekoningin en voormalige porno-actrice vanaf halverwege de jaren zeventig een icoon van het ‘seks-positief feminisme’, waarbij het bovendien heerlijk inbellen was.

In de zeer vermakelijke documentaire Bang My Box: The Robin Byrd Story (79 min.) neemt ze Jylian Gunther en Stephanie Schwam mee in haar leven met echtgenoot Shelly, met wie ze nu al ruim vijftig samen is. Het was ‘liefde op het tweede gezicht’, aldus de inmiddels bijna zeventigjarige liefde & seks-activiste. Shelly, sinds 1974 een aandachtig observator van ‘The Byrd’, kampt tegenwoordig echter met dementie. Daardoor wordt zijn vrouw ook gedwongen om na te denken over haar nalatenschap. Hoe voorkomt ze dat fatsoensrakkers er straks vandoor gaan met haar archief?

Geestverwanten van hen hebben de vrijgevochten Robin Byrd al eerder het leven zuur gemaakt. Toen haar show in de jaren tachtig een hit werd, ontwikkelde zij zich, in de woorden van New York Times-journalist Bob Morris, tot ‘a kind of kitsch Lady Liberty For the city that never sleeps’. Met haar stralende glimlach, blonde haren en uitdagende poses ontving ze talloze iconen van de Amerikaanse sekswereld, met wie ze dan tot besluit het sexy liedje Baby, Let Me Bang Your Box zong. In haar gehaakte bikini werd Byrd zo zowel een rolmodel als een steen des aanstoots voor conservatief Amerika.

Niet in het minst omdat ze, in een periode die wordt gemarkeerd door de Stonewall-rellen van 1969 en de AIDS-crisis van halverwege de jaren tachtig, in haar programma ook volop ruimte bood aan de LHBTIQ+-gemeenschap. Toen het gevreesde HIV-virus huis begon te houden onder Amerikaanse gays, schroomde ze niet om het gebruik van condooms en beflapjes te propageren. En toen de minister van Justitie Ed Meese, in de rug gedekt door de conservatieve ‘moral majority’, obscene televisieprogramma’s en telefoonsekslijnen het leven zuur begon te maken, verzette zij zich met hand en tand.

Onder het motto ‘Free The Byrd’ werd die dekselse Robin Byrd, promiscue tot op het bot, zowaar een uithangbord voor de vrijheid van meningsuiting. En nu, als vrouw van respectabele leeftijd en als kind van het parool ‘vrijheid blijheid’ (dat in Bang My Box overigens overtuigend over het voetlicht wordt gebracht), is ze daar maar wat trots op.

Kings From Queens: The Run-DMC Story

Peacock

Bij de introductie van Run-DMC in de Rock & Roll Hall Of Fame in 2009 vat de rapper Eminem het bondig samen: ‘Ze waren de eerste rocksterren van de rap. De eerste filmsterren van rap. De eerste rapgroep die op MTV was te zien. De eerste rapgroep met een platina plaat. De eerste rapgroep met een eigen sneaker. En de eerste die wereldwijd stadions uitverkocht.’ En daarvoor hadden Joseph ‘Run’ Simmons, Darryl ‘DMC’ McDaniels en Jason ‘Jam Master Jay’ Mizell, voegt Eminem er bij de start van Kings From Queens: The Run-DMC Story (140 min.) nog aan toe, in feite niet meer nodig dan ‘two turntables and a microphone’.

De gastenlijst van deze driedelige docuserie van Kirk Fraser onderstreept de status van het New Yorkse trio nog maar eens en oogt als een stamboom van de eerste hiphop-generatie: Runs oudere broer en platenbaas Russell Simmons, Cheryl ‘Salt’ James (Salt-N-Pepa), Kurtis Blow, Doug E. Fresh, Chuck D (Public Enemy), Ice-T, Ad-Rock en Mike D (Beastie Boys), LL Cool J en Ice Cube. Ook Tom Morello (Rage Against The Machine), Eminem en Questlove (The Roots) kussen de ring van The Beatles/Stones van de hiphop. Één man ontbreekt natuurlijk: Run-DMC’s deejay Jam Master Jay. Hij werd in 2002 vermoord, het breekpunt van de slotaflevering van Kings From Queens.

Dan heeft Run-DMC’s zegetocht – de opkomst netjes geschetst in deel 1, gevolgd door een patente dwarsdoorsnede van hun glorieperiode in het tweede deel – sowieso al averij opgelopen. De drie leden kiezen elk hun eigen pad. Run trekt zich terug met z’n familie en in de kerk, waar hij zich ontwikkelt tot de ‘Reverend Joseph Simmons’. DMC krijgt stemproblemen, die een psychosomatisch karakter lijken te hebben, en daalt vervolgens af in zijn eigen diepte. En Jay volgt zijn neus richting steeds weer nieuwe muziek. Totdat hij wordt neergeschoten bij zijn eigen studio. Zijn weduwe Terri vertelt er geëmotioneerd over. Op ‘s mans uitvaart wordt Run-DMC daarna meteen opgeheven.

Ruim twintig jaar later laat Fraser zich door Run en DMC op sleeptouw nemen naar de plekken die hun levens en carrière hebben gevormd. Hij geeft hun baanbrekende rapsongs natuurlijk ook alle ruimte en zet de teksten met typografie aan. Zo werkt ie toe naar een allerlaatste Run-DMC show, als headliner van een groot festival in Yankee Stadium in 2023, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van hiphop. Daar laten de twee rappende ‘Kings of Rock’, die tegenwoordig vooral bezig lijken met hun religie en eigen comic books, nog eenmaal oude tijden herleven. Zónder hun maatje Jam Master Jay, het oliemannetje binnen hun driemanschap.

Woodstock, 3 Days Of Peace & Music

Warner Bros

In 1969 bestaat er nog niet zoiets als een festivalseizoen, met een ruim van tevoren vastgelegde evenementenkalender. De organisatoren van Woodstock, het festival dat de geschiedenis zal ingaan als de hoogmis van het hippietijdperk, betreden nog grotendeels onontgonnen terrein. Hun geesteskind veroorzaakt gigantische verkeersopstoppingen, bezorgt de lokale middenstand zowel een topomzet als kopzorgen en levert gevaren op voor de volksgezondheid, in de vorm van slechte LSD.

Ruim 400.000 ‘freaks’, véél meer dan verwacht, strijken van 15 tot en met 18 augustus neer op een weiland van de melkveehouder Max Yasgur in de Amerikaanse staat New York voor Woodstock, 3 Days Of Peace & Music (224 min.). Deze klassieke festivalfilm van Michael Wadleigh, die Martin Scorsese naar verluidt geen ‘credit’ als coregisseur gunde, ruimt natuurlijk alle ruimte in voor de line-up waarvoor zij naar dit Boomertown avant la lettre zijn getrokken: Richie Havens, The Who, Joan Baez, Ten Years After, Crosby, Stills & Nash, Santana, Jefferson Airplane, Canned Heat, Janis Joplin, Sha-Na-Na en Sly & The Family Stone.

Het levert onvergetelijke concertimpressies op, veelal in zeer effectief split screen uitgeserveerd: Joe Cockers carrière-definiërende uitvoering van With A Little Help From My Friends bijvoorbeeld. De anti-Vietnamoorlog-meezinger The “Fish” Cheer/I-Feel-Like-I’m-Fixin’-To-Die Rag van Country Joe & The Fish (‘Whoopee, we’re all gonna die!’). Of Jimi Hendrixs feedbackversie van het Amerikaanse volkslied. Tussendoor toont Wadleigh het leven in deze ad hoc geformeerde hippiemaatschappij, waar joints van hand tot hand gaan, naakt wordt gezwommen en tijdens onweer spontaan een regendans en modderglijpartijen ontstaan.

‘Ik kan met trots zeggen dat de inwoners van dit land trots kunnen zijn op deze kinderen’, laat de plaatselijke korpschef zowaar monter optekenen. En hoewel sommige omwonenden in Bethel, New York, wel degelijk mopperen, gaat het er doorgaans best beschaafd aan toe in Woodstock. ‘Dokter Jack Maitland, alstublieft, neem al uw hechtmaterialen mee, want u bent hier nodig’, meldt de festivalomroeper bijvoorbeeld. ‘U moet een bevalling doen.’ Luttele minuten later volgt een nieuwe oproep: ‘City McGee, kom onmiddellijk naar de rechterachterkant van het podium. Ik heb begrepen dat je vrouw aan het bevallen is. Gefeliciteerd.’

Het ultieme sixties-festival, een ongegeneerde viering van de tegencultuur, blijkt vaak een kwestie van improviseren. Geen draaiboek te bekennen. Er is te weinig water, nooit genoeg eten en nauwelijks een plek om te ontlasten. En toch blijven de ‘blommenkinderen’, waarvan er ook nog een paar aan het woord komen, alles van de positieve kant bekijken. Woodstock is en blijft daardoor te allen tijde ‘groovy’ – en daarmee ook een ongekend tijdsdocument. Van een periode waarin vrede en (vrije) liefde de wereld leken te gaan veroveren – totdat de ‘squares’, en hun onvermijdelijke ‘pigs’, hem toch weer in hun macht kregen.

Soldier’s Bones

Zeppers

De Vietnamoorlog die iedereen allang spuugzat was, kon volgens de Amerikaanse generaal Julian Ewell wel degelijk nog gewonnen worden. Hij initieerde eind 1968 in het zuidwesten van Vietnam de omstreden operatie Speedy Express, die hemzelf de bijnaam ‘The Butcher Of The Delta’ opleverde. De militaire campagne van het Amerikaanse leger in de zogeheten Mekongdelta, die tot halverwege 1969 duurde, kostte naar verluidt bijna 11.000 Vietcong-strijders het leven. Toch werden er in totaal nog geen 750 wapens ingenomen.

Waren dit echt vijandelijke strijders? vroeg de 27-jarige Newsweek-journalist Alec Demitri Shimkin zich dus begin jaren zeventig af. Of had de Negende Infanterie Divisie van het Amerikaanse leger Ewells parool ‘kill anything that moves’ letterlijk genomen en gewone Vietnamezen vermoord? Shimkin beet zich vast in de zaak en verdween daarna van de aardbodem. Sinds 1972 werd er niets meer van hem vernomen. In de documentaire Soldier’s Bones (90 min.) neemt de Nederlandse documentairemaker Kasper Verkaik ruim vijftig jaar later het stokje van hem over.

Aan de hand van ingelezen brieven die Alec Shimkin tijdens zijn speurwerk naar het thuisfront stuurde reconstrueert hij diens diepgravende onderzoek. Verkaik weet ook getuigen op te sporen die nader licht werpen op Operation Speedy Express. Met Shimkins zus Eleanor, verloofde Mary Ann, nicht Barbara, beste vriend Bill en enkele collega’s in Vietnam probeert hij bovendien vat te krijgen op de idealistische Amerikaanse journalist, die eerst actief was in de burgerrechtenbeweging en later besloot om de omstreden oorlog in Zuidoost-Azië te gaan verslaan.

Deze kalme en sfeervolle reis door het hedendaagse Vietnam is aangekleed met huiveringwekkende beelden uit dat zwarte verleden en wordt zo meteen een hypnotische tocht naar het ‘heart of darkness’ van de oorlog – en het hart van een jonge man die weigerde om zich neer te leggen bij oorlogsmisdaden en die ervan overtuigd raakte dat hij een belangrijk verhaal op het spoor was gekomen. ‘Death is our business’, stond er volgens Shimkin op één van de Amerikaanse helikopters, die dood en verderf zaaiden in de Mekongdelta. ‘And business is good.’

In de Verenigde Staten zat, na de commotie rond het bloedbad in het dorpje My Lai in 1968, echter niemand te wachten op nóg een voorbeeld dat de oorlog in Vietnam niet deugde. Met Alec Shimkin verdween dus ook het verhaal van Operation Speedy Express in een nooit meer te openen bureaulade, die Kasper Verkaik nu vol overtuiging openrukt.

Mijn Broer

Serious Film / KRO-NCRV

Thuis in het Zeeuwse dorp ‘s-Heer Hendrikskinderen hebben zijn ouders nooit een groot probleem gemaakt van de homoseksualiteit van Bart Davidse. Voor hen blijft de oudere broer van filmmaker Koert Davidse gewoon Bart. Ze spreken alleen nooit over zijn geaardheid. Ook niet als hij, inmiddels als kunstenaar woonachtig in Amsterdam, besmet raakt met het HIV-virus.

In het dagboek van zijn vader leest Koert een kleine veertig jaar later dat die boodschap wel degelijk is overgekomen. ‘Bart belt om zeven uur dat hij weer ernstig ziek is’, schrijft pa begin 1986, het jaar waarin zijn zoon op slechts 28-jarige leeftijd zal overlijden, in het dagboek waarin hij het leven en werk in hun tuinderij documenteert. ‘Zware koorts. Dat is al de derde maal binnen één maand. Wij zijn erg bang dat hij AIDS heeft.’

Als familie weten zij zich geen raad met de situatie. ‘Ik weet nog heel goed dat ik met ma bij Bart zijn bed zat’, herinnert Koert zich. ‘Hij lag op de IC. Toen liep er een traan uit zijn oog.’ Als z’n moeder die wil wegvegen, houdt Koert haar tegen, bang voor besmetting. ‘We wisten dus echt niks van AIDS’, constateert hij nu, vol schaamte. ‘Echt verschrikkelijk!’ ‘Ja’, reageert zus Karin, terwijl ze strak voor zich uit kijkt. ‘Klopt.’

Samen met Karin, hun andere zus Wilma en vrienden uit Barts andere leven in Amsterdam reconstrueert Davidse het veel te korte bestaan van zijn grote broer. In de hoofdstad zal Bart zich vestigen als kunstenaar en kan hij zich uitleven in darkrooms, leerbars bezoeken en cruisen op straat. En daar, in dat Sodom en Gomorra, ligt volgens de veelal vrome mensen uit z’n geboortedorp ook de oorsprong van zijn ondergang.

In Mijn Broer (83 min.) onderzoekt Koert Davidse de enorme afstand tussen Barts levens, die na het overlijden van zijn broer ernstig opspeelt. De Zeeuwse begrafenisondernemer blijkt bijvoorbeeld niet bereid om zijn lichaam op te halen. En er is eigenlijk ook geen kerk die de uitvaart wil verzorgen. Behoedzaam waadt deze delicate film door dat ongemakkelijke verleden, met oog voor beide kanten van het verhaal.

Davidse ondersteunt zijn relaas met live geënsceneerde foto’s, die dierbare herinneringen aan het leven met zijn broer en belangrijke momenten uit zijn beladen ziekteproces en afscheid representeren. Tegelijkertijd maakt hij ook weer kennis met die broer via zijn kunst en bezittingen, die tezamen zijn opgenomen in de expositie Bart Davidse: Een Leven In Beelden, die zijn bewonderde broer weer tot leven wekken.

En met hem wordt ook die traumatische episode uit de wereldwijde queerhistorie, nog niet eens zo lang geleden, weer uitgelicht. Als een dodelijke ziekte ook in Nederland homo’s nog eens extra tot outcast verklaart.

Sins Of My Father

HBO

Sebastian Marroquin was pas zestien toen zijn vader in december 1993 werd gedood in de stad waarin hij zo lang had geheerst, Medellin. De zoon van de beruchte Colombiaanse drugsbaron Pablo Escobar hoorde het nieuws van een verslaggeefster. ‘Hallo, wilt u ons aub niet storen?’ nam Sebastian toen de telefoon op. ‘We kijken net naar de televisie en denken dat het nieuws over mijn vader niet klopt.’

Zij hielp hem direct uit de droom, die net zo goed een nachtmerrie kon worden genoemd. ‘De politie heeft het nieuws zojuist bevestigd. Hij was in het winkelcentrum Obelisco in Medellin.’ Heel even klonk Sebastian daarna als de zoon van zijn vader. ‘Ik ga alle klootzakken die hem vermoord hebben zelf doden.’ Al snel volgde de bezinning. Samen met zijn moeder Maria Isabel Santos en zus vluchtte hij vervolgens naar Argentinië.

Daar zoekt regisseur Nicolas Entel hem vijftien jaar later op voor Sins Of My Father (88 min.). ‘Mensen kunnen ons niet verbieden om van mijn vader te houden’, zegt Sebastian dan. ‘Het heeft geen zin om te ontkennen dat we een liefdevolle relatie hadden. Een gewone familierelatie.’ Voor hem was de alom gevreesde Pablo Escobar de man die een verhaaltje voorlas. Of de zanger die, niet al te toonvast, La Donna È Mobile galmde.

Toch heeft Juan Pablo Escobar, zoals de echte naam luidt van Sebastian Marroquin, zich wel degelijk te verhouden tot het criminele verleden van zijn liefdevolle vader. Die tekende bijvoorbeeld voor twee schokkende politieke moorden, op minister van justitie Rodrigo Lara Bonilla in 1984 en op presidentskandidaat Luis Carlos Galán, vijf jaar later. Zijn zoon zoekt nu contact met hun kinderen, om hen om vergiffenis te vragen.

‘Toen mijn vader overleed, was ik acht jaar oud’, vertelt Lara Bonilla’s zoon Rodrigo. ‘Ik herinner me hoe ik muziek luisterde en dan fantaseerde over hoe ik een wapen in mijn hand had en zijn dood zou wreken.’ Ook hij moet in deze bespiegelende film over z’n eigen schaduw stappen. Want mag een zoon gestraft worden voor de zonden van zijn vader? En verdient Sebastian niet gewoon de erkenning dat ook hij een slachtoffer is?

Entel tast dit terrein, in het kielzog van zijn bedachtzame hoofdpersoon, voorzichtig af in deze bezonken film, die de schurkenmythe rond Pablo Escobar terugbrengt tot menselijke proporties en die zich vervolgens ontwikkelt tot een overtuigend pleidooi voor vergeving en verzoening.

Monterey Pop

Janus Films

Als filmmaker stond D.A. Pennebaker (1925-2019) in de jaren zestig precies op de plek waar hét gebeurde. Samen met Robert Drew, Richard Leacock en de gebroeders Albert en David Maysles behoorde hij tot de bekendste exponenten van de zogeheten ‘direct cinema’. Met een lichtgewichtcamera op de schouder, voorheen volstrekt onmogelijk geacht, legden zij het leven onopgesmukt vast zoals zich dat voor hun lens aftekende.

Toen in diezelfde tijd ook een nieuwe generatie muzikanten zich meldde, was Pennebaker er als de kippen bij. Hij maakte bijvoorbeeld de klassieke Bob Dylan-documentaire Dont Look Back (1967). Later zou ie ook nog werken met uiteenlopende grootheden zoals John Lennon, David Bowie en Depeche Mode. In 1968 was de Amerikaanse filmer tevens verantwoordelijk voor één van de eerste grote concertfilms: Monterey Pop (79 min.), een verslag van het International Pop Festival. Dat vond in het weekend van 16 tot en met 18 juni 1967 plaats in het Californische stadje Monterey en werd beschouwd als het hoogtepunt van de ‘summer of love’.

Muzikale hoogtepunten te over. De bitterzoete meezinger California Dreamin’ van The Mamas & The Papas bijvoorbeeld. Een florerende Janis Joplin bij Big Brother And The Holding Company. Het lijflied My Generation van The Who, waarbij Pete Townshend zijn gitaar helemaal aan gort mept. De onweerstaanbare soulinjectie van Otis Redding, slechts enkele maanden voor zijn dood bij een tragisch vliegtuigongeluk. En het vuuroffer van Jimi Hendrix die – baas boven baas – zijn instrument in de hens zet en daarna de brokstukken in het publiek gooit. Met een lang uitgesponnen sitar-exercitie van de Indiase virtuoos Ravi Shankar, die z’n gehoor in extase brengt, tot besluit.

Behalve de dampende performances op het podium maakte Pennebaker ook een schouwspel van het observeren van gewone festivalgangers: buiten in een slaapzak pittende hippies, lekker verliefde stelletjes en bezoekers die, al dan niet onder invloed van geestverruimende middelen, helemaal uit hun dak gingen. Als twee jaar later niet de legendarische Woodstock-film was uitgebracht, over ‘three days of peace & music’, dan zou Monterey Pop beslist de geschiedenis zijn ingegaan als de ultieme weerslag van de flower power-jaren, een tijd waarin een nieuwe generatie ervan overtuigd was dat alles beter werd als we maar een beetje liever voor elkaar zouden zijn.

The Lives Of My Father

DR Sales

Als nieuwsproducer heeft zijn vader de halve wereld gezien. Hij reisde van brandhaard naar conflictgebied. En overal maakte ie foto’s van zichzelf, liefst met een volautomatisch wapen in de hand. In Bosnië, Cambodja, Syrië, Congo, Iran, Cuba en Afghanistan. Totdat Bjørn Hallstrøm, thuis in Noorwegen, zijn auto aan de kant van de weg zette en aan z’n zoon Didrik bekende dat hij een dubbelleven had geleid. Bjørn beweerde dat hij al die jaren een spion voor de Amerikaanse inlichtingendienst CIA was geweest.

Boven op zolder heeft Didrik een doos met oude VHS-videobanden liggen. Als hij die laat digitaliseren, weet de Noorse veertiger niet wat hij ziet. Zijn vader in Koeweit bijvoorbeeld. ‘Rambo!’ roepend, schiet hij, quasi-stoer, een mitrailleur leeg in de lucht, naar z’n denkbeeldige vijand, de Iraakse leider Saddam Hoessein. Bjørns zoon besluit hem op te zoeken. Hij woont tegenwoordig in de Bulgaarse hoofdstad Sofia en nadert het einde van z’n leven. Daar voelt Didrik hem aan de tand over The Lives Of My Father (86 min.).

Op een zolderkamer biecht Bjørn Hallstrøm aan zijn zoon op hoe hij z’n televisiereportages gebruikte als dekmantel voor zijn werk als spion. Enkele jongeren die hij daarvoor meenam naar het buitenland en in gevaarlijke situaties bracht, tasten daarover nog altijd in het duister. Totdat filmmaker Magnus Skatvold hen op de hoogte brengt van wat die flamboyante producer achter hun rug uitspookte. Hallstrøms strapatsen zorgden ook thuis voor steeds meer problemen, vertelt zijn ex-vrouw en Didriks moeder Jane.

Terwijl zijn verhalen van diverse kanten worden aangevuld en bevestigd – door presentatrice Bettina Rasmussen, cameraman Anders Berg en zijn jeugdvriend Hans Jørgen Insulan bijvoorbeeld, die beweert overal vanaf te hebben geweten – blijft Bjørn, ondanks de longziekte COPD, roken als een ketter. Hij is oud geworden. Een breekbare man uit een andere tijd, met z’n eigen vaderissues. Niet zonder trots schetst hij zijn verborgen bestaan, waarin ie ook nog voor een Britse geheime dienst actief zou zijn geweest.

‘Als ik de keuze had gehad tussen mijn werk en mijn gezin’, laat Hallstrøm zich aan het eind van deze documentaire ontvallen, ‘dan zou ik waarschijnlijk voor mijn werk hebben gekozen.’ Dat is geen verrassing voor zijn zoon. ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat je ergens anders wilde zijn’, zegt hij. Want wat er ook gebeurde in zijn kinderleven, voor z’n vader was er altijd iets belangrijker. Net als Bjørn is hij met één ouder opgegroeid. Voor hem was nooit meer weggelegd dan een bijrol als verweesd kind van de held in een waanzinnige avonturenfilm.

‘Dit begint verdacht veel op psychoanalyse te lijken, Didrik’, verzucht Bjørn. Hij kiest in deze boeiende film, die ook beschikbaar is als miniserie onder de noemer The Agent – The Life And Lies Of My Father, zijn vaste uitweg: een sigaretje.

The Stringer: The Man Who Took The Photo

Netflix

In december 2022, vijftig jaar na dato, krijgt fotograaf Gary Knight van de belangenorganisatie The VII Foundation een telefoontje van Carl Robinson, een voormalige fotoredacteur van het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) in Saigon: die ene foto van het Vietnamese ‘Napalmmeisje’ Kim Phúc, misschien wel de meest iconische oorlogsfoto ooit, is helemaal niet gemaakt door AP-fotograaf Nick Út, die er een Pulitzer Prize en de World Press Photo Of The Year van 1973 mee won. Het tragische beeld van een naakt negenjarige meisje met ernstige brandwonden zou in werkelijkheid zijn gemaakt door een Vietnamese freelancer.

Wie The Stringer: The Man Who Took The Photo (103 min.) was, is altijd onbekend gebleven. Dat Huỳnh Công Út, alias Nick Út, de bekroonde foto niet had gemaakt, was destijds wel ‘een publiek geheim onder Vietnamese fotografen’, ontdekt Gary Knight. Aan hem de taak om een halve eeuw later alsnog diens naam te ontdekken en vervolgens te bekijken of de fotograaf nog in leven en op te sporen is. Tijdens zijn uitgebreide onderzoek, de basis voor deze boeiende documentaire van Bao Nguyen, maakt hij een rondgang langs allerlei direct betrokkenen en ooggetuigen. Hij stuit op stilzwijgen, tegenwerking én de identiteit van de stringer: Nguyen Trành Nghê.

Stukje bij beetje, ook met behulp van een analyse van de foto’s en filmbeelden die op de bewuste dag zijn gemaakt, verzamelt Knight alle puzzelstukjes van wat er zich op 8 juni 1972 heeft afgespeeld bij de Cao Dai-tempel in Trang Bang, zo’n vijftig kilometer van Saigon. Een cruciale rol was daarna ook weggelegd voor AP-eindredacteur Horst Faas. Hij had zo z’n eigen motieven, zowel professioneel als persoonlijk, om de klassiek geworden foto toe te schrijven aan Út, een 21-jarige Vietnamese fotograaf met een beladen familiehistorie bij Associated Press. En die heeft vermoedelijk een doorslaggevende rol gespeeld in de afwikkeling van de zaak.

De gevolgen daarvan zijn in feite voor alle betrokkenen tragisch, toont deze genuanceerde reconstructie aan. Ook voor de man die een halve eeuw onterechte eer van zich af moet schudden en daar voorlopig nog niet aan wil. Deze kwestie ken écht alleen verliezers. Net als de oorlog zelf.

Cover-Up

Netflix

‘This son of a bitch is a son of a bitch’, zegt de Amerikaanse president Richard Nixon begin jaren zeventig, op geheime geluidsopnames, tegen zijn nationale veiligheidsadviseur Henry Kissinger. ‘But he’s usually right, isn’t he?’ Ze hebben ‘t over onderzoeksjournalist Seymour Hersh, die zich dan namens The New York Times in het Watergate-onderzoek heeft gemengd. De Amerikaanse krant loopt op dat moment gigantisch achter de feiten van The Washington Post aan, waar Bob Woodward en Carl Bernstein al de ene na de andere primeur hebben gehad. Zij zijn een complot op het spoor, dat Nixon in 1974 ten val zal brengen. Hersh kan daaraan uiteindelijk ook nog bijdragen met enkele onthullingen.

Hersh geldt dan al als een enorme lastpak, de spreekwoordelijke luis in de pels. Met onthullingen over een bloedbad dat Amerikaanse soldaten in 1968 hebben aangericht in het Vietnamese dorpje My Lai brengt hij de militaire top en regering ernstig in verlegenheid. Zoals hij 35 jaar later opnieuw zal doen met berichtgeving over marteling door Amerikaanse militairen in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib in 2004. Op dat moment is ‘Sy’ overigens al weg bij The Times. Als hij besluit om het Amerikaanse bedrijfsleven onder de loep te nemen en daarbij ook onwelgevallig nieuws over hooggeplaatsten binnen de krant tegenkomt, heeft hij volgens eigen zeggen z’n langste tijd bij The New York Times gehad.

Want Seymour M. Hersh is ook een ‘character’. Dwars, zéér vasthoudend en met een bijtend gevoel voor humor. Ideaal documentairemateriaal, kortom. Regisseur Laura Poitras (Citizenfour en All The Beauty And The Bloodshed) had hem na het Abu Ghraib-schandaal al op de korrel voor een film. Het zou haar echter nog twintig jaar, veel overredingskracht en de hulp van coregisseur Mark Obenhaus, die eerder enkele onderzoeksfilms met Hersh heeft gemaakt, kosten om de hardkop zelf van het nut en de noodzaak daarvan te overtuigen. En dan moet de tegellichter uit Chicago ook nog zijn aantekeningen, stapels papier op een rommelig kantoortje, met hen delen. Terwijl bronbescherming zo’n beetje z’n hoogste goed is.

In Cover-Up (118 min.) belichten Poitras en Obenhaus via Seymour Hersh de hoogtijdagen van de Amerikaanse journalistiek. Ze hebben hun documentaire een onmiskenbare seventies-feel meegegeven, die herinneringen oproept aan filmklassiekers zoals The Parallax view, Three Days Of The Condor en – natuurlijk – de ultieme journalistenfilm All The President’s Men. Één van de hoofdrolspelers daarvan, Bob Woodward, doet overigens ook nog een bescheiden duit in het zakje voor deze film over zijn al even vermaarde concullega Hersh, die onderweg nog héél even aan een zijden draadje hangt als Sy, omdat ie nu eenmaal Sy is, voor een draaiende camera zijn medewerking aan de documentaire opzegt.

Het spreekt voor de makers ervan dat ze daarin ook Hersh’s grootste canard belichten – een intieme briefwisseling tussen president John F. Kennedy en het sekssymbool Marilyn Monroe, die gefingeerd blijkt te zijn – al hadden ze in feite geen keuze. Met prutsers die zulk nieuws over het hoofd zouden zien en dus van ‘speaking truth to power’ geen kaas hebben gegeten, zou Seymour M. Hersh ongetwijfeld niets van doen willen hebben.

My Undesirable Friends: Part I – Last Air In Moscow

Marminchilla

‘Hallo, buitenlandse agent’, grappen de medewerkers van de onafhankelijke Russische nieuwszender Dozhd, ofwel TV Rain, naar elkaar – hoewel het lachen hen eigenlijk allang is vergaan. Het Poetin-regime heeft Dozhd en andere journalistieke organisaties, opiniemakers en mensenrechtenactivisten in het najaar van 2021 tot buitenlandse agenten bestempeld. Zij zijn ook verplicht om zichzelf als zodanig kenbaar te maken. Elke uitzending van TV Rain wordt dus voorafgegaan door een officiële staatsboodschap: dit nieuws en deze mensen zijn niet te vertrouwen.

Presentatrice Anna Nemzer, één van de hoofdpersonen van My Undesirable Friends: Part I – Last Air In Moscow (322 min.), probeert zich dan nog met galgenhumor staande te houden. ‘Dit is echt Mordor’, zegt de journaliste scherp als ze in Moskou om zich heen kijkt, naar de totalitaire staat die in de afgelopen twintig jaar om hen heen is ontstaan. Dan wordt er bij haar werkgever nog dapper geprotesteerd tegen de overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld tijdens een vurige marathonuitzending. Al snel draaien de machthebbers de duimschroeven nog verder aan. Elke vrijdag worden er nieuwe Russen tot buitenlandse agent bestempeld. Totdat elke vorm van (pers)vrijheid vakkundig is gesmoord.

Deze vijfdelige serie van de Russisch-Amerikaanse filmmaakster Julia Loktev, een goede vriendin van Nemzer, begint eigenlijk waar F@ck This World (2021), een documentaire over Dozhd-boegbeeld Natasha Sindeeva, ooit ophield. Loktev volgt Sindeeva’s navolgers: jonge vrouwelijke journalisten zoals Olga ChurakovaAlesya MarokhovskayaIra DolininaSonya GroysmanElena Kostyuchenko en Ksenia Mironova, de verloofde van journalist Ivan Safronov die al meer dan een jaar in voorarrest zit vanwege vermeend landverraad. In de aanloop naar de Russische inval in Oekraïne blijven zij moedig, en soms ook met de moed der wanhoop, berichten over de gebeurtenissen in hun land.

Het beest mag in elk geval niet bij zijn naam genoemd worden: de oorlog is in Poetins newspeak niet meer dan een ‘speciale militaire operatie’. In de uitzendingen van TV Rain, waarmee Loktev haar groepsportret doorsnijdt, is het dus voortdurend spitsroeden lopen. Wél de feiten benoemen, maar níet opzichtig de ruimte geven aan verzet tegen het Russische regime. Intussen neemt de dreiging ook voor hen persoonlijk toe. Kunnen ze nog wel zomaar de deur opendoen? Of in hun eigen huis vrijuit spreken? Als Poetin-criticasters bereiken ze bovendien ogenschijnlijk helemaal niets. Toch gaan ze onversaagd door. Zodat, zoals ze tegen elkaar zeggen, zwart zwart blijft en wit wit.

Tegelijk moet ieder voor zichzelf afwegen of ie het land wil verlaten. ‘Ook in nazi-Duitsland wachtten mensen af’, zegt Anna. ‘In de hoop dat alles toch nog goed zou komen.’ Intussen gaat het gewone leven verder. Tussen uitvoerige discussies aan de keukentafel, op de werkvloer of onderweg door worden er dus ook spelletjes gedaan, huisdieren uitgelaten en Harry Potter-weetjes uitgewisseld. Loktev neemt de tijd om ook deze momenten te laten zien. Haar miniserie wordt daarmee wel een lange zit. Die wint echter aan kracht en urgentie als de aanval op Oekraïne, die menigeen toch nog verrast en raakt tot op het bod, wordt ingezet. ‘Ik heb geen land meer’, zegt Anna dan.

My Undesirable Friends: Part I – Last Air In Moscow ontwikkelt zich zo tot een wezenlijk ooggetuigenverslag vanuit het andere Rusland, gemaakt op een scharnierpunt in de moderne historie.

My Undesirable Friends:Part II – Exile is overigens al aangekondigd.

Mijn Woord Tegen Het Mijne

Maasja Ooms / Cerutti Film

Ze zitten recht voor de lens, midden in beeld, en keren hun ziel binnenstebuiten voor psychiater Dirk Corstens, die vanachter de camera luistert. Zij en de stemmen die ze horen. Ze komen allebei aan het woord in een neutraal aangeklede ruimte. Samen – of juist niet samen – laten ze zich in deze therapeutische setting bevragen door de rustig zoekende stem. Over het verhaal achter de stemmen en de identiteiten die zij representeren.

In Mijn Woord Tegen Het Mijne (113 min.) kijkt en luistert documentairemaakster Maasja Ooms (AliciaRotjochies en Jason) heel aandachtig mee naar vijf Nederlanders en de stemmen in hun hoofd. Soms is dat er maar één, soms ook een paar. En een heel enkele keer maar liefst negentien. Tijdens de gesprekken met Corstens of een collega laten zij zich, aangespoord door hun begripvolle gesprekspartner, zien en horen.

Ongeveer tien procent van de mensen, stelt de psychiater, hoort volgens onderzoek wel eens een stem in z’n hoofd. Door die aan het woord te laten, zo is zijn veronderstelling als behandelaar, kunnen deze ‘stemmenhoorders’ ontdekken waarom zij in hun leven zijn gekomen en welke functie ze daarin nu vervullen. De stemmen bestoken hen met kritiek, bieden juist bescherming of proberen hen, dat ook, stelselmatig kapot te maken.

Ooms geeft deze gesprekken alle ruimte en maakt de kijker zo deelgenoot van zeer persoonlijke en intieme sessies, waarin de hoofdpersonen via of ondanks hun alter ego’s de confrontatie aangaan met zichzelf en de trauma’s die hen hebben gemaakt tot wie ze nu zijn. Die stemmen zijn er – tegen wil en dank, uit puur lijfsbehoud ook – en proberen hen iets te vertellen. Al is dat misschien niet altijd letterlijk wat ze zeggen.

Deze therapiesessies, waarbij een enkele oogopslag of de manier waarop iemand zit (of gaat verzitten) alles vertelt over wie er aan het woord is en hoe die zich voelt, zijn in deze gespreksfilm omlijst met enkele gestileerde en geladen scènes, begeleid door serene muziek. Die vertegenwoordigen diep gevoelde, veelal onverwerkte en doorgaans ook verzwegen ervaringen of weerspiegelen juist hun huidige gemoedstoestand.

Stapsgewijs vormt zich zo een beeld van de mens achter de stemmen en hoe die hen een plek kan geven, eens goed luistert naar wat ze te zeggen hebben of hun boodschap naast zich neer durft te leggen – en zo weer/een beetje/meer vrede kan sluiten met een deel van zichzelf.

My Father, The BTK Killer

Netflix

Als vier leden van het gezin Otero uit Wichita in 1974 worden vermoord, rekent het politiekorps al snel enkele broers in. Zij bekennen de gruwelijke moorden ook. Dan komt er een brief binnen, de eerste van een serie onrustbarende schrijfsels die ook naar de plaatselijke krant worden gestuurd. ‘Ik schrijf deze brief omwille van de belastingbetaler en van uw tijd’, stelt de onbekende persoon, die duidelijk over daderkennis beschikt en als een soort erfgenaam van de Zodiac Killer aandacht en erkenning zoekt. ‘De drie kerels die u in hechtenis hebt, weten er niets van. Ik heb het helemaal alleen gedaan.’

Om dat voor eens en altijd duidelijk te maken zoomt de dader in op enkele naargeestige details: ‘Bondage: handen gebonden met koord van rolgordijn. Voeten, onder- en bovenkant knie en taille met een waslijn. Allemaal één lengte.’ Op foto’s van de plaats delict kan de politie zien dat de onbekende weet waar ie over spreekt. ‘PS. Omdat sekscriminelen hun werkwijze niet veranderen of dit van nature niet kunnen, verander ik de mijne ook niet.’ Voor de zekerheid specificeert ie die nog even: Bind. Torture. Kill. Met een waarschuwing en voorspelling erbij: ‘They will be on the next victim.’ 

Was getekend, Dennis Rader, familieman, devoot christen, scoutingleider, hondenvanger van Park City én vader van Kerri Rawson. Ofwel: My Father, The BTK Killer (94 min.), een man die sinds de jaren zeventig zeker tien martelmoorden heeft gepleegd. Hij wordt echter pas in 2005 gearresteerd, Kerri is dan 26. Zij was dus nog niet geboren toen de Otero-familie werd vermoord. En haar vader schreef zijn laatste openbare BTK-brief op haar eerste verjaardag. Kinderen opvoeden had zogezegd zijn moordroutine ontregeld. Tot 2004 zal ‘t stil blijven rond de beruchte BTK-killer.

Skye Borgman ontleedt de schokkende reeks moorden van deze onopvallende man, die ook bij de mensen die het dichtst bij hem stonden nooit argwaan heeft gewekt. Elke onthulling leidt tot een volgende onthulling. De details zijn huiveringwekkend en slaan diepe wonden bij de nabestaanden van zijn slachtoffers en zijn eigen gezin. Waarom hebben we nooit iets gemerkt? vraagt zijn dochter Kerri zich af. Heeft hij nog meer slachtoffers gemaakt dan de tien die aan hem worden toegeschreven? En, de engste van alle vragen voor haar: heeft hij sommige verknipte dingen uitgeprobeerd op haar?

‘Het is een eindeloze hel’, aldus Kerri, die zwaar getraumatiseerd is geraakt. Ze kan niet anders dan wroeten in dat inktzwarte verleden, omdat het haar definieert. Tegelijk wil ze zich ook losrukken van de BTK-vloek en de man, het monster, die van haar de dochter van een seriemoordenaar heeft gemaakt. Behalve een min of meer reguliere killerdocu wordt deze film daardoor ook een portret van de andere slachtoffers die een moordenaar maakt. Buiten zijn prooien en hun verwanten, die overigens niet participeren in deze productie, slachtoffert hij ook zijn eigen familieleden en vrienden.

Onwetende omstanders die besmet raken door hun associatie met een man, die ze vaak al hun hele leven kennen en toch nooit hebben gekend.

Stans

MTV

Bij een film over de achterban van een goudeerlijke rocker, zoals Springsteen & I (2013), verwacht je ook fans van het type toffe peer. Zoals je bij Eminem nu eenmaal Stans (101 min.) veronderstelt: een variant op de obsessieve fan die hij ooit opvoerde in zijn hit Stan (2000). In deze documentaire, geproduceerd door de Amerikaanse rapper zelf, geeft Steven Leckart een aantal Stans het podium. Onder hen is een rossige Brit die verdacht veel op de singer-songwriter Ed Sheeran lijkt.

Marshall Mathers, alias Eminem, weet wat het is om een voorbeeld, spreekbuis en uitlaatklep te hebben, vertelt hij in deze film, waarin hij via zijn fans wordt geportretteerd. Als ontheemd kind van een alleenstaande moeder in Detroit, een jeugd die werd vervat in een speelfilm waarin hij zelf de hoofdrol speelde (8 Mile, 2002), hing hij aan de lippen van de rapper LL Cool J. Toen hij later zelf een ster werd en stapels fanmail begon te ontvangen, was de vraag onvermijdelijk: ‘Ben ik nu de LL Cool J van iemand anders?’

Zijn Stans blonderen hun haar, dragen witte T-shirts en sturen vol verwachting persoonlijke brieven naar 2131 Woodward Avenue in Detroit, Michigan. Ze zweren in het bijzonder bij zijn vileine alter ego Slim Shady, een vuil gebekt personage dat zo lijkt te zijn weggelopen, ongetwijfeld met veel misbaar, uit The Jerry Springer Show en met sardonisch genoegen alles en iedereen afzeikt of tegen zich in het harnas jaagt. Zoals de vrouwelijke Stan Daniyela ’t uitdrukt: ‘een psychopaat, maar dan op een goede manier’.

Voor het min of meer reguliere deel van dit artiestenportret heeft Leckart verder LL Cool J, MTV-veejay Carson Daly, producer Dr. Dre, platenbaas Jimmy Iovine, Rolling Stone-journalist Anthony Bozza en acteur Adam Sandler gecharterd. Zij plaatsen zijn ontwikkeling als witte rapper – streep door en herstel: white trash-rapper – in z’n context. Ook dan ligt de nadruk echter op Eminems positie als artiest, zijn verhouding tot z’n fanschare en de druk, ongewilde aandacht en eenzaamheid die daarmee gepaard gaan.

Intussen zetten zijn Stans een koptelefoon op om nog eens naar zijn muziek te luisteren, lezen ze voor uit ‘s mans autobiografie en bekijken zijn handgeschreven songteksten. Daarin vinden zij iets van zichzelf, bijna alles soms, en dat drukken ze dan weer op hun eigen manier uit. Katie (sinds 1999) draagt het superheldenpak dat hij in de videoclip van Without Me aanhad. Nikki (sinds 2000) heeft 22 Eminem-portretten op haar lijf getatoeëerd. En Zolt ‘Shady’ (sinds 2001) probeert al een kwart eeuw op Slim te lijken.

Samen bieden ze zowel een boeiende inkijk bij superfans, zonder het sensatierandje waarmee die vaak worden opgeleverd, als bij het object van hun aanbidding, een man die van zijn hart nog altijd geen moordkuil maakt – en zo eraan heeft bijgedragen dat mentale problemen beter bespreekbaar zijn geworden. En waar de ‘echte’ Stan uiteindelijk afknapt op de held die hij een dwingende fanbrief stuurt en zo een iconisch voorbeeld wordt van de stalkende fan, blijven zijn erfgenamen Eminem gewoon trouw.

My Way

NTR

‘Ik ben een Amerikaans lied, maar ben geboren in Frankrijk’, vertelt My Way (60 min.) zelf, die verdacht veel klinkt als Jane Fonda, bij de start van deze documentaire van Thierry Teston en Lisa Azuelos. ‘Ik ben geschreven door twee Parijzenaars, bewerkt door een Canadees en beroemd gemaakt door een Amerikaan.’ Ofwel: Claude François en Jacques Revaux componeerden in 1967 Comme D’Habitude, Paul Anka zorgde een jaar later voor een bijpassende Engelse tekst en diens idool Frank Sinatra zong die vervolgens ons aller collectieve geheugen in.

‘Anders dan kinderen die uit liefde zijn geboren’, stelt het lied zelf nog, ‘ben ik het product van tranen.’ De Franse zanger François drukte in zijn originele tekst namelijk z’n relatieproblemen met de zangeres France Gall uit. Niet veel later maakte Sinatra van zijn epische uitvoering bovendien een soort afscheidsbrief, een afrekening met zijn bestaan als artiest. En daarna ging de halve wereld ermee aan de haal: van traditionele vertolkers zoals Shirley Bassey, Tom Jones en Elvis Presley tot de eigenzinnige interpretaties van Nina Simone, Sid Vicious en Nina Hagen.

In totaal zouden er volgens dit vermakelijke zelfportret inmiddels zeker vierduizend covers, in minimaal 169 verschillende talen, in omloop zijn van My Way en is het nummer elke acht minuten wel ergens ter wereld op de radio. Om over de miljarden streams nog maar te zwijgen. En leiders zoals Poetin, Kim Jong-Un en Trump zouden er dol op zijn. Het is nu eenmaal een nummer dat perfect past bij narcisten en grote ego’s, bekent één van de geestelijk vaders, Paul Anka, die zijn signatuursong gedurende de jaren ook voor menige machthebber mocht/moest uitvoeren.

En dan is er nog David Bowie, een man met een haat-liefde verhouding tot de tranentrekker. Als onbekende jongeling schreef hij een afgekeurde Engelse tekst voor de evergreen, toen hij eenmaal een gearriveerde artiest was besloot Bowie om alsnog zijn eigen variant te maken, Life On Mars. Ook dat werd een klassieker. ‘I faced it all’, concludeert My Way, die inmiddels toch al tegen de zestig loopt en een beetje van ons allemaal is geworden, niet voor niets. ‘I stood tall and did it my way.’

My Name Is Happy

Autlook

In een parallelle wereld zou het zo zijn gegaan: een Koerdisch meisje uit Ergani, een stad in het zuidoosten van Turkije, neemt in 2015 deel aan het televisieprogramma Sesi Çok Güzel, ofwel Turkey’s Got Talent. Ze zingt zich ieders hart in en wordt een ster.

En het vreemde is: zo is het in de echte wereld ook gegaan. Bijna, tenminste. Met een geladen performance verovert Mutlu Kaya de harten van Turkije, de vrouwen in het bijzonder. Ze bereikt de finale van de populaire talentenjacht. Enkele dagen daarvoor slaat het noodlot echter toe. Of beter: Veysi Ercan. Mutlu is pas veertien als ze hem ontmoet, hij is al in de twintig. De middelbare scholier vindt hem wel leuk, een gentleman. Niet veel later volgt een huwelijksaanzoek. Daar wil zij alleen niets van weten.

‘Trouwen kwam niet in haar op’, vertelt moeder Hanim, die zelf al op haar dertiende werd uitgehuwelijkt aan Mutlu’s vader Mehmet, in deze indringende documentaire van Ayse Toprak en Nick Read. ‘Ik wilde dat ze voor zichzelf opkwam en niet verpletterd zou worden zoals andere meisjes, maar het lot had andere plannen met haar.’ Mutlu, wat zoveel als ‘gelukkig’ betekent, wordt het slachtoffer van een man die haar – zomaar omdat het kan en omdat hij ’t wil – als zijn eigen bezit is gaan beschouwen.

De gevolgen zijn hartverscheurend. En daarmee is de gifbeker nog lang niet leeg in My Name Is Happy (81 min.). Deze film schetst een wereld waarin ’s mans wil nog altijd wet is en misogynie en femicide dus nooit ver weg zijn. Vrouwen moeten zich binnen die toxische omgeving staande houden. Mehmet en Hanim houden bijvoorbeeld ongetwijfeld evenveel van hun dochters als van hun zoons – niet vanzelfsprekend in deze contreien – maar Mutlu en haar zussen Songül en Dilek hebben ‘t beduidend zwaarder.

In een parallelle wereld krijgen deze sterke en dappere vrouwen, die zich op hun kwetsbaarst tonen voor de sensitieve camera van Toprak en Read, de gelegenheid om zonder enige terughoudendheid zichzelf te zijn en voluit te gaan voor hun eigen dromen. In deze wereld moeten zij echter al blij zijn als ze ongeschonden hun huwelijk doorkomen en dan ook nog andere giftige mannen van het lijf weten te houden. Dat lukt dan ook niet: vijf jaar later, op 21 maart 2020, houdt ‘het lot’ weer huis bij de Kaya’s.

Mutlu zingt zich daarna nog eenmaal ieders hart in. Op haar eigen manier wordt ze toch een ster.

My Wife, My Abuser

Channel 5

Richard Spencer heeft het ogenschijnlijk goed voor elkaar: een groot vrijstaand huis, een jaguar voor de deur en een ideaal gezin, met een knappe vrouw en drie dochters. Achter de voordeur is de spanning echter te snijden bij het Britse gezin. Totdat in 2021 ineens de politie voor die deur staat om een einde te maken aan het huiselijk geweld. En het is niet Richard die wordt ingerekend. Hij is juist het slachtoffer. Zijn echtgenote Sheree wordt aangehouden en naar het politiebureau gebracht voor verhoor.

In My Wife, My Abuser (90 min.) doet Spencer, ondersteund door agenten die de zaak destijds behandelden, zijn verhaal. Over hoe hij in het uitgaansleven een aantrekkelijke vrouw ontmoette die lekker sarcastisch uit de hoek kon komen. Richard was in de veronderstelling dat een schoonheid zoals Sheree nooit voor een jongen zoals hij zou kunnen vallen. Dat deed ze wel. Tijdens hun bruiloft in Thailand begon de ellende echter. En in de navolgende twintig jaar zou ‘t van kwaad tot erger gaan.

In deze tweedelige tv-docu maakt regisseur David Ward regelmatig gebruik van het bewijsmateriaal dat Richard op een gegeven moment ging verzamelen van de intimidatie, mishandelingen en vernederingen door Sheree – ook om zichzelf te beschermen tegen mogelijke beschuldigingen van zijn vrouw, die hem daarmee regelmatig onder druk zette. Deze verborgen camera-beelden en stiekeme geluidsopnames, met wel heel veel echo ingezet, onderstrepen zijn lezing van de feiten.

In het huiselijk geweld waarmee Richard werd geconfronteerd is een duivels patroon te herkennen: de excessen worden steeds heftiger, vaak aangejaagd door drankmisbruik. Omdat de man in dit geval nu eens niet de dader maar het slachtoffer is – in 2017 maakte Elena Lindemans overigens al de documentaire Vrouw Slaat Man over twee bewoners van een Nederlandse mannenopvang – lijkt dit met nóg meer schaamte gepaard te gaan dan sowieso al gebruikelijk is bij relationeel geweld.

Ward ruimt heel veel tijd in voor verhalen over en opnames van Shiree’s intimiderende gedrag en gewelddadige uitspattingen. Dat krijgt na verloop van tijd iets ongemakkelijks. Zoals ook de beelden van haar politieverhoor voyeuristisch aandoen. Naar de mogelijke achtergronden van Shiree’s gedrag blijft het dan weer gissen. Serieuze duiding ontbreekt. Wat zou een moeder kunnen bewegen om haar man, ten overstaan van hun drie kinderen bovendien, zo agressief te bejegenen?

My Wife, My Abuser lijkt echter vooral een omkering van het aloude ‘good women love bad men’-adagium te willen worden: good man, bad woman. En dat is, hoewel pijnlijk en schokkend, uiteindelijk toch nét iets te gemakkelijk.

My Mom Jayne

HBO Max

Mariska Hargitay was pas drie toen haar moeder Jayne Mansfield op 29 juni 1967 overleed. De Amerikaanse actrice werd slechts 34. Zij ging de entertainmenthistorie in als het ultieme domme blondje, een platvloerse, wellustige en nóg rondborstigere variant op het sekssymbool van de jaren vijftig en zestig, Marilyn Monroe. Want daar was destijds vraag naar in Hollywood.

In de geladen egodocu My Mom Jayne (106 min.) gaat Mansfields ‘baby nummer vier’, zelf ook actrice, op zoek naar wie haar moeder werkelijk was. Daarvoor spreekt ze onder anderen met haar oudere zus Jane Marie en broers Zoltan en Mickey Jr. Zij groeiden samen op in het luxueuze huis dat Jayne in Los Angeles bewoonde met hun (stief)vader, de Hongaarse acteur, bodybuilder en Mr. Universe Mickey Hargitay. En ze waren er ook getuige van hoe hun moeder ten onder ging aan een imago waaraan ze niet meer kon of wilde voldoen.

Illustratief is een fragment uit 1962, waarin zij te gast is in de televisieshow van de comedian Groucho Marx. ‘Je bent eigenlijk helemaal geen dom blondje’, houdt hij haar dan voor. ‘Ik denk dat de mensen moeten weten dat je een slimme, gevoelige en begripvolle persoon bent. En dit is een façade van jou, die niet gebaseerd is op wie je werkelijk bent.’ Mansfield reageert zoals van een vrouw zoals zij wordt verwacht. ‘Dat is lief’, neemt ze de complimenten bescheiden in ontvangst. ‘Dank je.’ Groucho bijt nog even door. ‘Jayne, dit is een soort act. Toch?’

Vera Jayne Palmer (1933-1967), de echte naam van de blonde seksbom, was al op jonge leeftijd beschadigd geraakt en zou haar hele korte bestaan op zoek blijven naar succes en erkenning, eerst overigens nog niet als blondine en ook niet met die verplichte kirstem. Haar dochter Mariska schetst hoe zij als jonge, getalenteerde vrouw klem komt te zitten tussen haar eigen ambities en de mores van haar tijd, maar exploreert gaandeweg ook steeds meer verborgen hoekjes uit het privébestaan van de moeder, waaraan ze zelf eigenlijk nauwelijks herinneringen heeft.

Dit resulteert in brisante onthullingen, die ook de levens van andere Mansfield-erven raken en deze persoonlijke film, waarin Hargitay tevens spreekt met haar vader, stiefmoeder Ellen en haar moeders PR-man Raymond ‘Rusty’ Strait (die een smeuïg boek over Jayne Mansfield schreef), persoonlijke urgentie en een onmiskenbare drive geven. My Mom Jayne ontstijgt zo moeiteloos het niveau van een inwisselbaar sterrenportret, dat is gemaakt door een kind dat die beroemde ouder alsnog recht wil doen of nog eens ongegeneerd op het schild wil hijsen.